ACHTSTE HOOFDSTUK.De agent der Fransche republiek.De achtermiddag liep snel ten einde; een lange, kille Engelsche najaarsavond wierp een mist over het groene landschap van Kent.DeDay Dreamhad reeds zee gekozen, alle zeilen bijgezet, en Marguerite Blakeney stond alleen op den rand van een rif een tijdlang het jacht gade te slaan, dat zoo snel het eenig wezen van haar wegvoerde, dat zich werkelijk aan haar liet gelegen liggen.Op eenigen afstand van haar, aan haar linkerhand,glinsterdende lichten der gelagkamer van „Visscherswelvaren” geelachtig in den toenemenden mist.Sir Percy had de kieschheid gehad haar alleen te laten. Zij onderstelde, dat hij op zijn eigen domme Joris goedbloedmanier haar wensch in dit opzicht had begrepen, terwijl die blanke zeilen aan den vagen horizont verdwenen. Marguerite was haar echtgenoot voor dit alles steeds dankbaar; zij trachtte altijd haar erkentelijkheid te betoonen voor zijn getrouwe opmerkzaamheden en voor zijn vrijgevigheid, die werkelijk grenzenloos was.Maar de liefde, de toewijding, die zij tijdens hun verloving altijd had beschouwd als de slaafsche trouw van een hond, scheen totaal te zijn verdwenen. Een vierentwintig uur na de eenvoudige echtverbintenis in St. Roch’s kerspel, had zij hem de geschiedenis verhaald, hoe onbedachtzaam zij zich had uitgelaten over zekere zaken, in verband met den Markies de St. Cyr, in het bijzijn van lieden, die van deze informatie ten nadeele van den Markies gebruik gemaakt, en hem en zijn geheele familie op het schavot gebracht hadden.Zij haatte den Markies. Jaren geleden had Armand, haar dierbare broeder, Angèle de St. Cyr liefgehad, maar St. Just was een plebejer en de Markies opgeblazen van adeltrots. Op zekeren dag had Armand het gewaagd een klein, geestdriftig, hartstochtelijk geschreven gedicht aan de godin zijner droomen te zenden. Den avond daarop werd hij buiten Parijs door de lakeien van den Markies de St. Cyr gegrepen en op een schandelijke wijze mishandeld, omdat hij zijn oogen had durven opslaan naar de dochter van een aristokraat. Het was een incident, dat in die dagen, een tweetal jaren voor het uitbreken der groote Revolutie, bijna dagelijks in Frankrijk voorviel.Daarop was de dag der vergelding aangebroken. St. Cyr en zijn stand hadden hun meesters gevonden in diezelfde plebejers, die zij veracht hadden. Armand en Marguerite, beiden intellectueelen, hadden met de geestdrift, hun jaren eigen, de leerstellingen der revolutie aanvaard, terwijl de Markies de St. Cyr en zijn familie voet voor voet streden voor het behoud hunner gewaande rechten. Marguerite, onbedachtzaam, geen rekening houdend met de beteekenis harer woorden, altijd nog pijnlijk aangedaan door de vreeselijke behandeling, welke Armand van den Markies had ondervonden, bracht het toevallig onder haar eigen coterie ter sprake, dat de St. Cyrs in briefwisseling stonden met Oostenrijk, hopende op den steun van den Keizer om de toenemende revolutie in hun land den kop in te drukken.In die dagen was één beschuldiging voldoende; haar woorden aangaande den Markies de St. Cyr hadden uitwerking binnen 24 uur. Hij werd gearresteerd. Een huiszoeking bracht brieven te voorschijn van den Oostenrijkschen Keizer, de belofte inhoudende van troepenzending ten bate van het bedreigde koningschap. Hij en de zijnen moesten hiervoor met hun leven boeten op het schavot.Marguerite, ontsteld door de vreeselijke gevolgen harer eigen onbedachtzaamheid, legde een volledige bekentenis ervan af voor haar echtgenoot, in het vertrouwen, dat zijn blinde liefde voor haar hem weldra zou doen vergeten, wat voor zijn aristokratisch oor onaangenaam klonk.Voorzeker, voor het oogenblik scheen hij het zeer kalmop te nemen; nauwelijks inderdaad bleek hij de bedoeling te begrijpen van al wat zij zeide. Maar wat nog zekerder uitkwam, was, dat zij nimmer daarna het minste blijk kon bespeuren van de liefde, welke zij eertijds geloofde, dat alleen haar was gewijd. Hij bleef dezelfde, steeds passief, druilend, soezig, steeds galant, onveranderlijk een gentleman. Zij bezat al, wat de wereld en een vermogend echtgenoot kunnen schenken aan een schoone vrouw, maar toch op dezen mooien zomeravond, starend naar de blanke zeilen van deDay Dream, die ten laatste in het schemerduister verdwenen, gevoelde zij zich eenzaam en verlaten.Met een diepen zucht keerde Marguerite Blakeney zee en riffen den rug toe en wandelde ze langzaam op „Visscherswelvaren” aan. Naderbij komende, kon ze het aangenaam stemgeluid onderscheiden van Sir Andrew Foulkes, den schaterlach van Lord Anthony Dewhurst, en nu en dan de lijzige, droomerige opmerkingen van haar echtgenoot. Daarna ontwarend hoe eenzaam de weg was, verhaastte ze haar schreden... kort daarop zag ze een vreemdeling haastig op haar afkomen. Marguerite keek niet op, ze was in het minst niet zenuwachtig en „Visscherswelvaren” lag op enkele schreden afstand.De vreemdeling stond stil, toen hij Marguerite vlug op zich zag aankomen, en juist, toen ze op het punt stond hem rakelings te passeeren, zei hij heel kalm:„Burgeres St. Just.”Marguerite uitte een kreet van verbazing, haar meisjesnaam zoo in haar nabijheid te vernemen. Zij zag op naar den vreemdeling, en ditmaal stak ze met een kreet van ongeveinsd genoegen hem beide handen toe.„Chauvelin!” was haar uitroep.„Die ben ik, burgeres, tot uw dienst,” zei de vreemdeling, galant de toppen van haar vingers kussend.Chauvelin was dichter bij de veertig dan bij de dertig, een schrander, gewiekst uitziend persoon, met een sluwe uitdrukking in zijn diepliggende oogen. Hij was dezelfde vreemdeling die, een paar uur geleden, vriendschappelijk met Mr. Jellyband een glas wijn had gedronken.„Chauvelin.... vriend....” zei Marguerite, „het doet me machtig veel plezier u te ontmoeten.”Geen twijfel of de arme Marguerite St. Just, die zich te midden harer grootheid toch zoo eenzaam gevoelde, achtte zich gelukkig een gezicht te zien, dat haar de herinnering voor den geest bracht aan de heerlijke dagen, toen zij in Parijs als koningin troonde in de rue Richelieu. Zij merkte den sarkastischen glimlach niet op, die om de dunne lippen van Chauvelin speelde.„Maar zeg me eens,” voegde zij er vroolijk aan toe, „wat voert u in ’s hemels naam hier in Engeland uit?”Zij had haar wandeling naar de herberg weer hervat, en Chauvelin liep naast haar voort.„Ik mag u wel hetzelfde vragen, schoone dame,” zei hij.„Och, ik?” antwoordde ze schouderophalend. „Ik verveel me een beetje; vriend, ziedaar alles.”Ze waren aan het hek van „Visscherswelvaren” gekomen, maar Marguerite scheen geen lust te hebben binnen te gaan. Chauvelin stond naast haar; zijn sluwe oogen gevestigd houdend op het schoon gelaat, dat zoo lieftallig en kinderlijk zich voordeed in de zachte schemering van een Engelschen najaarsavond.„U verrast mij, burgeres,” zei hij, kalm zijn snuifdoos te voorschijn halend en een snuifje nemend.„Is ’t waar?” vroeg ze luchtig. „Wezenlijk, ik had gedacht, Chauvelin, dat ge begrepen zoudt hebben, dat van een atmosfeer van mist en braafheid Marguerite St. Just niets moet hebben.”„Goeie gunst! Ziet het er zóó erg uit?” vroeg hij met gemaakte ontsteltenis.„Ja zóó erg, en nog erger.”„Vreemd! Nu, ik dacht, dat een mooie vrouw het buitenleven in Engeland heel aantrekkelijk moest vinden.”„Ja! zoo dacht ik er ook over,” zei ze met een zucht. „Maar dat moet al heel erg wezen, ik zou anders niet zoo blij zijn geweest u te zien.”„En dit zoo binnen het jaar van een romantisch huwelijk uit liefde....”„Ja!.... een jaar van een romantisch huwelijk uit liefde.... daar zit ’m juist de kneep...”Chauvelin nam nog een snuifje; hij scheen vrij verslaafd aan deze gewoonte, misschien wel, omdat ze hem in staat stelde de gezichten na te gaan van hen, met wien hij in aanraking kwam.„En het meest werkzame brein van Europa wordt nu gekweld met verveling?”„Ik vleide me met de hoop, vriend Chauvelin, dat gij een middel wist tegen die kwaal.”„Hoe kan ik hopen te zullen slagen in iets, waarin Sir Percy Blakeney te kort is geschoten?”„We zullen Sir Percy voor het oogenblik maar buiten beschouwing laten, waarde vriend,” zei ze droogjes.„Ah! mijn lieve dame excuseer me, maar dat is het juist, wat we kwalijk kunnen,” zei Chauvelin, terwijl hij met een snellen blik zijner sluwe vossenoogen Marguerite trachtte te doorboren. „Ik bezit een allervolmaakst recept tegen den ergsten vorm van „verveling”, dat ik u graag zou willen voorschrijven, maar—”„Wat maar?”„Daar hebben we Sir Percy.”„Wat heeft die ermee te maken?”„Heel wat, vrees ik. Het recept, dat ik u wil aanbieden, draagt een zeer plebejischen naam: „Werk!”„Werk?”Chauvelin zag Marguerite langdurig aan. Het scheen, alsof zijn scherpe oogen al haar gedachten lazen. Zij waren samen alleen, de avond was dood kalm, hun gefluister werd overstemd door het rumoer, dat in de gelagkamer heerschte. Toch trad Chauvelin een paar schreden vooruit, keek snel en scherp om zich heen, en bemerkend, dat niemand hem kon beluisteren, naderde hij andermaal Marguerite.„Wilt u Frankrijk een kleinen dienst bewijzen, burgeres?” vroeg hij, plotseling geheel van toon en manieren veranderd.„La, la, man!” antwoordde ze met geaffecteerde onverschilligheid, „wat zie je er ineens ernstig uit.... wezenlijkik weet niet, of ik Frankrijk een kleinen dienst kan bewijzen—dat zou er toch van moeten afhangen welken.”„Hebt u ooit gehoord van den Rooden Pimpernel, burgeres St. Just?” vroeg Chauvelin kortaf.„Gehoord van den RoodenPimpernel? Maar man! we spreken over niets anders... We hebben hoeden „à la Pimpernel”; onze paarden heeten „Roode Pimpernel”; gisteren bestelde ik bij mijn modiste een blauw kostuum met groen gegarneerd, en verbeeld je, ze noemde dat ook al „à la Roode Pimpernel.””Chauvelin had geen spier bewogen, terwijl ze vroolijk er op los praatte; hij was ernstig gebleven, terwijl zij lachte; zijn duidelijk, hard stemgeluid verhief zich niet boven den fluistertoon, toen hij zei:„Als u dan gehoord hebt van dat raadselachtig personage, burgeres, dan moet u ook begrepen hebben, dat de man, die zijn identiteit verbergt onder dien zonderlingen schuilnaam, de bitterste vijand is onzer Fransche Republiek.... van mannen, zooals Armand St. Just.”„Ja, dat zal wel zoo zijn... Frankrijk heeft veel bittere vijanden in onze dagen.”„Maar u, burgeres, u zijt een dochter van Frankrijk en dient daarom bereid te zijn de behulpzame hand te bieden in oogenblikken van gevaar.”„Mijn broeder Armand wijdt zijn leven aan Frankrijk; wat mij aangaat, ik kan hier in Engeland niets doen...”„Jawel, u... hier, in Engeland, burgeres... u alleen kunt ons van dienst zijn.... Luister!—Ik ben door de Republikeinsche Regeering als haar vertegenwoordiger hier heengezonden. Een mijner plichten hier is, te trachten alles op te sporen omtrent het Verbond van den Rooden Pimpernel. U weet zoo goed als ik, burgeres, dat zoodra die Fransche uitgewekenen eenmaal hier zijn, zij trachten de openbare meening tegen de Republiek op te hitsen... Nu is het in de laatste maand aan een massa royalisten gelukt het Kanaal over te steken. Hun ontsnapping was bij iedere gelegenheid vooraf beraamd, georganiseerd en uitgevoerd door dit Verbond. Alle pogingen van mijn spionnen den leider te ontdekken zijn mislukt; waar anderede handen zijn, is hij het hoofd, dat alles uitdenkt. Ik bedoel, dat hoofd af te slaan, en daarvoor heb ik uw hulp noodig—door hem kan ik later de overige leden van de bende machtig worden: het is een jonge geurmaker uit de Engelsche kringen, daar ben ik zeker van. Tracht dien man voor mij uit te vinden, burgeres!” drong hij aan, „vind hem voor Frankrijk uit!”„Kom! man,” zei ze, „je verbaast me. Waar ter wereld moet ik hem zoeken?”„Gij komt overal, burgeres,” fluisterde Chauvelin, „Lady Blakeney is de spil, waarom de samenleving van Londen draait, zoo heeft men mij gezegd... u ziet enhoortalles.”„Houd je gemak, vriend,” hernam Marguerite, zich in haar volle lengte oprichtend en met eenige verachting neerziende op de kleine, schrale figuur vóór haar. „Houd je gemak! Ge schijnt te vergeten, dat er een zes voet lange Sir Percy Blakeney staat tusschen Lady Blakeney en uw voorstel.”„Om Frankrijks wille, burgeres!” herhaalde Chauvelin ernstig.„Zwijg, man, je praat onzin in ieder geval; want zelfs al wist je, wie die Roode Pimpernel is, zoudt ge hem niets kunnen maken—een Engelschman!”„Daar zou ik mij best aan wagen,” zei Chauvelin met een droog schor lachje. „We konden hem altijd eerst naar de guillotine expedieeren, en mocht er al een diplomatiek lawaai van komen, konden we altijd nog—nederig—bij de Britsche Regeering ons excuus maken en, zoo noodig, de beroofde familie een schadeloosstelling uitbetalen.”„Wat u voorstelt is ijselijk, Chauvelin,” zeide zij, van hem terugtredend als van een stekend insect. „Wie die man ook moge zijn, hij is een dapper en nobel mensch, en nooit—verstaat u mij?—nooit zal ik voor zulk een schanddaad mijn hulp verleenen!”„Gij geeft er dus den voorkeur aan gehoond te worden door iederen Franschen aristokraat, die naar Engeland oversteekt?”„Dat is hier de kwestie niet,” zei ze met gemaakte onverschilligheid.„Ik kan me nog verdedigen, maar ik weiger een of ander vuil werk te doen voor u—of voor Frankrijk. Gij hebt andere middelen tot uw dienst, daarvan moet ge gebruik maken, vriend.”En zonder Chauvelin verder met een blik te verwaardigen, keerde Marguerite Blakeney hem den rug toe en ging regelrecht de herberg binnen.„Dat is uw laatste woord niet, burgeres,” zei Chauvelin, toen het volle licht in de gang haar elegant figuur bestraalde, „we zien elkaar in Londen terug, wil ik hopen!”„We zullen elkaar in Londen weerzien,” zei ze, over haar schouder heen tot hem sprekend, „maar dit is mijn laatste woord.”
ACHTSTE HOOFDSTUK.De agent der Fransche republiek.De achtermiddag liep snel ten einde; een lange, kille Engelsche najaarsavond wierp een mist over het groene landschap van Kent.DeDay Dreamhad reeds zee gekozen, alle zeilen bijgezet, en Marguerite Blakeney stond alleen op den rand van een rif een tijdlang het jacht gade te slaan, dat zoo snel het eenig wezen van haar wegvoerde, dat zich werkelijk aan haar liet gelegen liggen.Op eenigen afstand van haar, aan haar linkerhand,glinsterdende lichten der gelagkamer van „Visscherswelvaren” geelachtig in den toenemenden mist.Sir Percy had de kieschheid gehad haar alleen te laten. Zij onderstelde, dat hij op zijn eigen domme Joris goedbloedmanier haar wensch in dit opzicht had begrepen, terwijl die blanke zeilen aan den vagen horizont verdwenen. Marguerite was haar echtgenoot voor dit alles steeds dankbaar; zij trachtte altijd haar erkentelijkheid te betoonen voor zijn getrouwe opmerkzaamheden en voor zijn vrijgevigheid, die werkelijk grenzenloos was.Maar de liefde, de toewijding, die zij tijdens hun verloving altijd had beschouwd als de slaafsche trouw van een hond, scheen totaal te zijn verdwenen. Een vierentwintig uur na de eenvoudige echtverbintenis in St. Roch’s kerspel, had zij hem de geschiedenis verhaald, hoe onbedachtzaam zij zich had uitgelaten over zekere zaken, in verband met den Markies de St. Cyr, in het bijzijn van lieden, die van deze informatie ten nadeele van den Markies gebruik gemaakt, en hem en zijn geheele familie op het schavot gebracht hadden.Zij haatte den Markies. Jaren geleden had Armand, haar dierbare broeder, Angèle de St. Cyr liefgehad, maar St. Just was een plebejer en de Markies opgeblazen van adeltrots. Op zekeren dag had Armand het gewaagd een klein, geestdriftig, hartstochtelijk geschreven gedicht aan de godin zijner droomen te zenden. Den avond daarop werd hij buiten Parijs door de lakeien van den Markies de St. Cyr gegrepen en op een schandelijke wijze mishandeld, omdat hij zijn oogen had durven opslaan naar de dochter van een aristokraat. Het was een incident, dat in die dagen, een tweetal jaren voor het uitbreken der groote Revolutie, bijna dagelijks in Frankrijk voorviel.Daarop was de dag der vergelding aangebroken. St. Cyr en zijn stand hadden hun meesters gevonden in diezelfde plebejers, die zij veracht hadden. Armand en Marguerite, beiden intellectueelen, hadden met de geestdrift, hun jaren eigen, de leerstellingen der revolutie aanvaard, terwijl de Markies de St. Cyr en zijn familie voet voor voet streden voor het behoud hunner gewaande rechten. Marguerite, onbedachtzaam, geen rekening houdend met de beteekenis harer woorden, altijd nog pijnlijk aangedaan door de vreeselijke behandeling, welke Armand van den Markies had ondervonden, bracht het toevallig onder haar eigen coterie ter sprake, dat de St. Cyrs in briefwisseling stonden met Oostenrijk, hopende op den steun van den Keizer om de toenemende revolutie in hun land den kop in te drukken.In die dagen was één beschuldiging voldoende; haar woorden aangaande den Markies de St. Cyr hadden uitwerking binnen 24 uur. Hij werd gearresteerd. Een huiszoeking bracht brieven te voorschijn van den Oostenrijkschen Keizer, de belofte inhoudende van troepenzending ten bate van het bedreigde koningschap. Hij en de zijnen moesten hiervoor met hun leven boeten op het schavot.Marguerite, ontsteld door de vreeselijke gevolgen harer eigen onbedachtzaamheid, legde een volledige bekentenis ervan af voor haar echtgenoot, in het vertrouwen, dat zijn blinde liefde voor haar hem weldra zou doen vergeten, wat voor zijn aristokratisch oor onaangenaam klonk.Voorzeker, voor het oogenblik scheen hij het zeer kalmop te nemen; nauwelijks inderdaad bleek hij de bedoeling te begrijpen van al wat zij zeide. Maar wat nog zekerder uitkwam, was, dat zij nimmer daarna het minste blijk kon bespeuren van de liefde, welke zij eertijds geloofde, dat alleen haar was gewijd. Hij bleef dezelfde, steeds passief, druilend, soezig, steeds galant, onveranderlijk een gentleman. Zij bezat al, wat de wereld en een vermogend echtgenoot kunnen schenken aan een schoone vrouw, maar toch op dezen mooien zomeravond, starend naar de blanke zeilen van deDay Dream, die ten laatste in het schemerduister verdwenen, gevoelde zij zich eenzaam en verlaten.Met een diepen zucht keerde Marguerite Blakeney zee en riffen den rug toe en wandelde ze langzaam op „Visscherswelvaren” aan. Naderbij komende, kon ze het aangenaam stemgeluid onderscheiden van Sir Andrew Foulkes, den schaterlach van Lord Anthony Dewhurst, en nu en dan de lijzige, droomerige opmerkingen van haar echtgenoot. Daarna ontwarend hoe eenzaam de weg was, verhaastte ze haar schreden... kort daarop zag ze een vreemdeling haastig op haar afkomen. Marguerite keek niet op, ze was in het minst niet zenuwachtig en „Visscherswelvaren” lag op enkele schreden afstand.De vreemdeling stond stil, toen hij Marguerite vlug op zich zag aankomen, en juist, toen ze op het punt stond hem rakelings te passeeren, zei hij heel kalm:„Burgeres St. Just.”Marguerite uitte een kreet van verbazing, haar meisjesnaam zoo in haar nabijheid te vernemen. Zij zag op naar den vreemdeling, en ditmaal stak ze met een kreet van ongeveinsd genoegen hem beide handen toe.„Chauvelin!” was haar uitroep.„Die ben ik, burgeres, tot uw dienst,” zei de vreemdeling, galant de toppen van haar vingers kussend.Chauvelin was dichter bij de veertig dan bij de dertig, een schrander, gewiekst uitziend persoon, met een sluwe uitdrukking in zijn diepliggende oogen. Hij was dezelfde vreemdeling die, een paar uur geleden, vriendschappelijk met Mr. Jellyband een glas wijn had gedronken.„Chauvelin.... vriend....” zei Marguerite, „het doet me machtig veel plezier u te ontmoeten.”Geen twijfel of de arme Marguerite St. Just, die zich te midden harer grootheid toch zoo eenzaam gevoelde, achtte zich gelukkig een gezicht te zien, dat haar de herinnering voor den geest bracht aan de heerlijke dagen, toen zij in Parijs als koningin troonde in de rue Richelieu. Zij merkte den sarkastischen glimlach niet op, die om de dunne lippen van Chauvelin speelde.„Maar zeg me eens,” voegde zij er vroolijk aan toe, „wat voert u in ’s hemels naam hier in Engeland uit?”Zij had haar wandeling naar de herberg weer hervat, en Chauvelin liep naast haar voort.„Ik mag u wel hetzelfde vragen, schoone dame,” zei hij.„Och, ik?” antwoordde ze schouderophalend. „Ik verveel me een beetje; vriend, ziedaar alles.”Ze waren aan het hek van „Visscherswelvaren” gekomen, maar Marguerite scheen geen lust te hebben binnen te gaan. Chauvelin stond naast haar; zijn sluwe oogen gevestigd houdend op het schoon gelaat, dat zoo lieftallig en kinderlijk zich voordeed in de zachte schemering van een Engelschen najaarsavond.„U verrast mij, burgeres,” zei hij, kalm zijn snuifdoos te voorschijn halend en een snuifje nemend.„Is ’t waar?” vroeg ze luchtig. „Wezenlijk, ik had gedacht, Chauvelin, dat ge begrepen zoudt hebben, dat van een atmosfeer van mist en braafheid Marguerite St. Just niets moet hebben.”„Goeie gunst! Ziet het er zóó erg uit?” vroeg hij met gemaakte ontsteltenis.„Ja zóó erg, en nog erger.”„Vreemd! Nu, ik dacht, dat een mooie vrouw het buitenleven in Engeland heel aantrekkelijk moest vinden.”„Ja! zoo dacht ik er ook over,” zei ze met een zucht. „Maar dat moet al heel erg wezen, ik zou anders niet zoo blij zijn geweest u te zien.”„En dit zoo binnen het jaar van een romantisch huwelijk uit liefde....”„Ja!.... een jaar van een romantisch huwelijk uit liefde.... daar zit ’m juist de kneep...”Chauvelin nam nog een snuifje; hij scheen vrij verslaafd aan deze gewoonte, misschien wel, omdat ze hem in staat stelde de gezichten na te gaan van hen, met wien hij in aanraking kwam.„En het meest werkzame brein van Europa wordt nu gekweld met verveling?”„Ik vleide me met de hoop, vriend Chauvelin, dat gij een middel wist tegen die kwaal.”„Hoe kan ik hopen te zullen slagen in iets, waarin Sir Percy Blakeney te kort is geschoten?”„We zullen Sir Percy voor het oogenblik maar buiten beschouwing laten, waarde vriend,” zei ze droogjes.„Ah! mijn lieve dame excuseer me, maar dat is het juist, wat we kwalijk kunnen,” zei Chauvelin, terwijl hij met een snellen blik zijner sluwe vossenoogen Marguerite trachtte te doorboren. „Ik bezit een allervolmaakst recept tegen den ergsten vorm van „verveling”, dat ik u graag zou willen voorschrijven, maar—”„Wat maar?”„Daar hebben we Sir Percy.”„Wat heeft die ermee te maken?”„Heel wat, vrees ik. Het recept, dat ik u wil aanbieden, draagt een zeer plebejischen naam: „Werk!”„Werk?”Chauvelin zag Marguerite langdurig aan. Het scheen, alsof zijn scherpe oogen al haar gedachten lazen. Zij waren samen alleen, de avond was dood kalm, hun gefluister werd overstemd door het rumoer, dat in de gelagkamer heerschte. Toch trad Chauvelin een paar schreden vooruit, keek snel en scherp om zich heen, en bemerkend, dat niemand hem kon beluisteren, naderde hij andermaal Marguerite.„Wilt u Frankrijk een kleinen dienst bewijzen, burgeres?” vroeg hij, plotseling geheel van toon en manieren veranderd.„La, la, man!” antwoordde ze met geaffecteerde onverschilligheid, „wat zie je er ineens ernstig uit.... wezenlijkik weet niet, of ik Frankrijk een kleinen dienst kan bewijzen—dat zou er toch van moeten afhangen welken.”„Hebt u ooit gehoord van den Rooden Pimpernel, burgeres St. Just?” vroeg Chauvelin kortaf.„Gehoord van den RoodenPimpernel? Maar man! we spreken over niets anders... We hebben hoeden „à la Pimpernel”; onze paarden heeten „Roode Pimpernel”; gisteren bestelde ik bij mijn modiste een blauw kostuum met groen gegarneerd, en verbeeld je, ze noemde dat ook al „à la Roode Pimpernel.””Chauvelin had geen spier bewogen, terwijl ze vroolijk er op los praatte; hij was ernstig gebleven, terwijl zij lachte; zijn duidelijk, hard stemgeluid verhief zich niet boven den fluistertoon, toen hij zei:„Als u dan gehoord hebt van dat raadselachtig personage, burgeres, dan moet u ook begrepen hebben, dat de man, die zijn identiteit verbergt onder dien zonderlingen schuilnaam, de bitterste vijand is onzer Fransche Republiek.... van mannen, zooals Armand St. Just.”„Ja, dat zal wel zoo zijn... Frankrijk heeft veel bittere vijanden in onze dagen.”„Maar u, burgeres, u zijt een dochter van Frankrijk en dient daarom bereid te zijn de behulpzame hand te bieden in oogenblikken van gevaar.”„Mijn broeder Armand wijdt zijn leven aan Frankrijk; wat mij aangaat, ik kan hier in Engeland niets doen...”„Jawel, u... hier, in Engeland, burgeres... u alleen kunt ons van dienst zijn.... Luister!—Ik ben door de Republikeinsche Regeering als haar vertegenwoordiger hier heengezonden. Een mijner plichten hier is, te trachten alles op te sporen omtrent het Verbond van den Rooden Pimpernel. U weet zoo goed als ik, burgeres, dat zoodra die Fransche uitgewekenen eenmaal hier zijn, zij trachten de openbare meening tegen de Republiek op te hitsen... Nu is het in de laatste maand aan een massa royalisten gelukt het Kanaal over te steken. Hun ontsnapping was bij iedere gelegenheid vooraf beraamd, georganiseerd en uitgevoerd door dit Verbond. Alle pogingen van mijn spionnen den leider te ontdekken zijn mislukt; waar anderede handen zijn, is hij het hoofd, dat alles uitdenkt. Ik bedoel, dat hoofd af te slaan, en daarvoor heb ik uw hulp noodig—door hem kan ik later de overige leden van de bende machtig worden: het is een jonge geurmaker uit de Engelsche kringen, daar ben ik zeker van. Tracht dien man voor mij uit te vinden, burgeres!” drong hij aan, „vind hem voor Frankrijk uit!”„Kom! man,” zei ze, „je verbaast me. Waar ter wereld moet ik hem zoeken?”„Gij komt overal, burgeres,” fluisterde Chauvelin, „Lady Blakeney is de spil, waarom de samenleving van Londen draait, zoo heeft men mij gezegd... u ziet enhoortalles.”„Houd je gemak, vriend,” hernam Marguerite, zich in haar volle lengte oprichtend en met eenige verachting neerziende op de kleine, schrale figuur vóór haar. „Houd je gemak! Ge schijnt te vergeten, dat er een zes voet lange Sir Percy Blakeney staat tusschen Lady Blakeney en uw voorstel.”„Om Frankrijks wille, burgeres!” herhaalde Chauvelin ernstig.„Zwijg, man, je praat onzin in ieder geval; want zelfs al wist je, wie die Roode Pimpernel is, zoudt ge hem niets kunnen maken—een Engelschman!”„Daar zou ik mij best aan wagen,” zei Chauvelin met een droog schor lachje. „We konden hem altijd eerst naar de guillotine expedieeren, en mocht er al een diplomatiek lawaai van komen, konden we altijd nog—nederig—bij de Britsche Regeering ons excuus maken en, zoo noodig, de beroofde familie een schadeloosstelling uitbetalen.”„Wat u voorstelt is ijselijk, Chauvelin,” zeide zij, van hem terugtredend als van een stekend insect. „Wie die man ook moge zijn, hij is een dapper en nobel mensch, en nooit—verstaat u mij?—nooit zal ik voor zulk een schanddaad mijn hulp verleenen!”„Gij geeft er dus den voorkeur aan gehoond te worden door iederen Franschen aristokraat, die naar Engeland oversteekt?”„Dat is hier de kwestie niet,” zei ze met gemaakte onverschilligheid.„Ik kan me nog verdedigen, maar ik weiger een of ander vuil werk te doen voor u—of voor Frankrijk. Gij hebt andere middelen tot uw dienst, daarvan moet ge gebruik maken, vriend.”En zonder Chauvelin verder met een blik te verwaardigen, keerde Marguerite Blakeney hem den rug toe en ging regelrecht de herberg binnen.„Dat is uw laatste woord niet, burgeres,” zei Chauvelin, toen het volle licht in de gang haar elegant figuur bestraalde, „we zien elkaar in Londen terug, wil ik hopen!”„We zullen elkaar in Londen weerzien,” zei ze, over haar schouder heen tot hem sprekend, „maar dit is mijn laatste woord.”
ACHTSTE HOOFDSTUK.De agent der Fransche republiek.
De achtermiddag liep snel ten einde; een lange, kille Engelsche najaarsavond wierp een mist over het groene landschap van Kent.DeDay Dreamhad reeds zee gekozen, alle zeilen bijgezet, en Marguerite Blakeney stond alleen op den rand van een rif een tijdlang het jacht gade te slaan, dat zoo snel het eenig wezen van haar wegvoerde, dat zich werkelijk aan haar liet gelegen liggen.Op eenigen afstand van haar, aan haar linkerhand,glinsterdende lichten der gelagkamer van „Visscherswelvaren” geelachtig in den toenemenden mist.Sir Percy had de kieschheid gehad haar alleen te laten. Zij onderstelde, dat hij op zijn eigen domme Joris goedbloedmanier haar wensch in dit opzicht had begrepen, terwijl die blanke zeilen aan den vagen horizont verdwenen. Marguerite was haar echtgenoot voor dit alles steeds dankbaar; zij trachtte altijd haar erkentelijkheid te betoonen voor zijn getrouwe opmerkzaamheden en voor zijn vrijgevigheid, die werkelijk grenzenloos was.Maar de liefde, de toewijding, die zij tijdens hun verloving altijd had beschouwd als de slaafsche trouw van een hond, scheen totaal te zijn verdwenen. Een vierentwintig uur na de eenvoudige echtverbintenis in St. Roch’s kerspel, had zij hem de geschiedenis verhaald, hoe onbedachtzaam zij zich had uitgelaten over zekere zaken, in verband met den Markies de St. Cyr, in het bijzijn van lieden, die van deze informatie ten nadeele van den Markies gebruik gemaakt, en hem en zijn geheele familie op het schavot gebracht hadden.Zij haatte den Markies. Jaren geleden had Armand, haar dierbare broeder, Angèle de St. Cyr liefgehad, maar St. Just was een plebejer en de Markies opgeblazen van adeltrots. Op zekeren dag had Armand het gewaagd een klein, geestdriftig, hartstochtelijk geschreven gedicht aan de godin zijner droomen te zenden. Den avond daarop werd hij buiten Parijs door de lakeien van den Markies de St. Cyr gegrepen en op een schandelijke wijze mishandeld, omdat hij zijn oogen had durven opslaan naar de dochter van een aristokraat. Het was een incident, dat in die dagen, een tweetal jaren voor het uitbreken der groote Revolutie, bijna dagelijks in Frankrijk voorviel.Daarop was de dag der vergelding aangebroken. St. Cyr en zijn stand hadden hun meesters gevonden in diezelfde plebejers, die zij veracht hadden. Armand en Marguerite, beiden intellectueelen, hadden met de geestdrift, hun jaren eigen, de leerstellingen der revolutie aanvaard, terwijl de Markies de St. Cyr en zijn familie voet voor voet streden voor het behoud hunner gewaande rechten. Marguerite, onbedachtzaam, geen rekening houdend met de beteekenis harer woorden, altijd nog pijnlijk aangedaan door de vreeselijke behandeling, welke Armand van den Markies had ondervonden, bracht het toevallig onder haar eigen coterie ter sprake, dat de St. Cyrs in briefwisseling stonden met Oostenrijk, hopende op den steun van den Keizer om de toenemende revolutie in hun land den kop in te drukken.In die dagen was één beschuldiging voldoende; haar woorden aangaande den Markies de St. Cyr hadden uitwerking binnen 24 uur. Hij werd gearresteerd. Een huiszoeking bracht brieven te voorschijn van den Oostenrijkschen Keizer, de belofte inhoudende van troepenzending ten bate van het bedreigde koningschap. Hij en de zijnen moesten hiervoor met hun leven boeten op het schavot.Marguerite, ontsteld door de vreeselijke gevolgen harer eigen onbedachtzaamheid, legde een volledige bekentenis ervan af voor haar echtgenoot, in het vertrouwen, dat zijn blinde liefde voor haar hem weldra zou doen vergeten, wat voor zijn aristokratisch oor onaangenaam klonk.Voorzeker, voor het oogenblik scheen hij het zeer kalmop te nemen; nauwelijks inderdaad bleek hij de bedoeling te begrijpen van al wat zij zeide. Maar wat nog zekerder uitkwam, was, dat zij nimmer daarna het minste blijk kon bespeuren van de liefde, welke zij eertijds geloofde, dat alleen haar was gewijd. Hij bleef dezelfde, steeds passief, druilend, soezig, steeds galant, onveranderlijk een gentleman. Zij bezat al, wat de wereld en een vermogend echtgenoot kunnen schenken aan een schoone vrouw, maar toch op dezen mooien zomeravond, starend naar de blanke zeilen van deDay Dream, die ten laatste in het schemerduister verdwenen, gevoelde zij zich eenzaam en verlaten.Met een diepen zucht keerde Marguerite Blakeney zee en riffen den rug toe en wandelde ze langzaam op „Visscherswelvaren” aan. Naderbij komende, kon ze het aangenaam stemgeluid onderscheiden van Sir Andrew Foulkes, den schaterlach van Lord Anthony Dewhurst, en nu en dan de lijzige, droomerige opmerkingen van haar echtgenoot. Daarna ontwarend hoe eenzaam de weg was, verhaastte ze haar schreden... kort daarop zag ze een vreemdeling haastig op haar afkomen. Marguerite keek niet op, ze was in het minst niet zenuwachtig en „Visscherswelvaren” lag op enkele schreden afstand.De vreemdeling stond stil, toen hij Marguerite vlug op zich zag aankomen, en juist, toen ze op het punt stond hem rakelings te passeeren, zei hij heel kalm:„Burgeres St. Just.”Marguerite uitte een kreet van verbazing, haar meisjesnaam zoo in haar nabijheid te vernemen. Zij zag op naar den vreemdeling, en ditmaal stak ze met een kreet van ongeveinsd genoegen hem beide handen toe.„Chauvelin!” was haar uitroep.„Die ben ik, burgeres, tot uw dienst,” zei de vreemdeling, galant de toppen van haar vingers kussend.Chauvelin was dichter bij de veertig dan bij de dertig, een schrander, gewiekst uitziend persoon, met een sluwe uitdrukking in zijn diepliggende oogen. Hij was dezelfde vreemdeling die, een paar uur geleden, vriendschappelijk met Mr. Jellyband een glas wijn had gedronken.„Chauvelin.... vriend....” zei Marguerite, „het doet me machtig veel plezier u te ontmoeten.”Geen twijfel of de arme Marguerite St. Just, die zich te midden harer grootheid toch zoo eenzaam gevoelde, achtte zich gelukkig een gezicht te zien, dat haar de herinnering voor den geest bracht aan de heerlijke dagen, toen zij in Parijs als koningin troonde in de rue Richelieu. Zij merkte den sarkastischen glimlach niet op, die om de dunne lippen van Chauvelin speelde.„Maar zeg me eens,” voegde zij er vroolijk aan toe, „wat voert u in ’s hemels naam hier in Engeland uit?”Zij had haar wandeling naar de herberg weer hervat, en Chauvelin liep naast haar voort.„Ik mag u wel hetzelfde vragen, schoone dame,” zei hij.„Och, ik?” antwoordde ze schouderophalend. „Ik verveel me een beetje; vriend, ziedaar alles.”Ze waren aan het hek van „Visscherswelvaren” gekomen, maar Marguerite scheen geen lust te hebben binnen te gaan. Chauvelin stond naast haar; zijn sluwe oogen gevestigd houdend op het schoon gelaat, dat zoo lieftallig en kinderlijk zich voordeed in de zachte schemering van een Engelschen najaarsavond.„U verrast mij, burgeres,” zei hij, kalm zijn snuifdoos te voorschijn halend en een snuifje nemend.„Is ’t waar?” vroeg ze luchtig. „Wezenlijk, ik had gedacht, Chauvelin, dat ge begrepen zoudt hebben, dat van een atmosfeer van mist en braafheid Marguerite St. Just niets moet hebben.”„Goeie gunst! Ziet het er zóó erg uit?” vroeg hij met gemaakte ontsteltenis.„Ja zóó erg, en nog erger.”„Vreemd! Nu, ik dacht, dat een mooie vrouw het buitenleven in Engeland heel aantrekkelijk moest vinden.”„Ja! zoo dacht ik er ook over,” zei ze met een zucht. „Maar dat moet al heel erg wezen, ik zou anders niet zoo blij zijn geweest u te zien.”„En dit zoo binnen het jaar van een romantisch huwelijk uit liefde....”„Ja!.... een jaar van een romantisch huwelijk uit liefde.... daar zit ’m juist de kneep...”Chauvelin nam nog een snuifje; hij scheen vrij verslaafd aan deze gewoonte, misschien wel, omdat ze hem in staat stelde de gezichten na te gaan van hen, met wien hij in aanraking kwam.„En het meest werkzame brein van Europa wordt nu gekweld met verveling?”„Ik vleide me met de hoop, vriend Chauvelin, dat gij een middel wist tegen die kwaal.”„Hoe kan ik hopen te zullen slagen in iets, waarin Sir Percy Blakeney te kort is geschoten?”„We zullen Sir Percy voor het oogenblik maar buiten beschouwing laten, waarde vriend,” zei ze droogjes.„Ah! mijn lieve dame excuseer me, maar dat is het juist, wat we kwalijk kunnen,” zei Chauvelin, terwijl hij met een snellen blik zijner sluwe vossenoogen Marguerite trachtte te doorboren. „Ik bezit een allervolmaakst recept tegen den ergsten vorm van „verveling”, dat ik u graag zou willen voorschrijven, maar—”„Wat maar?”„Daar hebben we Sir Percy.”„Wat heeft die ermee te maken?”„Heel wat, vrees ik. Het recept, dat ik u wil aanbieden, draagt een zeer plebejischen naam: „Werk!”„Werk?”Chauvelin zag Marguerite langdurig aan. Het scheen, alsof zijn scherpe oogen al haar gedachten lazen. Zij waren samen alleen, de avond was dood kalm, hun gefluister werd overstemd door het rumoer, dat in de gelagkamer heerschte. Toch trad Chauvelin een paar schreden vooruit, keek snel en scherp om zich heen, en bemerkend, dat niemand hem kon beluisteren, naderde hij andermaal Marguerite.„Wilt u Frankrijk een kleinen dienst bewijzen, burgeres?” vroeg hij, plotseling geheel van toon en manieren veranderd.„La, la, man!” antwoordde ze met geaffecteerde onverschilligheid, „wat zie je er ineens ernstig uit.... wezenlijkik weet niet, of ik Frankrijk een kleinen dienst kan bewijzen—dat zou er toch van moeten afhangen welken.”„Hebt u ooit gehoord van den Rooden Pimpernel, burgeres St. Just?” vroeg Chauvelin kortaf.„Gehoord van den RoodenPimpernel? Maar man! we spreken over niets anders... We hebben hoeden „à la Pimpernel”; onze paarden heeten „Roode Pimpernel”; gisteren bestelde ik bij mijn modiste een blauw kostuum met groen gegarneerd, en verbeeld je, ze noemde dat ook al „à la Roode Pimpernel.””Chauvelin had geen spier bewogen, terwijl ze vroolijk er op los praatte; hij was ernstig gebleven, terwijl zij lachte; zijn duidelijk, hard stemgeluid verhief zich niet boven den fluistertoon, toen hij zei:„Als u dan gehoord hebt van dat raadselachtig personage, burgeres, dan moet u ook begrepen hebben, dat de man, die zijn identiteit verbergt onder dien zonderlingen schuilnaam, de bitterste vijand is onzer Fransche Republiek.... van mannen, zooals Armand St. Just.”„Ja, dat zal wel zoo zijn... Frankrijk heeft veel bittere vijanden in onze dagen.”„Maar u, burgeres, u zijt een dochter van Frankrijk en dient daarom bereid te zijn de behulpzame hand te bieden in oogenblikken van gevaar.”„Mijn broeder Armand wijdt zijn leven aan Frankrijk; wat mij aangaat, ik kan hier in Engeland niets doen...”„Jawel, u... hier, in Engeland, burgeres... u alleen kunt ons van dienst zijn.... Luister!—Ik ben door de Republikeinsche Regeering als haar vertegenwoordiger hier heengezonden. Een mijner plichten hier is, te trachten alles op te sporen omtrent het Verbond van den Rooden Pimpernel. U weet zoo goed als ik, burgeres, dat zoodra die Fransche uitgewekenen eenmaal hier zijn, zij trachten de openbare meening tegen de Republiek op te hitsen... Nu is het in de laatste maand aan een massa royalisten gelukt het Kanaal over te steken. Hun ontsnapping was bij iedere gelegenheid vooraf beraamd, georganiseerd en uitgevoerd door dit Verbond. Alle pogingen van mijn spionnen den leider te ontdekken zijn mislukt; waar anderede handen zijn, is hij het hoofd, dat alles uitdenkt. Ik bedoel, dat hoofd af te slaan, en daarvoor heb ik uw hulp noodig—door hem kan ik later de overige leden van de bende machtig worden: het is een jonge geurmaker uit de Engelsche kringen, daar ben ik zeker van. Tracht dien man voor mij uit te vinden, burgeres!” drong hij aan, „vind hem voor Frankrijk uit!”„Kom! man,” zei ze, „je verbaast me. Waar ter wereld moet ik hem zoeken?”„Gij komt overal, burgeres,” fluisterde Chauvelin, „Lady Blakeney is de spil, waarom de samenleving van Londen draait, zoo heeft men mij gezegd... u ziet enhoortalles.”„Houd je gemak, vriend,” hernam Marguerite, zich in haar volle lengte oprichtend en met eenige verachting neerziende op de kleine, schrale figuur vóór haar. „Houd je gemak! Ge schijnt te vergeten, dat er een zes voet lange Sir Percy Blakeney staat tusschen Lady Blakeney en uw voorstel.”„Om Frankrijks wille, burgeres!” herhaalde Chauvelin ernstig.„Zwijg, man, je praat onzin in ieder geval; want zelfs al wist je, wie die Roode Pimpernel is, zoudt ge hem niets kunnen maken—een Engelschman!”„Daar zou ik mij best aan wagen,” zei Chauvelin met een droog schor lachje. „We konden hem altijd eerst naar de guillotine expedieeren, en mocht er al een diplomatiek lawaai van komen, konden we altijd nog—nederig—bij de Britsche Regeering ons excuus maken en, zoo noodig, de beroofde familie een schadeloosstelling uitbetalen.”„Wat u voorstelt is ijselijk, Chauvelin,” zeide zij, van hem terugtredend als van een stekend insect. „Wie die man ook moge zijn, hij is een dapper en nobel mensch, en nooit—verstaat u mij?—nooit zal ik voor zulk een schanddaad mijn hulp verleenen!”„Gij geeft er dus den voorkeur aan gehoond te worden door iederen Franschen aristokraat, die naar Engeland oversteekt?”„Dat is hier de kwestie niet,” zei ze met gemaakte onverschilligheid.„Ik kan me nog verdedigen, maar ik weiger een of ander vuil werk te doen voor u—of voor Frankrijk. Gij hebt andere middelen tot uw dienst, daarvan moet ge gebruik maken, vriend.”En zonder Chauvelin verder met een blik te verwaardigen, keerde Marguerite Blakeney hem den rug toe en ging regelrecht de herberg binnen.„Dat is uw laatste woord niet, burgeres,” zei Chauvelin, toen het volle licht in de gang haar elegant figuur bestraalde, „we zien elkaar in Londen terug, wil ik hopen!”„We zullen elkaar in Londen weerzien,” zei ze, over haar schouder heen tot hem sprekend, „maar dit is mijn laatste woord.”
De achtermiddag liep snel ten einde; een lange, kille Engelsche najaarsavond wierp een mist over het groene landschap van Kent.
DeDay Dreamhad reeds zee gekozen, alle zeilen bijgezet, en Marguerite Blakeney stond alleen op den rand van een rif een tijdlang het jacht gade te slaan, dat zoo snel het eenig wezen van haar wegvoerde, dat zich werkelijk aan haar liet gelegen liggen.
Op eenigen afstand van haar, aan haar linkerhand,glinsterdende lichten der gelagkamer van „Visscherswelvaren” geelachtig in den toenemenden mist.
Sir Percy had de kieschheid gehad haar alleen te laten. Zij onderstelde, dat hij op zijn eigen domme Joris goedbloedmanier haar wensch in dit opzicht had begrepen, terwijl die blanke zeilen aan den vagen horizont verdwenen. Marguerite was haar echtgenoot voor dit alles steeds dankbaar; zij trachtte altijd haar erkentelijkheid te betoonen voor zijn getrouwe opmerkzaamheden en voor zijn vrijgevigheid, die werkelijk grenzenloos was.
Maar de liefde, de toewijding, die zij tijdens hun verloving altijd had beschouwd als de slaafsche trouw van een hond, scheen totaal te zijn verdwenen. Een vierentwintig uur na de eenvoudige echtverbintenis in St. Roch’s kerspel, had zij hem de geschiedenis verhaald, hoe onbedachtzaam zij zich had uitgelaten over zekere zaken, in verband met den Markies de St. Cyr, in het bijzijn van lieden, die van deze informatie ten nadeele van den Markies gebruik gemaakt, en hem en zijn geheele familie op het schavot gebracht hadden.
Zij haatte den Markies. Jaren geleden had Armand, haar dierbare broeder, Angèle de St. Cyr liefgehad, maar St. Just was een plebejer en de Markies opgeblazen van adeltrots. Op zekeren dag had Armand het gewaagd een klein, geestdriftig, hartstochtelijk geschreven gedicht aan de godin zijner droomen te zenden. Den avond daarop werd hij buiten Parijs door de lakeien van den Markies de St. Cyr gegrepen en op een schandelijke wijze mishandeld, omdat hij zijn oogen had durven opslaan naar de dochter van een aristokraat. Het was een incident, dat in die dagen, een tweetal jaren voor het uitbreken der groote Revolutie, bijna dagelijks in Frankrijk voorviel.
Daarop was de dag der vergelding aangebroken. St. Cyr en zijn stand hadden hun meesters gevonden in diezelfde plebejers, die zij veracht hadden. Armand en Marguerite, beiden intellectueelen, hadden met de geestdrift, hun jaren eigen, de leerstellingen der revolutie aanvaard, terwijl de Markies de St. Cyr en zijn familie voet voor voet streden voor het behoud hunner gewaande rechten. Marguerite, onbedachtzaam, geen rekening houdend met de beteekenis harer woorden, altijd nog pijnlijk aangedaan door de vreeselijke behandeling, welke Armand van den Markies had ondervonden, bracht het toevallig onder haar eigen coterie ter sprake, dat de St. Cyrs in briefwisseling stonden met Oostenrijk, hopende op den steun van den Keizer om de toenemende revolutie in hun land den kop in te drukken.
In die dagen was één beschuldiging voldoende; haar woorden aangaande den Markies de St. Cyr hadden uitwerking binnen 24 uur. Hij werd gearresteerd. Een huiszoeking bracht brieven te voorschijn van den Oostenrijkschen Keizer, de belofte inhoudende van troepenzending ten bate van het bedreigde koningschap. Hij en de zijnen moesten hiervoor met hun leven boeten op het schavot.
Marguerite, ontsteld door de vreeselijke gevolgen harer eigen onbedachtzaamheid, legde een volledige bekentenis ervan af voor haar echtgenoot, in het vertrouwen, dat zijn blinde liefde voor haar hem weldra zou doen vergeten, wat voor zijn aristokratisch oor onaangenaam klonk.
Voorzeker, voor het oogenblik scheen hij het zeer kalmop te nemen; nauwelijks inderdaad bleek hij de bedoeling te begrijpen van al wat zij zeide. Maar wat nog zekerder uitkwam, was, dat zij nimmer daarna het minste blijk kon bespeuren van de liefde, welke zij eertijds geloofde, dat alleen haar was gewijd. Hij bleef dezelfde, steeds passief, druilend, soezig, steeds galant, onveranderlijk een gentleman. Zij bezat al, wat de wereld en een vermogend echtgenoot kunnen schenken aan een schoone vrouw, maar toch op dezen mooien zomeravond, starend naar de blanke zeilen van deDay Dream, die ten laatste in het schemerduister verdwenen, gevoelde zij zich eenzaam en verlaten.
Met een diepen zucht keerde Marguerite Blakeney zee en riffen den rug toe en wandelde ze langzaam op „Visscherswelvaren” aan. Naderbij komende, kon ze het aangenaam stemgeluid onderscheiden van Sir Andrew Foulkes, den schaterlach van Lord Anthony Dewhurst, en nu en dan de lijzige, droomerige opmerkingen van haar echtgenoot. Daarna ontwarend hoe eenzaam de weg was, verhaastte ze haar schreden... kort daarop zag ze een vreemdeling haastig op haar afkomen. Marguerite keek niet op, ze was in het minst niet zenuwachtig en „Visscherswelvaren” lag op enkele schreden afstand.
De vreemdeling stond stil, toen hij Marguerite vlug op zich zag aankomen, en juist, toen ze op het punt stond hem rakelings te passeeren, zei hij heel kalm:
„Burgeres St. Just.”
Marguerite uitte een kreet van verbazing, haar meisjesnaam zoo in haar nabijheid te vernemen. Zij zag op naar den vreemdeling, en ditmaal stak ze met een kreet van ongeveinsd genoegen hem beide handen toe.
„Chauvelin!” was haar uitroep.
„Die ben ik, burgeres, tot uw dienst,” zei de vreemdeling, galant de toppen van haar vingers kussend.
Chauvelin was dichter bij de veertig dan bij de dertig, een schrander, gewiekst uitziend persoon, met een sluwe uitdrukking in zijn diepliggende oogen. Hij was dezelfde vreemdeling die, een paar uur geleden, vriendschappelijk met Mr. Jellyband een glas wijn had gedronken.
„Chauvelin.... vriend....” zei Marguerite, „het doet me machtig veel plezier u te ontmoeten.”
Geen twijfel of de arme Marguerite St. Just, die zich te midden harer grootheid toch zoo eenzaam gevoelde, achtte zich gelukkig een gezicht te zien, dat haar de herinnering voor den geest bracht aan de heerlijke dagen, toen zij in Parijs als koningin troonde in de rue Richelieu. Zij merkte den sarkastischen glimlach niet op, die om de dunne lippen van Chauvelin speelde.
„Maar zeg me eens,” voegde zij er vroolijk aan toe, „wat voert u in ’s hemels naam hier in Engeland uit?”
Zij had haar wandeling naar de herberg weer hervat, en Chauvelin liep naast haar voort.
„Ik mag u wel hetzelfde vragen, schoone dame,” zei hij.
„Och, ik?” antwoordde ze schouderophalend. „Ik verveel me een beetje; vriend, ziedaar alles.”
Ze waren aan het hek van „Visscherswelvaren” gekomen, maar Marguerite scheen geen lust te hebben binnen te gaan. Chauvelin stond naast haar; zijn sluwe oogen gevestigd houdend op het schoon gelaat, dat zoo lieftallig en kinderlijk zich voordeed in de zachte schemering van een Engelschen najaarsavond.
„U verrast mij, burgeres,” zei hij, kalm zijn snuifdoos te voorschijn halend en een snuifje nemend.
„Is ’t waar?” vroeg ze luchtig. „Wezenlijk, ik had gedacht, Chauvelin, dat ge begrepen zoudt hebben, dat van een atmosfeer van mist en braafheid Marguerite St. Just niets moet hebben.”
„Goeie gunst! Ziet het er zóó erg uit?” vroeg hij met gemaakte ontsteltenis.
„Ja zóó erg, en nog erger.”
„Vreemd! Nu, ik dacht, dat een mooie vrouw het buitenleven in Engeland heel aantrekkelijk moest vinden.”
„Ja! zoo dacht ik er ook over,” zei ze met een zucht. „Maar dat moet al heel erg wezen, ik zou anders niet zoo blij zijn geweest u te zien.”
„En dit zoo binnen het jaar van een romantisch huwelijk uit liefde....”
„Ja!.... een jaar van een romantisch huwelijk uit liefde.... daar zit ’m juist de kneep...”
Chauvelin nam nog een snuifje; hij scheen vrij verslaafd aan deze gewoonte, misschien wel, omdat ze hem in staat stelde de gezichten na te gaan van hen, met wien hij in aanraking kwam.
„En het meest werkzame brein van Europa wordt nu gekweld met verveling?”
„Ik vleide me met de hoop, vriend Chauvelin, dat gij een middel wist tegen die kwaal.”
„Hoe kan ik hopen te zullen slagen in iets, waarin Sir Percy Blakeney te kort is geschoten?”
„We zullen Sir Percy voor het oogenblik maar buiten beschouwing laten, waarde vriend,” zei ze droogjes.
„Ah! mijn lieve dame excuseer me, maar dat is het juist, wat we kwalijk kunnen,” zei Chauvelin, terwijl hij met een snellen blik zijner sluwe vossenoogen Marguerite trachtte te doorboren. „Ik bezit een allervolmaakst recept tegen den ergsten vorm van „verveling”, dat ik u graag zou willen voorschrijven, maar—”
„Wat maar?”
„Daar hebben we Sir Percy.”
„Wat heeft die ermee te maken?”
„Heel wat, vrees ik. Het recept, dat ik u wil aanbieden, draagt een zeer plebejischen naam: „Werk!”
„Werk?”
Chauvelin zag Marguerite langdurig aan. Het scheen, alsof zijn scherpe oogen al haar gedachten lazen. Zij waren samen alleen, de avond was dood kalm, hun gefluister werd overstemd door het rumoer, dat in de gelagkamer heerschte. Toch trad Chauvelin een paar schreden vooruit, keek snel en scherp om zich heen, en bemerkend, dat niemand hem kon beluisteren, naderde hij andermaal Marguerite.
„Wilt u Frankrijk een kleinen dienst bewijzen, burgeres?” vroeg hij, plotseling geheel van toon en manieren veranderd.
„La, la, man!” antwoordde ze met geaffecteerde onverschilligheid, „wat zie je er ineens ernstig uit.... wezenlijkik weet niet, of ik Frankrijk een kleinen dienst kan bewijzen—dat zou er toch van moeten afhangen welken.”
„Hebt u ooit gehoord van den Rooden Pimpernel, burgeres St. Just?” vroeg Chauvelin kortaf.
„Gehoord van den RoodenPimpernel? Maar man! we spreken over niets anders... We hebben hoeden „à la Pimpernel”; onze paarden heeten „Roode Pimpernel”; gisteren bestelde ik bij mijn modiste een blauw kostuum met groen gegarneerd, en verbeeld je, ze noemde dat ook al „à la Roode Pimpernel.””
Chauvelin had geen spier bewogen, terwijl ze vroolijk er op los praatte; hij was ernstig gebleven, terwijl zij lachte; zijn duidelijk, hard stemgeluid verhief zich niet boven den fluistertoon, toen hij zei:
„Als u dan gehoord hebt van dat raadselachtig personage, burgeres, dan moet u ook begrepen hebben, dat de man, die zijn identiteit verbergt onder dien zonderlingen schuilnaam, de bitterste vijand is onzer Fransche Republiek.... van mannen, zooals Armand St. Just.”
„Ja, dat zal wel zoo zijn... Frankrijk heeft veel bittere vijanden in onze dagen.”
„Maar u, burgeres, u zijt een dochter van Frankrijk en dient daarom bereid te zijn de behulpzame hand te bieden in oogenblikken van gevaar.”
„Mijn broeder Armand wijdt zijn leven aan Frankrijk; wat mij aangaat, ik kan hier in Engeland niets doen...”
„Jawel, u... hier, in Engeland, burgeres... u alleen kunt ons van dienst zijn.... Luister!—Ik ben door de Republikeinsche Regeering als haar vertegenwoordiger hier heengezonden. Een mijner plichten hier is, te trachten alles op te sporen omtrent het Verbond van den Rooden Pimpernel. U weet zoo goed als ik, burgeres, dat zoodra die Fransche uitgewekenen eenmaal hier zijn, zij trachten de openbare meening tegen de Republiek op te hitsen... Nu is het in de laatste maand aan een massa royalisten gelukt het Kanaal over te steken. Hun ontsnapping was bij iedere gelegenheid vooraf beraamd, georganiseerd en uitgevoerd door dit Verbond. Alle pogingen van mijn spionnen den leider te ontdekken zijn mislukt; waar anderede handen zijn, is hij het hoofd, dat alles uitdenkt. Ik bedoel, dat hoofd af te slaan, en daarvoor heb ik uw hulp noodig—door hem kan ik later de overige leden van de bende machtig worden: het is een jonge geurmaker uit de Engelsche kringen, daar ben ik zeker van. Tracht dien man voor mij uit te vinden, burgeres!” drong hij aan, „vind hem voor Frankrijk uit!”
„Kom! man,” zei ze, „je verbaast me. Waar ter wereld moet ik hem zoeken?”
„Gij komt overal, burgeres,” fluisterde Chauvelin, „Lady Blakeney is de spil, waarom de samenleving van Londen draait, zoo heeft men mij gezegd... u ziet enhoortalles.”
„Houd je gemak, vriend,” hernam Marguerite, zich in haar volle lengte oprichtend en met eenige verachting neerziende op de kleine, schrale figuur vóór haar. „Houd je gemak! Ge schijnt te vergeten, dat er een zes voet lange Sir Percy Blakeney staat tusschen Lady Blakeney en uw voorstel.”
„Om Frankrijks wille, burgeres!” herhaalde Chauvelin ernstig.
„Zwijg, man, je praat onzin in ieder geval; want zelfs al wist je, wie die Roode Pimpernel is, zoudt ge hem niets kunnen maken—een Engelschman!”
„Daar zou ik mij best aan wagen,” zei Chauvelin met een droog schor lachje. „We konden hem altijd eerst naar de guillotine expedieeren, en mocht er al een diplomatiek lawaai van komen, konden we altijd nog—nederig—bij de Britsche Regeering ons excuus maken en, zoo noodig, de beroofde familie een schadeloosstelling uitbetalen.”
„Wat u voorstelt is ijselijk, Chauvelin,” zeide zij, van hem terugtredend als van een stekend insect. „Wie die man ook moge zijn, hij is een dapper en nobel mensch, en nooit—verstaat u mij?—nooit zal ik voor zulk een schanddaad mijn hulp verleenen!”
„Gij geeft er dus den voorkeur aan gehoond te worden door iederen Franschen aristokraat, die naar Engeland oversteekt?”
„Dat is hier de kwestie niet,” zei ze met gemaakte onverschilligheid.„Ik kan me nog verdedigen, maar ik weiger een of ander vuil werk te doen voor u—of voor Frankrijk. Gij hebt andere middelen tot uw dienst, daarvan moet ge gebruik maken, vriend.”
En zonder Chauvelin verder met een blik te verwaardigen, keerde Marguerite Blakeney hem den rug toe en ging regelrecht de herberg binnen.
„Dat is uw laatste woord niet, burgeres,” zei Chauvelin, toen het volle licht in de gang haar elegant figuur bestraalde, „we zien elkaar in Londen terug, wil ik hopen!”
„We zullen elkaar in Londen weerzien,” zei ze, over haar schouder heen tot hem sprekend, „maar dit is mijn laatste woord.”