TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Spanning.De nacht was reeds ver gevorderd, toen Marguerite eindelijk de bekende herberg „Visscherswelvaren” had bereikt. In minder dan acht uren was—dank zij het veelvuldig wisselen van paarden op de verschillende pleisterplaatsen—de aanzienlijke afstand tusschen Londen en Dover afgelegd.Haar koetsier was onvermoeid geweest; de belofte van een speciale en ruime belooning had zonder twijfel hem wakker gehouden en de vurige rossen als een pijl uit een boog over de heerbaan doen vliegen.De komst van Lady Blakeney, in het holste van den nacht, had heel wat drukte in „Visscherswelvaren” teweeg gebracht. Sally sprong haastig het bed uit en Mr. Jellyband krabde zich achter de ooren bij de gedachte, hoe hij het zijn gasten aangenaam zou maken.De gelagkamer—onlangs het tooneel van de overrompeling, gepleegd op twee Engelsche gentlemen—was geheel verlaten. Mr. Jellyband stak haastig de lamp weer op, legde spoedig een vroolijk vuurtje aan op den haard en rolde er een gemakkelijken leuningstoel bij, waarin Marguerite zich dankbaar neervlijde.„Blijft de Lady hier overnachten?” vroeg de mooie Miss Sally, die reeds bezig was een hagelwit tafelkleed te ontvouwen.„Neen! den heelen nacht niet,” zei Marguerite. „In ieder geval zal ik geen andere kamer noodig hebben dan deze, als ik er een paar keer gebruik van kan maken. Zoodra de vloed opkomt, wil ik oversteken,” vervolgde ze, „en in den eersten schoener, dien ik kan machtig worden. Maar mijn koetsier en bedienden zullen vannacht overblijven en waarschijnlijk wel verscheidene dagen langer, daarom hoop ik, dat u het hun aan niets zult laten ontbreken.”„Best Milady, ik zal er voor zorgen. Zal Sally u wat voor souper aanrichten?”„Ja, alsjeblieft. Geef maar een kouden schotel, en zoodra Sir Andrew Foulkes komt, laat ge mijnheer hier binnen.”„Goed Milady.”Het eerlijk gezicht van Jellyband teekende nu spijt, in weerwil van zichzelf. Hij koesterde veel achting voor Sir Percy Blakeney, daarom zag hij ongaarne, dat diens vrouw met den jongen Sir Andrew was weggeloopen!„Blijf niet op, waarde Jellyband,” hernam Marguerite, „en jij ook niet, Sally. Sir Andrew kan laat komen.”Sally dischte een eenvoudig souper op van koud vleesch, wijn en vruchten en verwijderde zich met een eerbiedige buiging.Toen brak er een tijd van vervelend wachten aan voor Marguerite. Ze wist, dat Sir Andrew, die zich als lakei had moeten vermommen, uiterlijk over twee uur te Doverzou kunnen zijn. Hij was een kranig ruiter, maar kon toch pas een uur later dan zij uit Londen zijn vertrokken.Van Chauvelin had zij onderweg geen taal of teeken vernomen.Hij was haar zeker al dien tijd vooruit geweest. Zij had op de verschillende pleisterplaatsen geen navraag durven doen, want ze vreesde, dat Chauvelin overal langs den weg zijn spionnen kon hebben.Nu vroeg zij zich nieuwsgierig af in welke herberg hij wel zijn intrek mocht hebben genomen, dan wel of het hem gelukt was reeds een schip te huren en hij zoo onderweg naar Frankrijk kon zijn. Ach, ze overwoog ernstig, of ze al niet te laat was gekomen!De eenzaamheid van de gelagkamer maakte haar zenuwachtig, het eentonig getik der huisklok was al wat de stilte van den nacht verbrak.Ieder ander in huis, behalve zij zelf, moest nu wel in diepen slaap verzonken zijn. Mr. Jellyband was een oogje gaan houden op haar koetsier en bedienden en had daarna post gevat in de gang. Blijkbaar wilde hij de komst afwachten van Sir Andrew Foulkes, maar toch kon Marguerite bij het langzaam getik der klok ook de geregelde ademhaling vernemen van den nauwgezetten kastelein.Een poos daarna kwam zij tot de ontdekking, dat op den fraaien, warmen Octoberdag een ruwe en koude nacht was gevolgd; van lieverlede, naarmate de uren verliepen, werd het weder onstuimiger en drong het geraas der branding tegen den pier der Admirality, hoewel op eenigen afstand der herberg, tot haar door. Ook hoorde men in de verte den donder rommelen.De wind was komen opzetten, deed de in lood gevatte vensters rammelen, en de massieve deuren van het ouderwetsche huis kraken.Een plotselinge beweging van buiten wekte haar uit haar mijmeringen. Zeker was het Sir Andrew Foulkes, die juist in dolle haast scheen te zijn aangekomen, want ze hoorde de hoeven van zijn paard trappelen op de steenen van den straatweg Londen-Dover.Een oogenblik nu kwam Marguerite het vreemde harerpositie voor den geest. Er lag zulk een zonderling contrast tusschen het ernstige van haar taak en de vermoedens, die bij den braven Jellyband moesten post vatten, dat voor het eerst sedert uren, om niet te zeggen dagen, een glimlach om haar mondhoeken speelde. Toen dan ook kort daarop Sir Andrew in zijn eigenaardig kostuum de gelagkamer binnentrad, riep ze lachend uit:„Mijnheer mijn lakei, ik ben met uw voorkomen tevreden!”Mr. Jellyband was Sir Andrew op den voet gevolgd en keek als iemand, die het in Keulen hoorde donderen.Hij ontkurkte de flesch wijn, zette de stoelen gereed en wachtte.„Heb dank, waarde vriend,” zei Marguerite, nog steeds lachend bij de gedachte, wat er in het hoofd van den waard op dit oogenblik moest omgaan, „we hebben niets meer te verlangen, hier is iets voor de moeite, die ge u voor ons hebt gegeven.”Ze stak Jellyband twee goudstukken toe, die deze eerbiedig aannam.„Wacht even, Jelly,” bracht Sir Andrew in het midden: „Lady Blakeney, ik vrees, we zullen iets meer moeten eischen van vriend Jelly’s gastvrijheid. Het spijt me te moeten zeggen, dat we van nacht niet kunnen overvaren.”„Van nacht niet overvaren?” herhaalde Marguerite verbaasd. „Maar we moeten, Sir Andrew, we moeten! Er kan geen sprake zijn van niet kunnen, en wat het ook kosten moge, we moeten zien van nacht een schip te charteren.”Maar de jonkman schudde treurig het hoofd.„Het zal geen kwestie zijn van kosten, Lady Blakeney. Er waait een ruwe storm van de Fransche kust, we hebben den wind vlak tegen, er valt met geen mogelijkheid te zeilen bij zulk weer.”Marguerite werd doodsbleek. Dit had zij niet voorzien.„Maar we moeten gaan!—we moeten!” herhaalde ze driftig, „ge weet toch, dat alles ervan afhangt! Kunt ge er niets op vinden? Is er dan geen kans hoegenaamd?”„Ik ben al naar het strand geweest,” zei Sir Andrew.„Welken zeeman ik ook aansprak, allen verzekerden ze me, dat van uitzeilen geen kwestie kan zijn. Niemand,” voegde hij erbij, Marguerite veelbeteekenend aanziende, „niemandzou van nacht in zee kunnen steken.”Lady Blakeney begreep terstond, wat met „niemand” bedoeld werd. Chauvelin evenmin als zij. Zij knikte Jellyband toe.„Welnu, dan moet ik er wel vrede mee hebben,” zei ze tot den herbergier. „Hebt u een kamer voor mij?”„Wel zeker, Milady. Een lieve, gezellige, frissche kamer. Ik zal er dadelijk werk van maken... En voor Sir Andrew is er ook zoo een—beide geheel in orde.”„Nu, Jelly, dat vind ik uitstekend,” zei Sir Andrew vroolijk, den gastheer op zijn schouder kloppend. „Je maakt de twee kamers open en laat de blakers met de kaarsen maar hier. Je zult wel doodmoe zijn, en Milady moet wat eten, voordat zij ter ruste gaat.”„Ik zal er terstond voor zorgen, Sir,” zei hij. „Heeft Milady het noodige voor een souper?”„Alles, dank u, waarde vriend, en ga, daar ik honger heb en ook doodmoe ben, nu maar heen en zorg voor mijn logies.”„Vertel me nu eens,” drong ze aan, zoodra Jellyband zijn hielen gelicht had, „zeg me, Sir Andrew, al wat ge weet.”„Er valt niet veel meer te vertellen, Lady Blakeney,” hernam de jonkman. „De storm verhindert ieder schip om nu uit te gaan. Maar als wij van nacht niet naar Frankrijk kunnen oversteken, dan zit Chauvelin in hetzelfde parket.”„Hij kan zijn uitgegaan, voordat de storm losbrak.”„Dat geve God!” zei Sir Andrew met leedvermaak, „want dan is hij ook bepaald uit den koers gedreven! Wie weet? Hij kan zelfs nu op den bodem liggen van het Kanaal. Maar alle zeelui, die ik heb aangesproken, zeiden me eenparig, dat sedert uren geen schoener van Dover was vertrokken. Van den anderen kant is me gezegd, dat een buitenlander, die per postrijtuig dezen namiddag was aangekomen, ernaar geïnformeerd had of hij ook naar Frankrijk kon oversteken.”„Dus zou Chauvelin in Dover zitten?”„Zonder twijfel. Zal ik gaan en hem overhoop steken? Dat zou wel de meest practische manier zijn om uit de moeilijkheid te geraken.”„Neen! Sir Andrew, laten we niet gekscheren. Helaas! sedert den laatsten avond heb ik mezelve op den wensch betrapt, dat die duivel mocht sterven. Maar wat u aangeeft is een onmogelijkheid!”Sir Andrew overreedde haar te gaan zitten, iets te eten en een glas wijn te drinken. Deze gedwongen rust van minstens twaalf uren, tot het eerstkomend getij was zeker moeilijk te harden in denhoogstopgewonden toestand, waarin de Lady verkeerde. Hij maakte haar recht gelukkig door over Percy te spreken. Hij haalde in haar tegenwoordigheid op van de stoutmoedige ontsnappingen, die de dappere Roode Pimpernel voor de Fransche vluchtelingen al had uitgedacht en uitgevoerd. Hij liet haar vroolijk lachen over de vele vermommingen, waarmede hij de scherpst toeziende schildwachten aan de barrières van Parijs had verschalkt. Het laatste feit, de ontsnapping van de Gravin de Tournay en haar kinderen, was een waar meesterstuk geweest.En zoo verliep er een uur. Er waren er evenwel nog meer voor den boeg. Met een ongeduldigen zucht stond Marguerite van tafel op.Zij dacht er over, waar Percy nu kon zijn. DeDay Dreamwas een hecht gebouwd, zeewaardig jacht. Sir Andrew gaf als zijn meening te kennen, dat het buiten twijfel over het Kanaal was gekomen vóór het losbreken van den storm, en anders rustig te Gravesend moest liggen.Briggs was een ervaren zeeman en Sir Percy wist een schoener even goed als de beste gezagvoerder te besturen. De storm zou hen niet in gevaar hebben gebracht.Middernacht was lang voorbij, toen Marguerite eindelijk zich ter ruste begaf. Zooals ze had voorzien, daalde geen slaap op haar oogleden en zamelden zich de somberste gedachten op in haar vermoeid en geteisterd brein.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Spanning.De nacht was reeds ver gevorderd, toen Marguerite eindelijk de bekende herberg „Visscherswelvaren” had bereikt. In minder dan acht uren was—dank zij het veelvuldig wisselen van paarden op de verschillende pleisterplaatsen—de aanzienlijke afstand tusschen Londen en Dover afgelegd.Haar koetsier was onvermoeid geweest; de belofte van een speciale en ruime belooning had zonder twijfel hem wakker gehouden en de vurige rossen als een pijl uit een boog over de heerbaan doen vliegen.De komst van Lady Blakeney, in het holste van den nacht, had heel wat drukte in „Visscherswelvaren” teweeg gebracht. Sally sprong haastig het bed uit en Mr. Jellyband krabde zich achter de ooren bij de gedachte, hoe hij het zijn gasten aangenaam zou maken.De gelagkamer—onlangs het tooneel van de overrompeling, gepleegd op twee Engelsche gentlemen—was geheel verlaten. Mr. Jellyband stak haastig de lamp weer op, legde spoedig een vroolijk vuurtje aan op den haard en rolde er een gemakkelijken leuningstoel bij, waarin Marguerite zich dankbaar neervlijde.„Blijft de Lady hier overnachten?” vroeg de mooie Miss Sally, die reeds bezig was een hagelwit tafelkleed te ontvouwen.„Neen! den heelen nacht niet,” zei Marguerite. „In ieder geval zal ik geen andere kamer noodig hebben dan deze, als ik er een paar keer gebruik van kan maken. Zoodra de vloed opkomt, wil ik oversteken,” vervolgde ze, „en in den eersten schoener, dien ik kan machtig worden. Maar mijn koetsier en bedienden zullen vannacht overblijven en waarschijnlijk wel verscheidene dagen langer, daarom hoop ik, dat u het hun aan niets zult laten ontbreken.”„Best Milady, ik zal er voor zorgen. Zal Sally u wat voor souper aanrichten?”„Ja, alsjeblieft. Geef maar een kouden schotel, en zoodra Sir Andrew Foulkes komt, laat ge mijnheer hier binnen.”„Goed Milady.”Het eerlijk gezicht van Jellyband teekende nu spijt, in weerwil van zichzelf. Hij koesterde veel achting voor Sir Percy Blakeney, daarom zag hij ongaarne, dat diens vrouw met den jongen Sir Andrew was weggeloopen!„Blijf niet op, waarde Jellyband,” hernam Marguerite, „en jij ook niet, Sally. Sir Andrew kan laat komen.”Sally dischte een eenvoudig souper op van koud vleesch, wijn en vruchten en verwijderde zich met een eerbiedige buiging.Toen brak er een tijd van vervelend wachten aan voor Marguerite. Ze wist, dat Sir Andrew, die zich als lakei had moeten vermommen, uiterlijk over twee uur te Doverzou kunnen zijn. Hij was een kranig ruiter, maar kon toch pas een uur later dan zij uit Londen zijn vertrokken.Van Chauvelin had zij onderweg geen taal of teeken vernomen.Hij was haar zeker al dien tijd vooruit geweest. Zij had op de verschillende pleisterplaatsen geen navraag durven doen, want ze vreesde, dat Chauvelin overal langs den weg zijn spionnen kon hebben.Nu vroeg zij zich nieuwsgierig af in welke herberg hij wel zijn intrek mocht hebben genomen, dan wel of het hem gelukt was reeds een schip te huren en hij zoo onderweg naar Frankrijk kon zijn. Ach, ze overwoog ernstig, of ze al niet te laat was gekomen!De eenzaamheid van de gelagkamer maakte haar zenuwachtig, het eentonig getik der huisklok was al wat de stilte van den nacht verbrak.Ieder ander in huis, behalve zij zelf, moest nu wel in diepen slaap verzonken zijn. Mr. Jellyband was een oogje gaan houden op haar koetsier en bedienden en had daarna post gevat in de gang. Blijkbaar wilde hij de komst afwachten van Sir Andrew Foulkes, maar toch kon Marguerite bij het langzaam getik der klok ook de geregelde ademhaling vernemen van den nauwgezetten kastelein.Een poos daarna kwam zij tot de ontdekking, dat op den fraaien, warmen Octoberdag een ruwe en koude nacht was gevolgd; van lieverlede, naarmate de uren verliepen, werd het weder onstuimiger en drong het geraas der branding tegen den pier der Admirality, hoewel op eenigen afstand der herberg, tot haar door. Ook hoorde men in de verte den donder rommelen.De wind was komen opzetten, deed de in lood gevatte vensters rammelen, en de massieve deuren van het ouderwetsche huis kraken.Een plotselinge beweging van buiten wekte haar uit haar mijmeringen. Zeker was het Sir Andrew Foulkes, die juist in dolle haast scheen te zijn aangekomen, want ze hoorde de hoeven van zijn paard trappelen op de steenen van den straatweg Londen-Dover.Een oogenblik nu kwam Marguerite het vreemde harerpositie voor den geest. Er lag zulk een zonderling contrast tusschen het ernstige van haar taak en de vermoedens, die bij den braven Jellyband moesten post vatten, dat voor het eerst sedert uren, om niet te zeggen dagen, een glimlach om haar mondhoeken speelde. Toen dan ook kort daarop Sir Andrew in zijn eigenaardig kostuum de gelagkamer binnentrad, riep ze lachend uit:„Mijnheer mijn lakei, ik ben met uw voorkomen tevreden!”Mr. Jellyband was Sir Andrew op den voet gevolgd en keek als iemand, die het in Keulen hoorde donderen.Hij ontkurkte de flesch wijn, zette de stoelen gereed en wachtte.„Heb dank, waarde vriend,” zei Marguerite, nog steeds lachend bij de gedachte, wat er in het hoofd van den waard op dit oogenblik moest omgaan, „we hebben niets meer te verlangen, hier is iets voor de moeite, die ge u voor ons hebt gegeven.”Ze stak Jellyband twee goudstukken toe, die deze eerbiedig aannam.„Wacht even, Jelly,” bracht Sir Andrew in het midden: „Lady Blakeney, ik vrees, we zullen iets meer moeten eischen van vriend Jelly’s gastvrijheid. Het spijt me te moeten zeggen, dat we van nacht niet kunnen overvaren.”„Van nacht niet overvaren?” herhaalde Marguerite verbaasd. „Maar we moeten, Sir Andrew, we moeten! Er kan geen sprake zijn van niet kunnen, en wat het ook kosten moge, we moeten zien van nacht een schip te charteren.”Maar de jonkman schudde treurig het hoofd.„Het zal geen kwestie zijn van kosten, Lady Blakeney. Er waait een ruwe storm van de Fransche kust, we hebben den wind vlak tegen, er valt met geen mogelijkheid te zeilen bij zulk weer.”Marguerite werd doodsbleek. Dit had zij niet voorzien.„Maar we moeten gaan!—we moeten!” herhaalde ze driftig, „ge weet toch, dat alles ervan afhangt! Kunt ge er niets op vinden? Is er dan geen kans hoegenaamd?”„Ik ben al naar het strand geweest,” zei Sir Andrew.„Welken zeeman ik ook aansprak, allen verzekerden ze me, dat van uitzeilen geen kwestie kan zijn. Niemand,” voegde hij erbij, Marguerite veelbeteekenend aanziende, „niemandzou van nacht in zee kunnen steken.”Lady Blakeney begreep terstond, wat met „niemand” bedoeld werd. Chauvelin evenmin als zij. Zij knikte Jellyband toe.„Welnu, dan moet ik er wel vrede mee hebben,” zei ze tot den herbergier. „Hebt u een kamer voor mij?”„Wel zeker, Milady. Een lieve, gezellige, frissche kamer. Ik zal er dadelijk werk van maken... En voor Sir Andrew is er ook zoo een—beide geheel in orde.”„Nu, Jelly, dat vind ik uitstekend,” zei Sir Andrew vroolijk, den gastheer op zijn schouder kloppend. „Je maakt de twee kamers open en laat de blakers met de kaarsen maar hier. Je zult wel doodmoe zijn, en Milady moet wat eten, voordat zij ter ruste gaat.”„Ik zal er terstond voor zorgen, Sir,” zei hij. „Heeft Milady het noodige voor een souper?”„Alles, dank u, waarde vriend, en ga, daar ik honger heb en ook doodmoe ben, nu maar heen en zorg voor mijn logies.”„Vertel me nu eens,” drong ze aan, zoodra Jellyband zijn hielen gelicht had, „zeg me, Sir Andrew, al wat ge weet.”„Er valt niet veel meer te vertellen, Lady Blakeney,” hernam de jonkman. „De storm verhindert ieder schip om nu uit te gaan. Maar als wij van nacht niet naar Frankrijk kunnen oversteken, dan zit Chauvelin in hetzelfde parket.”„Hij kan zijn uitgegaan, voordat de storm losbrak.”„Dat geve God!” zei Sir Andrew met leedvermaak, „want dan is hij ook bepaald uit den koers gedreven! Wie weet? Hij kan zelfs nu op den bodem liggen van het Kanaal. Maar alle zeelui, die ik heb aangesproken, zeiden me eenparig, dat sedert uren geen schoener van Dover was vertrokken. Van den anderen kant is me gezegd, dat een buitenlander, die per postrijtuig dezen namiddag was aangekomen, ernaar geïnformeerd had of hij ook naar Frankrijk kon oversteken.”„Dus zou Chauvelin in Dover zitten?”„Zonder twijfel. Zal ik gaan en hem overhoop steken? Dat zou wel de meest practische manier zijn om uit de moeilijkheid te geraken.”„Neen! Sir Andrew, laten we niet gekscheren. Helaas! sedert den laatsten avond heb ik mezelve op den wensch betrapt, dat die duivel mocht sterven. Maar wat u aangeeft is een onmogelijkheid!”Sir Andrew overreedde haar te gaan zitten, iets te eten en een glas wijn te drinken. Deze gedwongen rust van minstens twaalf uren, tot het eerstkomend getij was zeker moeilijk te harden in denhoogstopgewonden toestand, waarin de Lady verkeerde. Hij maakte haar recht gelukkig door over Percy te spreken. Hij haalde in haar tegenwoordigheid op van de stoutmoedige ontsnappingen, die de dappere Roode Pimpernel voor de Fransche vluchtelingen al had uitgedacht en uitgevoerd. Hij liet haar vroolijk lachen over de vele vermommingen, waarmede hij de scherpst toeziende schildwachten aan de barrières van Parijs had verschalkt. Het laatste feit, de ontsnapping van de Gravin de Tournay en haar kinderen, was een waar meesterstuk geweest.En zoo verliep er een uur. Er waren er evenwel nog meer voor den boeg. Met een ongeduldigen zucht stond Marguerite van tafel op.Zij dacht er over, waar Percy nu kon zijn. DeDay Dreamwas een hecht gebouwd, zeewaardig jacht. Sir Andrew gaf als zijn meening te kennen, dat het buiten twijfel over het Kanaal was gekomen vóór het losbreken van den storm, en anders rustig te Gravesend moest liggen.Briggs was een ervaren zeeman en Sir Percy wist een schoener even goed als de beste gezagvoerder te besturen. De storm zou hen niet in gevaar hebben gebracht.Middernacht was lang voorbij, toen Marguerite eindelijk zich ter ruste begaf. Zooals ze had voorzien, daalde geen slaap op haar oogleden en zamelden zich de somberste gedachten op in haar vermoeid en geteisterd brein.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Spanning.
De nacht was reeds ver gevorderd, toen Marguerite eindelijk de bekende herberg „Visscherswelvaren” had bereikt. In minder dan acht uren was—dank zij het veelvuldig wisselen van paarden op de verschillende pleisterplaatsen—de aanzienlijke afstand tusschen Londen en Dover afgelegd.Haar koetsier was onvermoeid geweest; de belofte van een speciale en ruime belooning had zonder twijfel hem wakker gehouden en de vurige rossen als een pijl uit een boog over de heerbaan doen vliegen.De komst van Lady Blakeney, in het holste van den nacht, had heel wat drukte in „Visscherswelvaren” teweeg gebracht. Sally sprong haastig het bed uit en Mr. Jellyband krabde zich achter de ooren bij de gedachte, hoe hij het zijn gasten aangenaam zou maken.De gelagkamer—onlangs het tooneel van de overrompeling, gepleegd op twee Engelsche gentlemen—was geheel verlaten. Mr. Jellyband stak haastig de lamp weer op, legde spoedig een vroolijk vuurtje aan op den haard en rolde er een gemakkelijken leuningstoel bij, waarin Marguerite zich dankbaar neervlijde.„Blijft de Lady hier overnachten?” vroeg de mooie Miss Sally, die reeds bezig was een hagelwit tafelkleed te ontvouwen.„Neen! den heelen nacht niet,” zei Marguerite. „In ieder geval zal ik geen andere kamer noodig hebben dan deze, als ik er een paar keer gebruik van kan maken. Zoodra de vloed opkomt, wil ik oversteken,” vervolgde ze, „en in den eersten schoener, dien ik kan machtig worden. Maar mijn koetsier en bedienden zullen vannacht overblijven en waarschijnlijk wel verscheidene dagen langer, daarom hoop ik, dat u het hun aan niets zult laten ontbreken.”„Best Milady, ik zal er voor zorgen. Zal Sally u wat voor souper aanrichten?”„Ja, alsjeblieft. Geef maar een kouden schotel, en zoodra Sir Andrew Foulkes komt, laat ge mijnheer hier binnen.”„Goed Milady.”Het eerlijk gezicht van Jellyband teekende nu spijt, in weerwil van zichzelf. Hij koesterde veel achting voor Sir Percy Blakeney, daarom zag hij ongaarne, dat diens vrouw met den jongen Sir Andrew was weggeloopen!„Blijf niet op, waarde Jellyband,” hernam Marguerite, „en jij ook niet, Sally. Sir Andrew kan laat komen.”Sally dischte een eenvoudig souper op van koud vleesch, wijn en vruchten en verwijderde zich met een eerbiedige buiging.Toen brak er een tijd van vervelend wachten aan voor Marguerite. Ze wist, dat Sir Andrew, die zich als lakei had moeten vermommen, uiterlijk over twee uur te Doverzou kunnen zijn. Hij was een kranig ruiter, maar kon toch pas een uur later dan zij uit Londen zijn vertrokken.Van Chauvelin had zij onderweg geen taal of teeken vernomen.Hij was haar zeker al dien tijd vooruit geweest. Zij had op de verschillende pleisterplaatsen geen navraag durven doen, want ze vreesde, dat Chauvelin overal langs den weg zijn spionnen kon hebben.Nu vroeg zij zich nieuwsgierig af in welke herberg hij wel zijn intrek mocht hebben genomen, dan wel of het hem gelukt was reeds een schip te huren en hij zoo onderweg naar Frankrijk kon zijn. Ach, ze overwoog ernstig, of ze al niet te laat was gekomen!De eenzaamheid van de gelagkamer maakte haar zenuwachtig, het eentonig getik der huisklok was al wat de stilte van den nacht verbrak.Ieder ander in huis, behalve zij zelf, moest nu wel in diepen slaap verzonken zijn. Mr. Jellyband was een oogje gaan houden op haar koetsier en bedienden en had daarna post gevat in de gang. Blijkbaar wilde hij de komst afwachten van Sir Andrew Foulkes, maar toch kon Marguerite bij het langzaam getik der klok ook de geregelde ademhaling vernemen van den nauwgezetten kastelein.Een poos daarna kwam zij tot de ontdekking, dat op den fraaien, warmen Octoberdag een ruwe en koude nacht was gevolgd; van lieverlede, naarmate de uren verliepen, werd het weder onstuimiger en drong het geraas der branding tegen den pier der Admirality, hoewel op eenigen afstand der herberg, tot haar door. Ook hoorde men in de verte den donder rommelen.De wind was komen opzetten, deed de in lood gevatte vensters rammelen, en de massieve deuren van het ouderwetsche huis kraken.Een plotselinge beweging van buiten wekte haar uit haar mijmeringen. Zeker was het Sir Andrew Foulkes, die juist in dolle haast scheen te zijn aangekomen, want ze hoorde de hoeven van zijn paard trappelen op de steenen van den straatweg Londen-Dover.Een oogenblik nu kwam Marguerite het vreemde harerpositie voor den geest. Er lag zulk een zonderling contrast tusschen het ernstige van haar taak en de vermoedens, die bij den braven Jellyband moesten post vatten, dat voor het eerst sedert uren, om niet te zeggen dagen, een glimlach om haar mondhoeken speelde. Toen dan ook kort daarop Sir Andrew in zijn eigenaardig kostuum de gelagkamer binnentrad, riep ze lachend uit:„Mijnheer mijn lakei, ik ben met uw voorkomen tevreden!”Mr. Jellyband was Sir Andrew op den voet gevolgd en keek als iemand, die het in Keulen hoorde donderen.Hij ontkurkte de flesch wijn, zette de stoelen gereed en wachtte.„Heb dank, waarde vriend,” zei Marguerite, nog steeds lachend bij de gedachte, wat er in het hoofd van den waard op dit oogenblik moest omgaan, „we hebben niets meer te verlangen, hier is iets voor de moeite, die ge u voor ons hebt gegeven.”Ze stak Jellyband twee goudstukken toe, die deze eerbiedig aannam.„Wacht even, Jelly,” bracht Sir Andrew in het midden: „Lady Blakeney, ik vrees, we zullen iets meer moeten eischen van vriend Jelly’s gastvrijheid. Het spijt me te moeten zeggen, dat we van nacht niet kunnen overvaren.”„Van nacht niet overvaren?” herhaalde Marguerite verbaasd. „Maar we moeten, Sir Andrew, we moeten! Er kan geen sprake zijn van niet kunnen, en wat het ook kosten moge, we moeten zien van nacht een schip te charteren.”Maar de jonkman schudde treurig het hoofd.„Het zal geen kwestie zijn van kosten, Lady Blakeney. Er waait een ruwe storm van de Fransche kust, we hebben den wind vlak tegen, er valt met geen mogelijkheid te zeilen bij zulk weer.”Marguerite werd doodsbleek. Dit had zij niet voorzien.„Maar we moeten gaan!—we moeten!” herhaalde ze driftig, „ge weet toch, dat alles ervan afhangt! Kunt ge er niets op vinden? Is er dan geen kans hoegenaamd?”„Ik ben al naar het strand geweest,” zei Sir Andrew.„Welken zeeman ik ook aansprak, allen verzekerden ze me, dat van uitzeilen geen kwestie kan zijn. Niemand,” voegde hij erbij, Marguerite veelbeteekenend aanziende, „niemandzou van nacht in zee kunnen steken.”Lady Blakeney begreep terstond, wat met „niemand” bedoeld werd. Chauvelin evenmin als zij. Zij knikte Jellyband toe.„Welnu, dan moet ik er wel vrede mee hebben,” zei ze tot den herbergier. „Hebt u een kamer voor mij?”„Wel zeker, Milady. Een lieve, gezellige, frissche kamer. Ik zal er dadelijk werk van maken... En voor Sir Andrew is er ook zoo een—beide geheel in orde.”„Nu, Jelly, dat vind ik uitstekend,” zei Sir Andrew vroolijk, den gastheer op zijn schouder kloppend. „Je maakt de twee kamers open en laat de blakers met de kaarsen maar hier. Je zult wel doodmoe zijn, en Milady moet wat eten, voordat zij ter ruste gaat.”„Ik zal er terstond voor zorgen, Sir,” zei hij. „Heeft Milady het noodige voor een souper?”„Alles, dank u, waarde vriend, en ga, daar ik honger heb en ook doodmoe ben, nu maar heen en zorg voor mijn logies.”„Vertel me nu eens,” drong ze aan, zoodra Jellyband zijn hielen gelicht had, „zeg me, Sir Andrew, al wat ge weet.”„Er valt niet veel meer te vertellen, Lady Blakeney,” hernam de jonkman. „De storm verhindert ieder schip om nu uit te gaan. Maar als wij van nacht niet naar Frankrijk kunnen oversteken, dan zit Chauvelin in hetzelfde parket.”„Hij kan zijn uitgegaan, voordat de storm losbrak.”„Dat geve God!” zei Sir Andrew met leedvermaak, „want dan is hij ook bepaald uit den koers gedreven! Wie weet? Hij kan zelfs nu op den bodem liggen van het Kanaal. Maar alle zeelui, die ik heb aangesproken, zeiden me eenparig, dat sedert uren geen schoener van Dover was vertrokken. Van den anderen kant is me gezegd, dat een buitenlander, die per postrijtuig dezen namiddag was aangekomen, ernaar geïnformeerd had of hij ook naar Frankrijk kon oversteken.”„Dus zou Chauvelin in Dover zitten?”„Zonder twijfel. Zal ik gaan en hem overhoop steken? Dat zou wel de meest practische manier zijn om uit de moeilijkheid te geraken.”„Neen! Sir Andrew, laten we niet gekscheren. Helaas! sedert den laatsten avond heb ik mezelve op den wensch betrapt, dat die duivel mocht sterven. Maar wat u aangeeft is een onmogelijkheid!”Sir Andrew overreedde haar te gaan zitten, iets te eten en een glas wijn te drinken. Deze gedwongen rust van minstens twaalf uren, tot het eerstkomend getij was zeker moeilijk te harden in denhoogstopgewonden toestand, waarin de Lady verkeerde. Hij maakte haar recht gelukkig door over Percy te spreken. Hij haalde in haar tegenwoordigheid op van de stoutmoedige ontsnappingen, die de dappere Roode Pimpernel voor de Fransche vluchtelingen al had uitgedacht en uitgevoerd. Hij liet haar vroolijk lachen over de vele vermommingen, waarmede hij de scherpst toeziende schildwachten aan de barrières van Parijs had verschalkt. Het laatste feit, de ontsnapping van de Gravin de Tournay en haar kinderen, was een waar meesterstuk geweest.En zoo verliep er een uur. Er waren er evenwel nog meer voor den boeg. Met een ongeduldigen zucht stond Marguerite van tafel op.Zij dacht er over, waar Percy nu kon zijn. DeDay Dreamwas een hecht gebouwd, zeewaardig jacht. Sir Andrew gaf als zijn meening te kennen, dat het buiten twijfel over het Kanaal was gekomen vóór het losbreken van den storm, en anders rustig te Gravesend moest liggen.Briggs was een ervaren zeeman en Sir Percy wist een schoener even goed als de beste gezagvoerder te besturen. De storm zou hen niet in gevaar hebben gebracht.Middernacht was lang voorbij, toen Marguerite eindelijk zich ter ruste begaf. Zooals ze had voorzien, daalde geen slaap op haar oogleden en zamelden zich de somberste gedachten op in haar vermoeid en geteisterd brein.
De nacht was reeds ver gevorderd, toen Marguerite eindelijk de bekende herberg „Visscherswelvaren” had bereikt. In minder dan acht uren was—dank zij het veelvuldig wisselen van paarden op de verschillende pleisterplaatsen—de aanzienlijke afstand tusschen Londen en Dover afgelegd.
Haar koetsier was onvermoeid geweest; de belofte van een speciale en ruime belooning had zonder twijfel hem wakker gehouden en de vurige rossen als een pijl uit een boog over de heerbaan doen vliegen.
De komst van Lady Blakeney, in het holste van den nacht, had heel wat drukte in „Visscherswelvaren” teweeg gebracht. Sally sprong haastig het bed uit en Mr. Jellyband krabde zich achter de ooren bij de gedachte, hoe hij het zijn gasten aangenaam zou maken.
De gelagkamer—onlangs het tooneel van de overrompeling, gepleegd op twee Engelsche gentlemen—was geheel verlaten. Mr. Jellyband stak haastig de lamp weer op, legde spoedig een vroolijk vuurtje aan op den haard en rolde er een gemakkelijken leuningstoel bij, waarin Marguerite zich dankbaar neervlijde.
„Blijft de Lady hier overnachten?” vroeg de mooie Miss Sally, die reeds bezig was een hagelwit tafelkleed te ontvouwen.
„Neen! den heelen nacht niet,” zei Marguerite. „In ieder geval zal ik geen andere kamer noodig hebben dan deze, als ik er een paar keer gebruik van kan maken. Zoodra de vloed opkomt, wil ik oversteken,” vervolgde ze, „en in den eersten schoener, dien ik kan machtig worden. Maar mijn koetsier en bedienden zullen vannacht overblijven en waarschijnlijk wel verscheidene dagen langer, daarom hoop ik, dat u het hun aan niets zult laten ontbreken.”
„Best Milady, ik zal er voor zorgen. Zal Sally u wat voor souper aanrichten?”
„Ja, alsjeblieft. Geef maar een kouden schotel, en zoodra Sir Andrew Foulkes komt, laat ge mijnheer hier binnen.”
„Goed Milady.”
Het eerlijk gezicht van Jellyband teekende nu spijt, in weerwil van zichzelf. Hij koesterde veel achting voor Sir Percy Blakeney, daarom zag hij ongaarne, dat diens vrouw met den jongen Sir Andrew was weggeloopen!
„Blijf niet op, waarde Jellyband,” hernam Marguerite, „en jij ook niet, Sally. Sir Andrew kan laat komen.”
Sally dischte een eenvoudig souper op van koud vleesch, wijn en vruchten en verwijderde zich met een eerbiedige buiging.
Toen brak er een tijd van vervelend wachten aan voor Marguerite. Ze wist, dat Sir Andrew, die zich als lakei had moeten vermommen, uiterlijk over twee uur te Doverzou kunnen zijn. Hij was een kranig ruiter, maar kon toch pas een uur later dan zij uit Londen zijn vertrokken.
Van Chauvelin had zij onderweg geen taal of teeken vernomen.
Hij was haar zeker al dien tijd vooruit geweest. Zij had op de verschillende pleisterplaatsen geen navraag durven doen, want ze vreesde, dat Chauvelin overal langs den weg zijn spionnen kon hebben.
Nu vroeg zij zich nieuwsgierig af in welke herberg hij wel zijn intrek mocht hebben genomen, dan wel of het hem gelukt was reeds een schip te huren en hij zoo onderweg naar Frankrijk kon zijn. Ach, ze overwoog ernstig, of ze al niet te laat was gekomen!
De eenzaamheid van de gelagkamer maakte haar zenuwachtig, het eentonig getik der huisklok was al wat de stilte van den nacht verbrak.
Ieder ander in huis, behalve zij zelf, moest nu wel in diepen slaap verzonken zijn. Mr. Jellyband was een oogje gaan houden op haar koetsier en bedienden en had daarna post gevat in de gang. Blijkbaar wilde hij de komst afwachten van Sir Andrew Foulkes, maar toch kon Marguerite bij het langzaam getik der klok ook de geregelde ademhaling vernemen van den nauwgezetten kastelein.
Een poos daarna kwam zij tot de ontdekking, dat op den fraaien, warmen Octoberdag een ruwe en koude nacht was gevolgd; van lieverlede, naarmate de uren verliepen, werd het weder onstuimiger en drong het geraas der branding tegen den pier der Admirality, hoewel op eenigen afstand der herberg, tot haar door. Ook hoorde men in de verte den donder rommelen.
De wind was komen opzetten, deed de in lood gevatte vensters rammelen, en de massieve deuren van het ouderwetsche huis kraken.
Een plotselinge beweging van buiten wekte haar uit haar mijmeringen. Zeker was het Sir Andrew Foulkes, die juist in dolle haast scheen te zijn aangekomen, want ze hoorde de hoeven van zijn paard trappelen op de steenen van den straatweg Londen-Dover.
Een oogenblik nu kwam Marguerite het vreemde harerpositie voor den geest. Er lag zulk een zonderling contrast tusschen het ernstige van haar taak en de vermoedens, die bij den braven Jellyband moesten post vatten, dat voor het eerst sedert uren, om niet te zeggen dagen, een glimlach om haar mondhoeken speelde. Toen dan ook kort daarop Sir Andrew in zijn eigenaardig kostuum de gelagkamer binnentrad, riep ze lachend uit:
„Mijnheer mijn lakei, ik ben met uw voorkomen tevreden!”
Mr. Jellyband was Sir Andrew op den voet gevolgd en keek als iemand, die het in Keulen hoorde donderen.
Hij ontkurkte de flesch wijn, zette de stoelen gereed en wachtte.
„Heb dank, waarde vriend,” zei Marguerite, nog steeds lachend bij de gedachte, wat er in het hoofd van den waard op dit oogenblik moest omgaan, „we hebben niets meer te verlangen, hier is iets voor de moeite, die ge u voor ons hebt gegeven.”
Ze stak Jellyband twee goudstukken toe, die deze eerbiedig aannam.
„Wacht even, Jelly,” bracht Sir Andrew in het midden: „Lady Blakeney, ik vrees, we zullen iets meer moeten eischen van vriend Jelly’s gastvrijheid. Het spijt me te moeten zeggen, dat we van nacht niet kunnen overvaren.”
„Van nacht niet overvaren?” herhaalde Marguerite verbaasd. „Maar we moeten, Sir Andrew, we moeten! Er kan geen sprake zijn van niet kunnen, en wat het ook kosten moge, we moeten zien van nacht een schip te charteren.”
Maar de jonkman schudde treurig het hoofd.
„Het zal geen kwestie zijn van kosten, Lady Blakeney. Er waait een ruwe storm van de Fransche kust, we hebben den wind vlak tegen, er valt met geen mogelijkheid te zeilen bij zulk weer.”
Marguerite werd doodsbleek. Dit had zij niet voorzien.
„Maar we moeten gaan!—we moeten!” herhaalde ze driftig, „ge weet toch, dat alles ervan afhangt! Kunt ge er niets op vinden? Is er dan geen kans hoegenaamd?”
„Ik ben al naar het strand geweest,” zei Sir Andrew.„Welken zeeman ik ook aansprak, allen verzekerden ze me, dat van uitzeilen geen kwestie kan zijn. Niemand,” voegde hij erbij, Marguerite veelbeteekenend aanziende, „niemandzou van nacht in zee kunnen steken.”
Lady Blakeney begreep terstond, wat met „niemand” bedoeld werd. Chauvelin evenmin als zij. Zij knikte Jellyband toe.
„Welnu, dan moet ik er wel vrede mee hebben,” zei ze tot den herbergier. „Hebt u een kamer voor mij?”
„Wel zeker, Milady. Een lieve, gezellige, frissche kamer. Ik zal er dadelijk werk van maken... En voor Sir Andrew is er ook zoo een—beide geheel in orde.”
„Nu, Jelly, dat vind ik uitstekend,” zei Sir Andrew vroolijk, den gastheer op zijn schouder kloppend. „Je maakt de twee kamers open en laat de blakers met de kaarsen maar hier. Je zult wel doodmoe zijn, en Milady moet wat eten, voordat zij ter ruste gaat.”
„Ik zal er terstond voor zorgen, Sir,” zei hij. „Heeft Milady het noodige voor een souper?”
„Alles, dank u, waarde vriend, en ga, daar ik honger heb en ook doodmoe ben, nu maar heen en zorg voor mijn logies.”
„Vertel me nu eens,” drong ze aan, zoodra Jellyband zijn hielen gelicht had, „zeg me, Sir Andrew, al wat ge weet.”
„Er valt niet veel meer te vertellen, Lady Blakeney,” hernam de jonkman. „De storm verhindert ieder schip om nu uit te gaan. Maar als wij van nacht niet naar Frankrijk kunnen oversteken, dan zit Chauvelin in hetzelfde parket.”
„Hij kan zijn uitgegaan, voordat de storm losbrak.”
„Dat geve God!” zei Sir Andrew met leedvermaak, „want dan is hij ook bepaald uit den koers gedreven! Wie weet? Hij kan zelfs nu op den bodem liggen van het Kanaal. Maar alle zeelui, die ik heb aangesproken, zeiden me eenparig, dat sedert uren geen schoener van Dover was vertrokken. Van den anderen kant is me gezegd, dat een buitenlander, die per postrijtuig dezen namiddag was aangekomen, ernaar geïnformeerd had of hij ook naar Frankrijk kon oversteken.”
„Dus zou Chauvelin in Dover zitten?”
„Zonder twijfel. Zal ik gaan en hem overhoop steken? Dat zou wel de meest practische manier zijn om uit de moeilijkheid te geraken.”
„Neen! Sir Andrew, laten we niet gekscheren. Helaas! sedert den laatsten avond heb ik mezelve op den wensch betrapt, dat die duivel mocht sterven. Maar wat u aangeeft is een onmogelijkheid!”
Sir Andrew overreedde haar te gaan zitten, iets te eten en een glas wijn te drinken. Deze gedwongen rust van minstens twaalf uren, tot het eerstkomend getij was zeker moeilijk te harden in denhoogstopgewonden toestand, waarin de Lady verkeerde. Hij maakte haar recht gelukkig door over Percy te spreken. Hij haalde in haar tegenwoordigheid op van de stoutmoedige ontsnappingen, die de dappere Roode Pimpernel voor de Fransche vluchtelingen al had uitgedacht en uitgevoerd. Hij liet haar vroolijk lachen over de vele vermommingen, waarmede hij de scherpst toeziende schildwachten aan de barrières van Parijs had verschalkt. Het laatste feit, de ontsnapping van de Gravin de Tournay en haar kinderen, was een waar meesterstuk geweest.
En zoo verliep er een uur. Er waren er evenwel nog meer voor den boeg. Met een ongeduldigen zucht stond Marguerite van tafel op.
Zij dacht er over, waar Percy nu kon zijn. DeDay Dreamwas een hecht gebouwd, zeewaardig jacht. Sir Andrew gaf als zijn meening te kennen, dat het buiten twijfel over het Kanaal was gekomen vóór het losbreken van den storm, en anders rustig te Gravesend moest liggen.
Briggs was een ervaren zeeman en Sir Percy wist een schoener even goed als de beste gezagvoerder te besturen. De storm zou hen niet in gevaar hebben gebracht.
Middernacht was lang voorbij, toen Marguerite eindelijk zich ter ruste begaf. Zooals ze had voorzien, daalde geen slaap op haar oogleden en zamelden zich de somberste gedachten op in haar vermoeid en geteisterd brein.