Achtste tooneel.Dezelfden.Worstverkooper.335Verneemt dan allen uit mijn mond, wat dát is voor een burger!Paphlagoniër.Laat mij toch gaan.Worstverkooper.Laat mij toch gaan.Ik zeker niet, ’k stam uit Jan Rap als uwees!Tweede Slaaf.Als hij niet buigt, zeg dan er bij dat j’ ouders ook Jan Rap zijn!Paphlagoniër.Laat mij nu los.Worstverkooper.Laat mij nu los.Bij Zeus!Paphlagoniër.Laat mij nu los. Bij Zeus!Bij Zeus!Worstverkooper.Laat mij nu los. Bij Zeus! Bij Zeus!Neen, nooit, bij god Poseidon!(Zij vechten)Paphlagoniër.340Ik barst van woede en ergernis.Worstverkooper.Ik barst van woede en ergernis.Dàt zal ik je zelfs niet toestaan!Tweede Slaaf.Sta, bij de goden, hem toch toe van ergernis te stikken!Paphlagoniër.Wie geeft je zoo’n brutaliteit om tegen mij te spreken?Worstverkooper.Omdat ik spreken kan als jij, en lekkre soep kan koken.Paphlagoniër.Jij spreken? weet je wat je kan? wanneer er in je handen345Een stuk rauw vleesch gevallen is, dàt kan je goed behandelen.Met jou is het precies gegaan als met de meeste menschen.Als jij tegen een mindren man ’n procesje hebt gewonnen,Dan loop je nachten over straat en leutert tegen je zelven,Drinkt niets dan water, schettert hard, verveelt je beste vrienden,350En denkt dan dat je een spreker bent. Je bent een groote domkop.Worstverkooper.En wat heb jij gedronken dan, zoodat geheel AtheneZ’n mond moet houden en alleen naar jou geschetter luistert?Paphlagoniër.Wie stel je over tegen mij? ’k Ben iemand die in staat isOm na een lekker vischdiner, met echten wijn beklonken,355De veldheers, die in Pylos zijn, als snollen te behandelen.Worstverkooper.En ik kan ’n heelen ossenmaag met darmen van een varkenInslokken, en het vet daarna, met ongewasschen handen,En dàn nog al de redenaars, en Nikias, overdond’ren.Tweede Slaaf.Al wat je zegt bevalt me wel, maar één ding valt me tegen,360Dat als jij aan de regeering komt, jij ’t vet alleen wilt slurpen.Paphlagoniër.Jij zult geen snoeken eten, en de Milesiërs verjagen.Worstverkooper.Ik eet een beest z’n pooten op, en pacht dan zilvermijnen.Paphlagoniër.Ik spring op eens, en met geweld breng ik den raad ten onder.Worstverkooper.Ik stop je achterste als een worst, en sla je op je donder.Paphlagoniër.365Jou pak ik eerst bij ’t achterste, en sleur je dan voorover.Tweede Slaaf.Dan pak je zeker mij meteen, jou godvergeten roover.(Zij vechten)Paphlagoniër.’k Laat je krom sluiten in de boeien.Worstverkooper.Als deserteur laat ik je bloeien.Paphlagoniër.Ik zal je looien met gemak.Worstverkooper.370Ik zal je villen als een zak.Paphlagoniër.’k Hang je op aan huid en velletjes.Worstverkooper.En ik hak je tot frikadelletjes.Paphlagoniër.Al je oogharen pluk ik uit.Worstverkooper.En ik snijd je den krop uit je snuit.Eerste Slaaf.375Behandel hem, goddorie, maarPrecies of hij een varken waar’!Sla hem een spijker in den snuit,En haal daarna zijn tong er uit,Wanneer aldus het heele dier380Gespalkt is op de kunstmanier,Dan onderzoek je of een wratTe zien is op zijn varkensgat.Koor.Leve de man,Heet op de pan,Die hèm nog kanBedwingen,385Die door zijn malGebrul en gebralKléon nog zalVerdringen!⁂’t Was geen kwaad experimentje,Om een nòg grooter schreeuwtalentje,Om een nòg gemeener ventjeUit te sturen in den strijd—Kom, en sla hem op zijn baadje,Geef hem niet het halve maatje,Want de dwingland in ons staatjeHeeft het bijna afgeleid.Aanvoerder van het koor.Want wanneer je hem maar éénmaal in de worsteling verzwakt,390Toont hij zich een laffen kerel, o ik ken z’n waren aard.En zoo’n lafaard heeft waarachtig nog z’n heele leven langVoor een flinken vent gegolden! hij sneed riemen van andermans leêr!Hij houdt nu de korenaaren van ’t vijandelijk korenveldHier gevangen, en steekt later al hun losgeld in z’n zak.Paphlagoniër.395Ik ben niet bevreesd voor jullie, zoolang als de raad nog leeft,En zoolang van alle spelers Volk het domste bakkes heeft.Koor.Met z’n gesnoefWil ons de boefNù nog den loefAfsteken!Glad als een aal,Altijd brutaalIs nog zijn taalGebleken!Aanvoerder van het koor.400’k Haat je erger dan de dekens, waar Kratinos zich in bevuilt,Erger dan de slechte drama’s, waar vriend Morsimos in huilt!Koor.Jij, die als een ontaarde bijKruipt en gonst in alle zaken,En je honing tracht te makenUit de bloem der omkooperij!Moge ’t slechtverworven eten op ’t stadhuis ook slecht je smaken!405Mocht het lot ons zóó iets schenken,Mocht jij raken in den druk,Dan zou ik een lied bedenken:„Laat ons klinken, laat ons drinken,Laat ons juichen van geluk!”Aanvoerder van het koor.Ja, ’k wed, de zoon van Bulias, de meisjesgek op jaren,Spant jou ter eere nog Apol en Bacchos op z’n snaren.Negende tooneel.Dezelfden.Paphlagoniër.Mij zult ge, bij Poseidon, nooit in driestheid overwinnen,410Of ik zal geen vergaadring meer met offerdienst beginnen!Worstverkooper.En ik zweer bij de oorvijgen, die ik als jongen talrijkGekregen heb, en bij het mes waar ’k mee kan bekkesnijden,Dat ik het van je winnen zal, want anders was ik zeker,Met hondebrokken opgevoed, zoo’n kerel niet geworden!Paphlagoniër.415Met hondebrokken opgevoed? Ik draag hier al sinds tijenDen eernaam Hondsvot, en durf jij een hondsvot gaan bestrijen?Worstverkooper.Ik ben een boef van d’ echte soort, als jongen al een boefje,Want toen heb ik de slagers al bestolen met een foefje:„Kijk, zie je daar die zwaluw niet? ’t wordt lente, boerenkinkel!”420Riep ik, en keken zij, dan stal ik ’t vleesch hun uit den winkel.Tweede Slaaf.Jij bent een handig brokje vleesch, en wijs en onverschrokken,Als d’ander slâ in ’t voorjaar eet, steel jij de voorjaarsbrokken!Worstverkooper.Dat deed ik meestal ongemerkt, maar snapten mij die heeren,Dan ging ik, in elkaar gehurkt, bij hoog en laag aan ’t zweeren;425Zoodat, toen eens een spreker zag, hoe ik ze had bedrogen,Hij uitriep: „Kijk, die jongen wordt nog eens bij ’t volk een hooge!”Tweede Slaaf.Dat heeft hij drommels goed voorspeld, en ’t was dan ook geen wonder,Je was meineedige en een dief, en ’t vleesch zat in je donder!Paphlagoniër.Ik leer je d’ onbeschaamdheid af, eerst jou en dan den ander,430Ik stort te voorschijn als een groot en schitterend tegenstander,En ’k zal de aarde en de zee ondersteboven keeren!Worstverkooper.En ik haal eerst mijn worsten in, die jij zou kuljoneeren,En daarna vaar ik tegen je uit en zal je mores leeren.Tweede Slaaf.Wanneer je scheepje lek mocht gaan, zal ik op ’t ruim wel passen!Paphlagoniër.435Geloof jij dat je ongestraft, bij Demeter! vijf talentenVan d’arme Atheners stelen kunt?Tweede Slaaf.Pas op en vier je schoot wat!Hij blaast als de noordoostenwind! Straks regent het processen.Worstverkooper.Jij hebt uit Potidaea tien talenten vast gestolen!Paphlagoniër.Wat zou dat? aas jij soms op één, om dan je mond te houen?Tweede Slaaf(tot den Paphlagoniër).440Hij stak er graag één in zijn zak.(tot den worsthandelaar)Hij stak er graag één in zijn zak.Laat schieten maar je touwen!De eerste storm is nu bedaard!Paphlagoniër.Jij gaat met een vierdubbel procesVan honderd talenten op de flesch.Worstverkooper.Als deserteur krijg je twintig er bij,En duizend wegens oplichterij!Paphlagoniër.445Jij bent gesproten uit een geslacht,Dat door de goden is veracht!Worstverkooper.Jouw grootvader liep hier in ’t landGewapend achter ’n dwingeland!Paphlagoniër.Mijn grootvaâr? van wien stam ik af?Worstverkooper.Van vrouwendienaars, laag en laf!Want ik weet zeker dat hij wasIn dienst van de vrouw van Hippias,Haar naam? herinner ik mij wel,Die klonk zoo iets als „juffrouw Vel.”Paphlagoniër.450Je bent een schelm.Worstverkooper.Je bent een schurk.Tweede Slaaf.Sla flink er op.Paphlagoniër(schreeuwende).Mijn arme kop,’k Val in een samenzweerdersstrop!Tweede Slaaf.Je ranselt hem aan allen kant,Met darmen en met ingewand,Zoodat het kraakt en knettert,455Zóó wordt het best een vent gestraft,Die altijd schreeuwt en schettert!Aanvoerder van het koor.O allerdapperste stuk vleesch, o held der heldenscharen,Voor ons en voor geheel den staat de redder in gevaren,Wat heb je mooi, met mannentaal en flink, dien man verslagen,460Hoe kan mijn vreugd genoegzaam van uw eer en roem gewagen?Tiende tooneel.Dezelfden.Paphlagoniër.Het was me niet ontgaan, dat jullie de heele zaakHeel netjes in elkaar getimmerd hadt,Maar ik wist wat te beklinken en te spijkeren was.Worstverkooper.465’t Ontgaat me óók niet, al wat jij in Argos doet,(tot het publiek:)Hij maakt ons schijnbaar het volk van Argos tot bondgenoot,Maar steunt daar op eigen houtje de Lacedæmoniërs.Tweede Slaaf(tot den worstverkooper)Kan jij ook niet tegen hem spreken als een timmerman?Worstverkooper(tot den Paphlagoniër).Ik weet wel, hoe die dingen samengeklonken zijn,Zij worden bedisseld ten bate van de gevangenen!Tweede Slaaf.470Goed zoo! spreek jij van „smeden” als hij „spijkeren” zegt!Worstverkooper.De mannen van daar, die hameren mee aan ’t zelfde slot.Al biedt je mij nóg zooveel goud of zilvergeld,Al stuur je je vrienden, toch verhinder je mij nietOm dat bekend te maken aan ’t Atheensche volk.Paphlagoniër.475En ik zal daadlijk mij begeven naar den raad,En daar vermelden hoe gij allen samenzweert,En hoe gij ’s nachts hier op den burg tezamenkomt,En hoe gij aan den koning der Persen ons verraadt,En—hoe j’ons kaas wilt geven uit Boeotië!Worstverkooper.480Hoe duur zou wel die kaas zijn uit Boeotië?Paphlagoniër.Bij Herkules! ’k zal maken dat je onderligt!(Af.)Elfde tooneel.Dezelfden, behalve de Paphlagoniër.Aanvoerder van het koor.Toon nu eens je beleid en je stoutmoedigheid!Als ’t waar is dat je vroeger, zooals je zelf vertelt,In elkaar gehurkt gestolen vleesch verstoppen kondt—485Dan loop je nu ook drommels gauw naar ’t raadsgebouw,Want hij ’s daar binnengevallen, en hij dient terstondAl buldrend tegen allen een valsche aanklacht in.Worstverkooper.Dan ga ik, vuil als ik ben, maar toch leg ik nog eerstM’n darmen en m’n messen hier op den grond ter neer.(Hij legt alles af)Tweede Slaaf.490Daar heb je olie, wrijf er eerst je nek mee in,Dan glijdt daartegen de heele valsche aanklacht af.Worstverkooper.Uitmuntend! jij hoort zeker thuis in ’t turnlokaal.Tweede Slaaf.Slik ook dit nog naar beneden.(Hij geeft hem knoflook)Worstverkooper.Slik ook dit nog naar beneden.Waarvoor dient me dat?Tweede Slaaf.Door knoflook te eten zal j’ een beter kemphaan zijn.495Kom, spoed je voort.Worstverkooper.Kom, spoed je voort.Dat doe ik al.Tweede Slaaf.Kom, spoed je voort. Dat doe ik al.En denk er aan:Je bijt en lastert, je eet z’n hanekam maar op,Als dàt gedaan is, kom je hier weer in galop!(De worstverkooper gaat naar de stad, de slaaf gaat het huis binnen).Koorlied.Ga henen met vreugd, en handel vrijTot blijdschap en voldoening van mij,500Zeus zelf bescherme uw paden,En als d’overwinning eens is behaald,Dan komt gij terug, en zegepraalt,Met kransen bestrooid en beladen!De aanvoerder van het koor(tot de toeschouwers)En gij! verleent ons aandachtig gehoor, als wij naderen met anapesten,505Gij, die bij de feesten verschillende zangen van velerlei Muse gehoord hebt!(Het koor wendt zich naar het publiek)Parabase.Als eertijds een van het oude geslacht, als een vroegere blijspelendichterOns verzocht om naar het publiek toegewend zijne verzen te gaan reciteeren,Niet licht verwierf hij die gunst van ons; maar thans is de dichter het waardig,510Omdat hij veracht wie bij ons is veracht, en omdat hij de waarheid durft spreken,En dapper op Typhon zelf losgaat, en het onweêr waagde te tarten.Maar dàt, waar velen verbaasd over zijn, die verwonderd mij vroegen naar d’oorzaak,Waarom hij niet vroeger een koor heeft verzocht, om zelf zijn tooneelstuk te spelen,Dàt droeg hij ons op te verklaren aan u. Ik heb—aldus sprak de dichter—515Niet uit domheid zóó met mijn verzen gedraald, maar ik huldigde altijd de meeningDat er niets op aarde zoo moeilijk was als een blijspel goed te vertoonen.Veel minnaars verdringen zich om haar gunst, maar de Muse schenkt weinigen toegang.En de dichter, publiek! heeft uw aard doorgrond, hoe gij jaarlijks verandert en wisselt,Hoe gij altijd de vroegere dichters verzaakt, zoodra hen d’ouderdom nadert:520Hij weet wat met Mágnes eens is geschied, toen leeftijd zijn lokken vergrijsde,Die zoo menigen wapentros heeft gesticht, als hij won in den edelen wedkamp,Die met wiss’lende tonen uw oor heeft gestreeld—met lierzang—met kwinkeleeren,Met Lydisch gefluit—met wespengeluid—die met kikkergekwaak u gedoopt heeft,En die tòch niet altijd u kon voldoen, en als grijsaard, niet toen hij jong was,525Door ù is versmaad, omdat hij te tam, te gematigd was in zijn spotlust!⁂Ik herinner den dichter Kratinos u ook, die van lof overstroomd en van glorieDoor uw veld als een bergstroom rolt, poëzie! en platanen en machtige eikenMet wortel en tak op den grond doet slaan—zóó velt hij zijn vijand ter neder,Dat bij ieder feestmaal zijn lied weerklonk: „Godin Geefgraag met vijgenpantoffels!”530En „Bouwmeesters van kunstrijken zang”—zóó bloeide zijn naam in Athene.Doch thans? Geen meelij vervult uwe borst, als hij treurt en zeurt in zijn verzen,Wanneer bij het tokkelen weigert zijn luit, als de klanken verdwenen van vroeger,En valsch weerklinkt de geheiligde snaar!—Thans dwaalt hij als grijsaard in ’t ronde,Aan Kónnos gelijk, en „verdord is zijn krans, en hij gaat aan zijn dorst nog te gronde!”535Hem paste de staatsdrank op het stadhuis, den zoo dikwerf schittrend bekroonde,Dan zeurde hij niet, en zat glansrijk hier bij den priester van god Dionysos.⁂Zie Krátes eens, wat moest hij van u ook al grillen en luim ondervinden!Wiens kunst leek op een eenvoudig ontbijt, dat hem luttele inspanning kostte,Die met nuchteren smaak u een maaltijd schonk van grappen en fijne gedachten,540Toch—hield hij het uit, soms daalde zijn zon, en dan rees hij weer naar de hoogte.Hij vreesde het wisselend dichterenlot. Denkt allen aan wat hij eens zeide:Dat men vóór alle dingen een roeier moet zijn, en daarna pas staan aan het stuurrad,Allereerst op de plecht van het vaartuig geplaatst, om de richting te leeren der winden,En ten slotte de stuurman van alles te zijn!—Tot dank voor al deze woorden,545Omdat hij verstandige denkbeelden had, en niet leuterend sprong in zijn scheepje,Schenkt gij hem nu donderend handengeklap, voortdurend een eeregeleide,Goedgekeurd gemompel op ’t schouwburgfeest,Dat de dichter tevreden naar huis moge gaan,In zijn arbeid geslaagd,550Met een voorhoofd, stralend van blijdschap!Koor(Ode).God Poseidon, ù roep ik aan,U is de stem van ’t snuivend ros,U zijn hoefslag geheiligd:Gij, die over de waterbaan’t Donkergekleurde schip doet gaan,555Gij, die zeevaart beveiligt!⁂God Poseidon, der rossen heer!Die u verheugt in glans en eer,Als, in schittrende rijen,Heel de bloeiende jeugd der stadLuchtig, vluchtig de teugels vatVan den brieschenden paardenschat,Voor zijn harddraverijen!⁂560Kom ten reidans van uit de zee,Breng uwen gulden drietand mee,Door dolfijnen gedragen!Gij, wien van verre de schipper smeekt,Als zijn kiel op de klippen breekt,Door den stormwind verslagen!⁂Zilten telg van den dondergod!Gij, wien Phormion heel zijn lot,’t Lot zijner schepen vertrouwde:U ter eer klink’ ’t loflied schoon,U, Poseidon, Kronos’ zoon—Gij, ons het liefst van de hemelgoôn,Toen ons de zeeslag benauwde!⁂565Ja, ik wil den roem verkonden van ons heerlijk voorgeslacht,Waardig op het kleed te stralen, dat m’ Athene jaarlijks bracht,Mannen die in voetgevechten, òf in ’t schip-omkluisterd heirOns den zege steeds bevochten, ’t vaderland tot roem en eer.Geen van al die dappre mannen heeft den vijand ooit geteld,570Doch zoodra ’t gevaar nabij was, zwol zijn moed en werd hij held.Mocht er één terzijde storten, mocht hij wanklen in den slag,Hij ontkende, stofafschuddend, dat hij ooit ten onder lag!Nimmer staakten zij de worstling, want geen vroeger generaalMaakte ooit, als Kléon’s vader, aanspraak op een staatsonthaal;575Thans verlangt men eerezitplaats, spijs en drank van ’t algemeen,Of men weigert mee te vechten. Doch wij eischen dat elkeenZich zal offren, onbaatzuchtig, voor den staat en voor zijn goôn,Méér verlangen wij van niemand, slechts dit ééne ridderloon:Dat, zoodra de vrede daar is, gij ’t ons niet misgunnen zult,580Dat ons lijf weer is geroskamd, hoofd- en baardhaar weer gekruld!Koor(Ode).En gij, Pallas, der stede heil!Gij die Atheen, in rotsen steil,Steunt in oorlog en vrede,Die reeds vaak onze stad behieldt,Die ons dichterental bezielt585Naar de aloude zede!⁂Nader, godin van kunst en vreê,Breng welwillend den Zege mee,’t Beeld dat rust op uw handen,Nike, die ons lied begeleidt,Die in oorlog, die in strijdAan Athene haar zorgen wijdt,590Schutgodes dezer landen!⁂Reik thans zegenend uwe handAan de bloem van den ridderstand,Als zij krijg wil beginnenMet den vijand, die aan ons landZijn eerzuchtige netten spant:Schenk ons zoet overwinnen!⁂595Thans wil ’k ook den lof bazuinen van den eedlen paardenstand!Zij verdienen lof en eerbied, want zij brachten veel tot stand,Hebben mèt ons veel verdragen, ingevallen en gestreên,Maar wat zij op ’t land volbrachten, kent nog lang niet iedereen!Sprongen zij niet, flink als mannen, op de schepen van het land?600Dronken zij niet flink uit bekers, aten knoflook uit de hand?Droegen zij elkaar niet riemen, als gewone menschen, na,Riepen zij niet, waterscheppend: „Wie roeit mee? hiep, hiep, hoera!”„Aarzel niet om aan te pakken, grijp de riemen, edel ros!”—Toen men aankwam in Korinthe, liep de troep er gauw op los605Om met hoeven zich een rustplaats en eendeksel op te slaanEn wat was uw voedsel, paarden? kreeften, en geen klaverblaân!Als een kreeft naar land kwam kruipen, vingt gij hem uit ’t peilloos diep,Zoodat eens ’n Korinthisch kreeftje, ’n moppentapper, luidkeels riep:„Vreeslijk toch, o god Poseidon, dat de woning van geen visch,610Noch de aarde noch het water voor de ridders veilig is!”Twaalfde tooneel.(De worstverkooper komt terug)Het koor. De worstverkooper.Aanvoerder van het koor.Dierbaarste man, bezield van jeugdig’ overmoed,Met hoeveel zorg betreurde ik uw afwezigheid!En daar gij nu behouden zijt teruggekeerd,Vertel ons, wàt is ’t einde van den strijd geweest?Worstverkooper.615Nu heet ik „Winraad,” want ik overwon den raad!Koor.(Strophe of Keer).Juicht nu allen! de worstemanZal zijn rede beginnen.Hij, die spreekt zoo heet van de pan,En die nog beter vechten kan,Glorierijk overwinnen!Vang thans aan met uw verhaal,Niets ga voor ons verloren,Stel uw rede noch perk noch paal,Want ik reis één en andermaalOm uw woorden te hooren.Spreek dus rustig en welgemoed,Wie aan u twijfelen dorstenVallen u thans eerbiedig te voet,Zijn verrukt door uw heldenmoed,Edel koopman in worsten!Worstverkooper.Het loont de moeite om te hooren wat ik deed.625Ik rende terstond en achter hem de raadzaal in.Hij brak reeds binnen menig donderwoord den nek,En braakte zijn verwensching tegen de ridders uit,En schold hen samenzweerders, zoodat iedereenHem ging gelooven. Al de mannen van den raad630Wist hij te boeien door zijn grove leugenkool.Men keek zuur als mosterd, dreigend fronste men het hoofd.Toen ik nu zag hoe men gesteld was op zijn woord,En hoe men door zijn sluwe taal bedrogen werd,Toen bad ik tot de goden die ik ’t beste ken,„O Onbeschaamden en Bedriegers (dus bad ik),635„O Stommelingen en Kabouters, o Slavenras,„O Markt waarin ik reeds als knaap ben opgevoed!„Schenkt mij nu durf, behalve een gelikte tong,„Een stem vol onbeschaamdheid!” Wijl ik dit bedacht,Liet een verkeerde liefhebber aan mijn rechterkant640Er eentje vliegen, zoodat ik van eerbied boog.Toen heb ik met mijn achterste het traliewerkGeopend, en ik schreeuwde ’t uit met wijden mond:„Ik breng u, heeren van den raad, een goed bericht,„Hoort dus de blijde boodschap, waar ik hier meê kom,„Nog nimmer, sinds de oorlog uitgebroken is,645„Is hier de ansjovis voor een lager prijs verkocht!”—Op deze tijding trok elkeen een zoet gezicht,Men wijdde mij voor ’t goed bericht een eerekrans,En ik gaf aan den raad toen het geheim advies„Om alle ansjovis op te koopen voor een cent per stuk,650„En de schotels t’ arresteeren, die voorhanden zijn.”Men klapte en men gaapte mij verwonderd aan.De Paphlagoniër, die dit alles had bemerkt,En de woorden wist die indruk maken op den raad,Nam toen het woord, en zeide: „Mannen, ik stel voor655„De goede tijding te herdenken, ons gebracht,„Met een honderdkoeienoffer aan godin Atheen.”Hem knikte toen de heele raad welwillend toe,Doch ik, die nimmer wijken wil voor koeiemest,Bood tweehonderd koeien, en versloeg hem door dat bod.660Ook stelde ik voor, aan Artemis de jachtgodinEen duizendbokjesoffer te beloven, alsD’ansjovis honderd voor een cent geprijsd zou zijn.En op dat voorstel knikte weer de heele raad.Toen hij dat hoorde, schrikte hij, sprak leutertaal,665En de bedienden sleurden hem van ’t spreekgestoelt’.Nu stond elk op, en er ontstond een vischdebat,Maar Kléon smeekte, of men nog wat blijven wou,„Verneemt nog wat u de heraut uit Sparta zegt,„Een wapenstilstand biedt hij u ten tweeden keer!”670Doch ieder schreeuwde tegen hem, als uit één mond:„Een wapenstilstand? nu op eens? terwijl zoo juist„Bericht werd dat d’ansjovis is in prijs verlaagd?„Dat is niet noodig, d’oorlog kan zijn gang gaan, hoor.”En tevens riep men: „Hef maar gauw de zitting op.”675Van alle kanten sprong men over de balie heen,En ik kneep uit, en kocht alle koriander opEn alle uien, die op de markt te vinden zijn,En maakte daar toen de ansjovis lekker mee,Zoodat de raadslui smulden voor geen halve cent.680Ik, die alom bewonderd ben en opgekamd,Heb met mijn korianders en mijn uien dusVoor weinig centen al de raadslui—opgeknapt!Koor.(antistrophe of tegen-keer)Heil u, dierbare beulingvrind,Heil zij u allerwege,Alles gaat u thans voor den wind,Wie zoo dapper den strijd begint,685Dien wacht weldra de zege!Want die schurk vond een schurk in u.Grooter in list en in lagen,Met uwen mond, zoo groot en ruw,Met uwe listen, fijn en sluw,Hebt gij hèm nog verslagen.Vecht nu maar tot het einde door,Toon u listig en machtig,Want wij allen, het ridderkoor,Helpen u en volgen uw spoor,690Ondersteunen u krachtig!Worstverkooper.Daar komt hij, onze vriend de Paphlagoniër,Hij bruist als een bergstroom, en hij snuift en raast maar door,Alsof hij m’ op wil eten, hij lijkt Blauwbaard wel.Dertiende tooneel.(De Paphlagoniër, met een krans op, komt terug uit den raad en snelt op het tooneel).Worstverkooper, Paphlagoniër, Het Koor.Paphlagoniër.Als ik jou niet vermorsel, als ik de leugentaal695Niet meer heb van vroeger, dan ben ik een verloren man.Worstverkooper.Ik lach om jou bedreiging, ’k schud van je snoeverij,Ik dans om jou een negerdans en ik hoon j’ er bij!Paphlagoniër.Ik zweer je bij Demeter! dat ’k niet leven zal,Als ik je nìet levend opvreet en het land uitjaag.Worstverkooper.700Niet levend opvreet? kerel, ik zuip je levend op,Al moest ik daarna barsten als een varkensblaas.Paphlagoniër.Je sterft, zoowaar ik voorzitter ben van Athene’s raad!Worstverkooper.Jij voorzitter? en ik zal maken vroeg of laatDat j’ op de allerlaatste zitbank zitten gaat.Paphlagoniër.705’k Zweer bij den hemel, ik laat jou in boeien slaan.Worstverkooper.O wat een driftkop! wou je soms wat eten gaan?(ter zijde)Waar smult hij van? is ’t soms een beurs, met geld belaân?Paphlagoniër.Met m’n nagels krab ik al je ingewanden uit.Worstverkooper.En met mijn nagels maak ik gaten in je huid,En haal het eten, dat de raad je geeft, er uit.Paphlagoniër.710Ik sleur jou, vrindje, voor ’t gerecht, geloof me vrij.Worstverkooper.Ik sleur jou ook, en doe een valschen eed daarbij.Paphlagoniër.Wees maar verzekerd, schurk, dat ’t volk naar jou nìet hoort,Maar ik kan ze lekker foppen, op mijn eerewoord.Worstverkooper.Heb jij zoo zeker het gepeupel in je macht?Paphlagoniër.715Ik weet waarvan zij smullen, en dat is m’n kracht.Worstverkooper.Je voêrt ze gemeen, zooals er vele bakers doen,Van ’t eten dat je voorkauwt geef je ’t kind haast niets,Terwijl je zelf driemaal zooveel naar binnen slokt.Paphlagoniër.Bij Zeus! ik zweer je, als ’t je nòg niet is bekend,720Dat ’k ieder dik of dunner maak, door mijn talent.Worstverkooper.Dat is een slimheid, die mijn achterste ook wel weet.Paphlagoniër.Als jij voor ’t volk komt houdt je overmoed geen stand,Laat ons naar ’t volk gaan.Worstverkooper.Laat ons naar ’t volk gaan.’k Heb daartegen geen bezwaar,Vooruit, loop op, niets mag er zijn dat ons weerhoudt.Paphlagoniër.725Heer Volk, kom hier!Worstverkooper.Heer Volk, kom hier!Ja, vader Volk, kom hier bij Zeus,Lief vadertje Volk, verlaat je huis en kom bij ons!
Achtste tooneel.Dezelfden.Worstverkooper.335Verneemt dan allen uit mijn mond, wat dát is voor een burger!Paphlagoniër.Laat mij toch gaan.Worstverkooper.Laat mij toch gaan.Ik zeker niet, ’k stam uit Jan Rap als uwees!Tweede Slaaf.Als hij niet buigt, zeg dan er bij dat j’ ouders ook Jan Rap zijn!Paphlagoniër.Laat mij nu los.Worstverkooper.Laat mij nu los.Bij Zeus!Paphlagoniër.Laat mij nu los. Bij Zeus!Bij Zeus!Worstverkooper.Laat mij nu los. Bij Zeus! Bij Zeus!Neen, nooit, bij god Poseidon!(Zij vechten)Paphlagoniër.340Ik barst van woede en ergernis.Worstverkooper.Ik barst van woede en ergernis.Dàt zal ik je zelfs niet toestaan!Tweede Slaaf.Sta, bij de goden, hem toch toe van ergernis te stikken!Paphlagoniër.Wie geeft je zoo’n brutaliteit om tegen mij te spreken?Worstverkooper.Omdat ik spreken kan als jij, en lekkre soep kan koken.Paphlagoniër.Jij spreken? weet je wat je kan? wanneer er in je handen345Een stuk rauw vleesch gevallen is, dàt kan je goed behandelen.Met jou is het precies gegaan als met de meeste menschen.Als jij tegen een mindren man ’n procesje hebt gewonnen,Dan loop je nachten over straat en leutert tegen je zelven,Drinkt niets dan water, schettert hard, verveelt je beste vrienden,350En denkt dan dat je een spreker bent. Je bent een groote domkop.Worstverkooper.En wat heb jij gedronken dan, zoodat geheel AtheneZ’n mond moet houden en alleen naar jou geschetter luistert?Paphlagoniër.Wie stel je over tegen mij? ’k Ben iemand die in staat isOm na een lekker vischdiner, met echten wijn beklonken,355De veldheers, die in Pylos zijn, als snollen te behandelen.Worstverkooper.En ik kan ’n heelen ossenmaag met darmen van een varkenInslokken, en het vet daarna, met ongewasschen handen,En dàn nog al de redenaars, en Nikias, overdond’ren.Tweede Slaaf.Al wat je zegt bevalt me wel, maar één ding valt me tegen,360Dat als jij aan de regeering komt, jij ’t vet alleen wilt slurpen.Paphlagoniër.Jij zult geen snoeken eten, en de Milesiërs verjagen.Worstverkooper.Ik eet een beest z’n pooten op, en pacht dan zilvermijnen.Paphlagoniër.Ik spring op eens, en met geweld breng ik den raad ten onder.Worstverkooper.Ik stop je achterste als een worst, en sla je op je donder.Paphlagoniër.365Jou pak ik eerst bij ’t achterste, en sleur je dan voorover.Tweede Slaaf.Dan pak je zeker mij meteen, jou godvergeten roover.(Zij vechten)Paphlagoniër.’k Laat je krom sluiten in de boeien.Worstverkooper.Als deserteur laat ik je bloeien.Paphlagoniër.Ik zal je looien met gemak.Worstverkooper.370Ik zal je villen als een zak.Paphlagoniër.’k Hang je op aan huid en velletjes.Worstverkooper.En ik hak je tot frikadelletjes.Paphlagoniër.Al je oogharen pluk ik uit.Worstverkooper.En ik snijd je den krop uit je snuit.Eerste Slaaf.375Behandel hem, goddorie, maarPrecies of hij een varken waar’!Sla hem een spijker in den snuit,En haal daarna zijn tong er uit,Wanneer aldus het heele dier380Gespalkt is op de kunstmanier,Dan onderzoek je of een wratTe zien is op zijn varkensgat.Koor.Leve de man,Heet op de pan,Die hèm nog kanBedwingen,385Die door zijn malGebrul en gebralKléon nog zalVerdringen!⁂’t Was geen kwaad experimentje,Om een nòg grooter schreeuwtalentje,Om een nòg gemeener ventjeUit te sturen in den strijd—Kom, en sla hem op zijn baadje,Geef hem niet het halve maatje,Want de dwingland in ons staatjeHeeft het bijna afgeleid.Aanvoerder van het koor.Want wanneer je hem maar éénmaal in de worsteling verzwakt,390Toont hij zich een laffen kerel, o ik ken z’n waren aard.En zoo’n lafaard heeft waarachtig nog z’n heele leven langVoor een flinken vent gegolden! hij sneed riemen van andermans leêr!Hij houdt nu de korenaaren van ’t vijandelijk korenveldHier gevangen, en steekt later al hun losgeld in z’n zak.Paphlagoniër.395Ik ben niet bevreesd voor jullie, zoolang als de raad nog leeft,En zoolang van alle spelers Volk het domste bakkes heeft.Koor.Met z’n gesnoefWil ons de boefNù nog den loefAfsteken!Glad als een aal,Altijd brutaalIs nog zijn taalGebleken!Aanvoerder van het koor.400’k Haat je erger dan de dekens, waar Kratinos zich in bevuilt,Erger dan de slechte drama’s, waar vriend Morsimos in huilt!Koor.Jij, die als een ontaarde bijKruipt en gonst in alle zaken,En je honing tracht te makenUit de bloem der omkooperij!Moge ’t slechtverworven eten op ’t stadhuis ook slecht je smaken!405Mocht het lot ons zóó iets schenken,Mocht jij raken in den druk,Dan zou ik een lied bedenken:„Laat ons klinken, laat ons drinken,Laat ons juichen van geluk!”Aanvoerder van het koor.Ja, ’k wed, de zoon van Bulias, de meisjesgek op jaren,Spant jou ter eere nog Apol en Bacchos op z’n snaren.
Achtste tooneel.Dezelfden.Worstverkooper.335Verneemt dan allen uit mijn mond, wat dát is voor een burger!Paphlagoniër.Laat mij toch gaan.Worstverkooper.Laat mij toch gaan.Ik zeker niet, ’k stam uit Jan Rap als uwees!Tweede Slaaf.Als hij niet buigt, zeg dan er bij dat j’ ouders ook Jan Rap zijn!Paphlagoniër.Laat mij nu los.Worstverkooper.Laat mij nu los.Bij Zeus!Paphlagoniër.Laat mij nu los. Bij Zeus!Bij Zeus!Worstverkooper.Laat mij nu los. Bij Zeus! Bij Zeus!Neen, nooit, bij god Poseidon!(Zij vechten)Paphlagoniër.340Ik barst van woede en ergernis.Worstverkooper.Ik barst van woede en ergernis.Dàt zal ik je zelfs niet toestaan!Tweede Slaaf.Sta, bij de goden, hem toch toe van ergernis te stikken!Paphlagoniër.Wie geeft je zoo’n brutaliteit om tegen mij te spreken?Worstverkooper.Omdat ik spreken kan als jij, en lekkre soep kan koken.Paphlagoniër.Jij spreken? weet je wat je kan? wanneer er in je handen345Een stuk rauw vleesch gevallen is, dàt kan je goed behandelen.Met jou is het precies gegaan als met de meeste menschen.Als jij tegen een mindren man ’n procesje hebt gewonnen,Dan loop je nachten over straat en leutert tegen je zelven,Drinkt niets dan water, schettert hard, verveelt je beste vrienden,350En denkt dan dat je een spreker bent. Je bent een groote domkop.Worstverkooper.En wat heb jij gedronken dan, zoodat geheel AtheneZ’n mond moet houden en alleen naar jou geschetter luistert?Paphlagoniër.Wie stel je over tegen mij? ’k Ben iemand die in staat isOm na een lekker vischdiner, met echten wijn beklonken,355De veldheers, die in Pylos zijn, als snollen te behandelen.Worstverkooper.En ik kan ’n heelen ossenmaag met darmen van een varkenInslokken, en het vet daarna, met ongewasschen handen,En dàn nog al de redenaars, en Nikias, overdond’ren.Tweede Slaaf.Al wat je zegt bevalt me wel, maar één ding valt me tegen,360Dat als jij aan de regeering komt, jij ’t vet alleen wilt slurpen.Paphlagoniër.Jij zult geen snoeken eten, en de Milesiërs verjagen.Worstverkooper.Ik eet een beest z’n pooten op, en pacht dan zilvermijnen.Paphlagoniër.Ik spring op eens, en met geweld breng ik den raad ten onder.Worstverkooper.Ik stop je achterste als een worst, en sla je op je donder.Paphlagoniër.365Jou pak ik eerst bij ’t achterste, en sleur je dan voorover.Tweede Slaaf.Dan pak je zeker mij meteen, jou godvergeten roover.(Zij vechten)Paphlagoniër.’k Laat je krom sluiten in de boeien.Worstverkooper.Als deserteur laat ik je bloeien.Paphlagoniër.Ik zal je looien met gemak.Worstverkooper.370Ik zal je villen als een zak.Paphlagoniër.’k Hang je op aan huid en velletjes.Worstverkooper.En ik hak je tot frikadelletjes.Paphlagoniër.Al je oogharen pluk ik uit.Worstverkooper.En ik snijd je den krop uit je snuit.Eerste Slaaf.375Behandel hem, goddorie, maarPrecies of hij een varken waar’!Sla hem een spijker in den snuit,En haal daarna zijn tong er uit,Wanneer aldus het heele dier380Gespalkt is op de kunstmanier,Dan onderzoek je of een wratTe zien is op zijn varkensgat.Koor.Leve de man,Heet op de pan,Die hèm nog kanBedwingen,385Die door zijn malGebrul en gebralKléon nog zalVerdringen!⁂’t Was geen kwaad experimentje,Om een nòg grooter schreeuwtalentje,Om een nòg gemeener ventjeUit te sturen in den strijd—Kom, en sla hem op zijn baadje,Geef hem niet het halve maatje,Want de dwingland in ons staatjeHeeft het bijna afgeleid.Aanvoerder van het koor.Want wanneer je hem maar éénmaal in de worsteling verzwakt,390Toont hij zich een laffen kerel, o ik ken z’n waren aard.En zoo’n lafaard heeft waarachtig nog z’n heele leven langVoor een flinken vent gegolden! hij sneed riemen van andermans leêr!Hij houdt nu de korenaaren van ’t vijandelijk korenveldHier gevangen, en steekt later al hun losgeld in z’n zak.Paphlagoniër.395Ik ben niet bevreesd voor jullie, zoolang als de raad nog leeft,En zoolang van alle spelers Volk het domste bakkes heeft.Koor.Met z’n gesnoefWil ons de boefNù nog den loefAfsteken!Glad als een aal,Altijd brutaalIs nog zijn taalGebleken!Aanvoerder van het koor.400’k Haat je erger dan de dekens, waar Kratinos zich in bevuilt,Erger dan de slechte drama’s, waar vriend Morsimos in huilt!Koor.Jij, die als een ontaarde bijKruipt en gonst in alle zaken,En je honing tracht te makenUit de bloem der omkooperij!Moge ’t slechtverworven eten op ’t stadhuis ook slecht je smaken!405Mocht het lot ons zóó iets schenken,Mocht jij raken in den druk,Dan zou ik een lied bedenken:„Laat ons klinken, laat ons drinken,Laat ons juichen van geluk!”Aanvoerder van het koor.Ja, ’k wed, de zoon van Bulias, de meisjesgek op jaren,Spant jou ter eere nog Apol en Bacchos op z’n snaren.
Dezelfden.
Worstverkooper.335Verneemt dan allen uit mijn mond, wat dát is voor een burger!
Worstverkooper.
335Verneemt dan allen uit mijn mond, wat dát is voor een burger!
Paphlagoniër.Laat mij toch gaan.
Paphlagoniër.
Laat mij toch gaan.
Worstverkooper.Laat mij toch gaan.Ik zeker niet, ’k stam uit Jan Rap als uwees!
Worstverkooper.
Laat mij toch gaan.Ik zeker niet, ’k stam uit Jan Rap als uwees!
Tweede Slaaf.Als hij niet buigt, zeg dan er bij dat j’ ouders ook Jan Rap zijn!
Tweede Slaaf.
Als hij niet buigt, zeg dan er bij dat j’ ouders ook Jan Rap zijn!
Paphlagoniër.Laat mij nu los.
Paphlagoniër.
Laat mij nu los.
Worstverkooper.Laat mij nu los.Bij Zeus!
Worstverkooper.
Laat mij nu los.Bij Zeus!
Paphlagoniër.Laat mij nu los. Bij Zeus!Bij Zeus!
Paphlagoniër.
Laat mij nu los. Bij Zeus!Bij Zeus!
Worstverkooper.Laat mij nu los. Bij Zeus! Bij Zeus!Neen, nooit, bij god Poseidon!
Worstverkooper.
Laat mij nu los. Bij Zeus! Bij Zeus!Neen, nooit, bij god Poseidon!
(Zij vechten)
Paphlagoniër.340Ik barst van woede en ergernis.
Paphlagoniër.
340Ik barst van woede en ergernis.
Worstverkooper.Ik barst van woede en ergernis.Dàt zal ik je zelfs niet toestaan!
Worstverkooper.
Ik barst van woede en ergernis.Dàt zal ik je zelfs niet toestaan!
Tweede Slaaf.Sta, bij de goden, hem toch toe van ergernis te stikken!
Tweede Slaaf.
Sta, bij de goden, hem toch toe van ergernis te stikken!
Paphlagoniër.Wie geeft je zoo’n brutaliteit om tegen mij te spreken?
Paphlagoniër.
Wie geeft je zoo’n brutaliteit om tegen mij te spreken?
Worstverkooper.Omdat ik spreken kan als jij, en lekkre soep kan koken.
Worstverkooper.
Omdat ik spreken kan als jij, en lekkre soep kan koken.
Paphlagoniër.Jij spreken? weet je wat je kan? wanneer er in je handen345Een stuk rauw vleesch gevallen is, dàt kan je goed behandelen.Met jou is het precies gegaan als met de meeste menschen.Als jij tegen een mindren man ’n procesje hebt gewonnen,Dan loop je nachten over straat en leutert tegen je zelven,Drinkt niets dan water, schettert hard, verveelt je beste vrienden,350En denkt dan dat je een spreker bent. Je bent een groote domkop.
Paphlagoniër.
Jij spreken? weet je wat je kan? wanneer er in je handen
345Een stuk rauw vleesch gevallen is, dàt kan je goed behandelen.
Met jou is het precies gegaan als met de meeste menschen.
Als jij tegen een mindren man ’n procesje hebt gewonnen,
Dan loop je nachten over straat en leutert tegen je zelven,
Drinkt niets dan water, schettert hard, verveelt je beste vrienden,
350En denkt dan dat je een spreker bent. Je bent een groote domkop.
Worstverkooper.En wat heb jij gedronken dan, zoodat geheel AtheneZ’n mond moet houden en alleen naar jou geschetter luistert?
Worstverkooper.
En wat heb jij gedronken dan, zoodat geheel Athene
Z’n mond moet houden en alleen naar jou geschetter luistert?
Paphlagoniër.Wie stel je over tegen mij? ’k Ben iemand die in staat isOm na een lekker vischdiner, met echten wijn beklonken,355De veldheers, die in Pylos zijn, als snollen te behandelen.
Paphlagoniër.
Wie stel je over tegen mij? ’k Ben iemand die in staat is
Om na een lekker vischdiner, met echten wijn beklonken,
355De veldheers, die in Pylos zijn, als snollen te behandelen.
Worstverkooper.En ik kan ’n heelen ossenmaag met darmen van een varkenInslokken, en het vet daarna, met ongewasschen handen,En dàn nog al de redenaars, en Nikias, overdond’ren.
Worstverkooper.
En ik kan ’n heelen ossenmaag met darmen van een varken
Inslokken, en het vet daarna, met ongewasschen handen,
En dàn nog al de redenaars, en Nikias, overdond’ren.
Tweede Slaaf.Al wat je zegt bevalt me wel, maar één ding valt me tegen,360Dat als jij aan de regeering komt, jij ’t vet alleen wilt slurpen.
Tweede Slaaf.
Al wat je zegt bevalt me wel, maar één ding valt me tegen,
360Dat als jij aan de regeering komt, jij ’t vet alleen wilt slurpen.
Paphlagoniër.Jij zult geen snoeken eten, en de Milesiërs verjagen.
Paphlagoniër.
Jij zult geen snoeken eten, en de Milesiërs verjagen.
Worstverkooper.Ik eet een beest z’n pooten op, en pacht dan zilvermijnen.
Worstverkooper.
Ik eet een beest z’n pooten op, en pacht dan zilvermijnen.
Paphlagoniër.Ik spring op eens, en met geweld breng ik den raad ten onder.
Paphlagoniër.
Ik spring op eens, en met geweld breng ik den raad ten onder.
Worstverkooper.Ik stop je achterste als een worst, en sla je op je donder.
Worstverkooper.
Ik stop je achterste als een worst, en sla je op je donder.
Paphlagoniër.365Jou pak ik eerst bij ’t achterste, en sleur je dan voorover.
Paphlagoniër.
365Jou pak ik eerst bij ’t achterste, en sleur je dan voorover.
Tweede Slaaf.Dan pak je zeker mij meteen, jou godvergeten roover.
Tweede Slaaf.
Dan pak je zeker mij meteen, jou godvergeten roover.
(Zij vechten)
Paphlagoniër.’k Laat je krom sluiten in de boeien.
Paphlagoniër.
’k Laat je krom sluiten in de boeien.
Worstverkooper.Als deserteur laat ik je bloeien.
Worstverkooper.
Als deserteur laat ik je bloeien.
Paphlagoniër.Ik zal je looien met gemak.
Paphlagoniër.
Ik zal je looien met gemak.
Worstverkooper.370Ik zal je villen als een zak.
Worstverkooper.
370Ik zal je villen als een zak.
Paphlagoniër.’k Hang je op aan huid en velletjes.
Paphlagoniër.
’k Hang je op aan huid en velletjes.
Worstverkooper.En ik hak je tot frikadelletjes.
Worstverkooper.
En ik hak je tot frikadelletjes.
Paphlagoniër.Al je oogharen pluk ik uit.
Paphlagoniër.
Al je oogharen pluk ik uit.
Worstverkooper.En ik snijd je den krop uit je snuit.
Worstverkooper.
En ik snijd je den krop uit je snuit.
Eerste Slaaf.375Behandel hem, goddorie, maarPrecies of hij een varken waar’!Sla hem een spijker in den snuit,En haal daarna zijn tong er uit,Wanneer aldus het heele dier380Gespalkt is op de kunstmanier,Dan onderzoek je of een wratTe zien is op zijn varkensgat.
Eerste Slaaf.
375Behandel hem, goddorie, maar
Precies of hij een varken waar’!
Sla hem een spijker in den snuit,
En haal daarna zijn tong er uit,
Wanneer aldus het heele dier
380Gespalkt is op de kunstmanier,
Dan onderzoek je of een wrat
Te zien is op zijn varkensgat.
Koor.Leve de man,Heet op de pan,Die hèm nog kanBedwingen,385Die door zijn malGebrul en gebralKléon nog zalVerdringen!
Koor.
Leve de man,
Heet op de pan,
Die hèm nog kan
Bedwingen,
385Die door zijn mal
Gebrul en gebral
Kléon nog zal
Verdringen!
⁂
’t Was geen kwaad experimentje,Om een nòg grooter schreeuwtalentje,Om een nòg gemeener ventjeUit te sturen in den strijd—Kom, en sla hem op zijn baadje,Geef hem niet het halve maatje,Want de dwingland in ons staatjeHeeft het bijna afgeleid.
’t Was geen kwaad experimentje,
Om een nòg grooter schreeuwtalentje,
Om een nòg gemeener ventje
Uit te sturen in den strijd—
Kom, en sla hem op zijn baadje,
Geef hem niet het halve maatje,
Want de dwingland in ons staatje
Heeft het bijna afgeleid.
Aanvoerder van het koor.Want wanneer je hem maar éénmaal in de worsteling verzwakt,390Toont hij zich een laffen kerel, o ik ken z’n waren aard.En zoo’n lafaard heeft waarachtig nog z’n heele leven langVoor een flinken vent gegolden! hij sneed riemen van andermans leêr!Hij houdt nu de korenaaren van ’t vijandelijk korenveldHier gevangen, en steekt later al hun losgeld in z’n zak.
Aanvoerder van het koor.
Want wanneer je hem maar éénmaal in de worsteling verzwakt,
390Toont hij zich een laffen kerel, o ik ken z’n waren aard.
En zoo’n lafaard heeft waarachtig nog z’n heele leven lang
Voor een flinken vent gegolden! hij sneed riemen van andermans leêr!
Hij houdt nu de korenaaren van ’t vijandelijk korenveld
Hier gevangen, en steekt later al hun losgeld in z’n zak.
Paphlagoniër.395Ik ben niet bevreesd voor jullie, zoolang als de raad nog leeft,En zoolang van alle spelers Volk het domste bakkes heeft.
Paphlagoniër.
395Ik ben niet bevreesd voor jullie, zoolang als de raad nog leeft,
En zoolang van alle spelers Volk het domste bakkes heeft.
Koor.Met z’n gesnoefWil ons de boefNù nog den loefAfsteken!Glad als een aal,Altijd brutaalIs nog zijn taalGebleken!
Koor.
Met z’n gesnoef
Wil ons de boef
Nù nog den loef
Afsteken!
Glad als een aal,
Altijd brutaal
Is nog zijn taal
Gebleken!
Aanvoerder van het koor.400’k Haat je erger dan de dekens, waar Kratinos zich in bevuilt,Erger dan de slechte drama’s, waar vriend Morsimos in huilt!
Aanvoerder van het koor.
400’k Haat je erger dan de dekens, waar Kratinos zich in bevuilt,
Erger dan de slechte drama’s, waar vriend Morsimos in huilt!
Koor.Jij, die als een ontaarde bijKruipt en gonst in alle zaken,En je honing tracht te makenUit de bloem der omkooperij!Moge ’t slechtverworven eten op ’t stadhuis ook slecht je smaken!405Mocht het lot ons zóó iets schenken,Mocht jij raken in den druk,Dan zou ik een lied bedenken:„Laat ons klinken, laat ons drinken,Laat ons juichen van geluk!”
Koor.
Jij, die als een ontaarde bij
Kruipt en gonst in alle zaken,
En je honing tracht te maken
Uit de bloem der omkooperij!
Moge ’t slechtverworven eten op ’t stadhuis ook slecht je smaken!
405Mocht het lot ons zóó iets schenken,
Mocht jij raken in den druk,
Dan zou ik een lied bedenken:
„Laat ons klinken, laat ons drinken,
Laat ons juichen van geluk!”
Aanvoerder van het koor.Ja, ’k wed, de zoon van Bulias, de meisjesgek op jaren,Spant jou ter eere nog Apol en Bacchos op z’n snaren.
Aanvoerder van het koor.
Ja, ’k wed, de zoon van Bulias, de meisjesgek op jaren,
Spant jou ter eere nog Apol en Bacchos op z’n snaren.
Negende tooneel.Dezelfden.Paphlagoniër.Mij zult ge, bij Poseidon, nooit in driestheid overwinnen,410Of ik zal geen vergaadring meer met offerdienst beginnen!Worstverkooper.En ik zweer bij de oorvijgen, die ik als jongen talrijkGekregen heb, en bij het mes waar ’k mee kan bekkesnijden,Dat ik het van je winnen zal, want anders was ik zeker,Met hondebrokken opgevoed, zoo’n kerel niet geworden!Paphlagoniër.415Met hondebrokken opgevoed? Ik draag hier al sinds tijenDen eernaam Hondsvot, en durf jij een hondsvot gaan bestrijen?Worstverkooper.Ik ben een boef van d’ echte soort, als jongen al een boefje,Want toen heb ik de slagers al bestolen met een foefje:„Kijk, zie je daar die zwaluw niet? ’t wordt lente, boerenkinkel!”420Riep ik, en keken zij, dan stal ik ’t vleesch hun uit den winkel.Tweede Slaaf.Jij bent een handig brokje vleesch, en wijs en onverschrokken,Als d’ander slâ in ’t voorjaar eet, steel jij de voorjaarsbrokken!Worstverkooper.Dat deed ik meestal ongemerkt, maar snapten mij die heeren,Dan ging ik, in elkaar gehurkt, bij hoog en laag aan ’t zweeren;425Zoodat, toen eens een spreker zag, hoe ik ze had bedrogen,Hij uitriep: „Kijk, die jongen wordt nog eens bij ’t volk een hooge!”Tweede Slaaf.Dat heeft hij drommels goed voorspeld, en ’t was dan ook geen wonder,Je was meineedige en een dief, en ’t vleesch zat in je donder!Paphlagoniër.Ik leer je d’ onbeschaamdheid af, eerst jou en dan den ander,430Ik stort te voorschijn als een groot en schitterend tegenstander,En ’k zal de aarde en de zee ondersteboven keeren!Worstverkooper.En ik haal eerst mijn worsten in, die jij zou kuljoneeren,En daarna vaar ik tegen je uit en zal je mores leeren.Tweede Slaaf.Wanneer je scheepje lek mocht gaan, zal ik op ’t ruim wel passen!Paphlagoniër.435Geloof jij dat je ongestraft, bij Demeter! vijf talentenVan d’arme Atheners stelen kunt?Tweede Slaaf.Pas op en vier je schoot wat!Hij blaast als de noordoostenwind! Straks regent het processen.Worstverkooper.Jij hebt uit Potidaea tien talenten vast gestolen!Paphlagoniër.Wat zou dat? aas jij soms op één, om dan je mond te houen?Tweede Slaaf(tot den Paphlagoniër).440Hij stak er graag één in zijn zak.(tot den worsthandelaar)Hij stak er graag één in zijn zak.Laat schieten maar je touwen!De eerste storm is nu bedaard!Paphlagoniër.Jij gaat met een vierdubbel procesVan honderd talenten op de flesch.Worstverkooper.Als deserteur krijg je twintig er bij,En duizend wegens oplichterij!Paphlagoniër.445Jij bent gesproten uit een geslacht,Dat door de goden is veracht!Worstverkooper.Jouw grootvader liep hier in ’t landGewapend achter ’n dwingeland!Paphlagoniër.Mijn grootvaâr? van wien stam ik af?Worstverkooper.Van vrouwendienaars, laag en laf!Want ik weet zeker dat hij wasIn dienst van de vrouw van Hippias,Haar naam? herinner ik mij wel,Die klonk zoo iets als „juffrouw Vel.”Paphlagoniër.450Je bent een schelm.Worstverkooper.Je bent een schurk.Tweede Slaaf.Sla flink er op.Paphlagoniër(schreeuwende).Mijn arme kop,’k Val in een samenzweerdersstrop!Tweede Slaaf.Je ranselt hem aan allen kant,Met darmen en met ingewand,Zoodat het kraakt en knettert,455Zóó wordt het best een vent gestraft,Die altijd schreeuwt en schettert!Aanvoerder van het koor.O allerdapperste stuk vleesch, o held der heldenscharen,Voor ons en voor geheel den staat de redder in gevaren,Wat heb je mooi, met mannentaal en flink, dien man verslagen,460Hoe kan mijn vreugd genoegzaam van uw eer en roem gewagen?
Negende tooneel.Dezelfden.Paphlagoniër.Mij zult ge, bij Poseidon, nooit in driestheid overwinnen,410Of ik zal geen vergaadring meer met offerdienst beginnen!Worstverkooper.En ik zweer bij de oorvijgen, die ik als jongen talrijkGekregen heb, en bij het mes waar ’k mee kan bekkesnijden,Dat ik het van je winnen zal, want anders was ik zeker,Met hondebrokken opgevoed, zoo’n kerel niet geworden!Paphlagoniër.415Met hondebrokken opgevoed? Ik draag hier al sinds tijenDen eernaam Hondsvot, en durf jij een hondsvot gaan bestrijen?Worstverkooper.Ik ben een boef van d’ echte soort, als jongen al een boefje,Want toen heb ik de slagers al bestolen met een foefje:„Kijk, zie je daar die zwaluw niet? ’t wordt lente, boerenkinkel!”420Riep ik, en keken zij, dan stal ik ’t vleesch hun uit den winkel.Tweede Slaaf.Jij bent een handig brokje vleesch, en wijs en onverschrokken,Als d’ander slâ in ’t voorjaar eet, steel jij de voorjaarsbrokken!Worstverkooper.Dat deed ik meestal ongemerkt, maar snapten mij die heeren,Dan ging ik, in elkaar gehurkt, bij hoog en laag aan ’t zweeren;425Zoodat, toen eens een spreker zag, hoe ik ze had bedrogen,Hij uitriep: „Kijk, die jongen wordt nog eens bij ’t volk een hooge!”Tweede Slaaf.Dat heeft hij drommels goed voorspeld, en ’t was dan ook geen wonder,Je was meineedige en een dief, en ’t vleesch zat in je donder!Paphlagoniër.Ik leer je d’ onbeschaamdheid af, eerst jou en dan den ander,430Ik stort te voorschijn als een groot en schitterend tegenstander,En ’k zal de aarde en de zee ondersteboven keeren!Worstverkooper.En ik haal eerst mijn worsten in, die jij zou kuljoneeren,En daarna vaar ik tegen je uit en zal je mores leeren.Tweede Slaaf.Wanneer je scheepje lek mocht gaan, zal ik op ’t ruim wel passen!Paphlagoniër.435Geloof jij dat je ongestraft, bij Demeter! vijf talentenVan d’arme Atheners stelen kunt?Tweede Slaaf.Pas op en vier je schoot wat!Hij blaast als de noordoostenwind! Straks regent het processen.Worstverkooper.Jij hebt uit Potidaea tien talenten vast gestolen!Paphlagoniër.Wat zou dat? aas jij soms op één, om dan je mond te houen?Tweede Slaaf(tot den Paphlagoniër).440Hij stak er graag één in zijn zak.(tot den worsthandelaar)Hij stak er graag één in zijn zak.Laat schieten maar je touwen!De eerste storm is nu bedaard!Paphlagoniër.Jij gaat met een vierdubbel procesVan honderd talenten op de flesch.Worstverkooper.Als deserteur krijg je twintig er bij,En duizend wegens oplichterij!Paphlagoniër.445Jij bent gesproten uit een geslacht,Dat door de goden is veracht!Worstverkooper.Jouw grootvader liep hier in ’t landGewapend achter ’n dwingeland!Paphlagoniër.Mijn grootvaâr? van wien stam ik af?Worstverkooper.Van vrouwendienaars, laag en laf!Want ik weet zeker dat hij wasIn dienst van de vrouw van Hippias,Haar naam? herinner ik mij wel,Die klonk zoo iets als „juffrouw Vel.”Paphlagoniër.450Je bent een schelm.Worstverkooper.Je bent een schurk.Tweede Slaaf.Sla flink er op.Paphlagoniër(schreeuwende).Mijn arme kop,’k Val in een samenzweerdersstrop!Tweede Slaaf.Je ranselt hem aan allen kant,Met darmen en met ingewand,Zoodat het kraakt en knettert,455Zóó wordt het best een vent gestraft,Die altijd schreeuwt en schettert!Aanvoerder van het koor.O allerdapperste stuk vleesch, o held der heldenscharen,Voor ons en voor geheel den staat de redder in gevaren,Wat heb je mooi, met mannentaal en flink, dien man verslagen,460Hoe kan mijn vreugd genoegzaam van uw eer en roem gewagen?
Dezelfden.
Paphlagoniër.Mij zult ge, bij Poseidon, nooit in driestheid overwinnen,410Of ik zal geen vergaadring meer met offerdienst beginnen!
Paphlagoniër.
Mij zult ge, bij Poseidon, nooit in driestheid overwinnen,
410Of ik zal geen vergaadring meer met offerdienst beginnen!
Worstverkooper.En ik zweer bij de oorvijgen, die ik als jongen talrijkGekregen heb, en bij het mes waar ’k mee kan bekkesnijden,Dat ik het van je winnen zal, want anders was ik zeker,Met hondebrokken opgevoed, zoo’n kerel niet geworden!
Worstverkooper.
En ik zweer bij de oorvijgen, die ik als jongen talrijk
Gekregen heb, en bij het mes waar ’k mee kan bekkesnijden,
Dat ik het van je winnen zal, want anders was ik zeker,
Met hondebrokken opgevoed, zoo’n kerel niet geworden!
Paphlagoniër.415Met hondebrokken opgevoed? Ik draag hier al sinds tijenDen eernaam Hondsvot, en durf jij een hondsvot gaan bestrijen?
Paphlagoniër.
415Met hondebrokken opgevoed? Ik draag hier al sinds tijen
Den eernaam Hondsvot, en durf jij een hondsvot gaan bestrijen?
Worstverkooper.Ik ben een boef van d’ echte soort, als jongen al een boefje,Want toen heb ik de slagers al bestolen met een foefje:„Kijk, zie je daar die zwaluw niet? ’t wordt lente, boerenkinkel!”420Riep ik, en keken zij, dan stal ik ’t vleesch hun uit den winkel.
Worstverkooper.
Ik ben een boef van d’ echte soort, als jongen al een boefje,
Want toen heb ik de slagers al bestolen met een foefje:
„Kijk, zie je daar die zwaluw niet? ’t wordt lente, boerenkinkel!”
420Riep ik, en keken zij, dan stal ik ’t vleesch hun uit den winkel.
Tweede Slaaf.Jij bent een handig brokje vleesch, en wijs en onverschrokken,Als d’ander slâ in ’t voorjaar eet, steel jij de voorjaarsbrokken!
Tweede Slaaf.
Jij bent een handig brokje vleesch, en wijs en onverschrokken,
Als d’ander slâ in ’t voorjaar eet, steel jij de voorjaarsbrokken!
Worstverkooper.Dat deed ik meestal ongemerkt, maar snapten mij die heeren,Dan ging ik, in elkaar gehurkt, bij hoog en laag aan ’t zweeren;425Zoodat, toen eens een spreker zag, hoe ik ze had bedrogen,Hij uitriep: „Kijk, die jongen wordt nog eens bij ’t volk een hooge!”
Worstverkooper.
Dat deed ik meestal ongemerkt, maar snapten mij die heeren,
Dan ging ik, in elkaar gehurkt, bij hoog en laag aan ’t zweeren;
425Zoodat, toen eens een spreker zag, hoe ik ze had bedrogen,
Hij uitriep: „Kijk, die jongen wordt nog eens bij ’t volk een hooge!”
Tweede Slaaf.Dat heeft hij drommels goed voorspeld, en ’t was dan ook geen wonder,Je was meineedige en een dief, en ’t vleesch zat in je donder!
Tweede Slaaf.
Dat heeft hij drommels goed voorspeld, en ’t was dan ook geen wonder,
Je was meineedige en een dief, en ’t vleesch zat in je donder!
Paphlagoniër.Ik leer je d’ onbeschaamdheid af, eerst jou en dan den ander,430Ik stort te voorschijn als een groot en schitterend tegenstander,En ’k zal de aarde en de zee ondersteboven keeren!
Paphlagoniër.
Ik leer je d’ onbeschaamdheid af, eerst jou en dan den ander,
430Ik stort te voorschijn als een groot en schitterend tegenstander,
En ’k zal de aarde en de zee ondersteboven keeren!
Worstverkooper.En ik haal eerst mijn worsten in, die jij zou kuljoneeren,En daarna vaar ik tegen je uit en zal je mores leeren.
Worstverkooper.
En ik haal eerst mijn worsten in, die jij zou kuljoneeren,
En daarna vaar ik tegen je uit en zal je mores leeren.
Tweede Slaaf.Wanneer je scheepje lek mocht gaan, zal ik op ’t ruim wel passen!
Tweede Slaaf.
Wanneer je scheepje lek mocht gaan, zal ik op ’t ruim wel passen!
Paphlagoniër.435Geloof jij dat je ongestraft, bij Demeter! vijf talentenVan d’arme Atheners stelen kunt?
Paphlagoniër.
435Geloof jij dat je ongestraft, bij Demeter! vijf talenten
Van d’arme Atheners stelen kunt?
Tweede Slaaf.Pas op en vier je schoot wat!Hij blaast als de noordoostenwind! Straks regent het processen.
Tweede Slaaf.
Pas op en vier je schoot wat!
Hij blaast als de noordoostenwind! Straks regent het processen.
Worstverkooper.Jij hebt uit Potidaea tien talenten vast gestolen!
Worstverkooper.
Jij hebt uit Potidaea tien talenten vast gestolen!
Paphlagoniër.Wat zou dat? aas jij soms op één, om dan je mond te houen?
Paphlagoniër.
Wat zou dat? aas jij soms op één, om dan je mond te houen?
Tweede Slaaf(tot den Paphlagoniër).440Hij stak er graag één in zijn zak.(tot den worsthandelaar)Hij stak er graag één in zijn zak.Laat schieten maar je touwen!De eerste storm is nu bedaard!
Tweede Slaaf
(tot den Paphlagoniër).
440Hij stak er graag één in zijn zak.
(tot den worsthandelaar)
Hij stak er graag één in zijn zak.Laat schieten maar je touwen!
De eerste storm is nu bedaard!
Paphlagoniër.Jij gaat met een vierdubbel procesVan honderd talenten op de flesch.
Paphlagoniër.
Jij gaat met een vierdubbel proces
Van honderd talenten op de flesch.
Worstverkooper.Als deserteur krijg je twintig er bij,En duizend wegens oplichterij!
Worstverkooper.
Als deserteur krijg je twintig er bij,
En duizend wegens oplichterij!
Paphlagoniër.445Jij bent gesproten uit een geslacht,Dat door de goden is veracht!
Paphlagoniër.
445Jij bent gesproten uit een geslacht,
Dat door de goden is veracht!
Worstverkooper.Jouw grootvader liep hier in ’t landGewapend achter ’n dwingeland!
Worstverkooper.
Jouw grootvader liep hier in ’t land
Gewapend achter ’n dwingeland!
Paphlagoniër.Mijn grootvaâr? van wien stam ik af?
Paphlagoniër.
Mijn grootvaâr? van wien stam ik af?
Worstverkooper.Van vrouwendienaars, laag en laf!Want ik weet zeker dat hij wasIn dienst van de vrouw van Hippias,Haar naam? herinner ik mij wel,Die klonk zoo iets als „juffrouw Vel.”
Worstverkooper.
Van vrouwendienaars, laag en laf!
Want ik weet zeker dat hij was
In dienst van de vrouw van Hippias,
Haar naam? herinner ik mij wel,
Die klonk zoo iets als „juffrouw Vel.”
Paphlagoniër.450Je bent een schelm.
Paphlagoniër.
450Je bent een schelm.
Worstverkooper.Je bent een schurk.
Worstverkooper.
Je bent een schurk.
Tweede Slaaf.Sla flink er op.
Tweede Slaaf.
Sla flink er op.
Paphlagoniër(schreeuwende).Mijn arme kop,’k Val in een samenzweerdersstrop!
Paphlagoniër
Mijn arme kop,
’k Val in een samenzweerdersstrop!
Tweede Slaaf.Je ranselt hem aan allen kant,Met darmen en met ingewand,Zoodat het kraakt en knettert,455Zóó wordt het best een vent gestraft,Die altijd schreeuwt en schettert!
Tweede Slaaf.
Je ranselt hem aan allen kant,
Met darmen en met ingewand,
Zoodat het kraakt en knettert,
455Zóó wordt het best een vent gestraft,
Die altijd schreeuwt en schettert!
Aanvoerder van het koor.O allerdapperste stuk vleesch, o held der heldenscharen,Voor ons en voor geheel den staat de redder in gevaren,Wat heb je mooi, met mannentaal en flink, dien man verslagen,460Hoe kan mijn vreugd genoegzaam van uw eer en roem gewagen?
Aanvoerder van het koor.
O allerdapperste stuk vleesch, o held der heldenscharen,
Voor ons en voor geheel den staat de redder in gevaren,
Wat heb je mooi, met mannentaal en flink, dien man verslagen,
460Hoe kan mijn vreugd genoegzaam van uw eer en roem gewagen?
Tiende tooneel.Dezelfden.Paphlagoniër.Het was me niet ontgaan, dat jullie de heele zaakHeel netjes in elkaar getimmerd hadt,Maar ik wist wat te beklinken en te spijkeren was.Worstverkooper.465’t Ontgaat me óók niet, al wat jij in Argos doet,(tot het publiek:)Hij maakt ons schijnbaar het volk van Argos tot bondgenoot,Maar steunt daar op eigen houtje de Lacedæmoniërs.Tweede Slaaf(tot den worstverkooper)Kan jij ook niet tegen hem spreken als een timmerman?Worstverkooper(tot den Paphlagoniër).Ik weet wel, hoe die dingen samengeklonken zijn,Zij worden bedisseld ten bate van de gevangenen!Tweede Slaaf.470Goed zoo! spreek jij van „smeden” als hij „spijkeren” zegt!Worstverkooper.De mannen van daar, die hameren mee aan ’t zelfde slot.Al biedt je mij nóg zooveel goud of zilvergeld,Al stuur je je vrienden, toch verhinder je mij nietOm dat bekend te maken aan ’t Atheensche volk.Paphlagoniër.475En ik zal daadlijk mij begeven naar den raad,En daar vermelden hoe gij allen samenzweert,En hoe gij ’s nachts hier op den burg tezamenkomt,En hoe gij aan den koning der Persen ons verraadt,En—hoe j’ons kaas wilt geven uit Boeotië!Worstverkooper.480Hoe duur zou wel die kaas zijn uit Boeotië?Paphlagoniër.Bij Herkules! ’k zal maken dat je onderligt!(Af.)
Tiende tooneel.Dezelfden.Paphlagoniër.Het was me niet ontgaan, dat jullie de heele zaakHeel netjes in elkaar getimmerd hadt,Maar ik wist wat te beklinken en te spijkeren was.Worstverkooper.465’t Ontgaat me óók niet, al wat jij in Argos doet,(tot het publiek:)Hij maakt ons schijnbaar het volk van Argos tot bondgenoot,Maar steunt daar op eigen houtje de Lacedæmoniërs.Tweede Slaaf(tot den worstverkooper)Kan jij ook niet tegen hem spreken als een timmerman?Worstverkooper(tot den Paphlagoniër).Ik weet wel, hoe die dingen samengeklonken zijn,Zij worden bedisseld ten bate van de gevangenen!Tweede Slaaf.470Goed zoo! spreek jij van „smeden” als hij „spijkeren” zegt!Worstverkooper.De mannen van daar, die hameren mee aan ’t zelfde slot.Al biedt je mij nóg zooveel goud of zilvergeld,Al stuur je je vrienden, toch verhinder je mij nietOm dat bekend te maken aan ’t Atheensche volk.Paphlagoniër.475En ik zal daadlijk mij begeven naar den raad,En daar vermelden hoe gij allen samenzweert,En hoe gij ’s nachts hier op den burg tezamenkomt,En hoe gij aan den koning der Persen ons verraadt,En—hoe j’ons kaas wilt geven uit Boeotië!Worstverkooper.480Hoe duur zou wel die kaas zijn uit Boeotië?Paphlagoniër.Bij Herkules! ’k zal maken dat je onderligt!(Af.)
Dezelfden.
Paphlagoniër.Het was me niet ontgaan, dat jullie de heele zaakHeel netjes in elkaar getimmerd hadt,Maar ik wist wat te beklinken en te spijkeren was.
Paphlagoniër.
Het was me niet ontgaan, dat jullie de heele zaak
Heel netjes in elkaar getimmerd hadt,
Maar ik wist wat te beklinken en te spijkeren was.
Worstverkooper.465’t Ontgaat me óók niet, al wat jij in Argos doet,
Worstverkooper.
465’t Ontgaat me óók niet, al wat jij in Argos doet,
(tot het publiek:)
Hij maakt ons schijnbaar het volk van Argos tot bondgenoot,Maar steunt daar op eigen houtje de Lacedæmoniërs.
Hij maakt ons schijnbaar het volk van Argos tot bondgenoot,
Maar steunt daar op eigen houtje de Lacedæmoniërs.
Tweede Slaaf(tot den worstverkooper)Kan jij ook niet tegen hem spreken als een timmerman?
Tweede Slaaf
(tot den worstverkooper)
Kan jij ook niet tegen hem spreken als een timmerman?
Worstverkooper(tot den Paphlagoniër).Ik weet wel, hoe die dingen samengeklonken zijn,Zij worden bedisseld ten bate van de gevangenen!
Worstverkooper
(tot den Paphlagoniër).
Ik weet wel, hoe die dingen samengeklonken zijn,
Zij worden bedisseld ten bate van de gevangenen!
Tweede Slaaf.470Goed zoo! spreek jij van „smeden” als hij „spijkeren” zegt!
Tweede Slaaf.
470Goed zoo! spreek jij van „smeden” als hij „spijkeren” zegt!
Worstverkooper.De mannen van daar, die hameren mee aan ’t zelfde slot.Al biedt je mij nóg zooveel goud of zilvergeld,Al stuur je je vrienden, toch verhinder je mij nietOm dat bekend te maken aan ’t Atheensche volk.
Worstverkooper.
De mannen van daar, die hameren mee aan ’t zelfde slot.
Al biedt je mij nóg zooveel goud of zilvergeld,
Al stuur je je vrienden, toch verhinder je mij niet
Om dat bekend te maken aan ’t Atheensche volk.
Paphlagoniër.475En ik zal daadlijk mij begeven naar den raad,En daar vermelden hoe gij allen samenzweert,En hoe gij ’s nachts hier op den burg tezamenkomt,En hoe gij aan den koning der Persen ons verraadt,En—hoe j’ons kaas wilt geven uit Boeotië!
Paphlagoniër.
475En ik zal daadlijk mij begeven naar den raad,
En daar vermelden hoe gij allen samenzweert,
En hoe gij ’s nachts hier op den burg tezamenkomt,
En hoe gij aan den koning der Persen ons verraadt,
En—hoe j’ons kaas wilt geven uit Boeotië!
Worstverkooper.480Hoe duur zou wel die kaas zijn uit Boeotië?
Worstverkooper.
480Hoe duur zou wel die kaas zijn uit Boeotië?
Paphlagoniër.Bij Herkules! ’k zal maken dat je onderligt!
Paphlagoniër.
Bij Herkules! ’k zal maken dat je onderligt!
(Af.)
Elfde tooneel.Dezelfden, behalve de Paphlagoniër.Aanvoerder van het koor.Toon nu eens je beleid en je stoutmoedigheid!Als ’t waar is dat je vroeger, zooals je zelf vertelt,In elkaar gehurkt gestolen vleesch verstoppen kondt—485Dan loop je nu ook drommels gauw naar ’t raadsgebouw,Want hij ’s daar binnengevallen, en hij dient terstondAl buldrend tegen allen een valsche aanklacht in.Worstverkooper.Dan ga ik, vuil als ik ben, maar toch leg ik nog eerstM’n darmen en m’n messen hier op den grond ter neer.(Hij legt alles af)Tweede Slaaf.490Daar heb je olie, wrijf er eerst je nek mee in,Dan glijdt daartegen de heele valsche aanklacht af.Worstverkooper.Uitmuntend! jij hoort zeker thuis in ’t turnlokaal.Tweede Slaaf.Slik ook dit nog naar beneden.(Hij geeft hem knoflook)Worstverkooper.Slik ook dit nog naar beneden.Waarvoor dient me dat?Tweede Slaaf.Door knoflook te eten zal j’ een beter kemphaan zijn.495Kom, spoed je voort.Worstverkooper.Kom, spoed je voort.Dat doe ik al.Tweede Slaaf.Kom, spoed je voort. Dat doe ik al.En denk er aan:Je bijt en lastert, je eet z’n hanekam maar op,Als dàt gedaan is, kom je hier weer in galop!(De worstverkooper gaat naar de stad, de slaaf gaat het huis binnen).Koorlied.Ga henen met vreugd, en handel vrijTot blijdschap en voldoening van mij,500Zeus zelf bescherme uw paden,En als d’overwinning eens is behaald,Dan komt gij terug, en zegepraalt,Met kransen bestrooid en beladen!De aanvoerder van het koor(tot de toeschouwers)En gij! verleent ons aandachtig gehoor, als wij naderen met anapesten,505Gij, die bij de feesten verschillende zangen van velerlei Muse gehoord hebt!(Het koor wendt zich naar het publiek)Parabase.Als eertijds een van het oude geslacht, als een vroegere blijspelendichterOns verzocht om naar het publiek toegewend zijne verzen te gaan reciteeren,Niet licht verwierf hij die gunst van ons; maar thans is de dichter het waardig,510Omdat hij veracht wie bij ons is veracht, en omdat hij de waarheid durft spreken,En dapper op Typhon zelf losgaat, en het onweêr waagde te tarten.Maar dàt, waar velen verbaasd over zijn, die verwonderd mij vroegen naar d’oorzaak,Waarom hij niet vroeger een koor heeft verzocht, om zelf zijn tooneelstuk te spelen,Dàt droeg hij ons op te verklaren aan u. Ik heb—aldus sprak de dichter—515Niet uit domheid zóó met mijn verzen gedraald, maar ik huldigde altijd de meeningDat er niets op aarde zoo moeilijk was als een blijspel goed te vertoonen.Veel minnaars verdringen zich om haar gunst, maar de Muse schenkt weinigen toegang.En de dichter, publiek! heeft uw aard doorgrond, hoe gij jaarlijks verandert en wisselt,Hoe gij altijd de vroegere dichters verzaakt, zoodra hen d’ouderdom nadert:520Hij weet wat met Mágnes eens is geschied, toen leeftijd zijn lokken vergrijsde,Die zoo menigen wapentros heeft gesticht, als hij won in den edelen wedkamp,Die met wiss’lende tonen uw oor heeft gestreeld—met lierzang—met kwinkeleeren,Met Lydisch gefluit—met wespengeluid—die met kikkergekwaak u gedoopt heeft,En die tòch niet altijd u kon voldoen, en als grijsaard, niet toen hij jong was,525Door ù is versmaad, omdat hij te tam, te gematigd was in zijn spotlust!⁂Ik herinner den dichter Kratinos u ook, die van lof overstroomd en van glorieDoor uw veld als een bergstroom rolt, poëzie! en platanen en machtige eikenMet wortel en tak op den grond doet slaan—zóó velt hij zijn vijand ter neder,Dat bij ieder feestmaal zijn lied weerklonk: „Godin Geefgraag met vijgenpantoffels!”530En „Bouwmeesters van kunstrijken zang”—zóó bloeide zijn naam in Athene.Doch thans? Geen meelij vervult uwe borst, als hij treurt en zeurt in zijn verzen,Wanneer bij het tokkelen weigert zijn luit, als de klanken verdwenen van vroeger,En valsch weerklinkt de geheiligde snaar!—Thans dwaalt hij als grijsaard in ’t ronde,Aan Kónnos gelijk, en „verdord is zijn krans, en hij gaat aan zijn dorst nog te gronde!”535Hem paste de staatsdrank op het stadhuis, den zoo dikwerf schittrend bekroonde,Dan zeurde hij niet, en zat glansrijk hier bij den priester van god Dionysos.⁂Zie Krátes eens, wat moest hij van u ook al grillen en luim ondervinden!Wiens kunst leek op een eenvoudig ontbijt, dat hem luttele inspanning kostte,Die met nuchteren smaak u een maaltijd schonk van grappen en fijne gedachten,540Toch—hield hij het uit, soms daalde zijn zon, en dan rees hij weer naar de hoogte.Hij vreesde het wisselend dichterenlot. Denkt allen aan wat hij eens zeide:Dat men vóór alle dingen een roeier moet zijn, en daarna pas staan aan het stuurrad,Allereerst op de plecht van het vaartuig geplaatst, om de richting te leeren der winden,En ten slotte de stuurman van alles te zijn!—Tot dank voor al deze woorden,545Omdat hij verstandige denkbeelden had, en niet leuterend sprong in zijn scheepje,Schenkt gij hem nu donderend handengeklap, voortdurend een eeregeleide,Goedgekeurd gemompel op ’t schouwburgfeest,Dat de dichter tevreden naar huis moge gaan,In zijn arbeid geslaagd,550Met een voorhoofd, stralend van blijdschap!Koor(Ode).God Poseidon, ù roep ik aan,U is de stem van ’t snuivend ros,U zijn hoefslag geheiligd:Gij, die over de waterbaan’t Donkergekleurde schip doet gaan,555Gij, die zeevaart beveiligt!⁂God Poseidon, der rossen heer!Die u verheugt in glans en eer,Als, in schittrende rijen,Heel de bloeiende jeugd der stadLuchtig, vluchtig de teugels vatVan den brieschenden paardenschat,Voor zijn harddraverijen!⁂560Kom ten reidans van uit de zee,Breng uwen gulden drietand mee,Door dolfijnen gedragen!Gij, wien van verre de schipper smeekt,Als zijn kiel op de klippen breekt,Door den stormwind verslagen!⁂Zilten telg van den dondergod!Gij, wien Phormion heel zijn lot,’t Lot zijner schepen vertrouwde:U ter eer klink’ ’t loflied schoon,U, Poseidon, Kronos’ zoon—Gij, ons het liefst van de hemelgoôn,Toen ons de zeeslag benauwde!⁂565Ja, ik wil den roem verkonden van ons heerlijk voorgeslacht,Waardig op het kleed te stralen, dat m’ Athene jaarlijks bracht,Mannen die in voetgevechten, òf in ’t schip-omkluisterd heirOns den zege steeds bevochten, ’t vaderland tot roem en eer.Geen van al die dappre mannen heeft den vijand ooit geteld,570Doch zoodra ’t gevaar nabij was, zwol zijn moed en werd hij held.Mocht er één terzijde storten, mocht hij wanklen in den slag,Hij ontkende, stofafschuddend, dat hij ooit ten onder lag!Nimmer staakten zij de worstling, want geen vroeger generaalMaakte ooit, als Kléon’s vader, aanspraak op een staatsonthaal;575Thans verlangt men eerezitplaats, spijs en drank van ’t algemeen,Of men weigert mee te vechten. Doch wij eischen dat elkeenZich zal offren, onbaatzuchtig, voor den staat en voor zijn goôn,Méér verlangen wij van niemand, slechts dit ééne ridderloon:Dat, zoodra de vrede daar is, gij ’t ons niet misgunnen zult,580Dat ons lijf weer is geroskamd, hoofd- en baardhaar weer gekruld!Koor(Ode).En gij, Pallas, der stede heil!Gij die Atheen, in rotsen steil,Steunt in oorlog en vrede,Die reeds vaak onze stad behieldt,Die ons dichterental bezielt585Naar de aloude zede!⁂Nader, godin van kunst en vreê,Breng welwillend den Zege mee,’t Beeld dat rust op uw handen,Nike, die ons lied begeleidt,Die in oorlog, die in strijdAan Athene haar zorgen wijdt,590Schutgodes dezer landen!⁂Reik thans zegenend uwe handAan de bloem van den ridderstand,Als zij krijg wil beginnenMet den vijand, die aan ons landZijn eerzuchtige netten spant:Schenk ons zoet overwinnen!⁂595Thans wil ’k ook den lof bazuinen van den eedlen paardenstand!Zij verdienen lof en eerbied, want zij brachten veel tot stand,Hebben mèt ons veel verdragen, ingevallen en gestreên,Maar wat zij op ’t land volbrachten, kent nog lang niet iedereen!Sprongen zij niet, flink als mannen, op de schepen van het land?600Dronken zij niet flink uit bekers, aten knoflook uit de hand?Droegen zij elkaar niet riemen, als gewone menschen, na,Riepen zij niet, waterscheppend: „Wie roeit mee? hiep, hiep, hoera!”„Aarzel niet om aan te pakken, grijp de riemen, edel ros!”—Toen men aankwam in Korinthe, liep de troep er gauw op los605Om met hoeven zich een rustplaats en eendeksel op te slaanEn wat was uw voedsel, paarden? kreeften, en geen klaverblaân!Als een kreeft naar land kwam kruipen, vingt gij hem uit ’t peilloos diep,Zoodat eens ’n Korinthisch kreeftje, ’n moppentapper, luidkeels riep:„Vreeslijk toch, o god Poseidon, dat de woning van geen visch,610Noch de aarde noch het water voor de ridders veilig is!”
Elfde tooneel.Dezelfden, behalve de Paphlagoniër.Aanvoerder van het koor.Toon nu eens je beleid en je stoutmoedigheid!Als ’t waar is dat je vroeger, zooals je zelf vertelt,In elkaar gehurkt gestolen vleesch verstoppen kondt—485Dan loop je nu ook drommels gauw naar ’t raadsgebouw,Want hij ’s daar binnengevallen, en hij dient terstondAl buldrend tegen allen een valsche aanklacht in.Worstverkooper.Dan ga ik, vuil als ik ben, maar toch leg ik nog eerstM’n darmen en m’n messen hier op den grond ter neer.(Hij legt alles af)Tweede Slaaf.490Daar heb je olie, wrijf er eerst je nek mee in,Dan glijdt daartegen de heele valsche aanklacht af.Worstverkooper.Uitmuntend! jij hoort zeker thuis in ’t turnlokaal.Tweede Slaaf.Slik ook dit nog naar beneden.(Hij geeft hem knoflook)Worstverkooper.Slik ook dit nog naar beneden.Waarvoor dient me dat?Tweede Slaaf.Door knoflook te eten zal j’ een beter kemphaan zijn.495Kom, spoed je voort.Worstverkooper.Kom, spoed je voort.Dat doe ik al.Tweede Slaaf.Kom, spoed je voort. Dat doe ik al.En denk er aan:Je bijt en lastert, je eet z’n hanekam maar op,Als dàt gedaan is, kom je hier weer in galop!(De worstverkooper gaat naar de stad, de slaaf gaat het huis binnen).Koorlied.Ga henen met vreugd, en handel vrijTot blijdschap en voldoening van mij,500Zeus zelf bescherme uw paden,En als d’overwinning eens is behaald,Dan komt gij terug, en zegepraalt,Met kransen bestrooid en beladen!De aanvoerder van het koor(tot de toeschouwers)En gij! verleent ons aandachtig gehoor, als wij naderen met anapesten,505Gij, die bij de feesten verschillende zangen van velerlei Muse gehoord hebt!(Het koor wendt zich naar het publiek)Parabase.Als eertijds een van het oude geslacht, als een vroegere blijspelendichterOns verzocht om naar het publiek toegewend zijne verzen te gaan reciteeren,Niet licht verwierf hij die gunst van ons; maar thans is de dichter het waardig,510Omdat hij veracht wie bij ons is veracht, en omdat hij de waarheid durft spreken,En dapper op Typhon zelf losgaat, en het onweêr waagde te tarten.Maar dàt, waar velen verbaasd over zijn, die verwonderd mij vroegen naar d’oorzaak,Waarom hij niet vroeger een koor heeft verzocht, om zelf zijn tooneelstuk te spelen,Dàt droeg hij ons op te verklaren aan u. Ik heb—aldus sprak de dichter—515Niet uit domheid zóó met mijn verzen gedraald, maar ik huldigde altijd de meeningDat er niets op aarde zoo moeilijk was als een blijspel goed te vertoonen.Veel minnaars verdringen zich om haar gunst, maar de Muse schenkt weinigen toegang.En de dichter, publiek! heeft uw aard doorgrond, hoe gij jaarlijks verandert en wisselt,Hoe gij altijd de vroegere dichters verzaakt, zoodra hen d’ouderdom nadert:520Hij weet wat met Mágnes eens is geschied, toen leeftijd zijn lokken vergrijsde,Die zoo menigen wapentros heeft gesticht, als hij won in den edelen wedkamp,Die met wiss’lende tonen uw oor heeft gestreeld—met lierzang—met kwinkeleeren,Met Lydisch gefluit—met wespengeluid—die met kikkergekwaak u gedoopt heeft,En die tòch niet altijd u kon voldoen, en als grijsaard, niet toen hij jong was,525Door ù is versmaad, omdat hij te tam, te gematigd was in zijn spotlust!⁂Ik herinner den dichter Kratinos u ook, die van lof overstroomd en van glorieDoor uw veld als een bergstroom rolt, poëzie! en platanen en machtige eikenMet wortel en tak op den grond doet slaan—zóó velt hij zijn vijand ter neder,Dat bij ieder feestmaal zijn lied weerklonk: „Godin Geefgraag met vijgenpantoffels!”530En „Bouwmeesters van kunstrijken zang”—zóó bloeide zijn naam in Athene.Doch thans? Geen meelij vervult uwe borst, als hij treurt en zeurt in zijn verzen,Wanneer bij het tokkelen weigert zijn luit, als de klanken verdwenen van vroeger,En valsch weerklinkt de geheiligde snaar!—Thans dwaalt hij als grijsaard in ’t ronde,Aan Kónnos gelijk, en „verdord is zijn krans, en hij gaat aan zijn dorst nog te gronde!”535Hem paste de staatsdrank op het stadhuis, den zoo dikwerf schittrend bekroonde,Dan zeurde hij niet, en zat glansrijk hier bij den priester van god Dionysos.⁂Zie Krátes eens, wat moest hij van u ook al grillen en luim ondervinden!Wiens kunst leek op een eenvoudig ontbijt, dat hem luttele inspanning kostte,Die met nuchteren smaak u een maaltijd schonk van grappen en fijne gedachten,540Toch—hield hij het uit, soms daalde zijn zon, en dan rees hij weer naar de hoogte.Hij vreesde het wisselend dichterenlot. Denkt allen aan wat hij eens zeide:Dat men vóór alle dingen een roeier moet zijn, en daarna pas staan aan het stuurrad,Allereerst op de plecht van het vaartuig geplaatst, om de richting te leeren der winden,En ten slotte de stuurman van alles te zijn!—Tot dank voor al deze woorden,545Omdat hij verstandige denkbeelden had, en niet leuterend sprong in zijn scheepje,Schenkt gij hem nu donderend handengeklap, voortdurend een eeregeleide,Goedgekeurd gemompel op ’t schouwburgfeest,Dat de dichter tevreden naar huis moge gaan,In zijn arbeid geslaagd,550Met een voorhoofd, stralend van blijdschap!Koor(Ode).God Poseidon, ù roep ik aan,U is de stem van ’t snuivend ros,U zijn hoefslag geheiligd:Gij, die over de waterbaan’t Donkergekleurde schip doet gaan,555Gij, die zeevaart beveiligt!⁂God Poseidon, der rossen heer!Die u verheugt in glans en eer,Als, in schittrende rijen,Heel de bloeiende jeugd der stadLuchtig, vluchtig de teugels vatVan den brieschenden paardenschat,Voor zijn harddraverijen!⁂560Kom ten reidans van uit de zee,Breng uwen gulden drietand mee,Door dolfijnen gedragen!Gij, wien van verre de schipper smeekt,Als zijn kiel op de klippen breekt,Door den stormwind verslagen!⁂Zilten telg van den dondergod!Gij, wien Phormion heel zijn lot,’t Lot zijner schepen vertrouwde:U ter eer klink’ ’t loflied schoon,U, Poseidon, Kronos’ zoon—Gij, ons het liefst van de hemelgoôn,Toen ons de zeeslag benauwde!⁂565Ja, ik wil den roem verkonden van ons heerlijk voorgeslacht,Waardig op het kleed te stralen, dat m’ Athene jaarlijks bracht,Mannen die in voetgevechten, òf in ’t schip-omkluisterd heirOns den zege steeds bevochten, ’t vaderland tot roem en eer.Geen van al die dappre mannen heeft den vijand ooit geteld,570Doch zoodra ’t gevaar nabij was, zwol zijn moed en werd hij held.Mocht er één terzijde storten, mocht hij wanklen in den slag,Hij ontkende, stofafschuddend, dat hij ooit ten onder lag!Nimmer staakten zij de worstling, want geen vroeger generaalMaakte ooit, als Kléon’s vader, aanspraak op een staatsonthaal;575Thans verlangt men eerezitplaats, spijs en drank van ’t algemeen,Of men weigert mee te vechten. Doch wij eischen dat elkeenZich zal offren, onbaatzuchtig, voor den staat en voor zijn goôn,Méér verlangen wij van niemand, slechts dit ééne ridderloon:Dat, zoodra de vrede daar is, gij ’t ons niet misgunnen zult,580Dat ons lijf weer is geroskamd, hoofd- en baardhaar weer gekruld!Koor(Ode).En gij, Pallas, der stede heil!Gij die Atheen, in rotsen steil,Steunt in oorlog en vrede,Die reeds vaak onze stad behieldt,Die ons dichterental bezielt585Naar de aloude zede!⁂Nader, godin van kunst en vreê,Breng welwillend den Zege mee,’t Beeld dat rust op uw handen,Nike, die ons lied begeleidt,Die in oorlog, die in strijdAan Athene haar zorgen wijdt,590Schutgodes dezer landen!⁂Reik thans zegenend uwe handAan de bloem van den ridderstand,Als zij krijg wil beginnenMet den vijand, die aan ons landZijn eerzuchtige netten spant:Schenk ons zoet overwinnen!⁂595Thans wil ’k ook den lof bazuinen van den eedlen paardenstand!Zij verdienen lof en eerbied, want zij brachten veel tot stand,Hebben mèt ons veel verdragen, ingevallen en gestreên,Maar wat zij op ’t land volbrachten, kent nog lang niet iedereen!Sprongen zij niet, flink als mannen, op de schepen van het land?600Dronken zij niet flink uit bekers, aten knoflook uit de hand?Droegen zij elkaar niet riemen, als gewone menschen, na,Riepen zij niet, waterscheppend: „Wie roeit mee? hiep, hiep, hoera!”„Aarzel niet om aan te pakken, grijp de riemen, edel ros!”—Toen men aankwam in Korinthe, liep de troep er gauw op los605Om met hoeven zich een rustplaats en eendeksel op te slaanEn wat was uw voedsel, paarden? kreeften, en geen klaverblaân!Als een kreeft naar land kwam kruipen, vingt gij hem uit ’t peilloos diep,Zoodat eens ’n Korinthisch kreeftje, ’n moppentapper, luidkeels riep:„Vreeslijk toch, o god Poseidon, dat de woning van geen visch,610Noch de aarde noch het water voor de ridders veilig is!”
Dezelfden, behalve de Paphlagoniër.
Aanvoerder van het koor.Toon nu eens je beleid en je stoutmoedigheid!Als ’t waar is dat je vroeger, zooals je zelf vertelt,In elkaar gehurkt gestolen vleesch verstoppen kondt—485Dan loop je nu ook drommels gauw naar ’t raadsgebouw,Want hij ’s daar binnengevallen, en hij dient terstondAl buldrend tegen allen een valsche aanklacht in.
Aanvoerder van het koor.
Toon nu eens je beleid en je stoutmoedigheid!
Als ’t waar is dat je vroeger, zooals je zelf vertelt,
In elkaar gehurkt gestolen vleesch verstoppen kondt—
485Dan loop je nu ook drommels gauw naar ’t raadsgebouw,
Want hij ’s daar binnengevallen, en hij dient terstond
Al buldrend tegen allen een valsche aanklacht in.
Worstverkooper.Dan ga ik, vuil als ik ben, maar toch leg ik nog eerstM’n darmen en m’n messen hier op den grond ter neer.
Worstverkooper.
Dan ga ik, vuil als ik ben, maar toch leg ik nog eerst
M’n darmen en m’n messen hier op den grond ter neer.
(Hij legt alles af)
Tweede Slaaf.490Daar heb je olie, wrijf er eerst je nek mee in,Dan glijdt daartegen de heele valsche aanklacht af.
Tweede Slaaf.
490Daar heb je olie, wrijf er eerst je nek mee in,
Dan glijdt daartegen de heele valsche aanklacht af.
Worstverkooper.Uitmuntend! jij hoort zeker thuis in ’t turnlokaal.
Worstverkooper.
Uitmuntend! jij hoort zeker thuis in ’t turnlokaal.
Tweede Slaaf.Slik ook dit nog naar beneden.
Tweede Slaaf.
Slik ook dit nog naar beneden.
(Hij geeft hem knoflook)
Worstverkooper.Slik ook dit nog naar beneden.Waarvoor dient me dat?
Worstverkooper.
Slik ook dit nog naar beneden.Waarvoor dient me dat?
Tweede Slaaf.Door knoflook te eten zal j’ een beter kemphaan zijn.495Kom, spoed je voort.
Tweede Slaaf.
Door knoflook te eten zal j’ een beter kemphaan zijn.
495Kom, spoed je voort.
Worstverkooper.Kom, spoed je voort.Dat doe ik al.
Worstverkooper.
Kom, spoed je voort.Dat doe ik al.
Tweede Slaaf.Kom, spoed je voort. Dat doe ik al.En denk er aan:Je bijt en lastert, je eet z’n hanekam maar op,Als dàt gedaan is, kom je hier weer in galop!
Tweede Slaaf.
Kom, spoed je voort. Dat doe ik al.En denk er aan:
Je bijt en lastert, je eet z’n hanekam maar op,
Als dàt gedaan is, kom je hier weer in galop!
(De worstverkooper gaat naar de stad, de slaaf gaat het huis binnen).
Koorlied.Ga henen met vreugd, en handel vrijTot blijdschap en voldoening van mij,500Zeus zelf bescherme uw paden,En als d’overwinning eens is behaald,Dan komt gij terug, en zegepraalt,Met kransen bestrooid en beladen!
Koorlied.
Ga henen met vreugd, en handel vrij
Tot blijdschap en voldoening van mij,
500Zeus zelf bescherme uw paden,
En als d’overwinning eens is behaald,
Dan komt gij terug, en zegepraalt,
Met kransen bestrooid en beladen!
De aanvoerder van het koor(tot de toeschouwers)En gij! verleent ons aandachtig gehoor, als wij naderen met anapesten,505Gij, die bij de feesten verschillende zangen van velerlei Muse gehoord hebt!
De aanvoerder van het koor
(tot de toeschouwers)
En gij! verleent ons aandachtig gehoor, als wij naderen met anapesten,
505Gij, die bij de feesten verschillende zangen van velerlei Muse gehoord hebt!
(Het koor wendt zich naar het publiek)
Parabase.Als eertijds een van het oude geslacht, als een vroegere blijspelendichterOns verzocht om naar het publiek toegewend zijne verzen te gaan reciteeren,Niet licht verwierf hij die gunst van ons; maar thans is de dichter het waardig,510Omdat hij veracht wie bij ons is veracht, en omdat hij de waarheid durft spreken,En dapper op Typhon zelf losgaat, en het onweêr waagde te tarten.Maar dàt, waar velen verbaasd over zijn, die verwonderd mij vroegen naar d’oorzaak,Waarom hij niet vroeger een koor heeft verzocht, om zelf zijn tooneelstuk te spelen,Dàt droeg hij ons op te verklaren aan u. Ik heb—aldus sprak de dichter—515Niet uit domheid zóó met mijn verzen gedraald, maar ik huldigde altijd de meeningDat er niets op aarde zoo moeilijk was als een blijspel goed te vertoonen.Veel minnaars verdringen zich om haar gunst, maar de Muse schenkt weinigen toegang.En de dichter, publiek! heeft uw aard doorgrond, hoe gij jaarlijks verandert en wisselt,Hoe gij altijd de vroegere dichters verzaakt, zoodra hen d’ouderdom nadert:520Hij weet wat met Mágnes eens is geschied, toen leeftijd zijn lokken vergrijsde,Die zoo menigen wapentros heeft gesticht, als hij won in den edelen wedkamp,Die met wiss’lende tonen uw oor heeft gestreeld—met lierzang—met kwinkeleeren,Met Lydisch gefluit—met wespengeluid—die met kikkergekwaak u gedoopt heeft,En die tòch niet altijd u kon voldoen, en als grijsaard, niet toen hij jong was,525Door ù is versmaad, omdat hij te tam, te gematigd was in zijn spotlust!
Parabase.
Als eertijds een van het oude geslacht, als een vroegere blijspelendichter
Ons verzocht om naar het publiek toegewend zijne verzen te gaan reciteeren,
Niet licht verwierf hij die gunst van ons; maar thans is de dichter het waardig,
510Omdat hij veracht wie bij ons is veracht, en omdat hij de waarheid durft spreken,
En dapper op Typhon zelf losgaat, en het onweêr waagde te tarten.
Maar dàt, waar velen verbaasd over zijn, die verwonderd mij vroegen naar d’oorzaak,
Waarom hij niet vroeger een koor heeft verzocht, om zelf zijn tooneelstuk te spelen,
Dàt droeg hij ons op te verklaren aan u. Ik heb—aldus sprak de dichter—
515Niet uit domheid zóó met mijn verzen gedraald, maar ik huldigde altijd de meening
Dat er niets op aarde zoo moeilijk was als een blijspel goed te vertoonen.
Veel minnaars verdringen zich om haar gunst, maar de Muse schenkt weinigen toegang.
En de dichter, publiek! heeft uw aard doorgrond, hoe gij jaarlijks verandert en wisselt,
Hoe gij altijd de vroegere dichters verzaakt, zoodra hen d’ouderdom nadert:
520Hij weet wat met Mágnes eens is geschied, toen leeftijd zijn lokken vergrijsde,
Die zoo menigen wapentros heeft gesticht, als hij won in den edelen wedkamp,
Die met wiss’lende tonen uw oor heeft gestreeld—met lierzang—met kwinkeleeren,
Met Lydisch gefluit—met wespengeluid—die met kikkergekwaak u gedoopt heeft,
En die tòch niet altijd u kon voldoen, en als grijsaard, niet toen hij jong was,
525Door ù is versmaad, omdat hij te tam, te gematigd was in zijn spotlust!
⁂
Ik herinner den dichter Kratinos u ook, die van lof overstroomd en van glorieDoor uw veld als een bergstroom rolt, poëzie! en platanen en machtige eikenMet wortel en tak op den grond doet slaan—zóó velt hij zijn vijand ter neder,Dat bij ieder feestmaal zijn lied weerklonk: „Godin Geefgraag met vijgenpantoffels!”530En „Bouwmeesters van kunstrijken zang”—zóó bloeide zijn naam in Athene.Doch thans? Geen meelij vervult uwe borst, als hij treurt en zeurt in zijn verzen,Wanneer bij het tokkelen weigert zijn luit, als de klanken verdwenen van vroeger,En valsch weerklinkt de geheiligde snaar!—Thans dwaalt hij als grijsaard in ’t ronde,Aan Kónnos gelijk, en „verdord is zijn krans, en hij gaat aan zijn dorst nog te gronde!”535Hem paste de staatsdrank op het stadhuis, den zoo dikwerf schittrend bekroonde,Dan zeurde hij niet, en zat glansrijk hier bij den priester van god Dionysos.
Ik herinner den dichter Kratinos u ook, die van lof overstroomd en van glorie
Door uw veld als een bergstroom rolt, poëzie! en platanen en machtige eiken
Met wortel en tak op den grond doet slaan—zóó velt hij zijn vijand ter neder,
Dat bij ieder feestmaal zijn lied weerklonk: „Godin Geefgraag met vijgenpantoffels!”
530En „Bouwmeesters van kunstrijken zang”—zóó bloeide zijn naam in Athene.
Doch thans? Geen meelij vervult uwe borst, als hij treurt en zeurt in zijn verzen,
Wanneer bij het tokkelen weigert zijn luit, als de klanken verdwenen van vroeger,
En valsch weerklinkt de geheiligde snaar!—Thans dwaalt hij als grijsaard in ’t ronde,
Aan Kónnos gelijk, en „verdord is zijn krans, en hij gaat aan zijn dorst nog te gronde!”
535Hem paste de staatsdrank op het stadhuis, den zoo dikwerf schittrend bekroonde,
Dan zeurde hij niet, en zat glansrijk hier bij den priester van god Dionysos.
⁂
Zie Krátes eens, wat moest hij van u ook al grillen en luim ondervinden!Wiens kunst leek op een eenvoudig ontbijt, dat hem luttele inspanning kostte,Die met nuchteren smaak u een maaltijd schonk van grappen en fijne gedachten,540Toch—hield hij het uit, soms daalde zijn zon, en dan rees hij weer naar de hoogte.Hij vreesde het wisselend dichterenlot. Denkt allen aan wat hij eens zeide:Dat men vóór alle dingen een roeier moet zijn, en daarna pas staan aan het stuurrad,Allereerst op de plecht van het vaartuig geplaatst, om de richting te leeren der winden,En ten slotte de stuurman van alles te zijn!—Tot dank voor al deze woorden,545Omdat hij verstandige denkbeelden had, en niet leuterend sprong in zijn scheepje,Schenkt gij hem nu donderend handengeklap, voortdurend een eeregeleide,Goedgekeurd gemompel op ’t schouwburgfeest,Dat de dichter tevreden naar huis moge gaan,In zijn arbeid geslaagd,550Met een voorhoofd, stralend van blijdschap!
Zie Krátes eens, wat moest hij van u ook al grillen en luim ondervinden!
Wiens kunst leek op een eenvoudig ontbijt, dat hem luttele inspanning kostte,
Die met nuchteren smaak u een maaltijd schonk van grappen en fijne gedachten,
540Toch—hield hij het uit, soms daalde zijn zon, en dan rees hij weer naar de hoogte.
Hij vreesde het wisselend dichterenlot. Denkt allen aan wat hij eens zeide:
Dat men vóór alle dingen een roeier moet zijn, en daarna pas staan aan het stuurrad,
Allereerst op de plecht van het vaartuig geplaatst, om de richting te leeren der winden,
En ten slotte de stuurman van alles te zijn!—Tot dank voor al deze woorden,
545Omdat hij verstandige denkbeelden had, en niet leuterend sprong in zijn scheepje,
Schenkt gij hem nu donderend handengeklap, voortdurend een eeregeleide,
Goedgekeurd gemompel op ’t schouwburgfeest,
Dat de dichter tevreden naar huis moge gaan,
In zijn arbeid geslaagd,
550Met een voorhoofd, stralend van blijdschap!
Koor(Ode).God Poseidon, ù roep ik aan,U is de stem van ’t snuivend ros,U zijn hoefslag geheiligd:Gij, die over de waterbaan’t Donkergekleurde schip doet gaan,555Gij, die zeevaart beveiligt!
Koor
God Poseidon, ù roep ik aan,
U is de stem van ’t snuivend ros,
U zijn hoefslag geheiligd:
Gij, die over de waterbaan
’t Donkergekleurde schip doet gaan,
555Gij, die zeevaart beveiligt!
⁂
God Poseidon, der rossen heer!Die u verheugt in glans en eer,Als, in schittrende rijen,Heel de bloeiende jeugd der stadLuchtig, vluchtig de teugels vatVan den brieschenden paardenschat,Voor zijn harddraverijen!
God Poseidon, der rossen heer!
Die u verheugt in glans en eer,
Als, in schittrende rijen,
Heel de bloeiende jeugd der stad
Luchtig, vluchtig de teugels vat
Van den brieschenden paardenschat,
Voor zijn harddraverijen!
⁂
560Kom ten reidans van uit de zee,Breng uwen gulden drietand mee,Door dolfijnen gedragen!Gij, wien van verre de schipper smeekt,Als zijn kiel op de klippen breekt,Door den stormwind verslagen!
560Kom ten reidans van uit de zee,
Breng uwen gulden drietand mee,
Door dolfijnen gedragen!
Gij, wien van verre de schipper smeekt,
Als zijn kiel op de klippen breekt,
Door den stormwind verslagen!
⁂
Zilten telg van den dondergod!Gij, wien Phormion heel zijn lot,’t Lot zijner schepen vertrouwde:U ter eer klink’ ’t loflied schoon,U, Poseidon, Kronos’ zoon—Gij, ons het liefst van de hemelgoôn,Toen ons de zeeslag benauwde!
Zilten telg van den dondergod!
Gij, wien Phormion heel zijn lot,
’t Lot zijner schepen vertrouwde:
U ter eer klink’ ’t loflied schoon,
U, Poseidon, Kronos’ zoon—
Gij, ons het liefst van de hemelgoôn,
Toen ons de zeeslag benauwde!
⁂
565Ja, ik wil den roem verkonden van ons heerlijk voorgeslacht,Waardig op het kleed te stralen, dat m’ Athene jaarlijks bracht,Mannen die in voetgevechten, òf in ’t schip-omkluisterd heirOns den zege steeds bevochten, ’t vaderland tot roem en eer.Geen van al die dappre mannen heeft den vijand ooit geteld,570Doch zoodra ’t gevaar nabij was, zwol zijn moed en werd hij held.Mocht er één terzijde storten, mocht hij wanklen in den slag,Hij ontkende, stofafschuddend, dat hij ooit ten onder lag!Nimmer staakten zij de worstling, want geen vroeger generaalMaakte ooit, als Kléon’s vader, aanspraak op een staatsonthaal;575Thans verlangt men eerezitplaats, spijs en drank van ’t algemeen,Of men weigert mee te vechten. Doch wij eischen dat elkeenZich zal offren, onbaatzuchtig, voor den staat en voor zijn goôn,Méér verlangen wij van niemand, slechts dit ééne ridderloon:Dat, zoodra de vrede daar is, gij ’t ons niet misgunnen zult,580Dat ons lijf weer is geroskamd, hoofd- en baardhaar weer gekruld!
565Ja, ik wil den roem verkonden van ons heerlijk voorgeslacht,
Waardig op het kleed te stralen, dat m’ Athene jaarlijks bracht,
Mannen die in voetgevechten, òf in ’t schip-omkluisterd heir
Ons den zege steeds bevochten, ’t vaderland tot roem en eer.
Geen van al die dappre mannen heeft den vijand ooit geteld,
570Doch zoodra ’t gevaar nabij was, zwol zijn moed en werd hij held.
Mocht er één terzijde storten, mocht hij wanklen in den slag,
Hij ontkende, stofafschuddend, dat hij ooit ten onder lag!
Nimmer staakten zij de worstling, want geen vroeger generaal
Maakte ooit, als Kléon’s vader, aanspraak op een staatsonthaal;
575Thans verlangt men eerezitplaats, spijs en drank van ’t algemeen,
Of men weigert mee te vechten. Doch wij eischen dat elkeen
Zich zal offren, onbaatzuchtig, voor den staat en voor zijn goôn,
Méér verlangen wij van niemand, slechts dit ééne ridderloon:
Dat, zoodra de vrede daar is, gij ’t ons niet misgunnen zult,
580Dat ons lijf weer is geroskamd, hoofd- en baardhaar weer gekruld!
Koor(Ode).En gij, Pallas, der stede heil!Gij die Atheen, in rotsen steil,Steunt in oorlog en vrede,Die reeds vaak onze stad behieldt,Die ons dichterental bezielt585Naar de aloude zede!
Koor
En gij, Pallas, der stede heil!
Gij die Atheen, in rotsen steil,
Steunt in oorlog en vrede,
Die reeds vaak onze stad behieldt,
Die ons dichterental bezielt
585Naar de aloude zede!
⁂
Nader, godin van kunst en vreê,Breng welwillend den Zege mee,’t Beeld dat rust op uw handen,Nike, die ons lied begeleidt,Die in oorlog, die in strijdAan Athene haar zorgen wijdt,590Schutgodes dezer landen!
Nader, godin van kunst en vreê,
Breng welwillend den Zege mee,
’t Beeld dat rust op uw handen,
Nike, die ons lied begeleidt,
Die in oorlog, die in strijd
Aan Athene haar zorgen wijdt,
590Schutgodes dezer landen!
⁂
Reik thans zegenend uwe handAan de bloem van den ridderstand,Als zij krijg wil beginnenMet den vijand, die aan ons landZijn eerzuchtige netten spant:Schenk ons zoet overwinnen!
Reik thans zegenend uwe hand
Aan de bloem van den ridderstand,
Als zij krijg wil beginnen
Met den vijand, die aan ons land
Zijn eerzuchtige netten spant:
Schenk ons zoet overwinnen!
⁂
595Thans wil ’k ook den lof bazuinen van den eedlen paardenstand!Zij verdienen lof en eerbied, want zij brachten veel tot stand,Hebben mèt ons veel verdragen, ingevallen en gestreên,Maar wat zij op ’t land volbrachten, kent nog lang niet iedereen!Sprongen zij niet, flink als mannen, op de schepen van het land?600Dronken zij niet flink uit bekers, aten knoflook uit de hand?Droegen zij elkaar niet riemen, als gewone menschen, na,Riepen zij niet, waterscheppend: „Wie roeit mee? hiep, hiep, hoera!”„Aarzel niet om aan te pakken, grijp de riemen, edel ros!”—Toen men aankwam in Korinthe, liep de troep er gauw op los605Om met hoeven zich een rustplaats en eendeksel op te slaanEn wat was uw voedsel, paarden? kreeften, en geen klaverblaân!Als een kreeft naar land kwam kruipen, vingt gij hem uit ’t peilloos diep,Zoodat eens ’n Korinthisch kreeftje, ’n moppentapper, luidkeels riep:„Vreeslijk toch, o god Poseidon, dat de woning van geen visch,610Noch de aarde noch het water voor de ridders veilig is!”
595Thans wil ’k ook den lof bazuinen van den eedlen paardenstand!
Zij verdienen lof en eerbied, want zij brachten veel tot stand,
Hebben mèt ons veel verdragen, ingevallen en gestreên,
Maar wat zij op ’t land volbrachten, kent nog lang niet iedereen!
Sprongen zij niet, flink als mannen, op de schepen van het land?
600Dronken zij niet flink uit bekers, aten knoflook uit de hand?
Droegen zij elkaar niet riemen, als gewone menschen, na,
Riepen zij niet, waterscheppend: „Wie roeit mee? hiep, hiep, hoera!”
„Aarzel niet om aan te pakken, grijp de riemen, edel ros!”—
Toen men aankwam in Korinthe, liep de troep er gauw op los
605Om met hoeven zich een rustplaats en eendeksel op te slaan
En wat was uw voedsel, paarden? kreeften, en geen klaverblaân!
Als een kreeft naar land kwam kruipen, vingt gij hem uit ’t peilloos diep,
Zoodat eens ’n Korinthisch kreeftje, ’n moppentapper, luidkeels riep:
„Vreeslijk toch, o god Poseidon, dat de woning van geen visch,
610Noch de aarde noch het water voor de ridders veilig is!”
Twaalfde tooneel.(De worstverkooper komt terug)Het koor. De worstverkooper.Aanvoerder van het koor.Dierbaarste man, bezield van jeugdig’ overmoed,Met hoeveel zorg betreurde ik uw afwezigheid!En daar gij nu behouden zijt teruggekeerd,Vertel ons, wàt is ’t einde van den strijd geweest?Worstverkooper.615Nu heet ik „Winraad,” want ik overwon den raad!Koor.(Strophe of Keer).Juicht nu allen! de worstemanZal zijn rede beginnen.Hij, die spreekt zoo heet van de pan,En die nog beter vechten kan,Glorierijk overwinnen!Vang thans aan met uw verhaal,Niets ga voor ons verloren,Stel uw rede noch perk noch paal,Want ik reis één en andermaalOm uw woorden te hooren.Spreek dus rustig en welgemoed,Wie aan u twijfelen dorstenVallen u thans eerbiedig te voet,Zijn verrukt door uw heldenmoed,Edel koopman in worsten!Worstverkooper.Het loont de moeite om te hooren wat ik deed.625Ik rende terstond en achter hem de raadzaal in.Hij brak reeds binnen menig donderwoord den nek,En braakte zijn verwensching tegen de ridders uit,En schold hen samenzweerders, zoodat iedereenHem ging gelooven. Al de mannen van den raad630Wist hij te boeien door zijn grove leugenkool.Men keek zuur als mosterd, dreigend fronste men het hoofd.Toen ik nu zag hoe men gesteld was op zijn woord,En hoe men door zijn sluwe taal bedrogen werd,Toen bad ik tot de goden die ik ’t beste ken,„O Onbeschaamden en Bedriegers (dus bad ik),635„O Stommelingen en Kabouters, o Slavenras,„O Markt waarin ik reeds als knaap ben opgevoed!„Schenkt mij nu durf, behalve een gelikte tong,„Een stem vol onbeschaamdheid!” Wijl ik dit bedacht,Liet een verkeerde liefhebber aan mijn rechterkant640Er eentje vliegen, zoodat ik van eerbied boog.Toen heb ik met mijn achterste het traliewerkGeopend, en ik schreeuwde ’t uit met wijden mond:„Ik breng u, heeren van den raad, een goed bericht,„Hoort dus de blijde boodschap, waar ik hier meê kom,„Nog nimmer, sinds de oorlog uitgebroken is,645„Is hier de ansjovis voor een lager prijs verkocht!”—Op deze tijding trok elkeen een zoet gezicht,Men wijdde mij voor ’t goed bericht een eerekrans,En ik gaf aan den raad toen het geheim advies„Om alle ansjovis op te koopen voor een cent per stuk,650„En de schotels t’ arresteeren, die voorhanden zijn.”Men klapte en men gaapte mij verwonderd aan.De Paphlagoniër, die dit alles had bemerkt,En de woorden wist die indruk maken op den raad,Nam toen het woord, en zeide: „Mannen, ik stel voor655„De goede tijding te herdenken, ons gebracht,„Met een honderdkoeienoffer aan godin Atheen.”Hem knikte toen de heele raad welwillend toe,Doch ik, die nimmer wijken wil voor koeiemest,Bood tweehonderd koeien, en versloeg hem door dat bod.660Ook stelde ik voor, aan Artemis de jachtgodinEen duizendbokjesoffer te beloven, alsD’ansjovis honderd voor een cent geprijsd zou zijn.En op dat voorstel knikte weer de heele raad.Toen hij dat hoorde, schrikte hij, sprak leutertaal,665En de bedienden sleurden hem van ’t spreekgestoelt’.Nu stond elk op, en er ontstond een vischdebat,Maar Kléon smeekte, of men nog wat blijven wou,„Verneemt nog wat u de heraut uit Sparta zegt,„Een wapenstilstand biedt hij u ten tweeden keer!”670Doch ieder schreeuwde tegen hem, als uit één mond:„Een wapenstilstand? nu op eens? terwijl zoo juist„Bericht werd dat d’ansjovis is in prijs verlaagd?„Dat is niet noodig, d’oorlog kan zijn gang gaan, hoor.”En tevens riep men: „Hef maar gauw de zitting op.”675Van alle kanten sprong men over de balie heen,En ik kneep uit, en kocht alle koriander opEn alle uien, die op de markt te vinden zijn,En maakte daar toen de ansjovis lekker mee,Zoodat de raadslui smulden voor geen halve cent.680Ik, die alom bewonderd ben en opgekamd,Heb met mijn korianders en mijn uien dusVoor weinig centen al de raadslui—opgeknapt!Koor.(antistrophe of tegen-keer)Heil u, dierbare beulingvrind,Heil zij u allerwege,Alles gaat u thans voor den wind,Wie zoo dapper den strijd begint,685Dien wacht weldra de zege!Want die schurk vond een schurk in u.Grooter in list en in lagen,Met uwen mond, zoo groot en ruw,Met uwe listen, fijn en sluw,Hebt gij hèm nog verslagen.Vecht nu maar tot het einde door,Toon u listig en machtig,Want wij allen, het ridderkoor,Helpen u en volgen uw spoor,690Ondersteunen u krachtig!Worstverkooper.Daar komt hij, onze vriend de Paphlagoniër,Hij bruist als een bergstroom, en hij snuift en raast maar door,Alsof hij m’ op wil eten, hij lijkt Blauwbaard wel.
Twaalfde tooneel.(De worstverkooper komt terug)Het koor. De worstverkooper.Aanvoerder van het koor.Dierbaarste man, bezield van jeugdig’ overmoed,Met hoeveel zorg betreurde ik uw afwezigheid!En daar gij nu behouden zijt teruggekeerd,Vertel ons, wàt is ’t einde van den strijd geweest?Worstverkooper.615Nu heet ik „Winraad,” want ik overwon den raad!Koor.(Strophe of Keer).Juicht nu allen! de worstemanZal zijn rede beginnen.Hij, die spreekt zoo heet van de pan,En die nog beter vechten kan,Glorierijk overwinnen!Vang thans aan met uw verhaal,Niets ga voor ons verloren,Stel uw rede noch perk noch paal,Want ik reis één en andermaalOm uw woorden te hooren.Spreek dus rustig en welgemoed,Wie aan u twijfelen dorstenVallen u thans eerbiedig te voet,Zijn verrukt door uw heldenmoed,Edel koopman in worsten!Worstverkooper.Het loont de moeite om te hooren wat ik deed.625Ik rende terstond en achter hem de raadzaal in.Hij brak reeds binnen menig donderwoord den nek,En braakte zijn verwensching tegen de ridders uit,En schold hen samenzweerders, zoodat iedereenHem ging gelooven. Al de mannen van den raad630Wist hij te boeien door zijn grove leugenkool.Men keek zuur als mosterd, dreigend fronste men het hoofd.Toen ik nu zag hoe men gesteld was op zijn woord,En hoe men door zijn sluwe taal bedrogen werd,Toen bad ik tot de goden die ik ’t beste ken,„O Onbeschaamden en Bedriegers (dus bad ik),635„O Stommelingen en Kabouters, o Slavenras,„O Markt waarin ik reeds als knaap ben opgevoed!„Schenkt mij nu durf, behalve een gelikte tong,„Een stem vol onbeschaamdheid!” Wijl ik dit bedacht,Liet een verkeerde liefhebber aan mijn rechterkant640Er eentje vliegen, zoodat ik van eerbied boog.Toen heb ik met mijn achterste het traliewerkGeopend, en ik schreeuwde ’t uit met wijden mond:„Ik breng u, heeren van den raad, een goed bericht,„Hoort dus de blijde boodschap, waar ik hier meê kom,„Nog nimmer, sinds de oorlog uitgebroken is,645„Is hier de ansjovis voor een lager prijs verkocht!”—Op deze tijding trok elkeen een zoet gezicht,Men wijdde mij voor ’t goed bericht een eerekrans,En ik gaf aan den raad toen het geheim advies„Om alle ansjovis op te koopen voor een cent per stuk,650„En de schotels t’ arresteeren, die voorhanden zijn.”Men klapte en men gaapte mij verwonderd aan.De Paphlagoniër, die dit alles had bemerkt,En de woorden wist die indruk maken op den raad,Nam toen het woord, en zeide: „Mannen, ik stel voor655„De goede tijding te herdenken, ons gebracht,„Met een honderdkoeienoffer aan godin Atheen.”Hem knikte toen de heele raad welwillend toe,Doch ik, die nimmer wijken wil voor koeiemest,Bood tweehonderd koeien, en versloeg hem door dat bod.660Ook stelde ik voor, aan Artemis de jachtgodinEen duizendbokjesoffer te beloven, alsD’ansjovis honderd voor een cent geprijsd zou zijn.En op dat voorstel knikte weer de heele raad.Toen hij dat hoorde, schrikte hij, sprak leutertaal,665En de bedienden sleurden hem van ’t spreekgestoelt’.Nu stond elk op, en er ontstond een vischdebat,Maar Kléon smeekte, of men nog wat blijven wou,„Verneemt nog wat u de heraut uit Sparta zegt,„Een wapenstilstand biedt hij u ten tweeden keer!”670Doch ieder schreeuwde tegen hem, als uit één mond:„Een wapenstilstand? nu op eens? terwijl zoo juist„Bericht werd dat d’ansjovis is in prijs verlaagd?„Dat is niet noodig, d’oorlog kan zijn gang gaan, hoor.”En tevens riep men: „Hef maar gauw de zitting op.”675Van alle kanten sprong men over de balie heen,En ik kneep uit, en kocht alle koriander opEn alle uien, die op de markt te vinden zijn,En maakte daar toen de ansjovis lekker mee,Zoodat de raadslui smulden voor geen halve cent.680Ik, die alom bewonderd ben en opgekamd,Heb met mijn korianders en mijn uien dusVoor weinig centen al de raadslui—opgeknapt!Koor.(antistrophe of tegen-keer)Heil u, dierbare beulingvrind,Heil zij u allerwege,Alles gaat u thans voor den wind,Wie zoo dapper den strijd begint,685Dien wacht weldra de zege!Want die schurk vond een schurk in u.Grooter in list en in lagen,Met uwen mond, zoo groot en ruw,Met uwe listen, fijn en sluw,Hebt gij hèm nog verslagen.Vecht nu maar tot het einde door,Toon u listig en machtig,Want wij allen, het ridderkoor,Helpen u en volgen uw spoor,690Ondersteunen u krachtig!Worstverkooper.Daar komt hij, onze vriend de Paphlagoniër,Hij bruist als een bergstroom, en hij snuift en raast maar door,Alsof hij m’ op wil eten, hij lijkt Blauwbaard wel.
(De worstverkooper komt terug)
Het koor. De worstverkooper.
Aanvoerder van het koor.Dierbaarste man, bezield van jeugdig’ overmoed,Met hoeveel zorg betreurde ik uw afwezigheid!En daar gij nu behouden zijt teruggekeerd,Vertel ons, wàt is ’t einde van den strijd geweest?
Aanvoerder van het koor.
Dierbaarste man, bezield van jeugdig’ overmoed,
Met hoeveel zorg betreurde ik uw afwezigheid!
En daar gij nu behouden zijt teruggekeerd,
Vertel ons, wàt is ’t einde van den strijd geweest?
Worstverkooper.615Nu heet ik „Winraad,” want ik overwon den raad!
Worstverkooper.
615Nu heet ik „Winraad,” want ik overwon den raad!
Koor.(Strophe of Keer).Juicht nu allen! de worstemanZal zijn rede beginnen.Hij, die spreekt zoo heet van de pan,En die nog beter vechten kan,Glorierijk overwinnen!Vang thans aan met uw verhaal,Niets ga voor ons verloren,Stel uw rede noch perk noch paal,Want ik reis één en andermaalOm uw woorden te hooren.Spreek dus rustig en welgemoed,Wie aan u twijfelen dorstenVallen u thans eerbiedig te voet,Zijn verrukt door uw heldenmoed,Edel koopman in worsten!
Koor.
Juicht nu allen! de worsteman
Zal zijn rede beginnen.
Hij, die spreekt zoo heet van de pan,
En die nog beter vechten kan,
Glorierijk overwinnen!
Vang thans aan met uw verhaal,
Niets ga voor ons verloren,
Stel uw rede noch perk noch paal,
Want ik reis één en andermaal
Om uw woorden te hooren.
Spreek dus rustig en welgemoed,
Wie aan u twijfelen dorsten
Vallen u thans eerbiedig te voet,
Zijn verrukt door uw heldenmoed,
Edel koopman in worsten!
Worstverkooper.Het loont de moeite om te hooren wat ik deed.625Ik rende terstond en achter hem de raadzaal in.Hij brak reeds binnen menig donderwoord den nek,En braakte zijn verwensching tegen de ridders uit,En schold hen samenzweerders, zoodat iedereenHem ging gelooven. Al de mannen van den raad630Wist hij te boeien door zijn grove leugenkool.Men keek zuur als mosterd, dreigend fronste men het hoofd.Toen ik nu zag hoe men gesteld was op zijn woord,En hoe men door zijn sluwe taal bedrogen werd,Toen bad ik tot de goden die ik ’t beste ken,„O Onbeschaamden en Bedriegers (dus bad ik),635„O Stommelingen en Kabouters, o Slavenras,„O Markt waarin ik reeds als knaap ben opgevoed!„Schenkt mij nu durf, behalve een gelikte tong,„Een stem vol onbeschaamdheid!” Wijl ik dit bedacht,Liet een verkeerde liefhebber aan mijn rechterkant640Er eentje vliegen, zoodat ik van eerbied boog.Toen heb ik met mijn achterste het traliewerkGeopend, en ik schreeuwde ’t uit met wijden mond:„Ik breng u, heeren van den raad, een goed bericht,„Hoort dus de blijde boodschap, waar ik hier meê kom,„Nog nimmer, sinds de oorlog uitgebroken is,645„Is hier de ansjovis voor een lager prijs verkocht!”—Op deze tijding trok elkeen een zoet gezicht,Men wijdde mij voor ’t goed bericht een eerekrans,En ik gaf aan den raad toen het geheim advies„Om alle ansjovis op te koopen voor een cent per stuk,650„En de schotels t’ arresteeren, die voorhanden zijn.”Men klapte en men gaapte mij verwonderd aan.De Paphlagoniër, die dit alles had bemerkt,En de woorden wist die indruk maken op den raad,Nam toen het woord, en zeide: „Mannen, ik stel voor655„De goede tijding te herdenken, ons gebracht,„Met een honderdkoeienoffer aan godin Atheen.”Hem knikte toen de heele raad welwillend toe,Doch ik, die nimmer wijken wil voor koeiemest,Bood tweehonderd koeien, en versloeg hem door dat bod.660Ook stelde ik voor, aan Artemis de jachtgodinEen duizendbokjesoffer te beloven, alsD’ansjovis honderd voor een cent geprijsd zou zijn.En op dat voorstel knikte weer de heele raad.Toen hij dat hoorde, schrikte hij, sprak leutertaal,665En de bedienden sleurden hem van ’t spreekgestoelt’.Nu stond elk op, en er ontstond een vischdebat,Maar Kléon smeekte, of men nog wat blijven wou,„Verneemt nog wat u de heraut uit Sparta zegt,„Een wapenstilstand biedt hij u ten tweeden keer!”670Doch ieder schreeuwde tegen hem, als uit één mond:„Een wapenstilstand? nu op eens? terwijl zoo juist„Bericht werd dat d’ansjovis is in prijs verlaagd?„Dat is niet noodig, d’oorlog kan zijn gang gaan, hoor.”En tevens riep men: „Hef maar gauw de zitting op.”675Van alle kanten sprong men over de balie heen,En ik kneep uit, en kocht alle koriander opEn alle uien, die op de markt te vinden zijn,En maakte daar toen de ansjovis lekker mee,Zoodat de raadslui smulden voor geen halve cent.680Ik, die alom bewonderd ben en opgekamd,Heb met mijn korianders en mijn uien dusVoor weinig centen al de raadslui—opgeknapt!
Worstverkooper.
Het loont de moeite om te hooren wat ik deed.
625Ik rende terstond en achter hem de raadzaal in.
Hij brak reeds binnen menig donderwoord den nek,
En braakte zijn verwensching tegen de ridders uit,
En schold hen samenzweerders, zoodat iedereen
Hem ging gelooven. Al de mannen van den raad
630Wist hij te boeien door zijn grove leugenkool.
Men keek zuur als mosterd, dreigend fronste men het hoofd.
Toen ik nu zag hoe men gesteld was op zijn woord,
En hoe men door zijn sluwe taal bedrogen werd,
Toen bad ik tot de goden die ik ’t beste ken,
„O Onbeschaamden en Bedriegers (dus bad ik),
635„O Stommelingen en Kabouters, o Slavenras,
„O Markt waarin ik reeds als knaap ben opgevoed!
„Schenkt mij nu durf, behalve een gelikte tong,
„Een stem vol onbeschaamdheid!” Wijl ik dit bedacht,
Liet een verkeerde liefhebber aan mijn rechterkant
640Er eentje vliegen, zoodat ik van eerbied boog.
Toen heb ik met mijn achterste het traliewerk
Geopend, en ik schreeuwde ’t uit met wijden mond:
„Ik breng u, heeren van den raad, een goed bericht,
„Hoort dus de blijde boodschap, waar ik hier meê kom,
„Nog nimmer, sinds de oorlog uitgebroken is,
645„Is hier de ansjovis voor een lager prijs verkocht!”—
Op deze tijding trok elkeen een zoet gezicht,
Men wijdde mij voor ’t goed bericht een eerekrans,
En ik gaf aan den raad toen het geheim advies
„Om alle ansjovis op te koopen voor een cent per stuk,
650„En de schotels t’ arresteeren, die voorhanden zijn.”
Men klapte en men gaapte mij verwonderd aan.
De Paphlagoniër, die dit alles had bemerkt,
En de woorden wist die indruk maken op den raad,
Nam toen het woord, en zeide: „Mannen, ik stel voor
655„De goede tijding te herdenken, ons gebracht,
„Met een honderdkoeienoffer aan godin Atheen.”
Hem knikte toen de heele raad welwillend toe,
Doch ik, die nimmer wijken wil voor koeiemest,
Bood tweehonderd koeien, en versloeg hem door dat bod.
660Ook stelde ik voor, aan Artemis de jachtgodin
Een duizendbokjesoffer te beloven, als
D’ansjovis honderd voor een cent geprijsd zou zijn.
En op dat voorstel knikte weer de heele raad.
Toen hij dat hoorde, schrikte hij, sprak leutertaal,
665En de bedienden sleurden hem van ’t spreekgestoelt’.
Nu stond elk op, en er ontstond een vischdebat,
Maar Kléon smeekte, of men nog wat blijven wou,
„Verneemt nog wat u de heraut uit Sparta zegt,
„Een wapenstilstand biedt hij u ten tweeden keer!”
670Doch ieder schreeuwde tegen hem, als uit één mond:
„Een wapenstilstand? nu op eens? terwijl zoo juist
„Bericht werd dat d’ansjovis is in prijs verlaagd?
„Dat is niet noodig, d’oorlog kan zijn gang gaan, hoor.”
En tevens riep men: „Hef maar gauw de zitting op.”
675Van alle kanten sprong men over de balie heen,
En ik kneep uit, en kocht alle koriander op
En alle uien, die op de markt te vinden zijn,
En maakte daar toen de ansjovis lekker mee,
Zoodat de raadslui smulden voor geen halve cent.
680Ik, die alom bewonderd ben en opgekamd,
Heb met mijn korianders en mijn uien dus
Voor weinig centen al de raadslui—opgeknapt!
Koor.(antistrophe of tegen-keer)Heil u, dierbare beulingvrind,Heil zij u allerwege,Alles gaat u thans voor den wind,Wie zoo dapper den strijd begint,685Dien wacht weldra de zege!Want die schurk vond een schurk in u.Grooter in list en in lagen,Met uwen mond, zoo groot en ruw,Met uwe listen, fijn en sluw,Hebt gij hèm nog verslagen.Vecht nu maar tot het einde door,Toon u listig en machtig,Want wij allen, het ridderkoor,Helpen u en volgen uw spoor,690Ondersteunen u krachtig!
Koor.
(antistrophe of tegen-keer)
Heil u, dierbare beulingvrind,
Heil zij u allerwege,
Alles gaat u thans voor den wind,
Wie zoo dapper den strijd begint,
685Dien wacht weldra de zege!
Want die schurk vond een schurk in u.
Grooter in list en in lagen,
Met uwen mond, zoo groot en ruw,
Met uwe listen, fijn en sluw,
Hebt gij hèm nog verslagen.
Vecht nu maar tot het einde door,
Toon u listig en machtig,
Want wij allen, het ridderkoor,
Helpen u en volgen uw spoor,
690Ondersteunen u krachtig!
Worstverkooper.Daar komt hij, onze vriend de Paphlagoniër,Hij bruist als een bergstroom, en hij snuift en raast maar door,Alsof hij m’ op wil eten, hij lijkt Blauwbaard wel.
Worstverkooper.
Daar komt hij, onze vriend de Paphlagoniër,
Hij bruist als een bergstroom, en hij snuift en raast maar door,
Alsof hij m’ op wil eten, hij lijkt Blauwbaard wel.
Dertiende tooneel.(De Paphlagoniër, met een krans op, komt terug uit den raad en snelt op het tooneel).Worstverkooper, Paphlagoniër, Het Koor.Paphlagoniër.Als ik jou niet vermorsel, als ik de leugentaal695Niet meer heb van vroeger, dan ben ik een verloren man.Worstverkooper.Ik lach om jou bedreiging, ’k schud van je snoeverij,Ik dans om jou een negerdans en ik hoon j’ er bij!Paphlagoniër.Ik zweer je bij Demeter! dat ’k niet leven zal,Als ik je nìet levend opvreet en het land uitjaag.Worstverkooper.700Niet levend opvreet? kerel, ik zuip je levend op,Al moest ik daarna barsten als een varkensblaas.Paphlagoniër.Je sterft, zoowaar ik voorzitter ben van Athene’s raad!Worstverkooper.Jij voorzitter? en ik zal maken vroeg of laatDat j’ op de allerlaatste zitbank zitten gaat.Paphlagoniër.705’k Zweer bij den hemel, ik laat jou in boeien slaan.Worstverkooper.O wat een driftkop! wou je soms wat eten gaan?(ter zijde)Waar smult hij van? is ’t soms een beurs, met geld belaân?Paphlagoniër.Met m’n nagels krab ik al je ingewanden uit.Worstverkooper.En met mijn nagels maak ik gaten in je huid,En haal het eten, dat de raad je geeft, er uit.Paphlagoniër.710Ik sleur jou, vrindje, voor ’t gerecht, geloof me vrij.Worstverkooper.Ik sleur jou ook, en doe een valschen eed daarbij.Paphlagoniër.Wees maar verzekerd, schurk, dat ’t volk naar jou nìet hoort,Maar ik kan ze lekker foppen, op mijn eerewoord.Worstverkooper.Heb jij zoo zeker het gepeupel in je macht?Paphlagoniër.715Ik weet waarvan zij smullen, en dat is m’n kracht.Worstverkooper.Je voêrt ze gemeen, zooals er vele bakers doen,Van ’t eten dat je voorkauwt geef je ’t kind haast niets,Terwijl je zelf driemaal zooveel naar binnen slokt.Paphlagoniër.Bij Zeus! ik zweer je, als ’t je nòg niet is bekend,720Dat ’k ieder dik of dunner maak, door mijn talent.Worstverkooper.Dat is een slimheid, die mijn achterste ook wel weet.Paphlagoniër.Als jij voor ’t volk komt houdt je overmoed geen stand,Laat ons naar ’t volk gaan.Worstverkooper.Laat ons naar ’t volk gaan.’k Heb daartegen geen bezwaar,Vooruit, loop op, niets mag er zijn dat ons weerhoudt.Paphlagoniër.725Heer Volk, kom hier!Worstverkooper.Heer Volk, kom hier!Ja, vader Volk, kom hier bij Zeus,Lief vadertje Volk, verlaat je huis en kom bij ons!
Dertiende tooneel.(De Paphlagoniër, met een krans op, komt terug uit den raad en snelt op het tooneel).Worstverkooper, Paphlagoniër, Het Koor.Paphlagoniër.Als ik jou niet vermorsel, als ik de leugentaal695Niet meer heb van vroeger, dan ben ik een verloren man.Worstverkooper.Ik lach om jou bedreiging, ’k schud van je snoeverij,Ik dans om jou een negerdans en ik hoon j’ er bij!Paphlagoniër.Ik zweer je bij Demeter! dat ’k niet leven zal,Als ik je nìet levend opvreet en het land uitjaag.Worstverkooper.700Niet levend opvreet? kerel, ik zuip je levend op,Al moest ik daarna barsten als een varkensblaas.Paphlagoniër.Je sterft, zoowaar ik voorzitter ben van Athene’s raad!Worstverkooper.Jij voorzitter? en ik zal maken vroeg of laatDat j’ op de allerlaatste zitbank zitten gaat.Paphlagoniër.705’k Zweer bij den hemel, ik laat jou in boeien slaan.Worstverkooper.O wat een driftkop! wou je soms wat eten gaan?(ter zijde)Waar smult hij van? is ’t soms een beurs, met geld belaân?Paphlagoniër.Met m’n nagels krab ik al je ingewanden uit.Worstverkooper.En met mijn nagels maak ik gaten in je huid,En haal het eten, dat de raad je geeft, er uit.Paphlagoniër.710Ik sleur jou, vrindje, voor ’t gerecht, geloof me vrij.Worstverkooper.Ik sleur jou ook, en doe een valschen eed daarbij.Paphlagoniër.Wees maar verzekerd, schurk, dat ’t volk naar jou nìet hoort,Maar ik kan ze lekker foppen, op mijn eerewoord.Worstverkooper.Heb jij zoo zeker het gepeupel in je macht?Paphlagoniër.715Ik weet waarvan zij smullen, en dat is m’n kracht.Worstverkooper.Je voêrt ze gemeen, zooals er vele bakers doen,Van ’t eten dat je voorkauwt geef je ’t kind haast niets,Terwijl je zelf driemaal zooveel naar binnen slokt.Paphlagoniër.Bij Zeus! ik zweer je, als ’t je nòg niet is bekend,720Dat ’k ieder dik of dunner maak, door mijn talent.Worstverkooper.Dat is een slimheid, die mijn achterste ook wel weet.Paphlagoniër.Als jij voor ’t volk komt houdt je overmoed geen stand,Laat ons naar ’t volk gaan.Worstverkooper.Laat ons naar ’t volk gaan.’k Heb daartegen geen bezwaar,Vooruit, loop op, niets mag er zijn dat ons weerhoudt.Paphlagoniër.725Heer Volk, kom hier!Worstverkooper.Heer Volk, kom hier!Ja, vader Volk, kom hier bij Zeus,Lief vadertje Volk, verlaat je huis en kom bij ons!
(De Paphlagoniër, met een krans op, komt terug uit den raad en snelt op het tooneel).
Worstverkooper, Paphlagoniër, Het Koor.
Paphlagoniër.Als ik jou niet vermorsel, als ik de leugentaal695Niet meer heb van vroeger, dan ben ik een verloren man.
Paphlagoniër.
Als ik jou niet vermorsel, als ik de leugentaal
695Niet meer heb van vroeger, dan ben ik een verloren man.
Worstverkooper.Ik lach om jou bedreiging, ’k schud van je snoeverij,Ik dans om jou een negerdans en ik hoon j’ er bij!
Worstverkooper.
Ik lach om jou bedreiging, ’k schud van je snoeverij,
Ik dans om jou een negerdans en ik hoon j’ er bij!
Paphlagoniër.Ik zweer je bij Demeter! dat ’k niet leven zal,Als ik je nìet levend opvreet en het land uitjaag.
Paphlagoniër.
Ik zweer je bij Demeter! dat ’k niet leven zal,
Als ik je nìet levend opvreet en het land uitjaag.
Worstverkooper.700Niet levend opvreet? kerel, ik zuip je levend op,Al moest ik daarna barsten als een varkensblaas.
Worstverkooper.
700Niet levend opvreet? kerel, ik zuip je levend op,
Al moest ik daarna barsten als een varkensblaas.
Paphlagoniër.Je sterft, zoowaar ik voorzitter ben van Athene’s raad!
Paphlagoniër.
Je sterft, zoowaar ik voorzitter ben van Athene’s raad!
Worstverkooper.Jij voorzitter? en ik zal maken vroeg of laatDat j’ op de allerlaatste zitbank zitten gaat.
Worstverkooper.
Jij voorzitter? en ik zal maken vroeg of laat
Dat j’ op de allerlaatste zitbank zitten gaat.
Paphlagoniër.705’k Zweer bij den hemel, ik laat jou in boeien slaan.
Paphlagoniër.
705’k Zweer bij den hemel, ik laat jou in boeien slaan.
Worstverkooper.O wat een driftkop! wou je soms wat eten gaan?
Worstverkooper.
O wat een driftkop! wou je soms wat eten gaan?
(ter zijde)
Waar smult hij van? is ’t soms een beurs, met geld belaân?
Waar smult hij van? is ’t soms een beurs, met geld belaân?
Paphlagoniër.Met m’n nagels krab ik al je ingewanden uit.
Paphlagoniër.
Met m’n nagels krab ik al je ingewanden uit.
Worstverkooper.En met mijn nagels maak ik gaten in je huid,En haal het eten, dat de raad je geeft, er uit.
Worstverkooper.
En met mijn nagels maak ik gaten in je huid,
En haal het eten, dat de raad je geeft, er uit.
Paphlagoniër.710Ik sleur jou, vrindje, voor ’t gerecht, geloof me vrij.
Paphlagoniër.
710Ik sleur jou, vrindje, voor ’t gerecht, geloof me vrij.
Worstverkooper.Ik sleur jou ook, en doe een valschen eed daarbij.
Worstverkooper.
Ik sleur jou ook, en doe een valschen eed daarbij.
Paphlagoniër.Wees maar verzekerd, schurk, dat ’t volk naar jou nìet hoort,Maar ik kan ze lekker foppen, op mijn eerewoord.
Paphlagoniër.
Wees maar verzekerd, schurk, dat ’t volk naar jou nìet hoort,
Maar ik kan ze lekker foppen, op mijn eerewoord.
Worstverkooper.Heb jij zoo zeker het gepeupel in je macht?
Worstverkooper.
Heb jij zoo zeker het gepeupel in je macht?
Paphlagoniër.715Ik weet waarvan zij smullen, en dat is m’n kracht.
Paphlagoniër.
715Ik weet waarvan zij smullen, en dat is m’n kracht.
Worstverkooper.Je voêrt ze gemeen, zooals er vele bakers doen,Van ’t eten dat je voorkauwt geef je ’t kind haast niets,Terwijl je zelf driemaal zooveel naar binnen slokt.
Worstverkooper.
Je voêrt ze gemeen, zooals er vele bakers doen,
Van ’t eten dat je voorkauwt geef je ’t kind haast niets,
Terwijl je zelf driemaal zooveel naar binnen slokt.
Paphlagoniër.Bij Zeus! ik zweer je, als ’t je nòg niet is bekend,720Dat ’k ieder dik of dunner maak, door mijn talent.
Paphlagoniër.
Bij Zeus! ik zweer je, als ’t je nòg niet is bekend,
720Dat ’k ieder dik of dunner maak, door mijn talent.
Worstverkooper.Dat is een slimheid, die mijn achterste ook wel weet.
Worstverkooper.
Dat is een slimheid, die mijn achterste ook wel weet.
Paphlagoniër.Als jij voor ’t volk komt houdt je overmoed geen stand,Laat ons naar ’t volk gaan.
Paphlagoniër.
Als jij voor ’t volk komt houdt je overmoed geen stand,
Laat ons naar ’t volk gaan.
Worstverkooper.Laat ons naar ’t volk gaan.’k Heb daartegen geen bezwaar,Vooruit, loop op, niets mag er zijn dat ons weerhoudt.
Worstverkooper.
Laat ons naar ’t volk gaan.’k Heb daartegen geen bezwaar,
Vooruit, loop op, niets mag er zijn dat ons weerhoudt.
Paphlagoniër.725Heer Volk, kom hier!
Paphlagoniër.
725Heer Volk, kom hier!
Worstverkooper.Heer Volk, kom hier!Ja, vader Volk, kom hier bij Zeus,Lief vadertje Volk, verlaat je huis en kom bij ons!
Worstverkooper.
Heer Volk, kom hier!Ja, vader Volk, kom hier bij Zeus,
Lief vadertje Volk, verlaat je huis en kom bij ons!