EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Te Calais.De vervelendste nachten, de langste dagen komen vroeger of later ten einde.Na een slapeloozen nacht stond Marguerite vroegtijdig op, voordat iemand in huis zich nog verroerde, in vreeselijk opgewonden toestand, met brandend verlangen de reis te aanvaarden.Naar beneden komend, trof ze Sir Andrew Foulkes, die reeds in de gelagkamer zat. Hij was een half uur vroeger uitgegaan naar den Admirality-Pier en had gehoord dat geen vaartuig Dover nog kon verlaten. De storm was toen op zijn hoogtepunt, en het getij verliep. Zoo de wind niet minderde of veranderde, zouden zij, alvorens men zee kon kiezen, nog een half etmaal moeten wachten tot het volgende getij. En de storm minderde niet, en het getij liep snel ten einde.Marguerite geraakte bijna tot wanhoop, toen ze dezen treurigen tegenspoed vernam. Alleen haar standvastig besluit verhoedde, dat zij den moed geheel en al liet zakken en aldus den angst van den jonkman mocht vergrooten. Sir Andrew trachtte die bekommering te ontveinzen, al bemerkte Marguerite zeer goed, dat hij even bezorgd was als zij, om tijdig zijn makker en vriend te bereiken. Deze gedwongen werkeloosheid was vreeselijk voor beiden.Hoe zij dien vervelenden dag te Dover doorbrachten, kon Marguerite later nimmer verklaren. Zij was bang zich in het openbaar te vertoonen, uit vrees, dat Chauvelin’s spionnen op den uitkijk zouden staan. Daarom maakte ze gebruik van een afzonderlijk zitvertrek, en zat zij daar met Sir Andrew, uur aan uur, na lange tusschenpoozen iets gebruikende, met niets anders te doen dan denken, gissen en nu en dan eenige hoop te koesteren.De storm was juist te laat gaan liggen. De eb was te ver ingetreden, om eenig vaartuig zee te laten kiezen.De wind was gekeerd en veranderd in een frissche noordwestelijke bries, juist de geschikte wind om spoedig mee naar Frankrijk over te steken.En daar waren deze beiden nu wachtende, uitziende of het uur ooit zou slaan om eindelijk te vertrekken. Een gelukkige tusschenpoos had zich tijdens dien langen vervelenden dag voorgedaan, en dat was toen Sir Andrew andermaal naar den pier was gegaan en daarop terugkwam, om Marguerite te zeggen, dat hij een handigen schoener had gehuurd, gereed om zee te kiezen, zoodra de vloed kwam opzetten.Van dat oogenblik was er minder hopeloosheid in het wachten. Eindelijk dan, tegen vijf uur in den namiddag, vonden Lady Blakeney en Sir Andrew Foulkes hun weg naar den pier.Eenmaal aan boord, deed de fijne, frissche zeelucht haar weldadig aan.De zonsondergang was prachtig na den storm, en toen Marguerite de krijtheuvels van Dover van lieverlede uit het gezicht zag verdwijnen, gevoelde zij zich kalmer en hoopte bijna weer op een goeden uitslag van haar ondernemen.Langzamerhand begon Frankrijks grauwe kust weer uit den avondhemel te dagen en kort daarop landde Marguerite aan den Franschen oever. Ze was weer terug in haar land, waar op dit oogenblik haar landgenooten hun medemenschen bij honderden ter slachtbank sleepten, onschuldige vrouwen en kinderen bij duizenden onder de moordbijl deden sneven.Uit de blikken der bevolking, zelfs in deze afgelegen stad aan het zeestrand, sprak het ziedend schuim der revolutie. De mannen droegen allen roode mutsen met de driekleurige kokarde links, en zagen er somber en argwanend uit.Zonder meer dan enkele woorden te wisselen, geleidde Sir Andrew haar recht door de stad, naar de tegenovergestelde zijde, waar zij geland waren, op den weg naar KaapGris-Nez. Tijdens den storm was er veel regen gevallen in den afgeloopen nacht, en Marguerite zonksomwijlen tot over de enkels in de modder, want de wegen verkeerden in een verschrikkelijken toestand en waren niet verlicht.Maar zij sloeg geen acht op deze onbeteekenende ongerieflijkheden.„Wij kunnen Blakeney ontmoeten in de „Chat Gris”, had Sir Andrew gezegd, en zij wandelde als op rozenbladeren, want zij zou hem nagenoeg terstond ontmoeten.Eindelijk bereikten zij hun doel. Sir Andrew kende blijkbaar den weg, want niemand had hij eenige inlichting gevraagd. De duisternis was reeds te zeer ingevallen voor Marguerite, om het uiterlijk van die herberg te onderscheiden. De „Chat Gris” was blijkbaar een kleine aan den weg gelegen kroeg, op geringen afstand van de kust, want het geruisch der zee scheen van verre tot hen door te dringen.Sir Andrew klopte met zijn rotting op de deur; een brommend geluid, gevolgd door eenige vloeken, ontsnapten niet aan Marguerite’s oor.—Sir Andrew klopte andermaal, ditmaal krachtiger; meer vloeken volgden en daarop hoorde men iemand met langzame schreden zich naar de deur begeven. Deze werd geopend, en Marguerite stond op den drempel van het vunzigste vertrek, dat ze ooit in haar leven had gezien.Het behangsel, zooals het was, hing aan flarden van den muur, er scheen geen enkel meubelstuk in het vertrek aanwezig, dat op „heel” kon aanspraak maken. De meeste stoelen hadden gebroken rugleuningen of geen zitting; een hoek der tafel werd gesteund door een stuk brandhout, omdat er een poot aan ontbrak.In een hoek van de gelagkamer hing een soepketel over het vuur. Aan één zijde van het vertrek, hoog bij de zoldering, bevond zich een soort vliering, waarvoor een gescheurd gordijn hing, van blauw en wit gestreepte kleur. Een versleten trap leidde naar dien zolder. Het vertrek zelf werd flauw verlicht door een viezen reuk afgevende olielamp.Op de groote kale muren zag men hier en daar met krijt en in groote letters de woorden geschreven: „Liberté—Égalité—Fraternité”—de befaamde, holklinkende leuze „Vrijheid—Gelijkheid—Broederschap”.„Engelsche reizigers, burger!” zei Sir Andrew in het Fransch tot het individu, dat de deur had geopend, een ouderen, stoer gebouwden boer, gehuld in een vuilen blauwen kiel, met voeten in zware klompen, waar rondom stroohalmen uitstaken, vieze bruine kousen en de onvermijdelijke roode muts met de driekleurige kokarde op het hoofd. In zijn mond stak een stomp houten pijp, waaruit een geur steeg van knastertabak, die de reukzenuwen op een zware proef stelde. Met groot wantrouwen gluurde hij naar de twee reizigers en mompelde binnensmonds; „Sacrrrés Anglais!” daarbij op den grond spuwend, om zijn onafhankelijkheid van geest te kennen te geven; niettemin ging hij op zijde om de „Sacrrrés Anglais” binnen te laten, zonder twijfel wel wetende, dat deze „Vervloekte Engelschen” altijd wel gevulde beurzen hadden.„Vreeselijk!” zeide Marguerite, het vertrek binnentredend en haar zakdoek voor den neus houdend, „wat een schrikwekkend hol is dit! Bèn je wel zeker, dat het de plaats is?”„Positief zeker,” antwoordde de jonkman, een stoel afstoffend voor Marguerite, „doch ik moet bekennen, dat ik nooit in mijn leven afzichtelijker krot heb gezien.”De waard van de „Chat Gris”—Brogard—had van zijn gasten geen verdere notitie genomen; hij onderstelde, dat ze aanstonds wel wat eten zouden bestellen, maar hij zou immers geen vrij burger geweest zijn, indien hij eenige wellevendheid, beleefdheid, of hoe men het noemen wilde, aan den dag had gelegd tegenover wien ook, althans niet jegens een welgekleed individu.Over den haard neergebogen, zat een in lompen gehulde gedaante, naar alle waarschijnlijkheid een vrouw. Ze zat daar, in zichzelf mopperend, en nu en dan de soep roerend, om deze tegen aanbranden te behoeden.„Hei daar, vriend!” zei Sir Andrew ten laatste, „we zouden wel wat willen eten... De burgeres ginds,” voegde hij er bij, terwijl hij op de vrouw in vodden wees, die bij den haard zat, „maakt, als ik me niet vergis, daareen heerlijk soepje klaar, en mijn meesteres heeft sedert uren geen voedsel genuttigd.”Brogard had eenige oogenblikken noodig om het vraagstuk te overwegen. Een vrij burger staat maar niet zoo terstond klaar, om zich naar het verlangen te voegen van hen, die iets van hem moeten hebben.„Sacrrrés aristo’s!” mopperde hij, toen hij naar een glazen kast scharrelde, daaruit een oude tinnen soepterrine te voorschijn haalde en die, zonder een woord te zeggen, zijn oudje aanreikte, die even zwijgend dat voorwerp met de soep begon te vullen.Marguerite had al deze toebereidselen met onverholen walging aangezien.„Onze gastheer en gastvrouw zijn geen vroolijke menschen,” zei Sir Andrew, den blik van afgrijzen op Marguerite’s gezicht ontwarend. „Ik wenschte u een smakelijker maal te kunnen verschaffen, maar ik denk wel, dat u de soep genietbaar en den wijn goed zult vinden.”„Maak u omtrent mij niet bezorgd,” zei ze minzaam. „Mijn hoofd staat er volstrekt niet naar, om me over eten te bekreunen.”Brogard legde een paar lepels neer en zette twee glazen op tafel. De gewaande lakei veegde een en ander zorgvuldig af. De kastelein had ook een flesch wijn en wat brood voor den dag gehaald, terwijl Marguerite een poging deed haar stoel bij de tafel te schuiven en aanstalten maakte om wat te eten. Sir Andrew vervulde daarbij de rol van lakei en stond achter haar stoel.De soep was werkelijk niet kwaad, ze voldeed aan geur en smaak. Marguerite zou ervan genoten hebben, indien de omgeving niet zoo afstootend was geweest, ze brak evenwel het brood en dronk van den wijn.Brogard, na het strikt noodige op tafel te hebben gezet, scheen zich niet verder om zijn gasten te bekommeren. Moeder Brogard was stilletjes het vertrek uitgesloft, de man drentelde over den vloer, zijn walgelijk riekend pijpje smokend, somtijds Marguerite den walm in het gezicht blazend, zooals hij, als vrij burger en ieders gelijke, meende te mogen doen.„De duivel hale dien kerel!” zei Sir Andrew, terwijl Brogard al rookend tegen de tafel leunde.Hij had Marguerite’s raad gevolgd en was naast haar gaan zitten, beiden namen ze den schijn aan, alsof zij aten en dronken.„Zie dat je den vent in zijn humeur houdt,” zei Lady Blakeney, „opdat hij de vragen beantwoorde, die we hem moeten doen.”„Ik zal mijn beste beentje voorzetten, maar liever gaf ik hem een trap. Zeg eens, vriend,” zei Sir Andrew in goed Fransch en Brogard fideel op den schouder kloppend, „zie je nog al eens luidjes van ons gehalte in deze streken? Ik bedoel veel Engelsche toeristen.”Brogard keek over zijn schouder naar den spreker, deed een paar trekken aan zijn pijp, en mompelde:„Peuh!—somtijds!”„Ja, Engelsche reizigers weten altijd, waar ze goeden wijn kunnen krijgen.—Vertel me eens... mijn mevrouw zou graag weten, of je bij geval een goeje kennis van haar hebt ontmoet, een Engelsche heer, die nog al eens voor zaken naar Calais komt, hij is een rijzige man, hij ging onlangs naar Parijs—mijn mevrouw dacht hem te Calais aan te treffen.”Brogard nam zijn tijd voor een antwoord, daarop kwam het langzaam bij hem eruit:„Een lange Engelschman? Vandaag?—Ja.”„Heb j’em gesproken?” vroeg Sir Andrew achteloos.„Ja, vandaag,” mompelde Brogard knorrig. Daarop nam hij kalm Sir Andrew’s hoofddeksel van een nabij staanden stoel, zette dit op, trok aan zijn smerige kiel, alsof hij met het een en ander wilde aanduiden, dat het individu in kwestie mooie kleeren droeg. „Sacrré aristo!” mopperde hij, „die lange Engelschman!”Marguerite kon nauwelijks een luiden schreeuw inhouden.„Dat is Sir Percy, het kan niet duidelijker,” prevelde ze voor zich.„Ja wel, vriend,” zei Sir Andrew, Brogard met dezelfde gemaakte luchtigheid toesprekend, „mijn meester draagt altijd mooie kleeren; de lange Engelschman, dien je gezienhebt, was bepaald de vriend van mijn mevrouw. En hij is vertrokken, zeg je?”„Hij ging heen... ja... maar hij komt terug... hier—hij heeft avondeten besteld...”„Hier!” bracht Marguerite eensklaps in het midden. „Hier—zei je niet, dat de Engelsche heer hier terugkwam?”„Peuh!” mompelde Brogard, „hij heeft eten besteld—hij komt terug...Sacrré Anglais!”„Maar... waar is hij?—Weet je dat soms ook?” vroeg Marguerite.„Hij ging een paard en wagen halen.”„Hoe laat zoo wat?”Maar Brogard had blijkelijk genoeg van het verhoor. Hij achtte het niet passend voor een burger—die ieders gelijke was—om op die manier ondervraagd te worden door diesacrrés aristos, al waren ze ook rijke Engelschen.„Dat weet ik niet,” antwoordde hij norsch. „Ik heb genoeg gezegd... Hij bestelde avondeten. Hij ging uit.—Hij zal terugkomen.Voilà!”En met de afscheidsbeweging van zijn vrij burgerschap en rechten, die hem veroorloofden zoo brutaal te zijn, als hij verkoos, klotste burger Brogard het vertrek uit en sloeg de deur achter zich dicht.
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Te Calais.De vervelendste nachten, de langste dagen komen vroeger of later ten einde.Na een slapeloozen nacht stond Marguerite vroegtijdig op, voordat iemand in huis zich nog verroerde, in vreeselijk opgewonden toestand, met brandend verlangen de reis te aanvaarden.Naar beneden komend, trof ze Sir Andrew Foulkes, die reeds in de gelagkamer zat. Hij was een half uur vroeger uitgegaan naar den Admirality-Pier en had gehoord dat geen vaartuig Dover nog kon verlaten. De storm was toen op zijn hoogtepunt, en het getij verliep. Zoo de wind niet minderde of veranderde, zouden zij, alvorens men zee kon kiezen, nog een half etmaal moeten wachten tot het volgende getij. En de storm minderde niet, en het getij liep snel ten einde.Marguerite geraakte bijna tot wanhoop, toen ze dezen treurigen tegenspoed vernam. Alleen haar standvastig besluit verhoedde, dat zij den moed geheel en al liet zakken en aldus den angst van den jonkman mocht vergrooten. Sir Andrew trachtte die bekommering te ontveinzen, al bemerkte Marguerite zeer goed, dat hij even bezorgd was als zij, om tijdig zijn makker en vriend te bereiken. Deze gedwongen werkeloosheid was vreeselijk voor beiden.Hoe zij dien vervelenden dag te Dover doorbrachten, kon Marguerite later nimmer verklaren. Zij was bang zich in het openbaar te vertoonen, uit vrees, dat Chauvelin’s spionnen op den uitkijk zouden staan. Daarom maakte ze gebruik van een afzonderlijk zitvertrek, en zat zij daar met Sir Andrew, uur aan uur, na lange tusschenpoozen iets gebruikende, met niets anders te doen dan denken, gissen en nu en dan eenige hoop te koesteren.De storm was juist te laat gaan liggen. De eb was te ver ingetreden, om eenig vaartuig zee te laten kiezen.De wind was gekeerd en veranderd in een frissche noordwestelijke bries, juist de geschikte wind om spoedig mee naar Frankrijk over te steken.En daar waren deze beiden nu wachtende, uitziende of het uur ooit zou slaan om eindelijk te vertrekken. Een gelukkige tusschenpoos had zich tijdens dien langen vervelenden dag voorgedaan, en dat was toen Sir Andrew andermaal naar den pier was gegaan en daarop terugkwam, om Marguerite te zeggen, dat hij een handigen schoener had gehuurd, gereed om zee te kiezen, zoodra de vloed kwam opzetten.Van dat oogenblik was er minder hopeloosheid in het wachten. Eindelijk dan, tegen vijf uur in den namiddag, vonden Lady Blakeney en Sir Andrew Foulkes hun weg naar den pier.Eenmaal aan boord, deed de fijne, frissche zeelucht haar weldadig aan.De zonsondergang was prachtig na den storm, en toen Marguerite de krijtheuvels van Dover van lieverlede uit het gezicht zag verdwijnen, gevoelde zij zich kalmer en hoopte bijna weer op een goeden uitslag van haar ondernemen.Langzamerhand begon Frankrijks grauwe kust weer uit den avondhemel te dagen en kort daarop landde Marguerite aan den Franschen oever. Ze was weer terug in haar land, waar op dit oogenblik haar landgenooten hun medemenschen bij honderden ter slachtbank sleepten, onschuldige vrouwen en kinderen bij duizenden onder de moordbijl deden sneven.Uit de blikken der bevolking, zelfs in deze afgelegen stad aan het zeestrand, sprak het ziedend schuim der revolutie. De mannen droegen allen roode mutsen met de driekleurige kokarde links, en zagen er somber en argwanend uit.Zonder meer dan enkele woorden te wisselen, geleidde Sir Andrew haar recht door de stad, naar de tegenovergestelde zijde, waar zij geland waren, op den weg naar KaapGris-Nez. Tijdens den storm was er veel regen gevallen in den afgeloopen nacht, en Marguerite zonksomwijlen tot over de enkels in de modder, want de wegen verkeerden in een verschrikkelijken toestand en waren niet verlicht.Maar zij sloeg geen acht op deze onbeteekenende ongerieflijkheden.„Wij kunnen Blakeney ontmoeten in de „Chat Gris”, had Sir Andrew gezegd, en zij wandelde als op rozenbladeren, want zij zou hem nagenoeg terstond ontmoeten.Eindelijk bereikten zij hun doel. Sir Andrew kende blijkbaar den weg, want niemand had hij eenige inlichting gevraagd. De duisternis was reeds te zeer ingevallen voor Marguerite, om het uiterlijk van die herberg te onderscheiden. De „Chat Gris” was blijkbaar een kleine aan den weg gelegen kroeg, op geringen afstand van de kust, want het geruisch der zee scheen van verre tot hen door te dringen.Sir Andrew klopte met zijn rotting op de deur; een brommend geluid, gevolgd door eenige vloeken, ontsnapten niet aan Marguerite’s oor.—Sir Andrew klopte andermaal, ditmaal krachtiger; meer vloeken volgden en daarop hoorde men iemand met langzame schreden zich naar de deur begeven. Deze werd geopend, en Marguerite stond op den drempel van het vunzigste vertrek, dat ze ooit in haar leven had gezien.Het behangsel, zooals het was, hing aan flarden van den muur, er scheen geen enkel meubelstuk in het vertrek aanwezig, dat op „heel” kon aanspraak maken. De meeste stoelen hadden gebroken rugleuningen of geen zitting; een hoek der tafel werd gesteund door een stuk brandhout, omdat er een poot aan ontbrak.In een hoek van de gelagkamer hing een soepketel over het vuur. Aan één zijde van het vertrek, hoog bij de zoldering, bevond zich een soort vliering, waarvoor een gescheurd gordijn hing, van blauw en wit gestreepte kleur. Een versleten trap leidde naar dien zolder. Het vertrek zelf werd flauw verlicht door een viezen reuk afgevende olielamp.Op de groote kale muren zag men hier en daar met krijt en in groote letters de woorden geschreven: „Liberté—Égalité—Fraternité”—de befaamde, holklinkende leuze „Vrijheid—Gelijkheid—Broederschap”.„Engelsche reizigers, burger!” zei Sir Andrew in het Fransch tot het individu, dat de deur had geopend, een ouderen, stoer gebouwden boer, gehuld in een vuilen blauwen kiel, met voeten in zware klompen, waar rondom stroohalmen uitstaken, vieze bruine kousen en de onvermijdelijke roode muts met de driekleurige kokarde op het hoofd. In zijn mond stak een stomp houten pijp, waaruit een geur steeg van knastertabak, die de reukzenuwen op een zware proef stelde. Met groot wantrouwen gluurde hij naar de twee reizigers en mompelde binnensmonds; „Sacrrrés Anglais!” daarbij op den grond spuwend, om zijn onafhankelijkheid van geest te kennen te geven; niettemin ging hij op zijde om de „Sacrrrés Anglais” binnen te laten, zonder twijfel wel wetende, dat deze „Vervloekte Engelschen” altijd wel gevulde beurzen hadden.„Vreeselijk!” zeide Marguerite, het vertrek binnentredend en haar zakdoek voor den neus houdend, „wat een schrikwekkend hol is dit! Bèn je wel zeker, dat het de plaats is?”„Positief zeker,” antwoordde de jonkman, een stoel afstoffend voor Marguerite, „doch ik moet bekennen, dat ik nooit in mijn leven afzichtelijker krot heb gezien.”De waard van de „Chat Gris”—Brogard—had van zijn gasten geen verdere notitie genomen; hij onderstelde, dat ze aanstonds wel wat eten zouden bestellen, maar hij zou immers geen vrij burger geweest zijn, indien hij eenige wellevendheid, beleefdheid, of hoe men het noemen wilde, aan den dag had gelegd tegenover wien ook, althans niet jegens een welgekleed individu.Over den haard neergebogen, zat een in lompen gehulde gedaante, naar alle waarschijnlijkheid een vrouw. Ze zat daar, in zichzelf mopperend, en nu en dan de soep roerend, om deze tegen aanbranden te behoeden.„Hei daar, vriend!” zei Sir Andrew ten laatste, „we zouden wel wat willen eten... De burgeres ginds,” voegde hij er bij, terwijl hij op de vrouw in vodden wees, die bij den haard zat, „maakt, als ik me niet vergis, daareen heerlijk soepje klaar, en mijn meesteres heeft sedert uren geen voedsel genuttigd.”Brogard had eenige oogenblikken noodig om het vraagstuk te overwegen. Een vrij burger staat maar niet zoo terstond klaar, om zich naar het verlangen te voegen van hen, die iets van hem moeten hebben.„Sacrrrés aristo’s!” mopperde hij, toen hij naar een glazen kast scharrelde, daaruit een oude tinnen soepterrine te voorschijn haalde en die, zonder een woord te zeggen, zijn oudje aanreikte, die even zwijgend dat voorwerp met de soep begon te vullen.Marguerite had al deze toebereidselen met onverholen walging aangezien.„Onze gastheer en gastvrouw zijn geen vroolijke menschen,” zei Sir Andrew, den blik van afgrijzen op Marguerite’s gezicht ontwarend. „Ik wenschte u een smakelijker maal te kunnen verschaffen, maar ik denk wel, dat u de soep genietbaar en den wijn goed zult vinden.”„Maak u omtrent mij niet bezorgd,” zei ze minzaam. „Mijn hoofd staat er volstrekt niet naar, om me over eten te bekreunen.”Brogard legde een paar lepels neer en zette twee glazen op tafel. De gewaande lakei veegde een en ander zorgvuldig af. De kastelein had ook een flesch wijn en wat brood voor den dag gehaald, terwijl Marguerite een poging deed haar stoel bij de tafel te schuiven en aanstalten maakte om wat te eten. Sir Andrew vervulde daarbij de rol van lakei en stond achter haar stoel.De soep was werkelijk niet kwaad, ze voldeed aan geur en smaak. Marguerite zou ervan genoten hebben, indien de omgeving niet zoo afstootend was geweest, ze brak evenwel het brood en dronk van den wijn.Brogard, na het strikt noodige op tafel te hebben gezet, scheen zich niet verder om zijn gasten te bekommeren. Moeder Brogard was stilletjes het vertrek uitgesloft, de man drentelde over den vloer, zijn walgelijk riekend pijpje smokend, somtijds Marguerite den walm in het gezicht blazend, zooals hij, als vrij burger en ieders gelijke, meende te mogen doen.„De duivel hale dien kerel!” zei Sir Andrew, terwijl Brogard al rookend tegen de tafel leunde.Hij had Marguerite’s raad gevolgd en was naast haar gaan zitten, beiden namen ze den schijn aan, alsof zij aten en dronken.„Zie dat je den vent in zijn humeur houdt,” zei Lady Blakeney, „opdat hij de vragen beantwoorde, die we hem moeten doen.”„Ik zal mijn beste beentje voorzetten, maar liever gaf ik hem een trap. Zeg eens, vriend,” zei Sir Andrew in goed Fransch en Brogard fideel op den schouder kloppend, „zie je nog al eens luidjes van ons gehalte in deze streken? Ik bedoel veel Engelsche toeristen.”Brogard keek over zijn schouder naar den spreker, deed een paar trekken aan zijn pijp, en mompelde:„Peuh!—somtijds!”„Ja, Engelsche reizigers weten altijd, waar ze goeden wijn kunnen krijgen.—Vertel me eens... mijn mevrouw zou graag weten, of je bij geval een goeje kennis van haar hebt ontmoet, een Engelsche heer, die nog al eens voor zaken naar Calais komt, hij is een rijzige man, hij ging onlangs naar Parijs—mijn mevrouw dacht hem te Calais aan te treffen.”Brogard nam zijn tijd voor een antwoord, daarop kwam het langzaam bij hem eruit:„Een lange Engelschman? Vandaag?—Ja.”„Heb j’em gesproken?” vroeg Sir Andrew achteloos.„Ja, vandaag,” mompelde Brogard knorrig. Daarop nam hij kalm Sir Andrew’s hoofddeksel van een nabij staanden stoel, zette dit op, trok aan zijn smerige kiel, alsof hij met het een en ander wilde aanduiden, dat het individu in kwestie mooie kleeren droeg. „Sacrré aristo!” mopperde hij, „die lange Engelschman!”Marguerite kon nauwelijks een luiden schreeuw inhouden.„Dat is Sir Percy, het kan niet duidelijker,” prevelde ze voor zich.„Ja wel, vriend,” zei Sir Andrew, Brogard met dezelfde gemaakte luchtigheid toesprekend, „mijn meester draagt altijd mooie kleeren; de lange Engelschman, dien je gezienhebt, was bepaald de vriend van mijn mevrouw. En hij is vertrokken, zeg je?”„Hij ging heen... ja... maar hij komt terug... hier—hij heeft avondeten besteld...”„Hier!” bracht Marguerite eensklaps in het midden. „Hier—zei je niet, dat de Engelsche heer hier terugkwam?”„Peuh!” mompelde Brogard, „hij heeft eten besteld—hij komt terug...Sacrré Anglais!”„Maar... waar is hij?—Weet je dat soms ook?” vroeg Marguerite.„Hij ging een paard en wagen halen.”„Hoe laat zoo wat?”Maar Brogard had blijkelijk genoeg van het verhoor. Hij achtte het niet passend voor een burger—die ieders gelijke was—om op die manier ondervraagd te worden door diesacrrés aristos, al waren ze ook rijke Engelschen.„Dat weet ik niet,” antwoordde hij norsch. „Ik heb genoeg gezegd... Hij bestelde avondeten. Hij ging uit.—Hij zal terugkomen.Voilà!”En met de afscheidsbeweging van zijn vrij burgerschap en rechten, die hem veroorloofden zoo brutaal te zijn, als hij verkoos, klotste burger Brogard het vertrek uit en sloeg de deur achter zich dicht.
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Te Calais.
De vervelendste nachten, de langste dagen komen vroeger of later ten einde.Na een slapeloozen nacht stond Marguerite vroegtijdig op, voordat iemand in huis zich nog verroerde, in vreeselijk opgewonden toestand, met brandend verlangen de reis te aanvaarden.Naar beneden komend, trof ze Sir Andrew Foulkes, die reeds in de gelagkamer zat. Hij was een half uur vroeger uitgegaan naar den Admirality-Pier en had gehoord dat geen vaartuig Dover nog kon verlaten. De storm was toen op zijn hoogtepunt, en het getij verliep. Zoo de wind niet minderde of veranderde, zouden zij, alvorens men zee kon kiezen, nog een half etmaal moeten wachten tot het volgende getij. En de storm minderde niet, en het getij liep snel ten einde.Marguerite geraakte bijna tot wanhoop, toen ze dezen treurigen tegenspoed vernam. Alleen haar standvastig besluit verhoedde, dat zij den moed geheel en al liet zakken en aldus den angst van den jonkman mocht vergrooten. Sir Andrew trachtte die bekommering te ontveinzen, al bemerkte Marguerite zeer goed, dat hij even bezorgd was als zij, om tijdig zijn makker en vriend te bereiken. Deze gedwongen werkeloosheid was vreeselijk voor beiden.Hoe zij dien vervelenden dag te Dover doorbrachten, kon Marguerite later nimmer verklaren. Zij was bang zich in het openbaar te vertoonen, uit vrees, dat Chauvelin’s spionnen op den uitkijk zouden staan. Daarom maakte ze gebruik van een afzonderlijk zitvertrek, en zat zij daar met Sir Andrew, uur aan uur, na lange tusschenpoozen iets gebruikende, met niets anders te doen dan denken, gissen en nu en dan eenige hoop te koesteren.De storm was juist te laat gaan liggen. De eb was te ver ingetreden, om eenig vaartuig zee te laten kiezen.De wind was gekeerd en veranderd in een frissche noordwestelijke bries, juist de geschikte wind om spoedig mee naar Frankrijk over te steken.En daar waren deze beiden nu wachtende, uitziende of het uur ooit zou slaan om eindelijk te vertrekken. Een gelukkige tusschenpoos had zich tijdens dien langen vervelenden dag voorgedaan, en dat was toen Sir Andrew andermaal naar den pier was gegaan en daarop terugkwam, om Marguerite te zeggen, dat hij een handigen schoener had gehuurd, gereed om zee te kiezen, zoodra de vloed kwam opzetten.Van dat oogenblik was er minder hopeloosheid in het wachten. Eindelijk dan, tegen vijf uur in den namiddag, vonden Lady Blakeney en Sir Andrew Foulkes hun weg naar den pier.Eenmaal aan boord, deed de fijne, frissche zeelucht haar weldadig aan.De zonsondergang was prachtig na den storm, en toen Marguerite de krijtheuvels van Dover van lieverlede uit het gezicht zag verdwijnen, gevoelde zij zich kalmer en hoopte bijna weer op een goeden uitslag van haar ondernemen.Langzamerhand begon Frankrijks grauwe kust weer uit den avondhemel te dagen en kort daarop landde Marguerite aan den Franschen oever. Ze was weer terug in haar land, waar op dit oogenblik haar landgenooten hun medemenschen bij honderden ter slachtbank sleepten, onschuldige vrouwen en kinderen bij duizenden onder de moordbijl deden sneven.Uit de blikken der bevolking, zelfs in deze afgelegen stad aan het zeestrand, sprak het ziedend schuim der revolutie. De mannen droegen allen roode mutsen met de driekleurige kokarde links, en zagen er somber en argwanend uit.Zonder meer dan enkele woorden te wisselen, geleidde Sir Andrew haar recht door de stad, naar de tegenovergestelde zijde, waar zij geland waren, op den weg naar KaapGris-Nez. Tijdens den storm was er veel regen gevallen in den afgeloopen nacht, en Marguerite zonksomwijlen tot over de enkels in de modder, want de wegen verkeerden in een verschrikkelijken toestand en waren niet verlicht.Maar zij sloeg geen acht op deze onbeteekenende ongerieflijkheden.„Wij kunnen Blakeney ontmoeten in de „Chat Gris”, had Sir Andrew gezegd, en zij wandelde als op rozenbladeren, want zij zou hem nagenoeg terstond ontmoeten.Eindelijk bereikten zij hun doel. Sir Andrew kende blijkbaar den weg, want niemand had hij eenige inlichting gevraagd. De duisternis was reeds te zeer ingevallen voor Marguerite, om het uiterlijk van die herberg te onderscheiden. De „Chat Gris” was blijkbaar een kleine aan den weg gelegen kroeg, op geringen afstand van de kust, want het geruisch der zee scheen van verre tot hen door te dringen.Sir Andrew klopte met zijn rotting op de deur; een brommend geluid, gevolgd door eenige vloeken, ontsnapten niet aan Marguerite’s oor.—Sir Andrew klopte andermaal, ditmaal krachtiger; meer vloeken volgden en daarop hoorde men iemand met langzame schreden zich naar de deur begeven. Deze werd geopend, en Marguerite stond op den drempel van het vunzigste vertrek, dat ze ooit in haar leven had gezien.Het behangsel, zooals het was, hing aan flarden van den muur, er scheen geen enkel meubelstuk in het vertrek aanwezig, dat op „heel” kon aanspraak maken. De meeste stoelen hadden gebroken rugleuningen of geen zitting; een hoek der tafel werd gesteund door een stuk brandhout, omdat er een poot aan ontbrak.In een hoek van de gelagkamer hing een soepketel over het vuur. Aan één zijde van het vertrek, hoog bij de zoldering, bevond zich een soort vliering, waarvoor een gescheurd gordijn hing, van blauw en wit gestreepte kleur. Een versleten trap leidde naar dien zolder. Het vertrek zelf werd flauw verlicht door een viezen reuk afgevende olielamp.Op de groote kale muren zag men hier en daar met krijt en in groote letters de woorden geschreven: „Liberté—Égalité—Fraternité”—de befaamde, holklinkende leuze „Vrijheid—Gelijkheid—Broederschap”.„Engelsche reizigers, burger!” zei Sir Andrew in het Fransch tot het individu, dat de deur had geopend, een ouderen, stoer gebouwden boer, gehuld in een vuilen blauwen kiel, met voeten in zware klompen, waar rondom stroohalmen uitstaken, vieze bruine kousen en de onvermijdelijke roode muts met de driekleurige kokarde op het hoofd. In zijn mond stak een stomp houten pijp, waaruit een geur steeg van knastertabak, die de reukzenuwen op een zware proef stelde. Met groot wantrouwen gluurde hij naar de twee reizigers en mompelde binnensmonds; „Sacrrrés Anglais!” daarbij op den grond spuwend, om zijn onafhankelijkheid van geest te kennen te geven; niettemin ging hij op zijde om de „Sacrrrés Anglais” binnen te laten, zonder twijfel wel wetende, dat deze „Vervloekte Engelschen” altijd wel gevulde beurzen hadden.„Vreeselijk!” zeide Marguerite, het vertrek binnentredend en haar zakdoek voor den neus houdend, „wat een schrikwekkend hol is dit! Bèn je wel zeker, dat het de plaats is?”„Positief zeker,” antwoordde de jonkman, een stoel afstoffend voor Marguerite, „doch ik moet bekennen, dat ik nooit in mijn leven afzichtelijker krot heb gezien.”De waard van de „Chat Gris”—Brogard—had van zijn gasten geen verdere notitie genomen; hij onderstelde, dat ze aanstonds wel wat eten zouden bestellen, maar hij zou immers geen vrij burger geweest zijn, indien hij eenige wellevendheid, beleefdheid, of hoe men het noemen wilde, aan den dag had gelegd tegenover wien ook, althans niet jegens een welgekleed individu.Over den haard neergebogen, zat een in lompen gehulde gedaante, naar alle waarschijnlijkheid een vrouw. Ze zat daar, in zichzelf mopperend, en nu en dan de soep roerend, om deze tegen aanbranden te behoeden.„Hei daar, vriend!” zei Sir Andrew ten laatste, „we zouden wel wat willen eten... De burgeres ginds,” voegde hij er bij, terwijl hij op de vrouw in vodden wees, die bij den haard zat, „maakt, als ik me niet vergis, daareen heerlijk soepje klaar, en mijn meesteres heeft sedert uren geen voedsel genuttigd.”Brogard had eenige oogenblikken noodig om het vraagstuk te overwegen. Een vrij burger staat maar niet zoo terstond klaar, om zich naar het verlangen te voegen van hen, die iets van hem moeten hebben.„Sacrrrés aristo’s!” mopperde hij, toen hij naar een glazen kast scharrelde, daaruit een oude tinnen soepterrine te voorschijn haalde en die, zonder een woord te zeggen, zijn oudje aanreikte, die even zwijgend dat voorwerp met de soep begon te vullen.Marguerite had al deze toebereidselen met onverholen walging aangezien.„Onze gastheer en gastvrouw zijn geen vroolijke menschen,” zei Sir Andrew, den blik van afgrijzen op Marguerite’s gezicht ontwarend. „Ik wenschte u een smakelijker maal te kunnen verschaffen, maar ik denk wel, dat u de soep genietbaar en den wijn goed zult vinden.”„Maak u omtrent mij niet bezorgd,” zei ze minzaam. „Mijn hoofd staat er volstrekt niet naar, om me over eten te bekreunen.”Brogard legde een paar lepels neer en zette twee glazen op tafel. De gewaande lakei veegde een en ander zorgvuldig af. De kastelein had ook een flesch wijn en wat brood voor den dag gehaald, terwijl Marguerite een poging deed haar stoel bij de tafel te schuiven en aanstalten maakte om wat te eten. Sir Andrew vervulde daarbij de rol van lakei en stond achter haar stoel.De soep was werkelijk niet kwaad, ze voldeed aan geur en smaak. Marguerite zou ervan genoten hebben, indien de omgeving niet zoo afstootend was geweest, ze brak evenwel het brood en dronk van den wijn.Brogard, na het strikt noodige op tafel te hebben gezet, scheen zich niet verder om zijn gasten te bekommeren. Moeder Brogard was stilletjes het vertrek uitgesloft, de man drentelde over den vloer, zijn walgelijk riekend pijpje smokend, somtijds Marguerite den walm in het gezicht blazend, zooals hij, als vrij burger en ieders gelijke, meende te mogen doen.„De duivel hale dien kerel!” zei Sir Andrew, terwijl Brogard al rookend tegen de tafel leunde.Hij had Marguerite’s raad gevolgd en was naast haar gaan zitten, beiden namen ze den schijn aan, alsof zij aten en dronken.„Zie dat je den vent in zijn humeur houdt,” zei Lady Blakeney, „opdat hij de vragen beantwoorde, die we hem moeten doen.”„Ik zal mijn beste beentje voorzetten, maar liever gaf ik hem een trap. Zeg eens, vriend,” zei Sir Andrew in goed Fransch en Brogard fideel op den schouder kloppend, „zie je nog al eens luidjes van ons gehalte in deze streken? Ik bedoel veel Engelsche toeristen.”Brogard keek over zijn schouder naar den spreker, deed een paar trekken aan zijn pijp, en mompelde:„Peuh!—somtijds!”„Ja, Engelsche reizigers weten altijd, waar ze goeden wijn kunnen krijgen.—Vertel me eens... mijn mevrouw zou graag weten, of je bij geval een goeje kennis van haar hebt ontmoet, een Engelsche heer, die nog al eens voor zaken naar Calais komt, hij is een rijzige man, hij ging onlangs naar Parijs—mijn mevrouw dacht hem te Calais aan te treffen.”Brogard nam zijn tijd voor een antwoord, daarop kwam het langzaam bij hem eruit:„Een lange Engelschman? Vandaag?—Ja.”„Heb j’em gesproken?” vroeg Sir Andrew achteloos.„Ja, vandaag,” mompelde Brogard knorrig. Daarop nam hij kalm Sir Andrew’s hoofddeksel van een nabij staanden stoel, zette dit op, trok aan zijn smerige kiel, alsof hij met het een en ander wilde aanduiden, dat het individu in kwestie mooie kleeren droeg. „Sacrré aristo!” mopperde hij, „die lange Engelschman!”Marguerite kon nauwelijks een luiden schreeuw inhouden.„Dat is Sir Percy, het kan niet duidelijker,” prevelde ze voor zich.„Ja wel, vriend,” zei Sir Andrew, Brogard met dezelfde gemaakte luchtigheid toesprekend, „mijn meester draagt altijd mooie kleeren; de lange Engelschman, dien je gezienhebt, was bepaald de vriend van mijn mevrouw. En hij is vertrokken, zeg je?”„Hij ging heen... ja... maar hij komt terug... hier—hij heeft avondeten besteld...”„Hier!” bracht Marguerite eensklaps in het midden. „Hier—zei je niet, dat de Engelsche heer hier terugkwam?”„Peuh!” mompelde Brogard, „hij heeft eten besteld—hij komt terug...Sacrré Anglais!”„Maar... waar is hij?—Weet je dat soms ook?” vroeg Marguerite.„Hij ging een paard en wagen halen.”„Hoe laat zoo wat?”Maar Brogard had blijkelijk genoeg van het verhoor. Hij achtte het niet passend voor een burger—die ieders gelijke was—om op die manier ondervraagd te worden door diesacrrés aristos, al waren ze ook rijke Engelschen.„Dat weet ik niet,” antwoordde hij norsch. „Ik heb genoeg gezegd... Hij bestelde avondeten. Hij ging uit.—Hij zal terugkomen.Voilà!”En met de afscheidsbeweging van zijn vrij burgerschap en rechten, die hem veroorloofden zoo brutaal te zijn, als hij verkoos, klotste burger Brogard het vertrek uit en sloeg de deur achter zich dicht.
De vervelendste nachten, de langste dagen komen vroeger of later ten einde.
Na een slapeloozen nacht stond Marguerite vroegtijdig op, voordat iemand in huis zich nog verroerde, in vreeselijk opgewonden toestand, met brandend verlangen de reis te aanvaarden.
Naar beneden komend, trof ze Sir Andrew Foulkes, die reeds in de gelagkamer zat. Hij was een half uur vroeger uitgegaan naar den Admirality-Pier en had gehoord dat geen vaartuig Dover nog kon verlaten. De storm was toen op zijn hoogtepunt, en het getij verliep. Zoo de wind niet minderde of veranderde, zouden zij, alvorens men zee kon kiezen, nog een half etmaal moeten wachten tot het volgende getij. En de storm minderde niet, en het getij liep snel ten einde.
Marguerite geraakte bijna tot wanhoop, toen ze dezen treurigen tegenspoed vernam. Alleen haar standvastig besluit verhoedde, dat zij den moed geheel en al liet zakken en aldus den angst van den jonkman mocht vergrooten. Sir Andrew trachtte die bekommering te ontveinzen, al bemerkte Marguerite zeer goed, dat hij even bezorgd was als zij, om tijdig zijn makker en vriend te bereiken. Deze gedwongen werkeloosheid was vreeselijk voor beiden.
Hoe zij dien vervelenden dag te Dover doorbrachten, kon Marguerite later nimmer verklaren. Zij was bang zich in het openbaar te vertoonen, uit vrees, dat Chauvelin’s spionnen op den uitkijk zouden staan. Daarom maakte ze gebruik van een afzonderlijk zitvertrek, en zat zij daar met Sir Andrew, uur aan uur, na lange tusschenpoozen iets gebruikende, met niets anders te doen dan denken, gissen en nu en dan eenige hoop te koesteren.
De storm was juist te laat gaan liggen. De eb was te ver ingetreden, om eenig vaartuig zee te laten kiezen.
De wind was gekeerd en veranderd in een frissche noordwestelijke bries, juist de geschikte wind om spoedig mee naar Frankrijk over te steken.
En daar waren deze beiden nu wachtende, uitziende of het uur ooit zou slaan om eindelijk te vertrekken. Een gelukkige tusschenpoos had zich tijdens dien langen vervelenden dag voorgedaan, en dat was toen Sir Andrew andermaal naar den pier was gegaan en daarop terugkwam, om Marguerite te zeggen, dat hij een handigen schoener had gehuurd, gereed om zee te kiezen, zoodra de vloed kwam opzetten.
Van dat oogenblik was er minder hopeloosheid in het wachten. Eindelijk dan, tegen vijf uur in den namiddag, vonden Lady Blakeney en Sir Andrew Foulkes hun weg naar den pier.
Eenmaal aan boord, deed de fijne, frissche zeelucht haar weldadig aan.
De zonsondergang was prachtig na den storm, en toen Marguerite de krijtheuvels van Dover van lieverlede uit het gezicht zag verdwijnen, gevoelde zij zich kalmer en hoopte bijna weer op een goeden uitslag van haar ondernemen.
Langzamerhand begon Frankrijks grauwe kust weer uit den avondhemel te dagen en kort daarop landde Marguerite aan den Franschen oever. Ze was weer terug in haar land, waar op dit oogenblik haar landgenooten hun medemenschen bij honderden ter slachtbank sleepten, onschuldige vrouwen en kinderen bij duizenden onder de moordbijl deden sneven.
Uit de blikken der bevolking, zelfs in deze afgelegen stad aan het zeestrand, sprak het ziedend schuim der revolutie. De mannen droegen allen roode mutsen met de driekleurige kokarde links, en zagen er somber en argwanend uit.
Zonder meer dan enkele woorden te wisselen, geleidde Sir Andrew haar recht door de stad, naar de tegenovergestelde zijde, waar zij geland waren, op den weg naar KaapGris-Nez. Tijdens den storm was er veel regen gevallen in den afgeloopen nacht, en Marguerite zonksomwijlen tot over de enkels in de modder, want de wegen verkeerden in een verschrikkelijken toestand en waren niet verlicht.
Maar zij sloeg geen acht op deze onbeteekenende ongerieflijkheden.
„Wij kunnen Blakeney ontmoeten in de „Chat Gris”, had Sir Andrew gezegd, en zij wandelde als op rozenbladeren, want zij zou hem nagenoeg terstond ontmoeten.
Eindelijk bereikten zij hun doel. Sir Andrew kende blijkbaar den weg, want niemand had hij eenige inlichting gevraagd. De duisternis was reeds te zeer ingevallen voor Marguerite, om het uiterlijk van die herberg te onderscheiden. De „Chat Gris” was blijkbaar een kleine aan den weg gelegen kroeg, op geringen afstand van de kust, want het geruisch der zee scheen van verre tot hen door te dringen.
Sir Andrew klopte met zijn rotting op de deur; een brommend geluid, gevolgd door eenige vloeken, ontsnapten niet aan Marguerite’s oor.—Sir Andrew klopte andermaal, ditmaal krachtiger; meer vloeken volgden en daarop hoorde men iemand met langzame schreden zich naar de deur begeven. Deze werd geopend, en Marguerite stond op den drempel van het vunzigste vertrek, dat ze ooit in haar leven had gezien.
Het behangsel, zooals het was, hing aan flarden van den muur, er scheen geen enkel meubelstuk in het vertrek aanwezig, dat op „heel” kon aanspraak maken. De meeste stoelen hadden gebroken rugleuningen of geen zitting; een hoek der tafel werd gesteund door een stuk brandhout, omdat er een poot aan ontbrak.
In een hoek van de gelagkamer hing een soepketel over het vuur. Aan één zijde van het vertrek, hoog bij de zoldering, bevond zich een soort vliering, waarvoor een gescheurd gordijn hing, van blauw en wit gestreepte kleur. Een versleten trap leidde naar dien zolder. Het vertrek zelf werd flauw verlicht door een viezen reuk afgevende olielamp.
Op de groote kale muren zag men hier en daar met krijt en in groote letters de woorden geschreven: „Liberté—Égalité—Fraternité”—de befaamde, holklinkende leuze „Vrijheid—Gelijkheid—Broederschap”.
„Engelsche reizigers, burger!” zei Sir Andrew in het Fransch tot het individu, dat de deur had geopend, een ouderen, stoer gebouwden boer, gehuld in een vuilen blauwen kiel, met voeten in zware klompen, waar rondom stroohalmen uitstaken, vieze bruine kousen en de onvermijdelijke roode muts met de driekleurige kokarde op het hoofd. In zijn mond stak een stomp houten pijp, waaruit een geur steeg van knastertabak, die de reukzenuwen op een zware proef stelde. Met groot wantrouwen gluurde hij naar de twee reizigers en mompelde binnensmonds; „Sacrrrés Anglais!” daarbij op den grond spuwend, om zijn onafhankelijkheid van geest te kennen te geven; niettemin ging hij op zijde om de „Sacrrrés Anglais” binnen te laten, zonder twijfel wel wetende, dat deze „Vervloekte Engelschen” altijd wel gevulde beurzen hadden.
„Vreeselijk!” zeide Marguerite, het vertrek binnentredend en haar zakdoek voor den neus houdend, „wat een schrikwekkend hol is dit! Bèn je wel zeker, dat het de plaats is?”
„Positief zeker,” antwoordde de jonkman, een stoel afstoffend voor Marguerite, „doch ik moet bekennen, dat ik nooit in mijn leven afzichtelijker krot heb gezien.”
De waard van de „Chat Gris”—Brogard—had van zijn gasten geen verdere notitie genomen; hij onderstelde, dat ze aanstonds wel wat eten zouden bestellen, maar hij zou immers geen vrij burger geweest zijn, indien hij eenige wellevendheid, beleefdheid, of hoe men het noemen wilde, aan den dag had gelegd tegenover wien ook, althans niet jegens een welgekleed individu.
Over den haard neergebogen, zat een in lompen gehulde gedaante, naar alle waarschijnlijkheid een vrouw. Ze zat daar, in zichzelf mopperend, en nu en dan de soep roerend, om deze tegen aanbranden te behoeden.
„Hei daar, vriend!” zei Sir Andrew ten laatste, „we zouden wel wat willen eten... De burgeres ginds,” voegde hij er bij, terwijl hij op de vrouw in vodden wees, die bij den haard zat, „maakt, als ik me niet vergis, daareen heerlijk soepje klaar, en mijn meesteres heeft sedert uren geen voedsel genuttigd.”
Brogard had eenige oogenblikken noodig om het vraagstuk te overwegen. Een vrij burger staat maar niet zoo terstond klaar, om zich naar het verlangen te voegen van hen, die iets van hem moeten hebben.
„Sacrrrés aristo’s!” mopperde hij, toen hij naar een glazen kast scharrelde, daaruit een oude tinnen soepterrine te voorschijn haalde en die, zonder een woord te zeggen, zijn oudje aanreikte, die even zwijgend dat voorwerp met de soep begon te vullen.
Marguerite had al deze toebereidselen met onverholen walging aangezien.
„Onze gastheer en gastvrouw zijn geen vroolijke menschen,” zei Sir Andrew, den blik van afgrijzen op Marguerite’s gezicht ontwarend. „Ik wenschte u een smakelijker maal te kunnen verschaffen, maar ik denk wel, dat u de soep genietbaar en den wijn goed zult vinden.”
„Maak u omtrent mij niet bezorgd,” zei ze minzaam. „Mijn hoofd staat er volstrekt niet naar, om me over eten te bekreunen.”
Brogard legde een paar lepels neer en zette twee glazen op tafel. De gewaande lakei veegde een en ander zorgvuldig af. De kastelein had ook een flesch wijn en wat brood voor den dag gehaald, terwijl Marguerite een poging deed haar stoel bij de tafel te schuiven en aanstalten maakte om wat te eten. Sir Andrew vervulde daarbij de rol van lakei en stond achter haar stoel.
De soep was werkelijk niet kwaad, ze voldeed aan geur en smaak. Marguerite zou ervan genoten hebben, indien de omgeving niet zoo afstootend was geweest, ze brak evenwel het brood en dronk van den wijn.
Brogard, na het strikt noodige op tafel te hebben gezet, scheen zich niet verder om zijn gasten te bekommeren. Moeder Brogard was stilletjes het vertrek uitgesloft, de man drentelde over den vloer, zijn walgelijk riekend pijpje smokend, somtijds Marguerite den walm in het gezicht blazend, zooals hij, als vrij burger en ieders gelijke, meende te mogen doen.
„De duivel hale dien kerel!” zei Sir Andrew, terwijl Brogard al rookend tegen de tafel leunde.
Hij had Marguerite’s raad gevolgd en was naast haar gaan zitten, beiden namen ze den schijn aan, alsof zij aten en dronken.
„Zie dat je den vent in zijn humeur houdt,” zei Lady Blakeney, „opdat hij de vragen beantwoorde, die we hem moeten doen.”
„Ik zal mijn beste beentje voorzetten, maar liever gaf ik hem een trap. Zeg eens, vriend,” zei Sir Andrew in goed Fransch en Brogard fideel op den schouder kloppend, „zie je nog al eens luidjes van ons gehalte in deze streken? Ik bedoel veel Engelsche toeristen.”
Brogard keek over zijn schouder naar den spreker, deed een paar trekken aan zijn pijp, en mompelde:
„Peuh!—somtijds!”
„Ja, Engelsche reizigers weten altijd, waar ze goeden wijn kunnen krijgen.—Vertel me eens... mijn mevrouw zou graag weten, of je bij geval een goeje kennis van haar hebt ontmoet, een Engelsche heer, die nog al eens voor zaken naar Calais komt, hij is een rijzige man, hij ging onlangs naar Parijs—mijn mevrouw dacht hem te Calais aan te treffen.”
Brogard nam zijn tijd voor een antwoord, daarop kwam het langzaam bij hem eruit:
„Een lange Engelschman? Vandaag?—Ja.”
„Heb j’em gesproken?” vroeg Sir Andrew achteloos.
„Ja, vandaag,” mompelde Brogard knorrig. Daarop nam hij kalm Sir Andrew’s hoofddeksel van een nabij staanden stoel, zette dit op, trok aan zijn smerige kiel, alsof hij met het een en ander wilde aanduiden, dat het individu in kwestie mooie kleeren droeg. „Sacrré aristo!” mopperde hij, „die lange Engelschman!”
Marguerite kon nauwelijks een luiden schreeuw inhouden.
„Dat is Sir Percy, het kan niet duidelijker,” prevelde ze voor zich.
„Ja wel, vriend,” zei Sir Andrew, Brogard met dezelfde gemaakte luchtigheid toesprekend, „mijn meester draagt altijd mooie kleeren; de lange Engelschman, dien je gezienhebt, was bepaald de vriend van mijn mevrouw. En hij is vertrokken, zeg je?”
„Hij ging heen... ja... maar hij komt terug... hier—hij heeft avondeten besteld...”
„Hier!” bracht Marguerite eensklaps in het midden. „Hier—zei je niet, dat de Engelsche heer hier terugkwam?”
„Peuh!” mompelde Brogard, „hij heeft eten besteld—hij komt terug...Sacrré Anglais!”
„Maar... waar is hij?—Weet je dat soms ook?” vroeg Marguerite.
„Hij ging een paard en wagen halen.”
„Hoe laat zoo wat?”
Maar Brogard had blijkelijk genoeg van het verhoor. Hij achtte het niet passend voor een burger—die ieders gelijke was—om op die manier ondervraagd te worden door diesacrrés aristos, al waren ze ook rijke Engelschen.
„Dat weet ik niet,” antwoordde hij norsch. „Ik heb genoeg gezegd... Hij bestelde avondeten. Hij ging uit.—Hij zal terugkomen.Voilà!”
En met de afscheidsbeweging van zijn vrij burgerschap en rechten, die hem veroorloofden zoo brutaal te zijn, als hij verkoos, klotste burger Brogard het vertrek uit en sloeg de deur achter zich dicht.