TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Hoop.„O, Sir Andrew!” riep Marguerite uit, toen Brogard zich had verwijderd, „ik zou kunnen dansen van pleizier! Neen, nu hebben we niets meer te vreezen. Onze sloep ligt aan het strand, onze schoener aan de ree, en Blakeney zal hier komen, onder ditzelfde dak; binnen een half uur misschien. Neen! er is niets, dat ons in den weg staat, Chauvelin en zijn bende zijn nog niet aangekomen.”„Neen, Milady, ik vrees, dat we dit niet weten.”„Wat wilt ge daarmee zeggen?”„Chauvelin was te Dover, gelijk met ons.”„Toch ook als wij opgehouden door den storm?”„Precies. Maar ik heb het u te voren niet willen zeggen, uit vrees van u ongerust te maken—ik zag Chauvelin aan het strand, een vijf minuten voordat wij ons inscheepten. Al was hij vermomd als eencuré, een volmaakt dorpspastoor, ik had hem toch in de gaten. Ik hoorde hem onderhandelen over een schoener, die hem spoedig naar Calais moest brengen; hij zal zoowat binnen een uur na ons van wal zijn gestoken.”De vreugde van Marguerite’s gelaat had spoedig plaats gemaakt voor naamloozen schrik. Het ontzettend gevaar, waaraan Percy was blootgesteld, nu hij zich op Fransch grondgebied bevond, stond haar in al zijn schrikwekkendheid voor den geest. Chauvelin zat hem op de hielen; hier in Calais werd hij almachtig, één woord slechts van hem en Percy was gearresteerd en...Het was maar om één uur te doen—het ééne uur, dat Marguerite en Sir Andrew voor hadden op hun tegenstanders—het uur, binnen welk Percy moest gewaarschuwd worden tegen het gevaar, dat hem dreigde en men trachten moest hem te overreden, af te zien van de roekelooze onderneming, die alleen kon uitloopen op zijn eigen verderf.Maar dit eene uur was thans verstreken.„Chauvelin kent deze herberg uit de papieren, door hem gestolen,” zei Sir Andrew ernstig, „en zal bij zijn aankomst terstond er op afgaan.”„Hij is nog niet aan wal,” zei Marguerite, „we zijn hem een uur vooruit en Percy zal aanstonds hier zijn. We kunnen weer midden in het Kanaal zeilen, vóór Chauvelin zal bemerkt hebben, dat we tusschen zijn vingers zijn doorgegleden.”Haar jeugdige vriend schudde bedenkelijk het hoofd.„Weer stilte, Sir Andrew?”zei ze met eenig ongeduld. „Hoe komt ge het hoofd weer te schudden en zoo neerslachtig te kijken.” „Heusch, Milady,”antwoorddehij, „’t is alleen, omdat u bij het maken van uw rooskleurige plannen vergeet met den voornaamsten factor rekening te houden.”„Wat, in ’s hemelsnaam wilt ge hier nu mee zeggen?—Ik vergeet niets... Welken factor bedoelt ge?” vulde ze met nog meer ongeduld aan.„Zoudt u denken, dat Blakeney van Calais zal vertrekken zonder volbracht te hebben, wat hij voornemens was hier te verrichten?”„Ge wilt zeggen...?”„De oude Graaf de Tournay...”„De Graaf...?” prevelde ze.„Armand St. Just... en anderen.”„Mijn broer!” riep ze met een hartverscheurenden angstigen kreet.„De hemel zij me genadig, ik had vergeten...”„Al deze menschen wachten op dit oogenblik met volkomen vertrouwen op de komst van den Rooden Pimpernel, die zijn woord van eer heeft gegeven, hen behouden over het Kanaal te brengen.”Inderdaad was ze het vergeten. In de laatste vierentwintig uur had maar één gedachte haar bezig gehouden—zijnredding.„Sir Percy Blakeney zou niet de vertrouwde, geëerde leider zijn van een twintigtal Engelsche heeren,” zei Sir Andrew, „zoo hij hèn in den steek liet, die op hem vertrouwen als op een rots. De gedachten alleen, dat hij zijn woord kan verbreken, is zoo schandelijk mogelijk!”Er heerschte een oogenblik van pijnlijke stilte. Marguerite zat met beide handen voor het gelaat en liet haar tranen langzaam langs haar bevende vingers glijden. Sir Andrew sprak geen woord, hij wist, dat Blakeney ieder gevaar zou trotseeren, eerder het onmogelijke zou beproeven dan zijn woord breken.„Sir Andrew,” sprak Marguerite eindelijk, alles in het werk stellend om haar tranen in te houden, „gij hebt gelijk, en ik zou mezelf moeten schamen over mijn onbewuste poging hem van zijn plicht af te brengen. Zooals ge zegt, het zou ook vergeefsche moeite zijn. God schenke hem kracht en overleg! Intusschen meen ik, dat we geen tijd moeten verliezen. Ik geloof altijd nog, dat zijn redding en behoud afhankelijk zijn van zijn wetenschap, dat Chauvelin hem op het spoor is.”„Zonder twijfel. Zoodra hij inziet, welk gevaar hij loopt, zal hij meer voorzichtigheid in acht nemen.”„Als dit zoo is, wat dunkt u dan van een verkenning in het dorp, onderwijl ik Percy’s komst hier afwacht?—Ge kunt misschien zijn pad kruisen en zoodoende kostbaren tijd winnen. Onzen grimmigen herbergier zoudt ge kunnen vragen, mij in een ander vertrek te laten wachten. Laat hem wat contanten zien, opdat hij niet verzuime, mij terstond kennis te geven, zoodra de lange Engelschman terug is gekomen.”Ze sprak zeer kalm, zelfs nu op vroolijken toon, haar plan overdenkend, tot het ergste zoo noodig bereid.Sir Andrew gehoorzaamde zonder verdere bedenking. Instinctmatig nam het denkbeeld vaster vormen bij hem aan, datzijde meeste veerkracht bezat. Hij gaf zich gaarne aan haar leiding over en vergenoegde zich, waar zij het hoofd was, onder haar aanwijzingen een werktuig te zijn. Hij liep naar de deur van het binnenvertrek en riep: „Hei daar! vriend Brogard! Mijn mevrouw wenscht hier een tijdje uit te rusten. Hebt ge soms een andere kamer voor haar?”Hij tastte in zijn zak en rammelde met wat geld in zijn hand. Op het gezicht daarvan ontwaakte de kastelein ietwat uit zijn dommeling; hij nam het pijpje uit zijn mond en scharrelde de gelagkamer binnen.Toen wees hij over zijn schouder naar de vliering boven den muur.„Ze kan dáár wachten!” zei hij. „’t Is er comfortabel, en een andere kamer heb ik niet!”„Niets kon beter zijn,” zei Marguerite in het Engelsch; zij doorzag terstond het voordeel van een positie, die haar in staat stelde ongezien getuige te zijn van alles, wat in de gelagkamer voorviel.„Geef hem het geld, Sir Andrew, daarboven heb ik een uitgezochten observatiepost van hetgeen hier zal gebeuren.”„Mag ik u dringend verzoeken, mevrouw, in niets haastig te werk te gaan?” zei Sir Andrew, toen Marguerite aanstalten maakte de kreupele treden van de kippetrapop te gaan. „Bedenk, dat dit gat overloopt van spionnen. Geef Sir Percy geen blijk van uw tegenwoordigheid, tenzij u zeker weet, dat ge u alléén met hem bevindt in dit hol.”„Ja,” zei ze met een zwakke poging tot opgeruimdheid, „dat kan ik u wel beloven. Maak u niet bezorgd, ik zal mijn gelegenheid afwachten en hem dienen op de wijze, waarop ik denk, dat hij het meest behoefte heeft.”„Zoo ik Blakeney binnen een half uur niet ontmoet,” zei Sir Andrew, „zal ik terugkomen, in de hoop hem hier aan te treffen.”Terwijl zij vlug de vermolmde houten treden beklom, die naar de vliering leidden, sloeg Sir Andrew haar gade, totdat zij boven was aangeland. Zij schoof de versleten gordijnen terzijde, en de jonkman merkte op, dat zij daar een bijzonder geschikte schuilplaats had, om ongezien te kunnen waarnemen en hooren. Met een hoofdknik tot afscheid, begaf hij zich naar buiten in den duisteren nacht.
TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Hoop.„O, Sir Andrew!” riep Marguerite uit, toen Brogard zich had verwijderd, „ik zou kunnen dansen van pleizier! Neen, nu hebben we niets meer te vreezen. Onze sloep ligt aan het strand, onze schoener aan de ree, en Blakeney zal hier komen, onder ditzelfde dak; binnen een half uur misschien. Neen! er is niets, dat ons in den weg staat, Chauvelin en zijn bende zijn nog niet aangekomen.”„Neen, Milady, ik vrees, dat we dit niet weten.”„Wat wilt ge daarmee zeggen?”„Chauvelin was te Dover, gelijk met ons.”„Toch ook als wij opgehouden door den storm?”„Precies. Maar ik heb het u te voren niet willen zeggen, uit vrees van u ongerust te maken—ik zag Chauvelin aan het strand, een vijf minuten voordat wij ons inscheepten. Al was hij vermomd als eencuré, een volmaakt dorpspastoor, ik had hem toch in de gaten. Ik hoorde hem onderhandelen over een schoener, die hem spoedig naar Calais moest brengen; hij zal zoowat binnen een uur na ons van wal zijn gestoken.”De vreugde van Marguerite’s gelaat had spoedig plaats gemaakt voor naamloozen schrik. Het ontzettend gevaar, waaraan Percy was blootgesteld, nu hij zich op Fransch grondgebied bevond, stond haar in al zijn schrikwekkendheid voor den geest. Chauvelin zat hem op de hielen; hier in Calais werd hij almachtig, één woord slechts van hem en Percy was gearresteerd en...Het was maar om één uur te doen—het ééne uur, dat Marguerite en Sir Andrew voor hadden op hun tegenstanders—het uur, binnen welk Percy moest gewaarschuwd worden tegen het gevaar, dat hem dreigde en men trachten moest hem te overreden, af te zien van de roekelooze onderneming, die alleen kon uitloopen op zijn eigen verderf.Maar dit eene uur was thans verstreken.„Chauvelin kent deze herberg uit de papieren, door hem gestolen,” zei Sir Andrew ernstig, „en zal bij zijn aankomst terstond er op afgaan.”„Hij is nog niet aan wal,” zei Marguerite, „we zijn hem een uur vooruit en Percy zal aanstonds hier zijn. We kunnen weer midden in het Kanaal zeilen, vóór Chauvelin zal bemerkt hebben, dat we tusschen zijn vingers zijn doorgegleden.”Haar jeugdige vriend schudde bedenkelijk het hoofd.„Weer stilte, Sir Andrew?”zei ze met eenig ongeduld. „Hoe komt ge het hoofd weer te schudden en zoo neerslachtig te kijken.” „Heusch, Milady,”antwoorddehij, „’t is alleen, omdat u bij het maken van uw rooskleurige plannen vergeet met den voornaamsten factor rekening te houden.”„Wat, in ’s hemelsnaam wilt ge hier nu mee zeggen?—Ik vergeet niets... Welken factor bedoelt ge?” vulde ze met nog meer ongeduld aan.„Zoudt u denken, dat Blakeney van Calais zal vertrekken zonder volbracht te hebben, wat hij voornemens was hier te verrichten?”„Ge wilt zeggen...?”„De oude Graaf de Tournay...”„De Graaf...?” prevelde ze.„Armand St. Just... en anderen.”„Mijn broer!” riep ze met een hartverscheurenden angstigen kreet.„De hemel zij me genadig, ik had vergeten...”„Al deze menschen wachten op dit oogenblik met volkomen vertrouwen op de komst van den Rooden Pimpernel, die zijn woord van eer heeft gegeven, hen behouden over het Kanaal te brengen.”Inderdaad was ze het vergeten. In de laatste vierentwintig uur had maar één gedachte haar bezig gehouden—zijnredding.„Sir Percy Blakeney zou niet de vertrouwde, geëerde leider zijn van een twintigtal Engelsche heeren,” zei Sir Andrew, „zoo hij hèn in den steek liet, die op hem vertrouwen als op een rots. De gedachten alleen, dat hij zijn woord kan verbreken, is zoo schandelijk mogelijk!”Er heerschte een oogenblik van pijnlijke stilte. Marguerite zat met beide handen voor het gelaat en liet haar tranen langzaam langs haar bevende vingers glijden. Sir Andrew sprak geen woord, hij wist, dat Blakeney ieder gevaar zou trotseeren, eerder het onmogelijke zou beproeven dan zijn woord breken.„Sir Andrew,” sprak Marguerite eindelijk, alles in het werk stellend om haar tranen in te houden, „gij hebt gelijk, en ik zou mezelf moeten schamen over mijn onbewuste poging hem van zijn plicht af te brengen. Zooals ge zegt, het zou ook vergeefsche moeite zijn. God schenke hem kracht en overleg! Intusschen meen ik, dat we geen tijd moeten verliezen. Ik geloof altijd nog, dat zijn redding en behoud afhankelijk zijn van zijn wetenschap, dat Chauvelin hem op het spoor is.”„Zonder twijfel. Zoodra hij inziet, welk gevaar hij loopt, zal hij meer voorzichtigheid in acht nemen.”„Als dit zoo is, wat dunkt u dan van een verkenning in het dorp, onderwijl ik Percy’s komst hier afwacht?—Ge kunt misschien zijn pad kruisen en zoodoende kostbaren tijd winnen. Onzen grimmigen herbergier zoudt ge kunnen vragen, mij in een ander vertrek te laten wachten. Laat hem wat contanten zien, opdat hij niet verzuime, mij terstond kennis te geven, zoodra de lange Engelschman terug is gekomen.”Ze sprak zeer kalm, zelfs nu op vroolijken toon, haar plan overdenkend, tot het ergste zoo noodig bereid.Sir Andrew gehoorzaamde zonder verdere bedenking. Instinctmatig nam het denkbeeld vaster vormen bij hem aan, datzijde meeste veerkracht bezat. Hij gaf zich gaarne aan haar leiding over en vergenoegde zich, waar zij het hoofd was, onder haar aanwijzingen een werktuig te zijn. Hij liep naar de deur van het binnenvertrek en riep: „Hei daar! vriend Brogard! Mijn mevrouw wenscht hier een tijdje uit te rusten. Hebt ge soms een andere kamer voor haar?”Hij tastte in zijn zak en rammelde met wat geld in zijn hand. Op het gezicht daarvan ontwaakte de kastelein ietwat uit zijn dommeling; hij nam het pijpje uit zijn mond en scharrelde de gelagkamer binnen.Toen wees hij over zijn schouder naar de vliering boven den muur.„Ze kan dáár wachten!” zei hij. „’t Is er comfortabel, en een andere kamer heb ik niet!”„Niets kon beter zijn,” zei Marguerite in het Engelsch; zij doorzag terstond het voordeel van een positie, die haar in staat stelde ongezien getuige te zijn van alles, wat in de gelagkamer voorviel.„Geef hem het geld, Sir Andrew, daarboven heb ik een uitgezochten observatiepost van hetgeen hier zal gebeuren.”„Mag ik u dringend verzoeken, mevrouw, in niets haastig te werk te gaan?” zei Sir Andrew, toen Marguerite aanstalten maakte de kreupele treden van de kippetrapop te gaan. „Bedenk, dat dit gat overloopt van spionnen. Geef Sir Percy geen blijk van uw tegenwoordigheid, tenzij u zeker weet, dat ge u alléén met hem bevindt in dit hol.”„Ja,” zei ze met een zwakke poging tot opgeruimdheid, „dat kan ik u wel beloven. Maak u niet bezorgd, ik zal mijn gelegenheid afwachten en hem dienen op de wijze, waarop ik denk, dat hij het meest behoefte heeft.”„Zoo ik Blakeney binnen een half uur niet ontmoet,” zei Sir Andrew, „zal ik terugkomen, in de hoop hem hier aan te treffen.”Terwijl zij vlug de vermolmde houten treden beklom, die naar de vliering leidden, sloeg Sir Andrew haar gade, totdat zij boven was aangeland. Zij schoof de versleten gordijnen terzijde, en de jonkman merkte op, dat zij daar een bijzonder geschikte schuilplaats had, om ongezien te kunnen waarnemen en hooren. Met een hoofdknik tot afscheid, begaf hij zich naar buiten in den duisteren nacht.
TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Hoop.
„O, Sir Andrew!” riep Marguerite uit, toen Brogard zich had verwijderd, „ik zou kunnen dansen van pleizier! Neen, nu hebben we niets meer te vreezen. Onze sloep ligt aan het strand, onze schoener aan de ree, en Blakeney zal hier komen, onder ditzelfde dak; binnen een half uur misschien. Neen! er is niets, dat ons in den weg staat, Chauvelin en zijn bende zijn nog niet aangekomen.”„Neen, Milady, ik vrees, dat we dit niet weten.”„Wat wilt ge daarmee zeggen?”„Chauvelin was te Dover, gelijk met ons.”„Toch ook als wij opgehouden door den storm?”„Precies. Maar ik heb het u te voren niet willen zeggen, uit vrees van u ongerust te maken—ik zag Chauvelin aan het strand, een vijf minuten voordat wij ons inscheepten. Al was hij vermomd als eencuré, een volmaakt dorpspastoor, ik had hem toch in de gaten. Ik hoorde hem onderhandelen over een schoener, die hem spoedig naar Calais moest brengen; hij zal zoowat binnen een uur na ons van wal zijn gestoken.”De vreugde van Marguerite’s gelaat had spoedig plaats gemaakt voor naamloozen schrik. Het ontzettend gevaar, waaraan Percy was blootgesteld, nu hij zich op Fransch grondgebied bevond, stond haar in al zijn schrikwekkendheid voor den geest. Chauvelin zat hem op de hielen; hier in Calais werd hij almachtig, één woord slechts van hem en Percy was gearresteerd en...Het was maar om één uur te doen—het ééne uur, dat Marguerite en Sir Andrew voor hadden op hun tegenstanders—het uur, binnen welk Percy moest gewaarschuwd worden tegen het gevaar, dat hem dreigde en men trachten moest hem te overreden, af te zien van de roekelooze onderneming, die alleen kon uitloopen op zijn eigen verderf.Maar dit eene uur was thans verstreken.„Chauvelin kent deze herberg uit de papieren, door hem gestolen,” zei Sir Andrew ernstig, „en zal bij zijn aankomst terstond er op afgaan.”„Hij is nog niet aan wal,” zei Marguerite, „we zijn hem een uur vooruit en Percy zal aanstonds hier zijn. We kunnen weer midden in het Kanaal zeilen, vóór Chauvelin zal bemerkt hebben, dat we tusschen zijn vingers zijn doorgegleden.”Haar jeugdige vriend schudde bedenkelijk het hoofd.„Weer stilte, Sir Andrew?”zei ze met eenig ongeduld. „Hoe komt ge het hoofd weer te schudden en zoo neerslachtig te kijken.” „Heusch, Milady,”antwoorddehij, „’t is alleen, omdat u bij het maken van uw rooskleurige plannen vergeet met den voornaamsten factor rekening te houden.”„Wat, in ’s hemelsnaam wilt ge hier nu mee zeggen?—Ik vergeet niets... Welken factor bedoelt ge?” vulde ze met nog meer ongeduld aan.„Zoudt u denken, dat Blakeney van Calais zal vertrekken zonder volbracht te hebben, wat hij voornemens was hier te verrichten?”„Ge wilt zeggen...?”„De oude Graaf de Tournay...”„De Graaf...?” prevelde ze.„Armand St. Just... en anderen.”„Mijn broer!” riep ze met een hartverscheurenden angstigen kreet.„De hemel zij me genadig, ik had vergeten...”„Al deze menschen wachten op dit oogenblik met volkomen vertrouwen op de komst van den Rooden Pimpernel, die zijn woord van eer heeft gegeven, hen behouden over het Kanaal te brengen.”Inderdaad was ze het vergeten. In de laatste vierentwintig uur had maar één gedachte haar bezig gehouden—zijnredding.„Sir Percy Blakeney zou niet de vertrouwde, geëerde leider zijn van een twintigtal Engelsche heeren,” zei Sir Andrew, „zoo hij hèn in den steek liet, die op hem vertrouwen als op een rots. De gedachten alleen, dat hij zijn woord kan verbreken, is zoo schandelijk mogelijk!”Er heerschte een oogenblik van pijnlijke stilte. Marguerite zat met beide handen voor het gelaat en liet haar tranen langzaam langs haar bevende vingers glijden. Sir Andrew sprak geen woord, hij wist, dat Blakeney ieder gevaar zou trotseeren, eerder het onmogelijke zou beproeven dan zijn woord breken.„Sir Andrew,” sprak Marguerite eindelijk, alles in het werk stellend om haar tranen in te houden, „gij hebt gelijk, en ik zou mezelf moeten schamen over mijn onbewuste poging hem van zijn plicht af te brengen. Zooals ge zegt, het zou ook vergeefsche moeite zijn. God schenke hem kracht en overleg! Intusschen meen ik, dat we geen tijd moeten verliezen. Ik geloof altijd nog, dat zijn redding en behoud afhankelijk zijn van zijn wetenschap, dat Chauvelin hem op het spoor is.”„Zonder twijfel. Zoodra hij inziet, welk gevaar hij loopt, zal hij meer voorzichtigheid in acht nemen.”„Als dit zoo is, wat dunkt u dan van een verkenning in het dorp, onderwijl ik Percy’s komst hier afwacht?—Ge kunt misschien zijn pad kruisen en zoodoende kostbaren tijd winnen. Onzen grimmigen herbergier zoudt ge kunnen vragen, mij in een ander vertrek te laten wachten. Laat hem wat contanten zien, opdat hij niet verzuime, mij terstond kennis te geven, zoodra de lange Engelschman terug is gekomen.”Ze sprak zeer kalm, zelfs nu op vroolijken toon, haar plan overdenkend, tot het ergste zoo noodig bereid.Sir Andrew gehoorzaamde zonder verdere bedenking. Instinctmatig nam het denkbeeld vaster vormen bij hem aan, datzijde meeste veerkracht bezat. Hij gaf zich gaarne aan haar leiding over en vergenoegde zich, waar zij het hoofd was, onder haar aanwijzingen een werktuig te zijn. Hij liep naar de deur van het binnenvertrek en riep: „Hei daar! vriend Brogard! Mijn mevrouw wenscht hier een tijdje uit te rusten. Hebt ge soms een andere kamer voor haar?”Hij tastte in zijn zak en rammelde met wat geld in zijn hand. Op het gezicht daarvan ontwaakte de kastelein ietwat uit zijn dommeling; hij nam het pijpje uit zijn mond en scharrelde de gelagkamer binnen.Toen wees hij over zijn schouder naar de vliering boven den muur.„Ze kan dáár wachten!” zei hij. „’t Is er comfortabel, en een andere kamer heb ik niet!”„Niets kon beter zijn,” zei Marguerite in het Engelsch; zij doorzag terstond het voordeel van een positie, die haar in staat stelde ongezien getuige te zijn van alles, wat in de gelagkamer voorviel.„Geef hem het geld, Sir Andrew, daarboven heb ik een uitgezochten observatiepost van hetgeen hier zal gebeuren.”„Mag ik u dringend verzoeken, mevrouw, in niets haastig te werk te gaan?” zei Sir Andrew, toen Marguerite aanstalten maakte de kreupele treden van de kippetrapop te gaan. „Bedenk, dat dit gat overloopt van spionnen. Geef Sir Percy geen blijk van uw tegenwoordigheid, tenzij u zeker weet, dat ge u alléén met hem bevindt in dit hol.”„Ja,” zei ze met een zwakke poging tot opgeruimdheid, „dat kan ik u wel beloven. Maak u niet bezorgd, ik zal mijn gelegenheid afwachten en hem dienen op de wijze, waarop ik denk, dat hij het meest behoefte heeft.”„Zoo ik Blakeney binnen een half uur niet ontmoet,” zei Sir Andrew, „zal ik terugkomen, in de hoop hem hier aan te treffen.”Terwijl zij vlug de vermolmde houten treden beklom, die naar de vliering leidden, sloeg Sir Andrew haar gade, totdat zij boven was aangeland. Zij schoof de versleten gordijnen terzijde, en de jonkman merkte op, dat zij daar een bijzonder geschikte schuilplaats had, om ongezien te kunnen waarnemen en hooren. Met een hoofdknik tot afscheid, begaf hij zich naar buiten in den duisteren nacht.
„O, Sir Andrew!” riep Marguerite uit, toen Brogard zich had verwijderd, „ik zou kunnen dansen van pleizier! Neen, nu hebben we niets meer te vreezen. Onze sloep ligt aan het strand, onze schoener aan de ree, en Blakeney zal hier komen, onder ditzelfde dak; binnen een half uur misschien. Neen! er is niets, dat ons in den weg staat, Chauvelin en zijn bende zijn nog niet aangekomen.”
„Neen, Milady, ik vrees, dat we dit niet weten.”
„Wat wilt ge daarmee zeggen?”
„Chauvelin was te Dover, gelijk met ons.”
„Toch ook als wij opgehouden door den storm?”
„Precies. Maar ik heb het u te voren niet willen zeggen, uit vrees van u ongerust te maken—ik zag Chauvelin aan het strand, een vijf minuten voordat wij ons inscheepten. Al was hij vermomd als eencuré, een volmaakt dorpspastoor, ik had hem toch in de gaten. Ik hoorde hem onderhandelen over een schoener, die hem spoedig naar Calais moest brengen; hij zal zoowat binnen een uur na ons van wal zijn gestoken.”
De vreugde van Marguerite’s gelaat had spoedig plaats gemaakt voor naamloozen schrik. Het ontzettend gevaar, waaraan Percy was blootgesteld, nu hij zich op Fransch grondgebied bevond, stond haar in al zijn schrikwekkendheid voor den geest. Chauvelin zat hem op de hielen; hier in Calais werd hij almachtig, één woord slechts van hem en Percy was gearresteerd en...
Het was maar om één uur te doen—het ééne uur, dat Marguerite en Sir Andrew voor hadden op hun tegenstanders—het uur, binnen welk Percy moest gewaarschuwd worden tegen het gevaar, dat hem dreigde en men trachten moest hem te overreden, af te zien van de roekelooze onderneming, die alleen kon uitloopen op zijn eigen verderf.
Maar dit eene uur was thans verstreken.
„Chauvelin kent deze herberg uit de papieren, door hem gestolen,” zei Sir Andrew ernstig, „en zal bij zijn aankomst terstond er op afgaan.”
„Hij is nog niet aan wal,” zei Marguerite, „we zijn hem een uur vooruit en Percy zal aanstonds hier zijn. We kunnen weer midden in het Kanaal zeilen, vóór Chauvelin zal bemerkt hebben, dat we tusschen zijn vingers zijn doorgegleden.”
Haar jeugdige vriend schudde bedenkelijk het hoofd.
„Weer stilte, Sir Andrew?”zei ze met eenig ongeduld. „Hoe komt ge het hoofd weer te schudden en zoo neerslachtig te kijken.” „Heusch, Milady,”antwoorddehij, „’t is alleen, omdat u bij het maken van uw rooskleurige plannen vergeet met den voornaamsten factor rekening te houden.”
„Wat, in ’s hemelsnaam wilt ge hier nu mee zeggen?—Ik vergeet niets... Welken factor bedoelt ge?” vulde ze met nog meer ongeduld aan.
„Zoudt u denken, dat Blakeney van Calais zal vertrekken zonder volbracht te hebben, wat hij voornemens was hier te verrichten?”
„Ge wilt zeggen...?”
„De oude Graaf de Tournay...”
„De Graaf...?” prevelde ze.
„Armand St. Just... en anderen.”
„Mijn broer!” riep ze met een hartverscheurenden angstigen kreet.
„De hemel zij me genadig, ik had vergeten...”
„Al deze menschen wachten op dit oogenblik met volkomen vertrouwen op de komst van den Rooden Pimpernel, die zijn woord van eer heeft gegeven, hen behouden over het Kanaal te brengen.”
Inderdaad was ze het vergeten. In de laatste vierentwintig uur had maar één gedachte haar bezig gehouden—zijnredding.
„Sir Percy Blakeney zou niet de vertrouwde, geëerde leider zijn van een twintigtal Engelsche heeren,” zei Sir Andrew, „zoo hij hèn in den steek liet, die op hem vertrouwen als op een rots. De gedachten alleen, dat hij zijn woord kan verbreken, is zoo schandelijk mogelijk!”
Er heerschte een oogenblik van pijnlijke stilte. Marguerite zat met beide handen voor het gelaat en liet haar tranen langzaam langs haar bevende vingers glijden. Sir Andrew sprak geen woord, hij wist, dat Blakeney ieder gevaar zou trotseeren, eerder het onmogelijke zou beproeven dan zijn woord breken.
„Sir Andrew,” sprak Marguerite eindelijk, alles in het werk stellend om haar tranen in te houden, „gij hebt gelijk, en ik zou mezelf moeten schamen over mijn onbewuste poging hem van zijn plicht af te brengen. Zooals ge zegt, het zou ook vergeefsche moeite zijn. God schenke hem kracht en overleg! Intusschen meen ik, dat we geen tijd moeten verliezen. Ik geloof altijd nog, dat zijn redding en behoud afhankelijk zijn van zijn wetenschap, dat Chauvelin hem op het spoor is.”
„Zonder twijfel. Zoodra hij inziet, welk gevaar hij loopt, zal hij meer voorzichtigheid in acht nemen.”
„Als dit zoo is, wat dunkt u dan van een verkenning in het dorp, onderwijl ik Percy’s komst hier afwacht?—Ge kunt misschien zijn pad kruisen en zoodoende kostbaren tijd winnen. Onzen grimmigen herbergier zoudt ge kunnen vragen, mij in een ander vertrek te laten wachten. Laat hem wat contanten zien, opdat hij niet verzuime, mij terstond kennis te geven, zoodra de lange Engelschman terug is gekomen.”
Ze sprak zeer kalm, zelfs nu op vroolijken toon, haar plan overdenkend, tot het ergste zoo noodig bereid.
Sir Andrew gehoorzaamde zonder verdere bedenking. Instinctmatig nam het denkbeeld vaster vormen bij hem aan, datzijde meeste veerkracht bezat. Hij gaf zich gaarne aan haar leiding over en vergenoegde zich, waar zij het hoofd was, onder haar aanwijzingen een werktuig te zijn. Hij liep naar de deur van het binnenvertrek en riep: „Hei daar! vriend Brogard! Mijn mevrouw wenscht hier een tijdje uit te rusten. Hebt ge soms een andere kamer voor haar?”
Hij tastte in zijn zak en rammelde met wat geld in zijn hand. Op het gezicht daarvan ontwaakte de kastelein ietwat uit zijn dommeling; hij nam het pijpje uit zijn mond en scharrelde de gelagkamer binnen.
Toen wees hij over zijn schouder naar de vliering boven den muur.
„Ze kan dáár wachten!” zei hij. „’t Is er comfortabel, en een andere kamer heb ik niet!”
„Niets kon beter zijn,” zei Marguerite in het Engelsch; zij doorzag terstond het voordeel van een positie, die haar in staat stelde ongezien getuige te zijn van alles, wat in de gelagkamer voorviel.
„Geef hem het geld, Sir Andrew, daarboven heb ik een uitgezochten observatiepost van hetgeen hier zal gebeuren.”
„Mag ik u dringend verzoeken, mevrouw, in niets haastig te werk te gaan?” zei Sir Andrew, toen Marguerite aanstalten maakte de kreupele treden van de kippetrapop te gaan. „Bedenk, dat dit gat overloopt van spionnen. Geef Sir Percy geen blijk van uw tegenwoordigheid, tenzij u zeker weet, dat ge u alléén met hem bevindt in dit hol.”
„Ja,” zei ze met een zwakke poging tot opgeruimdheid, „dat kan ik u wel beloven. Maak u niet bezorgd, ik zal mijn gelegenheid afwachten en hem dienen op de wijze, waarop ik denk, dat hij het meest behoefte heeft.”
„Zoo ik Blakeney binnen een half uur niet ontmoet,” zei Sir Andrew, „zal ik terugkomen, in de hoop hem hier aan te treffen.”
Terwijl zij vlug de vermolmde houten treden beklom, die naar de vliering leidden, sloeg Sir Andrew haar gade, totdat zij boven was aangeland. Zij schoof de versleten gordijnen terzijde, en de jonkman merkte op, dat zij daar een bijzonder geschikte schuilplaats had, om ongezien te kunnen waarnemen en hooren. Met een hoofdknik tot afscheid, begaf hij zich naar buiten in den duisteren nacht.