ELFDE HOOFDSTUK.Op het bal bij Lord Grenville.Het historisch bal, door den toenmaligen Staatssecretaris van Buitenlandsche Zaken, Lord Grenville, gegeven, was de schitterendste gebeurtenis van het geheele jaar in de hooge kringen der wereldstad.Zijn Koninklijke Hoogheid de Prins van Wales had zijn tegenwoordigheid toegezegd. Tegen klokslag tien—een buitengewoon laat uur in die dagen—waren de ruime, keurig met palmboomen en bloemen gedecoreerdezalen van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken overvol met bezoekers van allerlei slag. Een lokaal was uitsluitend bestemd voor den dans, en het tempo van de menuet was een zachte begeleiding van den vroolijken kout, den opgewekten lachlust der talrijke en schitterende genoodigden.Marguerite leed oneindig. Hoewel ze lachte en praatte, hoewel ze meer werd bewonderd en gevierd dan eenige vrouw daar aanwezig, gevoelde zij zich als een ter dood veroordeelde, die haar laatsten levensdag telde op aarde.Ze had een kort uurtje—tusschen opera en bal—gesleten in het gezelschap van haren echtgenoot. De hoop van in dit goed-geaard, loom individu een waardig vriend en raadsman aan te treffen, was even spoedig verdwenen, als ze was ontstaan, op het oogenblik, dat zij zich alleen met hem bevond. In dit hartverscheurend kritiek oogenblik had zij zich afgekeerd van den man, die haar tot zedelijken steun moest strekken, die haar had moeten dienen met raad en daad.Daar stond hij, de moreele steunpilaar, de koelbloedige raadsman, omringd door een kring van hersenlooze, leeghoofdige melkmuilen, die van mond tot mond een kreupelrijmpje herhaalden, dat Percy zoo juist ten beste had gegeven:„Wij zoeken hem hier, wij zoeken hem daar,De Franschen zoeken hem... och, zoo raar!Nu in den hemel, dan in de hel,Dien eeuwig onvindb’ren Pimpernel!”Zijn mop had de rondte gedaan in de schitterende ontvangzalen. De prins was betooverd. Hij verklaarde, dat zonder Blakeney het leven een treurige woestenij zou zijn. Daarop had hij hem bij den arm genomen, mee naar de speelzaal getroond en was een langdurig hazardspel met hem begonnen.Sir Percy, wiens voornaamste genoegens zich om de speeltafel schenen te concentreeren, liet als naar gewoonte zijn vrouw flirten, dansen, zich amuseeren of vervelen, al naar zij wilde. Na zijn aardigheid(?) gedebiteerd tehebben, had hij Marguerite achtergelaten, omringd door een schaar van bewonderaars en hoofsche vleiers.Later in den avond kreeg zij Sir Andrew Foulkes en Lord Anthony Dewhurst in het oog. Deze heeren schenen juist te zijn aangekomen.Beide jongelieden zagen er een weinig vermoeid en zenuwachtig uit, overigens kon men niet het minste teeken bespeuren van het ontzettend gevaar, dat, naar hun gevoelen, henzelven en hun leider dreigde.Dat het Verbond van de Roode Pimpernel niet voornemens was zijn taak op te geven, had zij van de kleine Suzanne zelf vernomen, van Suzanne, die openlijk de verzekering had medegedeeld, welke zij en haar moeder hadden verkregen, dat de Graaf de Tournay binnenkort door het Verbond uit Frankrijk zou bevrijd worden.Marguerite begon zich af te vragen, wie van de wereldlingen rondom haar de geheimzinnige „Roode Pimpernel” was, die het lot van zooveel kostbare menschenlevens in zijn handen hield.Een brandende nieuwsgierigheid greep haar aan, hem te ontdekken en te leeren kennen, al had zij maanden lang van hem gehoord en zijn anonimiteit aanvaard, zooals ieder ander in de samenleving het zich had getroost. Maar nu verlangde ze te weten—geheel afgezien van Armand, en oh! geheel afgezien van Chauvelin—enkel om harentwil, om de geestdriftige bewondering, die zij altijd had gekoesterd voor zijn dapperheid en schrander overleg.Natuurlijk moest hij ergens op het bal zijn, immers Sir Andrew Foulkes en Lord Anthony Dewhurst waren er tegenwoordig.Marguerite bestudeerde ieder mannelijk individu.Was het Sir Andrew Foulkes? Hij, met zijn dwepende blauwe oogen, die de kleine Suzanne zoo teeder en verlangend konden aanzien, kon het niet zijn.Zij sloeg hem gade, toen hij langzaam naar de deur ging, die naar een klein boudoir aan de overzijde leidde, vervolgens stilstond en tegen het lijstwerk leunde, onderwijlhij behoedzaam rondkeek. Zij hield zich op eenigen afstand van de aanzienlijke bezoekers en naderde den ingang, waartegen Sir Andrew steunde. Waarom zij verlangde hem te naderen, daarvan kon zij zich geen rekenschap geven.Eensklaps stond zij stil; het was of haar hart ophield te kloppen.Sir Andrew Foulkes stond altijd nog in dezelfde kalme houding bij de deur, doch duidelijk had Marguerite gezien, dat Lord Hastings, een der vrienden van haar echtgenoot, onderwijl hij Sir Andrew rakelings voorbij ging, dezen iets in de hand stopte.Een oogenblik nog bleef Marguerite staan: in het volgend had ze haar wandeling hervat door het vertrek, maar ditmaal spoediger naar den ingang, waardoor Sir Andrew was verdwenen.Dit alles, van het oogenblik, dat Lady Blakeney Sir Andrew tegen de deur had zien leunen, totdat ze hem gevolgd was in het kleine boudoir, was in minder dan een minuut geschied.Nu had Lady Blakeney plotseling opgehouden te bestaan. Het was enkel Marguerite St. Just, die zich daar bevond. Marguerite St. Just, die haar kindsheid, haar eerste jeugd had gesleten onder de beschermende hoede van Armand, haar broeder. Zij had alles vergeten—haar rang, haar waardigheid—alles, alleen niet het feit, dat Armand in levensgevaar verkeerde, en dat daar, op geen tien schreden afstand van haar, in het kleine, nu geheel eenzame vertrek, in de handen van Sir Andrew Foulkes het tooverwoord zich kon bevinden, dat het leven van haar broeder zou redden.Zij had het verlaten boudoir bereikt. Sir Andrew stond met den rug naar haar toe, dicht bij een tafel, waarop een massief zilveren kroonluchter stond. Hij hield een strookje papier in zijn hand en was bezig dit aandachtig te lezen.Onbemerkt met ingehouden adem, sloop Marguerite dicht achter hem... Op dit oogenblik keek Sir Andrew om en zag hij haar; zij slaakte een zucht, wreef met de hand langs haar voorhoofd en murmelde flauwtjes: „De warmtein de zaal was onuitstaanbaar... Ik voelde mij zoo onpasselijk... Ah!...”Zij wankelde, alsof ze zou neervallen, en Sir Andrew,het briefje in zijn hand verkreukelend, had juist den tijd haar op te vangen.„U zijt ongesteld, Lady Blakeney? Laat mij...”„Neen, neen, ’t is niets—een stoel—gauw!”Ze zonk in een stoel neer, dicht bij de tafel, en het hoofd in den nek werpend, sloot ze de oogen.„Ziedaar,” prevelde ze nog zwakjes, „’t gaat over... Bekreun u niet om mij, Sir Andrew, ik verzeker u, ik voel me weer beter.”Marguerite zat daar met schijnbaar gesloten oogen. Sir Andrew was terstond achter haar, aan haar rechterhand stond de tafel met een vijfarmigen kroonluchter erop.Er heerschte een oogenblik doodelijke stilte in het kleineboudoir. Sir Andrew had geen woord meer gesproken. Ze kon door haar half gesloten oogleden zien, dat hij nu het papiertje tegen de vlam hield van een der kaarsen.Juist op het oogenblik, dat het vuur vatte, opende ze de oogen, verhief ze haar hand en had ze het brandend kattebelletje uit de hand genomen van den jongen man. Toen blies ze de vlam uit en hield heel kalm het reepje tegen haar neusgaten aan.„Hoe bedachtzaam van u, Sir Andrew,” zei ze opgeruimd, „u hebt zeker van uw grootmoeder geleerd, dat de reuk van verbrand papier een radicaal middel is tegen lichtheid in het hoofd, noem het duizeling.”Zij slaakte een zucht van voldoening, onderwijl ze het papier, dat wellicht het leven van haar broeder kon redden, vast tusschen haar vingers kneep. Sir Andrew staarde haar aan, voor het oogenblik al te verward, om na te gaan, wat er werkelijk was voorgevallen. Hij was zoo geheel en al verrast, dat hij volstrekt niet in staat was zich rekenschap te geven van het feit, dat het strookje papier, dat zij in haar hand hield, misschien iets was, waarvan het leven kon afhangen van zijn kameraad en bondgenoot.Marguerite barstte in een lange vroolijke lachbui los.„Waarom kijkt u me zoo aan?” vroeg ze gekscherend. „Ik verzeker u, dat ik me veel beter gevoel; uw middel heeft zijn uitwerking niet gemist. Dit vertrek is heerlijk koel,” voegde ze met volmaakte kalmte er aan toe.Sir Andrew was bezig zijn hoofd te breken met de meest afdoende manier om het stukje papier uit haar handen te krijgen. Vage gedachten stormden op hem aan. Plotseling dacht hij aan haar nationaliteit, en herinnerde hij zich het akelig praatje aangaande den markies de St. Cyr, waaraan niemand in Engeland geloof had geslagen, terwille van Sir Percy en niet minder om diens aanvallige vrouw.„Hoe is het? Nog altijd mijmerend en starend?” zei ze met een guitig lachje. „Kom, dat is nu eens niet galant, Sir Andrew; en nu ik eraan denk, scheen u meer geschrikt bij mijn verschijning dan wel er mee ingenomen. Ik zal op ’t laatst nog moeten gelooven, dat het niet voor mijn gezondheid was, dat u dit kattebelletje hebt aangestoken... ik wil wedden, dat ’t het laatste briefje geweest is van uw verloofde, dat u aan de vlammen hebt willen prijs geven. Nu beken het maar!” voegde zij eraan toe, terwijl ze speelsgewijs het strookje papier in de hoogte hield, „is het een finaal vaarwel of een verzoek om weer goede vrienden te worden?”„Wat het ook moge zijn, lady Blakeney,” zei Sir Andrew, die langzamerhand zijn zelfbewustzijn herkreeg, „dit kleine briefje is toch mijn eigendom, en...”De jonkman, in zijn eigenaardige positie zich er niet om bekreunend, dat hij met een dame te doen had, maakte een plotselinge voorwaartsche beweging om het papiertje in zijn bezit te krijgen, maar Marguerite’s gedachten liepen de zijne vooruit. Zij was slank en sterk; zij deed een haastigen stap achterwaarts en wierp het tafeltje omver, dat met een smak neerviel, tegelijk met den massieven luchter.„De kaarsen, Sir Andrew—gauw, gauw!” schreeuwde ze.De schade was van geen beteekenis; een paar kaarsen waren uitgegaan toen de luchter neerviel; de anderehadden een weinig was op het tapijt laten vallen. Sir Andrew bluschte behendig de vlam en plaatste den luchter weer op de tafel. Maar dit had hem een paar seconden bezig gehouden, en deze korte spanne tijds was voldoende geweest voor Marguerite om een vluchtigen blik te werpen op het papier en den inhoud te noteeren—een dozijn woorden in hetzelfde handschrift, dat zij door tusschenkomst van Chauvelin had gezien met dezelfde handteekening—een Sterrebloem in rooden inkt.Om een vluchtigen blik te werpen op het papier (pag. 70).Om een vluchtigen blik te werpen op het papier (pag. 70).Toen Sir Andrew haar weer gadesloeg, teekende haar gelaat ongerustheid, terwijl het nietig, maar gewichtig papiertje op den vloer was gevallen. Haastig raapte de jonkman het op, zijn gezicht teekende verlichting, toen hij het tusschen zijn vingers klemde.„U zult mij wel ten goede houden, lady Blakeney,” zei hij, zoo kalm als ook zij zich toonde, „dat ik mij weer zet tot de belangwekkende bezigheid, die u hebt onderbroken?”„Wel zeker, Sir Andrew! U moet in ieder geval het minnebriefje verbranden!”Sir Andrew had het papiertje reeds gevlochten tot een lange pijl en hield het andermaal tegen de vlam van de kaars, die niet was uitgegaan. Weldra viel het laatste stukje op den vloer en zette hij zijn hiel op de asch.„En nu, Sir Andrew,” zei Marguerite Blakeney, met aanvallige nonchalance en innemenden glimlach, „durft u er zich aan te wagen de jaloezie uwer bekoorlijke dame gaande te maken door mij te vragen voor den menuet?”
ELFDE HOOFDSTUK.Op het bal bij Lord Grenville.Het historisch bal, door den toenmaligen Staatssecretaris van Buitenlandsche Zaken, Lord Grenville, gegeven, was de schitterendste gebeurtenis van het geheele jaar in de hooge kringen der wereldstad.Zijn Koninklijke Hoogheid de Prins van Wales had zijn tegenwoordigheid toegezegd. Tegen klokslag tien—een buitengewoon laat uur in die dagen—waren de ruime, keurig met palmboomen en bloemen gedecoreerdezalen van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken overvol met bezoekers van allerlei slag. Een lokaal was uitsluitend bestemd voor den dans, en het tempo van de menuet was een zachte begeleiding van den vroolijken kout, den opgewekten lachlust der talrijke en schitterende genoodigden.Marguerite leed oneindig. Hoewel ze lachte en praatte, hoewel ze meer werd bewonderd en gevierd dan eenige vrouw daar aanwezig, gevoelde zij zich als een ter dood veroordeelde, die haar laatsten levensdag telde op aarde.Ze had een kort uurtje—tusschen opera en bal—gesleten in het gezelschap van haren echtgenoot. De hoop van in dit goed-geaard, loom individu een waardig vriend en raadsman aan te treffen, was even spoedig verdwenen, als ze was ontstaan, op het oogenblik, dat zij zich alleen met hem bevond. In dit hartverscheurend kritiek oogenblik had zij zich afgekeerd van den man, die haar tot zedelijken steun moest strekken, die haar had moeten dienen met raad en daad.Daar stond hij, de moreele steunpilaar, de koelbloedige raadsman, omringd door een kring van hersenlooze, leeghoofdige melkmuilen, die van mond tot mond een kreupelrijmpje herhaalden, dat Percy zoo juist ten beste had gegeven:„Wij zoeken hem hier, wij zoeken hem daar,De Franschen zoeken hem... och, zoo raar!Nu in den hemel, dan in de hel,Dien eeuwig onvindb’ren Pimpernel!”Zijn mop had de rondte gedaan in de schitterende ontvangzalen. De prins was betooverd. Hij verklaarde, dat zonder Blakeney het leven een treurige woestenij zou zijn. Daarop had hij hem bij den arm genomen, mee naar de speelzaal getroond en was een langdurig hazardspel met hem begonnen.Sir Percy, wiens voornaamste genoegens zich om de speeltafel schenen te concentreeren, liet als naar gewoonte zijn vrouw flirten, dansen, zich amuseeren of vervelen, al naar zij wilde. Na zijn aardigheid(?) gedebiteerd tehebben, had hij Marguerite achtergelaten, omringd door een schaar van bewonderaars en hoofsche vleiers.Later in den avond kreeg zij Sir Andrew Foulkes en Lord Anthony Dewhurst in het oog. Deze heeren schenen juist te zijn aangekomen.Beide jongelieden zagen er een weinig vermoeid en zenuwachtig uit, overigens kon men niet het minste teeken bespeuren van het ontzettend gevaar, dat, naar hun gevoelen, henzelven en hun leider dreigde.Dat het Verbond van de Roode Pimpernel niet voornemens was zijn taak op te geven, had zij van de kleine Suzanne zelf vernomen, van Suzanne, die openlijk de verzekering had medegedeeld, welke zij en haar moeder hadden verkregen, dat de Graaf de Tournay binnenkort door het Verbond uit Frankrijk zou bevrijd worden.Marguerite begon zich af te vragen, wie van de wereldlingen rondom haar de geheimzinnige „Roode Pimpernel” was, die het lot van zooveel kostbare menschenlevens in zijn handen hield.Een brandende nieuwsgierigheid greep haar aan, hem te ontdekken en te leeren kennen, al had zij maanden lang van hem gehoord en zijn anonimiteit aanvaard, zooals ieder ander in de samenleving het zich had getroost. Maar nu verlangde ze te weten—geheel afgezien van Armand, en oh! geheel afgezien van Chauvelin—enkel om harentwil, om de geestdriftige bewondering, die zij altijd had gekoesterd voor zijn dapperheid en schrander overleg.Natuurlijk moest hij ergens op het bal zijn, immers Sir Andrew Foulkes en Lord Anthony Dewhurst waren er tegenwoordig.Marguerite bestudeerde ieder mannelijk individu.Was het Sir Andrew Foulkes? Hij, met zijn dwepende blauwe oogen, die de kleine Suzanne zoo teeder en verlangend konden aanzien, kon het niet zijn.Zij sloeg hem gade, toen hij langzaam naar de deur ging, die naar een klein boudoir aan de overzijde leidde, vervolgens stilstond en tegen het lijstwerk leunde, onderwijlhij behoedzaam rondkeek. Zij hield zich op eenigen afstand van de aanzienlijke bezoekers en naderde den ingang, waartegen Sir Andrew steunde. Waarom zij verlangde hem te naderen, daarvan kon zij zich geen rekenschap geven.Eensklaps stond zij stil; het was of haar hart ophield te kloppen.Sir Andrew Foulkes stond altijd nog in dezelfde kalme houding bij de deur, doch duidelijk had Marguerite gezien, dat Lord Hastings, een der vrienden van haar echtgenoot, onderwijl hij Sir Andrew rakelings voorbij ging, dezen iets in de hand stopte.Een oogenblik nog bleef Marguerite staan: in het volgend had ze haar wandeling hervat door het vertrek, maar ditmaal spoediger naar den ingang, waardoor Sir Andrew was verdwenen.Dit alles, van het oogenblik, dat Lady Blakeney Sir Andrew tegen de deur had zien leunen, totdat ze hem gevolgd was in het kleine boudoir, was in minder dan een minuut geschied.Nu had Lady Blakeney plotseling opgehouden te bestaan. Het was enkel Marguerite St. Just, die zich daar bevond. Marguerite St. Just, die haar kindsheid, haar eerste jeugd had gesleten onder de beschermende hoede van Armand, haar broeder. Zij had alles vergeten—haar rang, haar waardigheid—alles, alleen niet het feit, dat Armand in levensgevaar verkeerde, en dat daar, op geen tien schreden afstand van haar, in het kleine, nu geheel eenzame vertrek, in de handen van Sir Andrew Foulkes het tooverwoord zich kon bevinden, dat het leven van haar broeder zou redden.Zij had het verlaten boudoir bereikt. Sir Andrew stond met den rug naar haar toe, dicht bij een tafel, waarop een massief zilveren kroonluchter stond. Hij hield een strookje papier in zijn hand en was bezig dit aandachtig te lezen.Onbemerkt met ingehouden adem, sloop Marguerite dicht achter hem... Op dit oogenblik keek Sir Andrew om en zag hij haar; zij slaakte een zucht, wreef met de hand langs haar voorhoofd en murmelde flauwtjes: „De warmtein de zaal was onuitstaanbaar... Ik voelde mij zoo onpasselijk... Ah!...”Zij wankelde, alsof ze zou neervallen, en Sir Andrew,het briefje in zijn hand verkreukelend, had juist den tijd haar op te vangen.„U zijt ongesteld, Lady Blakeney? Laat mij...”„Neen, neen, ’t is niets—een stoel—gauw!”Ze zonk in een stoel neer, dicht bij de tafel, en het hoofd in den nek werpend, sloot ze de oogen.„Ziedaar,” prevelde ze nog zwakjes, „’t gaat over... Bekreun u niet om mij, Sir Andrew, ik verzeker u, ik voel me weer beter.”Marguerite zat daar met schijnbaar gesloten oogen. Sir Andrew was terstond achter haar, aan haar rechterhand stond de tafel met een vijfarmigen kroonluchter erop.Er heerschte een oogenblik doodelijke stilte in het kleineboudoir. Sir Andrew had geen woord meer gesproken. Ze kon door haar half gesloten oogleden zien, dat hij nu het papiertje tegen de vlam hield van een der kaarsen.Juist op het oogenblik, dat het vuur vatte, opende ze de oogen, verhief ze haar hand en had ze het brandend kattebelletje uit de hand genomen van den jongen man. Toen blies ze de vlam uit en hield heel kalm het reepje tegen haar neusgaten aan.„Hoe bedachtzaam van u, Sir Andrew,” zei ze opgeruimd, „u hebt zeker van uw grootmoeder geleerd, dat de reuk van verbrand papier een radicaal middel is tegen lichtheid in het hoofd, noem het duizeling.”Zij slaakte een zucht van voldoening, onderwijl ze het papier, dat wellicht het leven van haar broeder kon redden, vast tusschen haar vingers kneep. Sir Andrew staarde haar aan, voor het oogenblik al te verward, om na te gaan, wat er werkelijk was voorgevallen. Hij was zoo geheel en al verrast, dat hij volstrekt niet in staat was zich rekenschap te geven van het feit, dat het strookje papier, dat zij in haar hand hield, misschien iets was, waarvan het leven kon afhangen van zijn kameraad en bondgenoot.Marguerite barstte in een lange vroolijke lachbui los.„Waarom kijkt u me zoo aan?” vroeg ze gekscherend. „Ik verzeker u, dat ik me veel beter gevoel; uw middel heeft zijn uitwerking niet gemist. Dit vertrek is heerlijk koel,” voegde ze met volmaakte kalmte er aan toe.Sir Andrew was bezig zijn hoofd te breken met de meest afdoende manier om het stukje papier uit haar handen te krijgen. Vage gedachten stormden op hem aan. Plotseling dacht hij aan haar nationaliteit, en herinnerde hij zich het akelig praatje aangaande den markies de St. Cyr, waaraan niemand in Engeland geloof had geslagen, terwille van Sir Percy en niet minder om diens aanvallige vrouw.„Hoe is het? Nog altijd mijmerend en starend?” zei ze met een guitig lachje. „Kom, dat is nu eens niet galant, Sir Andrew; en nu ik eraan denk, scheen u meer geschrikt bij mijn verschijning dan wel er mee ingenomen. Ik zal op ’t laatst nog moeten gelooven, dat het niet voor mijn gezondheid was, dat u dit kattebelletje hebt aangestoken... ik wil wedden, dat ’t het laatste briefje geweest is van uw verloofde, dat u aan de vlammen hebt willen prijs geven. Nu beken het maar!” voegde zij eraan toe, terwijl ze speelsgewijs het strookje papier in de hoogte hield, „is het een finaal vaarwel of een verzoek om weer goede vrienden te worden?”„Wat het ook moge zijn, lady Blakeney,” zei Sir Andrew, die langzamerhand zijn zelfbewustzijn herkreeg, „dit kleine briefje is toch mijn eigendom, en...”De jonkman, in zijn eigenaardige positie zich er niet om bekreunend, dat hij met een dame te doen had, maakte een plotselinge voorwaartsche beweging om het papiertje in zijn bezit te krijgen, maar Marguerite’s gedachten liepen de zijne vooruit. Zij was slank en sterk; zij deed een haastigen stap achterwaarts en wierp het tafeltje omver, dat met een smak neerviel, tegelijk met den massieven luchter.„De kaarsen, Sir Andrew—gauw, gauw!” schreeuwde ze.De schade was van geen beteekenis; een paar kaarsen waren uitgegaan toen de luchter neerviel; de anderehadden een weinig was op het tapijt laten vallen. Sir Andrew bluschte behendig de vlam en plaatste den luchter weer op de tafel. Maar dit had hem een paar seconden bezig gehouden, en deze korte spanne tijds was voldoende geweest voor Marguerite om een vluchtigen blik te werpen op het papier en den inhoud te noteeren—een dozijn woorden in hetzelfde handschrift, dat zij door tusschenkomst van Chauvelin had gezien met dezelfde handteekening—een Sterrebloem in rooden inkt.Om een vluchtigen blik te werpen op het papier (pag. 70).Om een vluchtigen blik te werpen op het papier (pag. 70).Toen Sir Andrew haar weer gadesloeg, teekende haar gelaat ongerustheid, terwijl het nietig, maar gewichtig papiertje op den vloer was gevallen. Haastig raapte de jonkman het op, zijn gezicht teekende verlichting, toen hij het tusschen zijn vingers klemde.„U zult mij wel ten goede houden, lady Blakeney,” zei hij, zoo kalm als ook zij zich toonde, „dat ik mij weer zet tot de belangwekkende bezigheid, die u hebt onderbroken?”„Wel zeker, Sir Andrew! U moet in ieder geval het minnebriefje verbranden!”Sir Andrew had het papiertje reeds gevlochten tot een lange pijl en hield het andermaal tegen de vlam van de kaars, die niet was uitgegaan. Weldra viel het laatste stukje op den vloer en zette hij zijn hiel op de asch.„En nu, Sir Andrew,” zei Marguerite Blakeney, met aanvallige nonchalance en innemenden glimlach, „durft u er zich aan te wagen de jaloezie uwer bekoorlijke dame gaande te maken door mij te vragen voor den menuet?”
ELFDE HOOFDSTUK.Op het bal bij Lord Grenville.
Het historisch bal, door den toenmaligen Staatssecretaris van Buitenlandsche Zaken, Lord Grenville, gegeven, was de schitterendste gebeurtenis van het geheele jaar in de hooge kringen der wereldstad.Zijn Koninklijke Hoogheid de Prins van Wales had zijn tegenwoordigheid toegezegd. Tegen klokslag tien—een buitengewoon laat uur in die dagen—waren de ruime, keurig met palmboomen en bloemen gedecoreerdezalen van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken overvol met bezoekers van allerlei slag. Een lokaal was uitsluitend bestemd voor den dans, en het tempo van de menuet was een zachte begeleiding van den vroolijken kout, den opgewekten lachlust der talrijke en schitterende genoodigden.Marguerite leed oneindig. Hoewel ze lachte en praatte, hoewel ze meer werd bewonderd en gevierd dan eenige vrouw daar aanwezig, gevoelde zij zich als een ter dood veroordeelde, die haar laatsten levensdag telde op aarde.Ze had een kort uurtje—tusschen opera en bal—gesleten in het gezelschap van haren echtgenoot. De hoop van in dit goed-geaard, loom individu een waardig vriend en raadsman aan te treffen, was even spoedig verdwenen, als ze was ontstaan, op het oogenblik, dat zij zich alleen met hem bevond. In dit hartverscheurend kritiek oogenblik had zij zich afgekeerd van den man, die haar tot zedelijken steun moest strekken, die haar had moeten dienen met raad en daad.Daar stond hij, de moreele steunpilaar, de koelbloedige raadsman, omringd door een kring van hersenlooze, leeghoofdige melkmuilen, die van mond tot mond een kreupelrijmpje herhaalden, dat Percy zoo juist ten beste had gegeven:„Wij zoeken hem hier, wij zoeken hem daar,De Franschen zoeken hem... och, zoo raar!Nu in den hemel, dan in de hel,Dien eeuwig onvindb’ren Pimpernel!”Zijn mop had de rondte gedaan in de schitterende ontvangzalen. De prins was betooverd. Hij verklaarde, dat zonder Blakeney het leven een treurige woestenij zou zijn. Daarop had hij hem bij den arm genomen, mee naar de speelzaal getroond en was een langdurig hazardspel met hem begonnen.Sir Percy, wiens voornaamste genoegens zich om de speeltafel schenen te concentreeren, liet als naar gewoonte zijn vrouw flirten, dansen, zich amuseeren of vervelen, al naar zij wilde. Na zijn aardigheid(?) gedebiteerd tehebben, had hij Marguerite achtergelaten, omringd door een schaar van bewonderaars en hoofsche vleiers.Later in den avond kreeg zij Sir Andrew Foulkes en Lord Anthony Dewhurst in het oog. Deze heeren schenen juist te zijn aangekomen.Beide jongelieden zagen er een weinig vermoeid en zenuwachtig uit, overigens kon men niet het minste teeken bespeuren van het ontzettend gevaar, dat, naar hun gevoelen, henzelven en hun leider dreigde.Dat het Verbond van de Roode Pimpernel niet voornemens was zijn taak op te geven, had zij van de kleine Suzanne zelf vernomen, van Suzanne, die openlijk de verzekering had medegedeeld, welke zij en haar moeder hadden verkregen, dat de Graaf de Tournay binnenkort door het Verbond uit Frankrijk zou bevrijd worden.Marguerite begon zich af te vragen, wie van de wereldlingen rondom haar de geheimzinnige „Roode Pimpernel” was, die het lot van zooveel kostbare menschenlevens in zijn handen hield.Een brandende nieuwsgierigheid greep haar aan, hem te ontdekken en te leeren kennen, al had zij maanden lang van hem gehoord en zijn anonimiteit aanvaard, zooals ieder ander in de samenleving het zich had getroost. Maar nu verlangde ze te weten—geheel afgezien van Armand, en oh! geheel afgezien van Chauvelin—enkel om harentwil, om de geestdriftige bewondering, die zij altijd had gekoesterd voor zijn dapperheid en schrander overleg.Natuurlijk moest hij ergens op het bal zijn, immers Sir Andrew Foulkes en Lord Anthony Dewhurst waren er tegenwoordig.Marguerite bestudeerde ieder mannelijk individu.Was het Sir Andrew Foulkes? Hij, met zijn dwepende blauwe oogen, die de kleine Suzanne zoo teeder en verlangend konden aanzien, kon het niet zijn.Zij sloeg hem gade, toen hij langzaam naar de deur ging, die naar een klein boudoir aan de overzijde leidde, vervolgens stilstond en tegen het lijstwerk leunde, onderwijlhij behoedzaam rondkeek. Zij hield zich op eenigen afstand van de aanzienlijke bezoekers en naderde den ingang, waartegen Sir Andrew steunde. Waarom zij verlangde hem te naderen, daarvan kon zij zich geen rekenschap geven.Eensklaps stond zij stil; het was of haar hart ophield te kloppen.Sir Andrew Foulkes stond altijd nog in dezelfde kalme houding bij de deur, doch duidelijk had Marguerite gezien, dat Lord Hastings, een der vrienden van haar echtgenoot, onderwijl hij Sir Andrew rakelings voorbij ging, dezen iets in de hand stopte.Een oogenblik nog bleef Marguerite staan: in het volgend had ze haar wandeling hervat door het vertrek, maar ditmaal spoediger naar den ingang, waardoor Sir Andrew was verdwenen.Dit alles, van het oogenblik, dat Lady Blakeney Sir Andrew tegen de deur had zien leunen, totdat ze hem gevolgd was in het kleine boudoir, was in minder dan een minuut geschied.Nu had Lady Blakeney plotseling opgehouden te bestaan. Het was enkel Marguerite St. Just, die zich daar bevond. Marguerite St. Just, die haar kindsheid, haar eerste jeugd had gesleten onder de beschermende hoede van Armand, haar broeder. Zij had alles vergeten—haar rang, haar waardigheid—alles, alleen niet het feit, dat Armand in levensgevaar verkeerde, en dat daar, op geen tien schreden afstand van haar, in het kleine, nu geheel eenzame vertrek, in de handen van Sir Andrew Foulkes het tooverwoord zich kon bevinden, dat het leven van haar broeder zou redden.Zij had het verlaten boudoir bereikt. Sir Andrew stond met den rug naar haar toe, dicht bij een tafel, waarop een massief zilveren kroonluchter stond. Hij hield een strookje papier in zijn hand en was bezig dit aandachtig te lezen.Onbemerkt met ingehouden adem, sloop Marguerite dicht achter hem... Op dit oogenblik keek Sir Andrew om en zag hij haar; zij slaakte een zucht, wreef met de hand langs haar voorhoofd en murmelde flauwtjes: „De warmtein de zaal was onuitstaanbaar... Ik voelde mij zoo onpasselijk... Ah!...”Zij wankelde, alsof ze zou neervallen, en Sir Andrew,het briefje in zijn hand verkreukelend, had juist den tijd haar op te vangen.„U zijt ongesteld, Lady Blakeney? Laat mij...”„Neen, neen, ’t is niets—een stoel—gauw!”Ze zonk in een stoel neer, dicht bij de tafel, en het hoofd in den nek werpend, sloot ze de oogen.„Ziedaar,” prevelde ze nog zwakjes, „’t gaat over... Bekreun u niet om mij, Sir Andrew, ik verzeker u, ik voel me weer beter.”Marguerite zat daar met schijnbaar gesloten oogen. Sir Andrew was terstond achter haar, aan haar rechterhand stond de tafel met een vijfarmigen kroonluchter erop.Er heerschte een oogenblik doodelijke stilte in het kleineboudoir. Sir Andrew had geen woord meer gesproken. Ze kon door haar half gesloten oogleden zien, dat hij nu het papiertje tegen de vlam hield van een der kaarsen.Juist op het oogenblik, dat het vuur vatte, opende ze de oogen, verhief ze haar hand en had ze het brandend kattebelletje uit de hand genomen van den jongen man. Toen blies ze de vlam uit en hield heel kalm het reepje tegen haar neusgaten aan.„Hoe bedachtzaam van u, Sir Andrew,” zei ze opgeruimd, „u hebt zeker van uw grootmoeder geleerd, dat de reuk van verbrand papier een radicaal middel is tegen lichtheid in het hoofd, noem het duizeling.”Zij slaakte een zucht van voldoening, onderwijl ze het papier, dat wellicht het leven van haar broeder kon redden, vast tusschen haar vingers kneep. Sir Andrew staarde haar aan, voor het oogenblik al te verward, om na te gaan, wat er werkelijk was voorgevallen. Hij was zoo geheel en al verrast, dat hij volstrekt niet in staat was zich rekenschap te geven van het feit, dat het strookje papier, dat zij in haar hand hield, misschien iets was, waarvan het leven kon afhangen van zijn kameraad en bondgenoot.Marguerite barstte in een lange vroolijke lachbui los.„Waarom kijkt u me zoo aan?” vroeg ze gekscherend. „Ik verzeker u, dat ik me veel beter gevoel; uw middel heeft zijn uitwerking niet gemist. Dit vertrek is heerlijk koel,” voegde ze met volmaakte kalmte er aan toe.Sir Andrew was bezig zijn hoofd te breken met de meest afdoende manier om het stukje papier uit haar handen te krijgen. Vage gedachten stormden op hem aan. Plotseling dacht hij aan haar nationaliteit, en herinnerde hij zich het akelig praatje aangaande den markies de St. Cyr, waaraan niemand in Engeland geloof had geslagen, terwille van Sir Percy en niet minder om diens aanvallige vrouw.„Hoe is het? Nog altijd mijmerend en starend?” zei ze met een guitig lachje. „Kom, dat is nu eens niet galant, Sir Andrew; en nu ik eraan denk, scheen u meer geschrikt bij mijn verschijning dan wel er mee ingenomen. Ik zal op ’t laatst nog moeten gelooven, dat het niet voor mijn gezondheid was, dat u dit kattebelletje hebt aangestoken... ik wil wedden, dat ’t het laatste briefje geweest is van uw verloofde, dat u aan de vlammen hebt willen prijs geven. Nu beken het maar!” voegde zij eraan toe, terwijl ze speelsgewijs het strookje papier in de hoogte hield, „is het een finaal vaarwel of een verzoek om weer goede vrienden te worden?”„Wat het ook moge zijn, lady Blakeney,” zei Sir Andrew, die langzamerhand zijn zelfbewustzijn herkreeg, „dit kleine briefje is toch mijn eigendom, en...”De jonkman, in zijn eigenaardige positie zich er niet om bekreunend, dat hij met een dame te doen had, maakte een plotselinge voorwaartsche beweging om het papiertje in zijn bezit te krijgen, maar Marguerite’s gedachten liepen de zijne vooruit. Zij was slank en sterk; zij deed een haastigen stap achterwaarts en wierp het tafeltje omver, dat met een smak neerviel, tegelijk met den massieven luchter.„De kaarsen, Sir Andrew—gauw, gauw!” schreeuwde ze.De schade was van geen beteekenis; een paar kaarsen waren uitgegaan toen de luchter neerviel; de anderehadden een weinig was op het tapijt laten vallen. Sir Andrew bluschte behendig de vlam en plaatste den luchter weer op de tafel. Maar dit had hem een paar seconden bezig gehouden, en deze korte spanne tijds was voldoende geweest voor Marguerite om een vluchtigen blik te werpen op het papier en den inhoud te noteeren—een dozijn woorden in hetzelfde handschrift, dat zij door tusschenkomst van Chauvelin had gezien met dezelfde handteekening—een Sterrebloem in rooden inkt.Om een vluchtigen blik te werpen op het papier (pag. 70).Om een vluchtigen blik te werpen op het papier (pag. 70).Toen Sir Andrew haar weer gadesloeg, teekende haar gelaat ongerustheid, terwijl het nietig, maar gewichtig papiertje op den vloer was gevallen. Haastig raapte de jonkman het op, zijn gezicht teekende verlichting, toen hij het tusschen zijn vingers klemde.„U zult mij wel ten goede houden, lady Blakeney,” zei hij, zoo kalm als ook zij zich toonde, „dat ik mij weer zet tot de belangwekkende bezigheid, die u hebt onderbroken?”„Wel zeker, Sir Andrew! U moet in ieder geval het minnebriefje verbranden!”Sir Andrew had het papiertje reeds gevlochten tot een lange pijl en hield het andermaal tegen de vlam van de kaars, die niet was uitgegaan. Weldra viel het laatste stukje op den vloer en zette hij zijn hiel op de asch.„En nu, Sir Andrew,” zei Marguerite Blakeney, met aanvallige nonchalance en innemenden glimlach, „durft u er zich aan te wagen de jaloezie uwer bekoorlijke dame gaande te maken door mij te vragen voor den menuet?”
Het historisch bal, door den toenmaligen Staatssecretaris van Buitenlandsche Zaken, Lord Grenville, gegeven, was de schitterendste gebeurtenis van het geheele jaar in de hooge kringen der wereldstad.
Zijn Koninklijke Hoogheid de Prins van Wales had zijn tegenwoordigheid toegezegd. Tegen klokslag tien—een buitengewoon laat uur in die dagen—waren de ruime, keurig met palmboomen en bloemen gedecoreerdezalen van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken overvol met bezoekers van allerlei slag. Een lokaal was uitsluitend bestemd voor den dans, en het tempo van de menuet was een zachte begeleiding van den vroolijken kout, den opgewekten lachlust der talrijke en schitterende genoodigden.
Marguerite leed oneindig. Hoewel ze lachte en praatte, hoewel ze meer werd bewonderd en gevierd dan eenige vrouw daar aanwezig, gevoelde zij zich als een ter dood veroordeelde, die haar laatsten levensdag telde op aarde.
Ze had een kort uurtje—tusschen opera en bal—gesleten in het gezelschap van haren echtgenoot. De hoop van in dit goed-geaard, loom individu een waardig vriend en raadsman aan te treffen, was even spoedig verdwenen, als ze was ontstaan, op het oogenblik, dat zij zich alleen met hem bevond. In dit hartverscheurend kritiek oogenblik had zij zich afgekeerd van den man, die haar tot zedelijken steun moest strekken, die haar had moeten dienen met raad en daad.
Daar stond hij, de moreele steunpilaar, de koelbloedige raadsman, omringd door een kring van hersenlooze, leeghoofdige melkmuilen, die van mond tot mond een kreupelrijmpje herhaalden, dat Percy zoo juist ten beste had gegeven:
„Wij zoeken hem hier, wij zoeken hem daar,De Franschen zoeken hem... och, zoo raar!Nu in den hemel, dan in de hel,Dien eeuwig onvindb’ren Pimpernel!”
„Wij zoeken hem hier, wij zoeken hem daar,
De Franschen zoeken hem... och, zoo raar!
Nu in den hemel, dan in de hel,
Dien eeuwig onvindb’ren Pimpernel!”
Zijn mop had de rondte gedaan in de schitterende ontvangzalen. De prins was betooverd. Hij verklaarde, dat zonder Blakeney het leven een treurige woestenij zou zijn. Daarop had hij hem bij den arm genomen, mee naar de speelzaal getroond en was een langdurig hazardspel met hem begonnen.
Sir Percy, wiens voornaamste genoegens zich om de speeltafel schenen te concentreeren, liet als naar gewoonte zijn vrouw flirten, dansen, zich amuseeren of vervelen, al naar zij wilde. Na zijn aardigheid(?) gedebiteerd tehebben, had hij Marguerite achtergelaten, omringd door een schaar van bewonderaars en hoofsche vleiers.
Later in den avond kreeg zij Sir Andrew Foulkes en Lord Anthony Dewhurst in het oog. Deze heeren schenen juist te zijn aangekomen.
Beide jongelieden zagen er een weinig vermoeid en zenuwachtig uit, overigens kon men niet het minste teeken bespeuren van het ontzettend gevaar, dat, naar hun gevoelen, henzelven en hun leider dreigde.
Dat het Verbond van de Roode Pimpernel niet voornemens was zijn taak op te geven, had zij van de kleine Suzanne zelf vernomen, van Suzanne, die openlijk de verzekering had medegedeeld, welke zij en haar moeder hadden verkregen, dat de Graaf de Tournay binnenkort door het Verbond uit Frankrijk zou bevrijd worden.
Marguerite begon zich af te vragen, wie van de wereldlingen rondom haar de geheimzinnige „Roode Pimpernel” was, die het lot van zooveel kostbare menschenlevens in zijn handen hield.
Een brandende nieuwsgierigheid greep haar aan, hem te ontdekken en te leeren kennen, al had zij maanden lang van hem gehoord en zijn anonimiteit aanvaard, zooals ieder ander in de samenleving het zich had getroost. Maar nu verlangde ze te weten—geheel afgezien van Armand, en oh! geheel afgezien van Chauvelin—enkel om harentwil, om de geestdriftige bewondering, die zij altijd had gekoesterd voor zijn dapperheid en schrander overleg.
Natuurlijk moest hij ergens op het bal zijn, immers Sir Andrew Foulkes en Lord Anthony Dewhurst waren er tegenwoordig.
Marguerite bestudeerde ieder mannelijk individu.
Was het Sir Andrew Foulkes? Hij, met zijn dwepende blauwe oogen, die de kleine Suzanne zoo teeder en verlangend konden aanzien, kon het niet zijn.
Zij sloeg hem gade, toen hij langzaam naar de deur ging, die naar een klein boudoir aan de overzijde leidde, vervolgens stilstond en tegen het lijstwerk leunde, onderwijlhij behoedzaam rondkeek. Zij hield zich op eenigen afstand van de aanzienlijke bezoekers en naderde den ingang, waartegen Sir Andrew steunde. Waarom zij verlangde hem te naderen, daarvan kon zij zich geen rekenschap geven.
Eensklaps stond zij stil; het was of haar hart ophield te kloppen.
Sir Andrew Foulkes stond altijd nog in dezelfde kalme houding bij de deur, doch duidelijk had Marguerite gezien, dat Lord Hastings, een der vrienden van haar echtgenoot, onderwijl hij Sir Andrew rakelings voorbij ging, dezen iets in de hand stopte.
Een oogenblik nog bleef Marguerite staan: in het volgend had ze haar wandeling hervat door het vertrek, maar ditmaal spoediger naar den ingang, waardoor Sir Andrew was verdwenen.
Dit alles, van het oogenblik, dat Lady Blakeney Sir Andrew tegen de deur had zien leunen, totdat ze hem gevolgd was in het kleine boudoir, was in minder dan een minuut geschied.
Nu had Lady Blakeney plotseling opgehouden te bestaan. Het was enkel Marguerite St. Just, die zich daar bevond. Marguerite St. Just, die haar kindsheid, haar eerste jeugd had gesleten onder de beschermende hoede van Armand, haar broeder. Zij had alles vergeten—haar rang, haar waardigheid—alles, alleen niet het feit, dat Armand in levensgevaar verkeerde, en dat daar, op geen tien schreden afstand van haar, in het kleine, nu geheel eenzame vertrek, in de handen van Sir Andrew Foulkes het tooverwoord zich kon bevinden, dat het leven van haar broeder zou redden.
Zij had het verlaten boudoir bereikt. Sir Andrew stond met den rug naar haar toe, dicht bij een tafel, waarop een massief zilveren kroonluchter stond. Hij hield een strookje papier in zijn hand en was bezig dit aandachtig te lezen.
Onbemerkt met ingehouden adem, sloop Marguerite dicht achter hem... Op dit oogenblik keek Sir Andrew om en zag hij haar; zij slaakte een zucht, wreef met de hand langs haar voorhoofd en murmelde flauwtjes: „De warmtein de zaal was onuitstaanbaar... Ik voelde mij zoo onpasselijk... Ah!...”
Zij wankelde, alsof ze zou neervallen, en Sir Andrew,het briefje in zijn hand verkreukelend, had juist den tijd haar op te vangen.
„U zijt ongesteld, Lady Blakeney? Laat mij...”
„Neen, neen, ’t is niets—een stoel—gauw!”
Ze zonk in een stoel neer, dicht bij de tafel, en het hoofd in den nek werpend, sloot ze de oogen.
„Ziedaar,” prevelde ze nog zwakjes, „’t gaat over... Bekreun u niet om mij, Sir Andrew, ik verzeker u, ik voel me weer beter.”
Marguerite zat daar met schijnbaar gesloten oogen. Sir Andrew was terstond achter haar, aan haar rechterhand stond de tafel met een vijfarmigen kroonluchter erop.
Er heerschte een oogenblik doodelijke stilte in het kleineboudoir. Sir Andrew had geen woord meer gesproken. Ze kon door haar half gesloten oogleden zien, dat hij nu het papiertje tegen de vlam hield van een der kaarsen.
Juist op het oogenblik, dat het vuur vatte, opende ze de oogen, verhief ze haar hand en had ze het brandend kattebelletje uit de hand genomen van den jongen man. Toen blies ze de vlam uit en hield heel kalm het reepje tegen haar neusgaten aan.
„Hoe bedachtzaam van u, Sir Andrew,” zei ze opgeruimd, „u hebt zeker van uw grootmoeder geleerd, dat de reuk van verbrand papier een radicaal middel is tegen lichtheid in het hoofd, noem het duizeling.”
Zij slaakte een zucht van voldoening, onderwijl ze het papier, dat wellicht het leven van haar broeder kon redden, vast tusschen haar vingers kneep. Sir Andrew staarde haar aan, voor het oogenblik al te verward, om na te gaan, wat er werkelijk was voorgevallen. Hij was zoo geheel en al verrast, dat hij volstrekt niet in staat was zich rekenschap te geven van het feit, dat het strookje papier, dat zij in haar hand hield, misschien iets was, waarvan het leven kon afhangen van zijn kameraad en bondgenoot.
Marguerite barstte in een lange vroolijke lachbui los.
„Waarom kijkt u me zoo aan?” vroeg ze gekscherend. „Ik verzeker u, dat ik me veel beter gevoel; uw middel heeft zijn uitwerking niet gemist. Dit vertrek is heerlijk koel,” voegde ze met volmaakte kalmte er aan toe.
Sir Andrew was bezig zijn hoofd te breken met de meest afdoende manier om het stukje papier uit haar handen te krijgen. Vage gedachten stormden op hem aan. Plotseling dacht hij aan haar nationaliteit, en herinnerde hij zich het akelig praatje aangaande den markies de St. Cyr, waaraan niemand in Engeland geloof had geslagen, terwille van Sir Percy en niet minder om diens aanvallige vrouw.
„Hoe is het? Nog altijd mijmerend en starend?” zei ze met een guitig lachje. „Kom, dat is nu eens niet galant, Sir Andrew; en nu ik eraan denk, scheen u meer geschrikt bij mijn verschijning dan wel er mee ingenomen. Ik zal op ’t laatst nog moeten gelooven, dat het niet voor mijn gezondheid was, dat u dit kattebelletje hebt aangestoken... ik wil wedden, dat ’t het laatste briefje geweest is van uw verloofde, dat u aan de vlammen hebt willen prijs geven. Nu beken het maar!” voegde zij eraan toe, terwijl ze speelsgewijs het strookje papier in de hoogte hield, „is het een finaal vaarwel of een verzoek om weer goede vrienden te worden?”
„Wat het ook moge zijn, lady Blakeney,” zei Sir Andrew, die langzamerhand zijn zelfbewustzijn herkreeg, „dit kleine briefje is toch mijn eigendom, en...”
De jonkman, in zijn eigenaardige positie zich er niet om bekreunend, dat hij met een dame te doen had, maakte een plotselinge voorwaartsche beweging om het papiertje in zijn bezit te krijgen, maar Marguerite’s gedachten liepen de zijne vooruit. Zij was slank en sterk; zij deed een haastigen stap achterwaarts en wierp het tafeltje omver, dat met een smak neerviel, tegelijk met den massieven luchter.
„De kaarsen, Sir Andrew—gauw, gauw!” schreeuwde ze.
De schade was van geen beteekenis; een paar kaarsen waren uitgegaan toen de luchter neerviel; de anderehadden een weinig was op het tapijt laten vallen. Sir Andrew bluschte behendig de vlam en plaatste den luchter weer op de tafel. Maar dit had hem een paar seconden bezig gehouden, en deze korte spanne tijds was voldoende geweest voor Marguerite om een vluchtigen blik te werpen op het papier en den inhoud te noteeren—een dozijn woorden in hetzelfde handschrift, dat zij door tusschenkomst van Chauvelin had gezien met dezelfde handteekening—een Sterrebloem in rooden inkt.
Om een vluchtigen blik te werpen op het papier (pag. 70).Om een vluchtigen blik te werpen op het papier (pag. 70).
Om een vluchtigen blik te werpen op het papier (pag. 70).
Toen Sir Andrew haar weer gadesloeg, teekende haar gelaat ongerustheid, terwijl het nietig, maar gewichtig papiertje op den vloer was gevallen. Haastig raapte de jonkman het op, zijn gezicht teekende verlichting, toen hij het tusschen zijn vingers klemde.
„U zult mij wel ten goede houden, lady Blakeney,” zei hij, zoo kalm als ook zij zich toonde, „dat ik mij weer zet tot de belangwekkende bezigheid, die u hebt onderbroken?”
„Wel zeker, Sir Andrew! U moet in ieder geval het minnebriefje verbranden!”
Sir Andrew had het papiertje reeds gevlochten tot een lange pijl en hield het andermaal tegen de vlam van de kaars, die niet was uitgegaan. Weldra viel het laatste stukje op den vloer en zette hij zijn hiel op de asch.
„En nu, Sir Andrew,” zei Marguerite Blakeney, met aanvallige nonchalance en innemenden glimlach, „durft u er zich aan te wagen de jaloezie uwer bekoorlijke dame gaande te maken door mij te vragen voor den menuet?”