ACHTTIENDE HOOFDSTUK.De Roode Pimpernel.Op welk oogenblik eigenlijk de vreemdsoortige twijfel bij haar was opgekomen, hiervan kon Marguerite zich later geen rekenschap geven. Met den ring stevig tusschen haar vingers gekneld, was ze het studeervertrek uitgesneld, de trappen af naar het park, waar ze, alleen zijnde met de bloemen, de rivier en de vogels, het kleinood op haar gemak kon beschouwen en het devies ervan, zoo mogelijk, ontraadselen.Och! Maar het was toch eigenlijk belachelijk! Ze wasbepaald onder den invloed eener hallucinatie en zag iets geheimzinnigs in de meest alledaagsche toevalligheden! Had niet iedereen in den laatsten tijd de leus bij zich gedragen van dien geheimzinnigen Rooden Pimpernel?Droeg ze die zelf niet bij zich, geborduurd op haar kanten zakdoeken? Wat vreemds lag erin, dat Sir Percy dit devies op een zegelring had laten graveeren... en welk verband kon er dan nog bestaan tusschen haar modejonker van een echtgenoot met zijn keurige kleeding, zijn „wat kan het me schelen” doen en laten, en den alles trotseerenden samenzweerder, die Fransche slachtoffers uit de klauwen bevrijdde van bloeddorstige tijgers der revolutie?Ze schrikte op, toen een jeugdig frisch stemgeluid haar toeriep in het park: „Chérie!—Chérie!waar ben je?” en de kleine Suzanne kwam aansnellen over het grasperk.„Men heeft me gezegd, dat je in het park waart,” ging deze voort met haar vroolijk gekakel en in Marguerite’s armen snellend.„Daarom ben ik maar komen aanvliegen, om je te verrassen. Je zult me zoo gauw wel niet verwacht hebben, is het wel, mijn lieve, beste Margootje?”Marguerite, die haastig den ring had weggestopt, trachtte met het opgewonden meisje in evenwicht te blijven.„Ja, zeker, mijn beste, ik vind het heerlijk je zoo geheel voor mij alleen te hebben, een heelen langen dag...”Arm in arm begonnen ze haar wandeling door het park.„Wat heb je hier een lieve woning, beste Margot,” zei de kleine Suzanne in extase, „en hoe gelukkig moet je je niet gevoelen!”„Ja, dat is zeker! Ik moest gelukkig zijn—is ’t niet, lieve?” zei Marguerite.„Wat zeg je dat treurig,Chérie. Komaan, ik moet onderstellen, dat, nu je een getrouwde vrouw bent, je er niets tegen zult hebben mij een geheim toe te vertrouwen. Och, och, wat hebben we met elkaar op school al niet afgehandeld! Weet je ’t nog wel, dat we sommige geheimpjes aan zuster Thérèse niet openbaarden—en toch was ze zoo’n lieve zuster hé?”„En nu heb je al een heel belangrijk geheim, hékleine?” zei Marguerite vroolijk, „en ik weet, dat ik daarvan terstond deelgenoote mag zijn. Nu bloos maar niet, lieve,” ging ze voort, ziende dat een purperrood het gezichtje van Suzanne overtoog. „Je behoeft je er volstrekt niet voor te schamen! Hij is een nobel en oprecht man, op wien je als een verloofde trotsch mag zijn, en... als echtgenoot des te meer.”„Och neen,Chérie, ik ben volstrekt niet verlegen,” zei Suzanne zachtjes, „en het maakt me al zeer trotsch je zoo over hem te hooren spreken. Ik geloof wel, dat Mama haar toestemming zal geven,” zei ze peinzend, „en och, ik zal me natuurlijk zoo gelukkig gevoelen—maar er valt nog aan niets te denken, voordat Papa in veiligheid is...”Marguerite schrikte eensklaps. Suzanne’s vader! De Graaf de Tournay!—een van hen, wier leven in gevaar moest verkeeren, als het Chauvelin gelukte den Rooden Pimpernel te ontdekken.Terwijl Suzanne—van alles onbewust—behalve van haar eigen allerbelangrijkst geheimpje, al voortging met kakelen, dwaalden Marguerite’s gedachten terug naar de gebeurtenissen van den afgeloopen nacht en naar haar eigen aandeel in de geschiedenis, welke tegen één uur in de eetzaal van Lord Grenville zijn beslag zou gekregen hebben.Zij had daarna niets meer van Chauvelin vernomen. Ze had eruit afgeleid, dat zijn toeleg was mislukt, en toch had ze zich niet angstig gemaakt om Armand, omdat haar echtgenoot beloofd had haar broeder te redden.Maar nu, eensklaps, terwijl Suzanne vroolijk voortging met haar gebabbel, greep een ontzettende schrik haar aan over hetgeen háár werk was geweest. Chauvelin, het is waar, had haar niets gezegd, maar zij herinnerde zich zijn sarkastischen en boosaardigen blik, toen zij afscheid van hem nam na het bal. Had hij toen soms reeds iets ontdekt? Had hij zijn plan reeds beraamd om het spoor te volgen en in Frankrijk de hand te leggen op den stoutmoedigen samenzweerder, om hem zonder eenig uitstel naar de guillotine te zenden?Marguerite dacht van ontzetting te bezwijken, haar vingers klemden zich om den ring, dien ze verborgen hield onder haar kleeding.„Je luistert niet,Chérie!” riep Suzanne luidkeels.„Toch wel, toch wel, lieveling”—zei Marguerite met een gedwongen glimlach. „Ik houd ervan je te hooren praten... en je geluk verschaft me zoo’n innige voldoening... Wees maar niet bang, we zullen er wel voor zorgen, dat Mama niets in den weg zal leggen. Sir Andrew Foulkes is een nobel Engelsch gentleman; hij bezit fortuin en rang, de Comtesse zal haar toestemming niet weigeren... Maar... nu, lieve... vertel me eens... wat is het laatste bericht omtrent je Papa?”„Het gunstigste, dat we maar konden vernemen. Lord Hastings kwam dezen morgen, heel in de vroegte, Mama spreken. Hij zei, dat het met Papa nu heel goed ging en we hem binnen vier dagen goed en wel hier in Engeland kunnen verwachten. Neen, we zijn niet bang op het oogenblik! Je weet zeker niet,Chérie, dat de groote en edele Roode Pimpernel zelf erop uitgegaan is om Papa te redden. Hij is vertrokken,Chérie... werkelijk vertrokken...” ging Suzanne opgewonden voort. „Hij was dezen morgen in Londen, morgen denkelijk is hij in Calais... waar hij Papa zal ontmoeten... en dan... en dan...”De slag was gevallen. Marguerite had het al dien tijd vermoed, hoewel ze in het laatste half uur getracht had zichzelf te misleiden. Hij was naar Calais gegaan, was dezen morgen in Londen geweest...hij... de Roode Pimpernel... Percy Blakeney... haar echtgenoot... dien ze gisteren nacht aan Chauvelin had verraden...Percy... Percy... haar echtgenoot... de Roode Pimpernel... Oh! hoe had ze toch zoo blind kunnen zijn? Zij begreep nu opeens alles... de rol, die hij speelde, het mom, dat hij droeg... om iedereen zand in de oogen te strooien.Misschien was hij voornemens geweest het haar te zeggen, als ze eerst getrouwd waren. En toen was hem de geschiedenis van den markies de St. Cyr ter oore gekomen en had hij zich plotseling van haar afgekeerd,in de onderstelling voorzeker, dat ze hem en zijn kameraden den een of anderen dag ook zou verraden. Daarom had hij haar op een dwaalspoor gebracht, zooals hij alle anderen een poets had gespeeld.Het masker van den beuzeligen grappenmaker was zeer goed geweest en de rol kon niet beter gespeeld zijn. Geen wonder dat Chauvelin’s spionnen niet geslaagd waren in den oogenschijnlijk hersenloozen clown den man te ontdekken, wiens roekelooze stoutmoedigheid en vernuft den slimsten Franschen spionnen het spoor bijster had doen worden. En zelfs gisteren nacht, toen Chauvelin zich begaf naar Lord Grenville’s eetzaal, om dien onversaagden Rooden Pimpernel te ontmoeten, had deze enkel dien zotten Sir Percy Blakeney in diepen slaap aangetroffen, op een canapé, in een afgelegen hoek!Zou Chauvelin’s listige vossenaard het geheim hebben doorgrond? Hierin lag heel het vreeselijk, ontzettend en wonderbaar raadsel. Door een naamloozen vreemdeling te verraden, ten einde haren broeder te redden, had Marguerite Blakeney over haar echtgenoot het doodvonnis geveld.Neen! Neen! Neen! duizendmaal neen!„Maar wat scheelt er toch aan,Chérie?” drong de kleine Suzanne aan, nu werkelijk verontrust, want Marguerite’s gelaat was aschkleurig geworden. „Ben je ziek, Margot? Wat scheelt eraan?”„Niets, niets kind,” prevelde deze als in een droom. „Wacht even... laat me denken... denken!... Je zei... de Roode Pimpernel is vandaag vertrokken...?”„Marguerite, lieve, wat scheelt je? Je jaagt me schrik aan...”„’t Is niets, kind, zeg ik je... niets... We zullen het vandaag kort moeten maken... het kan gebeuren, dat ik op reis zal moeten—begrijpt ge?”„Ik begrijp, dat er iets is voorgevallen,Chérie, en je behoefte hebt alleen te zijn. Stoor je niet aan mij. Mijn kamenier is nog niet weg... we gaan samen naar huis... stoor je aan mij niet.”Met een spontaan opwellend gevoel viel Suzanne haar vriendin om den hals.Als kind besefte zij de bitterheid van het verdriet harer landgenoote en met oneindigen tact vermeed zij iederen schijn om achter de oorzaak ervan te willen komen, integendeel zij maakte zich gereed tot vertrek.Herhaaldelijk kuste zij Marguerite en verwijderde zich treurig langs het grasperk. Lady Blakeney verroerde zich niet, zij bleef staan in diep gepeins... overleggend wat haar te doen stond.Juist zou Suzanne de treden opgaan van het terras, toen een stalknecht om den hoek van het huis kwam aansnellen, in de richting, waar Marguerite zich bevond. Hij had een gezegelden brief in zijn hand. Suzanne keerde onwillekeurig terug op haar schreden: haar hart zei haar, dat er misschien meer ongunstig nieuws voor haar vriendin in aantocht was, en zij gevoelde, dat haar arme Margot niet in staat zou zijn meer te dragen.Eerbiedig bleef de rijknecht staan naast zijn meesteres en overhandigde haar den brief.„Wat is dit?” vroeg Marguerite.„Zoo even per expresse aangekomen, milady.”Werktuigelijk nam ze den brief en draaide hem rond tusschen haar bevende vingers.„Van wien komt deze?” vroeg ze verder.„De koerier zei, dat zijn orders luidden den brief enkel af te geven, en mevrouw de barones wel zou begrijpen van wien hij kwam.”Marguerite scheurde de enveloppe open. Haar voorgevoel zei haar reeds, wat die inhield en werktuigelijk liet ze haar oogen erop vallen.Het was de brief, door Armand St. Just geschreven aan Sir Andrew Foulkes, de brief door Chauvelin’s spionnen gestolen in de herberg „Visscherswelvaren” te Dover.Chauvelin had woord gehouden, hij had den brief van St. Just teruggezonden... Hij was de roode Pimpernel op het spoor.„Breng den koerier bij me,” beval ze den rijknecht, schijnbaar bedaard. „Hij is toch niet vertrokken?”„Neen, milady.”De stalknecht spoedde zich heen. Marguerite wendde zich tot Suzanne:„Lieve, loop eens gauw naar binnen en zeg je kamenier zich gereed te houden. Ik zal je naar huis moeten sturen, kind. Wacht even—zeg aan een mijner gedienstigen, dat ze een reiskostuum en mantel voor me uitlegt.”Suzanne antwoordde niets. Innig kuste ze Marguerite en gehoorzaamde blindelings.Een minuut later kwam de rijknecht terug, gevolgd door den koerier, die den brief had gebracht.„Wie gaf u deze enveloppe?” vroeg Marguerite.„Een heer, milady,” antwoordde de man, „in het koffiehuis „De Roos en de Distel” tegenover Charingdron. Hij zei, dat u er van wist.”„Wat voerde hij daar uit?”„Hij wachtte een postwagen, dien hij besteld had, milady.”„Een postwagen?”„Ja, milady. Een expresse-rijtuig had hij besteld. Ik begreep van zijn bediende, dat het regelrecht op Dover aanging.”„Dat ’s genoeg. Je kunt gaan.” En tot haar rijknecht: „Mijn reiswagen en de vier snelste paarden, dadelijk inspannen!”Rijknecht en koerier spoedden zich haastig voort. Een oogenblik bleef Marguerite alleen staan op het grasperk. Haar aanvallige gestalte geleek een marmeren standbeeld, haar oogen stonden strak, haar handen kruisten zich op haar borst.„Wat te doen? Wat te doen? Waar zal ik hem vinden? O, mijn God! Schenk mij licht in deze duisternis!”Onwetend—en in al zijn verschrikkingen daagde het voor haar geest—had ze de vreeselijkste misdaad begaan, waartoe een vrouw ooit kon geraken. Haar verblindheid, waardoor ze het geheim van haar echtgenoot niet had doorzien, kwam haar nu voor als een nieuw vergrijp. Zij had het moeten weten, dienen te vermoeden, wat Percy in zijn schild voerde!Zij althans had in de eerste plaats moeten weten, dathij een mom had voorgedaan, en tot die wetenschap geraakt zijnde, had ze het hem onder vier oogen moeten afrukken van zijn gezicht.Percy was naar Calais vertrokken, totaal onbewust van het feit, dat zijn onmeedoogendste vijand hem op de hielen zat. Vroegtijdig was hij dien morgen van Londen Bridge onder zeil gegaan. Zoo hij maar gunstigen wind had, kon hij binnen vierentwintig uur in Frankrijk landen, zonder twijfel had hij gerekend op den wind—en zijn weg gekozen.Chauvelin, van zijn kant, zou naar Dover snellen, daar een jacht huren en zeker omtrent denzelfden tijd te Calais aankomen. Eenmaal te Calais zijnde, zou Percy allen aantreffen, die wachtende waren op de komst van den edelen en onversaagden Rooden Pimpernel, hun grootmoedigen redder. Terwijl de vossenoogen van Chauvelin thans iedere beweging van zijn tegenstander nagluurden, zette Percy niet alleen zijn eigen leven op het spel, maar ook dat van Suzanne’s vader, den ouden Graaf de Tournay en van anderen uitgewekenen, die den koenen Engelschman verbeidden en hun vertrouwen in hem stelden. Onder dezen bevond zich ook Armand, die de Tournay was gaan opzoeken, zich veilig achtend in de overtuiging, dat de Roode Pimpernel op aller behoud bedacht was.Het lot van al deze menschenlevens, dat van haar echtgenoot in de eerste plaats, lag in Marguerite’s hand; allen moest zij redden, indien menschelijke schranderheid en overleg waren opgewassen tegen zulk een taak.Ongelukkig kon zij dit alles niet geheel alleen verrichten. Eenmaal te Calais zijnde, zou ze niet weten, waar haar echtgenoot te vinden, terwijl Chauvelin bij den diefstal te Dover de geheele reisroute was te weten gekomen. Boven alles wenschte ze Percy te waarschuwen.Zij kende hem wel genoeg om te begrijpen, dat hij nimmer hèn aan hun lot zou overlaten, die hun vertrouwen in hem gesteld hadden, dat hij nimmer zou terugdeinzen voor het gevaar en den Graaf de Tournay in de klauwen laten vallen van bloeddorstige tijgers. Maar zoo hij gewaarschuwd werd, kon hij nieuwe plannenvormen en voorzichtiger te werk gaan. Eenmaal gewaarschuwd—zou hij nog kunnen slagen.En wanneer alles mislukte, als het noodlot en Chauvelin werkelijk den stoutmoedigen held te machtig bleken—zij zou aan zijn zijde zijn, hem bewijzen, dat ze hem vereerde, hoogschatte en liefhad. Ja, al ware de dood ermee gemoeid, samen zouden zij sterven, in het zalige bewustzijn, dat aan alle misverstand een einde was gekomen.Haar geheele wezen vermande zich tot een grootsch en krachtdadig besluit. Dat wilde ze doen, zoo God haar overleg schonk, moed en kracht. Allereerst wilde zij Sir Andrew Foulkes opzoeken, Percy’s besten vriend.Deze zou haar bijstaan, waar hulp noodig was; haar reiswagen stond gereed. Even van kleederen verwisselen, Suzanne vaarwel zeggen, en ze kon op weg gaan. Sterven of overwinnen!... was nuhaarleus.Toen, zonder haast, maar ook zonder aarzeling, trad ze kalm het huis binnen.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.De Roode Pimpernel.Op welk oogenblik eigenlijk de vreemdsoortige twijfel bij haar was opgekomen, hiervan kon Marguerite zich later geen rekenschap geven. Met den ring stevig tusschen haar vingers gekneld, was ze het studeervertrek uitgesneld, de trappen af naar het park, waar ze, alleen zijnde met de bloemen, de rivier en de vogels, het kleinood op haar gemak kon beschouwen en het devies ervan, zoo mogelijk, ontraadselen.Och! Maar het was toch eigenlijk belachelijk! Ze wasbepaald onder den invloed eener hallucinatie en zag iets geheimzinnigs in de meest alledaagsche toevalligheden! Had niet iedereen in den laatsten tijd de leus bij zich gedragen van dien geheimzinnigen Rooden Pimpernel?Droeg ze die zelf niet bij zich, geborduurd op haar kanten zakdoeken? Wat vreemds lag erin, dat Sir Percy dit devies op een zegelring had laten graveeren... en welk verband kon er dan nog bestaan tusschen haar modejonker van een echtgenoot met zijn keurige kleeding, zijn „wat kan het me schelen” doen en laten, en den alles trotseerenden samenzweerder, die Fransche slachtoffers uit de klauwen bevrijdde van bloeddorstige tijgers der revolutie?Ze schrikte op, toen een jeugdig frisch stemgeluid haar toeriep in het park: „Chérie!—Chérie!waar ben je?” en de kleine Suzanne kwam aansnellen over het grasperk.„Men heeft me gezegd, dat je in het park waart,” ging deze voort met haar vroolijk gekakel en in Marguerite’s armen snellend.„Daarom ben ik maar komen aanvliegen, om je te verrassen. Je zult me zoo gauw wel niet verwacht hebben, is het wel, mijn lieve, beste Margootje?”Marguerite, die haastig den ring had weggestopt, trachtte met het opgewonden meisje in evenwicht te blijven.„Ja, zeker, mijn beste, ik vind het heerlijk je zoo geheel voor mij alleen te hebben, een heelen langen dag...”Arm in arm begonnen ze haar wandeling door het park.„Wat heb je hier een lieve woning, beste Margot,” zei de kleine Suzanne in extase, „en hoe gelukkig moet je je niet gevoelen!”„Ja, dat is zeker! Ik moest gelukkig zijn—is ’t niet, lieve?” zei Marguerite.„Wat zeg je dat treurig,Chérie. Komaan, ik moet onderstellen, dat, nu je een getrouwde vrouw bent, je er niets tegen zult hebben mij een geheim toe te vertrouwen. Och, och, wat hebben we met elkaar op school al niet afgehandeld! Weet je ’t nog wel, dat we sommige geheimpjes aan zuster Thérèse niet openbaarden—en toch was ze zoo’n lieve zuster hé?”„En nu heb je al een heel belangrijk geheim, hékleine?” zei Marguerite vroolijk, „en ik weet, dat ik daarvan terstond deelgenoote mag zijn. Nu bloos maar niet, lieve,” ging ze voort, ziende dat een purperrood het gezichtje van Suzanne overtoog. „Je behoeft je er volstrekt niet voor te schamen! Hij is een nobel en oprecht man, op wien je als een verloofde trotsch mag zijn, en... als echtgenoot des te meer.”„Och neen,Chérie, ik ben volstrekt niet verlegen,” zei Suzanne zachtjes, „en het maakt me al zeer trotsch je zoo over hem te hooren spreken. Ik geloof wel, dat Mama haar toestemming zal geven,” zei ze peinzend, „en och, ik zal me natuurlijk zoo gelukkig gevoelen—maar er valt nog aan niets te denken, voordat Papa in veiligheid is...”Marguerite schrikte eensklaps. Suzanne’s vader! De Graaf de Tournay!—een van hen, wier leven in gevaar moest verkeeren, als het Chauvelin gelukte den Rooden Pimpernel te ontdekken.Terwijl Suzanne—van alles onbewust—behalve van haar eigen allerbelangrijkst geheimpje, al voortging met kakelen, dwaalden Marguerite’s gedachten terug naar de gebeurtenissen van den afgeloopen nacht en naar haar eigen aandeel in de geschiedenis, welke tegen één uur in de eetzaal van Lord Grenville zijn beslag zou gekregen hebben.Zij had daarna niets meer van Chauvelin vernomen. Ze had eruit afgeleid, dat zijn toeleg was mislukt, en toch had ze zich niet angstig gemaakt om Armand, omdat haar echtgenoot beloofd had haar broeder te redden.Maar nu, eensklaps, terwijl Suzanne vroolijk voortging met haar gebabbel, greep een ontzettende schrik haar aan over hetgeen háár werk was geweest. Chauvelin, het is waar, had haar niets gezegd, maar zij herinnerde zich zijn sarkastischen en boosaardigen blik, toen zij afscheid van hem nam na het bal. Had hij toen soms reeds iets ontdekt? Had hij zijn plan reeds beraamd om het spoor te volgen en in Frankrijk de hand te leggen op den stoutmoedigen samenzweerder, om hem zonder eenig uitstel naar de guillotine te zenden?Marguerite dacht van ontzetting te bezwijken, haar vingers klemden zich om den ring, dien ze verborgen hield onder haar kleeding.„Je luistert niet,Chérie!” riep Suzanne luidkeels.„Toch wel, toch wel, lieveling”—zei Marguerite met een gedwongen glimlach. „Ik houd ervan je te hooren praten... en je geluk verschaft me zoo’n innige voldoening... Wees maar niet bang, we zullen er wel voor zorgen, dat Mama niets in den weg zal leggen. Sir Andrew Foulkes is een nobel Engelsch gentleman; hij bezit fortuin en rang, de Comtesse zal haar toestemming niet weigeren... Maar... nu, lieve... vertel me eens... wat is het laatste bericht omtrent je Papa?”„Het gunstigste, dat we maar konden vernemen. Lord Hastings kwam dezen morgen, heel in de vroegte, Mama spreken. Hij zei, dat het met Papa nu heel goed ging en we hem binnen vier dagen goed en wel hier in Engeland kunnen verwachten. Neen, we zijn niet bang op het oogenblik! Je weet zeker niet,Chérie, dat de groote en edele Roode Pimpernel zelf erop uitgegaan is om Papa te redden. Hij is vertrokken,Chérie... werkelijk vertrokken...” ging Suzanne opgewonden voort. „Hij was dezen morgen in Londen, morgen denkelijk is hij in Calais... waar hij Papa zal ontmoeten... en dan... en dan...”De slag was gevallen. Marguerite had het al dien tijd vermoed, hoewel ze in het laatste half uur getracht had zichzelf te misleiden. Hij was naar Calais gegaan, was dezen morgen in Londen geweest...hij... de Roode Pimpernel... Percy Blakeney... haar echtgenoot... dien ze gisteren nacht aan Chauvelin had verraden...Percy... Percy... haar echtgenoot... de Roode Pimpernel... Oh! hoe had ze toch zoo blind kunnen zijn? Zij begreep nu opeens alles... de rol, die hij speelde, het mom, dat hij droeg... om iedereen zand in de oogen te strooien.Misschien was hij voornemens geweest het haar te zeggen, als ze eerst getrouwd waren. En toen was hem de geschiedenis van den markies de St. Cyr ter oore gekomen en had hij zich plotseling van haar afgekeerd,in de onderstelling voorzeker, dat ze hem en zijn kameraden den een of anderen dag ook zou verraden. Daarom had hij haar op een dwaalspoor gebracht, zooals hij alle anderen een poets had gespeeld.Het masker van den beuzeligen grappenmaker was zeer goed geweest en de rol kon niet beter gespeeld zijn. Geen wonder dat Chauvelin’s spionnen niet geslaagd waren in den oogenschijnlijk hersenloozen clown den man te ontdekken, wiens roekelooze stoutmoedigheid en vernuft den slimsten Franschen spionnen het spoor bijster had doen worden. En zelfs gisteren nacht, toen Chauvelin zich begaf naar Lord Grenville’s eetzaal, om dien onversaagden Rooden Pimpernel te ontmoeten, had deze enkel dien zotten Sir Percy Blakeney in diepen slaap aangetroffen, op een canapé, in een afgelegen hoek!Zou Chauvelin’s listige vossenaard het geheim hebben doorgrond? Hierin lag heel het vreeselijk, ontzettend en wonderbaar raadsel. Door een naamloozen vreemdeling te verraden, ten einde haren broeder te redden, had Marguerite Blakeney over haar echtgenoot het doodvonnis geveld.Neen! Neen! Neen! duizendmaal neen!„Maar wat scheelt er toch aan,Chérie?” drong de kleine Suzanne aan, nu werkelijk verontrust, want Marguerite’s gelaat was aschkleurig geworden. „Ben je ziek, Margot? Wat scheelt eraan?”„Niets, niets kind,” prevelde deze als in een droom. „Wacht even... laat me denken... denken!... Je zei... de Roode Pimpernel is vandaag vertrokken...?”„Marguerite, lieve, wat scheelt je? Je jaagt me schrik aan...”„’t Is niets, kind, zeg ik je... niets... We zullen het vandaag kort moeten maken... het kan gebeuren, dat ik op reis zal moeten—begrijpt ge?”„Ik begrijp, dat er iets is voorgevallen,Chérie, en je behoefte hebt alleen te zijn. Stoor je niet aan mij. Mijn kamenier is nog niet weg... we gaan samen naar huis... stoor je aan mij niet.”Met een spontaan opwellend gevoel viel Suzanne haar vriendin om den hals.Als kind besefte zij de bitterheid van het verdriet harer landgenoote en met oneindigen tact vermeed zij iederen schijn om achter de oorzaak ervan te willen komen, integendeel zij maakte zich gereed tot vertrek.Herhaaldelijk kuste zij Marguerite en verwijderde zich treurig langs het grasperk. Lady Blakeney verroerde zich niet, zij bleef staan in diep gepeins... overleggend wat haar te doen stond.Juist zou Suzanne de treden opgaan van het terras, toen een stalknecht om den hoek van het huis kwam aansnellen, in de richting, waar Marguerite zich bevond. Hij had een gezegelden brief in zijn hand. Suzanne keerde onwillekeurig terug op haar schreden: haar hart zei haar, dat er misschien meer ongunstig nieuws voor haar vriendin in aantocht was, en zij gevoelde, dat haar arme Margot niet in staat zou zijn meer te dragen.Eerbiedig bleef de rijknecht staan naast zijn meesteres en overhandigde haar den brief.„Wat is dit?” vroeg Marguerite.„Zoo even per expresse aangekomen, milady.”Werktuigelijk nam ze den brief en draaide hem rond tusschen haar bevende vingers.„Van wien komt deze?” vroeg ze verder.„De koerier zei, dat zijn orders luidden den brief enkel af te geven, en mevrouw de barones wel zou begrijpen van wien hij kwam.”Marguerite scheurde de enveloppe open. Haar voorgevoel zei haar reeds, wat die inhield en werktuigelijk liet ze haar oogen erop vallen.Het was de brief, door Armand St. Just geschreven aan Sir Andrew Foulkes, de brief door Chauvelin’s spionnen gestolen in de herberg „Visscherswelvaren” te Dover.Chauvelin had woord gehouden, hij had den brief van St. Just teruggezonden... Hij was de roode Pimpernel op het spoor.„Breng den koerier bij me,” beval ze den rijknecht, schijnbaar bedaard. „Hij is toch niet vertrokken?”„Neen, milady.”De stalknecht spoedde zich heen. Marguerite wendde zich tot Suzanne:„Lieve, loop eens gauw naar binnen en zeg je kamenier zich gereed te houden. Ik zal je naar huis moeten sturen, kind. Wacht even—zeg aan een mijner gedienstigen, dat ze een reiskostuum en mantel voor me uitlegt.”Suzanne antwoordde niets. Innig kuste ze Marguerite en gehoorzaamde blindelings.Een minuut later kwam de rijknecht terug, gevolgd door den koerier, die den brief had gebracht.„Wie gaf u deze enveloppe?” vroeg Marguerite.„Een heer, milady,” antwoordde de man, „in het koffiehuis „De Roos en de Distel” tegenover Charingdron. Hij zei, dat u er van wist.”„Wat voerde hij daar uit?”„Hij wachtte een postwagen, dien hij besteld had, milady.”„Een postwagen?”„Ja, milady. Een expresse-rijtuig had hij besteld. Ik begreep van zijn bediende, dat het regelrecht op Dover aanging.”„Dat ’s genoeg. Je kunt gaan.” En tot haar rijknecht: „Mijn reiswagen en de vier snelste paarden, dadelijk inspannen!”Rijknecht en koerier spoedden zich haastig voort. Een oogenblik bleef Marguerite alleen staan op het grasperk. Haar aanvallige gestalte geleek een marmeren standbeeld, haar oogen stonden strak, haar handen kruisten zich op haar borst.„Wat te doen? Wat te doen? Waar zal ik hem vinden? O, mijn God! Schenk mij licht in deze duisternis!”Onwetend—en in al zijn verschrikkingen daagde het voor haar geest—had ze de vreeselijkste misdaad begaan, waartoe een vrouw ooit kon geraken. Haar verblindheid, waardoor ze het geheim van haar echtgenoot niet had doorzien, kwam haar nu voor als een nieuw vergrijp. Zij had het moeten weten, dienen te vermoeden, wat Percy in zijn schild voerde!Zij althans had in de eerste plaats moeten weten, dathij een mom had voorgedaan, en tot die wetenschap geraakt zijnde, had ze het hem onder vier oogen moeten afrukken van zijn gezicht.Percy was naar Calais vertrokken, totaal onbewust van het feit, dat zijn onmeedoogendste vijand hem op de hielen zat. Vroegtijdig was hij dien morgen van Londen Bridge onder zeil gegaan. Zoo hij maar gunstigen wind had, kon hij binnen vierentwintig uur in Frankrijk landen, zonder twijfel had hij gerekend op den wind—en zijn weg gekozen.Chauvelin, van zijn kant, zou naar Dover snellen, daar een jacht huren en zeker omtrent denzelfden tijd te Calais aankomen. Eenmaal te Calais zijnde, zou Percy allen aantreffen, die wachtende waren op de komst van den edelen en onversaagden Rooden Pimpernel, hun grootmoedigen redder. Terwijl de vossenoogen van Chauvelin thans iedere beweging van zijn tegenstander nagluurden, zette Percy niet alleen zijn eigen leven op het spel, maar ook dat van Suzanne’s vader, den ouden Graaf de Tournay en van anderen uitgewekenen, die den koenen Engelschman verbeidden en hun vertrouwen in hem stelden. Onder dezen bevond zich ook Armand, die de Tournay was gaan opzoeken, zich veilig achtend in de overtuiging, dat de Roode Pimpernel op aller behoud bedacht was.Het lot van al deze menschenlevens, dat van haar echtgenoot in de eerste plaats, lag in Marguerite’s hand; allen moest zij redden, indien menschelijke schranderheid en overleg waren opgewassen tegen zulk een taak.Ongelukkig kon zij dit alles niet geheel alleen verrichten. Eenmaal te Calais zijnde, zou ze niet weten, waar haar echtgenoot te vinden, terwijl Chauvelin bij den diefstal te Dover de geheele reisroute was te weten gekomen. Boven alles wenschte ze Percy te waarschuwen.Zij kende hem wel genoeg om te begrijpen, dat hij nimmer hèn aan hun lot zou overlaten, die hun vertrouwen in hem gesteld hadden, dat hij nimmer zou terugdeinzen voor het gevaar en den Graaf de Tournay in de klauwen laten vallen van bloeddorstige tijgers. Maar zoo hij gewaarschuwd werd, kon hij nieuwe plannenvormen en voorzichtiger te werk gaan. Eenmaal gewaarschuwd—zou hij nog kunnen slagen.En wanneer alles mislukte, als het noodlot en Chauvelin werkelijk den stoutmoedigen held te machtig bleken—zij zou aan zijn zijde zijn, hem bewijzen, dat ze hem vereerde, hoogschatte en liefhad. Ja, al ware de dood ermee gemoeid, samen zouden zij sterven, in het zalige bewustzijn, dat aan alle misverstand een einde was gekomen.Haar geheele wezen vermande zich tot een grootsch en krachtdadig besluit. Dat wilde ze doen, zoo God haar overleg schonk, moed en kracht. Allereerst wilde zij Sir Andrew Foulkes opzoeken, Percy’s besten vriend.Deze zou haar bijstaan, waar hulp noodig was; haar reiswagen stond gereed. Even van kleederen verwisselen, Suzanne vaarwel zeggen, en ze kon op weg gaan. Sterven of overwinnen!... was nuhaarleus.Toen, zonder haast, maar ook zonder aarzeling, trad ze kalm het huis binnen.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.De Roode Pimpernel.
Op welk oogenblik eigenlijk de vreemdsoortige twijfel bij haar was opgekomen, hiervan kon Marguerite zich later geen rekenschap geven. Met den ring stevig tusschen haar vingers gekneld, was ze het studeervertrek uitgesneld, de trappen af naar het park, waar ze, alleen zijnde met de bloemen, de rivier en de vogels, het kleinood op haar gemak kon beschouwen en het devies ervan, zoo mogelijk, ontraadselen.Och! Maar het was toch eigenlijk belachelijk! Ze wasbepaald onder den invloed eener hallucinatie en zag iets geheimzinnigs in de meest alledaagsche toevalligheden! Had niet iedereen in den laatsten tijd de leus bij zich gedragen van dien geheimzinnigen Rooden Pimpernel?Droeg ze die zelf niet bij zich, geborduurd op haar kanten zakdoeken? Wat vreemds lag erin, dat Sir Percy dit devies op een zegelring had laten graveeren... en welk verband kon er dan nog bestaan tusschen haar modejonker van een echtgenoot met zijn keurige kleeding, zijn „wat kan het me schelen” doen en laten, en den alles trotseerenden samenzweerder, die Fransche slachtoffers uit de klauwen bevrijdde van bloeddorstige tijgers der revolutie?Ze schrikte op, toen een jeugdig frisch stemgeluid haar toeriep in het park: „Chérie!—Chérie!waar ben je?” en de kleine Suzanne kwam aansnellen over het grasperk.„Men heeft me gezegd, dat je in het park waart,” ging deze voort met haar vroolijk gekakel en in Marguerite’s armen snellend.„Daarom ben ik maar komen aanvliegen, om je te verrassen. Je zult me zoo gauw wel niet verwacht hebben, is het wel, mijn lieve, beste Margootje?”Marguerite, die haastig den ring had weggestopt, trachtte met het opgewonden meisje in evenwicht te blijven.„Ja, zeker, mijn beste, ik vind het heerlijk je zoo geheel voor mij alleen te hebben, een heelen langen dag...”Arm in arm begonnen ze haar wandeling door het park.„Wat heb je hier een lieve woning, beste Margot,” zei de kleine Suzanne in extase, „en hoe gelukkig moet je je niet gevoelen!”„Ja, dat is zeker! Ik moest gelukkig zijn—is ’t niet, lieve?” zei Marguerite.„Wat zeg je dat treurig,Chérie. Komaan, ik moet onderstellen, dat, nu je een getrouwde vrouw bent, je er niets tegen zult hebben mij een geheim toe te vertrouwen. Och, och, wat hebben we met elkaar op school al niet afgehandeld! Weet je ’t nog wel, dat we sommige geheimpjes aan zuster Thérèse niet openbaarden—en toch was ze zoo’n lieve zuster hé?”„En nu heb je al een heel belangrijk geheim, hékleine?” zei Marguerite vroolijk, „en ik weet, dat ik daarvan terstond deelgenoote mag zijn. Nu bloos maar niet, lieve,” ging ze voort, ziende dat een purperrood het gezichtje van Suzanne overtoog. „Je behoeft je er volstrekt niet voor te schamen! Hij is een nobel en oprecht man, op wien je als een verloofde trotsch mag zijn, en... als echtgenoot des te meer.”„Och neen,Chérie, ik ben volstrekt niet verlegen,” zei Suzanne zachtjes, „en het maakt me al zeer trotsch je zoo over hem te hooren spreken. Ik geloof wel, dat Mama haar toestemming zal geven,” zei ze peinzend, „en och, ik zal me natuurlijk zoo gelukkig gevoelen—maar er valt nog aan niets te denken, voordat Papa in veiligheid is...”Marguerite schrikte eensklaps. Suzanne’s vader! De Graaf de Tournay!—een van hen, wier leven in gevaar moest verkeeren, als het Chauvelin gelukte den Rooden Pimpernel te ontdekken.Terwijl Suzanne—van alles onbewust—behalve van haar eigen allerbelangrijkst geheimpje, al voortging met kakelen, dwaalden Marguerite’s gedachten terug naar de gebeurtenissen van den afgeloopen nacht en naar haar eigen aandeel in de geschiedenis, welke tegen één uur in de eetzaal van Lord Grenville zijn beslag zou gekregen hebben.Zij had daarna niets meer van Chauvelin vernomen. Ze had eruit afgeleid, dat zijn toeleg was mislukt, en toch had ze zich niet angstig gemaakt om Armand, omdat haar echtgenoot beloofd had haar broeder te redden.Maar nu, eensklaps, terwijl Suzanne vroolijk voortging met haar gebabbel, greep een ontzettende schrik haar aan over hetgeen háár werk was geweest. Chauvelin, het is waar, had haar niets gezegd, maar zij herinnerde zich zijn sarkastischen en boosaardigen blik, toen zij afscheid van hem nam na het bal. Had hij toen soms reeds iets ontdekt? Had hij zijn plan reeds beraamd om het spoor te volgen en in Frankrijk de hand te leggen op den stoutmoedigen samenzweerder, om hem zonder eenig uitstel naar de guillotine te zenden?Marguerite dacht van ontzetting te bezwijken, haar vingers klemden zich om den ring, dien ze verborgen hield onder haar kleeding.„Je luistert niet,Chérie!” riep Suzanne luidkeels.„Toch wel, toch wel, lieveling”—zei Marguerite met een gedwongen glimlach. „Ik houd ervan je te hooren praten... en je geluk verschaft me zoo’n innige voldoening... Wees maar niet bang, we zullen er wel voor zorgen, dat Mama niets in den weg zal leggen. Sir Andrew Foulkes is een nobel Engelsch gentleman; hij bezit fortuin en rang, de Comtesse zal haar toestemming niet weigeren... Maar... nu, lieve... vertel me eens... wat is het laatste bericht omtrent je Papa?”„Het gunstigste, dat we maar konden vernemen. Lord Hastings kwam dezen morgen, heel in de vroegte, Mama spreken. Hij zei, dat het met Papa nu heel goed ging en we hem binnen vier dagen goed en wel hier in Engeland kunnen verwachten. Neen, we zijn niet bang op het oogenblik! Je weet zeker niet,Chérie, dat de groote en edele Roode Pimpernel zelf erop uitgegaan is om Papa te redden. Hij is vertrokken,Chérie... werkelijk vertrokken...” ging Suzanne opgewonden voort. „Hij was dezen morgen in Londen, morgen denkelijk is hij in Calais... waar hij Papa zal ontmoeten... en dan... en dan...”De slag was gevallen. Marguerite had het al dien tijd vermoed, hoewel ze in het laatste half uur getracht had zichzelf te misleiden. Hij was naar Calais gegaan, was dezen morgen in Londen geweest...hij... de Roode Pimpernel... Percy Blakeney... haar echtgenoot... dien ze gisteren nacht aan Chauvelin had verraden...Percy... Percy... haar echtgenoot... de Roode Pimpernel... Oh! hoe had ze toch zoo blind kunnen zijn? Zij begreep nu opeens alles... de rol, die hij speelde, het mom, dat hij droeg... om iedereen zand in de oogen te strooien.Misschien was hij voornemens geweest het haar te zeggen, als ze eerst getrouwd waren. En toen was hem de geschiedenis van den markies de St. Cyr ter oore gekomen en had hij zich plotseling van haar afgekeerd,in de onderstelling voorzeker, dat ze hem en zijn kameraden den een of anderen dag ook zou verraden. Daarom had hij haar op een dwaalspoor gebracht, zooals hij alle anderen een poets had gespeeld.Het masker van den beuzeligen grappenmaker was zeer goed geweest en de rol kon niet beter gespeeld zijn. Geen wonder dat Chauvelin’s spionnen niet geslaagd waren in den oogenschijnlijk hersenloozen clown den man te ontdekken, wiens roekelooze stoutmoedigheid en vernuft den slimsten Franschen spionnen het spoor bijster had doen worden. En zelfs gisteren nacht, toen Chauvelin zich begaf naar Lord Grenville’s eetzaal, om dien onversaagden Rooden Pimpernel te ontmoeten, had deze enkel dien zotten Sir Percy Blakeney in diepen slaap aangetroffen, op een canapé, in een afgelegen hoek!Zou Chauvelin’s listige vossenaard het geheim hebben doorgrond? Hierin lag heel het vreeselijk, ontzettend en wonderbaar raadsel. Door een naamloozen vreemdeling te verraden, ten einde haren broeder te redden, had Marguerite Blakeney over haar echtgenoot het doodvonnis geveld.Neen! Neen! Neen! duizendmaal neen!„Maar wat scheelt er toch aan,Chérie?” drong de kleine Suzanne aan, nu werkelijk verontrust, want Marguerite’s gelaat was aschkleurig geworden. „Ben je ziek, Margot? Wat scheelt eraan?”„Niets, niets kind,” prevelde deze als in een droom. „Wacht even... laat me denken... denken!... Je zei... de Roode Pimpernel is vandaag vertrokken...?”„Marguerite, lieve, wat scheelt je? Je jaagt me schrik aan...”„’t Is niets, kind, zeg ik je... niets... We zullen het vandaag kort moeten maken... het kan gebeuren, dat ik op reis zal moeten—begrijpt ge?”„Ik begrijp, dat er iets is voorgevallen,Chérie, en je behoefte hebt alleen te zijn. Stoor je niet aan mij. Mijn kamenier is nog niet weg... we gaan samen naar huis... stoor je aan mij niet.”Met een spontaan opwellend gevoel viel Suzanne haar vriendin om den hals.Als kind besefte zij de bitterheid van het verdriet harer landgenoote en met oneindigen tact vermeed zij iederen schijn om achter de oorzaak ervan te willen komen, integendeel zij maakte zich gereed tot vertrek.Herhaaldelijk kuste zij Marguerite en verwijderde zich treurig langs het grasperk. Lady Blakeney verroerde zich niet, zij bleef staan in diep gepeins... overleggend wat haar te doen stond.Juist zou Suzanne de treden opgaan van het terras, toen een stalknecht om den hoek van het huis kwam aansnellen, in de richting, waar Marguerite zich bevond. Hij had een gezegelden brief in zijn hand. Suzanne keerde onwillekeurig terug op haar schreden: haar hart zei haar, dat er misschien meer ongunstig nieuws voor haar vriendin in aantocht was, en zij gevoelde, dat haar arme Margot niet in staat zou zijn meer te dragen.Eerbiedig bleef de rijknecht staan naast zijn meesteres en overhandigde haar den brief.„Wat is dit?” vroeg Marguerite.„Zoo even per expresse aangekomen, milady.”Werktuigelijk nam ze den brief en draaide hem rond tusschen haar bevende vingers.„Van wien komt deze?” vroeg ze verder.„De koerier zei, dat zijn orders luidden den brief enkel af te geven, en mevrouw de barones wel zou begrijpen van wien hij kwam.”Marguerite scheurde de enveloppe open. Haar voorgevoel zei haar reeds, wat die inhield en werktuigelijk liet ze haar oogen erop vallen.Het was de brief, door Armand St. Just geschreven aan Sir Andrew Foulkes, de brief door Chauvelin’s spionnen gestolen in de herberg „Visscherswelvaren” te Dover.Chauvelin had woord gehouden, hij had den brief van St. Just teruggezonden... Hij was de roode Pimpernel op het spoor.„Breng den koerier bij me,” beval ze den rijknecht, schijnbaar bedaard. „Hij is toch niet vertrokken?”„Neen, milady.”De stalknecht spoedde zich heen. Marguerite wendde zich tot Suzanne:„Lieve, loop eens gauw naar binnen en zeg je kamenier zich gereed te houden. Ik zal je naar huis moeten sturen, kind. Wacht even—zeg aan een mijner gedienstigen, dat ze een reiskostuum en mantel voor me uitlegt.”Suzanne antwoordde niets. Innig kuste ze Marguerite en gehoorzaamde blindelings.Een minuut later kwam de rijknecht terug, gevolgd door den koerier, die den brief had gebracht.„Wie gaf u deze enveloppe?” vroeg Marguerite.„Een heer, milady,” antwoordde de man, „in het koffiehuis „De Roos en de Distel” tegenover Charingdron. Hij zei, dat u er van wist.”„Wat voerde hij daar uit?”„Hij wachtte een postwagen, dien hij besteld had, milady.”„Een postwagen?”„Ja, milady. Een expresse-rijtuig had hij besteld. Ik begreep van zijn bediende, dat het regelrecht op Dover aanging.”„Dat ’s genoeg. Je kunt gaan.” En tot haar rijknecht: „Mijn reiswagen en de vier snelste paarden, dadelijk inspannen!”Rijknecht en koerier spoedden zich haastig voort. Een oogenblik bleef Marguerite alleen staan op het grasperk. Haar aanvallige gestalte geleek een marmeren standbeeld, haar oogen stonden strak, haar handen kruisten zich op haar borst.„Wat te doen? Wat te doen? Waar zal ik hem vinden? O, mijn God! Schenk mij licht in deze duisternis!”Onwetend—en in al zijn verschrikkingen daagde het voor haar geest—had ze de vreeselijkste misdaad begaan, waartoe een vrouw ooit kon geraken. Haar verblindheid, waardoor ze het geheim van haar echtgenoot niet had doorzien, kwam haar nu voor als een nieuw vergrijp. Zij had het moeten weten, dienen te vermoeden, wat Percy in zijn schild voerde!Zij althans had in de eerste plaats moeten weten, dathij een mom had voorgedaan, en tot die wetenschap geraakt zijnde, had ze het hem onder vier oogen moeten afrukken van zijn gezicht.Percy was naar Calais vertrokken, totaal onbewust van het feit, dat zijn onmeedoogendste vijand hem op de hielen zat. Vroegtijdig was hij dien morgen van Londen Bridge onder zeil gegaan. Zoo hij maar gunstigen wind had, kon hij binnen vierentwintig uur in Frankrijk landen, zonder twijfel had hij gerekend op den wind—en zijn weg gekozen.Chauvelin, van zijn kant, zou naar Dover snellen, daar een jacht huren en zeker omtrent denzelfden tijd te Calais aankomen. Eenmaal te Calais zijnde, zou Percy allen aantreffen, die wachtende waren op de komst van den edelen en onversaagden Rooden Pimpernel, hun grootmoedigen redder. Terwijl de vossenoogen van Chauvelin thans iedere beweging van zijn tegenstander nagluurden, zette Percy niet alleen zijn eigen leven op het spel, maar ook dat van Suzanne’s vader, den ouden Graaf de Tournay en van anderen uitgewekenen, die den koenen Engelschman verbeidden en hun vertrouwen in hem stelden. Onder dezen bevond zich ook Armand, die de Tournay was gaan opzoeken, zich veilig achtend in de overtuiging, dat de Roode Pimpernel op aller behoud bedacht was.Het lot van al deze menschenlevens, dat van haar echtgenoot in de eerste plaats, lag in Marguerite’s hand; allen moest zij redden, indien menschelijke schranderheid en overleg waren opgewassen tegen zulk een taak.Ongelukkig kon zij dit alles niet geheel alleen verrichten. Eenmaal te Calais zijnde, zou ze niet weten, waar haar echtgenoot te vinden, terwijl Chauvelin bij den diefstal te Dover de geheele reisroute was te weten gekomen. Boven alles wenschte ze Percy te waarschuwen.Zij kende hem wel genoeg om te begrijpen, dat hij nimmer hèn aan hun lot zou overlaten, die hun vertrouwen in hem gesteld hadden, dat hij nimmer zou terugdeinzen voor het gevaar en den Graaf de Tournay in de klauwen laten vallen van bloeddorstige tijgers. Maar zoo hij gewaarschuwd werd, kon hij nieuwe plannenvormen en voorzichtiger te werk gaan. Eenmaal gewaarschuwd—zou hij nog kunnen slagen.En wanneer alles mislukte, als het noodlot en Chauvelin werkelijk den stoutmoedigen held te machtig bleken—zij zou aan zijn zijde zijn, hem bewijzen, dat ze hem vereerde, hoogschatte en liefhad. Ja, al ware de dood ermee gemoeid, samen zouden zij sterven, in het zalige bewustzijn, dat aan alle misverstand een einde was gekomen.Haar geheele wezen vermande zich tot een grootsch en krachtdadig besluit. Dat wilde ze doen, zoo God haar overleg schonk, moed en kracht. Allereerst wilde zij Sir Andrew Foulkes opzoeken, Percy’s besten vriend.Deze zou haar bijstaan, waar hulp noodig was; haar reiswagen stond gereed. Even van kleederen verwisselen, Suzanne vaarwel zeggen, en ze kon op weg gaan. Sterven of overwinnen!... was nuhaarleus.Toen, zonder haast, maar ook zonder aarzeling, trad ze kalm het huis binnen.
Op welk oogenblik eigenlijk de vreemdsoortige twijfel bij haar was opgekomen, hiervan kon Marguerite zich later geen rekenschap geven. Met den ring stevig tusschen haar vingers gekneld, was ze het studeervertrek uitgesneld, de trappen af naar het park, waar ze, alleen zijnde met de bloemen, de rivier en de vogels, het kleinood op haar gemak kon beschouwen en het devies ervan, zoo mogelijk, ontraadselen.
Och! Maar het was toch eigenlijk belachelijk! Ze wasbepaald onder den invloed eener hallucinatie en zag iets geheimzinnigs in de meest alledaagsche toevalligheden! Had niet iedereen in den laatsten tijd de leus bij zich gedragen van dien geheimzinnigen Rooden Pimpernel?
Droeg ze die zelf niet bij zich, geborduurd op haar kanten zakdoeken? Wat vreemds lag erin, dat Sir Percy dit devies op een zegelring had laten graveeren... en welk verband kon er dan nog bestaan tusschen haar modejonker van een echtgenoot met zijn keurige kleeding, zijn „wat kan het me schelen” doen en laten, en den alles trotseerenden samenzweerder, die Fransche slachtoffers uit de klauwen bevrijdde van bloeddorstige tijgers der revolutie?
Ze schrikte op, toen een jeugdig frisch stemgeluid haar toeriep in het park: „Chérie!—Chérie!waar ben je?” en de kleine Suzanne kwam aansnellen over het grasperk.
„Men heeft me gezegd, dat je in het park waart,” ging deze voort met haar vroolijk gekakel en in Marguerite’s armen snellend.
„Daarom ben ik maar komen aanvliegen, om je te verrassen. Je zult me zoo gauw wel niet verwacht hebben, is het wel, mijn lieve, beste Margootje?”
Marguerite, die haastig den ring had weggestopt, trachtte met het opgewonden meisje in evenwicht te blijven.
„Ja, zeker, mijn beste, ik vind het heerlijk je zoo geheel voor mij alleen te hebben, een heelen langen dag...”
Arm in arm begonnen ze haar wandeling door het park.
„Wat heb je hier een lieve woning, beste Margot,” zei de kleine Suzanne in extase, „en hoe gelukkig moet je je niet gevoelen!”
„Ja, dat is zeker! Ik moest gelukkig zijn—is ’t niet, lieve?” zei Marguerite.
„Wat zeg je dat treurig,Chérie. Komaan, ik moet onderstellen, dat, nu je een getrouwde vrouw bent, je er niets tegen zult hebben mij een geheim toe te vertrouwen. Och, och, wat hebben we met elkaar op school al niet afgehandeld! Weet je ’t nog wel, dat we sommige geheimpjes aan zuster Thérèse niet openbaarden—en toch was ze zoo’n lieve zuster hé?”
„En nu heb je al een heel belangrijk geheim, hékleine?” zei Marguerite vroolijk, „en ik weet, dat ik daarvan terstond deelgenoote mag zijn. Nu bloos maar niet, lieve,” ging ze voort, ziende dat een purperrood het gezichtje van Suzanne overtoog. „Je behoeft je er volstrekt niet voor te schamen! Hij is een nobel en oprecht man, op wien je als een verloofde trotsch mag zijn, en... als echtgenoot des te meer.”
„Och neen,Chérie, ik ben volstrekt niet verlegen,” zei Suzanne zachtjes, „en het maakt me al zeer trotsch je zoo over hem te hooren spreken. Ik geloof wel, dat Mama haar toestemming zal geven,” zei ze peinzend, „en och, ik zal me natuurlijk zoo gelukkig gevoelen—maar er valt nog aan niets te denken, voordat Papa in veiligheid is...”
Marguerite schrikte eensklaps. Suzanne’s vader! De Graaf de Tournay!—een van hen, wier leven in gevaar moest verkeeren, als het Chauvelin gelukte den Rooden Pimpernel te ontdekken.
Terwijl Suzanne—van alles onbewust—behalve van haar eigen allerbelangrijkst geheimpje, al voortging met kakelen, dwaalden Marguerite’s gedachten terug naar de gebeurtenissen van den afgeloopen nacht en naar haar eigen aandeel in de geschiedenis, welke tegen één uur in de eetzaal van Lord Grenville zijn beslag zou gekregen hebben.
Zij had daarna niets meer van Chauvelin vernomen. Ze had eruit afgeleid, dat zijn toeleg was mislukt, en toch had ze zich niet angstig gemaakt om Armand, omdat haar echtgenoot beloofd had haar broeder te redden.
Maar nu, eensklaps, terwijl Suzanne vroolijk voortging met haar gebabbel, greep een ontzettende schrik haar aan over hetgeen háár werk was geweest. Chauvelin, het is waar, had haar niets gezegd, maar zij herinnerde zich zijn sarkastischen en boosaardigen blik, toen zij afscheid van hem nam na het bal. Had hij toen soms reeds iets ontdekt? Had hij zijn plan reeds beraamd om het spoor te volgen en in Frankrijk de hand te leggen op den stoutmoedigen samenzweerder, om hem zonder eenig uitstel naar de guillotine te zenden?
Marguerite dacht van ontzetting te bezwijken, haar vingers klemden zich om den ring, dien ze verborgen hield onder haar kleeding.
„Je luistert niet,Chérie!” riep Suzanne luidkeels.
„Toch wel, toch wel, lieveling”—zei Marguerite met een gedwongen glimlach. „Ik houd ervan je te hooren praten... en je geluk verschaft me zoo’n innige voldoening... Wees maar niet bang, we zullen er wel voor zorgen, dat Mama niets in den weg zal leggen. Sir Andrew Foulkes is een nobel Engelsch gentleman; hij bezit fortuin en rang, de Comtesse zal haar toestemming niet weigeren... Maar... nu, lieve... vertel me eens... wat is het laatste bericht omtrent je Papa?”
„Het gunstigste, dat we maar konden vernemen. Lord Hastings kwam dezen morgen, heel in de vroegte, Mama spreken. Hij zei, dat het met Papa nu heel goed ging en we hem binnen vier dagen goed en wel hier in Engeland kunnen verwachten. Neen, we zijn niet bang op het oogenblik! Je weet zeker niet,Chérie, dat de groote en edele Roode Pimpernel zelf erop uitgegaan is om Papa te redden. Hij is vertrokken,Chérie... werkelijk vertrokken...” ging Suzanne opgewonden voort. „Hij was dezen morgen in Londen, morgen denkelijk is hij in Calais... waar hij Papa zal ontmoeten... en dan... en dan...”
De slag was gevallen. Marguerite had het al dien tijd vermoed, hoewel ze in het laatste half uur getracht had zichzelf te misleiden. Hij was naar Calais gegaan, was dezen morgen in Londen geweest...hij... de Roode Pimpernel... Percy Blakeney... haar echtgenoot... dien ze gisteren nacht aan Chauvelin had verraden...
Percy... Percy... haar echtgenoot... de Roode Pimpernel... Oh! hoe had ze toch zoo blind kunnen zijn? Zij begreep nu opeens alles... de rol, die hij speelde, het mom, dat hij droeg... om iedereen zand in de oogen te strooien.
Misschien was hij voornemens geweest het haar te zeggen, als ze eerst getrouwd waren. En toen was hem de geschiedenis van den markies de St. Cyr ter oore gekomen en had hij zich plotseling van haar afgekeerd,in de onderstelling voorzeker, dat ze hem en zijn kameraden den een of anderen dag ook zou verraden. Daarom had hij haar op een dwaalspoor gebracht, zooals hij alle anderen een poets had gespeeld.
Het masker van den beuzeligen grappenmaker was zeer goed geweest en de rol kon niet beter gespeeld zijn. Geen wonder dat Chauvelin’s spionnen niet geslaagd waren in den oogenschijnlijk hersenloozen clown den man te ontdekken, wiens roekelooze stoutmoedigheid en vernuft den slimsten Franschen spionnen het spoor bijster had doen worden. En zelfs gisteren nacht, toen Chauvelin zich begaf naar Lord Grenville’s eetzaal, om dien onversaagden Rooden Pimpernel te ontmoeten, had deze enkel dien zotten Sir Percy Blakeney in diepen slaap aangetroffen, op een canapé, in een afgelegen hoek!
Zou Chauvelin’s listige vossenaard het geheim hebben doorgrond? Hierin lag heel het vreeselijk, ontzettend en wonderbaar raadsel. Door een naamloozen vreemdeling te verraden, ten einde haren broeder te redden, had Marguerite Blakeney over haar echtgenoot het doodvonnis geveld.
Neen! Neen! Neen! duizendmaal neen!
„Maar wat scheelt er toch aan,Chérie?” drong de kleine Suzanne aan, nu werkelijk verontrust, want Marguerite’s gelaat was aschkleurig geworden. „Ben je ziek, Margot? Wat scheelt eraan?”
„Niets, niets kind,” prevelde deze als in een droom. „Wacht even... laat me denken... denken!... Je zei... de Roode Pimpernel is vandaag vertrokken...?”
„Marguerite, lieve, wat scheelt je? Je jaagt me schrik aan...”
„’t Is niets, kind, zeg ik je... niets... We zullen het vandaag kort moeten maken... het kan gebeuren, dat ik op reis zal moeten—begrijpt ge?”
„Ik begrijp, dat er iets is voorgevallen,Chérie, en je behoefte hebt alleen te zijn. Stoor je niet aan mij. Mijn kamenier is nog niet weg... we gaan samen naar huis... stoor je aan mij niet.”
Met een spontaan opwellend gevoel viel Suzanne haar vriendin om den hals.
Als kind besefte zij de bitterheid van het verdriet harer landgenoote en met oneindigen tact vermeed zij iederen schijn om achter de oorzaak ervan te willen komen, integendeel zij maakte zich gereed tot vertrek.
Herhaaldelijk kuste zij Marguerite en verwijderde zich treurig langs het grasperk. Lady Blakeney verroerde zich niet, zij bleef staan in diep gepeins... overleggend wat haar te doen stond.
Juist zou Suzanne de treden opgaan van het terras, toen een stalknecht om den hoek van het huis kwam aansnellen, in de richting, waar Marguerite zich bevond. Hij had een gezegelden brief in zijn hand. Suzanne keerde onwillekeurig terug op haar schreden: haar hart zei haar, dat er misschien meer ongunstig nieuws voor haar vriendin in aantocht was, en zij gevoelde, dat haar arme Margot niet in staat zou zijn meer te dragen.
Eerbiedig bleef de rijknecht staan naast zijn meesteres en overhandigde haar den brief.
„Wat is dit?” vroeg Marguerite.
„Zoo even per expresse aangekomen, milady.”
Werktuigelijk nam ze den brief en draaide hem rond tusschen haar bevende vingers.
„Van wien komt deze?” vroeg ze verder.
„De koerier zei, dat zijn orders luidden den brief enkel af te geven, en mevrouw de barones wel zou begrijpen van wien hij kwam.”
Marguerite scheurde de enveloppe open. Haar voorgevoel zei haar reeds, wat die inhield en werktuigelijk liet ze haar oogen erop vallen.
Het was de brief, door Armand St. Just geschreven aan Sir Andrew Foulkes, de brief door Chauvelin’s spionnen gestolen in de herberg „Visscherswelvaren” te Dover.
Chauvelin had woord gehouden, hij had den brief van St. Just teruggezonden... Hij was de roode Pimpernel op het spoor.
„Breng den koerier bij me,” beval ze den rijknecht, schijnbaar bedaard. „Hij is toch niet vertrokken?”
„Neen, milady.”
De stalknecht spoedde zich heen. Marguerite wendde zich tot Suzanne:
„Lieve, loop eens gauw naar binnen en zeg je kamenier zich gereed te houden. Ik zal je naar huis moeten sturen, kind. Wacht even—zeg aan een mijner gedienstigen, dat ze een reiskostuum en mantel voor me uitlegt.”
Suzanne antwoordde niets. Innig kuste ze Marguerite en gehoorzaamde blindelings.
Een minuut later kwam de rijknecht terug, gevolgd door den koerier, die den brief had gebracht.
„Wie gaf u deze enveloppe?” vroeg Marguerite.
„Een heer, milady,” antwoordde de man, „in het koffiehuis „De Roos en de Distel” tegenover Charingdron. Hij zei, dat u er van wist.”
„Wat voerde hij daar uit?”
„Hij wachtte een postwagen, dien hij besteld had, milady.”
„Een postwagen?”
„Ja, milady. Een expresse-rijtuig had hij besteld. Ik begreep van zijn bediende, dat het regelrecht op Dover aanging.”
„Dat ’s genoeg. Je kunt gaan.” En tot haar rijknecht: „Mijn reiswagen en de vier snelste paarden, dadelijk inspannen!”
Rijknecht en koerier spoedden zich haastig voort. Een oogenblik bleef Marguerite alleen staan op het grasperk. Haar aanvallige gestalte geleek een marmeren standbeeld, haar oogen stonden strak, haar handen kruisten zich op haar borst.
„Wat te doen? Wat te doen? Waar zal ik hem vinden? O, mijn God! Schenk mij licht in deze duisternis!”
Onwetend—en in al zijn verschrikkingen daagde het voor haar geest—had ze de vreeselijkste misdaad begaan, waartoe een vrouw ooit kon geraken. Haar verblindheid, waardoor ze het geheim van haar echtgenoot niet had doorzien, kwam haar nu voor als een nieuw vergrijp. Zij had het moeten weten, dienen te vermoeden, wat Percy in zijn schild voerde!
Zij althans had in de eerste plaats moeten weten, dathij een mom had voorgedaan, en tot die wetenschap geraakt zijnde, had ze het hem onder vier oogen moeten afrukken van zijn gezicht.
Percy was naar Calais vertrokken, totaal onbewust van het feit, dat zijn onmeedoogendste vijand hem op de hielen zat. Vroegtijdig was hij dien morgen van Londen Bridge onder zeil gegaan. Zoo hij maar gunstigen wind had, kon hij binnen vierentwintig uur in Frankrijk landen, zonder twijfel had hij gerekend op den wind—en zijn weg gekozen.
Chauvelin, van zijn kant, zou naar Dover snellen, daar een jacht huren en zeker omtrent denzelfden tijd te Calais aankomen. Eenmaal te Calais zijnde, zou Percy allen aantreffen, die wachtende waren op de komst van den edelen en onversaagden Rooden Pimpernel, hun grootmoedigen redder. Terwijl de vossenoogen van Chauvelin thans iedere beweging van zijn tegenstander nagluurden, zette Percy niet alleen zijn eigen leven op het spel, maar ook dat van Suzanne’s vader, den ouden Graaf de Tournay en van anderen uitgewekenen, die den koenen Engelschman verbeidden en hun vertrouwen in hem stelden. Onder dezen bevond zich ook Armand, die de Tournay was gaan opzoeken, zich veilig achtend in de overtuiging, dat de Roode Pimpernel op aller behoud bedacht was.
Het lot van al deze menschenlevens, dat van haar echtgenoot in de eerste plaats, lag in Marguerite’s hand; allen moest zij redden, indien menschelijke schranderheid en overleg waren opgewassen tegen zulk een taak.
Ongelukkig kon zij dit alles niet geheel alleen verrichten. Eenmaal te Calais zijnde, zou ze niet weten, waar haar echtgenoot te vinden, terwijl Chauvelin bij den diefstal te Dover de geheele reisroute was te weten gekomen. Boven alles wenschte ze Percy te waarschuwen.
Zij kende hem wel genoeg om te begrijpen, dat hij nimmer hèn aan hun lot zou overlaten, die hun vertrouwen in hem gesteld hadden, dat hij nimmer zou terugdeinzen voor het gevaar en den Graaf de Tournay in de klauwen laten vallen van bloeddorstige tijgers. Maar zoo hij gewaarschuwd werd, kon hij nieuwe plannenvormen en voorzichtiger te werk gaan. Eenmaal gewaarschuwd—zou hij nog kunnen slagen.
En wanneer alles mislukte, als het noodlot en Chauvelin werkelijk den stoutmoedigen held te machtig bleken—zij zou aan zijn zijde zijn, hem bewijzen, dat ze hem vereerde, hoogschatte en liefhad. Ja, al ware de dood ermee gemoeid, samen zouden zij sterven, in het zalige bewustzijn, dat aan alle misverstand een einde was gekomen.
Haar geheele wezen vermande zich tot een grootsch en krachtdadig besluit. Dat wilde ze doen, zoo God haar overleg schonk, moed en kracht. Allereerst wilde zij Sir Andrew Foulkes opzoeken, Percy’s besten vriend.
Deze zou haar bijstaan, waar hulp noodig was; haar reiswagen stond gereed. Even van kleederen verwisselen, Suzanne vaarwel zeggen, en ze kon op weg gaan. Sterven of overwinnen!... was nuhaarleus.
Toen, zonder haast, maar ook zonder aarzeling, trad ze kalm het huis binnen.