VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.De leeuw en de vos.Marguerite’s adem stokte; het was, of haar bloed stil stond, toen ze luisterde naar die stem, naar dien zang.In den zanger had ze haar echtgenoot herkend. Ook Chauvelin had het volkslied gehoord, want hij wierp eensnellen blik naar de deur, en zette in aller ijl den breedgeranden steek weer op zijn hoofd.De stem kwam nader; in een ommezien voelde Marguerite het onstuimig verlangen in haar opwellen om de trap af te snellen, door de gelagkamer te vliegen, een einde te maken aan dien zang tot iederen prijs, den vroolijken zanger te smeeken de vlucht te nemen, zoo hij zijn leven liefhad, eer het te laat mocht zijn. Nog intijds vermocht ze dit opwellend gevoel te onderdrukken. Chauvelin toch zou haar den uitgang hebben versperd, en hij mocht eens soldaten in zijn nabijheid hebben! Haar handeling zou het onmiddellijk doodvonnis zijn geweest van den man, voor wiens redding zij haar eigen leven veil had.„Long to reign over us,God save the King!”ging de stem vroolijker voort dan in den beginne, kort daarop werd de deur geopend en heerschte er gedurende een paar seconden een doodelijke stilte in het vertrek.Marguerite kon de deur nu niet zien; ze hield haren adem in, zij trachtte zich voor te stellen, wat er zou gebeuren.Bij zijn binnenkomen had Percy Blakeney den gewaanden pastoor terstond in het oog gekregen. Hij was even stil blijven staan, doch zijn aarzelen duurde geen drie seconden, terstond daarop zag Marguerite zijn rijzige figuur door het vertrek schrijden, terwijl hij luidkeels en met vroolijke stem riep:—„Hei daar! Is er niemand bij de hand? Waar zit die malle Brogard?”Hij droeg de prachtige jas en het rijkostuum, dat Marguerite, zooveel uren geleden, hem te Richmond had zien aanhebben. Wezenlijk, op dit uur had Baronet Sir Percy Blakeney even goed op weg kunnen zijn naar een tuinfeest van den Prins van Wales, in plaats van voorbedachtelijk in een valstrik te loopen, dien zijn doodsvijand hem had gespannen.Hij bleef nog een oogenblik staan in het midden vande gelagkamer, terwijl Marguerite, door schrik verlamd, nauwelijks vermocht adem te halen.Ieder oogenblik verwachtte ze, dat Chauvelin een sein zou geven, het vertrek met soldaten te zien gevuld, en zij naar beneden moest snellen om Percy bij te staan, hem aanzetten zijn leven zoo duur mogelijk te verkoopen.Maar Blakeney trad kalm op de tafel toe en dencuréop den schouder kloppend:—„Kijk... kijk... hm... Meneer Chauvelin... ik had wezenlijk nooit kunnen denken u hier te ontmoeten.”„Ik had wezenlijk nooit kunnen denken u hier te ontmoeten” (pag. 137).„Ik had wezenlijk nooit kunnen denken u hier te ontmoeten” (pag. 137).Chauvelin, die een lepel soep had geslikt, dacht te stikken. Zijn schraal gezicht werd purperrood, een hevige hoestbui kwam hembijzonderte stade, ze redde hem uit de netelige positie om de grootste verbazing te moeten doen blijken, die hij ooit had ondervonden. Geen twijfel of deze ontmaskering door Blakeney was hem als een koudwaterstraal op het lijf gevallen en had hem voor het oogenblik geheel van zijn stuk gebracht.Klaarblijkelijk was het een fout zijnerzijds, dat hij de herberg niet met een kordon soldaten had afgezet. Blakeney had deze strategische fout doorzien en voorzeker rijpte in diens brein reeds een plan om van deze onverwachte ontmoeting partij te trekken.Marguerite had in haar zolderkamertje geen vin verroerd. Zij had Sir Andrew plechtig beloofd, haar echtgenoot in tegenwoordigheid van vreemden niet aan te spreken. Daar stil te moeten zitten en deze twee mannen gade te slaan, was een vreeselijke toestand. Zij had Chauvelin orders hooren uitdeelen, alle wegen en toegangen door patrouilles te verkennen. Ze wist, dat, zoo Percy nu de „Chat Gris” mocht verlaten—welke richting hij ook mocht nemen—hij geen stap zou kunnen doen, zonder door een der soldaten van Kapitein Jutley te worden opgemerkt. Van den anderen kant, zoo hij bleef, zou Desgas tijd hebben, terug te komen met het half dozijn manschappen, door Chauvelin speciaal gecommandeerd om ter plaatse te verschijnen.De val was goed gezet. Aan Marguerite schoot niets anders over dan toekijken en in angstige gissingen zichte verdiepen. De twee mannen vormden onderling zulk een vreemd contrast, van hen beiden was het Chauvelin, die een zweem van vrees aan den dag legde. Hij was niet zoo zeer beducht voor zijn eigen persoon, hoewel alleen in een afgelegen herberg met een krachtig gebouwd man, maar hij vreesde, dat deze onbeschaamde, alles trotseerende Engelschman, zoo hij hem, Chauvelin, neervelde, zijn kansen van ontsnappen zou verdubbelen. Zijn, Chauvelins ondergeschikten, mochten er eens niet zoo goed in slagen zich meester te maken van den Rooden Pimpernel, zoo ze niet door zijn hand—zijn hoofd vooral—werden geleid. Maar Blakeney klopte hem, zoo idiotig mogelijk lachend, als een echte Joris Goedbloed, op den schouder: —„Het spijt me geweldig...” zei hij goedlachs, „innig leed... doet het me... u zoo... hm... van de wijs te brengen... nog wel bij het eten... vervl... kost, soep... een vriend van me is er aan gestorven... èè... stikte... net als u... van een lepel soep.”En jolig lachend, zag hij Chauvelin vlak in het gezicht.„Een beestachtig hol dit... vindt u niet?” ging hij voort. „Komaan, u zult er niets tegen hebben?” voegde hij er bij wijze van excuus aan toe, een stoel opnemend en zich aan tafel zettend, terwijl hij de soepterrine naar zich toe haalde. „Die sloomert van Brogard schijnt een uiltje te knappen.”Er stond een tweede bord op tafel, hij bediende zich kalm van de soep, en schonk zich een glas wijn in.Chauvelin stak hem de hand toe en zei vergenoegd:„Het doet me wezenlijk genoegen u te zien, Sir Percy. U moet me excuseeren... hm... ik dacht u goed en wel aan den overkant van het Kanaal. Zoo’n plotselinge verrassing deed me schrikken.”„Jawel!” zei Percy glimlachend op zijn manier, „daarvan kwam ’t, eh... mijn... heer Chaubertin, niet waar?”„Chauvelin—met uw verlof.”„Duizendmaal verschooning. Jawel—Chauvelin natuurlijk... Eh... ik sta met vreemde namen altijd op gespannen voet...”Hij nuttigde bedaard zijn soep, terwijl hij doorgingzich te verkneukelen, alsof hij de heele reisroute van Calais had gemaakt met de eenige bedoeling om in deze vieze herberg zijn souper te gebruiken, in het gezelschap van zijn doodsvijand.Marguerite verwonderde zich, waarom Percy den kleinen Franschman niet van de been sloeg—er moest toch wel zoo iets, nu en dan, hem door het hoofd hebben gespeeld, te oordeelen naar de dreigende flikkering van zijn oogen, als deze een oogenblik zich vestigden op de schrale figuur van Chauvelin.Maar het scherp vernuft, dat zoovele stoute stukjes had beraamd en uitgehaald, doorzag maar al te zeer, dat men niet onnoodig gevaarlijke kansen moet wagen. Deze plaats kon met spionnen bezet zijn; de herbergier was wellicht een handlanger van Chauvelin. Eén teeken van den agent der Republiek kon twintig man voor hem doen opdagen, hij zou gevangen worden genomen, voor hij de vluchtelingen kon helpen of waarschuwen, zoo noodig. Dit wilde hij niet in de waagschaal leggen; zijn doel was anderen bij te staan,henin veiligheid te brengen; hij had hun zijn woord verpand, dat woordwildehij gestand doen, en al etend en pratend, dacht hij na en beraamde zijn plan.„Het was me onbekend,” zei Blakeney joviaal, „dat u... eh... de priesterwijding hadt ontvangen.”„Ik... hé... hm!” stamelde Chauvelin. De kalme onbeschaamdheid van zijn tegenstander had hem geheel de kluts doen kwijt raken.„Och, maar! Ik zou u altijd en overal herkend hebben,” ging Percy kalm voort, zich nog eens inschenkend, „hoewel die pruik en steek u iets veranderd hebben.”„Meent u?”„La, la! die veranderen iemand danig... maar... ik wil hopen, dat u mijn opmerking ten goede zult houden?... opmerkingen maken getuigt van slechte manieren... u neemt het me niet kwalijk, hoop ik?”„Neen, neen, volstrekt niet—hm! Lady Blakeney wèl?” vroeg Chauvelin zich haastend aan het gesprek een andere wending te geven.Percy at zijn bord soep leeg, dronk zijn glas wijn uit, en antwoordde eindelijk droogjes: „Heel wèl, dank u.” Er ontstond een pauze, gedurende welke Marguerite de twee tegenstanders kon gadeslaan, die zich met elkander schenen te meten. Zij kon Percy bijna geheel in het gezicht zien, daar hij geen tien meter van de plek, waar zij gehurkt toekeek, aan tafel zat. Ze was verlegen met zichzelf, daar ze niet wist, wat ze moest denken of doen. Ze had de aandrift, die ze in den beginne gevoelde, om naar beneden te snellen en zich aan haar echtgenoot te vertoonen, bedwongen.Chauvelin, die zijn ongeduld trachtte te verbergen, raadpleegde zijn horloge. Desgas kon niet lang meer uitblijven; nog een paar minuten, en deze onbeschaamde Engelschman zou door een twaalftal van kapitein Jutley’s meest vertrouwde manschappen in verzekerde bewaring worden genomen.„U zijt op weg naar Parijs, Sir Percy?” vroeg Chauvelin onverschillig.„Neen, neen,” antwoordde Blakeney glimlachend. „Ik ga niet verder dan Lille—van Parijs moet ik niets hebben... ellendige, ongezellige stad... Parijs, op het oogenblik... hè, Monsieur Chambertin... pardon ... Chauvelin!”„Niet voor een Engelschman van uw slag, Sir Percy,” zei Chauvelin met een sarkastischen grijnslach, „die zich niet bemoeit met den strijd, die daar momenteel woedt.”„Ah! U begrijpt, dat het mij niet aangaat, wat ze daar uitvoeren, en onze Regeering schijnt het geheel met uw zaken eens. U schijnt haast te hebben, meneer,” ging Percy voort, toen Chauvelin andermaal op zijn horloge keek; „een afspraak misschien... Wat ik u verzoeken mag, stoor u niet aan mij... Ik heb allen tijd...”Hij stond van tafel op en schoof een stoel bij den haard. Marguerite voelde een vreeselijken drang tot hem te gaan, want de tijd verliep; Desgas kon ieder oogenblik met zijn manschappen komen. Percy wist niets daarvan en... o, God! hoe vreeselijk was dat niet—hoe gevoelde zij zich machteloos tegenover dezen toestand!„Ik ben volstrekt niet gepresseerd,” hernam Percy luchthartig, „maar toch ligt het niet op mijn weg, meer tijd dan hoog noodig is in dit hol te verspillen!”„Maar, meneer,” vervolgde hij, ziende, dat Chauvelin ten derden male zijn horloge raadpleegde, „uw uurwerk zal er toch niet sneller om gaan met al dat gekijk. U is bepaald iemand wachtend.”„Ja... een vriend!”Met den hak zijner laars schopte Blakeney het houtvuur wat aan, zoodat de vlammen opflikkerden in den ouden haard. Hij scheen geen haast te hebben om op te stappen en blijkbaar geheel onbewust van het gevaar, dat hem boven het hoofd hing. Hij trok nog een stoel bij het vuur, en Chauvelin zette er zich op neer met het gezicht naar de deur. Desgas was nu ruim een kwartier weg. Marguerite begreep duidelijk dat, zoodra deze kwam opdagen, Chauvelin al zijn andere plannen omtrent de vluchtelingen zou laten varen, ten einde den onbeschaamden Rooden Pimpernel in boeien te laten slaan.„Hè, meneer Chauvelin,” zei Percy opeens zeer luchtig, „vertel me eens, is uw vriendin een mooi meisje? Heel aardig kunnen de kleine Fransche vrouwtjes er soms uitzien—het mijne—”Maar Chauvelin luisterde niet meer. Zijn aandacht was nu geheel geconcentreerd op de deur, waardoor straks Desgas moest binnenkomen. Ook Marguerite’s gedachten waren erop gevestigd, want in de stilte van den nacht drong eensklaps het geluid van vele afgemeten voetstappen op een afstand tot haar door.Het was Desgas met zijn soldaten. Nog enkele minuten, twee of drie, en ze zouden binnenkomen! Nog een drie minuten en het vreeselijkste zou een voldongen feit zijn! Zij voelde den drang weer opkomen naar Percy te snellen, of althans met een schreeuw hem te waarschuwen, zij verloor hem geen seconde uit het oog. Hij stond bij de tafel, waarop de overblijfselen zich bevonden van het souper, borden, glazen, zout, peper enz. in schromelijke wanorde dooreen. Hij had Chauvelin den rug toegekeerd en pruttelde op zijn gewone, gemaakte, idiotige manierallen mogelijken onzin binnensmonds. Maar uit zijn zak haalde hij zijn snuifdoos te voorschijn, en in een omzien had hij deze met den aanwezigen voorraad peper gevuld.Daarop keerde hij zich weer om, en met een onzinnigen lach tot Chauvelin:„Hè... zei u wat, meneer?”Chauvelin had met zoo’n gespannen aandacht het oor geleend aan de naderende voetstappen, dat hij geen nota had kunnen nemen, van hetgeen zijn tegenstander had uitgevoerd.„Neen,” antwoordde hij, „wat zei u ook weer, Sir Percy?”„Ik zei,” gaf Blakeney kwansuis te kennen, „dat de Jood in Piccadilly me ditmaal betere snuif heeft verkocht dan ik ooit van hem heb gehad. Wil u mij de eer aandoen, Monsieur l’Abbé?”Hij stond dicht bij Chauvelin, in zijn gewone achtelooze houding, en hield zijn aartsvijand de snuifdoos voor.Chauvelin, die zooals hij Marguerite eens had gezegd, nogal streken in zijn leven had uitgehaald, was op deze list nooit bedacht geweest. Het eene oor gespitst op de naderende voetstappen, één oog op de deur, waardoor Desgas en zijn manschappen zoo aanstonds moesten binnenkomen, kon hij geen vermoeden hebben van de poets, die hem nu werd gebakken.Hij nam een snuifje.Slechts hij alleen, die ooit bij ongeluk een dosis peper heeft opgesnoven, kan zich eenig begrip vormen van den hopeloozen toestand, waarin een dergelijk snuifje iemand brengen kan. Chauvelin kreeg een gevoel, alsof zijn hoofd zou barsten—niesbui op niesbui scheen hem te doen stikken; een oogenblik was hij blind, doof en stom, en dat oogenblik nam Blakeney waar, om kalmpjes, zonder de minste haast, zijn hoed te nemen, uit zijn zak eenig geld te halen en op de tafel neer te leggen, waarop hij even bedaard, zonder Chauvelin met een blik te verwaardigen, de gelagkamer verliet.
VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.De leeuw en de vos.Marguerite’s adem stokte; het was, of haar bloed stil stond, toen ze luisterde naar die stem, naar dien zang.In den zanger had ze haar echtgenoot herkend. Ook Chauvelin had het volkslied gehoord, want hij wierp eensnellen blik naar de deur, en zette in aller ijl den breedgeranden steek weer op zijn hoofd.De stem kwam nader; in een ommezien voelde Marguerite het onstuimig verlangen in haar opwellen om de trap af te snellen, door de gelagkamer te vliegen, een einde te maken aan dien zang tot iederen prijs, den vroolijken zanger te smeeken de vlucht te nemen, zoo hij zijn leven liefhad, eer het te laat mocht zijn. Nog intijds vermocht ze dit opwellend gevoel te onderdrukken. Chauvelin toch zou haar den uitgang hebben versperd, en hij mocht eens soldaten in zijn nabijheid hebben! Haar handeling zou het onmiddellijk doodvonnis zijn geweest van den man, voor wiens redding zij haar eigen leven veil had.„Long to reign over us,God save the King!”ging de stem vroolijker voort dan in den beginne, kort daarop werd de deur geopend en heerschte er gedurende een paar seconden een doodelijke stilte in het vertrek.Marguerite kon de deur nu niet zien; ze hield haren adem in, zij trachtte zich voor te stellen, wat er zou gebeuren.Bij zijn binnenkomen had Percy Blakeney den gewaanden pastoor terstond in het oog gekregen. Hij was even stil blijven staan, doch zijn aarzelen duurde geen drie seconden, terstond daarop zag Marguerite zijn rijzige figuur door het vertrek schrijden, terwijl hij luidkeels en met vroolijke stem riep:—„Hei daar! Is er niemand bij de hand? Waar zit die malle Brogard?”Hij droeg de prachtige jas en het rijkostuum, dat Marguerite, zooveel uren geleden, hem te Richmond had zien aanhebben. Wezenlijk, op dit uur had Baronet Sir Percy Blakeney even goed op weg kunnen zijn naar een tuinfeest van den Prins van Wales, in plaats van voorbedachtelijk in een valstrik te loopen, dien zijn doodsvijand hem had gespannen.Hij bleef nog een oogenblik staan in het midden vande gelagkamer, terwijl Marguerite, door schrik verlamd, nauwelijks vermocht adem te halen.Ieder oogenblik verwachtte ze, dat Chauvelin een sein zou geven, het vertrek met soldaten te zien gevuld, en zij naar beneden moest snellen om Percy bij te staan, hem aanzetten zijn leven zoo duur mogelijk te verkoopen.Maar Blakeney trad kalm op de tafel toe en dencuréop den schouder kloppend:—„Kijk... kijk... hm... Meneer Chauvelin... ik had wezenlijk nooit kunnen denken u hier te ontmoeten.”„Ik had wezenlijk nooit kunnen denken u hier te ontmoeten” (pag. 137).„Ik had wezenlijk nooit kunnen denken u hier te ontmoeten” (pag. 137).Chauvelin, die een lepel soep had geslikt, dacht te stikken. Zijn schraal gezicht werd purperrood, een hevige hoestbui kwam hembijzonderte stade, ze redde hem uit de netelige positie om de grootste verbazing te moeten doen blijken, die hij ooit had ondervonden. Geen twijfel of deze ontmaskering door Blakeney was hem als een koudwaterstraal op het lijf gevallen en had hem voor het oogenblik geheel van zijn stuk gebracht.Klaarblijkelijk was het een fout zijnerzijds, dat hij de herberg niet met een kordon soldaten had afgezet. Blakeney had deze strategische fout doorzien en voorzeker rijpte in diens brein reeds een plan om van deze onverwachte ontmoeting partij te trekken.Marguerite had in haar zolderkamertje geen vin verroerd. Zij had Sir Andrew plechtig beloofd, haar echtgenoot in tegenwoordigheid van vreemden niet aan te spreken. Daar stil te moeten zitten en deze twee mannen gade te slaan, was een vreeselijke toestand. Zij had Chauvelin orders hooren uitdeelen, alle wegen en toegangen door patrouilles te verkennen. Ze wist, dat, zoo Percy nu de „Chat Gris” mocht verlaten—welke richting hij ook mocht nemen—hij geen stap zou kunnen doen, zonder door een der soldaten van Kapitein Jutley te worden opgemerkt. Van den anderen kant, zoo hij bleef, zou Desgas tijd hebben, terug te komen met het half dozijn manschappen, door Chauvelin speciaal gecommandeerd om ter plaatse te verschijnen.De val was goed gezet. Aan Marguerite schoot niets anders over dan toekijken en in angstige gissingen zichte verdiepen. De twee mannen vormden onderling zulk een vreemd contrast, van hen beiden was het Chauvelin, die een zweem van vrees aan den dag legde. Hij was niet zoo zeer beducht voor zijn eigen persoon, hoewel alleen in een afgelegen herberg met een krachtig gebouwd man, maar hij vreesde, dat deze onbeschaamde, alles trotseerende Engelschman, zoo hij hem, Chauvelin, neervelde, zijn kansen van ontsnappen zou verdubbelen. Zijn, Chauvelins ondergeschikten, mochten er eens niet zoo goed in slagen zich meester te maken van den Rooden Pimpernel, zoo ze niet door zijn hand—zijn hoofd vooral—werden geleid. Maar Blakeney klopte hem, zoo idiotig mogelijk lachend, als een echte Joris Goedbloed, op den schouder: —„Het spijt me geweldig...” zei hij goedlachs, „innig leed... doet het me... u zoo... hm... van de wijs te brengen... nog wel bij het eten... vervl... kost, soep... een vriend van me is er aan gestorven... èè... stikte... net als u... van een lepel soep.”En jolig lachend, zag hij Chauvelin vlak in het gezicht.„Een beestachtig hol dit... vindt u niet?” ging hij voort. „Komaan, u zult er niets tegen hebben?” voegde hij er bij wijze van excuus aan toe, een stoel opnemend en zich aan tafel zettend, terwijl hij de soepterrine naar zich toe haalde. „Die sloomert van Brogard schijnt een uiltje te knappen.”Er stond een tweede bord op tafel, hij bediende zich kalm van de soep, en schonk zich een glas wijn in.Chauvelin stak hem de hand toe en zei vergenoegd:„Het doet me wezenlijk genoegen u te zien, Sir Percy. U moet me excuseeren... hm... ik dacht u goed en wel aan den overkant van het Kanaal. Zoo’n plotselinge verrassing deed me schrikken.”„Jawel!” zei Percy glimlachend op zijn manier, „daarvan kwam ’t, eh... mijn... heer Chaubertin, niet waar?”„Chauvelin—met uw verlof.”„Duizendmaal verschooning. Jawel—Chauvelin natuurlijk... Eh... ik sta met vreemde namen altijd op gespannen voet...”Hij nuttigde bedaard zijn soep, terwijl hij doorgingzich te verkneukelen, alsof hij de heele reisroute van Calais had gemaakt met de eenige bedoeling om in deze vieze herberg zijn souper te gebruiken, in het gezelschap van zijn doodsvijand.Marguerite verwonderde zich, waarom Percy den kleinen Franschman niet van de been sloeg—er moest toch wel zoo iets, nu en dan, hem door het hoofd hebben gespeeld, te oordeelen naar de dreigende flikkering van zijn oogen, als deze een oogenblik zich vestigden op de schrale figuur van Chauvelin.Maar het scherp vernuft, dat zoovele stoute stukjes had beraamd en uitgehaald, doorzag maar al te zeer, dat men niet onnoodig gevaarlijke kansen moet wagen. Deze plaats kon met spionnen bezet zijn; de herbergier was wellicht een handlanger van Chauvelin. Eén teeken van den agent der Republiek kon twintig man voor hem doen opdagen, hij zou gevangen worden genomen, voor hij de vluchtelingen kon helpen of waarschuwen, zoo noodig. Dit wilde hij niet in de waagschaal leggen; zijn doel was anderen bij te staan,henin veiligheid te brengen; hij had hun zijn woord verpand, dat woordwildehij gestand doen, en al etend en pratend, dacht hij na en beraamde zijn plan.„Het was me onbekend,” zei Blakeney joviaal, „dat u... eh... de priesterwijding hadt ontvangen.”„Ik... hé... hm!” stamelde Chauvelin. De kalme onbeschaamdheid van zijn tegenstander had hem geheel de kluts doen kwijt raken.„Och, maar! Ik zou u altijd en overal herkend hebben,” ging Percy kalm voort, zich nog eens inschenkend, „hoewel die pruik en steek u iets veranderd hebben.”„Meent u?”„La, la! die veranderen iemand danig... maar... ik wil hopen, dat u mijn opmerking ten goede zult houden?... opmerkingen maken getuigt van slechte manieren... u neemt het me niet kwalijk, hoop ik?”„Neen, neen, volstrekt niet—hm! Lady Blakeney wèl?” vroeg Chauvelin zich haastend aan het gesprek een andere wending te geven.Percy at zijn bord soep leeg, dronk zijn glas wijn uit, en antwoordde eindelijk droogjes: „Heel wèl, dank u.” Er ontstond een pauze, gedurende welke Marguerite de twee tegenstanders kon gadeslaan, die zich met elkander schenen te meten. Zij kon Percy bijna geheel in het gezicht zien, daar hij geen tien meter van de plek, waar zij gehurkt toekeek, aan tafel zat. Ze was verlegen met zichzelf, daar ze niet wist, wat ze moest denken of doen. Ze had de aandrift, die ze in den beginne gevoelde, om naar beneden te snellen en zich aan haar echtgenoot te vertoonen, bedwongen.Chauvelin, die zijn ongeduld trachtte te verbergen, raadpleegde zijn horloge. Desgas kon niet lang meer uitblijven; nog een paar minuten, en deze onbeschaamde Engelschman zou door een twaalftal van kapitein Jutley’s meest vertrouwde manschappen in verzekerde bewaring worden genomen.„U zijt op weg naar Parijs, Sir Percy?” vroeg Chauvelin onverschillig.„Neen, neen,” antwoordde Blakeney glimlachend. „Ik ga niet verder dan Lille—van Parijs moet ik niets hebben... ellendige, ongezellige stad... Parijs, op het oogenblik... hè, Monsieur Chambertin... pardon ... Chauvelin!”„Niet voor een Engelschman van uw slag, Sir Percy,” zei Chauvelin met een sarkastischen grijnslach, „die zich niet bemoeit met den strijd, die daar momenteel woedt.”„Ah! U begrijpt, dat het mij niet aangaat, wat ze daar uitvoeren, en onze Regeering schijnt het geheel met uw zaken eens. U schijnt haast te hebben, meneer,” ging Percy voort, toen Chauvelin andermaal op zijn horloge keek; „een afspraak misschien... Wat ik u verzoeken mag, stoor u niet aan mij... Ik heb allen tijd...”Hij stond van tafel op en schoof een stoel bij den haard. Marguerite voelde een vreeselijken drang tot hem te gaan, want de tijd verliep; Desgas kon ieder oogenblik met zijn manschappen komen. Percy wist niets daarvan en... o, God! hoe vreeselijk was dat niet—hoe gevoelde zij zich machteloos tegenover dezen toestand!„Ik ben volstrekt niet gepresseerd,” hernam Percy luchthartig, „maar toch ligt het niet op mijn weg, meer tijd dan hoog noodig is in dit hol te verspillen!”„Maar, meneer,” vervolgde hij, ziende, dat Chauvelin ten derden male zijn horloge raadpleegde, „uw uurwerk zal er toch niet sneller om gaan met al dat gekijk. U is bepaald iemand wachtend.”„Ja... een vriend!”Met den hak zijner laars schopte Blakeney het houtvuur wat aan, zoodat de vlammen opflikkerden in den ouden haard. Hij scheen geen haast te hebben om op te stappen en blijkbaar geheel onbewust van het gevaar, dat hem boven het hoofd hing. Hij trok nog een stoel bij het vuur, en Chauvelin zette er zich op neer met het gezicht naar de deur. Desgas was nu ruim een kwartier weg. Marguerite begreep duidelijk dat, zoodra deze kwam opdagen, Chauvelin al zijn andere plannen omtrent de vluchtelingen zou laten varen, ten einde den onbeschaamden Rooden Pimpernel in boeien te laten slaan.„Hè, meneer Chauvelin,” zei Percy opeens zeer luchtig, „vertel me eens, is uw vriendin een mooi meisje? Heel aardig kunnen de kleine Fransche vrouwtjes er soms uitzien—het mijne—”Maar Chauvelin luisterde niet meer. Zijn aandacht was nu geheel geconcentreerd op de deur, waardoor straks Desgas moest binnenkomen. Ook Marguerite’s gedachten waren erop gevestigd, want in de stilte van den nacht drong eensklaps het geluid van vele afgemeten voetstappen op een afstand tot haar door.Het was Desgas met zijn soldaten. Nog enkele minuten, twee of drie, en ze zouden binnenkomen! Nog een drie minuten en het vreeselijkste zou een voldongen feit zijn! Zij voelde den drang weer opkomen naar Percy te snellen, of althans met een schreeuw hem te waarschuwen, zij verloor hem geen seconde uit het oog. Hij stond bij de tafel, waarop de overblijfselen zich bevonden van het souper, borden, glazen, zout, peper enz. in schromelijke wanorde dooreen. Hij had Chauvelin den rug toegekeerd en pruttelde op zijn gewone, gemaakte, idiotige manierallen mogelijken onzin binnensmonds. Maar uit zijn zak haalde hij zijn snuifdoos te voorschijn, en in een omzien had hij deze met den aanwezigen voorraad peper gevuld.Daarop keerde hij zich weer om, en met een onzinnigen lach tot Chauvelin:„Hè... zei u wat, meneer?”Chauvelin had met zoo’n gespannen aandacht het oor geleend aan de naderende voetstappen, dat hij geen nota had kunnen nemen, van hetgeen zijn tegenstander had uitgevoerd.„Neen,” antwoordde hij, „wat zei u ook weer, Sir Percy?”„Ik zei,” gaf Blakeney kwansuis te kennen, „dat de Jood in Piccadilly me ditmaal betere snuif heeft verkocht dan ik ooit van hem heb gehad. Wil u mij de eer aandoen, Monsieur l’Abbé?”Hij stond dicht bij Chauvelin, in zijn gewone achtelooze houding, en hield zijn aartsvijand de snuifdoos voor.Chauvelin, die zooals hij Marguerite eens had gezegd, nogal streken in zijn leven had uitgehaald, was op deze list nooit bedacht geweest. Het eene oor gespitst op de naderende voetstappen, één oog op de deur, waardoor Desgas en zijn manschappen zoo aanstonds moesten binnenkomen, kon hij geen vermoeden hebben van de poets, die hem nu werd gebakken.Hij nam een snuifje.Slechts hij alleen, die ooit bij ongeluk een dosis peper heeft opgesnoven, kan zich eenig begrip vormen van den hopeloozen toestand, waarin een dergelijk snuifje iemand brengen kan. Chauvelin kreeg een gevoel, alsof zijn hoofd zou barsten—niesbui op niesbui scheen hem te doen stikken; een oogenblik was hij blind, doof en stom, en dat oogenblik nam Blakeney waar, om kalmpjes, zonder de minste haast, zijn hoed te nemen, uit zijn zak eenig geld te halen en op de tafel neer te leggen, waarop hij even bedaard, zonder Chauvelin met een blik te verwaardigen, de gelagkamer verliet.
VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.De leeuw en de vos.
Marguerite’s adem stokte; het was, of haar bloed stil stond, toen ze luisterde naar die stem, naar dien zang.In den zanger had ze haar echtgenoot herkend. Ook Chauvelin had het volkslied gehoord, want hij wierp eensnellen blik naar de deur, en zette in aller ijl den breedgeranden steek weer op zijn hoofd.De stem kwam nader; in een ommezien voelde Marguerite het onstuimig verlangen in haar opwellen om de trap af te snellen, door de gelagkamer te vliegen, een einde te maken aan dien zang tot iederen prijs, den vroolijken zanger te smeeken de vlucht te nemen, zoo hij zijn leven liefhad, eer het te laat mocht zijn. Nog intijds vermocht ze dit opwellend gevoel te onderdrukken. Chauvelin toch zou haar den uitgang hebben versperd, en hij mocht eens soldaten in zijn nabijheid hebben! Haar handeling zou het onmiddellijk doodvonnis zijn geweest van den man, voor wiens redding zij haar eigen leven veil had.„Long to reign over us,God save the King!”ging de stem vroolijker voort dan in den beginne, kort daarop werd de deur geopend en heerschte er gedurende een paar seconden een doodelijke stilte in het vertrek.Marguerite kon de deur nu niet zien; ze hield haren adem in, zij trachtte zich voor te stellen, wat er zou gebeuren.Bij zijn binnenkomen had Percy Blakeney den gewaanden pastoor terstond in het oog gekregen. Hij was even stil blijven staan, doch zijn aarzelen duurde geen drie seconden, terstond daarop zag Marguerite zijn rijzige figuur door het vertrek schrijden, terwijl hij luidkeels en met vroolijke stem riep:—„Hei daar! Is er niemand bij de hand? Waar zit die malle Brogard?”Hij droeg de prachtige jas en het rijkostuum, dat Marguerite, zooveel uren geleden, hem te Richmond had zien aanhebben. Wezenlijk, op dit uur had Baronet Sir Percy Blakeney even goed op weg kunnen zijn naar een tuinfeest van den Prins van Wales, in plaats van voorbedachtelijk in een valstrik te loopen, dien zijn doodsvijand hem had gespannen.Hij bleef nog een oogenblik staan in het midden vande gelagkamer, terwijl Marguerite, door schrik verlamd, nauwelijks vermocht adem te halen.Ieder oogenblik verwachtte ze, dat Chauvelin een sein zou geven, het vertrek met soldaten te zien gevuld, en zij naar beneden moest snellen om Percy bij te staan, hem aanzetten zijn leven zoo duur mogelijk te verkoopen.Maar Blakeney trad kalm op de tafel toe en dencuréop den schouder kloppend:—„Kijk... kijk... hm... Meneer Chauvelin... ik had wezenlijk nooit kunnen denken u hier te ontmoeten.”„Ik had wezenlijk nooit kunnen denken u hier te ontmoeten” (pag. 137).„Ik had wezenlijk nooit kunnen denken u hier te ontmoeten” (pag. 137).Chauvelin, die een lepel soep had geslikt, dacht te stikken. Zijn schraal gezicht werd purperrood, een hevige hoestbui kwam hembijzonderte stade, ze redde hem uit de netelige positie om de grootste verbazing te moeten doen blijken, die hij ooit had ondervonden. Geen twijfel of deze ontmaskering door Blakeney was hem als een koudwaterstraal op het lijf gevallen en had hem voor het oogenblik geheel van zijn stuk gebracht.Klaarblijkelijk was het een fout zijnerzijds, dat hij de herberg niet met een kordon soldaten had afgezet. Blakeney had deze strategische fout doorzien en voorzeker rijpte in diens brein reeds een plan om van deze onverwachte ontmoeting partij te trekken.Marguerite had in haar zolderkamertje geen vin verroerd. Zij had Sir Andrew plechtig beloofd, haar echtgenoot in tegenwoordigheid van vreemden niet aan te spreken. Daar stil te moeten zitten en deze twee mannen gade te slaan, was een vreeselijke toestand. Zij had Chauvelin orders hooren uitdeelen, alle wegen en toegangen door patrouilles te verkennen. Ze wist, dat, zoo Percy nu de „Chat Gris” mocht verlaten—welke richting hij ook mocht nemen—hij geen stap zou kunnen doen, zonder door een der soldaten van Kapitein Jutley te worden opgemerkt. Van den anderen kant, zoo hij bleef, zou Desgas tijd hebben, terug te komen met het half dozijn manschappen, door Chauvelin speciaal gecommandeerd om ter plaatse te verschijnen.De val was goed gezet. Aan Marguerite schoot niets anders over dan toekijken en in angstige gissingen zichte verdiepen. De twee mannen vormden onderling zulk een vreemd contrast, van hen beiden was het Chauvelin, die een zweem van vrees aan den dag legde. Hij was niet zoo zeer beducht voor zijn eigen persoon, hoewel alleen in een afgelegen herberg met een krachtig gebouwd man, maar hij vreesde, dat deze onbeschaamde, alles trotseerende Engelschman, zoo hij hem, Chauvelin, neervelde, zijn kansen van ontsnappen zou verdubbelen. Zijn, Chauvelins ondergeschikten, mochten er eens niet zoo goed in slagen zich meester te maken van den Rooden Pimpernel, zoo ze niet door zijn hand—zijn hoofd vooral—werden geleid. Maar Blakeney klopte hem, zoo idiotig mogelijk lachend, als een echte Joris Goedbloed, op den schouder: —„Het spijt me geweldig...” zei hij goedlachs, „innig leed... doet het me... u zoo... hm... van de wijs te brengen... nog wel bij het eten... vervl... kost, soep... een vriend van me is er aan gestorven... èè... stikte... net als u... van een lepel soep.”En jolig lachend, zag hij Chauvelin vlak in het gezicht.„Een beestachtig hol dit... vindt u niet?” ging hij voort. „Komaan, u zult er niets tegen hebben?” voegde hij er bij wijze van excuus aan toe, een stoel opnemend en zich aan tafel zettend, terwijl hij de soepterrine naar zich toe haalde. „Die sloomert van Brogard schijnt een uiltje te knappen.”Er stond een tweede bord op tafel, hij bediende zich kalm van de soep, en schonk zich een glas wijn in.Chauvelin stak hem de hand toe en zei vergenoegd:„Het doet me wezenlijk genoegen u te zien, Sir Percy. U moet me excuseeren... hm... ik dacht u goed en wel aan den overkant van het Kanaal. Zoo’n plotselinge verrassing deed me schrikken.”„Jawel!” zei Percy glimlachend op zijn manier, „daarvan kwam ’t, eh... mijn... heer Chaubertin, niet waar?”„Chauvelin—met uw verlof.”„Duizendmaal verschooning. Jawel—Chauvelin natuurlijk... Eh... ik sta met vreemde namen altijd op gespannen voet...”Hij nuttigde bedaard zijn soep, terwijl hij doorgingzich te verkneukelen, alsof hij de heele reisroute van Calais had gemaakt met de eenige bedoeling om in deze vieze herberg zijn souper te gebruiken, in het gezelschap van zijn doodsvijand.Marguerite verwonderde zich, waarom Percy den kleinen Franschman niet van de been sloeg—er moest toch wel zoo iets, nu en dan, hem door het hoofd hebben gespeeld, te oordeelen naar de dreigende flikkering van zijn oogen, als deze een oogenblik zich vestigden op de schrale figuur van Chauvelin.Maar het scherp vernuft, dat zoovele stoute stukjes had beraamd en uitgehaald, doorzag maar al te zeer, dat men niet onnoodig gevaarlijke kansen moet wagen. Deze plaats kon met spionnen bezet zijn; de herbergier was wellicht een handlanger van Chauvelin. Eén teeken van den agent der Republiek kon twintig man voor hem doen opdagen, hij zou gevangen worden genomen, voor hij de vluchtelingen kon helpen of waarschuwen, zoo noodig. Dit wilde hij niet in de waagschaal leggen; zijn doel was anderen bij te staan,henin veiligheid te brengen; hij had hun zijn woord verpand, dat woordwildehij gestand doen, en al etend en pratend, dacht hij na en beraamde zijn plan.„Het was me onbekend,” zei Blakeney joviaal, „dat u... eh... de priesterwijding hadt ontvangen.”„Ik... hé... hm!” stamelde Chauvelin. De kalme onbeschaamdheid van zijn tegenstander had hem geheel de kluts doen kwijt raken.„Och, maar! Ik zou u altijd en overal herkend hebben,” ging Percy kalm voort, zich nog eens inschenkend, „hoewel die pruik en steek u iets veranderd hebben.”„Meent u?”„La, la! die veranderen iemand danig... maar... ik wil hopen, dat u mijn opmerking ten goede zult houden?... opmerkingen maken getuigt van slechte manieren... u neemt het me niet kwalijk, hoop ik?”„Neen, neen, volstrekt niet—hm! Lady Blakeney wèl?” vroeg Chauvelin zich haastend aan het gesprek een andere wending te geven.Percy at zijn bord soep leeg, dronk zijn glas wijn uit, en antwoordde eindelijk droogjes: „Heel wèl, dank u.” Er ontstond een pauze, gedurende welke Marguerite de twee tegenstanders kon gadeslaan, die zich met elkander schenen te meten. Zij kon Percy bijna geheel in het gezicht zien, daar hij geen tien meter van de plek, waar zij gehurkt toekeek, aan tafel zat. Ze was verlegen met zichzelf, daar ze niet wist, wat ze moest denken of doen. Ze had de aandrift, die ze in den beginne gevoelde, om naar beneden te snellen en zich aan haar echtgenoot te vertoonen, bedwongen.Chauvelin, die zijn ongeduld trachtte te verbergen, raadpleegde zijn horloge. Desgas kon niet lang meer uitblijven; nog een paar minuten, en deze onbeschaamde Engelschman zou door een twaalftal van kapitein Jutley’s meest vertrouwde manschappen in verzekerde bewaring worden genomen.„U zijt op weg naar Parijs, Sir Percy?” vroeg Chauvelin onverschillig.„Neen, neen,” antwoordde Blakeney glimlachend. „Ik ga niet verder dan Lille—van Parijs moet ik niets hebben... ellendige, ongezellige stad... Parijs, op het oogenblik... hè, Monsieur Chambertin... pardon ... Chauvelin!”„Niet voor een Engelschman van uw slag, Sir Percy,” zei Chauvelin met een sarkastischen grijnslach, „die zich niet bemoeit met den strijd, die daar momenteel woedt.”„Ah! U begrijpt, dat het mij niet aangaat, wat ze daar uitvoeren, en onze Regeering schijnt het geheel met uw zaken eens. U schijnt haast te hebben, meneer,” ging Percy voort, toen Chauvelin andermaal op zijn horloge keek; „een afspraak misschien... Wat ik u verzoeken mag, stoor u niet aan mij... Ik heb allen tijd...”Hij stond van tafel op en schoof een stoel bij den haard. Marguerite voelde een vreeselijken drang tot hem te gaan, want de tijd verliep; Desgas kon ieder oogenblik met zijn manschappen komen. Percy wist niets daarvan en... o, God! hoe vreeselijk was dat niet—hoe gevoelde zij zich machteloos tegenover dezen toestand!„Ik ben volstrekt niet gepresseerd,” hernam Percy luchthartig, „maar toch ligt het niet op mijn weg, meer tijd dan hoog noodig is in dit hol te verspillen!”„Maar, meneer,” vervolgde hij, ziende, dat Chauvelin ten derden male zijn horloge raadpleegde, „uw uurwerk zal er toch niet sneller om gaan met al dat gekijk. U is bepaald iemand wachtend.”„Ja... een vriend!”Met den hak zijner laars schopte Blakeney het houtvuur wat aan, zoodat de vlammen opflikkerden in den ouden haard. Hij scheen geen haast te hebben om op te stappen en blijkbaar geheel onbewust van het gevaar, dat hem boven het hoofd hing. Hij trok nog een stoel bij het vuur, en Chauvelin zette er zich op neer met het gezicht naar de deur. Desgas was nu ruim een kwartier weg. Marguerite begreep duidelijk dat, zoodra deze kwam opdagen, Chauvelin al zijn andere plannen omtrent de vluchtelingen zou laten varen, ten einde den onbeschaamden Rooden Pimpernel in boeien te laten slaan.„Hè, meneer Chauvelin,” zei Percy opeens zeer luchtig, „vertel me eens, is uw vriendin een mooi meisje? Heel aardig kunnen de kleine Fransche vrouwtjes er soms uitzien—het mijne—”Maar Chauvelin luisterde niet meer. Zijn aandacht was nu geheel geconcentreerd op de deur, waardoor straks Desgas moest binnenkomen. Ook Marguerite’s gedachten waren erop gevestigd, want in de stilte van den nacht drong eensklaps het geluid van vele afgemeten voetstappen op een afstand tot haar door.Het was Desgas met zijn soldaten. Nog enkele minuten, twee of drie, en ze zouden binnenkomen! Nog een drie minuten en het vreeselijkste zou een voldongen feit zijn! Zij voelde den drang weer opkomen naar Percy te snellen, of althans met een schreeuw hem te waarschuwen, zij verloor hem geen seconde uit het oog. Hij stond bij de tafel, waarop de overblijfselen zich bevonden van het souper, borden, glazen, zout, peper enz. in schromelijke wanorde dooreen. Hij had Chauvelin den rug toegekeerd en pruttelde op zijn gewone, gemaakte, idiotige manierallen mogelijken onzin binnensmonds. Maar uit zijn zak haalde hij zijn snuifdoos te voorschijn, en in een omzien had hij deze met den aanwezigen voorraad peper gevuld.Daarop keerde hij zich weer om, en met een onzinnigen lach tot Chauvelin:„Hè... zei u wat, meneer?”Chauvelin had met zoo’n gespannen aandacht het oor geleend aan de naderende voetstappen, dat hij geen nota had kunnen nemen, van hetgeen zijn tegenstander had uitgevoerd.„Neen,” antwoordde hij, „wat zei u ook weer, Sir Percy?”„Ik zei,” gaf Blakeney kwansuis te kennen, „dat de Jood in Piccadilly me ditmaal betere snuif heeft verkocht dan ik ooit van hem heb gehad. Wil u mij de eer aandoen, Monsieur l’Abbé?”Hij stond dicht bij Chauvelin, in zijn gewone achtelooze houding, en hield zijn aartsvijand de snuifdoos voor.Chauvelin, die zooals hij Marguerite eens had gezegd, nogal streken in zijn leven had uitgehaald, was op deze list nooit bedacht geweest. Het eene oor gespitst op de naderende voetstappen, één oog op de deur, waardoor Desgas en zijn manschappen zoo aanstonds moesten binnenkomen, kon hij geen vermoeden hebben van de poets, die hem nu werd gebakken.Hij nam een snuifje.Slechts hij alleen, die ooit bij ongeluk een dosis peper heeft opgesnoven, kan zich eenig begrip vormen van den hopeloozen toestand, waarin een dergelijk snuifje iemand brengen kan. Chauvelin kreeg een gevoel, alsof zijn hoofd zou barsten—niesbui op niesbui scheen hem te doen stikken; een oogenblik was hij blind, doof en stom, en dat oogenblik nam Blakeney waar, om kalmpjes, zonder de minste haast, zijn hoed te nemen, uit zijn zak eenig geld te halen en op de tafel neer te leggen, waarop hij even bedaard, zonder Chauvelin met een blik te verwaardigen, de gelagkamer verliet.
Marguerite’s adem stokte; het was, of haar bloed stil stond, toen ze luisterde naar die stem, naar dien zang.
In den zanger had ze haar echtgenoot herkend. Ook Chauvelin had het volkslied gehoord, want hij wierp eensnellen blik naar de deur, en zette in aller ijl den breedgeranden steek weer op zijn hoofd.
De stem kwam nader; in een ommezien voelde Marguerite het onstuimig verlangen in haar opwellen om de trap af te snellen, door de gelagkamer te vliegen, een einde te maken aan dien zang tot iederen prijs, den vroolijken zanger te smeeken de vlucht te nemen, zoo hij zijn leven liefhad, eer het te laat mocht zijn. Nog intijds vermocht ze dit opwellend gevoel te onderdrukken. Chauvelin toch zou haar den uitgang hebben versperd, en hij mocht eens soldaten in zijn nabijheid hebben! Haar handeling zou het onmiddellijk doodvonnis zijn geweest van den man, voor wiens redding zij haar eigen leven veil had.
„Long to reign over us,God save the King!”
„Long to reign over us,
God save the King!”
ging de stem vroolijker voort dan in den beginne, kort daarop werd de deur geopend en heerschte er gedurende een paar seconden een doodelijke stilte in het vertrek.
Marguerite kon de deur nu niet zien; ze hield haren adem in, zij trachtte zich voor te stellen, wat er zou gebeuren.
Bij zijn binnenkomen had Percy Blakeney den gewaanden pastoor terstond in het oog gekregen. Hij was even stil blijven staan, doch zijn aarzelen duurde geen drie seconden, terstond daarop zag Marguerite zijn rijzige figuur door het vertrek schrijden, terwijl hij luidkeels en met vroolijke stem riep:—
„Hei daar! Is er niemand bij de hand? Waar zit die malle Brogard?”
Hij droeg de prachtige jas en het rijkostuum, dat Marguerite, zooveel uren geleden, hem te Richmond had zien aanhebben. Wezenlijk, op dit uur had Baronet Sir Percy Blakeney even goed op weg kunnen zijn naar een tuinfeest van den Prins van Wales, in plaats van voorbedachtelijk in een valstrik te loopen, dien zijn doodsvijand hem had gespannen.
Hij bleef nog een oogenblik staan in het midden vande gelagkamer, terwijl Marguerite, door schrik verlamd, nauwelijks vermocht adem te halen.
Ieder oogenblik verwachtte ze, dat Chauvelin een sein zou geven, het vertrek met soldaten te zien gevuld, en zij naar beneden moest snellen om Percy bij te staan, hem aanzetten zijn leven zoo duur mogelijk te verkoopen.
Maar Blakeney trad kalm op de tafel toe en dencuréop den schouder kloppend:—
„Kijk... kijk... hm... Meneer Chauvelin... ik had wezenlijk nooit kunnen denken u hier te ontmoeten.”
„Ik had wezenlijk nooit kunnen denken u hier te ontmoeten” (pag. 137).„Ik had wezenlijk nooit kunnen denken u hier te ontmoeten” (pag. 137).
„Ik had wezenlijk nooit kunnen denken u hier te ontmoeten” (pag. 137).
Chauvelin, die een lepel soep had geslikt, dacht te stikken. Zijn schraal gezicht werd purperrood, een hevige hoestbui kwam hembijzonderte stade, ze redde hem uit de netelige positie om de grootste verbazing te moeten doen blijken, die hij ooit had ondervonden. Geen twijfel of deze ontmaskering door Blakeney was hem als een koudwaterstraal op het lijf gevallen en had hem voor het oogenblik geheel van zijn stuk gebracht.
Klaarblijkelijk was het een fout zijnerzijds, dat hij de herberg niet met een kordon soldaten had afgezet. Blakeney had deze strategische fout doorzien en voorzeker rijpte in diens brein reeds een plan om van deze onverwachte ontmoeting partij te trekken.
Marguerite had in haar zolderkamertje geen vin verroerd. Zij had Sir Andrew plechtig beloofd, haar echtgenoot in tegenwoordigheid van vreemden niet aan te spreken. Daar stil te moeten zitten en deze twee mannen gade te slaan, was een vreeselijke toestand. Zij had Chauvelin orders hooren uitdeelen, alle wegen en toegangen door patrouilles te verkennen. Ze wist, dat, zoo Percy nu de „Chat Gris” mocht verlaten—welke richting hij ook mocht nemen—hij geen stap zou kunnen doen, zonder door een der soldaten van Kapitein Jutley te worden opgemerkt. Van den anderen kant, zoo hij bleef, zou Desgas tijd hebben, terug te komen met het half dozijn manschappen, door Chauvelin speciaal gecommandeerd om ter plaatse te verschijnen.
De val was goed gezet. Aan Marguerite schoot niets anders over dan toekijken en in angstige gissingen zichte verdiepen. De twee mannen vormden onderling zulk een vreemd contrast, van hen beiden was het Chauvelin, die een zweem van vrees aan den dag legde. Hij was niet zoo zeer beducht voor zijn eigen persoon, hoewel alleen in een afgelegen herberg met een krachtig gebouwd man, maar hij vreesde, dat deze onbeschaamde, alles trotseerende Engelschman, zoo hij hem, Chauvelin, neervelde, zijn kansen van ontsnappen zou verdubbelen. Zijn, Chauvelins ondergeschikten, mochten er eens niet zoo goed in slagen zich meester te maken van den Rooden Pimpernel, zoo ze niet door zijn hand—zijn hoofd vooral—werden geleid. Maar Blakeney klopte hem, zoo idiotig mogelijk lachend, als een echte Joris Goedbloed, op den schouder: —
„Het spijt me geweldig...” zei hij goedlachs, „innig leed... doet het me... u zoo... hm... van de wijs te brengen... nog wel bij het eten... vervl... kost, soep... een vriend van me is er aan gestorven... èè... stikte... net als u... van een lepel soep.”
En jolig lachend, zag hij Chauvelin vlak in het gezicht.
„Een beestachtig hol dit... vindt u niet?” ging hij voort. „Komaan, u zult er niets tegen hebben?” voegde hij er bij wijze van excuus aan toe, een stoel opnemend en zich aan tafel zettend, terwijl hij de soepterrine naar zich toe haalde. „Die sloomert van Brogard schijnt een uiltje te knappen.”
Er stond een tweede bord op tafel, hij bediende zich kalm van de soep, en schonk zich een glas wijn in.
Chauvelin stak hem de hand toe en zei vergenoegd:
„Het doet me wezenlijk genoegen u te zien, Sir Percy. U moet me excuseeren... hm... ik dacht u goed en wel aan den overkant van het Kanaal. Zoo’n plotselinge verrassing deed me schrikken.”
„Jawel!” zei Percy glimlachend op zijn manier, „daarvan kwam ’t, eh... mijn... heer Chaubertin, niet waar?”
„Chauvelin—met uw verlof.”
„Duizendmaal verschooning. Jawel—Chauvelin natuurlijk... Eh... ik sta met vreemde namen altijd op gespannen voet...”
Hij nuttigde bedaard zijn soep, terwijl hij doorgingzich te verkneukelen, alsof hij de heele reisroute van Calais had gemaakt met de eenige bedoeling om in deze vieze herberg zijn souper te gebruiken, in het gezelschap van zijn doodsvijand.
Marguerite verwonderde zich, waarom Percy den kleinen Franschman niet van de been sloeg—er moest toch wel zoo iets, nu en dan, hem door het hoofd hebben gespeeld, te oordeelen naar de dreigende flikkering van zijn oogen, als deze een oogenblik zich vestigden op de schrale figuur van Chauvelin.
Maar het scherp vernuft, dat zoovele stoute stukjes had beraamd en uitgehaald, doorzag maar al te zeer, dat men niet onnoodig gevaarlijke kansen moet wagen. Deze plaats kon met spionnen bezet zijn; de herbergier was wellicht een handlanger van Chauvelin. Eén teeken van den agent der Republiek kon twintig man voor hem doen opdagen, hij zou gevangen worden genomen, voor hij de vluchtelingen kon helpen of waarschuwen, zoo noodig. Dit wilde hij niet in de waagschaal leggen; zijn doel was anderen bij te staan,henin veiligheid te brengen; hij had hun zijn woord verpand, dat woordwildehij gestand doen, en al etend en pratend, dacht hij na en beraamde zijn plan.
„Het was me onbekend,” zei Blakeney joviaal, „dat u... eh... de priesterwijding hadt ontvangen.”
„Ik... hé... hm!” stamelde Chauvelin. De kalme onbeschaamdheid van zijn tegenstander had hem geheel de kluts doen kwijt raken.
„Och, maar! Ik zou u altijd en overal herkend hebben,” ging Percy kalm voort, zich nog eens inschenkend, „hoewel die pruik en steek u iets veranderd hebben.”
„Meent u?”
„La, la! die veranderen iemand danig... maar... ik wil hopen, dat u mijn opmerking ten goede zult houden?... opmerkingen maken getuigt van slechte manieren... u neemt het me niet kwalijk, hoop ik?”
„Neen, neen, volstrekt niet—hm! Lady Blakeney wèl?” vroeg Chauvelin zich haastend aan het gesprek een andere wending te geven.
Percy at zijn bord soep leeg, dronk zijn glas wijn uit, en antwoordde eindelijk droogjes: „Heel wèl, dank u.” Er ontstond een pauze, gedurende welke Marguerite de twee tegenstanders kon gadeslaan, die zich met elkander schenen te meten. Zij kon Percy bijna geheel in het gezicht zien, daar hij geen tien meter van de plek, waar zij gehurkt toekeek, aan tafel zat. Ze was verlegen met zichzelf, daar ze niet wist, wat ze moest denken of doen. Ze had de aandrift, die ze in den beginne gevoelde, om naar beneden te snellen en zich aan haar echtgenoot te vertoonen, bedwongen.
Chauvelin, die zijn ongeduld trachtte te verbergen, raadpleegde zijn horloge. Desgas kon niet lang meer uitblijven; nog een paar minuten, en deze onbeschaamde Engelschman zou door een twaalftal van kapitein Jutley’s meest vertrouwde manschappen in verzekerde bewaring worden genomen.
„U zijt op weg naar Parijs, Sir Percy?” vroeg Chauvelin onverschillig.
„Neen, neen,” antwoordde Blakeney glimlachend. „Ik ga niet verder dan Lille—van Parijs moet ik niets hebben... ellendige, ongezellige stad... Parijs, op het oogenblik... hè, Monsieur Chambertin... pardon ... Chauvelin!”
„Niet voor een Engelschman van uw slag, Sir Percy,” zei Chauvelin met een sarkastischen grijnslach, „die zich niet bemoeit met den strijd, die daar momenteel woedt.”
„Ah! U begrijpt, dat het mij niet aangaat, wat ze daar uitvoeren, en onze Regeering schijnt het geheel met uw zaken eens. U schijnt haast te hebben, meneer,” ging Percy voort, toen Chauvelin andermaal op zijn horloge keek; „een afspraak misschien... Wat ik u verzoeken mag, stoor u niet aan mij... Ik heb allen tijd...”
Hij stond van tafel op en schoof een stoel bij den haard. Marguerite voelde een vreeselijken drang tot hem te gaan, want de tijd verliep; Desgas kon ieder oogenblik met zijn manschappen komen. Percy wist niets daarvan en... o, God! hoe vreeselijk was dat niet—hoe gevoelde zij zich machteloos tegenover dezen toestand!
„Ik ben volstrekt niet gepresseerd,” hernam Percy luchthartig, „maar toch ligt het niet op mijn weg, meer tijd dan hoog noodig is in dit hol te verspillen!”
„Maar, meneer,” vervolgde hij, ziende, dat Chauvelin ten derden male zijn horloge raadpleegde, „uw uurwerk zal er toch niet sneller om gaan met al dat gekijk. U is bepaald iemand wachtend.”
„Ja... een vriend!”
Met den hak zijner laars schopte Blakeney het houtvuur wat aan, zoodat de vlammen opflikkerden in den ouden haard. Hij scheen geen haast te hebben om op te stappen en blijkbaar geheel onbewust van het gevaar, dat hem boven het hoofd hing. Hij trok nog een stoel bij het vuur, en Chauvelin zette er zich op neer met het gezicht naar de deur. Desgas was nu ruim een kwartier weg. Marguerite begreep duidelijk dat, zoodra deze kwam opdagen, Chauvelin al zijn andere plannen omtrent de vluchtelingen zou laten varen, ten einde den onbeschaamden Rooden Pimpernel in boeien te laten slaan.
„Hè, meneer Chauvelin,” zei Percy opeens zeer luchtig, „vertel me eens, is uw vriendin een mooi meisje? Heel aardig kunnen de kleine Fransche vrouwtjes er soms uitzien—het mijne—”
Maar Chauvelin luisterde niet meer. Zijn aandacht was nu geheel geconcentreerd op de deur, waardoor straks Desgas moest binnenkomen. Ook Marguerite’s gedachten waren erop gevestigd, want in de stilte van den nacht drong eensklaps het geluid van vele afgemeten voetstappen op een afstand tot haar door.
Het was Desgas met zijn soldaten. Nog enkele minuten, twee of drie, en ze zouden binnenkomen! Nog een drie minuten en het vreeselijkste zou een voldongen feit zijn! Zij voelde den drang weer opkomen naar Percy te snellen, of althans met een schreeuw hem te waarschuwen, zij verloor hem geen seconde uit het oog. Hij stond bij de tafel, waarop de overblijfselen zich bevonden van het souper, borden, glazen, zout, peper enz. in schromelijke wanorde dooreen. Hij had Chauvelin den rug toegekeerd en pruttelde op zijn gewone, gemaakte, idiotige manierallen mogelijken onzin binnensmonds. Maar uit zijn zak haalde hij zijn snuifdoos te voorschijn, en in een omzien had hij deze met den aanwezigen voorraad peper gevuld.
Daarop keerde hij zich weer om, en met een onzinnigen lach tot Chauvelin:
„Hè... zei u wat, meneer?”
Chauvelin had met zoo’n gespannen aandacht het oor geleend aan de naderende voetstappen, dat hij geen nota had kunnen nemen, van hetgeen zijn tegenstander had uitgevoerd.
„Neen,” antwoordde hij, „wat zei u ook weer, Sir Percy?”
„Ik zei,” gaf Blakeney kwansuis te kennen, „dat de Jood in Piccadilly me ditmaal betere snuif heeft verkocht dan ik ooit van hem heb gehad. Wil u mij de eer aandoen, Monsieur l’Abbé?”
Hij stond dicht bij Chauvelin, in zijn gewone achtelooze houding, en hield zijn aartsvijand de snuifdoos voor.
Chauvelin, die zooals hij Marguerite eens had gezegd, nogal streken in zijn leven had uitgehaald, was op deze list nooit bedacht geweest. Het eene oor gespitst op de naderende voetstappen, één oog op de deur, waardoor Desgas en zijn manschappen zoo aanstonds moesten binnenkomen, kon hij geen vermoeden hebben van de poets, die hem nu werd gebakken.
Hij nam een snuifje.
Slechts hij alleen, die ooit bij ongeluk een dosis peper heeft opgesnoven, kan zich eenig begrip vormen van den hopeloozen toestand, waarin een dergelijk snuifje iemand brengen kan. Chauvelin kreeg een gevoel, alsof zijn hoofd zou barsten—niesbui op niesbui scheen hem te doen stikken; een oogenblik was hij blind, doof en stom, en dat oogenblik nam Blakeney waar, om kalmpjes, zonder de minste haast, zijn hoed te nemen, uit zijn zak eenig geld te halen en op de tafel neer te leggen, waarop hij even bedaard, zonder Chauvelin met een blik te verwaardigen, de gelagkamer verliet.