NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.De Vriend.Minder dan een half uur later zat Marguerite, in gedachten verdiept, op de bank van haar reiswagen, die haar ijlings naar Londen vervoerde.Ze had een roerend afscheid genomen van de kleine Suzanne en er voor gezorgd, dat het goede kind veilig en wel met haar kamenier naar de stad kon vertrekken. Ze had een renbode met een eerbiedig excuseerend schrijven gezonden naar Zijn Koninklijke Hoogheid, den Prins van Wales, ter uitstelling van diens bezoek, en een anderen estafette naar Faversham, om versche paarden gereed te houden.Ze deed geen poging om haar onrust met eenige ijdelehoop in slaap te wiegen, de veiligheid van haar broeder Armand hing alleen af van de arrestatie van den Rooden Pimpernel. En daar Chauvelin haar Armand’s compromitteerenden brief had opgezonden, bestond er geen twijfel, of de sluwe vos was voor zichzelf voldaan, met de zekerheid, dat Percy Blakeney de man was, wiens dood hij had gezworen, wiens hoofd zou moeten vallen op het schavot.Zij had den koetsier gelast naar de herberg „De Kroon” te rijden, en daar aangekomen, den paarden voer te geven en rust te gunnen.Toen bestelde zij een draagstoel en liet zich naar de woning van Sir Andrew Foulkes brengen.Onder al de vrienden van Sir Percy voelde zij, als het op vertrouwen schenken aankwam, zich het meest tot dezen aangetrokken. Hij was haar altijd vriendschappelijk gezind geweest, en nu had zijn liefde voor de kleine Suzanne hem nog nader tot haar gebracht.Sir Andrew Foulkes was thuis. Men liet haar in een klein, doch keurig gemeubeld eetvertrek. Een oogenblik daarna verscheen Sir Andrew in persoon.Blijkbaar scheen hij zeer verschriktte zijn toen hem het bezoek van Lady Blakeney was aangekondigd, want angstig, zelfs met eenig wantrouwen, keek hij Marguerite aan, toen hij haar begroette met de plichtpleging, zooals de etikette van dien tijd voorschreef.Marguerite had ieder spoor van zenuwachtigheid uitgewischt; zij was volmaakt kalm, en na den jonkman wederkeerig te hebben gegroet, begon ze zeer bedaard:—„Sir Andrew, het is mij niet te doen om kostbaren tijd te verpraten: uw leider en makker, de Roode Pimpernel... mijn echtgenoot... Percy Blakeney... verkeert in doodsgevaar.”Zoo zij den minsten twijfel mocht gekoesterd hebben omtrent de juistheid harer vermoedens, zij zou die nu bevestigd hebben gezien, want Sir Andrew, geheel bij verrassing overmeesterd, was doodsbleek geworden en niet in staat een tegenstrijdig antwoord uit te brengen.„Misschien is het nog niet te laat om hem te redden,” ging ze voort. „Maar ongelukkig genoeg staat dit nietgeheel alleen in mijn macht, daarom kom ik tot u, om bijstand in dezen nood.”„Lady Blakeney,” begon de jonge man, „ik...”„Laat mij uitspreken!” viel ze hem in de rede, „ziehier hoe de zaken staan:Toen de agent van de Fransche Republiek den nacht te Dover zich van uw papieren meester maakte, vond hij daaronder eenige plannen, die gij of uw leider dacht uit te voeren voor de redding van den Graaf de Tournay en andere Fransche vluchtelingen. De Roode Pimpernel—Percy—mijn echtgenoot—is vandaag persoonlijk op de expeditie uitgegaan. Chauvelin weet, dat de Roode Pimpernel en Percy Blakeney een en dezelfde persoon is. Chauvelin zit hem momenteel op de hielen naar Calais, met het doel Percy te arresteeren. Gij zult even goed weten als ik, welk lot hem wacht van de zijde der Revolutionaire Fransche Republiek. Geen tusschenkomst van Engeland—van koning George in persoon—kan hem redden. Robespierre zou er wel voor zorgen, dat iedere bemoeiing te laat kwam. Maar dit is niet alles; uw leider zal bovendien onbewust het middel zijn, om de schuilplaats van den Graaf de Tournay—uw aanstaanden schoonvader—en van zoovele anderen aan de bloedhonden te openbaren.”Zij had kalm gesproken, vast beraden, met een onwrikbaar besluit. Zij trachtte het er heen te leiden, het vertrouwen van den jonkman te winnen, hem te overreden hulp te verleenen, want zonder hem kon ze niets uitrichten.„Ik begrijp niet,” begon deze andermaal, trachtende tijd te winnen, om te overleggen, wat hem het beste te doen stond.„Ik geloof wel, dat u begrijpt, Sir Andrew. Gij moet weten, datikwaarheid spreek. Beschouw de feiten eens koelbloedig: Percy is onder zeil naar Calais, ik onderstel naar een eenzame plek op de kust, en Chauvelin is hem op het spoor. Chauvelin heeft postpaarden naar Dover genomen en zal zeker van nacht het Kanaal oversteken. Wat denkt ge, dat er zal gebeuren?”„Wat denkt ge, dat er zal gebeuren?” (pag. 111).„Wat denkt ge, dat er zal gebeuren?” (pag. 111).De jonkman deed er het zwijgen toe.„Percy zal zijn bestemming bereiken: niet wetende, een spion op zijn hielen te hebben, zullen hij, de Tournay en de anderen—onder wie mijn broeder—een voor een opduiken, zij zullen in den val loopen en de guillotine wacht haar slachtoffers!”Nog bleef Sir Andrew zwijgen.„Gij vertrouwt mij niet,” zei ze hartstochtelijk. „O, mijn hemel! ziet ge dan niet, dat ik met doodelijken ernst tot u spreek? Man, man,” voegde ze er aan toe, den jonker plotseling met haar tengere handen bij de schouders grijpend en hem noodzakend haar strak aan te zien, „zeg me, zie ik er uit als een vrouw, die haar eigen man wil verraden?”„Dat verhoede God, Lady Blakeney,” zei de jonkman ten laatste, „maar...”„Wat maren?... zeg ’t me... Gauw wat, man!... de seconden zijn kostbaar!”„Wilt u me zeggen,” vroeg hij vastberaden en haar scherp in de oogen ziende, „wie Chauvelin aan dewetenschaphielp, die u zegt, dat hij bezit?”„Ik,” antwoordde ze kalm. „Ik zal het u niet ontveinzen, opdat ge blind vertrouwen in me moogt stellen. Maar het kwam niet bij me op—hoekonhet ook—dat Percy de Roode Pimpernel kon zijn... en de veiligheid van mijn broêr zou mijn belooning zijn, als ik mocht slagen.”„Chauvelin de hand te leenen om den Rooden Pimpernel te ontdekken?” liet de jonker erop volgen.Zij knikte bevestigend.„Onnoodig u te verklaren, hoe hij mij in het nauw dreef. Armand is mij meer dan een broeder, en... en... hoe...konik vermoeden... Maar we verspillen onzen tijd, Sir Andrew... iedere seconde is kostbaar... in ’s hemels naam!... mijn man verkeert in gevaar... uw vriend!—uw makker! Help me hem redden!”„Lady Blakeney,” sprak hij eindelijk, „God alleen weet, hoe u mij in verlegenheid hebt gebracht, en wel zoo, dat ik niet weet, wat op dit oogenblik mijn naaste plicht is. Zegumij, wat ge verlangt, dat ik doen zal. Er staan negentien onzer gereed hun leven op te offeren voor denRooden Pimpernel, als hij in gevaar verkeert.”„Er is momenteel nog geen sprake van levens te laten, vriend,” zei Marguerite droogjes, „mijn overleg en vier snelle rossen zullen het noodige verrichten. Maar ik moet weten, waar ik Percy kan vinden.”„Maar Lady Blakeney,” zei de jonker, „hebt u bedacht, dat hetgeen u voornemens zijt te doen, mannenwerk is?—U kunt met geen mogelijkheid alleen naar Calais reizen, u zoudt zelf het grootste gevaar loopen en de kansen om uwen echtgenoot nu te vinden zijn zeer gering.”„Oh! ik wil hopen, dat er gevaren aan verbonden zijn!” prevelde ze zacht. „Ik hoop het van harte—want ik heb zoo veel goed te maken. Maar ik denk, dat ge u vergist, wat mijn persoon betreft. Chauvelin heeft zijn oogen op u allen hoofdzakelijk gevestigd. Van mij zal hij nauwelijks notitie nemen. Haast u, Sir Andrew!—het rijtuig staat gereed, er valt geen oogenblik te verliezen... Ikmoetnaar hem toe! Ikmoet” herhaalde ze bijna in woeste drift, „hem waarschuwen, dat die man hem op het spoor is... Kunt ge niet begrijpen... kunt ge niet inzien, dat ik naar hem toemoet... ook... ook als het te laat zou zijn om hem te redden... ik zal... dan toch bij hem zijn... ja, bij hem om te...”„Milady,udient mij te bevelen... als u dan toch zelf gaanwilt...”„Neen vriend, maar ziet ge dan niet, dat ik krankzinnig zal worden, als ik u zonder mij laat vertrekken!” Ze stak hem de hand toe. „Gij stelt toch vertrouwen in mij?”„Ik wacht uw orders,” zei Andrew Foulkes eenvoudig.„Luister dan. Mijn wagen staat gereed om me naar Dover te brengen. Volg me zoo snel als een paard u kan voeren. Wij treffen elkaar bij het vallen van den nacht aan in de herberg „Visscherswelvaren”, vanwaar ge mij naar Calais zult begeleiden. We huren een schoener te Dover en gaan bij nacht onder zeil. Vermomd, als ge erin toestemt: als lakei zult ge, denk ik, niet herkend worden.”„Ik ben geheel tot uw dienst, Milady,” antwoordde de jonkman ernstig. „Geve God, dat u deDay Dreamin zicht krijgt, vóór we te Calais aankomen.”„Daar zeg ik amen op, Sir Andrew. En nu tot ziens! Wij ontmoeten elkaar van nacht te Dover. Het zal een zeilpartij zijn over het Kanaal tusschen mij en Chauvelin—om den prijs—het leven van den Rooden Pimpernel.”Hij kuste haar de hand, en geleiddehaarvervolgens naar haren draagstoel. Een kwartier later was zij terug aan de herberg „De Kroon”, waar haar wagen en paarden gereed stonden en haar wachtten. Het volgend oogenblik ging het donderend over Londen’s straten in dolle vaart.Haar gedachten keerden terug naar den geheimzinnigen held, dien zij onbewust altijd had liefgehad, toen zijn identiteit voor haar nog was—een ondoordringbaar geheim.Ze had zooveel angsten in de laatste uren doorgestaan, dat zij zich de weelde veroorloofde van hoop gevende en meer opwekkende gedachten. Van lieverlede geraakte ze onder den invloed van het eentonig rommelen der wagenwielen, dat haar zenuwen tot bedaren bracht; haar oogen sloten zich onwillekeurig en zij viel in een onrustigen slaap.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.De Vriend.Minder dan een half uur later zat Marguerite, in gedachten verdiept, op de bank van haar reiswagen, die haar ijlings naar Londen vervoerde.Ze had een roerend afscheid genomen van de kleine Suzanne en er voor gezorgd, dat het goede kind veilig en wel met haar kamenier naar de stad kon vertrekken. Ze had een renbode met een eerbiedig excuseerend schrijven gezonden naar Zijn Koninklijke Hoogheid, den Prins van Wales, ter uitstelling van diens bezoek, en een anderen estafette naar Faversham, om versche paarden gereed te houden.Ze deed geen poging om haar onrust met eenige ijdelehoop in slaap te wiegen, de veiligheid van haar broeder Armand hing alleen af van de arrestatie van den Rooden Pimpernel. En daar Chauvelin haar Armand’s compromitteerenden brief had opgezonden, bestond er geen twijfel, of de sluwe vos was voor zichzelf voldaan, met de zekerheid, dat Percy Blakeney de man was, wiens dood hij had gezworen, wiens hoofd zou moeten vallen op het schavot.Zij had den koetsier gelast naar de herberg „De Kroon” te rijden, en daar aangekomen, den paarden voer te geven en rust te gunnen.Toen bestelde zij een draagstoel en liet zich naar de woning van Sir Andrew Foulkes brengen.Onder al de vrienden van Sir Percy voelde zij, als het op vertrouwen schenken aankwam, zich het meest tot dezen aangetrokken. Hij was haar altijd vriendschappelijk gezind geweest, en nu had zijn liefde voor de kleine Suzanne hem nog nader tot haar gebracht.Sir Andrew Foulkes was thuis. Men liet haar in een klein, doch keurig gemeubeld eetvertrek. Een oogenblik daarna verscheen Sir Andrew in persoon.Blijkbaar scheen hij zeer verschriktte zijn toen hem het bezoek van Lady Blakeney was aangekondigd, want angstig, zelfs met eenig wantrouwen, keek hij Marguerite aan, toen hij haar begroette met de plichtpleging, zooals de etikette van dien tijd voorschreef.Marguerite had ieder spoor van zenuwachtigheid uitgewischt; zij was volmaakt kalm, en na den jonkman wederkeerig te hebben gegroet, begon ze zeer bedaard:—„Sir Andrew, het is mij niet te doen om kostbaren tijd te verpraten: uw leider en makker, de Roode Pimpernel... mijn echtgenoot... Percy Blakeney... verkeert in doodsgevaar.”Zoo zij den minsten twijfel mocht gekoesterd hebben omtrent de juistheid harer vermoedens, zij zou die nu bevestigd hebben gezien, want Sir Andrew, geheel bij verrassing overmeesterd, was doodsbleek geworden en niet in staat een tegenstrijdig antwoord uit te brengen.„Misschien is het nog niet te laat om hem te redden,” ging ze voort. „Maar ongelukkig genoeg staat dit nietgeheel alleen in mijn macht, daarom kom ik tot u, om bijstand in dezen nood.”„Lady Blakeney,” begon de jonge man, „ik...”„Laat mij uitspreken!” viel ze hem in de rede, „ziehier hoe de zaken staan:Toen de agent van de Fransche Republiek den nacht te Dover zich van uw papieren meester maakte, vond hij daaronder eenige plannen, die gij of uw leider dacht uit te voeren voor de redding van den Graaf de Tournay en andere Fransche vluchtelingen. De Roode Pimpernel—Percy—mijn echtgenoot—is vandaag persoonlijk op de expeditie uitgegaan. Chauvelin weet, dat de Roode Pimpernel en Percy Blakeney een en dezelfde persoon is. Chauvelin zit hem momenteel op de hielen naar Calais, met het doel Percy te arresteeren. Gij zult even goed weten als ik, welk lot hem wacht van de zijde der Revolutionaire Fransche Republiek. Geen tusschenkomst van Engeland—van koning George in persoon—kan hem redden. Robespierre zou er wel voor zorgen, dat iedere bemoeiing te laat kwam. Maar dit is niet alles; uw leider zal bovendien onbewust het middel zijn, om de schuilplaats van den Graaf de Tournay—uw aanstaanden schoonvader—en van zoovele anderen aan de bloedhonden te openbaren.”Zij had kalm gesproken, vast beraden, met een onwrikbaar besluit. Zij trachtte het er heen te leiden, het vertrouwen van den jonkman te winnen, hem te overreden hulp te verleenen, want zonder hem kon ze niets uitrichten.„Ik begrijp niet,” begon deze andermaal, trachtende tijd te winnen, om te overleggen, wat hem het beste te doen stond.„Ik geloof wel, dat u begrijpt, Sir Andrew. Gij moet weten, datikwaarheid spreek. Beschouw de feiten eens koelbloedig: Percy is onder zeil naar Calais, ik onderstel naar een eenzame plek op de kust, en Chauvelin is hem op het spoor. Chauvelin heeft postpaarden naar Dover genomen en zal zeker van nacht het Kanaal oversteken. Wat denkt ge, dat er zal gebeuren?”„Wat denkt ge, dat er zal gebeuren?” (pag. 111).„Wat denkt ge, dat er zal gebeuren?” (pag. 111).De jonkman deed er het zwijgen toe.„Percy zal zijn bestemming bereiken: niet wetende, een spion op zijn hielen te hebben, zullen hij, de Tournay en de anderen—onder wie mijn broeder—een voor een opduiken, zij zullen in den val loopen en de guillotine wacht haar slachtoffers!”Nog bleef Sir Andrew zwijgen.„Gij vertrouwt mij niet,” zei ze hartstochtelijk. „O, mijn hemel! ziet ge dan niet, dat ik met doodelijken ernst tot u spreek? Man, man,” voegde ze er aan toe, den jonker plotseling met haar tengere handen bij de schouders grijpend en hem noodzakend haar strak aan te zien, „zeg me, zie ik er uit als een vrouw, die haar eigen man wil verraden?”„Dat verhoede God, Lady Blakeney,” zei de jonkman ten laatste, „maar...”„Wat maren?... zeg ’t me... Gauw wat, man!... de seconden zijn kostbaar!”„Wilt u me zeggen,” vroeg hij vastberaden en haar scherp in de oogen ziende, „wie Chauvelin aan dewetenschaphielp, die u zegt, dat hij bezit?”„Ik,” antwoordde ze kalm. „Ik zal het u niet ontveinzen, opdat ge blind vertrouwen in me moogt stellen. Maar het kwam niet bij me op—hoekonhet ook—dat Percy de Roode Pimpernel kon zijn... en de veiligheid van mijn broêr zou mijn belooning zijn, als ik mocht slagen.”„Chauvelin de hand te leenen om den Rooden Pimpernel te ontdekken?” liet de jonker erop volgen.Zij knikte bevestigend.„Onnoodig u te verklaren, hoe hij mij in het nauw dreef. Armand is mij meer dan een broeder, en... en... hoe...konik vermoeden... Maar we verspillen onzen tijd, Sir Andrew... iedere seconde is kostbaar... in ’s hemels naam!... mijn man verkeert in gevaar... uw vriend!—uw makker! Help me hem redden!”„Lady Blakeney,” sprak hij eindelijk, „God alleen weet, hoe u mij in verlegenheid hebt gebracht, en wel zoo, dat ik niet weet, wat op dit oogenblik mijn naaste plicht is. Zegumij, wat ge verlangt, dat ik doen zal. Er staan negentien onzer gereed hun leven op te offeren voor denRooden Pimpernel, als hij in gevaar verkeert.”„Er is momenteel nog geen sprake van levens te laten, vriend,” zei Marguerite droogjes, „mijn overleg en vier snelle rossen zullen het noodige verrichten. Maar ik moet weten, waar ik Percy kan vinden.”„Maar Lady Blakeney,” zei de jonker, „hebt u bedacht, dat hetgeen u voornemens zijt te doen, mannenwerk is?—U kunt met geen mogelijkheid alleen naar Calais reizen, u zoudt zelf het grootste gevaar loopen en de kansen om uwen echtgenoot nu te vinden zijn zeer gering.”„Oh! ik wil hopen, dat er gevaren aan verbonden zijn!” prevelde ze zacht. „Ik hoop het van harte—want ik heb zoo veel goed te maken. Maar ik denk, dat ge u vergist, wat mijn persoon betreft. Chauvelin heeft zijn oogen op u allen hoofdzakelijk gevestigd. Van mij zal hij nauwelijks notitie nemen. Haast u, Sir Andrew!—het rijtuig staat gereed, er valt geen oogenblik te verliezen... Ikmoetnaar hem toe! Ikmoet” herhaalde ze bijna in woeste drift, „hem waarschuwen, dat die man hem op het spoor is... Kunt ge niet begrijpen... kunt ge niet inzien, dat ik naar hem toemoet... ook... ook als het te laat zou zijn om hem te redden... ik zal... dan toch bij hem zijn... ja, bij hem om te...”„Milady,udient mij te bevelen... als u dan toch zelf gaanwilt...”„Neen vriend, maar ziet ge dan niet, dat ik krankzinnig zal worden, als ik u zonder mij laat vertrekken!” Ze stak hem de hand toe. „Gij stelt toch vertrouwen in mij?”„Ik wacht uw orders,” zei Andrew Foulkes eenvoudig.„Luister dan. Mijn wagen staat gereed om me naar Dover te brengen. Volg me zoo snel als een paard u kan voeren. Wij treffen elkaar bij het vallen van den nacht aan in de herberg „Visscherswelvaren”, vanwaar ge mij naar Calais zult begeleiden. We huren een schoener te Dover en gaan bij nacht onder zeil. Vermomd, als ge erin toestemt: als lakei zult ge, denk ik, niet herkend worden.”„Ik ben geheel tot uw dienst, Milady,” antwoordde de jonkman ernstig. „Geve God, dat u deDay Dreamin zicht krijgt, vóór we te Calais aankomen.”„Daar zeg ik amen op, Sir Andrew. En nu tot ziens! Wij ontmoeten elkaar van nacht te Dover. Het zal een zeilpartij zijn over het Kanaal tusschen mij en Chauvelin—om den prijs—het leven van den Rooden Pimpernel.”Hij kuste haar de hand, en geleiddehaarvervolgens naar haren draagstoel. Een kwartier later was zij terug aan de herberg „De Kroon”, waar haar wagen en paarden gereed stonden en haar wachtten. Het volgend oogenblik ging het donderend over Londen’s straten in dolle vaart.Haar gedachten keerden terug naar den geheimzinnigen held, dien zij onbewust altijd had liefgehad, toen zijn identiteit voor haar nog was—een ondoordringbaar geheim.Ze had zooveel angsten in de laatste uren doorgestaan, dat zij zich de weelde veroorloofde van hoop gevende en meer opwekkende gedachten. Van lieverlede geraakte ze onder den invloed van het eentonig rommelen der wagenwielen, dat haar zenuwen tot bedaren bracht; haar oogen sloten zich onwillekeurig en zij viel in een onrustigen slaap.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.De Vriend.

Minder dan een half uur later zat Marguerite, in gedachten verdiept, op de bank van haar reiswagen, die haar ijlings naar Londen vervoerde.Ze had een roerend afscheid genomen van de kleine Suzanne en er voor gezorgd, dat het goede kind veilig en wel met haar kamenier naar de stad kon vertrekken. Ze had een renbode met een eerbiedig excuseerend schrijven gezonden naar Zijn Koninklijke Hoogheid, den Prins van Wales, ter uitstelling van diens bezoek, en een anderen estafette naar Faversham, om versche paarden gereed te houden.Ze deed geen poging om haar onrust met eenige ijdelehoop in slaap te wiegen, de veiligheid van haar broeder Armand hing alleen af van de arrestatie van den Rooden Pimpernel. En daar Chauvelin haar Armand’s compromitteerenden brief had opgezonden, bestond er geen twijfel, of de sluwe vos was voor zichzelf voldaan, met de zekerheid, dat Percy Blakeney de man was, wiens dood hij had gezworen, wiens hoofd zou moeten vallen op het schavot.Zij had den koetsier gelast naar de herberg „De Kroon” te rijden, en daar aangekomen, den paarden voer te geven en rust te gunnen.Toen bestelde zij een draagstoel en liet zich naar de woning van Sir Andrew Foulkes brengen.Onder al de vrienden van Sir Percy voelde zij, als het op vertrouwen schenken aankwam, zich het meest tot dezen aangetrokken. Hij was haar altijd vriendschappelijk gezind geweest, en nu had zijn liefde voor de kleine Suzanne hem nog nader tot haar gebracht.Sir Andrew Foulkes was thuis. Men liet haar in een klein, doch keurig gemeubeld eetvertrek. Een oogenblik daarna verscheen Sir Andrew in persoon.Blijkbaar scheen hij zeer verschriktte zijn toen hem het bezoek van Lady Blakeney was aangekondigd, want angstig, zelfs met eenig wantrouwen, keek hij Marguerite aan, toen hij haar begroette met de plichtpleging, zooals de etikette van dien tijd voorschreef.Marguerite had ieder spoor van zenuwachtigheid uitgewischt; zij was volmaakt kalm, en na den jonkman wederkeerig te hebben gegroet, begon ze zeer bedaard:—„Sir Andrew, het is mij niet te doen om kostbaren tijd te verpraten: uw leider en makker, de Roode Pimpernel... mijn echtgenoot... Percy Blakeney... verkeert in doodsgevaar.”Zoo zij den minsten twijfel mocht gekoesterd hebben omtrent de juistheid harer vermoedens, zij zou die nu bevestigd hebben gezien, want Sir Andrew, geheel bij verrassing overmeesterd, was doodsbleek geworden en niet in staat een tegenstrijdig antwoord uit te brengen.„Misschien is het nog niet te laat om hem te redden,” ging ze voort. „Maar ongelukkig genoeg staat dit nietgeheel alleen in mijn macht, daarom kom ik tot u, om bijstand in dezen nood.”„Lady Blakeney,” begon de jonge man, „ik...”„Laat mij uitspreken!” viel ze hem in de rede, „ziehier hoe de zaken staan:Toen de agent van de Fransche Republiek den nacht te Dover zich van uw papieren meester maakte, vond hij daaronder eenige plannen, die gij of uw leider dacht uit te voeren voor de redding van den Graaf de Tournay en andere Fransche vluchtelingen. De Roode Pimpernel—Percy—mijn echtgenoot—is vandaag persoonlijk op de expeditie uitgegaan. Chauvelin weet, dat de Roode Pimpernel en Percy Blakeney een en dezelfde persoon is. Chauvelin zit hem momenteel op de hielen naar Calais, met het doel Percy te arresteeren. Gij zult even goed weten als ik, welk lot hem wacht van de zijde der Revolutionaire Fransche Republiek. Geen tusschenkomst van Engeland—van koning George in persoon—kan hem redden. Robespierre zou er wel voor zorgen, dat iedere bemoeiing te laat kwam. Maar dit is niet alles; uw leider zal bovendien onbewust het middel zijn, om de schuilplaats van den Graaf de Tournay—uw aanstaanden schoonvader—en van zoovele anderen aan de bloedhonden te openbaren.”Zij had kalm gesproken, vast beraden, met een onwrikbaar besluit. Zij trachtte het er heen te leiden, het vertrouwen van den jonkman te winnen, hem te overreden hulp te verleenen, want zonder hem kon ze niets uitrichten.„Ik begrijp niet,” begon deze andermaal, trachtende tijd te winnen, om te overleggen, wat hem het beste te doen stond.„Ik geloof wel, dat u begrijpt, Sir Andrew. Gij moet weten, datikwaarheid spreek. Beschouw de feiten eens koelbloedig: Percy is onder zeil naar Calais, ik onderstel naar een eenzame plek op de kust, en Chauvelin is hem op het spoor. Chauvelin heeft postpaarden naar Dover genomen en zal zeker van nacht het Kanaal oversteken. Wat denkt ge, dat er zal gebeuren?”„Wat denkt ge, dat er zal gebeuren?” (pag. 111).„Wat denkt ge, dat er zal gebeuren?” (pag. 111).De jonkman deed er het zwijgen toe.„Percy zal zijn bestemming bereiken: niet wetende, een spion op zijn hielen te hebben, zullen hij, de Tournay en de anderen—onder wie mijn broeder—een voor een opduiken, zij zullen in den val loopen en de guillotine wacht haar slachtoffers!”Nog bleef Sir Andrew zwijgen.„Gij vertrouwt mij niet,” zei ze hartstochtelijk. „O, mijn hemel! ziet ge dan niet, dat ik met doodelijken ernst tot u spreek? Man, man,” voegde ze er aan toe, den jonker plotseling met haar tengere handen bij de schouders grijpend en hem noodzakend haar strak aan te zien, „zeg me, zie ik er uit als een vrouw, die haar eigen man wil verraden?”„Dat verhoede God, Lady Blakeney,” zei de jonkman ten laatste, „maar...”„Wat maren?... zeg ’t me... Gauw wat, man!... de seconden zijn kostbaar!”„Wilt u me zeggen,” vroeg hij vastberaden en haar scherp in de oogen ziende, „wie Chauvelin aan dewetenschaphielp, die u zegt, dat hij bezit?”„Ik,” antwoordde ze kalm. „Ik zal het u niet ontveinzen, opdat ge blind vertrouwen in me moogt stellen. Maar het kwam niet bij me op—hoekonhet ook—dat Percy de Roode Pimpernel kon zijn... en de veiligheid van mijn broêr zou mijn belooning zijn, als ik mocht slagen.”„Chauvelin de hand te leenen om den Rooden Pimpernel te ontdekken?” liet de jonker erop volgen.Zij knikte bevestigend.„Onnoodig u te verklaren, hoe hij mij in het nauw dreef. Armand is mij meer dan een broeder, en... en... hoe...konik vermoeden... Maar we verspillen onzen tijd, Sir Andrew... iedere seconde is kostbaar... in ’s hemels naam!... mijn man verkeert in gevaar... uw vriend!—uw makker! Help me hem redden!”„Lady Blakeney,” sprak hij eindelijk, „God alleen weet, hoe u mij in verlegenheid hebt gebracht, en wel zoo, dat ik niet weet, wat op dit oogenblik mijn naaste plicht is. Zegumij, wat ge verlangt, dat ik doen zal. Er staan negentien onzer gereed hun leven op te offeren voor denRooden Pimpernel, als hij in gevaar verkeert.”„Er is momenteel nog geen sprake van levens te laten, vriend,” zei Marguerite droogjes, „mijn overleg en vier snelle rossen zullen het noodige verrichten. Maar ik moet weten, waar ik Percy kan vinden.”„Maar Lady Blakeney,” zei de jonker, „hebt u bedacht, dat hetgeen u voornemens zijt te doen, mannenwerk is?—U kunt met geen mogelijkheid alleen naar Calais reizen, u zoudt zelf het grootste gevaar loopen en de kansen om uwen echtgenoot nu te vinden zijn zeer gering.”„Oh! ik wil hopen, dat er gevaren aan verbonden zijn!” prevelde ze zacht. „Ik hoop het van harte—want ik heb zoo veel goed te maken. Maar ik denk, dat ge u vergist, wat mijn persoon betreft. Chauvelin heeft zijn oogen op u allen hoofdzakelijk gevestigd. Van mij zal hij nauwelijks notitie nemen. Haast u, Sir Andrew!—het rijtuig staat gereed, er valt geen oogenblik te verliezen... Ikmoetnaar hem toe! Ikmoet” herhaalde ze bijna in woeste drift, „hem waarschuwen, dat die man hem op het spoor is... Kunt ge niet begrijpen... kunt ge niet inzien, dat ik naar hem toemoet... ook... ook als het te laat zou zijn om hem te redden... ik zal... dan toch bij hem zijn... ja, bij hem om te...”„Milady,udient mij te bevelen... als u dan toch zelf gaanwilt...”„Neen vriend, maar ziet ge dan niet, dat ik krankzinnig zal worden, als ik u zonder mij laat vertrekken!” Ze stak hem de hand toe. „Gij stelt toch vertrouwen in mij?”„Ik wacht uw orders,” zei Andrew Foulkes eenvoudig.„Luister dan. Mijn wagen staat gereed om me naar Dover te brengen. Volg me zoo snel als een paard u kan voeren. Wij treffen elkaar bij het vallen van den nacht aan in de herberg „Visscherswelvaren”, vanwaar ge mij naar Calais zult begeleiden. We huren een schoener te Dover en gaan bij nacht onder zeil. Vermomd, als ge erin toestemt: als lakei zult ge, denk ik, niet herkend worden.”„Ik ben geheel tot uw dienst, Milady,” antwoordde de jonkman ernstig. „Geve God, dat u deDay Dreamin zicht krijgt, vóór we te Calais aankomen.”„Daar zeg ik amen op, Sir Andrew. En nu tot ziens! Wij ontmoeten elkaar van nacht te Dover. Het zal een zeilpartij zijn over het Kanaal tusschen mij en Chauvelin—om den prijs—het leven van den Rooden Pimpernel.”Hij kuste haar de hand, en geleiddehaarvervolgens naar haren draagstoel. Een kwartier later was zij terug aan de herberg „De Kroon”, waar haar wagen en paarden gereed stonden en haar wachtten. Het volgend oogenblik ging het donderend over Londen’s straten in dolle vaart.Haar gedachten keerden terug naar den geheimzinnigen held, dien zij onbewust altijd had liefgehad, toen zijn identiteit voor haar nog was—een ondoordringbaar geheim.Ze had zooveel angsten in de laatste uren doorgestaan, dat zij zich de weelde veroorloofde van hoop gevende en meer opwekkende gedachten. Van lieverlede geraakte ze onder den invloed van het eentonig rommelen der wagenwielen, dat haar zenuwen tot bedaren bracht; haar oogen sloten zich onwillekeurig en zij viel in een onrustigen slaap.

Minder dan een half uur later zat Marguerite, in gedachten verdiept, op de bank van haar reiswagen, die haar ijlings naar Londen vervoerde.

Ze had een roerend afscheid genomen van de kleine Suzanne en er voor gezorgd, dat het goede kind veilig en wel met haar kamenier naar de stad kon vertrekken. Ze had een renbode met een eerbiedig excuseerend schrijven gezonden naar Zijn Koninklijke Hoogheid, den Prins van Wales, ter uitstelling van diens bezoek, en een anderen estafette naar Faversham, om versche paarden gereed te houden.

Ze deed geen poging om haar onrust met eenige ijdelehoop in slaap te wiegen, de veiligheid van haar broeder Armand hing alleen af van de arrestatie van den Rooden Pimpernel. En daar Chauvelin haar Armand’s compromitteerenden brief had opgezonden, bestond er geen twijfel, of de sluwe vos was voor zichzelf voldaan, met de zekerheid, dat Percy Blakeney de man was, wiens dood hij had gezworen, wiens hoofd zou moeten vallen op het schavot.

Zij had den koetsier gelast naar de herberg „De Kroon” te rijden, en daar aangekomen, den paarden voer te geven en rust te gunnen.

Toen bestelde zij een draagstoel en liet zich naar de woning van Sir Andrew Foulkes brengen.

Onder al de vrienden van Sir Percy voelde zij, als het op vertrouwen schenken aankwam, zich het meest tot dezen aangetrokken. Hij was haar altijd vriendschappelijk gezind geweest, en nu had zijn liefde voor de kleine Suzanne hem nog nader tot haar gebracht.

Sir Andrew Foulkes was thuis. Men liet haar in een klein, doch keurig gemeubeld eetvertrek. Een oogenblik daarna verscheen Sir Andrew in persoon.

Blijkbaar scheen hij zeer verschriktte zijn toen hem het bezoek van Lady Blakeney was aangekondigd, want angstig, zelfs met eenig wantrouwen, keek hij Marguerite aan, toen hij haar begroette met de plichtpleging, zooals de etikette van dien tijd voorschreef.

Marguerite had ieder spoor van zenuwachtigheid uitgewischt; zij was volmaakt kalm, en na den jonkman wederkeerig te hebben gegroet, begon ze zeer bedaard:—„Sir Andrew, het is mij niet te doen om kostbaren tijd te verpraten: uw leider en makker, de Roode Pimpernel... mijn echtgenoot... Percy Blakeney... verkeert in doodsgevaar.”

Zoo zij den minsten twijfel mocht gekoesterd hebben omtrent de juistheid harer vermoedens, zij zou die nu bevestigd hebben gezien, want Sir Andrew, geheel bij verrassing overmeesterd, was doodsbleek geworden en niet in staat een tegenstrijdig antwoord uit te brengen.

„Misschien is het nog niet te laat om hem te redden,” ging ze voort. „Maar ongelukkig genoeg staat dit nietgeheel alleen in mijn macht, daarom kom ik tot u, om bijstand in dezen nood.”

„Lady Blakeney,” begon de jonge man, „ik...”

„Laat mij uitspreken!” viel ze hem in de rede, „ziehier hoe de zaken staan:

Toen de agent van de Fransche Republiek den nacht te Dover zich van uw papieren meester maakte, vond hij daaronder eenige plannen, die gij of uw leider dacht uit te voeren voor de redding van den Graaf de Tournay en andere Fransche vluchtelingen. De Roode Pimpernel—Percy—mijn echtgenoot—is vandaag persoonlijk op de expeditie uitgegaan. Chauvelin weet, dat de Roode Pimpernel en Percy Blakeney een en dezelfde persoon is. Chauvelin zit hem momenteel op de hielen naar Calais, met het doel Percy te arresteeren. Gij zult even goed weten als ik, welk lot hem wacht van de zijde der Revolutionaire Fransche Republiek. Geen tusschenkomst van Engeland—van koning George in persoon—kan hem redden. Robespierre zou er wel voor zorgen, dat iedere bemoeiing te laat kwam. Maar dit is niet alles; uw leider zal bovendien onbewust het middel zijn, om de schuilplaats van den Graaf de Tournay—uw aanstaanden schoonvader—en van zoovele anderen aan de bloedhonden te openbaren.”

Zij had kalm gesproken, vast beraden, met een onwrikbaar besluit. Zij trachtte het er heen te leiden, het vertrouwen van den jonkman te winnen, hem te overreden hulp te verleenen, want zonder hem kon ze niets uitrichten.

„Ik begrijp niet,” begon deze andermaal, trachtende tijd te winnen, om te overleggen, wat hem het beste te doen stond.

„Ik geloof wel, dat u begrijpt, Sir Andrew. Gij moet weten, datikwaarheid spreek. Beschouw de feiten eens koelbloedig: Percy is onder zeil naar Calais, ik onderstel naar een eenzame plek op de kust, en Chauvelin is hem op het spoor. Chauvelin heeft postpaarden naar Dover genomen en zal zeker van nacht het Kanaal oversteken. Wat denkt ge, dat er zal gebeuren?”

„Wat denkt ge, dat er zal gebeuren?” (pag. 111).„Wat denkt ge, dat er zal gebeuren?” (pag. 111).

„Wat denkt ge, dat er zal gebeuren?” (pag. 111).

De jonkman deed er het zwijgen toe.

„Percy zal zijn bestemming bereiken: niet wetende, een spion op zijn hielen te hebben, zullen hij, de Tournay en de anderen—onder wie mijn broeder—een voor een opduiken, zij zullen in den val loopen en de guillotine wacht haar slachtoffers!”

Nog bleef Sir Andrew zwijgen.

„Gij vertrouwt mij niet,” zei ze hartstochtelijk. „O, mijn hemel! ziet ge dan niet, dat ik met doodelijken ernst tot u spreek? Man, man,” voegde ze er aan toe, den jonker plotseling met haar tengere handen bij de schouders grijpend en hem noodzakend haar strak aan te zien, „zeg me, zie ik er uit als een vrouw, die haar eigen man wil verraden?”

„Dat verhoede God, Lady Blakeney,” zei de jonkman ten laatste, „maar...”

„Wat maren?... zeg ’t me... Gauw wat, man!... de seconden zijn kostbaar!”

„Wilt u me zeggen,” vroeg hij vastberaden en haar scherp in de oogen ziende, „wie Chauvelin aan dewetenschaphielp, die u zegt, dat hij bezit?”

„Ik,” antwoordde ze kalm. „Ik zal het u niet ontveinzen, opdat ge blind vertrouwen in me moogt stellen. Maar het kwam niet bij me op—hoekonhet ook—dat Percy de Roode Pimpernel kon zijn... en de veiligheid van mijn broêr zou mijn belooning zijn, als ik mocht slagen.”

„Chauvelin de hand te leenen om den Rooden Pimpernel te ontdekken?” liet de jonker erop volgen.

Zij knikte bevestigend.

„Onnoodig u te verklaren, hoe hij mij in het nauw dreef. Armand is mij meer dan een broeder, en... en... hoe...konik vermoeden... Maar we verspillen onzen tijd, Sir Andrew... iedere seconde is kostbaar... in ’s hemels naam!... mijn man verkeert in gevaar... uw vriend!—uw makker! Help me hem redden!”

„Lady Blakeney,” sprak hij eindelijk, „God alleen weet, hoe u mij in verlegenheid hebt gebracht, en wel zoo, dat ik niet weet, wat op dit oogenblik mijn naaste plicht is. Zegumij, wat ge verlangt, dat ik doen zal. Er staan negentien onzer gereed hun leven op te offeren voor denRooden Pimpernel, als hij in gevaar verkeert.”

„Er is momenteel nog geen sprake van levens te laten, vriend,” zei Marguerite droogjes, „mijn overleg en vier snelle rossen zullen het noodige verrichten. Maar ik moet weten, waar ik Percy kan vinden.”

„Maar Lady Blakeney,” zei de jonker, „hebt u bedacht, dat hetgeen u voornemens zijt te doen, mannenwerk is?—U kunt met geen mogelijkheid alleen naar Calais reizen, u zoudt zelf het grootste gevaar loopen en de kansen om uwen echtgenoot nu te vinden zijn zeer gering.”

„Oh! ik wil hopen, dat er gevaren aan verbonden zijn!” prevelde ze zacht. „Ik hoop het van harte—want ik heb zoo veel goed te maken. Maar ik denk, dat ge u vergist, wat mijn persoon betreft. Chauvelin heeft zijn oogen op u allen hoofdzakelijk gevestigd. Van mij zal hij nauwelijks notitie nemen. Haast u, Sir Andrew!—het rijtuig staat gereed, er valt geen oogenblik te verliezen... Ikmoetnaar hem toe! Ikmoet” herhaalde ze bijna in woeste drift, „hem waarschuwen, dat die man hem op het spoor is... Kunt ge niet begrijpen... kunt ge niet inzien, dat ik naar hem toemoet... ook... ook als het te laat zou zijn om hem te redden... ik zal... dan toch bij hem zijn... ja, bij hem om te...”

„Milady,udient mij te bevelen... als u dan toch zelf gaanwilt...”

„Neen vriend, maar ziet ge dan niet, dat ik krankzinnig zal worden, als ik u zonder mij laat vertrekken!” Ze stak hem de hand toe. „Gij stelt toch vertrouwen in mij?”

„Ik wacht uw orders,” zei Andrew Foulkes eenvoudig.

„Luister dan. Mijn wagen staat gereed om me naar Dover te brengen. Volg me zoo snel als een paard u kan voeren. Wij treffen elkaar bij het vallen van den nacht aan in de herberg „Visscherswelvaren”, vanwaar ge mij naar Calais zult begeleiden. We huren een schoener te Dover en gaan bij nacht onder zeil. Vermomd, als ge erin toestemt: als lakei zult ge, denk ik, niet herkend worden.”

„Ik ben geheel tot uw dienst, Milady,” antwoordde de jonkman ernstig. „Geve God, dat u deDay Dreamin zicht krijgt, vóór we te Calais aankomen.”

„Daar zeg ik amen op, Sir Andrew. En nu tot ziens! Wij ontmoeten elkaar van nacht te Dover. Het zal een zeilpartij zijn over het Kanaal tusschen mij en Chauvelin—om den prijs—het leven van den Rooden Pimpernel.”

Hij kuste haar de hand, en geleiddehaarvervolgens naar haren draagstoel. Een kwartier later was zij terug aan de herberg „De Kroon”, waar haar wagen en paarden gereed stonden en haar wachtten. Het volgend oogenblik ging het donderend over Londen’s straten in dolle vaart.

Haar gedachten keerden terug naar den geheimzinnigen held, dien zij onbewust altijd had liefgehad, toen zijn identiteit voor haar nog was—een ondoordringbaar geheim.

Ze had zooveel angsten in de laatste uren doorgestaan, dat zij zich de weelde veroorloofde van hoop gevende en meer opwekkende gedachten. Van lieverlede geraakte ze onder den invloed van het eentonig rommelen der wagenwielen, dat haar zenuwen tot bedaren bracht; haar oogen sloten zich onwillekeurig en zij viel in een onrustigen slaap.


Back to IndexNext