TIENDE HOOFDSTUK.In de loge der opera.Het was een der gala-avonden inCovent Garden Theatre, de eerste van het herfstseizoen, in het gedenkwaardig jaar 1792; het gordijn was juist opgehaald voor het 3e bedrijf van Gluck’s toonwerkOrpheus.De heer Chauvelin zat er, zijn onafscheidelijke snuifdoos in de hand, met zijn doordringende scherpe oogen voortdurend gevestigd op een loge tegenover hem, waar Marguerite Blakeney, vergezeld van haar echtgenoot, zoo even was binnen gekomen; onder haar weelderigen goudbruinen lokkentooi zag de vrouw er hemelsch uit.Alvorens plaats te nemen, leunde ze, met de vrijmoedigheid der gewezen tooneelspeelster, een oogenblik uit de loge, nagaande onder het publiek de bezoekers, die zij kende. Menigeen gaf haar een hoofdknik, zelfs uit de Koningsloge kwam een minzame groet.Chauvelin sloeg haar onafgewend gade, bij het beginvan het 3e bedrijf, terwijl zij geheel onder de macht scheen van de muziek, waarvan ze een hartstochtelijke liefhebster was. De echte levensvreugd stond duidelijk te lezen op haar lief jong gezichtje en schitterde uit haar lachende blauwe oogen. Twee dagen geleden was deDay Dreamvan Calais teruggekeerd met de tijding der behouden aankomst van haar broeder, dat hij haar in gedachten hield, en om harentwil voorzichtig zou te werk gaan.Haar echtgenoot was bij haar gebleven in de loge, zoolang de goede toon dit eischte, toen ruimde hij de plaats voor Zijne Koninklijke Hoogheid den Prins van Wales en het heirleger bewonderaars, die in onafgebroken optocht de koningin van den dag hun hulde kwamen aanbieden. Sir Percy had zich langzaam verwijderd, waarschijnlijk om kennissen aan te spreken, die meer met zijn neigingen strookten. Marguerite vroeg zich zelfs niet af, waarheen hij kon gegaan zijn, het was haar tamelijk onverschillig.Nadat allen vertrokken waren, wekte een bescheiden tikje aan de deur der loge haar op uit haar genot van de muziek.„Binnen,” zei ze, zonder zich om te keeren.Chauvelin had zijn gelegenheid afgewacht, hij zag, dat ze alleen was, en nu, zonder op haar ongeduldig „Binnen!” acht te slaan, sloop hij zachtjes in de loge en stond in het volgend oogenblik achter Marguerite’s fauteuil.„Een woordje met u, burgeres,” zei hij kalm.Marguerite keerde zich haastig om, eenigszins gealarmeerd. „Gunst, man, je maakt me aan ’t schrikken,” zei ze met een gedwongen lachje, „je tegenwoordigheid komt me nu al heel ongelegen. Ik wil naar Gluck’s muziek luisteren en heb geen lust om te praten.”„Maar dit ismijneenige gelegenheid,” antwoordde hij dood-kalm, en zonder verlof te vragen, trok hij een stoel dicht achter haar naar zich toe—en wel zoo dicht, dat hij zacht met haar kon spreken, zonder de bezoekers te storen en zonder in den donkeren achtergrond der loge te worden opgemerkt. „Dit ismijneenige gelegenheid,” herhaalde hij, toen zij hem geen antwoord verwaardigde.„Dan moet u een ander oogenblik zien waar te nemen,”hernam ze ongeduldig. „Ik ga van de opera naar het bal van Lord Grenville. U misschien ook. Nu dan, vijf minuten hoor!...”„Drie minuten in deze loge zijn ruim voldoende,” antwoordde hij bedaard, „en ik geloof, dat u verstandig doen zult naar mij te luisteren, burgeres St. Just.”Marguerite sidderde onwillekeurig. De stem van Chauvelin verhief zich niet boven fluisteren; hij nam weer kalm een snuifje, maar toch was er iets in zijn houding, dat haar het bloed in de aderen deed stollen.Als een kat, die een achtelooze muis ziet voorbij schuiven, gereed tot den sprong, zei hij op onverschilligen toon:—„Uw broeder Armand verkeert in gevaar.”Geen spier vertrok in haar schoon gelaat. Hij kon haar enkel van terzijde zien, maar de plotselinge strakheid van haar oogen en mond ontging hem niet.„Och kom,” zei ze met gemaakte luchthartigheid, „dit is een van je denkbeeldige intriges; ’t was beter, als je naar je plaats ging en mij van de muziek liet genieten.”En met haar hand begon ze zenuwachtig de maat te slaan. Chauvelin verroerde geen vin; hij beschouwde kalm het tenger bevend handje, dat hem te kennen gaf, hoe fel zijn gezegde haar had getroffen.„Een paar dagen geleden, burgeres,” vervolgde hij, „riep ik uw medewerking in... maar u gaaft mij een weigerend antwoord... Minder dan een uur daarna geraakte ik in het bezit van sommige papieren, die weer een van de plannen onthulden voor de ontsnapping van een troep Fransche aristokraten—waaronder die verrader de Tournay—alles beraamd door den Rooden Pimpernel. Enkele draden ook van dit geheimzinnig weefsel heb ik in handen gekregen, maar niet alle, en numoetu mij helpen, die bij elkaar te krijgen.”Marguerite scheen ongeduldig te luisteren.„Twee heeren, Lord Anthony Dewhorst en Sir Andrew Foulkes, bevonden zich dienzelfden avond te Dover in „Visscherswelvaren”,” ging Chauvelin voort. „Zij waren aan mijn spionnen reeds bekend als leden van dat Verbond.Het was Sir Andrew Foulkes, die de Comtesse de Tournay en haar kinderen begeleidde over het Kanaal. Toen de twee jongelieden alleen waren, zijn mijn spionnen de gelagkamer van de herberg binnengedrongen, hebben hun een prop in den mond gestopt en gekneveld, zich meester gemaakt van hun papieren en hen tot mij gevoerd.”Met bliksemsnelheid had Marguerite het gevaar overzien. Papieren?... Was Armand onvoorzichtig geweest?... Bij de gedachte alleen sloeg haar de schrik om het hart. Toch lachte ze vroolijk en lustig.„Onder die papieren bevond zich een brief aan Sir Andrew Foulkes, geschreven door uwen broeder Armand St. Just.”„Nu? En?”„Die brief bewijst, dat Armand niet alleen sympathiseert met de vijanden van Frankrijk, maar feitelijk een medewerker zoo al geen lid is van het Verbond van De Roode Pimpernel.”De slag was eindelijk gevallen. Al dien tijd had Marguerite hem verwacht; ze wilde geen vrees verraden, ze wenschte, als de schok aankwam, erop voorbereid te zijn. Ze wist, dat Chauvelin waarheid sprak, die brief van Armand—den dwazen, onvoorzichtigen Armand—bevond zich in Chauvelin’s bezit. Ze wist het, alsof ze met eigen oogen den brief had gezien. En toch ging ze voort vroolijker te lachen, luider dan ze aanvankelijk had gedaan.„Kom, man!” zei ze, over haar schouder heen sprekend en hem vlak in het gezicht ziende, „heb ik niet gezegd, dat het de een of andere denkbeeldige intrige is... Armand in verbond met den Rooden Pimpernel!... die Fransche aristo’s een handje helpend... het verzinsel pleit niet voor je phantasie!”„Ik moet u de verzekering geven,” vervolgde Chauvelin bedaard, „dat St. Just, zonder eenige de minste hoop op vergiffenis, zich heeft gecompromitteerd.”„Chauvelin,” zei Marguerite Blakeney na lang zwijgens, „vriend Chauvelin, zullen we trachten elkaar eens te verstaan? Zeg me, dat ge er bijzonder op staat de identiteit van den Rooden Pimpernel te ontdekken, is dat niet zoo?”„Mijn bedoeling is: dat gij persoonlijk een pardon voor Armand St. Just verwerft, door mij een kleinen dienst te bewijzen.”„Waarin moet die dienst bestaan?”„Alleen dezen nacht voor mij een waakzaam oog te houden,burgeresSt. Just. Luister: Onder de papieren, die op den persoon van Sir Andrew Foulkes gevonden zijn, was dit kattebelletje. Zie!” voegde hij eraan toe, een smal strookje papier uit zijn zakboek te voorschijn halend en het haar overhandigend.Het was hetzelfde reepje, dat de jongelieden, vier dagen geleden, lazen op het oogenblik, dat zij door de trawanten van Chauvelin werden overvallen.Marguerite nam het werktuigelijk aan en las halfluid:„„Wees er op bedacht, dat we elkaar niet vaker dan strikt noodig moeten spreken. Voor den 2denhebt ge alle aanwijzingen. Zoo ge verlangt mij weer te ontmoeten, zal ik op het bal komen van G.””„Wat beteekent dat?” vroeg ze.„Ziehier,” zei hij, op een klein rood bloempje wijzend in den hoek.„De Roode Pimpernel en het bal van G. beduidt Lord Grenville’s bal van dezen nacht.”„Zoo leg ik het briefje uit, burgeres” besloot Chauvelin zoetsappig. „Lord Anthony Dewhurst en Sir Andrew Foulkes werden op mijn orders gebracht naar een eenzaam huis op den weg van Dover, dat ik voor mijn plan had gehuurd; daar zijn ze gevangen gehouden tot heden morgen. Maar na het vinden van het strookje papier had ik hen tijdig in Londen noodig, ten einde hen in de gelegenheid te stellen het bal bij te wonen. Dezen morgen dus hebben de twee jonge snuiters alle deuren en grendels ontsloten gevonden, hun bewakers waren verdwenen en twee paarden stonden gezadeld op het voorplein. Ik heb hen nog niet gezien, doch ik denk gevoegelijk tot de gevolgtrekking te kunnen geraken, dat zij hun paardenniet gespaard hebben, voordat ze Londen hadden bereikt. U ziet nu hoe eenvoudig alles is, burgeres!”„Het schijnt zoo eenvoudig, niet waar?” zei ze bitter, „als men een kip wil slachten... grijp je ze aan... dan draai je haar den nek om... alleen vindt de kip het niet zoo heel eenvoudig. Je zet me nu het mes op de keel... Dat vindt gij eenvoudig, meneer Chauvelin... Ik vind het niet!”„Neen, burgeres, ik bied u een kans om een broeder, dien ge lief hebt, te redden van de gevolgen zijner eigen dwaasheid.”„Wat verlangt ge, dat ik doen zal, Chauvelin?” vroeg ze, met een wereld van wanhoop in haar stem.„In mijn tegenwoordige positie is het nagenoeg onmogelijk!”„Als Lady Blakeney, heeft niemand verdenking op u, en met uw hulp kan ik dezen nacht ontdekken, wie de Roode Pimpernel is... Gij gaat naar het bal... Waak daar voor mij, burgeres, waak en luister... Zoo ge een woord verneemt, of iets hoort fluisteren, kunt ge het mij komen zeggen... Gij kunt aanteekening houden, tot wien Sir Andrew Foulkes of Lord Anthony Dewhurst het woord richten. Tracht uit te vinden, wie de Roode Pimpernel is en ik verpand u Frankrijks woord, dat uw broeder ongedeerd blijft.”Chauvelin zette haar het mes op de keel. Zij gevoelde, dat een weigering om hem te gehoorzamen, het doodvonnis zou zijn van Armand.„Als ik beloof u hiermee van dienst te zijn, Chauvelin, wilt ge me dan den brief van St. Just geven?”„Zoo ge mij dezen nacht nuttige medewerking verleent, burgeres,” antwoordde hij sarkastisch glimlachend, „zal ik u den brief... morgen geven.”„Het kan zijn, dat ik niet bij machte ben, u bijstand te verleenen,” zei ze op angstigen toon, „al ware ik er volkomen toe bereid.”„Dat zou inderdaad vreeselijk zijn,” antwoordde hij kalm, „voor u... en voor Armand St. Just.”Marguerite sidderde. Zij gevoelde, dat van dezen man geen genade was te wachten.Chauvelin bemoeide zich niet verder met haar. Hij had zijn wreedaardig alternatief „Dit of Dat” uitgesproken en liet de beslissing aan haar over. Op zijn beurt scheen hij nu verdiept in de muziek en sloeg de maat met zijn hoofd.Een bescheiden tikje op de deur wekte Marguerite uit haar mijmering. Het was Sir Percy Blakeney, in zijn volle lengte, droomerig, goed gehumeurd, met zijn half-verlegen, half-zinneloozen glimlach, die haar nu scheen te prikkelen.„Hé... je rijtuig staat buiten... lieve,” zei hij soezig, „ik onderstel, dat je naar dat bal wilt... Excuseer—hé—Monsieur Chauvelin—ik had u niet gezien...”Hij stak dezen twee dunne, witte vingers toe, en tot zijn vrouw:„Kom je, lieve?”„Ik ben klaar om te gaan,” zei ze, zijn arm nemend. Aan de deur der loge keerde zij zich om en zag ze Chauvelin aan:„Het is enkelau revoir, Chauvelin,” zei ze gekscherend, „we zullen elkaar op het bal wel weer ontmoeten.”De Fransche republikein nam, sarkastisch glimlachend, een snuifje en wreef zich met eenige voldoening de magere, beenige handen.
TIENDE HOOFDSTUK.In de loge der opera.Het was een der gala-avonden inCovent Garden Theatre, de eerste van het herfstseizoen, in het gedenkwaardig jaar 1792; het gordijn was juist opgehaald voor het 3e bedrijf van Gluck’s toonwerkOrpheus.De heer Chauvelin zat er, zijn onafscheidelijke snuifdoos in de hand, met zijn doordringende scherpe oogen voortdurend gevestigd op een loge tegenover hem, waar Marguerite Blakeney, vergezeld van haar echtgenoot, zoo even was binnen gekomen; onder haar weelderigen goudbruinen lokkentooi zag de vrouw er hemelsch uit.Alvorens plaats te nemen, leunde ze, met de vrijmoedigheid der gewezen tooneelspeelster, een oogenblik uit de loge, nagaande onder het publiek de bezoekers, die zij kende. Menigeen gaf haar een hoofdknik, zelfs uit de Koningsloge kwam een minzame groet.Chauvelin sloeg haar onafgewend gade, bij het beginvan het 3e bedrijf, terwijl zij geheel onder de macht scheen van de muziek, waarvan ze een hartstochtelijke liefhebster was. De echte levensvreugd stond duidelijk te lezen op haar lief jong gezichtje en schitterde uit haar lachende blauwe oogen. Twee dagen geleden was deDay Dreamvan Calais teruggekeerd met de tijding der behouden aankomst van haar broeder, dat hij haar in gedachten hield, en om harentwil voorzichtig zou te werk gaan.Haar echtgenoot was bij haar gebleven in de loge, zoolang de goede toon dit eischte, toen ruimde hij de plaats voor Zijne Koninklijke Hoogheid den Prins van Wales en het heirleger bewonderaars, die in onafgebroken optocht de koningin van den dag hun hulde kwamen aanbieden. Sir Percy had zich langzaam verwijderd, waarschijnlijk om kennissen aan te spreken, die meer met zijn neigingen strookten. Marguerite vroeg zich zelfs niet af, waarheen hij kon gegaan zijn, het was haar tamelijk onverschillig.Nadat allen vertrokken waren, wekte een bescheiden tikje aan de deur der loge haar op uit haar genot van de muziek.„Binnen,” zei ze, zonder zich om te keeren.Chauvelin had zijn gelegenheid afgewacht, hij zag, dat ze alleen was, en nu, zonder op haar ongeduldig „Binnen!” acht te slaan, sloop hij zachtjes in de loge en stond in het volgend oogenblik achter Marguerite’s fauteuil.„Een woordje met u, burgeres,” zei hij kalm.Marguerite keerde zich haastig om, eenigszins gealarmeerd. „Gunst, man, je maakt me aan ’t schrikken,” zei ze met een gedwongen lachje, „je tegenwoordigheid komt me nu al heel ongelegen. Ik wil naar Gluck’s muziek luisteren en heb geen lust om te praten.”„Maar dit ismijneenige gelegenheid,” antwoordde hij dood-kalm, en zonder verlof te vragen, trok hij een stoel dicht achter haar naar zich toe—en wel zoo dicht, dat hij zacht met haar kon spreken, zonder de bezoekers te storen en zonder in den donkeren achtergrond der loge te worden opgemerkt. „Dit ismijneenige gelegenheid,” herhaalde hij, toen zij hem geen antwoord verwaardigde.„Dan moet u een ander oogenblik zien waar te nemen,”hernam ze ongeduldig. „Ik ga van de opera naar het bal van Lord Grenville. U misschien ook. Nu dan, vijf minuten hoor!...”„Drie minuten in deze loge zijn ruim voldoende,” antwoordde hij bedaard, „en ik geloof, dat u verstandig doen zult naar mij te luisteren, burgeres St. Just.”Marguerite sidderde onwillekeurig. De stem van Chauvelin verhief zich niet boven fluisteren; hij nam weer kalm een snuifje, maar toch was er iets in zijn houding, dat haar het bloed in de aderen deed stollen.Als een kat, die een achtelooze muis ziet voorbij schuiven, gereed tot den sprong, zei hij op onverschilligen toon:—„Uw broeder Armand verkeert in gevaar.”Geen spier vertrok in haar schoon gelaat. Hij kon haar enkel van terzijde zien, maar de plotselinge strakheid van haar oogen en mond ontging hem niet.„Och kom,” zei ze met gemaakte luchthartigheid, „dit is een van je denkbeeldige intriges; ’t was beter, als je naar je plaats ging en mij van de muziek liet genieten.”En met haar hand begon ze zenuwachtig de maat te slaan. Chauvelin verroerde geen vin; hij beschouwde kalm het tenger bevend handje, dat hem te kennen gaf, hoe fel zijn gezegde haar had getroffen.„Een paar dagen geleden, burgeres,” vervolgde hij, „riep ik uw medewerking in... maar u gaaft mij een weigerend antwoord... Minder dan een uur daarna geraakte ik in het bezit van sommige papieren, die weer een van de plannen onthulden voor de ontsnapping van een troep Fransche aristokraten—waaronder die verrader de Tournay—alles beraamd door den Rooden Pimpernel. Enkele draden ook van dit geheimzinnig weefsel heb ik in handen gekregen, maar niet alle, en numoetu mij helpen, die bij elkaar te krijgen.”Marguerite scheen ongeduldig te luisteren.„Twee heeren, Lord Anthony Dewhorst en Sir Andrew Foulkes, bevonden zich dienzelfden avond te Dover in „Visscherswelvaren”,” ging Chauvelin voort. „Zij waren aan mijn spionnen reeds bekend als leden van dat Verbond.Het was Sir Andrew Foulkes, die de Comtesse de Tournay en haar kinderen begeleidde over het Kanaal. Toen de twee jongelieden alleen waren, zijn mijn spionnen de gelagkamer van de herberg binnengedrongen, hebben hun een prop in den mond gestopt en gekneveld, zich meester gemaakt van hun papieren en hen tot mij gevoerd.”Met bliksemsnelheid had Marguerite het gevaar overzien. Papieren?... Was Armand onvoorzichtig geweest?... Bij de gedachte alleen sloeg haar de schrik om het hart. Toch lachte ze vroolijk en lustig.„Onder die papieren bevond zich een brief aan Sir Andrew Foulkes, geschreven door uwen broeder Armand St. Just.”„Nu? En?”„Die brief bewijst, dat Armand niet alleen sympathiseert met de vijanden van Frankrijk, maar feitelijk een medewerker zoo al geen lid is van het Verbond van De Roode Pimpernel.”De slag was eindelijk gevallen. Al dien tijd had Marguerite hem verwacht; ze wilde geen vrees verraden, ze wenschte, als de schok aankwam, erop voorbereid te zijn. Ze wist, dat Chauvelin waarheid sprak, die brief van Armand—den dwazen, onvoorzichtigen Armand—bevond zich in Chauvelin’s bezit. Ze wist het, alsof ze met eigen oogen den brief had gezien. En toch ging ze voort vroolijker te lachen, luider dan ze aanvankelijk had gedaan.„Kom, man!” zei ze, over haar schouder heen sprekend en hem vlak in het gezicht ziende, „heb ik niet gezegd, dat het de een of andere denkbeeldige intrige is... Armand in verbond met den Rooden Pimpernel!... die Fransche aristo’s een handje helpend... het verzinsel pleit niet voor je phantasie!”„Ik moet u de verzekering geven,” vervolgde Chauvelin bedaard, „dat St. Just, zonder eenige de minste hoop op vergiffenis, zich heeft gecompromitteerd.”„Chauvelin,” zei Marguerite Blakeney na lang zwijgens, „vriend Chauvelin, zullen we trachten elkaar eens te verstaan? Zeg me, dat ge er bijzonder op staat de identiteit van den Rooden Pimpernel te ontdekken, is dat niet zoo?”„Mijn bedoeling is: dat gij persoonlijk een pardon voor Armand St. Just verwerft, door mij een kleinen dienst te bewijzen.”„Waarin moet die dienst bestaan?”„Alleen dezen nacht voor mij een waakzaam oog te houden,burgeresSt. Just. Luister: Onder de papieren, die op den persoon van Sir Andrew Foulkes gevonden zijn, was dit kattebelletje. Zie!” voegde hij eraan toe, een smal strookje papier uit zijn zakboek te voorschijn halend en het haar overhandigend.Het was hetzelfde reepje, dat de jongelieden, vier dagen geleden, lazen op het oogenblik, dat zij door de trawanten van Chauvelin werden overvallen.Marguerite nam het werktuigelijk aan en las halfluid:„„Wees er op bedacht, dat we elkaar niet vaker dan strikt noodig moeten spreken. Voor den 2denhebt ge alle aanwijzingen. Zoo ge verlangt mij weer te ontmoeten, zal ik op het bal komen van G.””„Wat beteekent dat?” vroeg ze.„Ziehier,” zei hij, op een klein rood bloempje wijzend in den hoek.„De Roode Pimpernel en het bal van G. beduidt Lord Grenville’s bal van dezen nacht.”„Zoo leg ik het briefje uit, burgeres” besloot Chauvelin zoetsappig. „Lord Anthony Dewhurst en Sir Andrew Foulkes werden op mijn orders gebracht naar een eenzaam huis op den weg van Dover, dat ik voor mijn plan had gehuurd; daar zijn ze gevangen gehouden tot heden morgen. Maar na het vinden van het strookje papier had ik hen tijdig in Londen noodig, ten einde hen in de gelegenheid te stellen het bal bij te wonen. Dezen morgen dus hebben de twee jonge snuiters alle deuren en grendels ontsloten gevonden, hun bewakers waren verdwenen en twee paarden stonden gezadeld op het voorplein. Ik heb hen nog niet gezien, doch ik denk gevoegelijk tot de gevolgtrekking te kunnen geraken, dat zij hun paardenniet gespaard hebben, voordat ze Londen hadden bereikt. U ziet nu hoe eenvoudig alles is, burgeres!”„Het schijnt zoo eenvoudig, niet waar?” zei ze bitter, „als men een kip wil slachten... grijp je ze aan... dan draai je haar den nek om... alleen vindt de kip het niet zoo heel eenvoudig. Je zet me nu het mes op de keel... Dat vindt gij eenvoudig, meneer Chauvelin... Ik vind het niet!”„Neen, burgeres, ik bied u een kans om een broeder, dien ge lief hebt, te redden van de gevolgen zijner eigen dwaasheid.”„Wat verlangt ge, dat ik doen zal, Chauvelin?” vroeg ze, met een wereld van wanhoop in haar stem.„In mijn tegenwoordige positie is het nagenoeg onmogelijk!”„Als Lady Blakeney, heeft niemand verdenking op u, en met uw hulp kan ik dezen nacht ontdekken, wie de Roode Pimpernel is... Gij gaat naar het bal... Waak daar voor mij, burgeres, waak en luister... Zoo ge een woord verneemt, of iets hoort fluisteren, kunt ge het mij komen zeggen... Gij kunt aanteekening houden, tot wien Sir Andrew Foulkes of Lord Anthony Dewhurst het woord richten. Tracht uit te vinden, wie de Roode Pimpernel is en ik verpand u Frankrijks woord, dat uw broeder ongedeerd blijft.”Chauvelin zette haar het mes op de keel. Zij gevoelde, dat een weigering om hem te gehoorzamen, het doodvonnis zou zijn van Armand.„Als ik beloof u hiermee van dienst te zijn, Chauvelin, wilt ge me dan den brief van St. Just geven?”„Zoo ge mij dezen nacht nuttige medewerking verleent, burgeres,” antwoordde hij sarkastisch glimlachend, „zal ik u den brief... morgen geven.”„Het kan zijn, dat ik niet bij machte ben, u bijstand te verleenen,” zei ze op angstigen toon, „al ware ik er volkomen toe bereid.”„Dat zou inderdaad vreeselijk zijn,” antwoordde hij kalm, „voor u... en voor Armand St. Just.”Marguerite sidderde. Zij gevoelde, dat van dezen man geen genade was te wachten.Chauvelin bemoeide zich niet verder met haar. Hij had zijn wreedaardig alternatief „Dit of Dat” uitgesproken en liet de beslissing aan haar over. Op zijn beurt scheen hij nu verdiept in de muziek en sloeg de maat met zijn hoofd.Een bescheiden tikje op de deur wekte Marguerite uit haar mijmering. Het was Sir Percy Blakeney, in zijn volle lengte, droomerig, goed gehumeurd, met zijn half-verlegen, half-zinneloozen glimlach, die haar nu scheen te prikkelen.„Hé... je rijtuig staat buiten... lieve,” zei hij soezig, „ik onderstel, dat je naar dat bal wilt... Excuseer—hé—Monsieur Chauvelin—ik had u niet gezien...”Hij stak dezen twee dunne, witte vingers toe, en tot zijn vrouw:„Kom je, lieve?”„Ik ben klaar om te gaan,” zei ze, zijn arm nemend. Aan de deur der loge keerde zij zich om en zag ze Chauvelin aan:„Het is enkelau revoir, Chauvelin,” zei ze gekscherend, „we zullen elkaar op het bal wel weer ontmoeten.”De Fransche republikein nam, sarkastisch glimlachend, een snuifje en wreef zich met eenige voldoening de magere, beenige handen.
TIENDE HOOFDSTUK.In de loge der opera.
Het was een der gala-avonden inCovent Garden Theatre, de eerste van het herfstseizoen, in het gedenkwaardig jaar 1792; het gordijn was juist opgehaald voor het 3e bedrijf van Gluck’s toonwerkOrpheus.De heer Chauvelin zat er, zijn onafscheidelijke snuifdoos in de hand, met zijn doordringende scherpe oogen voortdurend gevestigd op een loge tegenover hem, waar Marguerite Blakeney, vergezeld van haar echtgenoot, zoo even was binnen gekomen; onder haar weelderigen goudbruinen lokkentooi zag de vrouw er hemelsch uit.Alvorens plaats te nemen, leunde ze, met de vrijmoedigheid der gewezen tooneelspeelster, een oogenblik uit de loge, nagaande onder het publiek de bezoekers, die zij kende. Menigeen gaf haar een hoofdknik, zelfs uit de Koningsloge kwam een minzame groet.Chauvelin sloeg haar onafgewend gade, bij het beginvan het 3e bedrijf, terwijl zij geheel onder de macht scheen van de muziek, waarvan ze een hartstochtelijke liefhebster was. De echte levensvreugd stond duidelijk te lezen op haar lief jong gezichtje en schitterde uit haar lachende blauwe oogen. Twee dagen geleden was deDay Dreamvan Calais teruggekeerd met de tijding der behouden aankomst van haar broeder, dat hij haar in gedachten hield, en om harentwil voorzichtig zou te werk gaan.Haar echtgenoot was bij haar gebleven in de loge, zoolang de goede toon dit eischte, toen ruimde hij de plaats voor Zijne Koninklijke Hoogheid den Prins van Wales en het heirleger bewonderaars, die in onafgebroken optocht de koningin van den dag hun hulde kwamen aanbieden. Sir Percy had zich langzaam verwijderd, waarschijnlijk om kennissen aan te spreken, die meer met zijn neigingen strookten. Marguerite vroeg zich zelfs niet af, waarheen hij kon gegaan zijn, het was haar tamelijk onverschillig.Nadat allen vertrokken waren, wekte een bescheiden tikje aan de deur der loge haar op uit haar genot van de muziek.„Binnen,” zei ze, zonder zich om te keeren.Chauvelin had zijn gelegenheid afgewacht, hij zag, dat ze alleen was, en nu, zonder op haar ongeduldig „Binnen!” acht te slaan, sloop hij zachtjes in de loge en stond in het volgend oogenblik achter Marguerite’s fauteuil.„Een woordje met u, burgeres,” zei hij kalm.Marguerite keerde zich haastig om, eenigszins gealarmeerd. „Gunst, man, je maakt me aan ’t schrikken,” zei ze met een gedwongen lachje, „je tegenwoordigheid komt me nu al heel ongelegen. Ik wil naar Gluck’s muziek luisteren en heb geen lust om te praten.”„Maar dit ismijneenige gelegenheid,” antwoordde hij dood-kalm, en zonder verlof te vragen, trok hij een stoel dicht achter haar naar zich toe—en wel zoo dicht, dat hij zacht met haar kon spreken, zonder de bezoekers te storen en zonder in den donkeren achtergrond der loge te worden opgemerkt. „Dit ismijneenige gelegenheid,” herhaalde hij, toen zij hem geen antwoord verwaardigde.„Dan moet u een ander oogenblik zien waar te nemen,”hernam ze ongeduldig. „Ik ga van de opera naar het bal van Lord Grenville. U misschien ook. Nu dan, vijf minuten hoor!...”„Drie minuten in deze loge zijn ruim voldoende,” antwoordde hij bedaard, „en ik geloof, dat u verstandig doen zult naar mij te luisteren, burgeres St. Just.”Marguerite sidderde onwillekeurig. De stem van Chauvelin verhief zich niet boven fluisteren; hij nam weer kalm een snuifje, maar toch was er iets in zijn houding, dat haar het bloed in de aderen deed stollen.Als een kat, die een achtelooze muis ziet voorbij schuiven, gereed tot den sprong, zei hij op onverschilligen toon:—„Uw broeder Armand verkeert in gevaar.”Geen spier vertrok in haar schoon gelaat. Hij kon haar enkel van terzijde zien, maar de plotselinge strakheid van haar oogen en mond ontging hem niet.„Och kom,” zei ze met gemaakte luchthartigheid, „dit is een van je denkbeeldige intriges; ’t was beter, als je naar je plaats ging en mij van de muziek liet genieten.”En met haar hand begon ze zenuwachtig de maat te slaan. Chauvelin verroerde geen vin; hij beschouwde kalm het tenger bevend handje, dat hem te kennen gaf, hoe fel zijn gezegde haar had getroffen.„Een paar dagen geleden, burgeres,” vervolgde hij, „riep ik uw medewerking in... maar u gaaft mij een weigerend antwoord... Minder dan een uur daarna geraakte ik in het bezit van sommige papieren, die weer een van de plannen onthulden voor de ontsnapping van een troep Fransche aristokraten—waaronder die verrader de Tournay—alles beraamd door den Rooden Pimpernel. Enkele draden ook van dit geheimzinnig weefsel heb ik in handen gekregen, maar niet alle, en numoetu mij helpen, die bij elkaar te krijgen.”Marguerite scheen ongeduldig te luisteren.„Twee heeren, Lord Anthony Dewhorst en Sir Andrew Foulkes, bevonden zich dienzelfden avond te Dover in „Visscherswelvaren”,” ging Chauvelin voort. „Zij waren aan mijn spionnen reeds bekend als leden van dat Verbond.Het was Sir Andrew Foulkes, die de Comtesse de Tournay en haar kinderen begeleidde over het Kanaal. Toen de twee jongelieden alleen waren, zijn mijn spionnen de gelagkamer van de herberg binnengedrongen, hebben hun een prop in den mond gestopt en gekneveld, zich meester gemaakt van hun papieren en hen tot mij gevoerd.”Met bliksemsnelheid had Marguerite het gevaar overzien. Papieren?... Was Armand onvoorzichtig geweest?... Bij de gedachte alleen sloeg haar de schrik om het hart. Toch lachte ze vroolijk en lustig.„Onder die papieren bevond zich een brief aan Sir Andrew Foulkes, geschreven door uwen broeder Armand St. Just.”„Nu? En?”„Die brief bewijst, dat Armand niet alleen sympathiseert met de vijanden van Frankrijk, maar feitelijk een medewerker zoo al geen lid is van het Verbond van De Roode Pimpernel.”De slag was eindelijk gevallen. Al dien tijd had Marguerite hem verwacht; ze wilde geen vrees verraden, ze wenschte, als de schok aankwam, erop voorbereid te zijn. Ze wist, dat Chauvelin waarheid sprak, die brief van Armand—den dwazen, onvoorzichtigen Armand—bevond zich in Chauvelin’s bezit. Ze wist het, alsof ze met eigen oogen den brief had gezien. En toch ging ze voort vroolijker te lachen, luider dan ze aanvankelijk had gedaan.„Kom, man!” zei ze, over haar schouder heen sprekend en hem vlak in het gezicht ziende, „heb ik niet gezegd, dat het de een of andere denkbeeldige intrige is... Armand in verbond met den Rooden Pimpernel!... die Fransche aristo’s een handje helpend... het verzinsel pleit niet voor je phantasie!”„Ik moet u de verzekering geven,” vervolgde Chauvelin bedaard, „dat St. Just, zonder eenige de minste hoop op vergiffenis, zich heeft gecompromitteerd.”„Chauvelin,” zei Marguerite Blakeney na lang zwijgens, „vriend Chauvelin, zullen we trachten elkaar eens te verstaan? Zeg me, dat ge er bijzonder op staat de identiteit van den Rooden Pimpernel te ontdekken, is dat niet zoo?”„Mijn bedoeling is: dat gij persoonlijk een pardon voor Armand St. Just verwerft, door mij een kleinen dienst te bewijzen.”„Waarin moet die dienst bestaan?”„Alleen dezen nacht voor mij een waakzaam oog te houden,burgeresSt. Just. Luister: Onder de papieren, die op den persoon van Sir Andrew Foulkes gevonden zijn, was dit kattebelletje. Zie!” voegde hij eraan toe, een smal strookje papier uit zijn zakboek te voorschijn halend en het haar overhandigend.Het was hetzelfde reepje, dat de jongelieden, vier dagen geleden, lazen op het oogenblik, dat zij door de trawanten van Chauvelin werden overvallen.Marguerite nam het werktuigelijk aan en las halfluid:„„Wees er op bedacht, dat we elkaar niet vaker dan strikt noodig moeten spreken. Voor den 2denhebt ge alle aanwijzingen. Zoo ge verlangt mij weer te ontmoeten, zal ik op het bal komen van G.””„Wat beteekent dat?” vroeg ze.„Ziehier,” zei hij, op een klein rood bloempje wijzend in den hoek.„De Roode Pimpernel en het bal van G. beduidt Lord Grenville’s bal van dezen nacht.”„Zoo leg ik het briefje uit, burgeres” besloot Chauvelin zoetsappig. „Lord Anthony Dewhurst en Sir Andrew Foulkes werden op mijn orders gebracht naar een eenzaam huis op den weg van Dover, dat ik voor mijn plan had gehuurd; daar zijn ze gevangen gehouden tot heden morgen. Maar na het vinden van het strookje papier had ik hen tijdig in Londen noodig, ten einde hen in de gelegenheid te stellen het bal bij te wonen. Dezen morgen dus hebben de twee jonge snuiters alle deuren en grendels ontsloten gevonden, hun bewakers waren verdwenen en twee paarden stonden gezadeld op het voorplein. Ik heb hen nog niet gezien, doch ik denk gevoegelijk tot de gevolgtrekking te kunnen geraken, dat zij hun paardenniet gespaard hebben, voordat ze Londen hadden bereikt. U ziet nu hoe eenvoudig alles is, burgeres!”„Het schijnt zoo eenvoudig, niet waar?” zei ze bitter, „als men een kip wil slachten... grijp je ze aan... dan draai je haar den nek om... alleen vindt de kip het niet zoo heel eenvoudig. Je zet me nu het mes op de keel... Dat vindt gij eenvoudig, meneer Chauvelin... Ik vind het niet!”„Neen, burgeres, ik bied u een kans om een broeder, dien ge lief hebt, te redden van de gevolgen zijner eigen dwaasheid.”„Wat verlangt ge, dat ik doen zal, Chauvelin?” vroeg ze, met een wereld van wanhoop in haar stem.„In mijn tegenwoordige positie is het nagenoeg onmogelijk!”„Als Lady Blakeney, heeft niemand verdenking op u, en met uw hulp kan ik dezen nacht ontdekken, wie de Roode Pimpernel is... Gij gaat naar het bal... Waak daar voor mij, burgeres, waak en luister... Zoo ge een woord verneemt, of iets hoort fluisteren, kunt ge het mij komen zeggen... Gij kunt aanteekening houden, tot wien Sir Andrew Foulkes of Lord Anthony Dewhurst het woord richten. Tracht uit te vinden, wie de Roode Pimpernel is en ik verpand u Frankrijks woord, dat uw broeder ongedeerd blijft.”Chauvelin zette haar het mes op de keel. Zij gevoelde, dat een weigering om hem te gehoorzamen, het doodvonnis zou zijn van Armand.„Als ik beloof u hiermee van dienst te zijn, Chauvelin, wilt ge me dan den brief van St. Just geven?”„Zoo ge mij dezen nacht nuttige medewerking verleent, burgeres,” antwoordde hij sarkastisch glimlachend, „zal ik u den brief... morgen geven.”„Het kan zijn, dat ik niet bij machte ben, u bijstand te verleenen,” zei ze op angstigen toon, „al ware ik er volkomen toe bereid.”„Dat zou inderdaad vreeselijk zijn,” antwoordde hij kalm, „voor u... en voor Armand St. Just.”Marguerite sidderde. Zij gevoelde, dat van dezen man geen genade was te wachten.Chauvelin bemoeide zich niet verder met haar. Hij had zijn wreedaardig alternatief „Dit of Dat” uitgesproken en liet de beslissing aan haar over. Op zijn beurt scheen hij nu verdiept in de muziek en sloeg de maat met zijn hoofd.Een bescheiden tikje op de deur wekte Marguerite uit haar mijmering. Het was Sir Percy Blakeney, in zijn volle lengte, droomerig, goed gehumeurd, met zijn half-verlegen, half-zinneloozen glimlach, die haar nu scheen te prikkelen.„Hé... je rijtuig staat buiten... lieve,” zei hij soezig, „ik onderstel, dat je naar dat bal wilt... Excuseer—hé—Monsieur Chauvelin—ik had u niet gezien...”Hij stak dezen twee dunne, witte vingers toe, en tot zijn vrouw:„Kom je, lieve?”„Ik ben klaar om te gaan,” zei ze, zijn arm nemend. Aan de deur der loge keerde zij zich om en zag ze Chauvelin aan:„Het is enkelau revoir, Chauvelin,” zei ze gekscherend, „we zullen elkaar op het bal wel weer ontmoeten.”De Fransche republikein nam, sarkastisch glimlachend, een snuifje en wreef zich met eenige voldoening de magere, beenige handen.
Het was een der gala-avonden inCovent Garden Theatre, de eerste van het herfstseizoen, in het gedenkwaardig jaar 1792; het gordijn was juist opgehaald voor het 3e bedrijf van Gluck’s toonwerkOrpheus.
De heer Chauvelin zat er, zijn onafscheidelijke snuifdoos in de hand, met zijn doordringende scherpe oogen voortdurend gevestigd op een loge tegenover hem, waar Marguerite Blakeney, vergezeld van haar echtgenoot, zoo even was binnen gekomen; onder haar weelderigen goudbruinen lokkentooi zag de vrouw er hemelsch uit.
Alvorens plaats te nemen, leunde ze, met de vrijmoedigheid der gewezen tooneelspeelster, een oogenblik uit de loge, nagaande onder het publiek de bezoekers, die zij kende. Menigeen gaf haar een hoofdknik, zelfs uit de Koningsloge kwam een minzame groet.
Chauvelin sloeg haar onafgewend gade, bij het beginvan het 3e bedrijf, terwijl zij geheel onder de macht scheen van de muziek, waarvan ze een hartstochtelijke liefhebster was. De echte levensvreugd stond duidelijk te lezen op haar lief jong gezichtje en schitterde uit haar lachende blauwe oogen. Twee dagen geleden was deDay Dreamvan Calais teruggekeerd met de tijding der behouden aankomst van haar broeder, dat hij haar in gedachten hield, en om harentwil voorzichtig zou te werk gaan.
Haar echtgenoot was bij haar gebleven in de loge, zoolang de goede toon dit eischte, toen ruimde hij de plaats voor Zijne Koninklijke Hoogheid den Prins van Wales en het heirleger bewonderaars, die in onafgebroken optocht de koningin van den dag hun hulde kwamen aanbieden. Sir Percy had zich langzaam verwijderd, waarschijnlijk om kennissen aan te spreken, die meer met zijn neigingen strookten. Marguerite vroeg zich zelfs niet af, waarheen hij kon gegaan zijn, het was haar tamelijk onverschillig.
Nadat allen vertrokken waren, wekte een bescheiden tikje aan de deur der loge haar op uit haar genot van de muziek.
„Binnen,” zei ze, zonder zich om te keeren.
Chauvelin had zijn gelegenheid afgewacht, hij zag, dat ze alleen was, en nu, zonder op haar ongeduldig „Binnen!” acht te slaan, sloop hij zachtjes in de loge en stond in het volgend oogenblik achter Marguerite’s fauteuil.
„Een woordje met u, burgeres,” zei hij kalm.
Marguerite keerde zich haastig om, eenigszins gealarmeerd. „Gunst, man, je maakt me aan ’t schrikken,” zei ze met een gedwongen lachje, „je tegenwoordigheid komt me nu al heel ongelegen. Ik wil naar Gluck’s muziek luisteren en heb geen lust om te praten.”
„Maar dit ismijneenige gelegenheid,” antwoordde hij dood-kalm, en zonder verlof te vragen, trok hij een stoel dicht achter haar naar zich toe—en wel zoo dicht, dat hij zacht met haar kon spreken, zonder de bezoekers te storen en zonder in den donkeren achtergrond der loge te worden opgemerkt. „Dit ismijneenige gelegenheid,” herhaalde hij, toen zij hem geen antwoord verwaardigde.
„Dan moet u een ander oogenblik zien waar te nemen,”hernam ze ongeduldig. „Ik ga van de opera naar het bal van Lord Grenville. U misschien ook. Nu dan, vijf minuten hoor!...”
„Drie minuten in deze loge zijn ruim voldoende,” antwoordde hij bedaard, „en ik geloof, dat u verstandig doen zult naar mij te luisteren, burgeres St. Just.”
Marguerite sidderde onwillekeurig. De stem van Chauvelin verhief zich niet boven fluisteren; hij nam weer kalm een snuifje, maar toch was er iets in zijn houding, dat haar het bloed in de aderen deed stollen.
Als een kat, die een achtelooze muis ziet voorbij schuiven, gereed tot den sprong, zei hij op onverschilligen toon:—
„Uw broeder Armand verkeert in gevaar.”
Geen spier vertrok in haar schoon gelaat. Hij kon haar enkel van terzijde zien, maar de plotselinge strakheid van haar oogen en mond ontging hem niet.
„Och kom,” zei ze met gemaakte luchthartigheid, „dit is een van je denkbeeldige intriges; ’t was beter, als je naar je plaats ging en mij van de muziek liet genieten.”
En met haar hand begon ze zenuwachtig de maat te slaan. Chauvelin verroerde geen vin; hij beschouwde kalm het tenger bevend handje, dat hem te kennen gaf, hoe fel zijn gezegde haar had getroffen.
„Een paar dagen geleden, burgeres,” vervolgde hij, „riep ik uw medewerking in... maar u gaaft mij een weigerend antwoord... Minder dan een uur daarna geraakte ik in het bezit van sommige papieren, die weer een van de plannen onthulden voor de ontsnapping van een troep Fransche aristokraten—waaronder die verrader de Tournay—alles beraamd door den Rooden Pimpernel. Enkele draden ook van dit geheimzinnig weefsel heb ik in handen gekregen, maar niet alle, en numoetu mij helpen, die bij elkaar te krijgen.”
Marguerite scheen ongeduldig te luisteren.
„Twee heeren, Lord Anthony Dewhorst en Sir Andrew Foulkes, bevonden zich dienzelfden avond te Dover in „Visscherswelvaren”,” ging Chauvelin voort. „Zij waren aan mijn spionnen reeds bekend als leden van dat Verbond.Het was Sir Andrew Foulkes, die de Comtesse de Tournay en haar kinderen begeleidde over het Kanaal. Toen de twee jongelieden alleen waren, zijn mijn spionnen de gelagkamer van de herberg binnengedrongen, hebben hun een prop in den mond gestopt en gekneveld, zich meester gemaakt van hun papieren en hen tot mij gevoerd.”
Met bliksemsnelheid had Marguerite het gevaar overzien. Papieren?... Was Armand onvoorzichtig geweest?... Bij de gedachte alleen sloeg haar de schrik om het hart. Toch lachte ze vroolijk en lustig.
„Onder die papieren bevond zich een brief aan Sir Andrew Foulkes, geschreven door uwen broeder Armand St. Just.”
„Nu? En?”
„Die brief bewijst, dat Armand niet alleen sympathiseert met de vijanden van Frankrijk, maar feitelijk een medewerker zoo al geen lid is van het Verbond van De Roode Pimpernel.”
De slag was eindelijk gevallen. Al dien tijd had Marguerite hem verwacht; ze wilde geen vrees verraden, ze wenschte, als de schok aankwam, erop voorbereid te zijn. Ze wist, dat Chauvelin waarheid sprak, die brief van Armand—den dwazen, onvoorzichtigen Armand—bevond zich in Chauvelin’s bezit. Ze wist het, alsof ze met eigen oogen den brief had gezien. En toch ging ze voort vroolijker te lachen, luider dan ze aanvankelijk had gedaan.
„Kom, man!” zei ze, over haar schouder heen sprekend en hem vlak in het gezicht ziende, „heb ik niet gezegd, dat het de een of andere denkbeeldige intrige is... Armand in verbond met den Rooden Pimpernel!... die Fransche aristo’s een handje helpend... het verzinsel pleit niet voor je phantasie!”
„Ik moet u de verzekering geven,” vervolgde Chauvelin bedaard, „dat St. Just, zonder eenige de minste hoop op vergiffenis, zich heeft gecompromitteerd.”
„Chauvelin,” zei Marguerite Blakeney na lang zwijgens, „vriend Chauvelin, zullen we trachten elkaar eens te verstaan? Zeg me, dat ge er bijzonder op staat de identiteit van den Rooden Pimpernel te ontdekken, is dat niet zoo?”
„Mijn bedoeling is: dat gij persoonlijk een pardon voor Armand St. Just verwerft, door mij een kleinen dienst te bewijzen.”
„Waarin moet die dienst bestaan?”
„Alleen dezen nacht voor mij een waakzaam oog te houden,burgeresSt. Just. Luister: Onder de papieren, die op den persoon van Sir Andrew Foulkes gevonden zijn, was dit kattebelletje. Zie!” voegde hij eraan toe, een smal strookje papier uit zijn zakboek te voorschijn halend en het haar overhandigend.
Het was hetzelfde reepje, dat de jongelieden, vier dagen geleden, lazen op het oogenblik, dat zij door de trawanten van Chauvelin werden overvallen.
Marguerite nam het werktuigelijk aan en las halfluid:
„„Wees er op bedacht, dat we elkaar niet vaker dan strikt noodig moeten spreken. Voor den 2denhebt ge alle aanwijzingen. Zoo ge verlangt mij weer te ontmoeten, zal ik op het bal komen van G.””
„„Wees er op bedacht, dat we elkaar niet vaker dan strikt noodig moeten spreken. Voor den 2denhebt ge alle aanwijzingen. Zoo ge verlangt mij weer te ontmoeten, zal ik op het bal komen van G.””
„Wat beteekent dat?” vroeg ze.
„Ziehier,” zei hij, op een klein rood bloempje wijzend in den hoek.
„De Roode Pimpernel en het bal van G. beduidt Lord Grenville’s bal van dezen nacht.”
„Zoo leg ik het briefje uit, burgeres” besloot Chauvelin zoetsappig. „Lord Anthony Dewhurst en Sir Andrew Foulkes werden op mijn orders gebracht naar een eenzaam huis op den weg van Dover, dat ik voor mijn plan had gehuurd; daar zijn ze gevangen gehouden tot heden morgen. Maar na het vinden van het strookje papier had ik hen tijdig in Londen noodig, ten einde hen in de gelegenheid te stellen het bal bij te wonen. Dezen morgen dus hebben de twee jonge snuiters alle deuren en grendels ontsloten gevonden, hun bewakers waren verdwenen en twee paarden stonden gezadeld op het voorplein. Ik heb hen nog niet gezien, doch ik denk gevoegelijk tot de gevolgtrekking te kunnen geraken, dat zij hun paardenniet gespaard hebben, voordat ze Londen hadden bereikt. U ziet nu hoe eenvoudig alles is, burgeres!”
„Het schijnt zoo eenvoudig, niet waar?” zei ze bitter, „als men een kip wil slachten... grijp je ze aan... dan draai je haar den nek om... alleen vindt de kip het niet zoo heel eenvoudig. Je zet me nu het mes op de keel... Dat vindt gij eenvoudig, meneer Chauvelin... Ik vind het niet!”
„Neen, burgeres, ik bied u een kans om een broeder, dien ge lief hebt, te redden van de gevolgen zijner eigen dwaasheid.”
„Wat verlangt ge, dat ik doen zal, Chauvelin?” vroeg ze, met een wereld van wanhoop in haar stem.„In mijn tegenwoordige positie is het nagenoeg onmogelijk!”
„Als Lady Blakeney, heeft niemand verdenking op u, en met uw hulp kan ik dezen nacht ontdekken, wie de Roode Pimpernel is... Gij gaat naar het bal... Waak daar voor mij, burgeres, waak en luister... Zoo ge een woord verneemt, of iets hoort fluisteren, kunt ge het mij komen zeggen... Gij kunt aanteekening houden, tot wien Sir Andrew Foulkes of Lord Anthony Dewhurst het woord richten. Tracht uit te vinden, wie de Roode Pimpernel is en ik verpand u Frankrijks woord, dat uw broeder ongedeerd blijft.”
Chauvelin zette haar het mes op de keel. Zij gevoelde, dat een weigering om hem te gehoorzamen, het doodvonnis zou zijn van Armand.
„Als ik beloof u hiermee van dienst te zijn, Chauvelin, wilt ge me dan den brief van St. Just geven?”
„Zoo ge mij dezen nacht nuttige medewerking verleent, burgeres,” antwoordde hij sarkastisch glimlachend, „zal ik u den brief... morgen geven.”
„Het kan zijn, dat ik niet bij machte ben, u bijstand te verleenen,” zei ze op angstigen toon, „al ware ik er volkomen toe bereid.”
„Dat zou inderdaad vreeselijk zijn,” antwoordde hij kalm, „voor u... en voor Armand St. Just.”
Marguerite sidderde. Zij gevoelde, dat van dezen man geen genade was te wachten.
Chauvelin bemoeide zich niet verder met haar. Hij had zijn wreedaardig alternatief „Dit of Dat” uitgesproken en liet de beslissing aan haar over. Op zijn beurt scheen hij nu verdiept in de muziek en sloeg de maat met zijn hoofd.
Een bescheiden tikje op de deur wekte Marguerite uit haar mijmering. Het was Sir Percy Blakeney, in zijn volle lengte, droomerig, goed gehumeurd, met zijn half-verlegen, half-zinneloozen glimlach, die haar nu scheen te prikkelen.
„Hé... je rijtuig staat buiten... lieve,” zei hij soezig, „ik onderstel, dat je naar dat bal wilt... Excuseer—hé—Monsieur Chauvelin—ik had u niet gezien...”
Hij stak dezen twee dunne, witte vingers toe, en tot zijn vrouw:
„Kom je, lieve?”
„Ik ben klaar om te gaan,” zei ze, zijn arm nemend. Aan de deur der loge keerde zij zich om en zag ze Chauvelin aan:
„Het is enkelau revoir, Chauvelin,” zei ze gekscherend, „we zullen elkaar op het bal wel weer ontmoeten.”
De Fransche republikein nam, sarkastisch glimlachend, een snuifje en wreef zich met eenige voldoening de magere, beenige handen.