NEGENDE HOOFDSTUK.

NEGENDE HOOFDSTUK.De overrompeling.Een heldere sterrennacht was op den dag van aanhoudenden regen gevolgd.De prachtige wagen, door het schoonste volbloed vierspan van Engeland getrokken, reed den weg op naar Londen, met Sir Percy Blakeney op den bok, die de teugels hield tusschen zijn tengere vrouwelijke vingers, en naast hem Lady Blakeney, in haar kostbaar marterbont. Sir Percy was een geestdriftig menner; zijn span kwam versch van stal, en Marguerite genoot bij voorbaat eenige uren van eenzaamheid. Zij wist bij ondervinding, dat Sir Percy weinig zou spreken, zooal niet geheel het zwijgen ertoe doen; dikwijls had hij haar bij nacht gereden, zonder meer dan een paar toevallige opmerkingen over het weer of den toestand der wegen te maken. Hij hield er veel van bij nacht te rijden en zij had zich naar deze neiging geschikt. En terwijl ze uren naast hem zat, de vaardige en zekere manier bewonderend, waarmee hij de teugels hanteerde, vroeg zij zich dikwerf af, wat er toch wel in zijn traagdenkend hoofd mocht omgaan. Hij liet er zich nooit over uit, en zij had zich evenmin de moeite gegeven ernaar te vragen.Sir Andrew Foulkes en Lord Anthony Dewhurst hadden zich gemakkelijk in de gelagkamer geïnstalleerd vóór het ontzaglijk haardvuur, dat de waard, in weerwil van den zachten avond, lustig had laten branden.„Zeg eens, Jelly, zijn allen vertrokken?” vroeg Lord Thony, onderwijl de waardige kastelein bezig was glazen en kannen op te ruimen.„Zeg eens, Jelly, zijn allen vertrokken?” (pag. 54).„Zeg eens, Jelly, zijn allen vertrokken?” (pag. 54).„Allen, zooals u ziet, Milord.”„En al uw bedienden naar bed?”„Allen, milord.”„Dan kunnen we hier ongestoord nog een half uurtje praten.”„Tot uw dienst, mylord... Ik zal uw kaarsen hier laten... uw appartementen zijn geheel in orde.”„Mooi zoo, Jelly... en... zeg, doe de lamp maar uit—het vuur in den haard geeft ons licht genoeg.”Mr. Jellyband deed zooals hem verzocht was.„Geef ons een flesch wijn, Jelly.”„Best, meneer!”Jellyband ging heen om den wijn te halen. Het vertrek was nu geheel duister buiten den kring van rossig licht, door de brandende houtblokken gevormd.„Niets meer van uw orders, heeren?” vroeg Jellyband, toen hij terugkwam met een flesch wijn en een paar glazen, die hij op tafel zette.„Zoo, dat zal gaan, dank je, Jelly!” zei lord Thony.„Goedennacht Milord! Goedennacht, sir!”„Goedennacht, Jelly!”Een poos lang werd geen geluid vernomen, zelfs niet in de gelagkamer, behalve het getik van de hangklok en het knetteren van het brandend hout.„Is ’t dezen keer weer goed afgeloopen, Foulkes?” informeerde lord Anthony ten laatste.„Ja,” antwoordde Foulkes in gedachten, „zeer goed!”„Geen hinderpalen?”„Geene.”Lord Anthony schonk nog eens in.„Ik hoef je niet te vragen, geloof ik, ofjijde reis dezen keer plezierig hebt gevonden?”„Neen, vriend, die vraag is onnoodig,” hernam Sir Andrew vroolijk. „Alles liep goed van stapel.”„Dan op haar volkomen welzijn! Een lief, goed meisje is zij, al is ze een Fransche,” zei de joviale Lord Thony, zijn glas ledigend tot op den bodem.„Wel, de volgende reis is het jouw beurt Thony, denk ik,” zei Sir Andrew, „jij met Hastings zeker; ik mag lijden, dat je een even bekoorlijke reisgenoote zult hebben.”„Maar,” vervolgde hij, terwijl een plotselinge ernst hem aangreep, „hoe staan de zaken?”De twee jongelui schoven hun stoelen wat dichter bij elkaar, en instinctmatig, al waren ze alleen, ging hun gesprek in fluisteren over.„Ik sprak Roode Pimpernel onder vier oogen, enkele minuten te Calais,” zei Sir Andrew, „een paar dagen geleden. Hij stak twee dagen vóór ons naar Engeland over. Hij had het gezelschap geëscorteerd van Parijs af, gekleed—neen maar, dat zul je nooit gelooven!—als een oude groentevrouw, en, totdat ze veilig en wel buiten Parijs waren, de huifkar mennend, waarin de Comtesse de Tournay, Mademoiselle Suzanne en de Vicomte onder allerlei koolsoorten verborgen lagen. Hij reed ze recht langs een linie soldaten en het dolzinnige grauw, dat uit alle macht bulkte: „Dood aan de aristokraten!” Maar de groentenkar ging ervan door, te gelijk met een paar andere, en Roode Pimpernel bulderde luider dan wie ook „Dood aan de royalisten!” „Waarachtig!” ging de jongeman voort, terwijl zijn oogen flikkerden van geestdrift voor den beminden leider, „die man is een bovennatuurlijk wezen!”„Hij wenscht jou en Hastings te Calais te ontmoeten,” ging Sir Andrew kalmer voort, „den 2en der volgende maand. Laat eens zien, dat is Woensdag aanstaande.”„Ja.”„Ditmaal is de Graaf de Tournay aan de beurt; een gevaarlijke onderneming; want de Comte, wiens ontsnapping uit zijn kasteel een meesterstuk was, ligt nu met eendoodvonnis bezwaard. Het zal een vreemdsoortige sport zijn hem uit Frankrijk weg te krijgen, en het zal er met jou, vriend, ditmaal om hoûen, of je ’r door komt. St. Just is op het oogenblik op weg om bij hem te komen—natuurlijk heeft niemand tot nog toe erg in St. Just; maar daarna... om beiden uit Frankrijk weg te krijgen! Ik mag lijden nog order te ontvangen om van de partij te zijn.”„Heb je eenige speciale instructies voor mij?”„Ja! en nog wel meer gepreciseerde dan gewoonlijk. Het schijnt, dat de Republikeinsche Regeering een agent naar Engeland heeft gezonden, met name Chauvelin, van wien men zegt, dat hij razend gebeten is op ons Verbond en vast besloten om den leider ervan te ontdekken. Die Chauvelin heeft een heel leger spionnen meegebracht, en onze hoofdman is van gevoelen, dat we zoo weinig mogelijk moeten vergaderen voor aangelegenheden, ons Verbond betreffend, en volstrekt niet, een tijdlang, met elkaar spreken in het publiek. Als hij met ons wenscht te confereeren, zal hij dit laten weten.”De twee jongelieden bukten beiden over het vuur. Sir Andrew had een notitieboekje uit zijn zak gehaald en er een papier uitgenomen, dat hij ontvouwde, en beiden trachtten zij dit bij het flauw rossig haardvuur te lezen. Ze waren er zoo geheel en al mee bezig, dat ze alleen hiervoor oog en oor hadden. Zij sloegen geen acht op de geluiden om hen heen, het vallen van de asch, het eentonig getik der klok, het zacht,bijnaonmerkbaar schuiven van iets over den vloer dicht bij hen. Een gedaante was onder een der banken te voorschijn gekomen, met geruischlooze bewegingen kroop ze nader en nader bij de twee jongelui, met ingehouden adem zachtjes glijdend langs den vloer, in de zwarte duisternis van het vertrek.„Je moet deze instructies eens goed lezen en in je geheugen prenten,” zei Sir Andrew, „daarna ze vernietigen.”Hij zou juist zijn notitieboek wegbergen, toen een smal reepje ervan op den grond viel. Lord Anthony bukte en raapte het op.„Wat is dat?” vroeg hij.„Ik weet het niet,” antwoordde Sir Andrew.„Het viel zoo juist uit je zak. Het bleek niet te behooren bij het andere papier.”Beiden bukten om dit dunne reepje te ontcijferen, waarop haastig een paar woorden gekrast waren, toen eensklaps een gerucht hun aandacht trok, dat uit de gang aan den overkant scheen te komen.„Wat is dat?” riepen beiden instinctmatig. Lord Andrew richtte zich naar de deur, die hij haastig opende; op dit zelfde oogenblik ontving hij een vuistslag tusschen de oogen, die hem gevoelloos in de kamer terugwierp. Tegelijkertijd was de in de duisternis rondkruipende gedaante opgesprongen en viel van achteren den niets vermoedenden Sir Andrew aan, die oogenblikkelijk tegen den grond werd geworpen.Dit alles gebeurde zoo plotseling, dat Lord Anthony of Sir Andrew geen tijd of kans hadden een schreeuw te uiten, of zich tegen de onverhoedsche overrompeling te verzetten. Beiden werden ze door twee mannen aangegrepen, een prop werd hun in den mond geduwd, rug aan rug werden ze gebonden, en aan armen, handen en beenen stevig geboeid.Eén man had onderwijl kalm de deur gesloten; zijn gelaat was gemaskerd, hij zag bewegingloos alles aan.„Volkomen in orde, burger!” zei een der mannen, die de touwen inspecteerde.„Goed!” zei de man bij de deur; „doorzoek nu hun zakken en geef mij al de papieren, die je vindt.”Dit werd spoedig en kalm gedaan. De gemaskerde, na alle papieren in beslag te hebben genomen, luisterde eenige oogenblikken, of eenig geluid in „Visscherswelvaren” werd vernomen. Blijkbaar voldaan, dat niemand hen had gehoord, opende hij andermaal de deur en wees met bevelend gebaar naar de gang. De vier mannen beurden Sir Andrew en Lord Anthony van den grond, en even kalm, even geruischloos als zij waren gekomen, droegen zij de twee geknevelde jongelieden uit de herberg en langs den Doverweg de duisternis in.In de gelagkamer doorliep de gemaskerde aanvoerdervan deze stoute overrompeling vluchtig de gesloten papieren.„Geen kwaad karweitje vandaag,” mompelde hij, zijn masker kalmpjes afnemend, terwijl zijn vossenoogen glinsterden in den rossigen gloed van het haardvuur.Hij opende telkens meer brieven uit Sir Andrew Foulkes’ notitieboek, noteerde het reepje papier, dat beide jongelieden juist tijd hadden gehad om te lezen; maar één brief in ’t bijzonder, geteekend Armand St. Just, scheen hem een heerlijke voldoening te geven.„Armand St. Just toch een verrader in het eind!” mompelde hij. „Welnu schoone Marguerite,” knarsetandde hij, „ik geloof, dat ge mij behulpzaam zult zijn in het uitvinden van den Rooden Pimpernel!”

NEGENDE HOOFDSTUK.De overrompeling.Een heldere sterrennacht was op den dag van aanhoudenden regen gevolgd.De prachtige wagen, door het schoonste volbloed vierspan van Engeland getrokken, reed den weg op naar Londen, met Sir Percy Blakeney op den bok, die de teugels hield tusschen zijn tengere vrouwelijke vingers, en naast hem Lady Blakeney, in haar kostbaar marterbont. Sir Percy was een geestdriftig menner; zijn span kwam versch van stal, en Marguerite genoot bij voorbaat eenige uren van eenzaamheid. Zij wist bij ondervinding, dat Sir Percy weinig zou spreken, zooal niet geheel het zwijgen ertoe doen; dikwijls had hij haar bij nacht gereden, zonder meer dan een paar toevallige opmerkingen over het weer of den toestand der wegen te maken. Hij hield er veel van bij nacht te rijden en zij had zich naar deze neiging geschikt. En terwijl ze uren naast hem zat, de vaardige en zekere manier bewonderend, waarmee hij de teugels hanteerde, vroeg zij zich dikwerf af, wat er toch wel in zijn traagdenkend hoofd mocht omgaan. Hij liet er zich nooit over uit, en zij had zich evenmin de moeite gegeven ernaar te vragen.Sir Andrew Foulkes en Lord Anthony Dewhurst hadden zich gemakkelijk in de gelagkamer geïnstalleerd vóór het ontzaglijk haardvuur, dat de waard, in weerwil van den zachten avond, lustig had laten branden.„Zeg eens, Jelly, zijn allen vertrokken?” vroeg Lord Thony, onderwijl de waardige kastelein bezig was glazen en kannen op te ruimen.„Zeg eens, Jelly, zijn allen vertrokken?” (pag. 54).„Zeg eens, Jelly, zijn allen vertrokken?” (pag. 54).„Allen, zooals u ziet, Milord.”„En al uw bedienden naar bed?”„Allen, milord.”„Dan kunnen we hier ongestoord nog een half uurtje praten.”„Tot uw dienst, mylord... Ik zal uw kaarsen hier laten... uw appartementen zijn geheel in orde.”„Mooi zoo, Jelly... en... zeg, doe de lamp maar uit—het vuur in den haard geeft ons licht genoeg.”Mr. Jellyband deed zooals hem verzocht was.„Geef ons een flesch wijn, Jelly.”„Best, meneer!”Jellyband ging heen om den wijn te halen. Het vertrek was nu geheel duister buiten den kring van rossig licht, door de brandende houtblokken gevormd.„Niets meer van uw orders, heeren?” vroeg Jellyband, toen hij terugkwam met een flesch wijn en een paar glazen, die hij op tafel zette.„Zoo, dat zal gaan, dank je, Jelly!” zei lord Thony.„Goedennacht Milord! Goedennacht, sir!”„Goedennacht, Jelly!”Een poos lang werd geen geluid vernomen, zelfs niet in de gelagkamer, behalve het getik van de hangklok en het knetteren van het brandend hout.„Is ’t dezen keer weer goed afgeloopen, Foulkes?” informeerde lord Anthony ten laatste.„Ja,” antwoordde Foulkes in gedachten, „zeer goed!”„Geen hinderpalen?”„Geene.”Lord Anthony schonk nog eens in.„Ik hoef je niet te vragen, geloof ik, ofjijde reis dezen keer plezierig hebt gevonden?”„Neen, vriend, die vraag is onnoodig,” hernam Sir Andrew vroolijk. „Alles liep goed van stapel.”„Dan op haar volkomen welzijn! Een lief, goed meisje is zij, al is ze een Fransche,” zei de joviale Lord Thony, zijn glas ledigend tot op den bodem.„Wel, de volgende reis is het jouw beurt Thony, denk ik,” zei Sir Andrew, „jij met Hastings zeker; ik mag lijden, dat je een even bekoorlijke reisgenoote zult hebben.”„Maar,” vervolgde hij, terwijl een plotselinge ernst hem aangreep, „hoe staan de zaken?”De twee jongelui schoven hun stoelen wat dichter bij elkaar, en instinctmatig, al waren ze alleen, ging hun gesprek in fluisteren over.„Ik sprak Roode Pimpernel onder vier oogen, enkele minuten te Calais,” zei Sir Andrew, „een paar dagen geleden. Hij stak twee dagen vóór ons naar Engeland over. Hij had het gezelschap geëscorteerd van Parijs af, gekleed—neen maar, dat zul je nooit gelooven!—als een oude groentevrouw, en, totdat ze veilig en wel buiten Parijs waren, de huifkar mennend, waarin de Comtesse de Tournay, Mademoiselle Suzanne en de Vicomte onder allerlei koolsoorten verborgen lagen. Hij reed ze recht langs een linie soldaten en het dolzinnige grauw, dat uit alle macht bulkte: „Dood aan de aristokraten!” Maar de groentenkar ging ervan door, te gelijk met een paar andere, en Roode Pimpernel bulderde luider dan wie ook „Dood aan de royalisten!” „Waarachtig!” ging de jongeman voort, terwijl zijn oogen flikkerden van geestdrift voor den beminden leider, „die man is een bovennatuurlijk wezen!”„Hij wenscht jou en Hastings te Calais te ontmoeten,” ging Sir Andrew kalmer voort, „den 2en der volgende maand. Laat eens zien, dat is Woensdag aanstaande.”„Ja.”„Ditmaal is de Graaf de Tournay aan de beurt; een gevaarlijke onderneming; want de Comte, wiens ontsnapping uit zijn kasteel een meesterstuk was, ligt nu met eendoodvonnis bezwaard. Het zal een vreemdsoortige sport zijn hem uit Frankrijk weg te krijgen, en het zal er met jou, vriend, ditmaal om hoûen, of je ’r door komt. St. Just is op het oogenblik op weg om bij hem te komen—natuurlijk heeft niemand tot nog toe erg in St. Just; maar daarna... om beiden uit Frankrijk weg te krijgen! Ik mag lijden nog order te ontvangen om van de partij te zijn.”„Heb je eenige speciale instructies voor mij?”„Ja! en nog wel meer gepreciseerde dan gewoonlijk. Het schijnt, dat de Republikeinsche Regeering een agent naar Engeland heeft gezonden, met name Chauvelin, van wien men zegt, dat hij razend gebeten is op ons Verbond en vast besloten om den leider ervan te ontdekken. Die Chauvelin heeft een heel leger spionnen meegebracht, en onze hoofdman is van gevoelen, dat we zoo weinig mogelijk moeten vergaderen voor aangelegenheden, ons Verbond betreffend, en volstrekt niet, een tijdlang, met elkaar spreken in het publiek. Als hij met ons wenscht te confereeren, zal hij dit laten weten.”De twee jongelieden bukten beiden over het vuur. Sir Andrew had een notitieboekje uit zijn zak gehaald en er een papier uitgenomen, dat hij ontvouwde, en beiden trachtten zij dit bij het flauw rossig haardvuur te lezen. Ze waren er zoo geheel en al mee bezig, dat ze alleen hiervoor oog en oor hadden. Zij sloegen geen acht op de geluiden om hen heen, het vallen van de asch, het eentonig getik der klok, het zacht,bijnaonmerkbaar schuiven van iets over den vloer dicht bij hen. Een gedaante was onder een der banken te voorschijn gekomen, met geruischlooze bewegingen kroop ze nader en nader bij de twee jongelui, met ingehouden adem zachtjes glijdend langs den vloer, in de zwarte duisternis van het vertrek.„Je moet deze instructies eens goed lezen en in je geheugen prenten,” zei Sir Andrew, „daarna ze vernietigen.”Hij zou juist zijn notitieboek wegbergen, toen een smal reepje ervan op den grond viel. Lord Anthony bukte en raapte het op.„Wat is dat?” vroeg hij.„Ik weet het niet,” antwoordde Sir Andrew.„Het viel zoo juist uit je zak. Het bleek niet te behooren bij het andere papier.”Beiden bukten om dit dunne reepje te ontcijferen, waarop haastig een paar woorden gekrast waren, toen eensklaps een gerucht hun aandacht trok, dat uit de gang aan den overkant scheen te komen.„Wat is dat?” riepen beiden instinctmatig. Lord Andrew richtte zich naar de deur, die hij haastig opende; op dit zelfde oogenblik ontving hij een vuistslag tusschen de oogen, die hem gevoelloos in de kamer terugwierp. Tegelijkertijd was de in de duisternis rondkruipende gedaante opgesprongen en viel van achteren den niets vermoedenden Sir Andrew aan, die oogenblikkelijk tegen den grond werd geworpen.Dit alles gebeurde zoo plotseling, dat Lord Anthony of Sir Andrew geen tijd of kans hadden een schreeuw te uiten, of zich tegen de onverhoedsche overrompeling te verzetten. Beiden werden ze door twee mannen aangegrepen, een prop werd hun in den mond geduwd, rug aan rug werden ze gebonden, en aan armen, handen en beenen stevig geboeid.Eén man had onderwijl kalm de deur gesloten; zijn gelaat was gemaskerd, hij zag bewegingloos alles aan.„Volkomen in orde, burger!” zei een der mannen, die de touwen inspecteerde.„Goed!” zei de man bij de deur; „doorzoek nu hun zakken en geef mij al de papieren, die je vindt.”Dit werd spoedig en kalm gedaan. De gemaskerde, na alle papieren in beslag te hebben genomen, luisterde eenige oogenblikken, of eenig geluid in „Visscherswelvaren” werd vernomen. Blijkbaar voldaan, dat niemand hen had gehoord, opende hij andermaal de deur en wees met bevelend gebaar naar de gang. De vier mannen beurden Sir Andrew en Lord Anthony van den grond, en even kalm, even geruischloos als zij waren gekomen, droegen zij de twee geknevelde jongelieden uit de herberg en langs den Doverweg de duisternis in.In de gelagkamer doorliep de gemaskerde aanvoerdervan deze stoute overrompeling vluchtig de gesloten papieren.„Geen kwaad karweitje vandaag,” mompelde hij, zijn masker kalmpjes afnemend, terwijl zijn vossenoogen glinsterden in den rossigen gloed van het haardvuur.Hij opende telkens meer brieven uit Sir Andrew Foulkes’ notitieboek, noteerde het reepje papier, dat beide jongelieden juist tijd hadden gehad om te lezen; maar één brief in ’t bijzonder, geteekend Armand St. Just, scheen hem een heerlijke voldoening te geven.„Armand St. Just toch een verrader in het eind!” mompelde hij. „Welnu schoone Marguerite,” knarsetandde hij, „ik geloof, dat ge mij behulpzaam zult zijn in het uitvinden van den Rooden Pimpernel!”

NEGENDE HOOFDSTUK.De overrompeling.

Een heldere sterrennacht was op den dag van aanhoudenden regen gevolgd.De prachtige wagen, door het schoonste volbloed vierspan van Engeland getrokken, reed den weg op naar Londen, met Sir Percy Blakeney op den bok, die de teugels hield tusschen zijn tengere vrouwelijke vingers, en naast hem Lady Blakeney, in haar kostbaar marterbont. Sir Percy was een geestdriftig menner; zijn span kwam versch van stal, en Marguerite genoot bij voorbaat eenige uren van eenzaamheid. Zij wist bij ondervinding, dat Sir Percy weinig zou spreken, zooal niet geheel het zwijgen ertoe doen; dikwijls had hij haar bij nacht gereden, zonder meer dan een paar toevallige opmerkingen over het weer of den toestand der wegen te maken. Hij hield er veel van bij nacht te rijden en zij had zich naar deze neiging geschikt. En terwijl ze uren naast hem zat, de vaardige en zekere manier bewonderend, waarmee hij de teugels hanteerde, vroeg zij zich dikwerf af, wat er toch wel in zijn traagdenkend hoofd mocht omgaan. Hij liet er zich nooit over uit, en zij had zich evenmin de moeite gegeven ernaar te vragen.Sir Andrew Foulkes en Lord Anthony Dewhurst hadden zich gemakkelijk in de gelagkamer geïnstalleerd vóór het ontzaglijk haardvuur, dat de waard, in weerwil van den zachten avond, lustig had laten branden.„Zeg eens, Jelly, zijn allen vertrokken?” vroeg Lord Thony, onderwijl de waardige kastelein bezig was glazen en kannen op te ruimen.„Zeg eens, Jelly, zijn allen vertrokken?” (pag. 54).„Zeg eens, Jelly, zijn allen vertrokken?” (pag. 54).„Allen, zooals u ziet, Milord.”„En al uw bedienden naar bed?”„Allen, milord.”„Dan kunnen we hier ongestoord nog een half uurtje praten.”„Tot uw dienst, mylord... Ik zal uw kaarsen hier laten... uw appartementen zijn geheel in orde.”„Mooi zoo, Jelly... en... zeg, doe de lamp maar uit—het vuur in den haard geeft ons licht genoeg.”Mr. Jellyband deed zooals hem verzocht was.„Geef ons een flesch wijn, Jelly.”„Best, meneer!”Jellyband ging heen om den wijn te halen. Het vertrek was nu geheel duister buiten den kring van rossig licht, door de brandende houtblokken gevormd.„Niets meer van uw orders, heeren?” vroeg Jellyband, toen hij terugkwam met een flesch wijn en een paar glazen, die hij op tafel zette.„Zoo, dat zal gaan, dank je, Jelly!” zei lord Thony.„Goedennacht Milord! Goedennacht, sir!”„Goedennacht, Jelly!”Een poos lang werd geen geluid vernomen, zelfs niet in de gelagkamer, behalve het getik van de hangklok en het knetteren van het brandend hout.„Is ’t dezen keer weer goed afgeloopen, Foulkes?” informeerde lord Anthony ten laatste.„Ja,” antwoordde Foulkes in gedachten, „zeer goed!”„Geen hinderpalen?”„Geene.”Lord Anthony schonk nog eens in.„Ik hoef je niet te vragen, geloof ik, ofjijde reis dezen keer plezierig hebt gevonden?”„Neen, vriend, die vraag is onnoodig,” hernam Sir Andrew vroolijk. „Alles liep goed van stapel.”„Dan op haar volkomen welzijn! Een lief, goed meisje is zij, al is ze een Fransche,” zei de joviale Lord Thony, zijn glas ledigend tot op den bodem.„Wel, de volgende reis is het jouw beurt Thony, denk ik,” zei Sir Andrew, „jij met Hastings zeker; ik mag lijden, dat je een even bekoorlijke reisgenoote zult hebben.”„Maar,” vervolgde hij, terwijl een plotselinge ernst hem aangreep, „hoe staan de zaken?”De twee jongelui schoven hun stoelen wat dichter bij elkaar, en instinctmatig, al waren ze alleen, ging hun gesprek in fluisteren over.„Ik sprak Roode Pimpernel onder vier oogen, enkele minuten te Calais,” zei Sir Andrew, „een paar dagen geleden. Hij stak twee dagen vóór ons naar Engeland over. Hij had het gezelschap geëscorteerd van Parijs af, gekleed—neen maar, dat zul je nooit gelooven!—als een oude groentevrouw, en, totdat ze veilig en wel buiten Parijs waren, de huifkar mennend, waarin de Comtesse de Tournay, Mademoiselle Suzanne en de Vicomte onder allerlei koolsoorten verborgen lagen. Hij reed ze recht langs een linie soldaten en het dolzinnige grauw, dat uit alle macht bulkte: „Dood aan de aristokraten!” Maar de groentenkar ging ervan door, te gelijk met een paar andere, en Roode Pimpernel bulderde luider dan wie ook „Dood aan de royalisten!” „Waarachtig!” ging de jongeman voort, terwijl zijn oogen flikkerden van geestdrift voor den beminden leider, „die man is een bovennatuurlijk wezen!”„Hij wenscht jou en Hastings te Calais te ontmoeten,” ging Sir Andrew kalmer voort, „den 2en der volgende maand. Laat eens zien, dat is Woensdag aanstaande.”„Ja.”„Ditmaal is de Graaf de Tournay aan de beurt; een gevaarlijke onderneming; want de Comte, wiens ontsnapping uit zijn kasteel een meesterstuk was, ligt nu met eendoodvonnis bezwaard. Het zal een vreemdsoortige sport zijn hem uit Frankrijk weg te krijgen, en het zal er met jou, vriend, ditmaal om hoûen, of je ’r door komt. St. Just is op het oogenblik op weg om bij hem te komen—natuurlijk heeft niemand tot nog toe erg in St. Just; maar daarna... om beiden uit Frankrijk weg te krijgen! Ik mag lijden nog order te ontvangen om van de partij te zijn.”„Heb je eenige speciale instructies voor mij?”„Ja! en nog wel meer gepreciseerde dan gewoonlijk. Het schijnt, dat de Republikeinsche Regeering een agent naar Engeland heeft gezonden, met name Chauvelin, van wien men zegt, dat hij razend gebeten is op ons Verbond en vast besloten om den leider ervan te ontdekken. Die Chauvelin heeft een heel leger spionnen meegebracht, en onze hoofdman is van gevoelen, dat we zoo weinig mogelijk moeten vergaderen voor aangelegenheden, ons Verbond betreffend, en volstrekt niet, een tijdlang, met elkaar spreken in het publiek. Als hij met ons wenscht te confereeren, zal hij dit laten weten.”De twee jongelieden bukten beiden over het vuur. Sir Andrew had een notitieboekje uit zijn zak gehaald en er een papier uitgenomen, dat hij ontvouwde, en beiden trachtten zij dit bij het flauw rossig haardvuur te lezen. Ze waren er zoo geheel en al mee bezig, dat ze alleen hiervoor oog en oor hadden. Zij sloegen geen acht op de geluiden om hen heen, het vallen van de asch, het eentonig getik der klok, het zacht,bijnaonmerkbaar schuiven van iets over den vloer dicht bij hen. Een gedaante was onder een der banken te voorschijn gekomen, met geruischlooze bewegingen kroop ze nader en nader bij de twee jongelui, met ingehouden adem zachtjes glijdend langs den vloer, in de zwarte duisternis van het vertrek.„Je moet deze instructies eens goed lezen en in je geheugen prenten,” zei Sir Andrew, „daarna ze vernietigen.”Hij zou juist zijn notitieboek wegbergen, toen een smal reepje ervan op den grond viel. Lord Anthony bukte en raapte het op.„Wat is dat?” vroeg hij.„Ik weet het niet,” antwoordde Sir Andrew.„Het viel zoo juist uit je zak. Het bleek niet te behooren bij het andere papier.”Beiden bukten om dit dunne reepje te ontcijferen, waarop haastig een paar woorden gekrast waren, toen eensklaps een gerucht hun aandacht trok, dat uit de gang aan den overkant scheen te komen.„Wat is dat?” riepen beiden instinctmatig. Lord Andrew richtte zich naar de deur, die hij haastig opende; op dit zelfde oogenblik ontving hij een vuistslag tusschen de oogen, die hem gevoelloos in de kamer terugwierp. Tegelijkertijd was de in de duisternis rondkruipende gedaante opgesprongen en viel van achteren den niets vermoedenden Sir Andrew aan, die oogenblikkelijk tegen den grond werd geworpen.Dit alles gebeurde zoo plotseling, dat Lord Anthony of Sir Andrew geen tijd of kans hadden een schreeuw te uiten, of zich tegen de onverhoedsche overrompeling te verzetten. Beiden werden ze door twee mannen aangegrepen, een prop werd hun in den mond geduwd, rug aan rug werden ze gebonden, en aan armen, handen en beenen stevig geboeid.Eén man had onderwijl kalm de deur gesloten; zijn gelaat was gemaskerd, hij zag bewegingloos alles aan.„Volkomen in orde, burger!” zei een der mannen, die de touwen inspecteerde.„Goed!” zei de man bij de deur; „doorzoek nu hun zakken en geef mij al de papieren, die je vindt.”Dit werd spoedig en kalm gedaan. De gemaskerde, na alle papieren in beslag te hebben genomen, luisterde eenige oogenblikken, of eenig geluid in „Visscherswelvaren” werd vernomen. Blijkbaar voldaan, dat niemand hen had gehoord, opende hij andermaal de deur en wees met bevelend gebaar naar de gang. De vier mannen beurden Sir Andrew en Lord Anthony van den grond, en even kalm, even geruischloos als zij waren gekomen, droegen zij de twee geknevelde jongelieden uit de herberg en langs den Doverweg de duisternis in.In de gelagkamer doorliep de gemaskerde aanvoerdervan deze stoute overrompeling vluchtig de gesloten papieren.„Geen kwaad karweitje vandaag,” mompelde hij, zijn masker kalmpjes afnemend, terwijl zijn vossenoogen glinsterden in den rossigen gloed van het haardvuur.Hij opende telkens meer brieven uit Sir Andrew Foulkes’ notitieboek, noteerde het reepje papier, dat beide jongelieden juist tijd hadden gehad om te lezen; maar één brief in ’t bijzonder, geteekend Armand St. Just, scheen hem een heerlijke voldoening te geven.„Armand St. Just toch een verrader in het eind!” mompelde hij. „Welnu schoone Marguerite,” knarsetandde hij, „ik geloof, dat ge mij behulpzaam zult zijn in het uitvinden van den Rooden Pimpernel!”

Een heldere sterrennacht was op den dag van aanhoudenden regen gevolgd.

De prachtige wagen, door het schoonste volbloed vierspan van Engeland getrokken, reed den weg op naar Londen, met Sir Percy Blakeney op den bok, die de teugels hield tusschen zijn tengere vrouwelijke vingers, en naast hem Lady Blakeney, in haar kostbaar marterbont. Sir Percy was een geestdriftig menner; zijn span kwam versch van stal, en Marguerite genoot bij voorbaat eenige uren van eenzaamheid. Zij wist bij ondervinding, dat Sir Percy weinig zou spreken, zooal niet geheel het zwijgen ertoe doen; dikwijls had hij haar bij nacht gereden, zonder meer dan een paar toevallige opmerkingen over het weer of den toestand der wegen te maken. Hij hield er veel van bij nacht te rijden en zij had zich naar deze neiging geschikt. En terwijl ze uren naast hem zat, de vaardige en zekere manier bewonderend, waarmee hij de teugels hanteerde, vroeg zij zich dikwerf af, wat er toch wel in zijn traagdenkend hoofd mocht omgaan. Hij liet er zich nooit over uit, en zij had zich evenmin de moeite gegeven ernaar te vragen.

Sir Andrew Foulkes en Lord Anthony Dewhurst hadden zich gemakkelijk in de gelagkamer geïnstalleerd vóór het ontzaglijk haardvuur, dat de waard, in weerwil van den zachten avond, lustig had laten branden.

„Zeg eens, Jelly, zijn allen vertrokken?” vroeg Lord Thony, onderwijl de waardige kastelein bezig was glazen en kannen op te ruimen.

„Zeg eens, Jelly, zijn allen vertrokken?” (pag. 54).„Zeg eens, Jelly, zijn allen vertrokken?” (pag. 54).

„Zeg eens, Jelly, zijn allen vertrokken?” (pag. 54).

„Allen, zooals u ziet, Milord.”

„En al uw bedienden naar bed?”

„Allen, milord.”

„Dan kunnen we hier ongestoord nog een half uurtje praten.”

„Tot uw dienst, mylord... Ik zal uw kaarsen hier laten... uw appartementen zijn geheel in orde.”

„Mooi zoo, Jelly... en... zeg, doe de lamp maar uit—het vuur in den haard geeft ons licht genoeg.”

Mr. Jellyband deed zooals hem verzocht was.

„Geef ons een flesch wijn, Jelly.”

„Best, meneer!”

Jellyband ging heen om den wijn te halen. Het vertrek was nu geheel duister buiten den kring van rossig licht, door de brandende houtblokken gevormd.

„Niets meer van uw orders, heeren?” vroeg Jellyband, toen hij terugkwam met een flesch wijn en een paar glazen, die hij op tafel zette.

„Zoo, dat zal gaan, dank je, Jelly!” zei lord Thony.

„Goedennacht Milord! Goedennacht, sir!”

„Goedennacht, Jelly!”

Een poos lang werd geen geluid vernomen, zelfs niet in de gelagkamer, behalve het getik van de hangklok en het knetteren van het brandend hout.

„Is ’t dezen keer weer goed afgeloopen, Foulkes?” informeerde lord Anthony ten laatste.

„Ja,” antwoordde Foulkes in gedachten, „zeer goed!”

„Geen hinderpalen?”

„Geene.”

Lord Anthony schonk nog eens in.

„Ik hoef je niet te vragen, geloof ik, ofjijde reis dezen keer plezierig hebt gevonden?”

„Neen, vriend, die vraag is onnoodig,” hernam Sir Andrew vroolijk. „Alles liep goed van stapel.”

„Dan op haar volkomen welzijn! Een lief, goed meisje is zij, al is ze een Fransche,” zei de joviale Lord Thony, zijn glas ledigend tot op den bodem.

„Wel, de volgende reis is het jouw beurt Thony, denk ik,” zei Sir Andrew, „jij met Hastings zeker; ik mag lijden, dat je een even bekoorlijke reisgenoote zult hebben.”

„Maar,” vervolgde hij, terwijl een plotselinge ernst hem aangreep, „hoe staan de zaken?”

De twee jongelui schoven hun stoelen wat dichter bij elkaar, en instinctmatig, al waren ze alleen, ging hun gesprek in fluisteren over.

„Ik sprak Roode Pimpernel onder vier oogen, enkele minuten te Calais,” zei Sir Andrew, „een paar dagen geleden. Hij stak twee dagen vóór ons naar Engeland over. Hij had het gezelschap geëscorteerd van Parijs af, gekleed—neen maar, dat zul je nooit gelooven!—als een oude groentevrouw, en, totdat ze veilig en wel buiten Parijs waren, de huifkar mennend, waarin de Comtesse de Tournay, Mademoiselle Suzanne en de Vicomte onder allerlei koolsoorten verborgen lagen. Hij reed ze recht langs een linie soldaten en het dolzinnige grauw, dat uit alle macht bulkte: „Dood aan de aristokraten!” Maar de groentenkar ging ervan door, te gelijk met een paar andere, en Roode Pimpernel bulderde luider dan wie ook „Dood aan de royalisten!” „Waarachtig!” ging de jongeman voort, terwijl zijn oogen flikkerden van geestdrift voor den beminden leider, „die man is een bovennatuurlijk wezen!”

„Hij wenscht jou en Hastings te Calais te ontmoeten,” ging Sir Andrew kalmer voort, „den 2en der volgende maand. Laat eens zien, dat is Woensdag aanstaande.”

„Ja.”

„Ditmaal is de Graaf de Tournay aan de beurt; een gevaarlijke onderneming; want de Comte, wiens ontsnapping uit zijn kasteel een meesterstuk was, ligt nu met eendoodvonnis bezwaard. Het zal een vreemdsoortige sport zijn hem uit Frankrijk weg te krijgen, en het zal er met jou, vriend, ditmaal om hoûen, of je ’r door komt. St. Just is op het oogenblik op weg om bij hem te komen—natuurlijk heeft niemand tot nog toe erg in St. Just; maar daarna... om beiden uit Frankrijk weg te krijgen! Ik mag lijden nog order te ontvangen om van de partij te zijn.”

„Heb je eenige speciale instructies voor mij?”

„Ja! en nog wel meer gepreciseerde dan gewoonlijk. Het schijnt, dat de Republikeinsche Regeering een agent naar Engeland heeft gezonden, met name Chauvelin, van wien men zegt, dat hij razend gebeten is op ons Verbond en vast besloten om den leider ervan te ontdekken. Die Chauvelin heeft een heel leger spionnen meegebracht, en onze hoofdman is van gevoelen, dat we zoo weinig mogelijk moeten vergaderen voor aangelegenheden, ons Verbond betreffend, en volstrekt niet, een tijdlang, met elkaar spreken in het publiek. Als hij met ons wenscht te confereeren, zal hij dit laten weten.”

De twee jongelieden bukten beiden over het vuur. Sir Andrew had een notitieboekje uit zijn zak gehaald en er een papier uitgenomen, dat hij ontvouwde, en beiden trachtten zij dit bij het flauw rossig haardvuur te lezen. Ze waren er zoo geheel en al mee bezig, dat ze alleen hiervoor oog en oor hadden. Zij sloegen geen acht op de geluiden om hen heen, het vallen van de asch, het eentonig getik der klok, het zacht,bijnaonmerkbaar schuiven van iets over den vloer dicht bij hen. Een gedaante was onder een der banken te voorschijn gekomen, met geruischlooze bewegingen kroop ze nader en nader bij de twee jongelui, met ingehouden adem zachtjes glijdend langs den vloer, in de zwarte duisternis van het vertrek.

„Je moet deze instructies eens goed lezen en in je geheugen prenten,” zei Sir Andrew, „daarna ze vernietigen.”

Hij zou juist zijn notitieboek wegbergen, toen een smal reepje ervan op den grond viel. Lord Anthony bukte en raapte het op.

„Wat is dat?” vroeg hij.

„Ik weet het niet,” antwoordde Sir Andrew.

„Het viel zoo juist uit je zak. Het bleek niet te behooren bij het andere papier.”

Beiden bukten om dit dunne reepje te ontcijferen, waarop haastig een paar woorden gekrast waren, toen eensklaps een gerucht hun aandacht trok, dat uit de gang aan den overkant scheen te komen.

„Wat is dat?” riepen beiden instinctmatig. Lord Andrew richtte zich naar de deur, die hij haastig opende; op dit zelfde oogenblik ontving hij een vuistslag tusschen de oogen, die hem gevoelloos in de kamer terugwierp. Tegelijkertijd was de in de duisternis rondkruipende gedaante opgesprongen en viel van achteren den niets vermoedenden Sir Andrew aan, die oogenblikkelijk tegen den grond werd geworpen.

Dit alles gebeurde zoo plotseling, dat Lord Anthony of Sir Andrew geen tijd of kans hadden een schreeuw te uiten, of zich tegen de onverhoedsche overrompeling te verzetten. Beiden werden ze door twee mannen aangegrepen, een prop werd hun in den mond geduwd, rug aan rug werden ze gebonden, en aan armen, handen en beenen stevig geboeid.

Eén man had onderwijl kalm de deur gesloten; zijn gelaat was gemaskerd, hij zag bewegingloos alles aan.

„Volkomen in orde, burger!” zei een der mannen, die de touwen inspecteerde.

„Goed!” zei de man bij de deur; „doorzoek nu hun zakken en geef mij al de papieren, die je vindt.”

Dit werd spoedig en kalm gedaan. De gemaskerde, na alle papieren in beslag te hebben genomen, luisterde eenige oogenblikken, of eenig geluid in „Visscherswelvaren” werd vernomen. Blijkbaar voldaan, dat niemand hen had gehoord, opende hij andermaal de deur en wees met bevelend gebaar naar de gang. De vier mannen beurden Sir Andrew en Lord Anthony van den grond, en even kalm, even geruischloos als zij waren gekomen, droegen zij de twee geknevelde jongelieden uit de herberg en langs den Doverweg de duisternis in.

In de gelagkamer doorliep de gemaskerde aanvoerdervan deze stoute overrompeling vluchtig de gesloten papieren.

„Geen kwaad karweitje vandaag,” mompelde hij, zijn masker kalmpjes afnemend, terwijl zijn vossenoogen glinsterden in den rossigen gloed van het haardvuur.

Hij opende telkens meer brieven uit Sir Andrew Foulkes’ notitieboek, noteerde het reepje papier, dat beide jongelieden juist tijd hadden gehad om te lezen; maar één brief in ’t bijzonder, geteekend Armand St. Just, scheen hem een heerlijke voldoening te geven.

„Armand St. Just toch een verrader in het eind!” mompelde hij. „Welnu schoone Marguerite,” knarsetandde hij, „ik geloof, dat ge mij behulpzaam zult zijn in het uitvinden van den Rooden Pimpernel!”


Back to IndexNext