Isolde moet nu een eed afleggen om door een godsgericht haar onschuld te bewijzen. Ten einde op de plaats des gerechts te komen, moet zij met haar gevolg een rivier over. Aan de oever staat een schurftige bedelaar en wanneer de koningin nu landen zal, vraagt hij haar uit de boot te mogen dragen. Zij omvat hem nu met haar armen en benen want zij heeft dadelik Tristan herkend; hij had haar ook laten weten dat zij maar goeden moed zou houden. En wanneer zij nu aankomt, kan zij kalm de eed afleggen dat zij nooit een andere man dan de koning haar Heeren Meester in haar armen heeft gehad en,—ja, dan ook nog die schurftachtige bedelaar van daar straks,—en doorstaat zij met glans de ijzerproef.—Reeds in de oude Indiese vertellingen en later in Griekse romans hadden loze geliefden dergelijke dubbelzinnige eden afgelegd. Daar ziet men alweer, roept naar aanleiding hiervan de antiklerikaal Gotfried tot de geestelikheid met haar „vrome bedriegerijen”,—daar ziet men alweer dat Kristus zich tot alles leent, hij is als een mouw die men kan draaien en wenden, presies zo als men wil, evengoed tot bedrog als tot waarheid!
Maar,—de koning kan, niettegenstaande dit alles toch niet blind blijven voor wat er tussen die twee gebeurt. Hij ziet het, zo als Gotfried het sentimenteel uitdrukt, aan hun blikken, hun groeten, hun handen die zij zo dikwijls tegen het hart drukken. Weer volgt er een breuk en wordt het paar veroordeeld. Bij Berol geschiedt dit op zeer ruwe manier. Tristan wordt naar de brandstapel geleid, maar als hij onderweg permissie heeft gekregen om een kleine kapel in te gaan om te bidden, weet hij met een koene sprong het raam uit te springen naar een steile rots en zich zo te redden, Isolde zal ook verbrand worden, maar op weg komt de stoet een troep melaatsen voorbij en hun geleider stelt de koning voor de zondares aan hen over te leveren. De melaatsen die in de middeleeuwen in voortdurende vleselike lust bleken te leven, konden haar nu allen bezitten en dat zou nog de beste spot voor zulk een verwende prinses zijn. Zonder zich een ogenblik te bedenken levert de koning haar uit en trots trekken zij met de wenende verder. Maar uit een hinderlaag komt Tristan op eens te voorschijn en verdrijft de schare; Berol, dichter van de beginnende ridderlikheid als hij is, zegt dat Tristan zich volstrekt niet verwaardigde zijn zwaard te trekken, zoals vroegere dichters hebben beweerd, zijn getrouwe vriend en makker ranselde er met een knuppel op los en dat was genoeg. Dan trekt hij met zijn geredde geliefde het bos in.
Thomas laat dit alles weg; alleen doet de koning beiden in de ban, Tristan voorziet zich alleen maar van wat geld; neemt zijn harp, zijn hoorn, zijn degen en zijn hond mede en vol verrukking gaan de twee gelieven zonder enig protest, hand in hand op weg.
Het bos is altijd het toevluchtsoord voor alle vogelvrij verklaarden geweest;—in Engelse liederen van Robin Hood als in de IJslandse ballingsschapsverhalen. Even als daarin wordt ook in „Tristan en Isolde” de vrijheidsromantiek in het Robinson-achtige natuurlevenin het diepe bos gepoëtiseerd. De geliefden bouwen zich nu een verborgen loofhut, vertelt Berol, en Tristan gaat op jacht na zijn hond zo gedresseerd te hebben dat die het wild grijpt zonder te blaffen; hij kan ook al de vogelgeluiden na doen zodat die zich om hem verzamelen. Liefde tot de dieren komt hier, evenals bij Marie de France, sterk op de voorgrond als een schakel in de keten der ontwikkeling van de sentimentaliteit en het natuurgevoel. Bij Gotfried, misschien reeds bij Thomas—komt zelfs het Rousseau-achtige dwepen met de natuur van de hoveling hier en daar te voorschijn. De twee geliefden leven alleen van hun liefde, dat is de enige spijs en drank waar ze iets om geven, hun hof is de linde, de weide en het gezang der nachtegalen. Wat niet weg neemt dat Berol ze, eigelik heel gek, een prachtige „liefdegrot” in het diepst van het woud in laat richten, en hij zich geen moeite spaart om de marmeren muren, de glans der edelstenen en het bed van kristal te schilderen—alles in de trant van de „Chambre de beauté” der Trojaromans—maar hij legt er een diepe allegoriese betekenis in en vertelt vol aandoening dat hij zelf dikwels in zulk een liefdegrot geweest is, ofschoon hij nooit Cornwall bezocht heeft,—hij was dikwels op jacht gegaan maar dan, zonder enig wild te vangen, altijd in die grot terecht gekomen. Des morgens, vertelt hij nu verder, wandelde het paar wat rond, of zat naar het kabbelende beekje te luisteren en volgde de golfjes met hun ogen. Wanneer de zon hoger aan de horizont kwam, gingen zij onder de lindenboom zitten die bij hun grot groeide, en dan suisde de wind koel door het schaduwrijke loof, terwijl zij elkaar droeve liefde-verhalen deden uit Ovidius. Ook vermaakten zij zich met te spelen en op de jacht te gaan. Zo gingen ze eens op een morgen hand in hand op weg; alle vogelen in het bos begroetten hen met hun kunstigste trillers, lachend keken de bloemen hun in 't gezicht, de dauw fonkelde in het morgenlicht en koelde hun voeten. Het was alsof de gehele natuur ze vaarwel wilde zeggen. Zij zijn n.l. in een onrustige stemming; de vorige dag hebben ze hondengeblaf gehoord en ze zijn bang dat de koning in de buurt op jacht is.
En zo is het,—de koning jaagt; hij wil proberen de zwaarmoedigheid te verdrijven die op hem rust sedert zijn vrouw hem verlaten heeft, die hij nog steeds lief heeft. En in de namiddag, wanneer de gelieven in hun woning liggen te slapen, komt een der jagers daar toevallig voorbij, kijkt door een reet en ziet ze liggen... dadelik haalt hij de koning, die aan komt sluipen omde schuldigen te doden. Maar gelukkig liggen ze daar, geheel gekleed, met het blote zwaard tussen hen in, als de gepersonifieerde onschuld. Geen luchtje roert zich, geen blaadje beeft, door het bladerdak dringt een zonnestraal en verguldt het aangezicht van Isolde, „zo slapen de twee gelieven, die denken aan geen kwaad, zij hebben niemand dan zich zelf hier in 't land.” Het getrokken zwaard tussen de gelieven,—dat is het overoude teken van onschuld, dat men reeds in „AmisenAmiles” vindt, zowel als in de „Völsungensage”, maar hier is het òf een bloot toeval dat ze zo liggen, òf een list, omdat zij wel vermoeden dat de koning op jacht is. En de brave koning loopt er dan ook in! Reeds heeft hij zijn zwaard opgeheven, maar ontroerd laat hij het vallen, vol liefde blijft hij zijn schone Isolde weer aan staren; hij besluit zich weer even ongemerkt te verwijderen, maar hij wil ze een teken achterlaten dat hij er geweest is en hun geen kwaad wenst,—even als David wanneer hij Saul in 't hol heeft gevonden. Hij ziet hoe haar teêre huid door de zon gekleurd wordt en trekt een van zijn handschoenen uit die hij voor haar gelaat hangt; ook neemt hij een van haar ringen weg,—ach! haar vingers zijn zo mager geworden dat dit gemakkelik genoeg gaat—en doet een der zijnen daarvoor in de plaats aan haar vinger; ook wisselt hij zwaarden. Een dergelike geschiedenis van een goedige echtgenoot vindt men in de oude troubadour-biografieën en is ook in de moderne literatuur te vinden.
Maar nu houdt de werking van de liefdedrank op; de drie jaar gedurende welke die volgens Berol werken zou, zijn verlopen. Op een dag dat Tristan op jacht is, begint het hem te vervelen dat hij niets te doen heeft en geen heldendaden meer verricht. En Isolde krijgt nu berouw dat zij haar koninklike waardigheid en het rijke hofleven voor al deze ellende heeft laten varen en zij zijn het er over eens dat zij hebben „male usé notre jovente”. Nu zoeken zij een eremiet in de buurt op die reeds te voren getracht had op hun gemoed te werken,—zij beriepen zich toen op die minnedrank—ook nu nog verklaart Isolde dat zij geen berouw heeft, maar dat zij toch bereid zijn elkaar te verlaten. En de eremiet staat dadelik met een zeer ruim biechtvader-geweten paraat. God vergeeft alles zegt hij, hoe erg 't ook is, en luister nu eens, koningin, om de zonde te bedekken en de schande weg te nemen is een klein beetje „bel mentir” nu niet altijd zo heel verkeerd. En door zijn raad en medewerking wordt de zaak al heel spoedig zo geschikt dat Isolde weer tot haar vroegere eer en waardigheidkomt, als zij verzekert dat er nooit iets anders dan gepaste vriendschapsgevoelens tussen hen beiden geweest zijn; maar Tristan moet het hof verlaten en ten strijde trekken. De Koning wil hem geld medegeven, maar dat weigert hij en na afscheid van Isolde genomen te hebben, trekt hij trots op weg; zolang Isolde hem kan zien, wendt zij het oog niet van hem af en zij heeft hem beloofd dat, zodra hij om haar zendt, muur noch toren haar terug zal houden.
Anders loopt het in de ridderlike versies, waar de werking van de minnedrank niet aan een bepaalde tijd gebonden is. Nog eenmaal worden de geliefden in genade aangenomen; fijn verklaart Gotfried hoe de Koning, door zijn eigen begeerte verblind, „weet en toch niet weten wil” wat er steeds tussen hen is; op die manier, vervolgt hij met een vrij slappe moraal, is het 's Konings eigen schuld dat het gaat zo als het gaat; bedriegen doen ze hem eigelik niet, zo open als alles in 't werk gaat. Maar eindelik vindt men ze eens op een warme zomermiddag in de tuin in een situatie, die geen de minste twijfel meer over laten kán en nu moet Tristan definitief weg. „Nos cors partir or convient,—mais l'amor ne partira nient,” zeggen zij tot elkaar.
Tristan gaat nu naar Bretagne—het is steeds in het „Keltiese hoekje” dat die historie zich beweegt: Wales, Cornwall, Ierland en Bretagne, met de golven van de Atlantiese zee als brug tussen dit alles—; en hier is het nu dat Tristan een andere Isolde huwt,—Iseut aux blanches mains.Hij wordt n.l. bevriend met Kaherdin, de zoon van de hertog, en spreekt dikwels diens zuster naar wier vertrek Kaherdin hem placht te brengen. Haar naam ontroert hem sterk, hij maakt haar 't hof en dicht op haar: „Isot ma drue, Isot ma mie—en vus ma mort, en vus ma vie”; hij denkt aan zijn eigen Isolde, maar zij denkt aan hem; „die arme vrouw” meent dat zij bemind wordt, wat Gotfried zeer gevoelvol schildert en veroorlooft zichzelf al meer en meer toenaderingen, en Tristan is eerst op haar gesteld omdat zij nieuw voedsel aan zijn weemoed geeft, maar ten slotte vindt hij troost en vergetelheid bij haar.—Of deze tweezijdige verbinding een overblijfsel is van een zonnemyte laat zich niet uitmaken; in „Eliduc” zien wij de held evenzo tussen twee vrouwen verdeeld; de een in Engeland, de ander in Bretagne en ook daar waren hun namen ongeveer dezelfde. In elk geval is het een verfijnd sentimenteel onderwerp en in de ridderlike versie van Thomas licht Tristan zijn zielestrijd in lange monologen toe, in de trant van die inde roman van Troje; maar het is een zeer origineel stuk psychologie, naïef-ruw niet alleen, maar smachtend als 't in zijn ongemengde oprechtheid is.
Isolde—zegt Tristan zich zelf—kan nu toch zeker niet meer zo naar mij verlangen; nu heeft zij immers haar man met wie zij de liefde leert kennen. Tot andere gedachten is zij zeker niet gekomen, dan zou ik 't wel gevoeld hebben, evenals zij 't gevoeld zou hebben als dit met mij 't geval was.—Hier hebben wij het geloof in een wisselwerking uit de verte tussen verwante zielen (dat reeds in de naïeve verhalen uit de volkssagen bekend is) hoe de thuisgeblevenen aan een achtergelaten haarlok of kleed kunnen zien hoe het de ander gaat;—een motief dat zeer vaak in de liefderomans opgenomen wordt als een soort mise-en-scène van de steeds zeer voorkomende bewering van de lyriese dichter dat hij met zijn geliefde „van hart verruild” heeft.—Maar,—gaat Tristan tegen zich zelf door—dàt zij bezig is van mij af te gaan, is zeker, anders zou zij wel om mij gezonden hebben. Als zij nu elke nacht door haar man omhelsd wordt, zal zij mij niet langer missen, en moet ze er langzamerhand toe komen hem lief te hebben. Ik wil dan ook maar trouwen en zien of ik bij die andere mijn lust kan vinden zonder haar werkelik lief te hebben. In een dergelijke wraak, merkt de schrijver hierbij op, zit eigelik liefde zo wel als toorn, hij doet wat hij eigelik niet wilde!
En zo huwt hij dan Isolde Withand,—maar als 't er op aan komt, kan hij het niet over zich verkrijgen bij haar te gaan. De gedachte aan zijn ware Isolde houdt hem terug en hij vindt er een geraffineerde zelfplagerij in, getrouwd te zijn en zich toch te onthouden. Hij verlangde steeds naar Cornwall en daarginds verlangde Isolde niet minder. Zij zit daar „lais” te zingen, en op haar harp te spelen; „zoet zingt de vrouwe, en de stem voegt zich naar het snarenspel, schoon zijn haar handen, haar lied is lief, zoet is haar stem en de tonen zacht.” Er stijgt een wonderlik weemoedige stemming uit die fraaie verzen op: „La dame chante dulcement,—la voiz accord a l'estrument,—les mains sunt beles, li lais bons,—dulce la voiz et bas li tons.” Eens krijgt zij een hond van haar vriend ten geschenke, met bellen om zijn nek; die heeft een vorst hem geschonken en wanneer die bellen weerklinken, vergeet men zijn verdriet, daarom zendt Tristan die aan zijn vriendin, opdat zij hem niet zal missen. Isolde is heel blij met haar hond, maar—als zij merkt dat zij door het gerinkelder bellen haar vriend vergeet, neemt zij haar hond de halsband af en werpt die in het water: zij wenst geen troost terwijl hij lijdt. Zulke vergetelheidbrengende feeëngaven waren blijkbaar een oud dichtermotief, maar de asceties sentimentele draai er aan is zeker aan de roman te danken. In Bretagne heeft Tristan ergens in 't woud een geheime grot die hij door grote meesters in de kunst van vergulde beelden van Isolde enBrangienheeft laten voorzien; dat zijn van die mekaniese kunstwerken als in de Troja-romans, die verspreiden heerlike geuren en daar gaat Tristan dikwels heen om het beeld van zijn geliefde te omhelzen en harer te gedenken. Dergelijke ietwat ongure geschiedenissen van vrouwenstandbeelden die mannen als levende vrouwen omhelzen, zijn uit de latere klassieke schrijvers in de Graalroman en de kronieken overgegaan en wijzen misschien op een zeker ruw volksgeloof met betrekking tot naakte antieke vrouwenbeelden.
Isolde Withand droeg haar jonkvrouwelike stand in het huwelik met berusting. Slechts door een toeval komt zij er toe haar broeder op de hoogte te brengen, waarbij de schrijver een motief uit een oud-Ierse sage gebruikt. Nu heeft Kaherdin een verklaring met Tristan, die zich voor zijn verdediging op de omstandigheid beroept dat hij een vriendin heeft die zo schoon is dat zelfs haar cameriere nog de zuster van Kaherdin overtreft,—bijna presies hetzelfde watLanvalin de „lai” vanMarie de Francete zijner verdediging aanvoerde toen men hem zijn onverschilligheid voor vrouwen verweet. Maar dat gelooft Kaherdin niet voor hij 't ziet! En zo trekt hij met Tristan op naar Cornwall, waar deze laatste weer Isolde in 't geheim ontmoet, terwijl Kaherdin enBrangienweldra het tweede paar vormen. Dergelike verhalen komen er meer voor in de roman; veel van wat in deze motieven in de heldendichten en de vroegere litteratuur in 't algemeen voorkwam, vanRenaud de Montauban, Grettir uit de IJslandse verhalen, Robin Hood en andere bannelingen die in 't geheim hun land bezoeken, wordt nu weder op Tristan overgedragen. Eens staat hij in haar tuin en bootst de klagende tonen van de nachtegaal na, zo zoet „dat er geen hart is, zelfs niet dat van een moordenaar, dat er niet door vermurwd wordt”, en zij hoort dadelik dat het haar vriend is. Een volgende keer komt hij, alsof hij een krankzinnige was, met het sap van allerlei wortels besmeerd, een knuppel in zijn hand en als een wildeman gekleed, in de grote zaal van koning Marc, waar hij in bedekte woorden maar alsof het die van een krankzinnige waren, er vermaak in schept, dekoning van zijn liefde en die van de koningin te vertellen. „Geef mij uw koningin,” zegt hij, „ik zal haar naar een kristallen paleis boven de wolken brengen, waar de zon doorheen schijnt, waar de wind niet bij kan komen, naar dat slot zal ik mijn geliefde brengen”, en hij herinnert de koningin aan de geschiedenis van de draak, aan de beker waar zij beiden uit gedronken hebben... de koningin raakt helemaal in de war en begrijpt er niets van. Zij vlucht naar haar kamer, de „krankzinnige” weet daar ook zijn weg heen te vinden; daar wil hij haar omhelzen, zeggend dat hij haar eigen Tristan is,—maar zij deinst terug, in die vreemde kleedij en met zijn valse stem kan zij hem niet herkennen. Nu spreekt hij haar van nog meer, waar alleen zij beiden van af weten, uit hun samenleven in het bos, en vraagt dan zijn oude trouwe hond te zien. En die alleen herkent dadelik zijn meester, trekt zijn touw stuk, likt hem en blaft... iets wat weer aan de hond van Odysseus herinnert waar die terug komt... Nog veel meer sentimentele episoden komen in de latere prozaroman de verlangens en de smart der twee gescheiden gelieven schilderen. Daar wordt Tristan bovendien nog door jaloesie geplaagd, omdat hij meent ontdekt te hebben dat zijn Isolde nu Kaherdin, zijn zwager uit Bretagne liefheeft, nu is het geen aanstellerij, maar wordt hij echt krankzinnig van verdriet, en gaat in het bos bij een beek zitten wenen en zijn zwanenzang dichten. Nu wil Isolde zich op haar beurt van 't leven beroven, evenals Dido; opgeschikt als op haar kroningsdag sluipt zij de tuin in om „in schoonheid te sterven” op die heerlike zomerdag. Zij staat reeds wenend gereed om in het zwaard van Tristan te vallen dat zij tegen een boom aan heeft gezet, wanneer de koning, die haar gangen na heeft laten gaan, aankomt en haar plannen verijdelt...
Tenslotte wordt Tristan in Bretagne door een vergiftigd zwaard gewond: kruiden helpen niet meer en hij roept Kaherdin bij zich en smeekt hem Isolde aan haar belofte te willen gaan herinneren en dat het nu tijd is te komen. Hij kan haar maar 40 dagen tijd geven, daarna zal zij hem slechts als lijk vinden. En evenals een vergiftigde wonde eens de aanleiding was dat hij hulp zocht bij de koningin van Ierland Isolde, zo kan hij nu alleen maar redding vinden bij de dochter Isolde. Wanneer zij mee terugkomt zullen zij witte zeilen heisen, anders zwarte. Maar aan Isolde Withand mag alleen slechts gezegd worden dat het een ervaren vrouwelik geneeskundige is die ze halen. Ongelukkig heeft de echtgenote buiten gestaan en alles gehoord: „al te gruwelik zal zij zichwreken op hem die zij boven alles lief heeft”. Maar zij doet alsof zij niets weet en blijft zeer vriendelik.
Tristan ligt te verlangen,—laat zijn bed naar 't strand brengen en „houdt er alleen het leven nog maar in” om zijn geliefde terug te zien. Zij is dadelik op reis gegaan en is dan ook al dicht bij de kust van Bretagne. Maar er steekt een storm op, het schip dreigt te vergaan. Als zij nu haar vriend nog maar weergezien had, klaagt Isolde, zou zij gaarne sterven. Maar zo is de liefde, dat niemand van ons smart kan voelen of sterven zonder dat het de ander ook zo gaat. Als wij maar in elkaars armen konden sterven, in één kist neergelegd worden. Ofschoon, als ik nu hier in zee verdrink, zal Tristan zeker ook op zee sterven (steeds weer die gedachte aan hetzelfde lot voor de verwante zielen) en wie weet of dan niet een vis ons beiden verslindt en misschien vangt iemand dan die vis en herkent die onze lichamen en begraaft ons te samen!... Maar wat praat ik... als God ons nu maar te samen bracht, zodat ik hem òf genezen kon òf dat wij te samen in dezelfde doodsangst konden sterven.
Ondertussen ligt Tristan aan wal zich in ellende en verlangen op zijn sponde te wenden en te keren; het loopt op het uiterste. Listig komt nu zijn vrouw hem vertellen dat het schip in 't gezicht is,—wat ook werkelik waar is. Is het wel zeker, vraagt Tristan met ingehouden adem, en welke kleuren hebben de zeilen? „Helemaal zwart”. Nooit had Tristan groter smart gevoeld, hij keerde zich af; Isolde had dus niet willen komen. Drie maal fluisterde hij zuchtend haar naam en toen stierf hij.—Zonder twijfel zijn het de zwart en witte zeilen van de Griekse Theseus-sage die men hier terug vindt, ook zeker wel een andere antieke mythe,—van Paris die vóór Helena, de geneeskundige nymph Oenone bemind had en dodelik gewond bij haar om hulp komt vragen. En evenals het een „toevallige” vergissing is welke die twee in liefde samen bracht, zo is ook het slot van de tragedie het gevolg van een „toevallige” vergissing. Want dat het uit jaloesie zou zijn dat Isolde Withand zwart in plaats van wit zegt, is blijkbaar slechts een latere, ridderlik, sentimentele motivering; in de primitiefste vorm van het gedicht is het slechts de gril van een vrouw om iets anders dan anders te zeggen.
Juist in die versie van Eilhart, is het slot ook het eenvoudigst en het schoonst. Wanneer Isolde nu aan land komt en de klachten over de dood van Tristan hoort, roept zij alleen maar uit: „Wee mij! O Tristan! hij is dood!”; zij verbleekte niet en werd nietrood. Ook weende zij niet mee, maar haar harte deed haar zo zeer. Bij 't lijk ligt de andere Isolde luid te jammeren, onschuldig als zij (in deze versie) aan zijn dood is. Zonder tranen komt de ware Isolde naar binnen en zegt: „Vrouwe, sta op! Laat mij er bij. Geloof mij, ik heb meer recht om hier te wenen dan gij. Ik heb hem meer liefgehad.” En dan valt zij neer en sterft stil aan zijn zijde.
Maar op het graf aan Isolde werd een rozenstruik geplant, op dat van Tristan een wijnrank. Over de graven slingerden die zich samen en hoe er ook aan gekapt werd, die waren niet van elkaar af te houden. Een oude zeer verbreide volksoverlevering, die oorspronkelik misschien wel op de opvatting terug gaat van een werkelike verandering in planten van de afgestorvenen, maar die in elk geval het schoonste simbool er van is dat zij in het leven ook niet van elkander af konden.
FRANSE RIDDERLIKHEID.
Ridderlikheid en hoofse vormen—zegt een Noord-Frans dichter uit het einde van de 12deeeuw—waren eerst te huis in Griekenland, toen kwamen ze naar Rome, nu zijn ze naar Frankrijk getrokken, en mogen ze daar steeds blijven. En het werd ook feitelik overal erkend dat Frankrijk nu de zetel van alle „Chevalerie” en alle „Courtoisie” was. Naast het hof van Hendrik II en Eleonora, zijn gemalin uitPoitou, waren er de vorstelike hoven in Vlaanderen en Champagne, in Neder-Lotharingen en Henegouwen,—dan een massa kleine hoven in Noord-Frankrijk en—een mensengeslacht later—dat van de koning te Parijs, waar het ridderleven en de ridderpoëzie tot de grootste bloei kwamen. Alle literaire en kultuur-invloeden die wij in het voorafgaande onderzocht hebben, werden hier samengevoegd tot één organies geheel.
Zoals wij reeds opmerkten, kon men invloed van de Provençaalse troubadours en hun minnedichten vinden niet alleen in de Troja-romans die door een klerk aan het hof van Hendrik II geschreven waren, maar ook hier en daar in de lais vanMarie de Franceen de Tristan vanThomas. Koningin Eleonora, de kleindochter van GraafGuillaumeIX vanPoitou, een troubadourvan talent, en die zelf haar grootvaders schitterende en beminnelike sosiale talenten geërfd had, was meer dan alle anderen de schakel tussen Zuid-Frans en Noord-Frans. Evenals zij haar eerste gemaal, koning Lodewijk van Frankrijk verlaten had—„een monnik, maar geen vorst” zeide zij van hem—werd de verhouding tussen koning Hendrik en haar ook al heel spoedig slecht. Hij had meer dan één bijzit,—o. a. de beroemde „schone Rozemonde” waar zoveel sagen van lopen—en zij intrigeerde en zette zijn zoon net zo lang tegen hem op, totdat de koning haar, alsof zij gevangen was, steeds liet bewaken. Maar vóór die katastrofe hield zij hof te Rouaan, te Londen en Limoges waar zij massa's tot zich trok, o. a. vele troubadours. Zo was b.v.Bernard de Ventadourhaar gast te Rouaan, waar hij minneliederen aan haar dichtte; „de jonge, vrolike, voortreffelike koningin,” zegt de oude biografie, „ontving hem met genoegen en maakte hem tot de „seignor de tota lo soa cort.””Haar zoon Richard die zich geheel als Zuid-Fransman voelde, ging voortdurend met troubadours om.Bertrand de Bornwas eerst zijn bittere vijand, maar werd later door de jonge vorst gewonnen en bezocht hem te Rouaan. Een andere troubadour volgde hem op de kruistocht en bij de dood van Richard weerklonk Frankrijk van de liederen der troubadours te zijner ere. Zelf was hij ook troubadour, o. a. had hij het in zijn zangen met deDauphinvanAuvergneaan de stok of met de koning van Frankrijk en schreef een fraaie klaagzang over zijn gevangenschap in Oostenrijk; hij schijnt even gemakkelik in het Provençaals als in het Frans gedicht te hebben.
Er waren vele persoonlike verbindingen geweest tussen de Noord-Franse hoven en die vanAnjouen het Anglo-Normandiese rijk. Een Vlaamse prinses was de gemalin van Hendrik I van Engeland geweest en vele werken der Anglo-Normandiese literatuur waren aan haar opgedragen. Het graafschap Champagne werd met het Midden-Franse graafschapBloisverenigd onder een zoon van de zo literaire vorstin vanBlois. Een prinses van Anjou trouwde met een graaf van Vlaanderen en werd de moeder van de literaire Mecenas, Philip van de Elzas. Maar vooral waren het de dochters van koningin Eleonora die evenals hun moeder in het Noorden van Frankrijk een soort missionairs werden voor de Provençaalse kultuur. Marie huwde met de graaf van Champagne en hield in de jaren 1160–1180 een zeer gezocht hof te Troyes; haar zuster Aelis trouwde met de graaf vanBlois, een broeder van Marie's echtgenoot. En elk bracht in haar kring deminnedichten der troubadours in de mode bij de Noord-Franse dames en heren.
Provençaalse melodieën en liederen waren daar reeds vroeger gezongen geworden; ze gingen onder de naam van „sons poitevins”; ook troubadours kwamen er wel eens. Maar sedert de laatste dertig jaren van de 12deeeuw kwam aan de grote en kleine Franse hoven een adelike hoflyriek op en in bloei, volkomen in de trant van de troubadours. Evenals in het Zuiden, had men ook in het Noorden dichters van allerlei stand: naast een vorst als graafThibautvan Champagne, een leenheer alsCononvanBethune, vond men de slotheer vanCoucy, ridders alsGace Bruléen burgerliketrouvèresalsJean Bodelvan Arras. De troubadours werden nagevolgd in de kunstige versvorm, in de conventionele poëtiese stijl, en zelfs in de ootmoedige vrouwendienst die er de inhoud van uitmaakte. Alleen was het Noordfrans een veel minder vormrijke taal, en de Noordfranse volksaard geheel anders dan die der Zuidelingen, en zo er al heel gauw iets kunstigs en conventioneels in de Provençaalse troubadours kwam, de imitatie der Noordfranse heren was eigelik al niet veel meer dan een echt dilettantengezelschapsspelletje. En het zijn ook zo goed als uitsluitend de erotiese en maatschappelike genres waar men zich daar op toelegt: voor de politiekesirventesis de bodem daar minder geschikt. Enkele van die minneliederen vertonen iets persoonliks. In de liederen van de graaf vanBethunezijn er hier en daar zeer originele beelden; op zijn zegel ziet men hem in volle wapenrusting voor zijn dame knielen, terwijl hij haar hand als een vasal vastgrijpt, die zijn leenheer huldigt. Een tijd lang leefde hij aan het hof van Marie te Troyes en bezong haar, maar werd door „de Fransen” voor de gek gehouden wegens zijn dialekt van Artois. De burchtgraaf vanCoucyschreef gedichten ter ere van de vrouwe van Fayel die een zeer natuurlike verknochtheid aan „ma très douce chière amie” ademen; mijn liefde, zegt hij, is zo vermetel als het kind dat schreeuwt „por la bele estoile avoir—k'il voit haut et cler seoir”. GraafThibautdie op bescheiden afstand zelfs een hulde bracht aan koningin Blanca van Kastilië, de trotse moeder van Lodewijk de Heilige, toont in vele zijner liederen heel wat smaak voor geleerde allegorieën en mythologie, maar toch ook een ware aanleg voor liefde en echt Franse fijngevoeligheid. Mijn liederen—zegt hij—zijn vol gramschap en smart, ik weet niet of ik zingen zal of wenen. Ik weet niet hoe ik het met mijn trouweloze schone heb, maar „un peu la haistrop amoureusement”. En wanneer de dichters, zoals b.v.Richard de Semilli, vrijere versvormen gebruiken, zingen ze dikwels heel vrolik en fris.Richardvertelt b.v. hoe hij zijn dame in gezelschap van anderen langs de Seine wandelend is tegengekomen—haar voetje is zo klein en haar schoentje zo netjes en zij loopt er zo keurig op—, en dan geeft hij een genoegelike schildering van een damestoernooi: de hele uitrusting, brokstukken van een levendige woordenwisseling, en angstig voor zijn dames roept hij als een soort refrein voor elke strofe een nieuwe heilige aan met zijn „Gardés moi mes dame, mes Sire Saint...”
Maar anders is alles vrij bleek en banaal. De hele stijl, met zijn smachtende hyperbolen, die de verliefde vleier in de mond van een Zuid-Franse heel natuurlik staan, worden bij de Noordeling koude conventie. Het is het verstand dat droog de beelden over het hart doorwerkt, dat bij de aangebedene in gevangenschap verwijlt, en waar zij voor zorgen moet, en stroo en brood moet verschaffen in de gevangenis,—of over haar schoonheid die als een pijl de toeschouwer het oog doorboort: haar ogen zijn de pijlspits, haar wenkbrauwen de boog en haar lokken de veren der pijl. Slechts nu en dan duikt er een fris uit het ridderleven gegrepen vergelijking op. Over het algemeen is het slechts het spirituele en het subtiele in de liefde dat de Noordfranse geest bizonder op prijs stelt en ontwikkelt. Parijs was niet voor niets de zetel der scholastiek. Al de scherpzinnigheid waarmede men in de scholen van Parijs abstrakte begrippen definieerde of geestelike verschijnselen analyseerde, werden ook al heel vroeg door de lyrici op het liefdeleven toegepast, en men kleedt in de lyriek evenzeer als in de scholastiek zijn gedachten in allegoriese abstracties en personificaties. Nu treden in de gedachten niet alleen „Prix” en „Honneur” als handelende en sprekende personages op, maar ook„Attente”, „Espoir”, „Pitié”en „Doux-Semblant” en het hart van de schone wordt tot een gevangenis, waarvan „Bon-Espoir” de boeien zijn, het slot: „Bel-voir” en de cipiers: „Beau-Semblant” en „Dangier”. Een poëties genre waarin men bizonder uitmuntte was die nabootsing van de Provençaalsche versdebatten over het een of ander eroties vraagstuk dat, merkwaardig genoeg met de naam van „jeux-partis” wordt aangeduid. Zulke debatten werden er dikwels aan het hof vanThibautvan Champagne gevoerd. „Welk echtgenoot is het meest te beklagen,—was één vraag—hij die vermoedens of hij die zekerheid heeft? Welke van twee gelieven is het ongelukkigst, hij die het gezicht of diehet gehoor mist? Welke dame bemint het vurigste: zij die uit angst voor haar vriend hem verbiedt aan een toernooi deel te nemen, of zij die hem met 't oog op zijn eer daartoe aanzet?”Gezelschapsspelletjes, waarin wel veel kinderachtigs steekt maar toch ook dezelfde belangstelling voor psychologiese en morele kasuistiek die steeds de toon is aan blijven geven in de Franse salons vanMarguérite de Navarretot de tijd van dePrécieusesen van de dagen vanMarivauxtot die vanBourget.
In dergelijke liefdedebatten heeft Marie van Champagne dikwels met haar dames als hoogste rechter gefungeerd en „vonnissen” moeten „vellen”, evenals haar moeder, koningin Eleonore of de burggravin Ermengarde van Narbonne dat in Zuid-Frankrijk gedaan hadden. Ook zullen Noord-Franse ridders en dames meer dan eens voor Marie of voor gravin Margaretha van Vlaanderen of koningin Aelis van Frankrijk gekomen zijn met een greep uit het werkelike leven, om te vragen hoe men volgens hoofse Provençaalse opvattingen in die gevallen moest oordelen of handelen, zoals men ook naar de nieuwe mode kwam informeren. Er is b.v. een page diepostillon d'amourgeweest is voor zijn meester, een ridder, bij een dame. Maar nu zijn de page en de dame verliefd op elkaar geworden. Wat moet men nu met zoo'n paar misdadigers beginnen? En gravin Marie antwoordt: zij zijn goed genoeg om elkaar te mogen behouden, maar zij kunnen niet meer in de goede kringen geduld worden. Een dame heeft een jonge man tot zich genomen, een ridder, waar de schaaf nog zo goed als in 't geheel niet over gegaan was, heeft hem toegelaten haar te dienen en heeft hem nu zo ver gebracht dat hij een voorbeeld van goede manieren en zeden is geworden; nu komt een andere dame die hem haar liefde biedt, de ridder keert zich nu tot deze en veronachtzaamt zijn weldoenster. Wat moet men van zo iets denken? En de gravin van Vlaanderen zegt: de dame zowel als de ridder hebben zeer verkeerd gehandeld; door de ridder zo op te voeden heeft de dame het recht verworven hem voor zich te houden.
Deze en dergelijke oordeelvellingen vindt men in een kurieus Latijns boekje van ongeveer 1200 opgenomen, gevormd: „De arte amandi”, geschreven door een geestelike, Andreas, die aan het hof te Parijs werkte en die alles opschreef voor een jong man uit de hoge standen om hem te waarschuwen tegen het betreden van de wegen der liefde, maar hem toch ook (en dit is het wat verreweg het grootste deel van 't boek uitmaakt) eensgoed op de hoogte te brengen van alles wat tot die nieuwe „Comme-il-faut-liefde” hoort. Het boekje geeft zeer duidelik de geest der scholastieken weer, die zo ook de kunst der hoop en liefde doordringt, ze in sisteem zet en in optima forma tot eenleermaakt. Onze klerk heeft een groot materiaal bijeen verzameld van dergelijke rijm-debatten uit de Provençaalse en Noord-Franse dichters en van exempelen uit allerlei ridderromans, waaruit hij nu met fijne dialektiek maar grove pedanterie een leerstelsel voor de hogere kringen op tracht te bouwen. Zo geeft hij b.v. een hele collectie formules, voor de verschillende standen, in welke bewoordingen „hij” „haar” moet vragen en hoe zij moet antwoorden. En er zijn allerlei rubrieken: een niet-edelman die evenzo een burgerlike dame vraagt, of een adelike dame of een van de hoge adel of zelfs een vorstin! Dan: een gewoon ridder die tot een burgervrouw spreekt of een ridderlike dame of een vorstin enz. enz. Volgens die verschillende mogelikheden is de toon eerbiedig of opdringend, gewoon of met de nodige fraaie wendingen aan de kant van de vrijer en meer eerbiedig of vereerd of uit de hoogte bij de dame. En achter het stijve Latijn kan men dikwils de levende taal, en de omgangstoon van de verschillende maatschappelike standen onderscheiden. Verder geeft de geestelike ook een „Wetboek der Liefde” zo als een ridder dat van het hof van koning Artus heet gehaald te hebben. Onder de 31 voorschriften daaruit—die Andreas uit de troubadourlyriek en de ridderromans getrokken heeft—zijn er als volgt: dat de liefde geheim gehouden moet worden, dat het huwelik geen geldige reden is te weigeren een ander lief te hebben, dat men maar één te gelijk liefhebben kan, maar heel goed door méér dan één bemind kan worden, dat niemand zonder goede reden er van af moet zien iemand lief te hebben en dat men twee jaar lang over zijn afgestorven geliefde moet treuren. Men ziet er ook uit dat de ware minnaar slecht moet slapen en weinig eetlust hebben, dat hij verbleekt wanneer hij zijn geliefde ziet, dat hij alleen maar plezier hebben moet in wat zijn aangebedene hem vrijwillig toestaat, maar dat hij natuurlik jaloers is en haar bij de geringste aanleiding van het ergste verdenkt. Psychologiese waarneming en een zeker morele fijngevoeligheid, gelijk men ziet, naast zuiver conventionele regels, als voor een nieuw gezelschapsspel.
Wordt nu troubadour-erotiek in het Noord-Franse riddergezelschap van zijn lyries karakter ontdaan en gemaakt tot een spirituele gevoels-analyse en sentimentele moraalleer, Noord-Frankrijk istoch aan de andere kant het tehuis van de oude epiese heldengedichten, en de mannelike zijde van de ridderkultuur kwam hier, in het leven zowel als in de literatuur, heel wat meer tot ontwikkeling dan in Zuid-Frankrijk.
De Anglo-Normandiese koningen waren meer en meer de vorstenidealen naar het hart der ridders geworden: dapper en eergierig, vrijgevig en prachtlievend. Reeds Hendrik I had een grote naam van ridderlikheid verkregen, toen hij na een slag bijNoyon, tegen zijn leenheer, de koning van Frankrijk, grootmoedig alle gevangenen vrij liet, die als vazallen van hem en de koning van Frankrijk, hun plicht jegens hun hoge leenheer vóór hadden laten gaan. Zijn schitterend hof in de jaren 1130–40 had kleur geleend aan de schilderingen doorGeoffreyvanMonmouthenWacevan het Sagehof van koning Arthur. Maar nog meer werden de tijdgenoten verblind door de overdadige pracht, die Hendrik II ten toon zou spreiden om zijn koningswaardigheid op te houden,—het bonte weelderige gevolg, waarmedeThomas à Beckett, de kanselier, op gezantschapsreizen zijn intocht in Franse steden hield, of de bijna Byzantijnse feestdos en het ceremonieel waarmedeRichard Cœur de Lionte Westminster gekroond werd. Van zijn jeugd af wasRichardvoor zijn tijd de incarnatie van ridderlikheid en vorstendeugd. Goed bezien was hij, oproermaker als zoon en als vazal, eigelik volstrekt geen goed voorbeeld, net zo min als echtgenoot en als koning over een rijk dat hij geheel en al verwaarloosde. Maar hij was statig van postuur en geweldig sterk, was zeer op het uiterlike gesteld, was altijd opgewekt en onvervaard, „vrijgevig als Titus, welbespraakt als Nestor,” een man die tengevolge van een ogenblikkelike inval, zonder het voor en tegen te overwegen, zich in het een of ander schitterend avontuur zou storten, roekeloos dapper, de eer boven alles stellend, daarbij niet zonder een zekere altans schijnbare ijver voor de zaak der kerk. Geheel en al romanties was de glans die op hem viel toen hij, de afgod der troubadours, de belhamel van Zuid-Frankrijk, op éénmaal, vlak nà zijn kroning op een kruistocht trok. Gelijktijdige berichten schilderen hem in alle poëtiese heerlikheid op die kruistocht: weg galopperende op zijn edel Spaans paard—„een schilder kon het niet fraaier gemaakt hebben”—in zijn rozenrode mantel met halve manen er in genaaid en zijn geborduurde scharlakenrode hoed met prachtige wapens en gulden sporen; streng de hand houdende aan tucht en orde in het leger—„geen van 't andere geslacht mochten mede trekken behalve wasvrouwen, die zo moesten zijn dat zeniemand tot de zonde konden verleiden”; stoutmoedig zich in de avontuurlikste tochten stortende en Philip Augustus geheel overschaduwende; de edele koning Saladin bewondering afdwingende en trachtend hem in beleefdheden en grootmoedigheid te overtreffen; ten slotte door de jaloerse Franse koning verlaten en in zijn land door zijn broeder verraden, vermomd door Duitsland heen terug ijlend waar hij lange tijd in smadelike gevangenschap gehouden werd door de Duitse keizer.
Van die figuur van Koning Saladin straalde de tijdgenoten een even schitterende glans van ridderlike poëzie te gemoet. De gedichten wisten te vertellen hoe hij zich door Bertran de Born in de ridderlike liefde liet onderwijzen en hoe hij zich door een gevangen genomen ridder de wetten van de Ridderlikheid liet uitleggen en de ridderslag ontving met een simboliese verklaring van al de ceremoniën daarvan.
De Noord-Franse vorsten en ridders trachtten zowel door uiterlike glans als door hun schitterend optreden aan de wedstrijden voor de prijs der Ridderlikheid deel te nemen. Zeer beroemd werd een feest dat Graaf Boudewijn V van Henegouwen gaf toen zijn zoon tot ridder geslagen was, de toernooien teSoissonsvan Augustus 1175 en vanTrasigniesin 1169, maar de glorie van het grote feest dat de Keizer van Duitsland in 1184 te Mainz had gearrangeerd, toen zijn zoon de ridderslag ontving, had toch alle andere overtroffen en een massa Noord-Franse vorsten en ridders namen daar aan deel. En van Gotfried van Bouillon en Boudewijn van Vlaanderen af tot de ridders toe die Konstantinopel in 1204 veroverden en in 1214 de zegepraal bij Bouvines behaalden, vertellen de kronieken van een hele reeks schitterende Noord-Franse ridderfiguren.
De ridderschap als zodanig werd meer en meer door de Noord-Franse juristen en ceremoniemeesters georganiseerd en gevormd. De graden door welke de jongeling tot de ridderwaardigheid komt, de ceremoniën van de ridderslag, heraldiek en de regels voor het steekspel—dit alles werd in de praktijk vastgesteld, maar dan in de theorie verder uitgewerkt. En in Latijnse verhandelingen en Franse leerdichten werd een ideaal van de ridderlikheid ontwikkeld waartoe de adel hun zonen trachtte op te voeden. Een der geesteliken van Hendrik II, John of Salisbury leert in zijn groot werk „Polycraticus” dat de soldatenstand even goed een missie heeft als de geestelikheid, maar evenals slechts zij waarlik geesteliken zijn die de H. wijding ontvangen hebben, zozijn alle krijgslieden die niet tot ridder geordend zijn, slechts indringers en rovers. De ordinatie bestaat voor hen in de omgording met het zwaard en de ridderslag; het is een sakrament even als dat van de priester. De missie van de geordineerde krijgsman is de kerk te beschermen, de priesters te eren, kinderen en zwakken tegen overmacht te beschutten en zijn bloed in de strijd voor anderen te vergieten. Mannen die hun vorst zo dienen zijn heilig en het is een schone zede dat de Ridder op de dag waarop hij met het zwaard omgord wordt, naar de kerk gaat, daar zijn zwaard op het altaar legt en daardoor zijn gang aan de dienst Gods wijdt. De geestelike „Doctrinals” en „Enseignements” die als paddestoelen opschieten, willen gewoonlik volstrekt niet ridders tot monniken maken. Zij schelden integendeel de vorsten flink uit, wanneer die geen hof houden en feesten geven, hun ridders niet eren en de kunst niet verstaan om „biau despendre”, zoals de Duitse keizer dat deed bij zijn glorierijk feest te Mainz. Zij schrijven handleidingen voor het schaken en de jacht voor, die bij de opvoeding in al wat ridderlik is te pas komen, en tot de ware ridderlijkheid rekenen ze ook de kwestie vankleêren, strijd en toernooien. „Men moet zo leven dat er over je gesproken wordt” zingen de ridderlike dichters, moeite en strijd moet men niet schuwen, „het gemak is voor de eer de dood,—de ere eist voor 't lichaam nood”, men moet 't gevaar opzoeken en avonturen, om te „valoir”, d. w. z. te tonen dat men iemand is, en wáár men toe deugt. Maar de riddereer wordt meer en meer tot de kern van het ridderwezen, en er wordt een fijnere en ook hogere moraal in gelegd. Het krijgsmansleven bouwt al uit zich zelf een eremoraal op; het gevoel van sterkte en de moed scheppen eerlikheid en een zekere grootmoedigheid, kameraadschap en discipline ontwikkelen standvastigheid en trouw. In het nationale heldenepos dat in het noorden van Frankrijk nog in de zalen der ridderhuizen weerklonk, was die militaire eremoraal steeds verheerlikt geworden. Maar die wordt nu verder ontwikkeld door de steeds omdwalende ridderschap, door de hogere kringen en door de scholastiek—ontwikkelt men alleen in de richting van het humane en het geraffineerd spitsvondige, maar ook van sterk overdreven ijdele bravades. De kerk leert dat de ridder vrouwen en zwakken moet beschermen, goud en goederen voor zijn deugd en zijn eer op moet offeren, grootmoedig zijn vijanden moet vergeven. Het maatschappelik leven legt fijngevoeligheid, bescheidenheid, hoffelikheid, en vrouwendienst in hetbegrip der riddereer, maar ook kleingeestige geraaktheid en ijdelheid. Door de tournooien en het leven der rondtrekkende ridders wordt men aan menige bravade gewend, een voortdurend geraffineerd op de spits drijven van het begrip van eer en menig geval van lichtvaardig spelen met leven en ledematen. Het begrip van de riddereer wordt tot een doctrine en krijgt zijn wetboek evenals de leer van de ridderliefde.
In de rijke Noord-Franse en Vlaamse beemden waar reeds vroeger een letterkundig leven bloeide, ontvouwt zich nu een geweldige productie van romans, een konkurrent van die heldenpoëzie, wel in vele opzichten ook als literatuur een vervolg en een nabootsing er van, maar toch in de eerste plaats in bewuste tegenstellingdaarmeê. Van alle kanten vloeide de stof bijeen. De kruistochten waarin de adel van Vlaanderen en Lotharingen het voornaamste aandeel had, brachten een voortdurende verbinding met Byzantium en het Oosten. De vorsten van Lotharingen werden koningen van Jeruzalem, de handelsverbindingen der Vlaamse steden met het Oosten via Venetië vermenigvuldigden zich en werden bezegeld, toen graaf Boudewijn op de vierde kruistocht Keizer van het Byzantijnse rijk werd. De epiek der kruistochten en de Grieks-Oosterse romans die wij in „Floris enBlanchefleur” en „Escoufle” geschetst hebben, waren ook juist toen in dat zelfde Noord-Frankrijk geschreven. Van het Anglo-Normandiese rijk kwamen toen ook juist de Bretonse sagen en gedichten en uit Midden-Frankrijk werden de Alexander- en Troja-romansgeïmporteerd. In die gehele romantiese stof werd nu juist hier de professionele ridderlikheid ingewerkt en de van de Provençaalse hoven ingevoerde liefdepoëzie, en daardoor is het dat de ridderromantiek tot de volle ontwikkeling komen kan.
BRETONSE ROMANS.
„Bretonse Romans” werden de meesten van die Noord-Franse romans uit het einde van de 12deen het begin van de 13deeeuw genoemd. Die speelden altijd in de wereld van „de twee Bretagnes” en waren opgebouwd op stoffen en motieven uit de Keltiese sagenwereld, maar vermengden die met talrijke antieke en Oosterseelementen, waardoor ze hun dichterlike fantasie de vrije loop lieten. Enkele namen dier schrijvers—Chrestien de Troyes, Raoul de Houdenc, Renaut de Beaujeu, Guillaume le Clerczijn tot ons gekomen, maar verreweg het grootste getal van die romans zijn anoniem,—die vanDurmart le Galois, Meraugis de Portlesguez, Ider, Gliglois, Perceval, Gauvain, Chevalier as deus epees, le Bel Desconuen hoe al die andere helden van de Arturcyclus heten.
ReedsGeoffreyvanMonmouthenWacehadden tegenover Karel de Grote, met zijn hof te Aken of te Laon en zijn twaalf paladijnen, een andere held opgesteld, Artus, de oude sagekoning uit Cornwall met zijn hof te Carduel (in Cumberland) en zijn ridders van de Tafelronde. En hij is 't dan ook die de roman met zijn hof tot hun centrum maakt. In vele opzichten is er een scherpe tegenstelling tussen die twee. Karel was de witgebaarde, oer-oude keizer „au fier vis” altijd in de wapenen en in krijg voor de zaak van de kristenheid, geweldig in de strijd, van woede bulderend in zijn raad, maar ook vol majesteit in zijn ouderdom en zijn heiligheid ingesloten, als de gezalfde Gods en diens vertrouwensman, die de openbaringen van de hemel ontving en door de hemelse mirakelen gesteund werd. Artus is „le bon roi”, schoon, en in zijn optreden helemaal een jonge man, maar iemand die, al kon hij, als het er op aan kwam, dapper genoeg zijn, toch niet aldoor maar ten strijde trok, in de regel zit hij vreedzaam op zijn kasteel, vrolik en gezellig, alleen maar aan feesten denkend; sombere gezichten om zich heen kan hij niet dulden, verklaart hij. Hij woont de mis bij en doet aan alle uiterlike ceremoniën mede, maar er ligt niets van de priester over hem, hij staat in geen mystiese verhouding tot de hemel, integendeel representeert hij de hele wereldlike ridderlikheid, „die Welt” die zich geheel van de kerk los heeft gemaakt. Hij is een voorbeeld van vorstelike gastvrijheid en milddadigheid, een tweede Alexander. Zijn hof en zijn tafel staan voor allen open, hij strooit gaven om zich heen; wanneer Tristan als een bedelaar naar het hof komt en om een mantel vraagt, doet hij dadelik zijn eigen mantel af en geeft hem die. Tegen allen is hij hoofs en hoffelik. Hij zou het niet in zijn hoofd krijgen om, gelijk Keizer Karel, „Houd je mond” tegen zijn aartsbisschop te zeggen en zijn Roland om de oren te slaan; integendeel tracht hij altijd vrede tussen de ridders te stichten. Wanneer er dames op bezoek komen, ijlt hij ze tegemoet en helpt ze zelf uit het zadel. Hij is grootmoedig, zijn werk is om de beschermer van alle zwakken te zijn, degeen die alle onrecht goedmaakt. Dageliks komen er dan ook aan het hof die zijn hulp komen inroepen en niemand trekt ongehoord weg. Vooral zijn dat vrouwen wier echtgenoot ze verlaten heeft of die overlast geleden hebben of beledigd zijn; want Artus is vooral de ridder der vrouwen en aan zijn hof heerst de vrouw en bloeit de vrouwendienst.
Artur en zijn gemalin Guenievre zitten aan tafel op de twee ereplaatsen, en om die ronde tafel heen alle ridders zonder onderscheid van rang. Zijn neef Gawein is het voorbeeld van een held, de bloem der ridderschap, de „chevalier sans peur et sans reproche”. Hij is het schild van allen die in moeilikheden zijn, die altijd op 't laatste ogenblik hulp brengt, de ideale vriend die de held bijstaat zo die hem bij zijn grote daden nodig heeft. Hij is hoofs, opgewekt, heeft de vrouwen lief maar nog meer de strijd; altijd wordt hij geroemd wegens „mesure”,—zijn takt en zelfbeheersing—en met bizondere hoogachting behandelen de dichters hem wanneer zij hem „Monseigneur” en „Messire Gauvain” noemen. Zijn beroemdste avontuur is dat met de groene Ridder—een oude Keltiese bosreus, die geheel in 't groen gekleed, op een groen paard gezeten op het Nieuwjaarsfeest bij koning Artus verscheen en de aanwezigen uitdaagde tot een wedstrijd in moed en kracht. Hij bood aan, zijn hals een ridder voor te houden die dan toe mocht houwen, op voorwaarde dat hij een jaar daarna zich op die wijze tot beschikking van „The Green Knight” zou stellen. Niemand durft de uitdaging aannemen, behalve Gawein. Die slaat de reus het hoofd af maar... maar dood-kalm zet die het weer op en roept Gawein tegen het volgende Nieuwjaar een tot weerziens toe bij „de groene Kapel”; daar moet Gawein de slag in ontvangst nemen. Ofschoon het zo goed als de dood voor hem betekent, gaat die toch tegen het volgend jaar, zo als hij nu eenmaal beloofd heeft, op reis om de groene kapel te zoeken; gedurende zijn tocht wordt ook zijn loyaliteit als vriend o.a. tegenover verleiding van vrouwen, op de proef gesteld,—zoals naderhand blijkt door de groene ridder zelf—; dàt is zeker het oude Oosterse motief van de „Vriendschaps-proef”. En de onvervaardheid en trouw van Gawein bestaan die proef goed; slechts een kleine vlek komt er op het schild van zijn eer, maar daar pijnt hij zich dan ook evenzeer over als koningin Dagmar uit het volksliedje deed omdat zij eens op een Zondag haar zijden mouwen had vastgemaakt!
Dan komt Iwein, de ridder met de Leeuw die eens een leeuw gered had die met een slang vocht; nu is Iwein gelijk Androklesof Hieronymus overal door het dankbare dier vergezeld dat hem op kritiese ogenblikken bijstaat. En dan zijn er Lancelot en Perceval op wie wij terug komen. De grappenmaker is Key, de drossaert. Oorspronkelik was hij niet onsympathiek getekend, hij is dapper maar al te doldriest, met wat al te veel vertrouwen op zich zelf; hij moet altijd absoluut elk avontuurtje aan 't hof aanpakken maar hij delft altijd het onderspit. Naderhand wordt hij kwaadaardig, laf en vals, de onruststichter wiens vergiftigde tong vooral de dames van 't hof belastert.
Ook de ridders van Arthur vormen reeds in hun uiterlik in vele opzichten een tegenstelling met de paladijnen van Karel de Grote. Wel zijn ze sterk en breedgeschouderd als Karelspairs, maar waar bij de beschrijving van hun figuur spesiaal de nadruk op gelegd wordt is juist het slanke en elegante: het smalle middel, de lange smalle vingers, de hoge wreef zijn bizondere aristocratiese schoonheidstekenen. De Arthur-ridders hebben blonde lokken maar géén baard; de uitdrukking van hun gezicht is niet gelijk die der Paladijnen „fier, hardi” maar schoon en rein: „face tendre, chière riante, vis joyos”; „hij scheen helderder dan een edelsteen” staat er ergens; het aangezicht heeft een bloeiende kleur, is „als de roos een morgen in Mei”. Het oog is stralend, zacht; de mond is klein, maar heeft gevulde lippen, die is „als een meisjesmond”, de kin heeft kuiltjes, de hals is lang, gevuld en „wit als die van een meisje”. De gestalte van de Arthur-ridder tekent kracht zowel als bevalligheid en deugt voor de strijd even goed als voor het hofleven en de liefde.
En aan het hof van Arthur leeft men in vreugde en genot. Dan zijn het toernooien, dan jachtpartijen. Terwijl de koning 's middags na de maaltijd zijn slaapje doet, zien wij het gezelschap in een kring zich aangenaam bezig houden met vertellen van hun ondervindingen; het gezelschap wordt door de koningin gepresideerd, Key begint weer op te spelen en wordt door haar op zijn plaats gezet. Of wij treffen ze in hun tenten in het bos onder een van die dagen lang durende jachtpartijen. Hij die er in slaagt het witte hert te vellen, heeft het recht de schoonste dame aan het hof te kussen,—in de oude Keltiese sagen mocht de overwinnaar zich bij de maaltijd het mooiste stuk vlees afsnijden!
Maar het hof van koning Artus is slechts het uitgangspunt en de laatste scène der Arthur-romans. Zijn ridders zijn niet geschapen voor een gezellig hofleven van niets doen dan genieten. Zij moeten de wereld in, en avonturen zoeken, om later—zoals een vanhen zegt—iets te hebben om in gezelschap van te kunnen vertellen. Meer dan eens verklaart Arthur 's morgens dat hij zijn eten niet aan wil roeren „vóór er het een of ander gebeurd is”. En dat laat dan in de regel ook niet lang op zich wachten. Dan komt er b.v. zoals wij reeds zagen, een vrouw klagen dat de een of andere reus haar vriend weg is komen halen of geweld tegen haar gepleegd heeft. Of omgekeerd is een vrouw aan haar vriend ontstolen geworden. Of er komt een reus de ridders tot 't een of ander uitdagen. Een der dames krijgt het in haar hoofd dat zij het wonderhert met de witte benen moet hebben, dat ergens in het diepst van het woud door vier leeuwen bewaakt wordt. Of er komt een jonkvrouw uit Ierland aanzetten die de helden hun werkeloosheid verwijt; zij moesten maar eens naar haar eiland komen, naar een kasteel dat zo vol met spoken is, dat niemand er durft overnachten. En de romans trachten elkaar langzamerhand met het vreemdste, meest spannende begin te overtroeven. Midden in de zaal vertoont zich b.v. opeens een schaakbord van zilver en ivoor dat even plotseling weer verdwijnt. Arthur verklaart dadelik dat hij dat absoluut hebben moet. Of er vliegt plotseling een wit hert dwars door de zaal, daarachter een hond en een jonkvrouw; een ridder weet de hond te pakken, een ander grijpt de jonkvrouw die hij mede neemt, en nu krijgen natuurlik terstond drie ridders van de Tafelronde bevel van de koning, de een om het hert op te sporen en twee anderen om de geroofde hond en de maagd na te zetten. Of eindelik: er komt een boot aanzetten die landt met niets dan een lijk er op, waarin de punt van een lans vast zit; in de hand van de dode zit een brief waarin de verslagene verlangt door hem gewroken te worden die het stuk van de lans uit het lijk kan trekken, maar hij zal dit onmogelik kunnen doen, staat er verder, tenzij met de hulp van een ander die er in slaagt de ringen van de vingers van het lijk af te halen.
En dan trekken de ridders er op uit om de avonturen te bestaan die zich zo voor kunnen doen. Maar dikwels worden die gezocht door de een of andere jongeling die juist dezelfde dag aan 't hof is gekomen en die van Koning Arthur permissie krijgt daar zijn krachten op te beproeven. En dan gaat het de weg op,—de wijde wereld in,—gelijk men in de Griekse romans op zee voer, zo hier te land. Alleen zijn het niet zoals dáár, lijdende helden en heldinnen die door het noodlot van de ene kant van de wereld naar de andere kant gestuurd worden, gevangen worden genomen, in slavernij verkocht, enz. en zonder tegenstand zichaan alles wat hun overkomt maar onderwerpen; hier zijn het energieke, moedige ridders die zelf die avonturen zoeken en de strijd met beide handen aangrijpen. Wat die romans geven in de poëzie van de gehele tijd der kruistochten en van de omzwervende losbandige ridderschap—dat zelfde onberekenbare leven, zo rijk in afwisseling, van de zwerver en de vagebond dat er in onze tijd ook nu nog een klein beetje inzit, dezelfde geest dieSimplicissimuste voorschijn heeft geroepen enGil Blas, Peregrine Pickle, Wilhelm Meister en Kenelm Chillingly,—een geest die in een tijd vooral dat het onrustige bloed zich nog niet naar vaste regels in de samenleving voegen kon, de bijwegen onveilig maakte en de herbergen met reizigers uit alle klassen der maatschappij vulde. De werkelikheid is in die Bretonse romans nog maar heel vaag aangegeven en veel feitelike aanduidingen over de reis krijgen wij ook niet; evenmin als in de Keltiese sagen worden er bepaalde plaatsen genoemd, de reis gaat in „la blanche lande”, door „la forêt aventureuse”, voorbij „l'orgueillus castel fort”, en gewoonlik zijn er nog zelfs geen herbergen, waar men overnachten kan, maar klopt men bij de een of andere arme „vavasseur” aan, of slaapt in een vervallen „tour des merveilles.” In dit leven aan de grote weg staat alles op losse schroeven en draagt elke schrede de kiem van gevaar in zich. Wanneer men een bos intreedt—„s'enforester” zoals dit met een bijzondere term luidt—is het altijd met een beklemd gevoel van angst voor rovers; komt men aan een kruisweg, kiest men maar op goed geluk een dier wegen. Gewoonlik treft men daar wel de een of ander die weet te vertellen dat de ene weg veilig is en goed, de andere daarentegen vol bezwaren en gevaren, zo dat niemand daar levend over schijnt te kunnen komen. Waarop de ridder dan als van zelfsprekend die laatste weg kiest. Door zijn drang tot avonturen laat de man zich zonder enig vast plan steeds weer van zijn doel afbrengen; door alles wat hij onderweg tegenkomt laat hij zich ophouden. Iets van de weg af, in het bos, hoort hij kreten en als hij dan een ridder aan ziet komen rijden met een dame dwars over het paard heen geworpen, dan moet hij die natuurlik achterna. Of hij komt aan een brug waar een ridder zich bij geposteerd heeft, en ieder die er over wil, moet verklaren dat de dame van die ridder schoner is dan de zijne of zij moeten duelleren. Of wel men komt aan een slot waar een ridder woont die van alle voorbijgaanden schatting vordert. Dit laatste is iets wat maar al te zeer uit het werkelike leven gegrepen was.
Soms herkent men in die trekken met moeite nog de een of andere oude sage of sprookje. Maar heel dikwels zijn het niets dan kleine bedenkseltjes. „Les contes de Bretagne sont si vains et plaisants”, heet het. Men voelt het sterk aan die romans dat ze al heel eigenaardig en lichtvaardig omspringen met allerlei vreemde sagen en sprookjesmotieven die absoluut geen wortel in het volk zelf hadden, die niet begrepen werden in die samenhang en zo ook niet op de rechte waarde geschat, maar alleen als stof dienden voor de spelende fantasie. Er was niets van het „Erdgeruch” der verhalen van Karel de Grote over de Bretonse romans, het waren niets dan vluchtige, fladderende luchtspiegelingen. Al heel gauw kwam het er eigelik maar op aan elkaar in verrassende en de nieuwsgierigheid prikkelende „Aventures” te overtreffen. Alle mogelike bizarreriën hoopt men op elkaar. Een ridder komt aan een herberg waar de waard zijn gasten de gekste en meest absurde bevelen geeft en iedereen doodslaat die niet gehoorzaamt; de ridder volbrengt zonder kikken al zijn bevelen en het slot is dat hij zijn dochter ten huwelik krijgt; dit schijnt een sprookje uit Wales te zijn, dat van Kilhwch. Een andermaal komt de zoekende een ridder tegen die met een dame rondtrekt die er als een lichte vogelverschrikker uitziet, maar tegenover wie hij vol van alle mogelike galanterieën is en op wie hij zeer jaloers schijnt. Ginds komt een dame aan, die met haar kleeren te binnenste buiten gekeerd, achteruit op een paard rijdt, dit alles om zich zelf te straffen omdat zij tegen een zekere ridder onvriendelik geweest is.
Evenals in de Griekse romans wordt de handeling nog verder gecompliceerd door allerlei misverstand en vergissingen. Men loopt elkaar mis: de ridder die de dame vergezellen zal raakt haar onderweg kwijt en wanneer hij dan bij zijn zoeken naar haar in een herberg komt is zij daar net vandaan getrokken en niemand weet waar heen. Nog meer vergissingen hebben er plaats en nog groter verwarring ontstaat er omdat alle ridders in hun dichtgesloten wapenrusting er presies 't zelfde als een „ijzeren wezen” uitzien, dat alleen maar te herkennen is aan het wapenschild of helmteken en die dus volkomen incognito zijn wanneer ze dit verbergen; ook de dames zijn gemakkelik te verwisselen waar het gelaat zo dikwels bijna geheel door de hoofdtooi bedekt is. Daardoor strijdt men dikwels met de verkeerde ridder, misschien wel met zijn beste vriend, of wel schaakt men de verkeerde dame. En verder spelen intriganten degelieven vervalste brieven in de handen om kwaad bloed te zetten.
Maar daarbij komen dan nog allerlei bovennatuurlike dingen. Zo is er b.v. een slot met een „lit perilleux” waarin de ridder natuurlik dadelik vraagt te mogen overnachten, te middernacht schiet er een vlammende speer het venster in en doorboort de dekens, bijna was hij zelf gedood. In een ander slot waar hij komt, „la gaste cité”, zijn duizend vensters, in elk venster staat een jongleur met zijn snareninstrument en een brandende kaars; het is een toverslot en een vroede man heeft Guinglain de enige manier laten weten waarop die betovering op zal houden: hij moet steeds met een heftige vervloeking antwoorden op de vriendelike begroetingen waarmee hij ontvangen wordt, en dan moet hij in de grote zaal wachten. Dat doet hij dan ook. De ene reusachtige tovenaar na de ander komt binnen, maar wordt zo door de ridder overwonnen. Nu gaan opeens alle kaarsen der jongleurs uit, in de duisternis hoort men ongure geluiden, en de ridder wordt bang en maakt het teken des kruises. Een ogenblik daarna komt er een slang binnenkronkelen, met vuurspugende ogen maar een heerlike vrouwenmond. En die moet de ridder kussen; met die „fier baiser” is het met de tovenarij uit, en de slang wordt een allerliefste prinses. Of er borreltergenseen bron op onder een fraaie boom die nooit zijn bladen verliest; er hangt een gouden beker bij. Als de ridder water in die beker doet en 't daarna op stenen voor die bron leeg giet, steekt er een geweldige storm op. Maar 't wordt gauw weer kalm, en dan wordt de lucht helder en heerst er een wondere stilte, alleen is de boom vol van de prachtigste vogelenzang. Maar dan komt er een wildeman met groot lawaai aanzetten die van de ridder rekenschap vordert omdat hij die storm veroorzaakt heeft; met zijn leven moet hij daarvoor boeten.
Die bovennatuurlike dingen zijn een mengsel van Keltiese, Oosterse en alle mogelike andere sprookjesmotieven. De brommende reus en de storm komen in de 1001-nacht voor; de boom met de heerlike vogelenzang stamt uit de legende van de H. Brandanus, die een gekerstende bewerking is van oude Keltiese sagen. De slang die door een kus tot een prinses wordt, schijnt Byzantijns-Oosters; in de reizen van Mandeville wordt die historie van de dochter van Hippocrates verteld,—misschien door een vermakelike vergissing, hij had n.l. een zoon die Draco heette. In een episode van „laide semblance”, een monster welks aanblik niemand uithouden kon, is de Medusa sage te herkennen. En als wij ergensanders van een ridder lezen die naar een onderaards vertrek van een slot gebracht wordt, waar hij een speer in zijn hand krijgt die zijn krachten wegneemt, en een ring aan zijn vinger die vergetelheid brengt, en die voor het weefgetouw gezet wordt en allerlei keukenwerk voor een dame moet verrichten, dan is men geneigd te geloven dat hier een antieke bron voor te vinden is, literair of door afbeeldingen, in de geschiedenis van Heracles en Omphale. Maar van Keltiese sagen en gedichten stammen zonder twijfel de boze dwergen, de schone heksen, de wilde reuzen, „de gevaarlike heide” en „het avontuurlike bos”.
Zelfs blijken dikwels hele Keltiese mythen achter de handeling dier Bretonse romans te staan. Dat is het juist wat de achtergrond er van zo vol stemming maakt en er een perspektief in legt dat de fantasie zo aanzet, dat men er een andere bovennatuurlike wereld achter voelt, die de schrijver zelf niet kent of die hij altans verkeerd begrijpt, maar die dan juist door zijn poging om die menselik te maken, des te fantastieser en vreemder wordt. Daar lezen wij b.v. van een burchtvrouwe die haar slot door een ridder laat bewaken; die moet met allen vechten die naar het kasteel komen, totdat hij door iemand overwonnen zal worden, dan komt hij vrij, maar de overwinnaar moet nu de wacht overnemen tot hij op zijn beurt weer afgelost wordt. Ergens anders lezen wij dat de ridders die haar bewaken de een na de ander als beloning haar trouwen, zodat de burchtvrouwe op die manier steeds de moordenaar van haar man huwt. Weer in een ander werk wordt diezelfde geschiedenis nu vrij sentimenteel zo verhaald dat het een dame is die, om haar minnaar alleen voor zich te hebben, hem de belofte heeft afgeperst dat hij in een tuin bij haar blijven zal totdat iemand hem overwonnen heeft; nu kampt hij met allen die de tuin in willen dringen en stelt de hoofden van de overwonnenen op de tuinmuur ten toon, maar zelf verlangt hij er eigelik alleen maar naar om eindelik eens het onderspit te delven om zo van zijn vervelend baantje verlost te worden. Men voelt licht dat al die versies niets zijn dan pogingen om de Keltiese sagen in mensenfiguren te belichamen van feeën die mannen naar hun rijk halen en als minnaars bij zich houden, hoezeer die ook naar hun eigen land verlangen; totdat er weer andere sterfeliken komen en de eerste minnaar doden, of aan wien de fee nu haar liefde schenkt.—Dikwels horen wij ook van de gemalin van Arthur, die door een vreemde koning geschaakt wordt, maar door ridder Lancelot wordt gered, maar er wordt zoveel vreemds vandit land verteld „waarvan niemand terug keert”, van een brug zo smal als de scherpe kant van een zwaard, waar men over moet om er in te komen, enz., dat de lezer een vaag gevoel krijgt dat dit oorspronkelik niets anders dan het Dodenrijk is geweest, waar een levende uit teruggehaald moest worden,—een mytiese stof reeds uit de oertijd die in Griekse sagen van Persephone en Eurydice teruggevonden wordt, zowel als in Perziese mythen en kristelike visioenen van het hiernamaals, maar vooral in Ierse sagen van reizen naar het land der onsterfeliken. Er is ook nog een historie van een jonge knaap,—Tyolet heet hij in een „lai”—die geboren en getogen is in de eenzaamheid van het bos en die nu de wereld opzoekt, naïef en onschuldig, alleen maar geholpen door de goede raad van zijn moeder en wien uit de dagen van zijn leven in het bos een merkwaardige macht over alle dieren bij gebleven is.
Het was in de bewerking vanChrestien de Troyesdat deze „Bretonse” stofmassa de meest volledige verfransing onderging en tot een aristokratiese sosiale roman werd.Chrestienwas de toonaangevende, misschien ook de oudste schrijver van die Bretonse romans. Hij schreef tussen de jaren 1160 en 1190 en leefde waarschijnlik als een „heraut d'armes”, aan het hof van Maria van Champagne en dat van Philip van Vlaanderen; aan elk van hen heeft hij werken opgedragen. Van de gewone kennis der geesteliken was heel wat de zijne; hij kende zijn Ovidius en debuteerde met een vertaling van diens „Minnekunst” en enkele van de „Metamorphoses”, hij was bekend met de Aeneas- en Troja-romans en schreef, zoals wij al gezien hebben, een roman „Cligès” op enkele Grieks-Oosterse verhalen. Maar van betekenis is hij voornamelik door vier romans met Britse en Bretonse stof ten grondslag: „Erec en Enide, De ridder met de kar, Iwein, de ridder met de Leeuw en Perceval.”
Chrestienschijnt mij van burgerlike afkomst te zijn; hij is vol belangstelling en bewondering voor het ridderlike hofleven en maakt zijn kunst tot één en al verheerliking daarvan en verkondigt er de idealen van. Zijn romans zijn eerst en vooral zedeschilderingen van het elegante leven der edelen van de 12deeeuw. Overal heeft hij het licht van de werkelikheid op de vage, fantastiese sagen laten schijnen en maakt hij de losse schetsjes van decontesenlaisdie zijn bronnen waren, tot uitvoerige levensbeelden. Overal heeft zijn fantasie gevraagd: „wáár gebeurde dat?—hoeis dat gekomen?—wàt zeide hij?—hoe zag dit of dat er uit?” En zo worden de voorstellingen overal aanschouwelik, en meer en meer gedétailleerd en worden ze tot hele portretten, beschrijvingen, gesprekken en scènes. Het „Chanson de Roland” vertelt ons heel wat over de tijdgeest, maar heel weinig over het dageliks leven en de zeden en gewoonten van de 12deeeuw; daarvoor is de toon van 't heldendicht te verheven, en de vorm te stijf. In de gewone, levendige, onderhoudende romans vanChrestientreedt ons daarentegen de gehele atmosfeer van het omgevende leven tegemoet en uit zijn romans kan men het „höfische leben” van zijn tijd reconstrueren, wat dan ook meer dan eens geschied is! Bij een bezoek aan de franse burcht, komt men over de ophaalbrug, onder de valpoort door op de binnenplaats, dan in de boomgaard, de trappen op, zuilegangen door, in de grote zaal en de andere vertrekken en ziet hoe dit alles ingericht is. Wij zien het jonge meisje in de hof haar ouders zitten voorlezen; in de grote werkzaal zitten talrijke dienstmaagden en gevangen vrouwen de gehele dag te weven. Wij zitten aan bij een feestmaaltijd en bewonderen het servies en de spijzen; wij doen aan jachtpartijen mede waarbij ons de wapenen en alles wat er bij te pas komt vertoond wordt, wij wonen toernooien bij, waar wij de verschillende banieren en deviezen leren kennen en wij krijgen de techniese verklaring te horen van allerlei houwen en stoten. Overal komt de wapenheraut en de ceremoniemeester voor den dag, maar wat wij óók zien, is, dat de schrijver niet in al die heerlikheid opgevoed schijnt. Het grootste deel van de attraktie zijner romans zal wel bestaan hebben in de zeer zaakkundige beschrijvingen van alles wat het „high-life” van zijn tijd betrof. Terecht heeft men hem dePaul Bourgetvan die tijd genoemd. Evenals deze overdrijftChrestienook heel dikwels de rijkdom en deelegance,—de prachtige kleedij en sieraden der ridders en hun dames, de zeldzame paarden en de kostbare wapenen. Het is uit de roman van Troje en, met dat werk als schakel, uit de Latijnse poëzie en de Griekse roman datChrestiendie vele overdreven beschrijvingen met zo al te veel details geleerd heeft; vooral in de stereotype schilderingen van tuinen met exotiese planten herkent men dikwels de vreemde bronnen,—de hof is n.l. zo ongeveer het enigste in de natuur waarChrestienoog voor heeft.
Maar waar de perceptie zo nauwkeurig en uitvoerig te werk gaat, is geen plaats voor die scala van gebeurtenissen en episoden waar de lichtvoetige fantasie der Bretonse vertellingen zich zogemakkelik over beweegt. Met die zelfde innerlike drang tot klaarheid die men later ook bijRacineen het Frans klassisisme opmerkt, verstaatChrestiende kunst zijn stof te simplificeren. Waar het bij hem voornamelik op aankomt, zijn volstrekt niet de uiterlike gebeurtenissen, maar het zieleleven waar handelingen uit voortspruiten en waarop die inwerken. Er is een overwegend dramaties element in de romans vanChrestien. Bij elke roman die hij schrijft nemen de gesprekken een grotere plaats in evenals de psychiese monologen en dialogen. Reeds in de Aeneas-roman zagen wij dat de lange retoriese tiraden van Virgilius tot levendige, voortdurend afwisselende vragen en antwoorden geworden zijn, hier bijChrestienzijn het dialogen geheel in de trant van een blijspel, b.v. die van het Mysterie van Adam, uit dezelfde tijd, waarin Eva door de slang verleid wordt. Midden in een indirekt verhaal slaatChrestienopeens in de levendigste dialoog over en geeft de woorden weer zoals ze vielen. En de gesprekken zijn dikwels heel levendig en geestig, vooral wat de vrouwen zeggen is vol Fransesprit. Daarbij komen dan nog de monologen en de gesprekken waardoor de personen ons hun innerlik doen kennen. Ook dat kunstmiddeltje hadChrestienvan de romans geleerd die de antieken nabootsten. Maar duidelik heeft de lyriek der Provençaalsche troubadours hier ook als voorbeeld gediend; meer dan één van de monologen vanChrestien's minnaars is niets dan een lied der troubadours in acht-lettergrepige verzen omgezet. Ook de hele geestelike dialektiek isChrestiens' leraar geweest in dialogiese analyse van zielstoestanden, de dramatiese voorstelling van met elkaar in konflikt komende opvattingen. Er is een sterk element van scholastiese dialektiek en spirituele pedanterie in de manier waarop hij zijn gedachten aan de man brengt; liefde en haat, vermetelheid en vrijgevigheid treden als personen op en schelden elkander uit of vliegen elkaar aan en er wordt over 't algemeen kinderachtig veel met woorden geschermd in plaats van met gedachten gevochten. Maar dikwels wordt de sofisterij van het hart zeer levendig weergegeven, wanneer de passie zich van schijngronden bedient om verstand en plichtgevoel er onder te brengen. En aldoor volgt de dichter alles wat er geschiedt met zijn psychologiese fantasie en zijn sympathie. Hij verstaat levendig de kunst om het ongeduld weer te geven van een die lang wachten moet of de gewetensbezwaren van een twijfelaar en hij jubelt met de verzoende geliefden wanneer ze „met elkaar wedijveren hoe ze elkander het meest plezier kunnendoen”, of wanneer Gawein plotseling zijn lang ontbeerde vriend Lancelot naar hem toe ziet komen rijden, van zijn paard springt en hem omhelst: Gawein „was zo verrast alsof Lancelot uit de wolken was komen vallen en hij zou zelfs niet graag tot koning gekozen willen zijn in plaats van Lancelot te zien”.