DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.De valstrik.Het volgend kwartier ging zonder eenig voorval voorbij. In het benedenvertrek had Brogard zich een poos onledig gehouden met het opruimen van de tafel, om deze voor een anderen gast in gereedheid te brengen.In het gadeslaan van deze toebereidselen vond Marguerite, dat de tijd meer afwisselend voortkroop. Het was voor Percy, dat nu iets werd aangericht, wat naar een souper moest lijken. Klaarblijkelijk koesterde Brogard iets, wat naar ontzag geleek, voor den langen Engelschman, daar hij zich eenige moeite scheen te geven, om het krot wat ooglijker te maken dan hij te voren had gedaan.Zelfs haalde hij iets voor den dag, dat er als een tafellaken uitzag, en toen hij het uitspreidde en al de gaten zag, schudde hij een poos twijfelachtig het hoofd, wanthet kostte hem veel moeite met het laken zóódanig de tafel te dekken, dat men gaten noch vlekken kon onderscheiden.Daarop legde hij een servet neer, al even oud en versleten, veegde er zorgvuldig de glazen, lepels en borden mee af, die hij vervolgens op den disch plaatste.Marguerite kon niet nalaten te glimlachen, terwijl zij al deze toebereidselen gadesloeg.Toen de tafel aangericht was—zooals het naar omstandigheden ging—overzag Brogard zijn werk met blijkbare voldoening. Hij stofte vervolgens enkele stoelen af mèt een slip van zijn kiel, roerde even in den soepketel, wierp wat hout op den vuurhaard en slofte het vertrek uit.Marguerite was alleen overgelaten aan haar overpeinzingen, zij zat tamelijk wel op haar legerstede, want het stroo ervan was versch.Plotseling trof het geluid van verwijderde voetstappen, die al nader kwamen, haar fijn gehoor; haar hart sprong op van vreugde! Zou het dan Percy zijn? Neen, de stap was niet zoo lang, ook niet zoo veerkrachtig als de zijne; ook wilde het haar voorkomen, dat ze twee verschillende voetstappen hoorde. Twee mannen kwamen op de herberg af. Twee vreemdelingen misschien, om een dronk wijn, of..„Hei daar! Burger Brogard! Hola!”Marguerite kon de nieuwaangekomenen niet onderscheiden, maar door een gaatje van een der gordijnen was een gedeelte van het benedenvertrek voor haar zichtbaar.Zij vernam den schoorvoetenden gang van Brogard, die uit de binnenkamer te voorschijn kwam. De vreemdelingen gewaarwordend, bleef hij in het midden der gelagkamer staan, zoodat Marguerite hem goed in het oog kreeg, hij keek de bezoekers met nog verachtelijker blik aan dan waarmee hij zijn eerste gasten had aangezien, en mompelde „Sacrrée Soutane!vervl... priestertoog!”Het hartvanMarguerite scheen eensklaps stil te staan; haar groote wijdgespalkte oogen vestigden zich op een der nieuw aangekomenen, die met haastigen tred op Brogard afkwam. Hij was gekleed in de priesterlijke toga, met den breedgeranden hoed en gespschoenen, zooals demeeste katholieke geestelijken. Maar tegenover den herbergier staande, liet hij even onder zijn mantel de officieele driekleurige sjerp zien, op het gezicht waarvan de laatdunkende houding van Brogard plaats maakte voor nederige onderdanigheid.Het gezicht van dezen Franschencuré(pastoor) deed het bloed in Marguerite’s aderen stollen. Zijn gelaatstrekken kon zij weliswaar door het breedgerande hoofddeksel niet onderscheiden, maar zij herkende de dunne beenige vingers, de eenigszins gebogen houding, den gang van den man! Het was Chauvelin!Het schrikwekkende van den toestand was voor haar een onverhoedsche slag; de vrees voor hetgeen stond te gebeuren deed haar duizelen.„Een bord soep en een glas wijn!” beval Chauvelin op gebiedenden toon, „en scheer je weg—begrepen? Ik wensch hier alleen te zijn!”Zwijgend, en zonder eenig mopperen, gehoorzaamde Brogard ditmaal. Chauvelin zette zich aan de tafel, die voor den langen Engelschman was aangerecht, en de herbergier beijverde zich dienstvaardig met het opdisschen van de soep en uitschenken van den wijn. De man, die met Chauvelin was binnengekomen en dien Marguerite niet kon zien, stond bij de deur te wachten.Op een wenk van Chauvelin haastte Brogard zich naar zijn binnenkamer en de agent der Republiek gaf nu een teeken aan den man, die hem had vergezeld.In dit individu herkende Marguerite terstond Desgas, Chauvelin’s geheimschrijver, dien zij dikwerf in vervlogen dagen te Parijs ontmoet had. Hij liep het vertrek door en luisterde eenige oogenblikken aandachtig aan de deur van het binnenvertrek.„Geen luistervinken?” vroeg Chauvelin kortaf.„Neen burger.”Een oogenblik bekroop Marguerite de vrees, dat Chauvelin zijn handlanger zou bevelen de omgeving na te gaan; wat er gebeuren zou, indien men haar mocht ontdekken, durfde zij zich niet voor te stellen. Gelukkig, dat hij Desgas weer spoedig tot zich riep.„De Engelsche schoener?”„Men heeft hem bij zonsondergang uit het gezicht verloren, burger,” antwoordde Desgas, „maar hij zette toen koers naar het westen, naar Kaap Gris-Nez.”„Ha! goed zoo!” mompelde Chauvelin, „en nu, wat weet je van kapitein Jutley? Wat heeftdiegezegd?„Hij heeft me verzekerd, dat alle orders, die u hem de vorige week deedt toekomen, strikt zijn uitgevoerd. Alle wegen, die naar hier uitloopen, zijn bij nacht en dag door patrouilles verkend; het strand en de riffen worden streng bewaakt.”„Weet hij, waar de hut is van dien „Vader Blanchard”?”„Neen, burger, niemand schijnt die bij dezen naam te kennen. Er zijn een massa visscherswoningen langs de kust... maar...”„Genoeg. Maar wat betreft het zaakje van dezen nacht?” viel Chauvelin hem ongeduldig in de rede.„De wegen en het strand worden als naar gewoonte verkend, burger, en kapitein Jutley wacht verdere orders.”„Ga dan terstond naar hem toe. Zeg hem, dat hij de verschillende patrouilles moet aanvullen, en vooral die langs de kust, begrepen?”Chauvelin sprak kortaf en zakelijk, ieder woord, dat hij uitte, was als een dolksteek in Marguerite’s hart.„De manschappen,” ging hij voort, „moeten het scherpst mogelijk acht slaan op iederen vreemdeling, die te voet, te paard of per as opdaagt. Vooral dienen ze daarbij in het oog te houden een man van rijzige gestalte, dien ik niet verder behoef te signaleeren, want naar alle waarschijnlijkheid zal hij wel vermomd zijn; zijn lengte evenwel kan hij niet anders verbergen dan door gebogen te gaan. Heb je me begrepen?”„Volkomen, burger,” antwoordde Desgas.„Zoodra een der manschappen een vreemdeling bespeurt, moeten twee hunner hem in het oog houden. De man, die den rijzigen vreemdeling, nadat deze eenmaal is herkend, uit het oog verliest, zal zijn nalatigheid met zijn leven boeten. Eén man maar moet regelrecht naar hier rijden en mij rapport uitbrengen. Is dit duidelijk?”„Helder als glas, burger.”„Goed dan. Ga nu heen en zie, dat je Jutley terstond te spreken krijgt. Zorg ervoor, dat de versterkingen van de patrouilles onmiddellijk worden afgezonden, vraag dan den kapitein een half dozijn manschappen en breng die hier heen. Binnen tien minuten kan je terug zijn. Ga—”Desgas groette en ging naar de deur.Terwijl Marguerite, van schrik verstijfd, aandachtig luisterde naar Chauvelin’s instructies aan zijn ondergeschikte, stond het geheele plan voor de arrestatie van den Rooden Pimpernel haar zonneklaar in al zijn schrikwekkendheid voor den geest. Het lag in de bedoeling van Chauvelin, de vluchtelingen, die in hun verborgen schuilhoek de komst verbeiden van den Rooden Pimpernel, in den valschen waan te laten van een op handen zijnde bevrijding. Want de stoutmoedige samenzweerder moest omsingeld en op heeter daad worden betrapt in zijn hulp verleenen aan koningsgezinden, die verraders waren van de Republiek. Wanneer deze vangst ook al naar buiten ruchtbaar werd, zou de Britsche Regeering niet te zijnen gunste kunnen interveniëeren. Naardien hij met de vijanden der Fransche Republiek had geheuld, had Frankrijk het recht met zijn persoon naar goedvinden te handelen.Desgas stond op het punt te gaan, maar Chauvelin riep hem andermaal terug. Het schemerde Marguerite vaag voor den geest, welke verdere duivelsche plannen Chauvelin mocht koesteren, om slechts één enkel dapper man in de val te laten loopen en twintig anderen hun gang te laten gaan. Ze keek naar den agent op het oogenblik, dat hij zich omkeerde om Desgas te woord te staan, en ze kon zijn gezicht onder den breed-geranden pastoorssteek duidelijk onderscheiden. Er stond zulk een ontzettende haat te lezen op dat smal bleek gelaat, in die kleine vossenoogen, dat Marguerite’s laatste hoop verdween uit haar hart, want ze gevoelde, dat van dezen man geen genade te verwachten was.„Ik had vergeten,” zei Chauvelin, zich glimlachend de handen wrijvend, „dat de lange Engelschman zich te weer kan stellen. In dat geval geen schot, denk erom, alleenbij hooge noodzakelijkheid. Ik moet den man, zoo maar eenigszins mogelijk, levend in handen krijgen.”Hij ging voort met grijnslachen en zich te verkneukelen in het vooruitzicht zijner aanstaande zegepraal.Zijn plannen waren goed doordacht, en wel mocht hij er prat op gaan. Geen sluipgangetje was overgebleven, waardoor zijn vijand kon ontsnappen. Iedere weg werd bewaakt, iedere hoek had een schildwacht, en in een eenzame hut, ergens op de kust, wachtte een hoopje vluchtelingen op hun bevrijder, die zelf met hen den dood in de kaken liep!Boven alles was het hem er om te doen, den sluwen tegenstander machteloos aan zijn voeten te zien, hij wenschte te genieten van diens val. En zij, de vrouw, die hem liefhad, die de oorzaak was van alles, zij vermocht niets te zijner redding!Niets, alleen de hoop was haar gebleven aan zijn zijde te sterven, hem in dat kortstondig oogenblik te zeggen, dat zij hem altijd had liefgehad.Chauvelin zat dicht bij de tafel. Hij had den steek der geestelijken afgenomen, en Marguerite kon juist de lijnen nagaan van zijn mager profiel en spitse kin, toen hij zich heenboog over zijn schraal souper.Terwijl zij hem zoo gadesloeg, trof plotseling een geluid haar oor, dat haar het hart deed krimpen in den boezem, het vroolijk geluid eener heldere stem, die de Engelsche nationaalhymne zong uit volle borst: „God, save the King!”

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.De valstrik.Het volgend kwartier ging zonder eenig voorval voorbij. In het benedenvertrek had Brogard zich een poos onledig gehouden met het opruimen van de tafel, om deze voor een anderen gast in gereedheid te brengen.In het gadeslaan van deze toebereidselen vond Marguerite, dat de tijd meer afwisselend voortkroop. Het was voor Percy, dat nu iets werd aangericht, wat naar een souper moest lijken. Klaarblijkelijk koesterde Brogard iets, wat naar ontzag geleek, voor den langen Engelschman, daar hij zich eenige moeite scheen te geven, om het krot wat ooglijker te maken dan hij te voren had gedaan.Zelfs haalde hij iets voor den dag, dat er als een tafellaken uitzag, en toen hij het uitspreidde en al de gaten zag, schudde hij een poos twijfelachtig het hoofd, wanthet kostte hem veel moeite met het laken zóódanig de tafel te dekken, dat men gaten noch vlekken kon onderscheiden.Daarop legde hij een servet neer, al even oud en versleten, veegde er zorgvuldig de glazen, lepels en borden mee af, die hij vervolgens op den disch plaatste.Marguerite kon niet nalaten te glimlachen, terwijl zij al deze toebereidselen gadesloeg.Toen de tafel aangericht was—zooals het naar omstandigheden ging—overzag Brogard zijn werk met blijkbare voldoening. Hij stofte vervolgens enkele stoelen af mèt een slip van zijn kiel, roerde even in den soepketel, wierp wat hout op den vuurhaard en slofte het vertrek uit.Marguerite was alleen overgelaten aan haar overpeinzingen, zij zat tamelijk wel op haar legerstede, want het stroo ervan was versch.Plotseling trof het geluid van verwijderde voetstappen, die al nader kwamen, haar fijn gehoor; haar hart sprong op van vreugde! Zou het dan Percy zijn? Neen, de stap was niet zoo lang, ook niet zoo veerkrachtig als de zijne; ook wilde het haar voorkomen, dat ze twee verschillende voetstappen hoorde. Twee mannen kwamen op de herberg af. Twee vreemdelingen misschien, om een dronk wijn, of..„Hei daar! Burger Brogard! Hola!”Marguerite kon de nieuwaangekomenen niet onderscheiden, maar door een gaatje van een der gordijnen was een gedeelte van het benedenvertrek voor haar zichtbaar.Zij vernam den schoorvoetenden gang van Brogard, die uit de binnenkamer te voorschijn kwam. De vreemdelingen gewaarwordend, bleef hij in het midden der gelagkamer staan, zoodat Marguerite hem goed in het oog kreeg, hij keek de bezoekers met nog verachtelijker blik aan dan waarmee hij zijn eerste gasten had aangezien, en mompelde „Sacrrée Soutane!vervl... priestertoog!”Het hartvanMarguerite scheen eensklaps stil te staan; haar groote wijdgespalkte oogen vestigden zich op een der nieuw aangekomenen, die met haastigen tred op Brogard afkwam. Hij was gekleed in de priesterlijke toga, met den breedgeranden hoed en gespschoenen, zooals demeeste katholieke geestelijken. Maar tegenover den herbergier staande, liet hij even onder zijn mantel de officieele driekleurige sjerp zien, op het gezicht waarvan de laatdunkende houding van Brogard plaats maakte voor nederige onderdanigheid.Het gezicht van dezen Franschencuré(pastoor) deed het bloed in Marguerite’s aderen stollen. Zijn gelaatstrekken kon zij weliswaar door het breedgerande hoofddeksel niet onderscheiden, maar zij herkende de dunne beenige vingers, de eenigszins gebogen houding, den gang van den man! Het was Chauvelin!Het schrikwekkende van den toestand was voor haar een onverhoedsche slag; de vrees voor hetgeen stond te gebeuren deed haar duizelen.„Een bord soep en een glas wijn!” beval Chauvelin op gebiedenden toon, „en scheer je weg—begrepen? Ik wensch hier alleen te zijn!”Zwijgend, en zonder eenig mopperen, gehoorzaamde Brogard ditmaal. Chauvelin zette zich aan de tafel, die voor den langen Engelschman was aangerecht, en de herbergier beijverde zich dienstvaardig met het opdisschen van de soep en uitschenken van den wijn. De man, die met Chauvelin was binnengekomen en dien Marguerite niet kon zien, stond bij de deur te wachten.Op een wenk van Chauvelin haastte Brogard zich naar zijn binnenkamer en de agent der Republiek gaf nu een teeken aan den man, die hem had vergezeld.In dit individu herkende Marguerite terstond Desgas, Chauvelin’s geheimschrijver, dien zij dikwerf in vervlogen dagen te Parijs ontmoet had. Hij liep het vertrek door en luisterde eenige oogenblikken aandachtig aan de deur van het binnenvertrek.„Geen luistervinken?” vroeg Chauvelin kortaf.„Neen burger.”Een oogenblik bekroop Marguerite de vrees, dat Chauvelin zijn handlanger zou bevelen de omgeving na te gaan; wat er gebeuren zou, indien men haar mocht ontdekken, durfde zij zich niet voor te stellen. Gelukkig, dat hij Desgas weer spoedig tot zich riep.„De Engelsche schoener?”„Men heeft hem bij zonsondergang uit het gezicht verloren, burger,” antwoordde Desgas, „maar hij zette toen koers naar het westen, naar Kaap Gris-Nez.”„Ha! goed zoo!” mompelde Chauvelin, „en nu, wat weet je van kapitein Jutley? Wat heeftdiegezegd?„Hij heeft me verzekerd, dat alle orders, die u hem de vorige week deedt toekomen, strikt zijn uitgevoerd. Alle wegen, die naar hier uitloopen, zijn bij nacht en dag door patrouilles verkend; het strand en de riffen worden streng bewaakt.”„Weet hij, waar de hut is van dien „Vader Blanchard”?”„Neen, burger, niemand schijnt die bij dezen naam te kennen. Er zijn een massa visscherswoningen langs de kust... maar...”„Genoeg. Maar wat betreft het zaakje van dezen nacht?” viel Chauvelin hem ongeduldig in de rede.„De wegen en het strand worden als naar gewoonte verkend, burger, en kapitein Jutley wacht verdere orders.”„Ga dan terstond naar hem toe. Zeg hem, dat hij de verschillende patrouilles moet aanvullen, en vooral die langs de kust, begrepen?”Chauvelin sprak kortaf en zakelijk, ieder woord, dat hij uitte, was als een dolksteek in Marguerite’s hart.„De manschappen,” ging hij voort, „moeten het scherpst mogelijk acht slaan op iederen vreemdeling, die te voet, te paard of per as opdaagt. Vooral dienen ze daarbij in het oog te houden een man van rijzige gestalte, dien ik niet verder behoef te signaleeren, want naar alle waarschijnlijkheid zal hij wel vermomd zijn; zijn lengte evenwel kan hij niet anders verbergen dan door gebogen te gaan. Heb je me begrepen?”„Volkomen, burger,” antwoordde Desgas.„Zoodra een der manschappen een vreemdeling bespeurt, moeten twee hunner hem in het oog houden. De man, die den rijzigen vreemdeling, nadat deze eenmaal is herkend, uit het oog verliest, zal zijn nalatigheid met zijn leven boeten. Eén man maar moet regelrecht naar hier rijden en mij rapport uitbrengen. Is dit duidelijk?”„Helder als glas, burger.”„Goed dan. Ga nu heen en zie, dat je Jutley terstond te spreken krijgt. Zorg ervoor, dat de versterkingen van de patrouilles onmiddellijk worden afgezonden, vraag dan den kapitein een half dozijn manschappen en breng die hier heen. Binnen tien minuten kan je terug zijn. Ga—”Desgas groette en ging naar de deur.Terwijl Marguerite, van schrik verstijfd, aandachtig luisterde naar Chauvelin’s instructies aan zijn ondergeschikte, stond het geheele plan voor de arrestatie van den Rooden Pimpernel haar zonneklaar in al zijn schrikwekkendheid voor den geest. Het lag in de bedoeling van Chauvelin, de vluchtelingen, die in hun verborgen schuilhoek de komst verbeiden van den Rooden Pimpernel, in den valschen waan te laten van een op handen zijnde bevrijding. Want de stoutmoedige samenzweerder moest omsingeld en op heeter daad worden betrapt in zijn hulp verleenen aan koningsgezinden, die verraders waren van de Republiek. Wanneer deze vangst ook al naar buiten ruchtbaar werd, zou de Britsche Regeering niet te zijnen gunste kunnen interveniëeren. Naardien hij met de vijanden der Fransche Republiek had geheuld, had Frankrijk het recht met zijn persoon naar goedvinden te handelen.Desgas stond op het punt te gaan, maar Chauvelin riep hem andermaal terug. Het schemerde Marguerite vaag voor den geest, welke verdere duivelsche plannen Chauvelin mocht koesteren, om slechts één enkel dapper man in de val te laten loopen en twintig anderen hun gang te laten gaan. Ze keek naar den agent op het oogenblik, dat hij zich omkeerde om Desgas te woord te staan, en ze kon zijn gezicht onder den breed-geranden pastoorssteek duidelijk onderscheiden. Er stond zulk een ontzettende haat te lezen op dat smal bleek gelaat, in die kleine vossenoogen, dat Marguerite’s laatste hoop verdween uit haar hart, want ze gevoelde, dat van dezen man geen genade te verwachten was.„Ik had vergeten,” zei Chauvelin, zich glimlachend de handen wrijvend, „dat de lange Engelschman zich te weer kan stellen. In dat geval geen schot, denk erom, alleenbij hooge noodzakelijkheid. Ik moet den man, zoo maar eenigszins mogelijk, levend in handen krijgen.”Hij ging voort met grijnslachen en zich te verkneukelen in het vooruitzicht zijner aanstaande zegepraal.Zijn plannen waren goed doordacht, en wel mocht hij er prat op gaan. Geen sluipgangetje was overgebleven, waardoor zijn vijand kon ontsnappen. Iedere weg werd bewaakt, iedere hoek had een schildwacht, en in een eenzame hut, ergens op de kust, wachtte een hoopje vluchtelingen op hun bevrijder, die zelf met hen den dood in de kaken liep!Boven alles was het hem er om te doen, den sluwen tegenstander machteloos aan zijn voeten te zien, hij wenschte te genieten van diens val. En zij, de vrouw, die hem liefhad, die de oorzaak was van alles, zij vermocht niets te zijner redding!Niets, alleen de hoop was haar gebleven aan zijn zijde te sterven, hem in dat kortstondig oogenblik te zeggen, dat zij hem altijd had liefgehad.Chauvelin zat dicht bij de tafel. Hij had den steek der geestelijken afgenomen, en Marguerite kon juist de lijnen nagaan van zijn mager profiel en spitse kin, toen hij zich heenboog over zijn schraal souper.Terwijl zij hem zoo gadesloeg, trof plotseling een geluid haar oor, dat haar het hart deed krimpen in den boezem, het vroolijk geluid eener heldere stem, die de Engelsche nationaalhymne zong uit volle borst: „God, save the King!”

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.De valstrik.

Het volgend kwartier ging zonder eenig voorval voorbij. In het benedenvertrek had Brogard zich een poos onledig gehouden met het opruimen van de tafel, om deze voor een anderen gast in gereedheid te brengen.In het gadeslaan van deze toebereidselen vond Marguerite, dat de tijd meer afwisselend voortkroop. Het was voor Percy, dat nu iets werd aangericht, wat naar een souper moest lijken. Klaarblijkelijk koesterde Brogard iets, wat naar ontzag geleek, voor den langen Engelschman, daar hij zich eenige moeite scheen te geven, om het krot wat ooglijker te maken dan hij te voren had gedaan.Zelfs haalde hij iets voor den dag, dat er als een tafellaken uitzag, en toen hij het uitspreidde en al de gaten zag, schudde hij een poos twijfelachtig het hoofd, wanthet kostte hem veel moeite met het laken zóódanig de tafel te dekken, dat men gaten noch vlekken kon onderscheiden.Daarop legde hij een servet neer, al even oud en versleten, veegde er zorgvuldig de glazen, lepels en borden mee af, die hij vervolgens op den disch plaatste.Marguerite kon niet nalaten te glimlachen, terwijl zij al deze toebereidselen gadesloeg.Toen de tafel aangericht was—zooals het naar omstandigheden ging—overzag Brogard zijn werk met blijkbare voldoening. Hij stofte vervolgens enkele stoelen af mèt een slip van zijn kiel, roerde even in den soepketel, wierp wat hout op den vuurhaard en slofte het vertrek uit.Marguerite was alleen overgelaten aan haar overpeinzingen, zij zat tamelijk wel op haar legerstede, want het stroo ervan was versch.Plotseling trof het geluid van verwijderde voetstappen, die al nader kwamen, haar fijn gehoor; haar hart sprong op van vreugde! Zou het dan Percy zijn? Neen, de stap was niet zoo lang, ook niet zoo veerkrachtig als de zijne; ook wilde het haar voorkomen, dat ze twee verschillende voetstappen hoorde. Twee mannen kwamen op de herberg af. Twee vreemdelingen misschien, om een dronk wijn, of..„Hei daar! Burger Brogard! Hola!”Marguerite kon de nieuwaangekomenen niet onderscheiden, maar door een gaatje van een der gordijnen was een gedeelte van het benedenvertrek voor haar zichtbaar.Zij vernam den schoorvoetenden gang van Brogard, die uit de binnenkamer te voorschijn kwam. De vreemdelingen gewaarwordend, bleef hij in het midden der gelagkamer staan, zoodat Marguerite hem goed in het oog kreeg, hij keek de bezoekers met nog verachtelijker blik aan dan waarmee hij zijn eerste gasten had aangezien, en mompelde „Sacrrée Soutane!vervl... priestertoog!”Het hartvanMarguerite scheen eensklaps stil te staan; haar groote wijdgespalkte oogen vestigden zich op een der nieuw aangekomenen, die met haastigen tred op Brogard afkwam. Hij was gekleed in de priesterlijke toga, met den breedgeranden hoed en gespschoenen, zooals demeeste katholieke geestelijken. Maar tegenover den herbergier staande, liet hij even onder zijn mantel de officieele driekleurige sjerp zien, op het gezicht waarvan de laatdunkende houding van Brogard plaats maakte voor nederige onderdanigheid.Het gezicht van dezen Franschencuré(pastoor) deed het bloed in Marguerite’s aderen stollen. Zijn gelaatstrekken kon zij weliswaar door het breedgerande hoofddeksel niet onderscheiden, maar zij herkende de dunne beenige vingers, de eenigszins gebogen houding, den gang van den man! Het was Chauvelin!Het schrikwekkende van den toestand was voor haar een onverhoedsche slag; de vrees voor hetgeen stond te gebeuren deed haar duizelen.„Een bord soep en een glas wijn!” beval Chauvelin op gebiedenden toon, „en scheer je weg—begrepen? Ik wensch hier alleen te zijn!”Zwijgend, en zonder eenig mopperen, gehoorzaamde Brogard ditmaal. Chauvelin zette zich aan de tafel, die voor den langen Engelschman was aangerecht, en de herbergier beijverde zich dienstvaardig met het opdisschen van de soep en uitschenken van den wijn. De man, die met Chauvelin was binnengekomen en dien Marguerite niet kon zien, stond bij de deur te wachten.Op een wenk van Chauvelin haastte Brogard zich naar zijn binnenkamer en de agent der Republiek gaf nu een teeken aan den man, die hem had vergezeld.In dit individu herkende Marguerite terstond Desgas, Chauvelin’s geheimschrijver, dien zij dikwerf in vervlogen dagen te Parijs ontmoet had. Hij liep het vertrek door en luisterde eenige oogenblikken aandachtig aan de deur van het binnenvertrek.„Geen luistervinken?” vroeg Chauvelin kortaf.„Neen burger.”Een oogenblik bekroop Marguerite de vrees, dat Chauvelin zijn handlanger zou bevelen de omgeving na te gaan; wat er gebeuren zou, indien men haar mocht ontdekken, durfde zij zich niet voor te stellen. Gelukkig, dat hij Desgas weer spoedig tot zich riep.„De Engelsche schoener?”„Men heeft hem bij zonsondergang uit het gezicht verloren, burger,” antwoordde Desgas, „maar hij zette toen koers naar het westen, naar Kaap Gris-Nez.”„Ha! goed zoo!” mompelde Chauvelin, „en nu, wat weet je van kapitein Jutley? Wat heeftdiegezegd?„Hij heeft me verzekerd, dat alle orders, die u hem de vorige week deedt toekomen, strikt zijn uitgevoerd. Alle wegen, die naar hier uitloopen, zijn bij nacht en dag door patrouilles verkend; het strand en de riffen worden streng bewaakt.”„Weet hij, waar de hut is van dien „Vader Blanchard”?”„Neen, burger, niemand schijnt die bij dezen naam te kennen. Er zijn een massa visscherswoningen langs de kust... maar...”„Genoeg. Maar wat betreft het zaakje van dezen nacht?” viel Chauvelin hem ongeduldig in de rede.„De wegen en het strand worden als naar gewoonte verkend, burger, en kapitein Jutley wacht verdere orders.”„Ga dan terstond naar hem toe. Zeg hem, dat hij de verschillende patrouilles moet aanvullen, en vooral die langs de kust, begrepen?”Chauvelin sprak kortaf en zakelijk, ieder woord, dat hij uitte, was als een dolksteek in Marguerite’s hart.„De manschappen,” ging hij voort, „moeten het scherpst mogelijk acht slaan op iederen vreemdeling, die te voet, te paard of per as opdaagt. Vooral dienen ze daarbij in het oog te houden een man van rijzige gestalte, dien ik niet verder behoef te signaleeren, want naar alle waarschijnlijkheid zal hij wel vermomd zijn; zijn lengte evenwel kan hij niet anders verbergen dan door gebogen te gaan. Heb je me begrepen?”„Volkomen, burger,” antwoordde Desgas.„Zoodra een der manschappen een vreemdeling bespeurt, moeten twee hunner hem in het oog houden. De man, die den rijzigen vreemdeling, nadat deze eenmaal is herkend, uit het oog verliest, zal zijn nalatigheid met zijn leven boeten. Eén man maar moet regelrecht naar hier rijden en mij rapport uitbrengen. Is dit duidelijk?”„Helder als glas, burger.”„Goed dan. Ga nu heen en zie, dat je Jutley terstond te spreken krijgt. Zorg ervoor, dat de versterkingen van de patrouilles onmiddellijk worden afgezonden, vraag dan den kapitein een half dozijn manschappen en breng die hier heen. Binnen tien minuten kan je terug zijn. Ga—”Desgas groette en ging naar de deur.Terwijl Marguerite, van schrik verstijfd, aandachtig luisterde naar Chauvelin’s instructies aan zijn ondergeschikte, stond het geheele plan voor de arrestatie van den Rooden Pimpernel haar zonneklaar in al zijn schrikwekkendheid voor den geest. Het lag in de bedoeling van Chauvelin, de vluchtelingen, die in hun verborgen schuilhoek de komst verbeiden van den Rooden Pimpernel, in den valschen waan te laten van een op handen zijnde bevrijding. Want de stoutmoedige samenzweerder moest omsingeld en op heeter daad worden betrapt in zijn hulp verleenen aan koningsgezinden, die verraders waren van de Republiek. Wanneer deze vangst ook al naar buiten ruchtbaar werd, zou de Britsche Regeering niet te zijnen gunste kunnen interveniëeren. Naardien hij met de vijanden der Fransche Republiek had geheuld, had Frankrijk het recht met zijn persoon naar goedvinden te handelen.Desgas stond op het punt te gaan, maar Chauvelin riep hem andermaal terug. Het schemerde Marguerite vaag voor den geest, welke verdere duivelsche plannen Chauvelin mocht koesteren, om slechts één enkel dapper man in de val te laten loopen en twintig anderen hun gang te laten gaan. Ze keek naar den agent op het oogenblik, dat hij zich omkeerde om Desgas te woord te staan, en ze kon zijn gezicht onder den breed-geranden pastoorssteek duidelijk onderscheiden. Er stond zulk een ontzettende haat te lezen op dat smal bleek gelaat, in die kleine vossenoogen, dat Marguerite’s laatste hoop verdween uit haar hart, want ze gevoelde, dat van dezen man geen genade te verwachten was.„Ik had vergeten,” zei Chauvelin, zich glimlachend de handen wrijvend, „dat de lange Engelschman zich te weer kan stellen. In dat geval geen schot, denk erom, alleenbij hooge noodzakelijkheid. Ik moet den man, zoo maar eenigszins mogelijk, levend in handen krijgen.”Hij ging voort met grijnslachen en zich te verkneukelen in het vooruitzicht zijner aanstaande zegepraal.Zijn plannen waren goed doordacht, en wel mocht hij er prat op gaan. Geen sluipgangetje was overgebleven, waardoor zijn vijand kon ontsnappen. Iedere weg werd bewaakt, iedere hoek had een schildwacht, en in een eenzame hut, ergens op de kust, wachtte een hoopje vluchtelingen op hun bevrijder, die zelf met hen den dood in de kaken liep!Boven alles was het hem er om te doen, den sluwen tegenstander machteloos aan zijn voeten te zien, hij wenschte te genieten van diens val. En zij, de vrouw, die hem liefhad, die de oorzaak was van alles, zij vermocht niets te zijner redding!Niets, alleen de hoop was haar gebleven aan zijn zijde te sterven, hem in dat kortstondig oogenblik te zeggen, dat zij hem altijd had liefgehad.Chauvelin zat dicht bij de tafel. Hij had den steek der geestelijken afgenomen, en Marguerite kon juist de lijnen nagaan van zijn mager profiel en spitse kin, toen hij zich heenboog over zijn schraal souper.Terwijl zij hem zoo gadesloeg, trof plotseling een geluid haar oor, dat haar het hart deed krimpen in den boezem, het vroolijk geluid eener heldere stem, die de Engelsche nationaalhymne zong uit volle borst: „God, save the King!”

Het volgend kwartier ging zonder eenig voorval voorbij. In het benedenvertrek had Brogard zich een poos onledig gehouden met het opruimen van de tafel, om deze voor een anderen gast in gereedheid te brengen.

In het gadeslaan van deze toebereidselen vond Marguerite, dat de tijd meer afwisselend voortkroop. Het was voor Percy, dat nu iets werd aangericht, wat naar een souper moest lijken. Klaarblijkelijk koesterde Brogard iets, wat naar ontzag geleek, voor den langen Engelschman, daar hij zich eenige moeite scheen te geven, om het krot wat ooglijker te maken dan hij te voren had gedaan.

Zelfs haalde hij iets voor den dag, dat er als een tafellaken uitzag, en toen hij het uitspreidde en al de gaten zag, schudde hij een poos twijfelachtig het hoofd, wanthet kostte hem veel moeite met het laken zóódanig de tafel te dekken, dat men gaten noch vlekken kon onderscheiden.

Daarop legde hij een servet neer, al even oud en versleten, veegde er zorgvuldig de glazen, lepels en borden mee af, die hij vervolgens op den disch plaatste.

Marguerite kon niet nalaten te glimlachen, terwijl zij al deze toebereidselen gadesloeg.

Toen de tafel aangericht was—zooals het naar omstandigheden ging—overzag Brogard zijn werk met blijkbare voldoening. Hij stofte vervolgens enkele stoelen af mèt een slip van zijn kiel, roerde even in den soepketel, wierp wat hout op den vuurhaard en slofte het vertrek uit.

Marguerite was alleen overgelaten aan haar overpeinzingen, zij zat tamelijk wel op haar legerstede, want het stroo ervan was versch.

Plotseling trof het geluid van verwijderde voetstappen, die al nader kwamen, haar fijn gehoor; haar hart sprong op van vreugde! Zou het dan Percy zijn? Neen, de stap was niet zoo lang, ook niet zoo veerkrachtig als de zijne; ook wilde het haar voorkomen, dat ze twee verschillende voetstappen hoorde. Twee mannen kwamen op de herberg af. Twee vreemdelingen misschien, om een dronk wijn, of..

„Hei daar! Burger Brogard! Hola!”

Marguerite kon de nieuwaangekomenen niet onderscheiden, maar door een gaatje van een der gordijnen was een gedeelte van het benedenvertrek voor haar zichtbaar.

Zij vernam den schoorvoetenden gang van Brogard, die uit de binnenkamer te voorschijn kwam. De vreemdelingen gewaarwordend, bleef hij in het midden der gelagkamer staan, zoodat Marguerite hem goed in het oog kreeg, hij keek de bezoekers met nog verachtelijker blik aan dan waarmee hij zijn eerste gasten had aangezien, en mompelde „Sacrrée Soutane!vervl... priestertoog!”

Het hartvanMarguerite scheen eensklaps stil te staan; haar groote wijdgespalkte oogen vestigden zich op een der nieuw aangekomenen, die met haastigen tred op Brogard afkwam. Hij was gekleed in de priesterlijke toga, met den breedgeranden hoed en gespschoenen, zooals demeeste katholieke geestelijken. Maar tegenover den herbergier staande, liet hij even onder zijn mantel de officieele driekleurige sjerp zien, op het gezicht waarvan de laatdunkende houding van Brogard plaats maakte voor nederige onderdanigheid.

Het gezicht van dezen Franschencuré(pastoor) deed het bloed in Marguerite’s aderen stollen. Zijn gelaatstrekken kon zij weliswaar door het breedgerande hoofddeksel niet onderscheiden, maar zij herkende de dunne beenige vingers, de eenigszins gebogen houding, den gang van den man! Het was Chauvelin!

Het schrikwekkende van den toestand was voor haar een onverhoedsche slag; de vrees voor hetgeen stond te gebeuren deed haar duizelen.

„Een bord soep en een glas wijn!” beval Chauvelin op gebiedenden toon, „en scheer je weg—begrepen? Ik wensch hier alleen te zijn!”

Zwijgend, en zonder eenig mopperen, gehoorzaamde Brogard ditmaal. Chauvelin zette zich aan de tafel, die voor den langen Engelschman was aangerecht, en de herbergier beijverde zich dienstvaardig met het opdisschen van de soep en uitschenken van den wijn. De man, die met Chauvelin was binnengekomen en dien Marguerite niet kon zien, stond bij de deur te wachten.

Op een wenk van Chauvelin haastte Brogard zich naar zijn binnenkamer en de agent der Republiek gaf nu een teeken aan den man, die hem had vergezeld.

In dit individu herkende Marguerite terstond Desgas, Chauvelin’s geheimschrijver, dien zij dikwerf in vervlogen dagen te Parijs ontmoet had. Hij liep het vertrek door en luisterde eenige oogenblikken aandachtig aan de deur van het binnenvertrek.

„Geen luistervinken?” vroeg Chauvelin kortaf.

„Neen burger.”

Een oogenblik bekroop Marguerite de vrees, dat Chauvelin zijn handlanger zou bevelen de omgeving na te gaan; wat er gebeuren zou, indien men haar mocht ontdekken, durfde zij zich niet voor te stellen. Gelukkig, dat hij Desgas weer spoedig tot zich riep.

„De Engelsche schoener?”

„Men heeft hem bij zonsondergang uit het gezicht verloren, burger,” antwoordde Desgas, „maar hij zette toen koers naar het westen, naar Kaap Gris-Nez.”

„Ha! goed zoo!” mompelde Chauvelin, „en nu, wat weet je van kapitein Jutley? Wat heeftdiegezegd?

„Hij heeft me verzekerd, dat alle orders, die u hem de vorige week deedt toekomen, strikt zijn uitgevoerd. Alle wegen, die naar hier uitloopen, zijn bij nacht en dag door patrouilles verkend; het strand en de riffen worden streng bewaakt.”

„Weet hij, waar de hut is van dien „Vader Blanchard”?”

„Neen, burger, niemand schijnt die bij dezen naam te kennen. Er zijn een massa visscherswoningen langs de kust... maar...”

„Genoeg. Maar wat betreft het zaakje van dezen nacht?” viel Chauvelin hem ongeduldig in de rede.

„De wegen en het strand worden als naar gewoonte verkend, burger, en kapitein Jutley wacht verdere orders.”

„Ga dan terstond naar hem toe. Zeg hem, dat hij de verschillende patrouilles moet aanvullen, en vooral die langs de kust, begrepen?”

Chauvelin sprak kortaf en zakelijk, ieder woord, dat hij uitte, was als een dolksteek in Marguerite’s hart.

„De manschappen,” ging hij voort, „moeten het scherpst mogelijk acht slaan op iederen vreemdeling, die te voet, te paard of per as opdaagt. Vooral dienen ze daarbij in het oog te houden een man van rijzige gestalte, dien ik niet verder behoef te signaleeren, want naar alle waarschijnlijkheid zal hij wel vermomd zijn; zijn lengte evenwel kan hij niet anders verbergen dan door gebogen te gaan. Heb je me begrepen?”

„Volkomen, burger,” antwoordde Desgas.

„Zoodra een der manschappen een vreemdeling bespeurt, moeten twee hunner hem in het oog houden. De man, die den rijzigen vreemdeling, nadat deze eenmaal is herkend, uit het oog verliest, zal zijn nalatigheid met zijn leven boeten. Eén man maar moet regelrecht naar hier rijden en mij rapport uitbrengen. Is dit duidelijk?”

„Helder als glas, burger.”

„Goed dan. Ga nu heen en zie, dat je Jutley terstond te spreken krijgt. Zorg ervoor, dat de versterkingen van de patrouilles onmiddellijk worden afgezonden, vraag dan den kapitein een half dozijn manschappen en breng die hier heen. Binnen tien minuten kan je terug zijn. Ga—”

Desgas groette en ging naar de deur.

Terwijl Marguerite, van schrik verstijfd, aandachtig luisterde naar Chauvelin’s instructies aan zijn ondergeschikte, stond het geheele plan voor de arrestatie van den Rooden Pimpernel haar zonneklaar in al zijn schrikwekkendheid voor den geest. Het lag in de bedoeling van Chauvelin, de vluchtelingen, die in hun verborgen schuilhoek de komst verbeiden van den Rooden Pimpernel, in den valschen waan te laten van een op handen zijnde bevrijding. Want de stoutmoedige samenzweerder moest omsingeld en op heeter daad worden betrapt in zijn hulp verleenen aan koningsgezinden, die verraders waren van de Republiek. Wanneer deze vangst ook al naar buiten ruchtbaar werd, zou de Britsche Regeering niet te zijnen gunste kunnen interveniëeren. Naardien hij met de vijanden der Fransche Republiek had geheuld, had Frankrijk het recht met zijn persoon naar goedvinden te handelen.

Desgas stond op het punt te gaan, maar Chauvelin riep hem andermaal terug. Het schemerde Marguerite vaag voor den geest, welke verdere duivelsche plannen Chauvelin mocht koesteren, om slechts één enkel dapper man in de val te laten loopen en twintig anderen hun gang te laten gaan. Ze keek naar den agent op het oogenblik, dat hij zich omkeerde om Desgas te woord te staan, en ze kon zijn gezicht onder den breed-geranden pastoorssteek duidelijk onderscheiden. Er stond zulk een ontzettende haat te lezen op dat smal bleek gelaat, in die kleine vossenoogen, dat Marguerite’s laatste hoop verdween uit haar hart, want ze gevoelde, dat van dezen man geen genade te verwachten was.

„Ik had vergeten,” zei Chauvelin, zich glimlachend de handen wrijvend, „dat de lange Engelschman zich te weer kan stellen. In dat geval geen schot, denk erom, alleenbij hooge noodzakelijkheid. Ik moet den man, zoo maar eenigszins mogelijk, levend in handen krijgen.”

Hij ging voort met grijnslachen en zich te verkneukelen in het vooruitzicht zijner aanstaande zegepraal.

Zijn plannen waren goed doordacht, en wel mocht hij er prat op gaan. Geen sluipgangetje was overgebleven, waardoor zijn vijand kon ontsnappen. Iedere weg werd bewaakt, iedere hoek had een schildwacht, en in een eenzame hut, ergens op de kust, wachtte een hoopje vluchtelingen op hun bevrijder, die zelf met hen den dood in de kaken liep!

Boven alles was het hem er om te doen, den sluwen tegenstander machteloos aan zijn voeten te zien, hij wenschte te genieten van diens val. En zij, de vrouw, die hem liefhad, die de oorzaak was van alles, zij vermocht niets te zijner redding!

Niets, alleen de hoop was haar gebleven aan zijn zijde te sterven, hem in dat kortstondig oogenblik te zeggen, dat zij hem altijd had liefgehad.

Chauvelin zat dicht bij de tafel. Hij had den steek der geestelijken afgenomen, en Marguerite kon juist de lijnen nagaan van zijn mager profiel en spitse kin, toen hij zich heenboog over zijn schraal souper.

Terwijl zij hem zoo gadesloeg, trof plotseling een geluid haar oor, dat haar het hart deed krimpen in den boezem, het vroolijk geluid eener heldere stem, die de Engelsche nationaalhymne zong uit volle borst: „God, save the King!”


Back to IndexNext