TWAALFDE HOOFDSTUK.

TWAALFDE HOOFDSTUK.„Of dit—of...?”De weinige woorden, welke Marguerite Blakeney in staat was geweest te lezen op het half verschroeide papier, schenen letterlijk woorden van het Noodlot. „Ik vertrek zelf morgen...”Deze woorden waren zeer duidelijk; dan volgden er eenige, die zij wegens den walm der kaars niet kon ontcijferen; vervolgens las ze onderaan zeer duidelijk: „Zoo ge me nog eens wenscht te spreken, zal ik tegen precies één uur na middernacht in de eetzaal aanwezig zijn.”Tegen één uur precies! Het was nu bij elven, de laatste menuet zou gedanst worden met Sir Andrew Foulkes en de schoone Lady Blakeney, die de paren zouden aanvoeren.Binnen twee uur moest zij besluiten of zij de wetenschap, die ze zoo listig had verkregen, geheim wilde houden of opzettelijk een braaf man verraden, wiens leven aan het heil zijner medemenschen was gewijd. De keus was ontzettend. Maar dan... Armand! Armand, die haar liefhad en zijn leven gaarne aan haar handen had toevertrouwd, en nu zij hem kon redden van den dood, aarzelde zij. Oh! het was een monsterachtig iets!Deze tweestrijd woelde door haar brein, terwijl ze, met een glimlach op de lippen, heengleed door den aanvalligen menuet. Zij bespeurde, dat de zenuwachtigheid van Sir Andrew onder haar glimlach verdween, en toen de dans ten einde was, verzocht zij dezen haar te geleiden naar de aangrenzende zaal.„Ik heb beloofd met Zijn Koninklijke Hoogheid te soupeeren,” zeide ze, „maar alvorens wij scheiden, zeg mij... of ik vergeving heb ontvangen?”„Vergiffenis?”„Ja! Beken, dat ik u zoo even schrik heb aangejaagd. Doch bedenk, ik ben geen Engelsche, ik beschouw het wisselen van minnebriefjes niet als een misdaad, ik beloof u, dat ik mijn kleine Suzanne er niets van zeggen zal. Maar zeg mij nu, of ik u Woensdag aanstaanden op mijn waterfeest mag aantreffen?”„Dat kan ik met zekerheid niet beloven, Lady Blakeney,” antwoordde hij, een rechtstreeksche toezegging ontwijkend. „Het kan zijn, dat ik morgen uit Londen moet vertrekken.”„Ik zou dat niet doen, zoo ik in uw plaats ware,” zei ze ernstig, en den onrustigen blik andermaal in zijn oogen ziende verschijnen, voegde ze er vroolijk aan toe:„Niemand kan een bal beter raken dan gij, Sir Andrew, wij zullen u bij het tennis-spel danig missen.”Hij had haar begeleid naar de aangrenzende zaal, waar Zijn Koninklijke Hoogheid de schoone Lady Blakeney reeds verbeidde.„Madame, het souper wacht ons,” zei de Prins, terwijl hij Marguerite zijn arm bood.

TWAALFDE HOOFDSTUK.„Of dit—of...?”De weinige woorden, welke Marguerite Blakeney in staat was geweest te lezen op het half verschroeide papier, schenen letterlijk woorden van het Noodlot. „Ik vertrek zelf morgen...”Deze woorden waren zeer duidelijk; dan volgden er eenige, die zij wegens den walm der kaars niet kon ontcijferen; vervolgens las ze onderaan zeer duidelijk: „Zoo ge me nog eens wenscht te spreken, zal ik tegen precies één uur na middernacht in de eetzaal aanwezig zijn.”Tegen één uur precies! Het was nu bij elven, de laatste menuet zou gedanst worden met Sir Andrew Foulkes en de schoone Lady Blakeney, die de paren zouden aanvoeren.Binnen twee uur moest zij besluiten of zij de wetenschap, die ze zoo listig had verkregen, geheim wilde houden of opzettelijk een braaf man verraden, wiens leven aan het heil zijner medemenschen was gewijd. De keus was ontzettend. Maar dan... Armand! Armand, die haar liefhad en zijn leven gaarne aan haar handen had toevertrouwd, en nu zij hem kon redden van den dood, aarzelde zij. Oh! het was een monsterachtig iets!Deze tweestrijd woelde door haar brein, terwijl ze, met een glimlach op de lippen, heengleed door den aanvalligen menuet. Zij bespeurde, dat de zenuwachtigheid van Sir Andrew onder haar glimlach verdween, en toen de dans ten einde was, verzocht zij dezen haar te geleiden naar de aangrenzende zaal.„Ik heb beloofd met Zijn Koninklijke Hoogheid te soupeeren,” zeide ze, „maar alvorens wij scheiden, zeg mij... of ik vergeving heb ontvangen?”„Vergiffenis?”„Ja! Beken, dat ik u zoo even schrik heb aangejaagd. Doch bedenk, ik ben geen Engelsche, ik beschouw het wisselen van minnebriefjes niet als een misdaad, ik beloof u, dat ik mijn kleine Suzanne er niets van zeggen zal. Maar zeg mij nu, of ik u Woensdag aanstaanden op mijn waterfeest mag aantreffen?”„Dat kan ik met zekerheid niet beloven, Lady Blakeney,” antwoordde hij, een rechtstreeksche toezegging ontwijkend. „Het kan zijn, dat ik morgen uit Londen moet vertrekken.”„Ik zou dat niet doen, zoo ik in uw plaats ware,” zei ze ernstig, en den onrustigen blik andermaal in zijn oogen ziende verschijnen, voegde ze er vroolijk aan toe:„Niemand kan een bal beter raken dan gij, Sir Andrew, wij zullen u bij het tennis-spel danig missen.”Hij had haar begeleid naar de aangrenzende zaal, waar Zijn Koninklijke Hoogheid de schoone Lady Blakeney reeds verbeidde.„Madame, het souper wacht ons,” zei de Prins, terwijl hij Marguerite zijn arm bood.

TWAALFDE HOOFDSTUK.„Of dit—of...?”

De weinige woorden, welke Marguerite Blakeney in staat was geweest te lezen op het half verschroeide papier, schenen letterlijk woorden van het Noodlot. „Ik vertrek zelf morgen...”Deze woorden waren zeer duidelijk; dan volgden er eenige, die zij wegens den walm der kaars niet kon ontcijferen; vervolgens las ze onderaan zeer duidelijk: „Zoo ge me nog eens wenscht te spreken, zal ik tegen precies één uur na middernacht in de eetzaal aanwezig zijn.”Tegen één uur precies! Het was nu bij elven, de laatste menuet zou gedanst worden met Sir Andrew Foulkes en de schoone Lady Blakeney, die de paren zouden aanvoeren.Binnen twee uur moest zij besluiten of zij de wetenschap, die ze zoo listig had verkregen, geheim wilde houden of opzettelijk een braaf man verraden, wiens leven aan het heil zijner medemenschen was gewijd. De keus was ontzettend. Maar dan... Armand! Armand, die haar liefhad en zijn leven gaarne aan haar handen had toevertrouwd, en nu zij hem kon redden van den dood, aarzelde zij. Oh! het was een monsterachtig iets!Deze tweestrijd woelde door haar brein, terwijl ze, met een glimlach op de lippen, heengleed door den aanvalligen menuet. Zij bespeurde, dat de zenuwachtigheid van Sir Andrew onder haar glimlach verdween, en toen de dans ten einde was, verzocht zij dezen haar te geleiden naar de aangrenzende zaal.„Ik heb beloofd met Zijn Koninklijke Hoogheid te soupeeren,” zeide ze, „maar alvorens wij scheiden, zeg mij... of ik vergeving heb ontvangen?”„Vergiffenis?”„Ja! Beken, dat ik u zoo even schrik heb aangejaagd. Doch bedenk, ik ben geen Engelsche, ik beschouw het wisselen van minnebriefjes niet als een misdaad, ik beloof u, dat ik mijn kleine Suzanne er niets van zeggen zal. Maar zeg mij nu, of ik u Woensdag aanstaanden op mijn waterfeest mag aantreffen?”„Dat kan ik met zekerheid niet beloven, Lady Blakeney,” antwoordde hij, een rechtstreeksche toezegging ontwijkend. „Het kan zijn, dat ik morgen uit Londen moet vertrekken.”„Ik zou dat niet doen, zoo ik in uw plaats ware,” zei ze ernstig, en den onrustigen blik andermaal in zijn oogen ziende verschijnen, voegde ze er vroolijk aan toe:„Niemand kan een bal beter raken dan gij, Sir Andrew, wij zullen u bij het tennis-spel danig missen.”Hij had haar begeleid naar de aangrenzende zaal, waar Zijn Koninklijke Hoogheid de schoone Lady Blakeney reeds verbeidde.„Madame, het souper wacht ons,” zei de Prins, terwijl hij Marguerite zijn arm bood.

De weinige woorden, welke Marguerite Blakeney in staat was geweest te lezen op het half verschroeide papier, schenen letterlijk woorden van het Noodlot. „Ik vertrek zelf morgen...”

Deze woorden waren zeer duidelijk; dan volgden er eenige, die zij wegens den walm der kaars niet kon ontcijferen; vervolgens las ze onderaan zeer duidelijk: „Zoo ge me nog eens wenscht te spreken, zal ik tegen precies één uur na middernacht in de eetzaal aanwezig zijn.”

Tegen één uur precies! Het was nu bij elven, de laatste menuet zou gedanst worden met Sir Andrew Foulkes en de schoone Lady Blakeney, die de paren zouden aanvoeren.

Binnen twee uur moest zij besluiten of zij de wetenschap, die ze zoo listig had verkregen, geheim wilde houden of opzettelijk een braaf man verraden, wiens leven aan het heil zijner medemenschen was gewijd. De keus was ontzettend. Maar dan... Armand! Armand, die haar liefhad en zijn leven gaarne aan haar handen had toevertrouwd, en nu zij hem kon redden van den dood, aarzelde zij. Oh! het was een monsterachtig iets!

Deze tweestrijd woelde door haar brein, terwijl ze, met een glimlach op de lippen, heengleed door den aanvalligen menuet. Zij bespeurde, dat de zenuwachtigheid van Sir Andrew onder haar glimlach verdween, en toen de dans ten einde was, verzocht zij dezen haar te geleiden naar de aangrenzende zaal.

„Ik heb beloofd met Zijn Koninklijke Hoogheid te soupeeren,” zeide ze, „maar alvorens wij scheiden, zeg mij... of ik vergeving heb ontvangen?”

„Vergiffenis?”

„Ja! Beken, dat ik u zoo even schrik heb aangejaagd. Doch bedenk, ik ben geen Engelsche, ik beschouw het wisselen van minnebriefjes niet als een misdaad, ik beloof u, dat ik mijn kleine Suzanne er niets van zeggen zal. Maar zeg mij nu, of ik u Woensdag aanstaanden op mijn waterfeest mag aantreffen?”

„Dat kan ik met zekerheid niet beloven, Lady Blakeney,” antwoordde hij, een rechtstreeksche toezegging ontwijkend. „Het kan zijn, dat ik morgen uit Londen moet vertrekken.”

„Ik zou dat niet doen, zoo ik in uw plaats ware,” zei ze ernstig, en den onrustigen blik andermaal in zijn oogen ziende verschijnen, voegde ze er vroolijk aan toe:

„Niemand kan een bal beter raken dan gij, Sir Andrew, wij zullen u bij het tennis-spel danig missen.”

Hij had haar begeleid naar de aangrenzende zaal, waar Zijn Koninklijke Hoogheid de schoone Lady Blakeney reeds verbeidde.

„Madame, het souper wacht ons,” zei de Prins, terwijl hij Marguerite zijn arm bood.


Back to IndexNext