DERTIENDE HOOFDSTUK.

DERTIENDE HOOFDSTUK.Tegen één uur precies.Aan het souper was het zeer vroolijk toegegaan. Alle gasten verklaarden eenparig, dat Lady Blakeney aanbiddelijker geweest was dan ooit en de „idioot” Sir Percy geen enkelen keer zulke grappen had uitgehaald.Marguerite Blakeney verkeerde in haar beste luim, geen enkele onder de talrijke aanzittenden had ook maar het geringste vermoeden van den vreeselijken strijd, die in haar binnenste woedde.Het uurwerk in de zaal ging meedoogenloos zijn gang. Het was reeds lang na middernacht, en zelfs de Prins van Wales dacht er aan zijn paleis weer op te zoeken.Marguerite had niet de minste poging gedaan om Chauvelin te ontmoeten: zij was zich bewust, dat zijn doordringende vossenoogen haar schrik zouden aanjagen en de weegschaal van haar besluit ten gunste van Armand doen overslaan.Na het souper hervatte men het bal. Marguerite voelde zich niet in staat hieraan weer deel te nemen. Andermaal had ze het stille boudoir opgezocht, onder alle vertrekken het eenige, dat niet werd betreden. Zij wist, dat Chauvelin ergens voor haar op den loer moest liggen, gereed om de eerste de beste gelegenheid aan te grijpen voor een onderhoud. Zijn blik had den hare voor een oogenblik ontmoet na den menuet, en zij wist, dat de sluwe diplomaat geraden had, dat haar werk was volbracht.Armand moest gered worden tot iederen prijs; hij in eerste plaats, want hij was haar broeder, hij was voor haar een vader, een moeder, een oprecht vriend gebleven.Dit alles overwoog ze, terwijl zij luisterde naar het geestig betoog van een Minister, die zonder twijfel in den waan verkeerde, dat hij in Lady Blakeney een zeer aandachtige toehoorderes had. Plotseling zag ze Chauvelin door de portière gluren aan den ingang van het boudoir.„Lord Fancourt,” zei ze tot den Minister, „wilt u mij een dienst bewijzen?”„Ik ben geheel tot uw dienst, Lady Blakeney,” antwoordde deze zeer galant.„Zoudt u eens willen zien of mijn echtgenoot nog in de speelzaal is? En zoo ja, wilt u hem dan zeggen, dat ik zeer moede ben en gaarne spoedig naar huis wensch te gaan.”Lord Fancourt maakte zich gereed terstond aan haar verzoek te voldoen.„Ik wil u niet alleen laten, Lady,” zei hij.„Geen nood. Ik ben hier heel veilig—en ik geloof ongestoord... maar ik ben wezenlijk vermoeid. U weet, dat Sir Percy naar Richmond zal terug rijden. Het is een lange weg, en zoo we ons niet haasten, zullen we vóór den dageraad niet thuis komen.”Op het oogenblik, dat LordFancourtzich had verwijderd, sloop Chauvelin het boudoir binnen en in het volgend moment stond hij naast haar.„Hebt u nieuws voor me?”„Nietsbijzonders,” zei ze, werktuigelijk voor zich uitstarend, „maar het kan een draad in handen geven. Ik ben erin geslaagd—het doet niets ter zake hoe—Sir Andrew Foulkes te betrappen op het verbranden van een papier aan een van deze kaarsen, in dit vertrek. Het is me gelukt, dat papier een paar minuten in handen te krijgen en een seconde of tien mijn oogen erop te slaan.”„Voldoende tijd om den inhoud ervan te lezen!” zei Chauvelin kalm.Zij knikte. Daarop vervolgde ze op denzelfden werktuigelijken toon:„In den hoek van het reepje stond de gewone ruwe teekening van een klein stervormig bloempje. Daarboven las ik twee regels, het overige was geschroeid en zwart door de vlam.”„En wat zeiden die twee regels?”Het scheen, dat haar keel eensklaps was dicht geschroefd. Een oogenblik voelde ze, de woorden, die het doodvonnis moesten luiden over een braaf man, niet te kunnen uitspreken.„Gelukkig, dat de heele strook niet verbrand was,” voegde Chauvelin met bitter sarkasme eraan toe, „want dan zou ’t Armand St. Just slecht vergaan. Wat hielden die paar regels in, burgeres?”„De eene luidde: Ik vertrek morgen,” zei ze kalm; „de andere:„Zoo ge me nog eens wenscht te spreken, zal ik tegen één uur precies na middernacht in de eetzaal aanwezig zijn.”Chauvelin zag op naar de pendule op den schoorsteenmantel.„Dan heb ik nog tijd genoeg voor den boeg,” zei hij bedaard.„Wat zijt ge voornemens te doen?” was haar vraag.„Oh, niets voor ’t oogenblik. Daarna zal het er van afhangen.”„Van wat?”„Van wien ik in de eetzaal, tegen één uur precies, zal te zien krijgen.”„Gij zult natuurlijk den Rooden Pimpernel zien. Maar ge kent hem niet.”„Neen. Maar lang duren zal het ook niet.”„Sir Andrew zal hem gewaarschuwd hebben.”„Dat denk ik niet. Ik heb hem niet uit het oog verloren. Ik geloof,” zei hij glimlachend, „dat ik me gerust erop kan verlaten in de eetzaal den man aan te treffen, die zich zoo impertinent met onze zaken bemoeit.”„Er kunnen er meer zijn dan één.”„Wie er ook mogen zijn; als de klok één uur slaat, worden alle aanwezigen door een van mijn handlangers op de hielen gevolgd; van hen zal één, zullenmisschientwee, wellicht drie, morgen naar Frankrijk vertrekken. Eén van hen moet de Roode Pimpernel zijn.”„Ja? En?”„Ik ga morgen ook over het Kanaal. De papieren, die te Dover op den persoon van Sir Andrew Foulkes zijn gevonden spreken van een herberg in de buurt van Calais, die ik zeer goed ken en „Le Chat Gris” heet, van een eenzaam plekje ergens op de kust—de hut van Père Blanchard—die ik trachten moet uit te vinden. Al deze plaatsen zijn aangewezen als het verzamelpunt, waar de bemoeizieke Engelschman den verrader de Tournay en anderen heeft ontboden om zijn handlangers te ontmoeten. Nu zal een der personen, die ik in de eetzaal zal aantreffen, naar Calais reizen. Dien man zal ik volgen op het spoor, waar de vluchtende aristo’s hem wachten, want die persoon, schoone Lady, moet de man zijn, dien ik zoek, al langer dan een jaar... de geheimzinnige gladde Roode Pimpernel.”„En Armand?” smeekte zij.„Heb ik ooit mijn woord gebroken! Ik beloof u, dat op den dag, waarop de Roode Pimpernel en ik naar Frankrijk vertrekken, ik u zijn onvoorzichtigen brief per specialen koerier zal toezenden. Nog meer, ik wil u borg staan voor Frankrijks woord, dat op den dag, waarop ik mijn man arresteer, Armand St. Just veilig hier in Engeland zal zijn bij de bekoorlijke zuster, die haar broeder zoo onuitsprekelijk liefheeft.”Met een diepe en bestudeerde buiging en nog een blik op de pendule, gleed Chauvelin uit het boudoir.Toen hij de eetzaal bereikte, was deze geheel verlaten.Half geledigde glazen ontsierden het met wijn bevlekte tafellaken; niet opgevouwen servetten lagen hier en daar verspreid; de stoelen stonden in wanorde door elkander, als spoken, die onderling beraadslaagden. In de verre hoeken der zaal zag men paren fauteuils dicht aaneen—die getuigden van minnekoozen; er waren rijen van drie à vier zetels, die aan een geanimeerde discussie deden denken: ook eenige alleen staande stoelen, nabij den feestdisch, die het vermoeden wekten van gulzigaards enlekkerbekken, belust op de meest uitgezochte spijzen, terwijl andere stoelen, onderste boven, op den vloer lagen en het geheel een chaos van wanorde aanbood.Chauvelin glimlachte goedmoedig, toen hij, met zekere voldoening zich de magere handen wrijvend, zijn blikken door de verlaten eetzaal liet ronddwalen.Het zag er alles nog vreedzaam, zoo weelderig uit en zoo kalm, dat de scherpste waarnemer nooit zou kunnen vermoeden, dat op dit oogenblik de verlaten zaal niet anders was dan een val, dien men gezet had om den sluwsten en stoutmoedigsten samenzweerder zijner eeuw onschadelijk te maken.Chauvelin dacht diepzinnig na en trachtte den sluier der naaste toekomst op te lichten. Welk een man zouhijzijn, dien hij en de leiders der Groote Fransche Revolutie hadden gezworen het schavot te doen beklimmen op dePlace de la Grèvete Parijs?Hij was er zeker van, dat zijn toeleg goed was beraamd: de Roode Pimpernel was niet gewaarschuwd, hij was er even zeker van, dat Marguerite Blakeney geen valsche rol had gespeeld. Mocht dit echter zijn... een wreedaardige blik, die haar zou hebben doen sidderen, flikkerde in Chauvelins oogen. Zoo zij hem om den tuin had geleid, Armand St. Just zou zijn hoofd onder de guillotine moeten neerleggen.Gelukkig was de eetzaal ledig: dit moest Chauvelin’s taak des te gemakkelijker maken, wanneer aanstonds het niets vermoedend raadsel, de Sphinx, die zich Roode Pimpernel noemt, geheel alleen zou binnenkomen. Buiten Chauvelin bevond zich hier niemand.Wacht even! Terwijl hij met een glimlach van voldoening de eenzaamheid der zaal naging, drong een rustig, eentonig ademhalen tot hem door. Zeker een van Lord Grenville’s gasten, die buiten twijfel goed en wel had gesoupeerd en een kalmen slaap genoot, ver verwijderd van het rumoer der boven zijn hoofd dansende paren.Chauvelin keek nogmaals onderzoekend rond, en zie... daar ginds in den hoek, op een canapé, in het donker gedeelte der zaal, lag met open mond, gesloten oogen,het zacht geluid eener vreedzame sluimering door zijn wijde neusgaten een doortocht latend, de potsierlijk aangekleede langbeenige echtgenoot der schranderste vrouw van Europa.Chauvelin beschouwde hem, zooals Sir Percy Blakeney daar lag, kalm, onbewust in vrede met de wereld en zichzelf na een heerlijk souper, en een glimlach, bijna grenzend aan medelijden, verzachtte een oogenblik de harde lijnen van des Franschmans gelaat en het sarkastisch knippen zijner oogen.Chauvelin beschouwde hem, zooals hij daar lag, kalm, onbewust (pag. 77).Chauvelin beschouwde hem, zooals hij daar lag, kalm, onbewust (pag. 77).Neen, die slaper, zoo diep verzonken in zijn droomlooze rust, had niets te maken met den strik, dien Chauvelin den boozen Rooden Pimpernel had gespannen. Andermaal wreef hij zich de handen, en het voorbeeld volgend van Sir PercyBlakeney, strekte hij eveneens zijn leden uit op een anderen canapé, sloot de oogen, opende zijn mond, bracht geluiden voort van rustige ademhaling, en... wachtte!

DERTIENDE HOOFDSTUK.Tegen één uur precies.Aan het souper was het zeer vroolijk toegegaan. Alle gasten verklaarden eenparig, dat Lady Blakeney aanbiddelijker geweest was dan ooit en de „idioot” Sir Percy geen enkelen keer zulke grappen had uitgehaald.Marguerite Blakeney verkeerde in haar beste luim, geen enkele onder de talrijke aanzittenden had ook maar het geringste vermoeden van den vreeselijken strijd, die in haar binnenste woedde.Het uurwerk in de zaal ging meedoogenloos zijn gang. Het was reeds lang na middernacht, en zelfs de Prins van Wales dacht er aan zijn paleis weer op te zoeken.Marguerite had niet de minste poging gedaan om Chauvelin te ontmoeten: zij was zich bewust, dat zijn doordringende vossenoogen haar schrik zouden aanjagen en de weegschaal van haar besluit ten gunste van Armand doen overslaan.Na het souper hervatte men het bal. Marguerite voelde zich niet in staat hieraan weer deel te nemen. Andermaal had ze het stille boudoir opgezocht, onder alle vertrekken het eenige, dat niet werd betreden. Zij wist, dat Chauvelin ergens voor haar op den loer moest liggen, gereed om de eerste de beste gelegenheid aan te grijpen voor een onderhoud. Zijn blik had den hare voor een oogenblik ontmoet na den menuet, en zij wist, dat de sluwe diplomaat geraden had, dat haar werk was volbracht.Armand moest gered worden tot iederen prijs; hij in eerste plaats, want hij was haar broeder, hij was voor haar een vader, een moeder, een oprecht vriend gebleven.Dit alles overwoog ze, terwijl zij luisterde naar het geestig betoog van een Minister, die zonder twijfel in den waan verkeerde, dat hij in Lady Blakeney een zeer aandachtige toehoorderes had. Plotseling zag ze Chauvelin door de portière gluren aan den ingang van het boudoir.„Lord Fancourt,” zei ze tot den Minister, „wilt u mij een dienst bewijzen?”„Ik ben geheel tot uw dienst, Lady Blakeney,” antwoordde deze zeer galant.„Zoudt u eens willen zien of mijn echtgenoot nog in de speelzaal is? En zoo ja, wilt u hem dan zeggen, dat ik zeer moede ben en gaarne spoedig naar huis wensch te gaan.”Lord Fancourt maakte zich gereed terstond aan haar verzoek te voldoen.„Ik wil u niet alleen laten, Lady,” zei hij.„Geen nood. Ik ben hier heel veilig—en ik geloof ongestoord... maar ik ben wezenlijk vermoeid. U weet, dat Sir Percy naar Richmond zal terug rijden. Het is een lange weg, en zoo we ons niet haasten, zullen we vóór den dageraad niet thuis komen.”Op het oogenblik, dat LordFancourtzich had verwijderd, sloop Chauvelin het boudoir binnen en in het volgend moment stond hij naast haar.„Hebt u nieuws voor me?”„Nietsbijzonders,” zei ze, werktuigelijk voor zich uitstarend, „maar het kan een draad in handen geven. Ik ben erin geslaagd—het doet niets ter zake hoe—Sir Andrew Foulkes te betrappen op het verbranden van een papier aan een van deze kaarsen, in dit vertrek. Het is me gelukt, dat papier een paar minuten in handen te krijgen en een seconde of tien mijn oogen erop te slaan.”„Voldoende tijd om den inhoud ervan te lezen!” zei Chauvelin kalm.Zij knikte. Daarop vervolgde ze op denzelfden werktuigelijken toon:„In den hoek van het reepje stond de gewone ruwe teekening van een klein stervormig bloempje. Daarboven las ik twee regels, het overige was geschroeid en zwart door de vlam.”„En wat zeiden die twee regels?”Het scheen, dat haar keel eensklaps was dicht geschroefd. Een oogenblik voelde ze, de woorden, die het doodvonnis moesten luiden over een braaf man, niet te kunnen uitspreken.„Gelukkig, dat de heele strook niet verbrand was,” voegde Chauvelin met bitter sarkasme eraan toe, „want dan zou ’t Armand St. Just slecht vergaan. Wat hielden die paar regels in, burgeres?”„De eene luidde: Ik vertrek morgen,” zei ze kalm; „de andere:„Zoo ge me nog eens wenscht te spreken, zal ik tegen één uur precies na middernacht in de eetzaal aanwezig zijn.”Chauvelin zag op naar de pendule op den schoorsteenmantel.„Dan heb ik nog tijd genoeg voor den boeg,” zei hij bedaard.„Wat zijt ge voornemens te doen?” was haar vraag.„Oh, niets voor ’t oogenblik. Daarna zal het er van afhangen.”„Van wat?”„Van wien ik in de eetzaal, tegen één uur precies, zal te zien krijgen.”„Gij zult natuurlijk den Rooden Pimpernel zien. Maar ge kent hem niet.”„Neen. Maar lang duren zal het ook niet.”„Sir Andrew zal hem gewaarschuwd hebben.”„Dat denk ik niet. Ik heb hem niet uit het oog verloren. Ik geloof,” zei hij glimlachend, „dat ik me gerust erop kan verlaten in de eetzaal den man aan te treffen, die zich zoo impertinent met onze zaken bemoeit.”„Er kunnen er meer zijn dan één.”„Wie er ook mogen zijn; als de klok één uur slaat, worden alle aanwezigen door een van mijn handlangers op de hielen gevolgd; van hen zal één, zullenmisschientwee, wellicht drie, morgen naar Frankrijk vertrekken. Eén van hen moet de Roode Pimpernel zijn.”„Ja? En?”„Ik ga morgen ook over het Kanaal. De papieren, die te Dover op den persoon van Sir Andrew Foulkes zijn gevonden spreken van een herberg in de buurt van Calais, die ik zeer goed ken en „Le Chat Gris” heet, van een eenzaam plekje ergens op de kust—de hut van Père Blanchard—die ik trachten moet uit te vinden. Al deze plaatsen zijn aangewezen als het verzamelpunt, waar de bemoeizieke Engelschman den verrader de Tournay en anderen heeft ontboden om zijn handlangers te ontmoeten. Nu zal een der personen, die ik in de eetzaal zal aantreffen, naar Calais reizen. Dien man zal ik volgen op het spoor, waar de vluchtende aristo’s hem wachten, want die persoon, schoone Lady, moet de man zijn, dien ik zoek, al langer dan een jaar... de geheimzinnige gladde Roode Pimpernel.”„En Armand?” smeekte zij.„Heb ik ooit mijn woord gebroken! Ik beloof u, dat op den dag, waarop de Roode Pimpernel en ik naar Frankrijk vertrekken, ik u zijn onvoorzichtigen brief per specialen koerier zal toezenden. Nog meer, ik wil u borg staan voor Frankrijks woord, dat op den dag, waarop ik mijn man arresteer, Armand St. Just veilig hier in Engeland zal zijn bij de bekoorlijke zuster, die haar broeder zoo onuitsprekelijk liefheeft.”Met een diepe en bestudeerde buiging en nog een blik op de pendule, gleed Chauvelin uit het boudoir.Toen hij de eetzaal bereikte, was deze geheel verlaten.Half geledigde glazen ontsierden het met wijn bevlekte tafellaken; niet opgevouwen servetten lagen hier en daar verspreid; de stoelen stonden in wanorde door elkander, als spoken, die onderling beraadslaagden. In de verre hoeken der zaal zag men paren fauteuils dicht aaneen—die getuigden van minnekoozen; er waren rijen van drie à vier zetels, die aan een geanimeerde discussie deden denken: ook eenige alleen staande stoelen, nabij den feestdisch, die het vermoeden wekten van gulzigaards enlekkerbekken, belust op de meest uitgezochte spijzen, terwijl andere stoelen, onderste boven, op den vloer lagen en het geheel een chaos van wanorde aanbood.Chauvelin glimlachte goedmoedig, toen hij, met zekere voldoening zich de magere handen wrijvend, zijn blikken door de verlaten eetzaal liet ronddwalen.Het zag er alles nog vreedzaam, zoo weelderig uit en zoo kalm, dat de scherpste waarnemer nooit zou kunnen vermoeden, dat op dit oogenblik de verlaten zaal niet anders was dan een val, dien men gezet had om den sluwsten en stoutmoedigsten samenzweerder zijner eeuw onschadelijk te maken.Chauvelin dacht diepzinnig na en trachtte den sluier der naaste toekomst op te lichten. Welk een man zouhijzijn, dien hij en de leiders der Groote Fransche Revolutie hadden gezworen het schavot te doen beklimmen op dePlace de la Grèvete Parijs?Hij was er zeker van, dat zijn toeleg goed was beraamd: de Roode Pimpernel was niet gewaarschuwd, hij was er even zeker van, dat Marguerite Blakeney geen valsche rol had gespeeld. Mocht dit echter zijn... een wreedaardige blik, die haar zou hebben doen sidderen, flikkerde in Chauvelins oogen. Zoo zij hem om den tuin had geleid, Armand St. Just zou zijn hoofd onder de guillotine moeten neerleggen.Gelukkig was de eetzaal ledig: dit moest Chauvelin’s taak des te gemakkelijker maken, wanneer aanstonds het niets vermoedend raadsel, de Sphinx, die zich Roode Pimpernel noemt, geheel alleen zou binnenkomen. Buiten Chauvelin bevond zich hier niemand.Wacht even! Terwijl hij met een glimlach van voldoening de eenzaamheid der zaal naging, drong een rustig, eentonig ademhalen tot hem door. Zeker een van Lord Grenville’s gasten, die buiten twijfel goed en wel had gesoupeerd en een kalmen slaap genoot, ver verwijderd van het rumoer der boven zijn hoofd dansende paren.Chauvelin keek nogmaals onderzoekend rond, en zie... daar ginds in den hoek, op een canapé, in het donker gedeelte der zaal, lag met open mond, gesloten oogen,het zacht geluid eener vreedzame sluimering door zijn wijde neusgaten een doortocht latend, de potsierlijk aangekleede langbeenige echtgenoot der schranderste vrouw van Europa.Chauvelin beschouwde hem, zooals Sir Percy Blakeney daar lag, kalm, onbewust in vrede met de wereld en zichzelf na een heerlijk souper, en een glimlach, bijna grenzend aan medelijden, verzachtte een oogenblik de harde lijnen van des Franschmans gelaat en het sarkastisch knippen zijner oogen.Chauvelin beschouwde hem, zooals hij daar lag, kalm, onbewust (pag. 77).Chauvelin beschouwde hem, zooals hij daar lag, kalm, onbewust (pag. 77).Neen, die slaper, zoo diep verzonken in zijn droomlooze rust, had niets te maken met den strik, dien Chauvelin den boozen Rooden Pimpernel had gespannen. Andermaal wreef hij zich de handen, en het voorbeeld volgend van Sir PercyBlakeney, strekte hij eveneens zijn leden uit op een anderen canapé, sloot de oogen, opende zijn mond, bracht geluiden voort van rustige ademhaling, en... wachtte!

DERTIENDE HOOFDSTUK.Tegen één uur precies.

Aan het souper was het zeer vroolijk toegegaan. Alle gasten verklaarden eenparig, dat Lady Blakeney aanbiddelijker geweest was dan ooit en de „idioot” Sir Percy geen enkelen keer zulke grappen had uitgehaald.Marguerite Blakeney verkeerde in haar beste luim, geen enkele onder de talrijke aanzittenden had ook maar het geringste vermoeden van den vreeselijken strijd, die in haar binnenste woedde.Het uurwerk in de zaal ging meedoogenloos zijn gang. Het was reeds lang na middernacht, en zelfs de Prins van Wales dacht er aan zijn paleis weer op te zoeken.Marguerite had niet de minste poging gedaan om Chauvelin te ontmoeten: zij was zich bewust, dat zijn doordringende vossenoogen haar schrik zouden aanjagen en de weegschaal van haar besluit ten gunste van Armand doen overslaan.Na het souper hervatte men het bal. Marguerite voelde zich niet in staat hieraan weer deel te nemen. Andermaal had ze het stille boudoir opgezocht, onder alle vertrekken het eenige, dat niet werd betreden. Zij wist, dat Chauvelin ergens voor haar op den loer moest liggen, gereed om de eerste de beste gelegenheid aan te grijpen voor een onderhoud. Zijn blik had den hare voor een oogenblik ontmoet na den menuet, en zij wist, dat de sluwe diplomaat geraden had, dat haar werk was volbracht.Armand moest gered worden tot iederen prijs; hij in eerste plaats, want hij was haar broeder, hij was voor haar een vader, een moeder, een oprecht vriend gebleven.Dit alles overwoog ze, terwijl zij luisterde naar het geestig betoog van een Minister, die zonder twijfel in den waan verkeerde, dat hij in Lady Blakeney een zeer aandachtige toehoorderes had. Plotseling zag ze Chauvelin door de portière gluren aan den ingang van het boudoir.„Lord Fancourt,” zei ze tot den Minister, „wilt u mij een dienst bewijzen?”„Ik ben geheel tot uw dienst, Lady Blakeney,” antwoordde deze zeer galant.„Zoudt u eens willen zien of mijn echtgenoot nog in de speelzaal is? En zoo ja, wilt u hem dan zeggen, dat ik zeer moede ben en gaarne spoedig naar huis wensch te gaan.”Lord Fancourt maakte zich gereed terstond aan haar verzoek te voldoen.„Ik wil u niet alleen laten, Lady,” zei hij.„Geen nood. Ik ben hier heel veilig—en ik geloof ongestoord... maar ik ben wezenlijk vermoeid. U weet, dat Sir Percy naar Richmond zal terug rijden. Het is een lange weg, en zoo we ons niet haasten, zullen we vóór den dageraad niet thuis komen.”Op het oogenblik, dat LordFancourtzich had verwijderd, sloop Chauvelin het boudoir binnen en in het volgend moment stond hij naast haar.„Hebt u nieuws voor me?”„Nietsbijzonders,” zei ze, werktuigelijk voor zich uitstarend, „maar het kan een draad in handen geven. Ik ben erin geslaagd—het doet niets ter zake hoe—Sir Andrew Foulkes te betrappen op het verbranden van een papier aan een van deze kaarsen, in dit vertrek. Het is me gelukt, dat papier een paar minuten in handen te krijgen en een seconde of tien mijn oogen erop te slaan.”„Voldoende tijd om den inhoud ervan te lezen!” zei Chauvelin kalm.Zij knikte. Daarop vervolgde ze op denzelfden werktuigelijken toon:„In den hoek van het reepje stond de gewone ruwe teekening van een klein stervormig bloempje. Daarboven las ik twee regels, het overige was geschroeid en zwart door de vlam.”„En wat zeiden die twee regels?”Het scheen, dat haar keel eensklaps was dicht geschroefd. Een oogenblik voelde ze, de woorden, die het doodvonnis moesten luiden over een braaf man, niet te kunnen uitspreken.„Gelukkig, dat de heele strook niet verbrand was,” voegde Chauvelin met bitter sarkasme eraan toe, „want dan zou ’t Armand St. Just slecht vergaan. Wat hielden die paar regels in, burgeres?”„De eene luidde: Ik vertrek morgen,” zei ze kalm; „de andere:„Zoo ge me nog eens wenscht te spreken, zal ik tegen één uur precies na middernacht in de eetzaal aanwezig zijn.”Chauvelin zag op naar de pendule op den schoorsteenmantel.„Dan heb ik nog tijd genoeg voor den boeg,” zei hij bedaard.„Wat zijt ge voornemens te doen?” was haar vraag.„Oh, niets voor ’t oogenblik. Daarna zal het er van afhangen.”„Van wat?”„Van wien ik in de eetzaal, tegen één uur precies, zal te zien krijgen.”„Gij zult natuurlijk den Rooden Pimpernel zien. Maar ge kent hem niet.”„Neen. Maar lang duren zal het ook niet.”„Sir Andrew zal hem gewaarschuwd hebben.”„Dat denk ik niet. Ik heb hem niet uit het oog verloren. Ik geloof,” zei hij glimlachend, „dat ik me gerust erop kan verlaten in de eetzaal den man aan te treffen, die zich zoo impertinent met onze zaken bemoeit.”„Er kunnen er meer zijn dan één.”„Wie er ook mogen zijn; als de klok één uur slaat, worden alle aanwezigen door een van mijn handlangers op de hielen gevolgd; van hen zal één, zullenmisschientwee, wellicht drie, morgen naar Frankrijk vertrekken. Eén van hen moet de Roode Pimpernel zijn.”„Ja? En?”„Ik ga morgen ook over het Kanaal. De papieren, die te Dover op den persoon van Sir Andrew Foulkes zijn gevonden spreken van een herberg in de buurt van Calais, die ik zeer goed ken en „Le Chat Gris” heet, van een eenzaam plekje ergens op de kust—de hut van Père Blanchard—die ik trachten moet uit te vinden. Al deze plaatsen zijn aangewezen als het verzamelpunt, waar de bemoeizieke Engelschman den verrader de Tournay en anderen heeft ontboden om zijn handlangers te ontmoeten. Nu zal een der personen, die ik in de eetzaal zal aantreffen, naar Calais reizen. Dien man zal ik volgen op het spoor, waar de vluchtende aristo’s hem wachten, want die persoon, schoone Lady, moet de man zijn, dien ik zoek, al langer dan een jaar... de geheimzinnige gladde Roode Pimpernel.”„En Armand?” smeekte zij.„Heb ik ooit mijn woord gebroken! Ik beloof u, dat op den dag, waarop de Roode Pimpernel en ik naar Frankrijk vertrekken, ik u zijn onvoorzichtigen brief per specialen koerier zal toezenden. Nog meer, ik wil u borg staan voor Frankrijks woord, dat op den dag, waarop ik mijn man arresteer, Armand St. Just veilig hier in Engeland zal zijn bij de bekoorlijke zuster, die haar broeder zoo onuitsprekelijk liefheeft.”Met een diepe en bestudeerde buiging en nog een blik op de pendule, gleed Chauvelin uit het boudoir.Toen hij de eetzaal bereikte, was deze geheel verlaten.Half geledigde glazen ontsierden het met wijn bevlekte tafellaken; niet opgevouwen servetten lagen hier en daar verspreid; de stoelen stonden in wanorde door elkander, als spoken, die onderling beraadslaagden. In de verre hoeken der zaal zag men paren fauteuils dicht aaneen—die getuigden van minnekoozen; er waren rijen van drie à vier zetels, die aan een geanimeerde discussie deden denken: ook eenige alleen staande stoelen, nabij den feestdisch, die het vermoeden wekten van gulzigaards enlekkerbekken, belust op de meest uitgezochte spijzen, terwijl andere stoelen, onderste boven, op den vloer lagen en het geheel een chaos van wanorde aanbood.Chauvelin glimlachte goedmoedig, toen hij, met zekere voldoening zich de magere handen wrijvend, zijn blikken door de verlaten eetzaal liet ronddwalen.Het zag er alles nog vreedzaam, zoo weelderig uit en zoo kalm, dat de scherpste waarnemer nooit zou kunnen vermoeden, dat op dit oogenblik de verlaten zaal niet anders was dan een val, dien men gezet had om den sluwsten en stoutmoedigsten samenzweerder zijner eeuw onschadelijk te maken.Chauvelin dacht diepzinnig na en trachtte den sluier der naaste toekomst op te lichten. Welk een man zouhijzijn, dien hij en de leiders der Groote Fransche Revolutie hadden gezworen het schavot te doen beklimmen op dePlace de la Grèvete Parijs?Hij was er zeker van, dat zijn toeleg goed was beraamd: de Roode Pimpernel was niet gewaarschuwd, hij was er even zeker van, dat Marguerite Blakeney geen valsche rol had gespeeld. Mocht dit echter zijn... een wreedaardige blik, die haar zou hebben doen sidderen, flikkerde in Chauvelins oogen. Zoo zij hem om den tuin had geleid, Armand St. Just zou zijn hoofd onder de guillotine moeten neerleggen.Gelukkig was de eetzaal ledig: dit moest Chauvelin’s taak des te gemakkelijker maken, wanneer aanstonds het niets vermoedend raadsel, de Sphinx, die zich Roode Pimpernel noemt, geheel alleen zou binnenkomen. Buiten Chauvelin bevond zich hier niemand.Wacht even! Terwijl hij met een glimlach van voldoening de eenzaamheid der zaal naging, drong een rustig, eentonig ademhalen tot hem door. Zeker een van Lord Grenville’s gasten, die buiten twijfel goed en wel had gesoupeerd en een kalmen slaap genoot, ver verwijderd van het rumoer der boven zijn hoofd dansende paren.Chauvelin keek nogmaals onderzoekend rond, en zie... daar ginds in den hoek, op een canapé, in het donker gedeelte der zaal, lag met open mond, gesloten oogen,het zacht geluid eener vreedzame sluimering door zijn wijde neusgaten een doortocht latend, de potsierlijk aangekleede langbeenige echtgenoot der schranderste vrouw van Europa.Chauvelin beschouwde hem, zooals Sir Percy Blakeney daar lag, kalm, onbewust in vrede met de wereld en zichzelf na een heerlijk souper, en een glimlach, bijna grenzend aan medelijden, verzachtte een oogenblik de harde lijnen van des Franschmans gelaat en het sarkastisch knippen zijner oogen.Chauvelin beschouwde hem, zooals hij daar lag, kalm, onbewust (pag. 77).Chauvelin beschouwde hem, zooals hij daar lag, kalm, onbewust (pag. 77).Neen, die slaper, zoo diep verzonken in zijn droomlooze rust, had niets te maken met den strik, dien Chauvelin den boozen Rooden Pimpernel had gespannen. Andermaal wreef hij zich de handen, en het voorbeeld volgend van Sir PercyBlakeney, strekte hij eveneens zijn leden uit op een anderen canapé, sloot de oogen, opende zijn mond, bracht geluiden voort van rustige ademhaling, en... wachtte!

Aan het souper was het zeer vroolijk toegegaan. Alle gasten verklaarden eenparig, dat Lady Blakeney aanbiddelijker geweest was dan ooit en de „idioot” Sir Percy geen enkelen keer zulke grappen had uitgehaald.

Marguerite Blakeney verkeerde in haar beste luim, geen enkele onder de talrijke aanzittenden had ook maar het geringste vermoeden van den vreeselijken strijd, die in haar binnenste woedde.

Het uurwerk in de zaal ging meedoogenloos zijn gang. Het was reeds lang na middernacht, en zelfs de Prins van Wales dacht er aan zijn paleis weer op te zoeken.

Marguerite had niet de minste poging gedaan om Chauvelin te ontmoeten: zij was zich bewust, dat zijn doordringende vossenoogen haar schrik zouden aanjagen en de weegschaal van haar besluit ten gunste van Armand doen overslaan.

Na het souper hervatte men het bal. Marguerite voelde zich niet in staat hieraan weer deel te nemen. Andermaal had ze het stille boudoir opgezocht, onder alle vertrekken het eenige, dat niet werd betreden. Zij wist, dat Chauvelin ergens voor haar op den loer moest liggen, gereed om de eerste de beste gelegenheid aan te grijpen voor een onderhoud. Zijn blik had den hare voor een oogenblik ontmoet na den menuet, en zij wist, dat de sluwe diplomaat geraden had, dat haar werk was volbracht.

Armand moest gered worden tot iederen prijs; hij in eerste plaats, want hij was haar broeder, hij was voor haar een vader, een moeder, een oprecht vriend gebleven.

Dit alles overwoog ze, terwijl zij luisterde naar het geestig betoog van een Minister, die zonder twijfel in den waan verkeerde, dat hij in Lady Blakeney een zeer aandachtige toehoorderes had. Plotseling zag ze Chauvelin door de portière gluren aan den ingang van het boudoir.

„Lord Fancourt,” zei ze tot den Minister, „wilt u mij een dienst bewijzen?”

„Ik ben geheel tot uw dienst, Lady Blakeney,” antwoordde deze zeer galant.

„Zoudt u eens willen zien of mijn echtgenoot nog in de speelzaal is? En zoo ja, wilt u hem dan zeggen, dat ik zeer moede ben en gaarne spoedig naar huis wensch te gaan.”

Lord Fancourt maakte zich gereed terstond aan haar verzoek te voldoen.

„Ik wil u niet alleen laten, Lady,” zei hij.

„Geen nood. Ik ben hier heel veilig—en ik geloof ongestoord... maar ik ben wezenlijk vermoeid. U weet, dat Sir Percy naar Richmond zal terug rijden. Het is een lange weg, en zoo we ons niet haasten, zullen we vóór den dageraad niet thuis komen.”

Op het oogenblik, dat LordFancourtzich had verwijderd, sloop Chauvelin het boudoir binnen en in het volgend moment stond hij naast haar.

„Hebt u nieuws voor me?”

„Nietsbijzonders,” zei ze, werktuigelijk voor zich uitstarend, „maar het kan een draad in handen geven. Ik ben erin geslaagd—het doet niets ter zake hoe—Sir Andrew Foulkes te betrappen op het verbranden van een papier aan een van deze kaarsen, in dit vertrek. Het is me gelukt, dat papier een paar minuten in handen te krijgen en een seconde of tien mijn oogen erop te slaan.”

„Voldoende tijd om den inhoud ervan te lezen!” zei Chauvelin kalm.

Zij knikte. Daarop vervolgde ze op denzelfden werktuigelijken toon:

„In den hoek van het reepje stond de gewone ruwe teekening van een klein stervormig bloempje. Daarboven las ik twee regels, het overige was geschroeid en zwart door de vlam.”

„En wat zeiden die twee regels?”

Het scheen, dat haar keel eensklaps was dicht geschroefd. Een oogenblik voelde ze, de woorden, die het doodvonnis moesten luiden over een braaf man, niet te kunnen uitspreken.

„Gelukkig, dat de heele strook niet verbrand was,” voegde Chauvelin met bitter sarkasme eraan toe, „want dan zou ’t Armand St. Just slecht vergaan. Wat hielden die paar regels in, burgeres?”

„De eene luidde: Ik vertrek morgen,” zei ze kalm; „de andere:

„Zoo ge me nog eens wenscht te spreken, zal ik tegen één uur precies na middernacht in de eetzaal aanwezig zijn.”

Chauvelin zag op naar de pendule op den schoorsteenmantel.

„Dan heb ik nog tijd genoeg voor den boeg,” zei hij bedaard.

„Wat zijt ge voornemens te doen?” was haar vraag.

„Oh, niets voor ’t oogenblik. Daarna zal het er van afhangen.”

„Van wat?”

„Van wien ik in de eetzaal, tegen één uur precies, zal te zien krijgen.”

„Gij zult natuurlijk den Rooden Pimpernel zien. Maar ge kent hem niet.”

„Neen. Maar lang duren zal het ook niet.”

„Sir Andrew zal hem gewaarschuwd hebben.”

„Dat denk ik niet. Ik heb hem niet uit het oog verloren. Ik geloof,” zei hij glimlachend, „dat ik me gerust erop kan verlaten in de eetzaal den man aan te treffen, die zich zoo impertinent met onze zaken bemoeit.”

„Er kunnen er meer zijn dan één.”

„Wie er ook mogen zijn; als de klok één uur slaat, worden alle aanwezigen door een van mijn handlangers op de hielen gevolgd; van hen zal één, zullenmisschientwee, wellicht drie, morgen naar Frankrijk vertrekken. Eén van hen moet de Roode Pimpernel zijn.”

„Ja? En?”

„Ik ga morgen ook over het Kanaal. De papieren, die te Dover op den persoon van Sir Andrew Foulkes zijn gevonden spreken van een herberg in de buurt van Calais, die ik zeer goed ken en „Le Chat Gris” heet, van een eenzaam plekje ergens op de kust—de hut van Père Blanchard—die ik trachten moet uit te vinden. Al deze plaatsen zijn aangewezen als het verzamelpunt, waar de bemoeizieke Engelschman den verrader de Tournay en anderen heeft ontboden om zijn handlangers te ontmoeten. Nu zal een der personen, die ik in de eetzaal zal aantreffen, naar Calais reizen. Dien man zal ik volgen op het spoor, waar de vluchtende aristo’s hem wachten, want die persoon, schoone Lady, moet de man zijn, dien ik zoek, al langer dan een jaar... de geheimzinnige gladde Roode Pimpernel.”

„En Armand?” smeekte zij.

„Heb ik ooit mijn woord gebroken! Ik beloof u, dat op den dag, waarop de Roode Pimpernel en ik naar Frankrijk vertrekken, ik u zijn onvoorzichtigen brief per specialen koerier zal toezenden. Nog meer, ik wil u borg staan voor Frankrijks woord, dat op den dag, waarop ik mijn man arresteer, Armand St. Just veilig hier in Engeland zal zijn bij de bekoorlijke zuster, die haar broeder zoo onuitsprekelijk liefheeft.”

Met een diepe en bestudeerde buiging en nog een blik op de pendule, gleed Chauvelin uit het boudoir.

Toen hij de eetzaal bereikte, was deze geheel verlaten.

Half geledigde glazen ontsierden het met wijn bevlekte tafellaken; niet opgevouwen servetten lagen hier en daar verspreid; de stoelen stonden in wanorde door elkander, als spoken, die onderling beraadslaagden. In de verre hoeken der zaal zag men paren fauteuils dicht aaneen—die getuigden van minnekoozen; er waren rijen van drie à vier zetels, die aan een geanimeerde discussie deden denken: ook eenige alleen staande stoelen, nabij den feestdisch, die het vermoeden wekten van gulzigaards enlekkerbekken, belust op de meest uitgezochte spijzen, terwijl andere stoelen, onderste boven, op den vloer lagen en het geheel een chaos van wanorde aanbood.

Chauvelin glimlachte goedmoedig, toen hij, met zekere voldoening zich de magere handen wrijvend, zijn blikken door de verlaten eetzaal liet ronddwalen.

Het zag er alles nog vreedzaam, zoo weelderig uit en zoo kalm, dat de scherpste waarnemer nooit zou kunnen vermoeden, dat op dit oogenblik de verlaten zaal niet anders was dan een val, dien men gezet had om den sluwsten en stoutmoedigsten samenzweerder zijner eeuw onschadelijk te maken.

Chauvelin dacht diepzinnig na en trachtte den sluier der naaste toekomst op te lichten. Welk een man zouhijzijn, dien hij en de leiders der Groote Fransche Revolutie hadden gezworen het schavot te doen beklimmen op dePlace de la Grèvete Parijs?

Hij was er zeker van, dat zijn toeleg goed was beraamd: de Roode Pimpernel was niet gewaarschuwd, hij was er even zeker van, dat Marguerite Blakeney geen valsche rol had gespeeld. Mocht dit echter zijn... een wreedaardige blik, die haar zou hebben doen sidderen, flikkerde in Chauvelins oogen. Zoo zij hem om den tuin had geleid, Armand St. Just zou zijn hoofd onder de guillotine moeten neerleggen.

Gelukkig was de eetzaal ledig: dit moest Chauvelin’s taak des te gemakkelijker maken, wanneer aanstonds het niets vermoedend raadsel, de Sphinx, die zich Roode Pimpernel noemt, geheel alleen zou binnenkomen. Buiten Chauvelin bevond zich hier niemand.

Wacht even! Terwijl hij met een glimlach van voldoening de eenzaamheid der zaal naging, drong een rustig, eentonig ademhalen tot hem door. Zeker een van Lord Grenville’s gasten, die buiten twijfel goed en wel had gesoupeerd en een kalmen slaap genoot, ver verwijderd van het rumoer der boven zijn hoofd dansende paren.

Chauvelin keek nogmaals onderzoekend rond, en zie... daar ginds in den hoek, op een canapé, in het donker gedeelte der zaal, lag met open mond, gesloten oogen,het zacht geluid eener vreedzame sluimering door zijn wijde neusgaten een doortocht latend, de potsierlijk aangekleede langbeenige echtgenoot der schranderste vrouw van Europa.

Chauvelin beschouwde hem, zooals Sir Percy Blakeney daar lag, kalm, onbewust in vrede met de wereld en zichzelf na een heerlijk souper, en een glimlach, bijna grenzend aan medelijden, verzachtte een oogenblik de harde lijnen van des Franschmans gelaat en het sarkastisch knippen zijner oogen.

Chauvelin beschouwde hem, zooals hij daar lag, kalm, onbewust (pag. 77).Chauvelin beschouwde hem, zooals hij daar lag, kalm, onbewust (pag. 77).

Chauvelin beschouwde hem, zooals hij daar lag, kalm, onbewust (pag. 77).

Neen, die slaper, zoo diep verzonken in zijn droomlooze rust, had niets te maken met den strik, dien Chauvelin den boozen Rooden Pimpernel had gespannen. Andermaal wreef hij zich de handen, en het voorbeeld volgend van Sir PercyBlakeney, strekte hij eveneens zijn leden uit op een anderen canapé, sloot de oogen, opende zijn mond, bracht geluiden voort van rustige ademhaling, en... wachtte!


Back to IndexNext