VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.De Jood.Marguerite had eenigen tijd noodig om tot bezinning te komen. Het laatste incident kon nauwelijks een minuut geduurd hebben, en toch waren Desgas en zijn soldaten nog een driehonderd passen van de „Chat Gris” verwijderd.Toen zij zich rekenschap kon geven van het gebeurde, ondervond ze een mengeling van vreugde en bewondering voor haar echtgenoot.Het was alles zoo goed overdacht en vernuftig in zijn werk gegaan. Chauvelin was totaal hulpeloos, erger dan hij zou geweest zijn na een vuistslag, want op dit oogenblik was hooren, zien en spreken hem geheel onmogelijk!Sir Percy had zich verwijderd, klaarblijkelijk om de vluchtelingen in de hut van vader Blanchard op te zoeken. Voor het oogenblik weliswaar was Chauvelin machteloos en had de vermetele Roode Pimpernel zich bijtijds uit de voeten gemaakt, maar op alle wegen, en ook langs het strand, kruisten patrouilles, in alle hoeken en gaten stonden schildwachten en op iederen vreemdeling werd acht geslagen. Hij kon nu geen kennis dragen van de orders, door Chauvelin van zijn gevangenneming gegeven, en juist nu, misschien...Op dit oogenblik vernam ze het afzetten van geweren in de nabijheid der deur en hoorde ze Desgas zijn manschappen „Halt!” toeroepen.Chauvelin had zich ten deele hersteld, zijn niezen was minder geweldig en met moeite was hij weer op den been gekomen. Hij wist de deur te bereiken, toen Desgas aanklopte, en opende deze.Nog vóór zijn secretaris een woord kon spreken, stamelde hij tusschen twee niesbuien door:„De lange vreemdeling—gauw! Heeft een van jullie hem gezien?”„Waar, burger?” vroeg Desgas verbaasd.„Hier, man! door deze deur! Geen vijf minuten geleden!”„We hebben niets gezien, burger! De maan is nog niet op, en...”„En je komt juist vijf minuten te laat, man!” zei Chauvelin met verbeten woede.„Burger... ik...”„Je hebt gedaan, wat ik je beval te doen,” vulde Chauvelin ongeduldig aan. „Ik weet dat, maar lang heb je erover gedaan. Gelukkig dat het niet erger is, want slecht zou het je vergaan zijn, burger Desgas!”Desgas verbleekte een weinig. De geheele houding van zijn superieur teekende onverholen haat en machtelooze woede.„De lange vreemdeling, burger—” stamelde hij.„Was vijf minuten geleden hier in de gelagkamer, heeft hier gegeten. De duivel hale zijn brutaliteit! Ik alleen durfde hem niet aan en daarom is hij jouw neus voorbij gegaan.”„Hij kan niet bijster ver loopen zonder gezien te worden, burger.”„Ha!”„Kapitein Jutley heeft veertig man ter versterking van den patrouilledienst gezonden, twintig zijn naar het zeestrand. Hij heeft me andermaal verzekerd, dat de wacht den geheelen dag in ’t geweer is geweest en geen vreemdeling bij mogelijkheid naar het strand kon komen, of een sloep praaien zonder in den kijker te loopen.”„Goed zoo! Kennen de manschappen hun taak?”„Ze hebben zeer duidelijke en pertinente orders, burger. Ze moeten de gangen van iederen vreemdeling zoo heimelijk mogelijk nagaan, vooral als hij een rijzig man is, of gebukt mocht loopen, om zijn lengte te verbergen.”„In geen geval zoo een aanhouden,” bracht Chauvelin in het midden. „We moeten hem nu naar Vader Blanchard’s hut laten trekken, hem daar omsingelen en gevangen nemen.”„De manschappen hebben dat consigne, burger, ook dat, zoolang een lange vreemdeling in ’t vizier komt, hij gevolgd moet worden, terwijl één man terstond rechts omkeert zal maken en u rapport brengen.”„Zoo is het goed,” zei Chauvelin, zich de handen wrijvend en in zijn knollentuin gerakend.„Ik heb meer nieuws voor u, burger.”„Laat hooren!”„Een rijzige Engelschman had een uur geleden een langdurig gesprek met een Jood, Ruben genaamd, die een pas of tien van hier woont.”„Ja—en?”vroeg Chauvelin ongeduldig.„Het gesprek liep over een paard en wagen, die de lange Engelschman wilde huren en die tegen elf uur gereed moest zijn.”„Het is nu kwart over elf. Waar hangt die Ruben uit?”„Een paar minuten gaans van hier.”„Stuur een van je manschappen, om uit te visschen, of de vreemdeling met den wagen van Ruben is vertrokken!”„Goed, burger.”Desgas haastte zich het bevel ten uitvoer te brengen. Geen woord van dit gesprek tusschen Chauvelin en zijn handlanger was Marguerite ontgaan. Ieder woord was een dolksteek in haar hart.Zij had die heele lange reis gemaakt, met zulk een levendige hoop en vast besluit haar echtgenoot bij te staan, en tot dusver was ze niet in staat geweest iets uit te richten, maar met een van angst brekend hart had zij het moeten aanzien, hoe de mazen van het doodelijke net zich om hem sloten. Hij kon nu geen schrede meer doen, zonder bespiedende oogen, die zijn spoor volgden. Haar eigen machteloosheid maakte haar wanhopig. De mogelijkheid om haar man ook maar eenigszins van nut te zijn, was op niets uitgeloopen, en de eenige hoop, die haar overbleef, was, dat het haar vergund mocht worden te deelen in zijn lot, hoe dit ook zijn mocht.Desgas had Chauvelin, die in de gelagkamer op en neer liep, verlaten en wachtte buiten den soldaat op, dien hij ter opsporing van Ruben had uitgezonden. Er verliepen zoodoende eenige minuten. Chauvelin brandde van ongeduld, zooals zich laat begrijpen.Vijf minuten later kwam Desgas terug, gevolgd door een ouden Jood, vunzig gehuld in een smerigen op dendraad versleten tabbaard, vettig langs de schouders. Op zijn rood haar, dat hij droeg op de manier der Poolsche joden, met krullen als kurketrekkers aan beide zijden van zijn gezicht, rustte een laag vuil. Het geheele voorkomen van dezen zoon Abrahams was weerzinwekkend. Hij ging gebukt met de eigenaardige kromming, die zijn ras kenmerkt, door de vernedering ondergaan in vervlogen eeuwen, voor dat de dageraad van vrijheid en gelijkheid in geloofszaken voor dit mishandeld volk was aangebroken. Hij liep achter Desgas aan met den typisch schoorvoetenden gang, die den Joodschen schacheraar in Europa is bijgebleven tot op den huidigen dag.Chauvelin wenkte den kerel om op eerbiedigen afstand te blijven. De drie mannen stonden juist onder de afhangende olielamp, zoodat Marguerite het trio duidelijk kon waarnemen.„Is dit de man?” vroeg Chauvelin.„Neen, burger,” antwoordde Desgas. „Ruben was niet te vinden, dus zal de Engelschman met diens kar zijn vertrokken, maar deze Jood schijnt van het een of ander een snufje te hebben, dat hij voor een prijsje van de hand wil doen.”Met de lijdzaamheid, aan zijn ras eigen, stond de Jood terzijde, leunend op een dikken staf, zijn ruig gezicht verborgen onder een breed-gerand hoofddeksel, in afwachting dat de nobele Excellentie hem zou ondervragen.„De burger hier vertelt me,” zei Chauvelin, „dat je iets weet omtrent mijn vriend, den langen Engelschman, dien ik wensch te ontmoeten... Sakkerloot! op een afstand asjeblieft, man!” liet hij er haastig op volgen, toen de Jood een haastige schrede voorwaarts deed.„Ja, Excellentie,” begon de Israëliet, zijn taal sprekend met den eigenaardigen tongval, die een Oosterschen oorsprong verraadt, „ik en Ruben Goldstein hebben onderweg een langen Engelschman van avond gezien, dicht hier in de buurt.”„Heb je met hem gesproken?”„Hij sprak ons aan, Excellentie. Hij wilde weten, of hij een kar met paard kon huren, om langs den St. Martinswegnaar een plaats te gaan, waar hij vannacht wezen moest.”„Wat heb je toen gezegd?”„Ik heb niets gezegd,” antwoordde de Jood, zich beleedigd gevoelend. „Ruben Goldstein is een Belialskind...”„Dat gaat mij niet aan, man,” viel Chauvelin hem ruw in de rede, „ter zake hoor!”„Nu dan. Toen ik op het punt was den rijken Engelschman mijn paard en wagen aan te bieden, waarmee hij gaan kon, waarheen hij verkoos, had Ruben me het gras al voor de voeten weggemaaid en bood hem zijn hongerigen hit en krakende kar aan.”„Wat deed de Engelschman toen?”„Hij had ooren naar het aanbod van Ruben Goldstein, Excellentie, hij tastte in zijn zak, hij nam er een handvol goud uit, hij liet dat het Belzebubskind zien, en zei, dat alles voor hem zou zijn, als kar en paard tegen elf uur voor hem klaar stonden.”„Natuurlijk stonden kar en paard klaar?”„Als je dat zoo noemen wilt, ja, Excellentie. De hit van Ruben was kreupel, zooals altijd; hij wilde eerst niet van zijn plaats. Na lang tobben eindelijk en veel ransel, kon hij gedaan krijgen, dat het beest zich verroerde.”„Zijn ze toen op weg gegaan?”„Ja, nu vijf minuten geleden. Heel dom was het van den vreemde... en nog wel van een Engelschman!—Hij had moeten weten, dat de hit van Ruben niet kon loopen, maar de vreemdeling wilde niet luisteren en kocht een kat in den zak voor zijn geld. Als hij dan toch zoo’n haast had, was het verstandiger van hem geweest mijn kar te nemen.”„Bezit jij dan ook paard en wagen?” vroeg Chauvelin.„Wel zeker, Excellentie, en als Excellentie wil rijden... met Goldsteins voertuig...”„Weet je soms welken weg mijn vriend de Engelschman is opgegaan?”Nadenkend wreef de Jood zijn vuile kin. Marguerite’s hart bonsde tot barstens toe. Ze had de vraag gehoord; angstig zag ze naar den Jood, maar kon op diens tronie, welke geheel onder den breedgeranden hoed verscholenwas, niets lezen. Vaag schemerde het haar voor oogen, dat hij Percy’s lot in handen hield.Er ontstond een lange pauze; Chauvelin staarde, met blijkbaar ongeduld en woede, naar de gebogen gestalte vóór hem. Eindelijk stak de Israëliet langzaam zijn smerige hand in zijn borstzak en diepte daaruit een aantal zilverstukken op. In gedachten verloren, bekeek hij ze, en sprak toen bedaard:„Dit gaf me de lange vreemdeling, toen hij met Ruben wegreed, opdat ik mijn mond zou houen over hem en zijn bedrijf.”Chauvelin haalde ongeduldig de schouders op.„Hoeveel heb je daar?” vroeg hij.„Twintig francs, Excellentie,” antwoordde de Jood, „en mijn leven lang ben ik een eerlijk man geweest!”Zonder verder commentaar haalde Chauvelin eenige goudstukken uit zijn zak en rammelde ermee in de palm van zijn hand in de richting, waar de Jood stond.„Hoeveel denk je, dat ik hierin heb?” vroeg hij bedaard.De oogen van den Israëliet flikkerden even, bij het zien van het goud in Chauvelin’s hand.„Ik zou zeggen honderdvijftig francs minstens, Excellentie,” zei hij eerbiedig.„Dat zal wel genoeg zijn, dunkt me, om je eerlijke tong aan ’t praten te krijgen!”„Wat wenscht Uwe Excellentie zoo al te weten?”„Of jouw paard en kar mij kunnen brengen naar de plaats, waar ik mijn vriend, den langen Engelschman, die met Ruben Goldstein’s wagen er van door is, vinden kan?”„Mijn voertuig kan Uwe Edelachtbaarheid brengen waarheen zij wil.”„Naar Vader Blanchard’s hut?”„Uwe Edelachtbaarheid heeft het geraden!” zei de Jood met verbazing.„Gij kent die plek?”„Ik ken ze, Edelachtbare.”„Hoe komen we daar?”„Langs den St. Martinsweg, Edelachtbare; van daar langs een voetpad tot de riffen.”„Je kent toch den weg goed?” herhaalde Chauvelin op barschen toon.„Iederen steen, ieder grassprietje, Edelachtbare,” zei de Jood kalm.Zonder verder een woord te spreken, wierp Chauvelin de vijf goudstukken één voor één den Jood voor de voeten; deze knielde en trachtte op handen en voeten ze bijeen te garen. Eén ervan rolde weg, en hij had eenige moeite dat machtig te worden, want het was onder het aanrechtkastje terecht gekomen. Chauvelin zag het rustig aan, hoe de Israëliet tastte over den vloer, ten einde het goudstuk machtig te worden.Toen de Abrahamszoon weer op de beenen stond, sprak Chauvelin:„Binnen welken tijd kan je met je paard en wagen klaar staan?”„Alles staat klaar, Edelachtbare.”„Waar?”„Geen twintig passen van hier. Wil Uwe Excellentie eens kijken?”„Dat is niet noodig. Tot hoe ver kun je mij ermee brengen?”„Tot de hut van Vader Blanchard, Edelachtbare, en heel wat verder dan Ruben Goldstein uw vriend heeft gebracht. Ik ben er zeker van, dat we, nog geen twee mijlen van hier, Ruben zullen inhalen met zijn hit, de kar en den langen vreemdeling, alles op één hoop midden op den weg.”„Hoe ver is het naaste dorp van hier?”„Langs den weg, door den Engelschman genomen, is Miquelon het naaste, zoo wat twee mijlen.”„Daar heeft hij een ander vervoermiddel kunnen krijgen, zoo hij al verder op wilde?”„Dat is mogelijk—als hij al zoo ver kan komen!”„Zie jij er kans op?”„Wil Uwe Excellentie het maar eens probeeren?” vroeg de Jood eenvoudig.„Dat is mijn bedoeling,” zei Chauvelin kalmpjes „maar denk erom, als ik zie, dat je me bedrogen hebt, zal iktwee van mijn beste soldaten uitpikken, die je zulk een pak ransel zullen geven, dat de adem misschien voor altijd uit je leelijk karkas geslagen wordt. Maar als we mijn vriend, den rijzigen Engelschman, zullen aantreffen, ’t zij onderweg of in de hut van Vader Blanchard, krijg je nog tien goudstukken meer. Sla je toe op dien koop?”De Israëliet wreef zich weer bedachtzaam de kin. Hij keek naar het geld in zijn hand, van daar naar den strengen spreker, toen naar Desgas, die al dien tijd zwijgend achter hem had gestaan. Na een poos zei hij gedecideerd:„Top, ik neem het aan.”„Ga dan nu maar heen en wacht ons buiten,” zei Chauvelin. „Denk aan je belofte, want bij den hemel, ik zal de mijne niet breken!”Met een deemoedige, slaafsche buiging slofte de Israëliet het vertrek uit. Chauvelin scheen volkomen tevreden over dit onderhoud, hij wreef zich met voldoening in de handen.„Mijn jas en laarzen!” zei hij tot Desgas.Desgas begaf zich naar de deur en deelde de noodige bevelen uit. Kort daarop kwam een soldaat met het gevraagde binnen, benevens een hoed.Chauvelin ontdeed zich van zijn soutane en verwisselde van kleeding.„Gij burger,” zei hij intusschen, „ga weer naar kapitein Jutley, zoo hard als je kunt rijden of loopen; zeg dat hij je nog twaalf man geeft en breng die allen met je mee langs den St. Martinsweg, waar je hoogst waarschijnlijk de kar van den Jood, met mij erin, zult inhalen. Het zal er zoo straks warm toe gaan, ik bedoel in de hut van Vader Blanchard. Ik wed, dat we er onzen man zullen aantreffen, want die vlegel van een Rooden Pimpernel heeft de stoutmoedigheid—of liever de domheid laat ik zeggen—bij zijn origineel plan te volharden. Hij is heengegaan, om de Tournay, St. Just en de rest te ontmoeten, wat ik dacht, dat hij, voor het oogenblik althans, niet voornemens was te doen. Als we hen er aantreffen, zal het een bende zijn, die zich wanhopig zal verdedigen. Sommigen onzer mannetjes zullen denkelijk wel buiten gevecht gesteld worden. Die royalisten zijn zeer bekwamedegens, de Engelschman is een duivelsche sluwerd en geen kerel om het mee aan den stok te krijgen. We zullen toch altijd vijf tegen één zijn. Gij kunt de kar met uw manschappen dichtbij volgen, altijd dicht langs den St. Martinsweg door Miquelon. De Engelschman is ons vóór en zal waarschijnlijk niet achterom kijken.”Terwijl hij deze bepaalde orders uitdeelde, was Chauvelin met zijn gedaanteverwisseling gereed gekomen.„Ik zal je een belangwekkend gevangene in handen spelen,” zei hij zich verkneukelend. „We moeten hem niet morsdood maken, he, vriend Desgas? De hut van Blanchard is—zoo ik me niet vergis—een eenzame plek aan de zeekust, en onze mannen zulleneenheet stukje werk hebben met den gekwetsten wolf. Doe onder je mannetjes een goede keus, Desgas...” zei hij met een duivelschen lach.„Doe een goede keus onder je manschappen!” herhaalde hij, toen hij zijn handlanger eindelijk met zich naar buiten troonde.

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.De Jood.Marguerite had eenigen tijd noodig om tot bezinning te komen. Het laatste incident kon nauwelijks een minuut geduurd hebben, en toch waren Desgas en zijn soldaten nog een driehonderd passen van de „Chat Gris” verwijderd.Toen zij zich rekenschap kon geven van het gebeurde, ondervond ze een mengeling van vreugde en bewondering voor haar echtgenoot.Het was alles zoo goed overdacht en vernuftig in zijn werk gegaan. Chauvelin was totaal hulpeloos, erger dan hij zou geweest zijn na een vuistslag, want op dit oogenblik was hooren, zien en spreken hem geheel onmogelijk!Sir Percy had zich verwijderd, klaarblijkelijk om de vluchtelingen in de hut van vader Blanchard op te zoeken. Voor het oogenblik weliswaar was Chauvelin machteloos en had de vermetele Roode Pimpernel zich bijtijds uit de voeten gemaakt, maar op alle wegen, en ook langs het strand, kruisten patrouilles, in alle hoeken en gaten stonden schildwachten en op iederen vreemdeling werd acht geslagen. Hij kon nu geen kennis dragen van de orders, door Chauvelin van zijn gevangenneming gegeven, en juist nu, misschien...Op dit oogenblik vernam ze het afzetten van geweren in de nabijheid der deur en hoorde ze Desgas zijn manschappen „Halt!” toeroepen.Chauvelin had zich ten deele hersteld, zijn niezen was minder geweldig en met moeite was hij weer op den been gekomen. Hij wist de deur te bereiken, toen Desgas aanklopte, en opende deze.Nog vóór zijn secretaris een woord kon spreken, stamelde hij tusschen twee niesbuien door:„De lange vreemdeling—gauw! Heeft een van jullie hem gezien?”„Waar, burger?” vroeg Desgas verbaasd.„Hier, man! door deze deur! Geen vijf minuten geleden!”„We hebben niets gezien, burger! De maan is nog niet op, en...”„En je komt juist vijf minuten te laat, man!” zei Chauvelin met verbeten woede.„Burger... ik...”„Je hebt gedaan, wat ik je beval te doen,” vulde Chauvelin ongeduldig aan. „Ik weet dat, maar lang heb je erover gedaan. Gelukkig dat het niet erger is, want slecht zou het je vergaan zijn, burger Desgas!”Desgas verbleekte een weinig. De geheele houding van zijn superieur teekende onverholen haat en machtelooze woede.„De lange vreemdeling, burger—” stamelde hij.„Was vijf minuten geleden hier in de gelagkamer, heeft hier gegeten. De duivel hale zijn brutaliteit! Ik alleen durfde hem niet aan en daarom is hij jouw neus voorbij gegaan.”„Hij kan niet bijster ver loopen zonder gezien te worden, burger.”„Ha!”„Kapitein Jutley heeft veertig man ter versterking van den patrouilledienst gezonden, twintig zijn naar het zeestrand. Hij heeft me andermaal verzekerd, dat de wacht den geheelen dag in ’t geweer is geweest en geen vreemdeling bij mogelijkheid naar het strand kon komen, of een sloep praaien zonder in den kijker te loopen.”„Goed zoo! Kennen de manschappen hun taak?”„Ze hebben zeer duidelijke en pertinente orders, burger. Ze moeten de gangen van iederen vreemdeling zoo heimelijk mogelijk nagaan, vooral als hij een rijzig man is, of gebukt mocht loopen, om zijn lengte te verbergen.”„In geen geval zoo een aanhouden,” bracht Chauvelin in het midden. „We moeten hem nu naar Vader Blanchard’s hut laten trekken, hem daar omsingelen en gevangen nemen.”„De manschappen hebben dat consigne, burger, ook dat, zoolang een lange vreemdeling in ’t vizier komt, hij gevolgd moet worden, terwijl één man terstond rechts omkeert zal maken en u rapport brengen.”„Zoo is het goed,” zei Chauvelin, zich de handen wrijvend en in zijn knollentuin gerakend.„Ik heb meer nieuws voor u, burger.”„Laat hooren!”„Een rijzige Engelschman had een uur geleden een langdurig gesprek met een Jood, Ruben genaamd, die een pas of tien van hier woont.”„Ja—en?”vroeg Chauvelin ongeduldig.„Het gesprek liep over een paard en wagen, die de lange Engelschman wilde huren en die tegen elf uur gereed moest zijn.”„Het is nu kwart over elf. Waar hangt die Ruben uit?”„Een paar minuten gaans van hier.”„Stuur een van je manschappen, om uit te visschen, of de vreemdeling met den wagen van Ruben is vertrokken!”„Goed, burger.”Desgas haastte zich het bevel ten uitvoer te brengen. Geen woord van dit gesprek tusschen Chauvelin en zijn handlanger was Marguerite ontgaan. Ieder woord was een dolksteek in haar hart.Zij had die heele lange reis gemaakt, met zulk een levendige hoop en vast besluit haar echtgenoot bij te staan, en tot dusver was ze niet in staat geweest iets uit te richten, maar met een van angst brekend hart had zij het moeten aanzien, hoe de mazen van het doodelijke net zich om hem sloten. Hij kon nu geen schrede meer doen, zonder bespiedende oogen, die zijn spoor volgden. Haar eigen machteloosheid maakte haar wanhopig. De mogelijkheid om haar man ook maar eenigszins van nut te zijn, was op niets uitgeloopen, en de eenige hoop, die haar overbleef, was, dat het haar vergund mocht worden te deelen in zijn lot, hoe dit ook zijn mocht.Desgas had Chauvelin, die in de gelagkamer op en neer liep, verlaten en wachtte buiten den soldaat op, dien hij ter opsporing van Ruben had uitgezonden. Er verliepen zoodoende eenige minuten. Chauvelin brandde van ongeduld, zooals zich laat begrijpen.Vijf minuten later kwam Desgas terug, gevolgd door een ouden Jood, vunzig gehuld in een smerigen op dendraad versleten tabbaard, vettig langs de schouders. Op zijn rood haar, dat hij droeg op de manier der Poolsche joden, met krullen als kurketrekkers aan beide zijden van zijn gezicht, rustte een laag vuil. Het geheele voorkomen van dezen zoon Abrahams was weerzinwekkend. Hij ging gebukt met de eigenaardige kromming, die zijn ras kenmerkt, door de vernedering ondergaan in vervlogen eeuwen, voor dat de dageraad van vrijheid en gelijkheid in geloofszaken voor dit mishandeld volk was aangebroken. Hij liep achter Desgas aan met den typisch schoorvoetenden gang, die den Joodschen schacheraar in Europa is bijgebleven tot op den huidigen dag.Chauvelin wenkte den kerel om op eerbiedigen afstand te blijven. De drie mannen stonden juist onder de afhangende olielamp, zoodat Marguerite het trio duidelijk kon waarnemen.„Is dit de man?” vroeg Chauvelin.„Neen, burger,” antwoordde Desgas. „Ruben was niet te vinden, dus zal de Engelschman met diens kar zijn vertrokken, maar deze Jood schijnt van het een of ander een snufje te hebben, dat hij voor een prijsje van de hand wil doen.”Met de lijdzaamheid, aan zijn ras eigen, stond de Jood terzijde, leunend op een dikken staf, zijn ruig gezicht verborgen onder een breed-gerand hoofddeksel, in afwachting dat de nobele Excellentie hem zou ondervragen.„De burger hier vertelt me,” zei Chauvelin, „dat je iets weet omtrent mijn vriend, den langen Engelschman, dien ik wensch te ontmoeten... Sakkerloot! op een afstand asjeblieft, man!” liet hij er haastig op volgen, toen de Jood een haastige schrede voorwaarts deed.„Ja, Excellentie,” begon de Israëliet, zijn taal sprekend met den eigenaardigen tongval, die een Oosterschen oorsprong verraadt, „ik en Ruben Goldstein hebben onderweg een langen Engelschman van avond gezien, dicht hier in de buurt.”„Heb je met hem gesproken?”„Hij sprak ons aan, Excellentie. Hij wilde weten, of hij een kar met paard kon huren, om langs den St. Martinswegnaar een plaats te gaan, waar hij vannacht wezen moest.”„Wat heb je toen gezegd?”„Ik heb niets gezegd,” antwoordde de Jood, zich beleedigd gevoelend. „Ruben Goldstein is een Belialskind...”„Dat gaat mij niet aan, man,” viel Chauvelin hem ruw in de rede, „ter zake hoor!”„Nu dan. Toen ik op het punt was den rijken Engelschman mijn paard en wagen aan te bieden, waarmee hij gaan kon, waarheen hij verkoos, had Ruben me het gras al voor de voeten weggemaaid en bood hem zijn hongerigen hit en krakende kar aan.”„Wat deed de Engelschman toen?”„Hij had ooren naar het aanbod van Ruben Goldstein, Excellentie, hij tastte in zijn zak, hij nam er een handvol goud uit, hij liet dat het Belzebubskind zien, en zei, dat alles voor hem zou zijn, als kar en paard tegen elf uur voor hem klaar stonden.”„Natuurlijk stonden kar en paard klaar?”„Als je dat zoo noemen wilt, ja, Excellentie. De hit van Ruben was kreupel, zooals altijd; hij wilde eerst niet van zijn plaats. Na lang tobben eindelijk en veel ransel, kon hij gedaan krijgen, dat het beest zich verroerde.”„Zijn ze toen op weg gegaan?”„Ja, nu vijf minuten geleden. Heel dom was het van den vreemde... en nog wel van een Engelschman!—Hij had moeten weten, dat de hit van Ruben niet kon loopen, maar de vreemdeling wilde niet luisteren en kocht een kat in den zak voor zijn geld. Als hij dan toch zoo’n haast had, was het verstandiger van hem geweest mijn kar te nemen.”„Bezit jij dan ook paard en wagen?” vroeg Chauvelin.„Wel zeker, Excellentie, en als Excellentie wil rijden... met Goldsteins voertuig...”„Weet je soms welken weg mijn vriend de Engelschman is opgegaan?”Nadenkend wreef de Jood zijn vuile kin. Marguerite’s hart bonsde tot barstens toe. Ze had de vraag gehoord; angstig zag ze naar den Jood, maar kon op diens tronie, welke geheel onder den breedgeranden hoed verscholenwas, niets lezen. Vaag schemerde het haar voor oogen, dat hij Percy’s lot in handen hield.Er ontstond een lange pauze; Chauvelin staarde, met blijkbaar ongeduld en woede, naar de gebogen gestalte vóór hem. Eindelijk stak de Israëliet langzaam zijn smerige hand in zijn borstzak en diepte daaruit een aantal zilverstukken op. In gedachten verloren, bekeek hij ze, en sprak toen bedaard:„Dit gaf me de lange vreemdeling, toen hij met Ruben wegreed, opdat ik mijn mond zou houen over hem en zijn bedrijf.”Chauvelin haalde ongeduldig de schouders op.„Hoeveel heb je daar?” vroeg hij.„Twintig francs, Excellentie,” antwoordde de Jood, „en mijn leven lang ben ik een eerlijk man geweest!”Zonder verder commentaar haalde Chauvelin eenige goudstukken uit zijn zak en rammelde ermee in de palm van zijn hand in de richting, waar de Jood stond.„Hoeveel denk je, dat ik hierin heb?” vroeg hij bedaard.De oogen van den Israëliet flikkerden even, bij het zien van het goud in Chauvelin’s hand.„Ik zou zeggen honderdvijftig francs minstens, Excellentie,” zei hij eerbiedig.„Dat zal wel genoeg zijn, dunkt me, om je eerlijke tong aan ’t praten te krijgen!”„Wat wenscht Uwe Excellentie zoo al te weten?”„Of jouw paard en kar mij kunnen brengen naar de plaats, waar ik mijn vriend, den langen Engelschman, die met Ruben Goldstein’s wagen er van door is, vinden kan?”„Mijn voertuig kan Uwe Edelachtbaarheid brengen waarheen zij wil.”„Naar Vader Blanchard’s hut?”„Uwe Edelachtbaarheid heeft het geraden!” zei de Jood met verbazing.„Gij kent die plek?”„Ik ken ze, Edelachtbare.”„Hoe komen we daar?”„Langs den St. Martinsweg, Edelachtbare; van daar langs een voetpad tot de riffen.”„Je kent toch den weg goed?” herhaalde Chauvelin op barschen toon.„Iederen steen, ieder grassprietje, Edelachtbare,” zei de Jood kalm.Zonder verder een woord te spreken, wierp Chauvelin de vijf goudstukken één voor één den Jood voor de voeten; deze knielde en trachtte op handen en voeten ze bijeen te garen. Eén ervan rolde weg, en hij had eenige moeite dat machtig te worden, want het was onder het aanrechtkastje terecht gekomen. Chauvelin zag het rustig aan, hoe de Israëliet tastte over den vloer, ten einde het goudstuk machtig te worden.Toen de Abrahamszoon weer op de beenen stond, sprak Chauvelin:„Binnen welken tijd kan je met je paard en wagen klaar staan?”„Alles staat klaar, Edelachtbare.”„Waar?”„Geen twintig passen van hier. Wil Uwe Excellentie eens kijken?”„Dat is niet noodig. Tot hoe ver kun je mij ermee brengen?”„Tot de hut van Vader Blanchard, Edelachtbare, en heel wat verder dan Ruben Goldstein uw vriend heeft gebracht. Ik ben er zeker van, dat we, nog geen twee mijlen van hier, Ruben zullen inhalen met zijn hit, de kar en den langen vreemdeling, alles op één hoop midden op den weg.”„Hoe ver is het naaste dorp van hier?”„Langs den weg, door den Engelschman genomen, is Miquelon het naaste, zoo wat twee mijlen.”„Daar heeft hij een ander vervoermiddel kunnen krijgen, zoo hij al verder op wilde?”„Dat is mogelijk—als hij al zoo ver kan komen!”„Zie jij er kans op?”„Wil Uwe Excellentie het maar eens probeeren?” vroeg de Jood eenvoudig.„Dat is mijn bedoeling,” zei Chauvelin kalmpjes „maar denk erom, als ik zie, dat je me bedrogen hebt, zal iktwee van mijn beste soldaten uitpikken, die je zulk een pak ransel zullen geven, dat de adem misschien voor altijd uit je leelijk karkas geslagen wordt. Maar als we mijn vriend, den rijzigen Engelschman, zullen aantreffen, ’t zij onderweg of in de hut van Vader Blanchard, krijg je nog tien goudstukken meer. Sla je toe op dien koop?”De Israëliet wreef zich weer bedachtzaam de kin. Hij keek naar het geld in zijn hand, van daar naar den strengen spreker, toen naar Desgas, die al dien tijd zwijgend achter hem had gestaan. Na een poos zei hij gedecideerd:„Top, ik neem het aan.”„Ga dan nu maar heen en wacht ons buiten,” zei Chauvelin. „Denk aan je belofte, want bij den hemel, ik zal de mijne niet breken!”Met een deemoedige, slaafsche buiging slofte de Israëliet het vertrek uit. Chauvelin scheen volkomen tevreden over dit onderhoud, hij wreef zich met voldoening in de handen.„Mijn jas en laarzen!” zei hij tot Desgas.Desgas begaf zich naar de deur en deelde de noodige bevelen uit. Kort daarop kwam een soldaat met het gevraagde binnen, benevens een hoed.Chauvelin ontdeed zich van zijn soutane en verwisselde van kleeding.„Gij burger,” zei hij intusschen, „ga weer naar kapitein Jutley, zoo hard als je kunt rijden of loopen; zeg dat hij je nog twaalf man geeft en breng die allen met je mee langs den St. Martinsweg, waar je hoogst waarschijnlijk de kar van den Jood, met mij erin, zult inhalen. Het zal er zoo straks warm toe gaan, ik bedoel in de hut van Vader Blanchard. Ik wed, dat we er onzen man zullen aantreffen, want die vlegel van een Rooden Pimpernel heeft de stoutmoedigheid—of liever de domheid laat ik zeggen—bij zijn origineel plan te volharden. Hij is heengegaan, om de Tournay, St. Just en de rest te ontmoeten, wat ik dacht, dat hij, voor het oogenblik althans, niet voornemens was te doen. Als we hen er aantreffen, zal het een bende zijn, die zich wanhopig zal verdedigen. Sommigen onzer mannetjes zullen denkelijk wel buiten gevecht gesteld worden. Die royalisten zijn zeer bekwamedegens, de Engelschman is een duivelsche sluwerd en geen kerel om het mee aan den stok te krijgen. We zullen toch altijd vijf tegen één zijn. Gij kunt de kar met uw manschappen dichtbij volgen, altijd dicht langs den St. Martinsweg door Miquelon. De Engelschman is ons vóór en zal waarschijnlijk niet achterom kijken.”Terwijl hij deze bepaalde orders uitdeelde, was Chauvelin met zijn gedaanteverwisseling gereed gekomen.„Ik zal je een belangwekkend gevangene in handen spelen,” zei hij zich verkneukelend. „We moeten hem niet morsdood maken, he, vriend Desgas? De hut van Blanchard is—zoo ik me niet vergis—een eenzame plek aan de zeekust, en onze mannen zulleneenheet stukje werk hebben met den gekwetsten wolf. Doe onder je mannetjes een goede keus, Desgas...” zei hij met een duivelschen lach.„Doe een goede keus onder je manschappen!” herhaalde hij, toen hij zijn handlanger eindelijk met zich naar buiten troonde.

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.De Jood.

Marguerite had eenigen tijd noodig om tot bezinning te komen. Het laatste incident kon nauwelijks een minuut geduurd hebben, en toch waren Desgas en zijn soldaten nog een driehonderd passen van de „Chat Gris” verwijderd.Toen zij zich rekenschap kon geven van het gebeurde, ondervond ze een mengeling van vreugde en bewondering voor haar echtgenoot.Het was alles zoo goed overdacht en vernuftig in zijn werk gegaan. Chauvelin was totaal hulpeloos, erger dan hij zou geweest zijn na een vuistslag, want op dit oogenblik was hooren, zien en spreken hem geheel onmogelijk!Sir Percy had zich verwijderd, klaarblijkelijk om de vluchtelingen in de hut van vader Blanchard op te zoeken. Voor het oogenblik weliswaar was Chauvelin machteloos en had de vermetele Roode Pimpernel zich bijtijds uit de voeten gemaakt, maar op alle wegen, en ook langs het strand, kruisten patrouilles, in alle hoeken en gaten stonden schildwachten en op iederen vreemdeling werd acht geslagen. Hij kon nu geen kennis dragen van de orders, door Chauvelin van zijn gevangenneming gegeven, en juist nu, misschien...Op dit oogenblik vernam ze het afzetten van geweren in de nabijheid der deur en hoorde ze Desgas zijn manschappen „Halt!” toeroepen.Chauvelin had zich ten deele hersteld, zijn niezen was minder geweldig en met moeite was hij weer op den been gekomen. Hij wist de deur te bereiken, toen Desgas aanklopte, en opende deze.Nog vóór zijn secretaris een woord kon spreken, stamelde hij tusschen twee niesbuien door:„De lange vreemdeling—gauw! Heeft een van jullie hem gezien?”„Waar, burger?” vroeg Desgas verbaasd.„Hier, man! door deze deur! Geen vijf minuten geleden!”„We hebben niets gezien, burger! De maan is nog niet op, en...”„En je komt juist vijf minuten te laat, man!” zei Chauvelin met verbeten woede.„Burger... ik...”„Je hebt gedaan, wat ik je beval te doen,” vulde Chauvelin ongeduldig aan. „Ik weet dat, maar lang heb je erover gedaan. Gelukkig dat het niet erger is, want slecht zou het je vergaan zijn, burger Desgas!”Desgas verbleekte een weinig. De geheele houding van zijn superieur teekende onverholen haat en machtelooze woede.„De lange vreemdeling, burger—” stamelde hij.„Was vijf minuten geleden hier in de gelagkamer, heeft hier gegeten. De duivel hale zijn brutaliteit! Ik alleen durfde hem niet aan en daarom is hij jouw neus voorbij gegaan.”„Hij kan niet bijster ver loopen zonder gezien te worden, burger.”„Ha!”„Kapitein Jutley heeft veertig man ter versterking van den patrouilledienst gezonden, twintig zijn naar het zeestrand. Hij heeft me andermaal verzekerd, dat de wacht den geheelen dag in ’t geweer is geweest en geen vreemdeling bij mogelijkheid naar het strand kon komen, of een sloep praaien zonder in den kijker te loopen.”„Goed zoo! Kennen de manschappen hun taak?”„Ze hebben zeer duidelijke en pertinente orders, burger. Ze moeten de gangen van iederen vreemdeling zoo heimelijk mogelijk nagaan, vooral als hij een rijzig man is, of gebukt mocht loopen, om zijn lengte te verbergen.”„In geen geval zoo een aanhouden,” bracht Chauvelin in het midden. „We moeten hem nu naar Vader Blanchard’s hut laten trekken, hem daar omsingelen en gevangen nemen.”„De manschappen hebben dat consigne, burger, ook dat, zoolang een lange vreemdeling in ’t vizier komt, hij gevolgd moet worden, terwijl één man terstond rechts omkeert zal maken en u rapport brengen.”„Zoo is het goed,” zei Chauvelin, zich de handen wrijvend en in zijn knollentuin gerakend.„Ik heb meer nieuws voor u, burger.”„Laat hooren!”„Een rijzige Engelschman had een uur geleden een langdurig gesprek met een Jood, Ruben genaamd, die een pas of tien van hier woont.”„Ja—en?”vroeg Chauvelin ongeduldig.„Het gesprek liep over een paard en wagen, die de lange Engelschman wilde huren en die tegen elf uur gereed moest zijn.”„Het is nu kwart over elf. Waar hangt die Ruben uit?”„Een paar minuten gaans van hier.”„Stuur een van je manschappen, om uit te visschen, of de vreemdeling met den wagen van Ruben is vertrokken!”„Goed, burger.”Desgas haastte zich het bevel ten uitvoer te brengen. Geen woord van dit gesprek tusschen Chauvelin en zijn handlanger was Marguerite ontgaan. Ieder woord was een dolksteek in haar hart.Zij had die heele lange reis gemaakt, met zulk een levendige hoop en vast besluit haar echtgenoot bij te staan, en tot dusver was ze niet in staat geweest iets uit te richten, maar met een van angst brekend hart had zij het moeten aanzien, hoe de mazen van het doodelijke net zich om hem sloten. Hij kon nu geen schrede meer doen, zonder bespiedende oogen, die zijn spoor volgden. Haar eigen machteloosheid maakte haar wanhopig. De mogelijkheid om haar man ook maar eenigszins van nut te zijn, was op niets uitgeloopen, en de eenige hoop, die haar overbleef, was, dat het haar vergund mocht worden te deelen in zijn lot, hoe dit ook zijn mocht.Desgas had Chauvelin, die in de gelagkamer op en neer liep, verlaten en wachtte buiten den soldaat op, dien hij ter opsporing van Ruben had uitgezonden. Er verliepen zoodoende eenige minuten. Chauvelin brandde van ongeduld, zooals zich laat begrijpen.Vijf minuten later kwam Desgas terug, gevolgd door een ouden Jood, vunzig gehuld in een smerigen op dendraad versleten tabbaard, vettig langs de schouders. Op zijn rood haar, dat hij droeg op de manier der Poolsche joden, met krullen als kurketrekkers aan beide zijden van zijn gezicht, rustte een laag vuil. Het geheele voorkomen van dezen zoon Abrahams was weerzinwekkend. Hij ging gebukt met de eigenaardige kromming, die zijn ras kenmerkt, door de vernedering ondergaan in vervlogen eeuwen, voor dat de dageraad van vrijheid en gelijkheid in geloofszaken voor dit mishandeld volk was aangebroken. Hij liep achter Desgas aan met den typisch schoorvoetenden gang, die den Joodschen schacheraar in Europa is bijgebleven tot op den huidigen dag.Chauvelin wenkte den kerel om op eerbiedigen afstand te blijven. De drie mannen stonden juist onder de afhangende olielamp, zoodat Marguerite het trio duidelijk kon waarnemen.„Is dit de man?” vroeg Chauvelin.„Neen, burger,” antwoordde Desgas. „Ruben was niet te vinden, dus zal de Engelschman met diens kar zijn vertrokken, maar deze Jood schijnt van het een of ander een snufje te hebben, dat hij voor een prijsje van de hand wil doen.”Met de lijdzaamheid, aan zijn ras eigen, stond de Jood terzijde, leunend op een dikken staf, zijn ruig gezicht verborgen onder een breed-gerand hoofddeksel, in afwachting dat de nobele Excellentie hem zou ondervragen.„De burger hier vertelt me,” zei Chauvelin, „dat je iets weet omtrent mijn vriend, den langen Engelschman, dien ik wensch te ontmoeten... Sakkerloot! op een afstand asjeblieft, man!” liet hij er haastig op volgen, toen de Jood een haastige schrede voorwaarts deed.„Ja, Excellentie,” begon de Israëliet, zijn taal sprekend met den eigenaardigen tongval, die een Oosterschen oorsprong verraadt, „ik en Ruben Goldstein hebben onderweg een langen Engelschman van avond gezien, dicht hier in de buurt.”„Heb je met hem gesproken?”„Hij sprak ons aan, Excellentie. Hij wilde weten, of hij een kar met paard kon huren, om langs den St. Martinswegnaar een plaats te gaan, waar hij vannacht wezen moest.”„Wat heb je toen gezegd?”„Ik heb niets gezegd,” antwoordde de Jood, zich beleedigd gevoelend. „Ruben Goldstein is een Belialskind...”„Dat gaat mij niet aan, man,” viel Chauvelin hem ruw in de rede, „ter zake hoor!”„Nu dan. Toen ik op het punt was den rijken Engelschman mijn paard en wagen aan te bieden, waarmee hij gaan kon, waarheen hij verkoos, had Ruben me het gras al voor de voeten weggemaaid en bood hem zijn hongerigen hit en krakende kar aan.”„Wat deed de Engelschman toen?”„Hij had ooren naar het aanbod van Ruben Goldstein, Excellentie, hij tastte in zijn zak, hij nam er een handvol goud uit, hij liet dat het Belzebubskind zien, en zei, dat alles voor hem zou zijn, als kar en paard tegen elf uur voor hem klaar stonden.”„Natuurlijk stonden kar en paard klaar?”„Als je dat zoo noemen wilt, ja, Excellentie. De hit van Ruben was kreupel, zooals altijd; hij wilde eerst niet van zijn plaats. Na lang tobben eindelijk en veel ransel, kon hij gedaan krijgen, dat het beest zich verroerde.”„Zijn ze toen op weg gegaan?”„Ja, nu vijf minuten geleden. Heel dom was het van den vreemde... en nog wel van een Engelschman!—Hij had moeten weten, dat de hit van Ruben niet kon loopen, maar de vreemdeling wilde niet luisteren en kocht een kat in den zak voor zijn geld. Als hij dan toch zoo’n haast had, was het verstandiger van hem geweest mijn kar te nemen.”„Bezit jij dan ook paard en wagen?” vroeg Chauvelin.„Wel zeker, Excellentie, en als Excellentie wil rijden... met Goldsteins voertuig...”„Weet je soms welken weg mijn vriend de Engelschman is opgegaan?”Nadenkend wreef de Jood zijn vuile kin. Marguerite’s hart bonsde tot barstens toe. Ze had de vraag gehoord; angstig zag ze naar den Jood, maar kon op diens tronie, welke geheel onder den breedgeranden hoed verscholenwas, niets lezen. Vaag schemerde het haar voor oogen, dat hij Percy’s lot in handen hield.Er ontstond een lange pauze; Chauvelin staarde, met blijkbaar ongeduld en woede, naar de gebogen gestalte vóór hem. Eindelijk stak de Israëliet langzaam zijn smerige hand in zijn borstzak en diepte daaruit een aantal zilverstukken op. In gedachten verloren, bekeek hij ze, en sprak toen bedaard:„Dit gaf me de lange vreemdeling, toen hij met Ruben wegreed, opdat ik mijn mond zou houen over hem en zijn bedrijf.”Chauvelin haalde ongeduldig de schouders op.„Hoeveel heb je daar?” vroeg hij.„Twintig francs, Excellentie,” antwoordde de Jood, „en mijn leven lang ben ik een eerlijk man geweest!”Zonder verder commentaar haalde Chauvelin eenige goudstukken uit zijn zak en rammelde ermee in de palm van zijn hand in de richting, waar de Jood stond.„Hoeveel denk je, dat ik hierin heb?” vroeg hij bedaard.De oogen van den Israëliet flikkerden even, bij het zien van het goud in Chauvelin’s hand.„Ik zou zeggen honderdvijftig francs minstens, Excellentie,” zei hij eerbiedig.„Dat zal wel genoeg zijn, dunkt me, om je eerlijke tong aan ’t praten te krijgen!”„Wat wenscht Uwe Excellentie zoo al te weten?”„Of jouw paard en kar mij kunnen brengen naar de plaats, waar ik mijn vriend, den langen Engelschman, die met Ruben Goldstein’s wagen er van door is, vinden kan?”„Mijn voertuig kan Uwe Edelachtbaarheid brengen waarheen zij wil.”„Naar Vader Blanchard’s hut?”„Uwe Edelachtbaarheid heeft het geraden!” zei de Jood met verbazing.„Gij kent die plek?”„Ik ken ze, Edelachtbare.”„Hoe komen we daar?”„Langs den St. Martinsweg, Edelachtbare; van daar langs een voetpad tot de riffen.”„Je kent toch den weg goed?” herhaalde Chauvelin op barschen toon.„Iederen steen, ieder grassprietje, Edelachtbare,” zei de Jood kalm.Zonder verder een woord te spreken, wierp Chauvelin de vijf goudstukken één voor één den Jood voor de voeten; deze knielde en trachtte op handen en voeten ze bijeen te garen. Eén ervan rolde weg, en hij had eenige moeite dat machtig te worden, want het was onder het aanrechtkastje terecht gekomen. Chauvelin zag het rustig aan, hoe de Israëliet tastte over den vloer, ten einde het goudstuk machtig te worden.Toen de Abrahamszoon weer op de beenen stond, sprak Chauvelin:„Binnen welken tijd kan je met je paard en wagen klaar staan?”„Alles staat klaar, Edelachtbare.”„Waar?”„Geen twintig passen van hier. Wil Uwe Excellentie eens kijken?”„Dat is niet noodig. Tot hoe ver kun je mij ermee brengen?”„Tot de hut van Vader Blanchard, Edelachtbare, en heel wat verder dan Ruben Goldstein uw vriend heeft gebracht. Ik ben er zeker van, dat we, nog geen twee mijlen van hier, Ruben zullen inhalen met zijn hit, de kar en den langen vreemdeling, alles op één hoop midden op den weg.”„Hoe ver is het naaste dorp van hier?”„Langs den weg, door den Engelschman genomen, is Miquelon het naaste, zoo wat twee mijlen.”„Daar heeft hij een ander vervoermiddel kunnen krijgen, zoo hij al verder op wilde?”„Dat is mogelijk—als hij al zoo ver kan komen!”„Zie jij er kans op?”„Wil Uwe Excellentie het maar eens probeeren?” vroeg de Jood eenvoudig.„Dat is mijn bedoeling,” zei Chauvelin kalmpjes „maar denk erom, als ik zie, dat je me bedrogen hebt, zal iktwee van mijn beste soldaten uitpikken, die je zulk een pak ransel zullen geven, dat de adem misschien voor altijd uit je leelijk karkas geslagen wordt. Maar als we mijn vriend, den rijzigen Engelschman, zullen aantreffen, ’t zij onderweg of in de hut van Vader Blanchard, krijg je nog tien goudstukken meer. Sla je toe op dien koop?”De Israëliet wreef zich weer bedachtzaam de kin. Hij keek naar het geld in zijn hand, van daar naar den strengen spreker, toen naar Desgas, die al dien tijd zwijgend achter hem had gestaan. Na een poos zei hij gedecideerd:„Top, ik neem het aan.”„Ga dan nu maar heen en wacht ons buiten,” zei Chauvelin. „Denk aan je belofte, want bij den hemel, ik zal de mijne niet breken!”Met een deemoedige, slaafsche buiging slofte de Israëliet het vertrek uit. Chauvelin scheen volkomen tevreden over dit onderhoud, hij wreef zich met voldoening in de handen.„Mijn jas en laarzen!” zei hij tot Desgas.Desgas begaf zich naar de deur en deelde de noodige bevelen uit. Kort daarop kwam een soldaat met het gevraagde binnen, benevens een hoed.Chauvelin ontdeed zich van zijn soutane en verwisselde van kleeding.„Gij burger,” zei hij intusschen, „ga weer naar kapitein Jutley, zoo hard als je kunt rijden of loopen; zeg dat hij je nog twaalf man geeft en breng die allen met je mee langs den St. Martinsweg, waar je hoogst waarschijnlijk de kar van den Jood, met mij erin, zult inhalen. Het zal er zoo straks warm toe gaan, ik bedoel in de hut van Vader Blanchard. Ik wed, dat we er onzen man zullen aantreffen, want die vlegel van een Rooden Pimpernel heeft de stoutmoedigheid—of liever de domheid laat ik zeggen—bij zijn origineel plan te volharden. Hij is heengegaan, om de Tournay, St. Just en de rest te ontmoeten, wat ik dacht, dat hij, voor het oogenblik althans, niet voornemens was te doen. Als we hen er aantreffen, zal het een bende zijn, die zich wanhopig zal verdedigen. Sommigen onzer mannetjes zullen denkelijk wel buiten gevecht gesteld worden. Die royalisten zijn zeer bekwamedegens, de Engelschman is een duivelsche sluwerd en geen kerel om het mee aan den stok te krijgen. We zullen toch altijd vijf tegen één zijn. Gij kunt de kar met uw manschappen dichtbij volgen, altijd dicht langs den St. Martinsweg door Miquelon. De Engelschman is ons vóór en zal waarschijnlijk niet achterom kijken.”Terwijl hij deze bepaalde orders uitdeelde, was Chauvelin met zijn gedaanteverwisseling gereed gekomen.„Ik zal je een belangwekkend gevangene in handen spelen,” zei hij zich verkneukelend. „We moeten hem niet morsdood maken, he, vriend Desgas? De hut van Blanchard is—zoo ik me niet vergis—een eenzame plek aan de zeekust, en onze mannen zulleneenheet stukje werk hebben met den gekwetsten wolf. Doe onder je mannetjes een goede keus, Desgas...” zei hij met een duivelschen lach.„Doe een goede keus onder je manschappen!” herhaalde hij, toen hij zijn handlanger eindelijk met zich naar buiten troonde.

Marguerite had eenigen tijd noodig om tot bezinning te komen. Het laatste incident kon nauwelijks een minuut geduurd hebben, en toch waren Desgas en zijn soldaten nog een driehonderd passen van de „Chat Gris” verwijderd.

Toen zij zich rekenschap kon geven van het gebeurde, ondervond ze een mengeling van vreugde en bewondering voor haar echtgenoot.

Het was alles zoo goed overdacht en vernuftig in zijn werk gegaan. Chauvelin was totaal hulpeloos, erger dan hij zou geweest zijn na een vuistslag, want op dit oogenblik was hooren, zien en spreken hem geheel onmogelijk!

Sir Percy had zich verwijderd, klaarblijkelijk om de vluchtelingen in de hut van vader Blanchard op te zoeken. Voor het oogenblik weliswaar was Chauvelin machteloos en had de vermetele Roode Pimpernel zich bijtijds uit de voeten gemaakt, maar op alle wegen, en ook langs het strand, kruisten patrouilles, in alle hoeken en gaten stonden schildwachten en op iederen vreemdeling werd acht geslagen. Hij kon nu geen kennis dragen van de orders, door Chauvelin van zijn gevangenneming gegeven, en juist nu, misschien...

Op dit oogenblik vernam ze het afzetten van geweren in de nabijheid der deur en hoorde ze Desgas zijn manschappen „Halt!” toeroepen.

Chauvelin had zich ten deele hersteld, zijn niezen was minder geweldig en met moeite was hij weer op den been gekomen. Hij wist de deur te bereiken, toen Desgas aanklopte, en opende deze.

Nog vóór zijn secretaris een woord kon spreken, stamelde hij tusschen twee niesbuien door:

„De lange vreemdeling—gauw! Heeft een van jullie hem gezien?”

„Waar, burger?” vroeg Desgas verbaasd.

„Hier, man! door deze deur! Geen vijf minuten geleden!”

„We hebben niets gezien, burger! De maan is nog niet op, en...”

„En je komt juist vijf minuten te laat, man!” zei Chauvelin met verbeten woede.

„Burger... ik...”

„Je hebt gedaan, wat ik je beval te doen,” vulde Chauvelin ongeduldig aan. „Ik weet dat, maar lang heb je erover gedaan. Gelukkig dat het niet erger is, want slecht zou het je vergaan zijn, burger Desgas!”

Desgas verbleekte een weinig. De geheele houding van zijn superieur teekende onverholen haat en machtelooze woede.

„De lange vreemdeling, burger—” stamelde hij.

„Was vijf minuten geleden hier in de gelagkamer, heeft hier gegeten. De duivel hale zijn brutaliteit! Ik alleen durfde hem niet aan en daarom is hij jouw neus voorbij gegaan.”

„Hij kan niet bijster ver loopen zonder gezien te worden, burger.”

„Ha!”

„Kapitein Jutley heeft veertig man ter versterking van den patrouilledienst gezonden, twintig zijn naar het zeestrand. Hij heeft me andermaal verzekerd, dat de wacht den geheelen dag in ’t geweer is geweest en geen vreemdeling bij mogelijkheid naar het strand kon komen, of een sloep praaien zonder in den kijker te loopen.”

„Goed zoo! Kennen de manschappen hun taak?”

„Ze hebben zeer duidelijke en pertinente orders, burger. Ze moeten de gangen van iederen vreemdeling zoo heimelijk mogelijk nagaan, vooral als hij een rijzig man is, of gebukt mocht loopen, om zijn lengte te verbergen.”

„In geen geval zoo een aanhouden,” bracht Chauvelin in het midden. „We moeten hem nu naar Vader Blanchard’s hut laten trekken, hem daar omsingelen en gevangen nemen.”

„De manschappen hebben dat consigne, burger, ook dat, zoolang een lange vreemdeling in ’t vizier komt, hij gevolgd moet worden, terwijl één man terstond rechts omkeert zal maken en u rapport brengen.”

„Zoo is het goed,” zei Chauvelin, zich de handen wrijvend en in zijn knollentuin gerakend.

„Ik heb meer nieuws voor u, burger.”

„Laat hooren!”

„Een rijzige Engelschman had een uur geleden een langdurig gesprek met een Jood, Ruben genaamd, die een pas of tien van hier woont.”

„Ja—en?”vroeg Chauvelin ongeduldig.

„Het gesprek liep over een paard en wagen, die de lange Engelschman wilde huren en die tegen elf uur gereed moest zijn.”

„Het is nu kwart over elf. Waar hangt die Ruben uit?”

„Een paar minuten gaans van hier.”

„Stuur een van je manschappen, om uit te visschen, of de vreemdeling met den wagen van Ruben is vertrokken!”

„Goed, burger.”

Desgas haastte zich het bevel ten uitvoer te brengen. Geen woord van dit gesprek tusschen Chauvelin en zijn handlanger was Marguerite ontgaan. Ieder woord was een dolksteek in haar hart.

Zij had die heele lange reis gemaakt, met zulk een levendige hoop en vast besluit haar echtgenoot bij te staan, en tot dusver was ze niet in staat geweest iets uit te richten, maar met een van angst brekend hart had zij het moeten aanzien, hoe de mazen van het doodelijke net zich om hem sloten. Hij kon nu geen schrede meer doen, zonder bespiedende oogen, die zijn spoor volgden. Haar eigen machteloosheid maakte haar wanhopig. De mogelijkheid om haar man ook maar eenigszins van nut te zijn, was op niets uitgeloopen, en de eenige hoop, die haar overbleef, was, dat het haar vergund mocht worden te deelen in zijn lot, hoe dit ook zijn mocht.

Desgas had Chauvelin, die in de gelagkamer op en neer liep, verlaten en wachtte buiten den soldaat op, dien hij ter opsporing van Ruben had uitgezonden. Er verliepen zoodoende eenige minuten. Chauvelin brandde van ongeduld, zooals zich laat begrijpen.

Vijf minuten later kwam Desgas terug, gevolgd door een ouden Jood, vunzig gehuld in een smerigen op dendraad versleten tabbaard, vettig langs de schouders. Op zijn rood haar, dat hij droeg op de manier der Poolsche joden, met krullen als kurketrekkers aan beide zijden van zijn gezicht, rustte een laag vuil. Het geheele voorkomen van dezen zoon Abrahams was weerzinwekkend. Hij ging gebukt met de eigenaardige kromming, die zijn ras kenmerkt, door de vernedering ondergaan in vervlogen eeuwen, voor dat de dageraad van vrijheid en gelijkheid in geloofszaken voor dit mishandeld volk was aangebroken. Hij liep achter Desgas aan met den typisch schoorvoetenden gang, die den Joodschen schacheraar in Europa is bijgebleven tot op den huidigen dag.

Chauvelin wenkte den kerel om op eerbiedigen afstand te blijven. De drie mannen stonden juist onder de afhangende olielamp, zoodat Marguerite het trio duidelijk kon waarnemen.

„Is dit de man?” vroeg Chauvelin.

„Neen, burger,” antwoordde Desgas. „Ruben was niet te vinden, dus zal de Engelschman met diens kar zijn vertrokken, maar deze Jood schijnt van het een of ander een snufje te hebben, dat hij voor een prijsje van de hand wil doen.”

Met de lijdzaamheid, aan zijn ras eigen, stond de Jood terzijde, leunend op een dikken staf, zijn ruig gezicht verborgen onder een breed-gerand hoofddeksel, in afwachting dat de nobele Excellentie hem zou ondervragen.

„De burger hier vertelt me,” zei Chauvelin, „dat je iets weet omtrent mijn vriend, den langen Engelschman, dien ik wensch te ontmoeten... Sakkerloot! op een afstand asjeblieft, man!” liet hij er haastig op volgen, toen de Jood een haastige schrede voorwaarts deed.

„Ja, Excellentie,” begon de Israëliet, zijn taal sprekend met den eigenaardigen tongval, die een Oosterschen oorsprong verraadt, „ik en Ruben Goldstein hebben onderweg een langen Engelschman van avond gezien, dicht hier in de buurt.”

„Heb je met hem gesproken?”

„Hij sprak ons aan, Excellentie. Hij wilde weten, of hij een kar met paard kon huren, om langs den St. Martinswegnaar een plaats te gaan, waar hij vannacht wezen moest.”

„Wat heb je toen gezegd?”

„Ik heb niets gezegd,” antwoordde de Jood, zich beleedigd gevoelend. „Ruben Goldstein is een Belialskind...”

„Dat gaat mij niet aan, man,” viel Chauvelin hem ruw in de rede, „ter zake hoor!”

„Nu dan. Toen ik op het punt was den rijken Engelschman mijn paard en wagen aan te bieden, waarmee hij gaan kon, waarheen hij verkoos, had Ruben me het gras al voor de voeten weggemaaid en bood hem zijn hongerigen hit en krakende kar aan.”

„Wat deed de Engelschman toen?”

„Hij had ooren naar het aanbod van Ruben Goldstein, Excellentie, hij tastte in zijn zak, hij nam er een handvol goud uit, hij liet dat het Belzebubskind zien, en zei, dat alles voor hem zou zijn, als kar en paard tegen elf uur voor hem klaar stonden.”

„Natuurlijk stonden kar en paard klaar?”

„Als je dat zoo noemen wilt, ja, Excellentie. De hit van Ruben was kreupel, zooals altijd; hij wilde eerst niet van zijn plaats. Na lang tobben eindelijk en veel ransel, kon hij gedaan krijgen, dat het beest zich verroerde.”

„Zijn ze toen op weg gegaan?”

„Ja, nu vijf minuten geleden. Heel dom was het van den vreemde... en nog wel van een Engelschman!—Hij had moeten weten, dat de hit van Ruben niet kon loopen, maar de vreemdeling wilde niet luisteren en kocht een kat in den zak voor zijn geld. Als hij dan toch zoo’n haast had, was het verstandiger van hem geweest mijn kar te nemen.”

„Bezit jij dan ook paard en wagen?” vroeg Chauvelin.

„Wel zeker, Excellentie, en als Excellentie wil rijden... met Goldsteins voertuig...”

„Weet je soms welken weg mijn vriend de Engelschman is opgegaan?”

Nadenkend wreef de Jood zijn vuile kin. Marguerite’s hart bonsde tot barstens toe. Ze had de vraag gehoord; angstig zag ze naar den Jood, maar kon op diens tronie, welke geheel onder den breedgeranden hoed verscholenwas, niets lezen. Vaag schemerde het haar voor oogen, dat hij Percy’s lot in handen hield.

Er ontstond een lange pauze; Chauvelin staarde, met blijkbaar ongeduld en woede, naar de gebogen gestalte vóór hem. Eindelijk stak de Israëliet langzaam zijn smerige hand in zijn borstzak en diepte daaruit een aantal zilverstukken op. In gedachten verloren, bekeek hij ze, en sprak toen bedaard:

„Dit gaf me de lange vreemdeling, toen hij met Ruben wegreed, opdat ik mijn mond zou houen over hem en zijn bedrijf.”

Chauvelin haalde ongeduldig de schouders op.

„Hoeveel heb je daar?” vroeg hij.

„Twintig francs, Excellentie,” antwoordde de Jood, „en mijn leven lang ben ik een eerlijk man geweest!”

Zonder verder commentaar haalde Chauvelin eenige goudstukken uit zijn zak en rammelde ermee in de palm van zijn hand in de richting, waar de Jood stond.

„Hoeveel denk je, dat ik hierin heb?” vroeg hij bedaard.

De oogen van den Israëliet flikkerden even, bij het zien van het goud in Chauvelin’s hand.

„Ik zou zeggen honderdvijftig francs minstens, Excellentie,” zei hij eerbiedig.

„Dat zal wel genoeg zijn, dunkt me, om je eerlijke tong aan ’t praten te krijgen!”

„Wat wenscht Uwe Excellentie zoo al te weten?”

„Of jouw paard en kar mij kunnen brengen naar de plaats, waar ik mijn vriend, den langen Engelschman, die met Ruben Goldstein’s wagen er van door is, vinden kan?”

„Mijn voertuig kan Uwe Edelachtbaarheid brengen waarheen zij wil.”

„Naar Vader Blanchard’s hut?”

„Uwe Edelachtbaarheid heeft het geraden!” zei de Jood met verbazing.

„Gij kent die plek?”

„Ik ken ze, Edelachtbare.”

„Hoe komen we daar?”

„Langs den St. Martinsweg, Edelachtbare; van daar langs een voetpad tot de riffen.”

„Je kent toch den weg goed?” herhaalde Chauvelin op barschen toon.

„Iederen steen, ieder grassprietje, Edelachtbare,” zei de Jood kalm.

Zonder verder een woord te spreken, wierp Chauvelin de vijf goudstukken één voor één den Jood voor de voeten; deze knielde en trachtte op handen en voeten ze bijeen te garen. Eén ervan rolde weg, en hij had eenige moeite dat machtig te worden, want het was onder het aanrechtkastje terecht gekomen. Chauvelin zag het rustig aan, hoe de Israëliet tastte over den vloer, ten einde het goudstuk machtig te worden.

Toen de Abrahamszoon weer op de beenen stond, sprak Chauvelin:

„Binnen welken tijd kan je met je paard en wagen klaar staan?”

„Alles staat klaar, Edelachtbare.”

„Waar?”

„Geen twintig passen van hier. Wil Uwe Excellentie eens kijken?”

„Dat is niet noodig. Tot hoe ver kun je mij ermee brengen?”

„Tot de hut van Vader Blanchard, Edelachtbare, en heel wat verder dan Ruben Goldstein uw vriend heeft gebracht. Ik ben er zeker van, dat we, nog geen twee mijlen van hier, Ruben zullen inhalen met zijn hit, de kar en den langen vreemdeling, alles op één hoop midden op den weg.”

„Hoe ver is het naaste dorp van hier?”

„Langs den weg, door den Engelschman genomen, is Miquelon het naaste, zoo wat twee mijlen.”

„Daar heeft hij een ander vervoermiddel kunnen krijgen, zoo hij al verder op wilde?”

„Dat is mogelijk—als hij al zoo ver kan komen!”

„Zie jij er kans op?”

„Wil Uwe Excellentie het maar eens probeeren?” vroeg de Jood eenvoudig.

„Dat is mijn bedoeling,” zei Chauvelin kalmpjes „maar denk erom, als ik zie, dat je me bedrogen hebt, zal iktwee van mijn beste soldaten uitpikken, die je zulk een pak ransel zullen geven, dat de adem misschien voor altijd uit je leelijk karkas geslagen wordt. Maar als we mijn vriend, den rijzigen Engelschman, zullen aantreffen, ’t zij onderweg of in de hut van Vader Blanchard, krijg je nog tien goudstukken meer. Sla je toe op dien koop?”

De Israëliet wreef zich weer bedachtzaam de kin. Hij keek naar het geld in zijn hand, van daar naar den strengen spreker, toen naar Desgas, die al dien tijd zwijgend achter hem had gestaan. Na een poos zei hij gedecideerd:

„Top, ik neem het aan.”

„Ga dan nu maar heen en wacht ons buiten,” zei Chauvelin. „Denk aan je belofte, want bij den hemel, ik zal de mijne niet breken!”

Met een deemoedige, slaafsche buiging slofte de Israëliet het vertrek uit. Chauvelin scheen volkomen tevreden over dit onderhoud, hij wreef zich met voldoening in de handen.

„Mijn jas en laarzen!” zei hij tot Desgas.

Desgas begaf zich naar de deur en deelde de noodige bevelen uit. Kort daarop kwam een soldaat met het gevraagde binnen, benevens een hoed.

Chauvelin ontdeed zich van zijn soutane en verwisselde van kleeding.

„Gij burger,” zei hij intusschen, „ga weer naar kapitein Jutley, zoo hard als je kunt rijden of loopen; zeg dat hij je nog twaalf man geeft en breng die allen met je mee langs den St. Martinsweg, waar je hoogst waarschijnlijk de kar van den Jood, met mij erin, zult inhalen. Het zal er zoo straks warm toe gaan, ik bedoel in de hut van Vader Blanchard. Ik wed, dat we er onzen man zullen aantreffen, want die vlegel van een Rooden Pimpernel heeft de stoutmoedigheid—of liever de domheid laat ik zeggen—bij zijn origineel plan te volharden. Hij is heengegaan, om de Tournay, St. Just en de rest te ontmoeten, wat ik dacht, dat hij, voor het oogenblik althans, niet voornemens was te doen. Als we hen er aantreffen, zal het een bende zijn, die zich wanhopig zal verdedigen. Sommigen onzer mannetjes zullen denkelijk wel buiten gevecht gesteld worden. Die royalisten zijn zeer bekwamedegens, de Engelschman is een duivelsche sluwerd en geen kerel om het mee aan den stok te krijgen. We zullen toch altijd vijf tegen één zijn. Gij kunt de kar met uw manschappen dichtbij volgen, altijd dicht langs den St. Martinsweg door Miquelon. De Engelschman is ons vóór en zal waarschijnlijk niet achterom kijken.”

Terwijl hij deze bepaalde orders uitdeelde, was Chauvelin met zijn gedaanteverwisseling gereed gekomen.

„Ik zal je een belangwekkend gevangene in handen spelen,” zei hij zich verkneukelend. „We moeten hem niet morsdood maken, he, vriend Desgas? De hut van Blanchard is—zoo ik me niet vergis—een eenzame plek aan de zeekust, en onze mannen zulleneenheet stukje werk hebben met den gekwetsten wolf. Doe onder je mannetjes een goede keus, Desgas...” zei hij met een duivelschen lach.

„Doe een goede keus onder je manschappen!” herhaalde hij, toen hij zijn handlanger eindelijk met zich naar buiten troonde.


Back to IndexNext