ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Op het spoor.De laatste geluiden buiten de herberg de „Chat Gris” waren weggestorven in de nachtelijke stilte. Marguerite had Desgas orders hooren uitdeelen aan zijn soldaten, die naar het fort opmarcheerden, om nog een twaalf kameraden als versterking te halen.Eenige minuten later vernam zij de stem van den Jood, die zijn paard aanzette, daarop het geratel van wielen en het gerommel van een krakende kar, die over de ruwe keien hotste.Binnen de herberg heerschte diepe stilte. Brogard en zijn vrouw hadden, uit schrik voor Chauvelin, geen teeken gegeven van leven, zij hoopten niets anders dan totaal vergeten te zijn.Marguerite wachtte nog eenige oogenblikken, toen sloop ze zachtjes de vermolmde trap af, wikkelde zich in haar donkeren mantel en verliet het vunzig vertrek.De nacht was duister genoeg, om haar gestalte voor onbescheiden blikken te verbergen, terwijl haar scherp gehoor rekening hield met het geluid van het kreunend voertuig, dat vóór haar uit ging. Door in de schaduw te blijven van het laag houtgewas, dat den weg omzoomde, hoopte ze niet gezien te worden door Desgas’ manschappen, of een rondwarende patrouille.Zoo was voor haar dan het laatste bedrijf aangevangen van den verdrietigen tocht naar Frankrijks onherbergzame noordwestkust, geheel alleen, in het holst van den nacht, en te voet. Drie mijlen ongeveer tot Miquelon, van daar naar de hut van Vader Blanchard, over een ongebaanden weg.Het paard van den Jood kroop traag voort, zij wist, dat ze gemakkelijk gelijken tred met het mager beest zou kunnen houden.Gelukkig voor haar, dat de maan zich schuil hield achter wolkgevaarten en Marguerite kon, tamelijk wel voor menschelijke oogen verborgen, voortgaan. Doodsche stilte heerschte in haar onmiddellijke omgeving, alleen in de verte drong het bruisen van de rustelooze zee tot haar door.Haar voet gleed uit over het vochtig, met gras begroeid pad, langs den kant van den weg, want zij achtte het raadzaam, niet het midden te houden, ook de kar niet al te dicht te naderen; er heerschte zulk een algemeene stilte in haar omgeving, dat het knarsen der wielen haar tot vasten leiddraad kon dienen.Rondom heerschte volstrekte eenzaamheid. De enkele schemerlichten van Calais lagen ver achter hen, en op dezen weg was geen schijn van menschelijke woning te bespeuren, geen visschershut, houthakker of kolenbrander in de nabijheid. In de verte, aan haar rechterhand, zag ze den rand van een rif, daaronder, het woeste zeestrand, waartegen de opkomende vloed in toomlooze vaart zijn ziedende golven deed uiteenspatten.Chauvelin vóór haar uit, in het voertuig van den Israëliet heen en weer geslingerd, gaf den vrijen teugel aan zijn zelfgenoegzame overpeinzingen. Hij wreef zich met innige voldoening de handen, als hij dacht aan het weefsel, dat hij had gesponnen, en door welks mazen die ondernemende Engelschman niet de minste kans had om te ontsnappen. Naarmate de tijd verliep en de oude Jood, langzaam maar zeker, met hem voortreed langs den duisteren weg, wakkerde het verlangen meer en meer bij hem aan naar de groote finale van deze prikkelende jacht op den geheimzinnigen Rooden Pimpernel, wiens arrestatie het schoonste blad zou vormen in den lauwerkrans om de slapen van burger Chauvelin.Geen enkel oogenblik welde een schijn van wroeging op in zijn verstokt gemoed, aangaande den toestand, waarin hij Percy’s ongelukkige vrouw had gebracht. Koude realist als hij was, bestond deze zelfs voor hem niet meer.De magere knol van den Jood deed weinig meer dan stappen. Om de vijf minuten stond hij stil.„Zijn we nog ver van Miquelon?” luidde nu en dan de vraag van Chauvelin.„Niet ver meer,” was het eentonig antwoord.„Tot nog toe hebben we jouw vriend en den mijne nog niet als een vormlooze massa op den openbaren weg aangetroffen,” merkte Chauvelin sarkastisch aan.„Geduld, Edelachtbare, ze zijn ons nog vóór, ik zie het aan de voren van hun kar.”„Je kent den weg toch wel?”„Zoo goed als ik de tien goudstukken ken in den zak van Uwe Excellentie, die ik hoop, dat strakjes naar mijn geldbeurs zullen verhuizen.”„Zoodra ik de hand zal gedrukt hebben van mijn langen vriend den Engelschman, zijn ze je eigendom.”„Hoor eens! Wat was dat?” vroeg de Jood eensklaps.In de ijzingwekkende stilte, die rondom heerschte, kon men duidelijk het getrappel vernemen van paarden op den eenzamen weg.„Soldaten,” vervolgde de Jood fluisterend met eerbiedige vrees.„Wacht, houd even stil, ik wil eens luisteren,” zei Chauvelin.Marguerite had ook het geluid gehoord van hoefslagen in de frontrichting van de kar en van de plek, waar ook zij nu stilstond. De duisternis verleende haar genoegzame dekking. Ze had bemerkt, dat de wagen niet meer voortreed, uiterst behoedzaam kroop ze naderbij.Haar hart klopte geweldig, ze beefde, sidderde en klappertandde; ze had het nieuws reeds geraden, dat de ruiters zouden brengen. Was men den langen vreemdeling op het spoor? Ze vernam de snel achter elkaar gesproken woorden:„Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap!” en de haastig daarop volgende vraag van Chauvelin:„Wat nieuws?”Twee ruiters hadden naast den wagen de toom hunner paarden ingetrokken. Marguerite zag hun schaduwbeeld in den donkeren nacht. Ze hoorde hun stem, het snuiven hunner paarden en daarop, achter haar, op geringen afstand, den regelmatig afgemeten stap van een naderenden troep: Desgas en zijn soldaten.„Heb je den vreemdeling gezien?” hoorde ze Chauvelin haastig vragen.„Neen, burger, geen langen Engelschman; we hebben den rand van het rif verkend.”„En?”„Zoo wat een kwartmijl achter Miquelon zagen we iets, dat op een visschershut geleek, een bewaarplaats van netten. Toen we die eerst onderzochten, scheen ze verlaten en vonden we er niets verdachts, totdat we rook bemerkten, die uit een opening aan een der zijden scheen te komen. Ik steeg af en sloop naderbij. Ze was leeg, maar in een der hoeken brandde een vuur, en er stonden ook een paar stoelen in. Ik raadpleegde met mijn kameraden en we kwamen overeen, ons met de paarden verdekt op te stellen en dat ik de wacht op me zou nemen. Zoo is geschied.”„Nu, en heb je wat gezien?”„Een half uur later, burger, hoorde ik het geluid vanstemmen en zag ik twee mannen den rand naderen van de klip; het scheen of ze van Lille kwamen, althans van dien kant uit. De een was een jong mensch, de ander een grijsaard. Ze fluisterden met elkaar, maar ik kon niet hooren, wat ze zeiden.”De een jong, de ander oud. Marguerite’s hart stond bijna stil, toen ze het vernam. Kon de jonge haar broeder Armand zijn? De oudere de graaf de Tournay?„Die twee gingen toen de hut binnen,” vervolgde de soldaat, „en ik ging ze achterna. De hut is een ruw getimmerte, een en ander van hun gesprek kon ik opvangen.”„Zoo?—Gauw dan! Wat heb je gehoord?”„De oude vroeg den jonge, of hij wel zeker wist, dat dit de rechte plaats was. „O ja!” zei deze, „’t is bepaald welhier,” en bij het schijnsel van het vuur liet hij zijn makker een papier zien, dat hij bij zich had. „Hier is het plan, dat hij me gaf, vóór hij uit Londen ging. We moesten ons streng aan dit plan houden, tenzij ik tegenorders ontving, maar die heb ik niet. Kijk... hier heb je den weg, dien we gegaan zijn... kijk... hier de kromming... hier zijn we dwars den St. Martinsweg overgestoken... en hier heb je het voetpad, dat ons naar den rand van de klip heeft gebracht.”—Ik moet zeker een klein geruchtje gemaakt hebben, want de jonge man liep naar de deur van de hut en keek angstig om zich heen. Toen hij weer bij zijn makker kwam, fluisterden ze zoo zacht, dat ik geen woord meer kon verstaan.”„Nu?—en?” vroeg Chauvelin ongeduldig.„We waren met ons zessen, die langs dien kant van de kust patrouilleerden, we beraadslaagden daarom met elkaar en dachten, dat het beste zijn zou, als er vier van ons achterbleven, de hut in het oog hielden, en ik met mijn kameraad dadelijk terug reed, om rapport te maken van wat we gezien hadden.”„Van den langen vreemdeling heb je niets bespeurd?”„Niets burger.”„Als je kameraden hem gewaarworden, wat zouden ze dan doen?”„Hem voortdurend in het oog houden en als hijmimesmaakte om ervan door te gaan, of als er een sloep in ’t zicht kwam, hem dan arresteeren en zoo noodig neerschieten. Door het vuren zou de rest van de patrouille komen opdagen. In ieder geval zouden ze den man niet laten loopen?”„Dat is alles goed en wel, maar ik wil dien Engelschman niet gekwetst hebben—juist nu niet. Maar enfin... jelui hebt je best gedaan. Ik hoop maar, dat ik niet te laat kom...”„We zijn zoo even een half dozijn manschappen tegengekomen, die urenlang hier hebben gepatrouilleerd.”„Nu...? En?”„Die hebben ook geen vreemdeling gezien.”„Hij moet toch ergens zitten, in een kar of tusschen struiken... We mogen geen oogenblik verliezen. Hoe ver is die hut hier van daan?”„Zoo wat een paar mijl, burger.”„Kan je die hut weer terugvinden?—Ineens?—Het voetpad naar den rand van het rif?—Zelfs in ’t donker?”„De nacht is zoo donker niet, burger, ik ken mijn weg,” zei de soldaat op beslisten toon.„Kom dan nu maar achter ons aan. Laat je kameraad de twee paarden naar Calais terugbrengen. Jullie hebt die niet noodig. Blijft naast den wagen loopen en geeft den Jood order rechtuit te rijden; laat hem vervolgens stilhouden zoowat een kwart mijl vóór het voetpad; zorg ervoor, dat hij den naasten weg neemt.”Terwijl Chauvelin sprak, kwam Desgas met zijn manschappen opdagen. Marguerite kon hun voetstappen een honderd meter achter zich duidelijk vernemen. Ze achtte het ongeraden te blijven, waar zij zich bevond, en onnoodig was dit bovendien, want ze had genoeg gehoord. Plotseling scheen ze het vermogen, om te lijden, als het ware te hebben verloren, haar zenuwen en hersens waren als verdoofd na zooveel uren van nameloozen angst.Er was nu zelfs geen flauwe straal meer van hoop. Op geen twee mijlen afstand waren de vluchtelingen hun bevrijder wachtend. Hij was in aantocht, hier of daar op den weg, en moest weldra bij hen zijn. Maar zij zoudenallen gevangen worden genomen. Armand zou, volgens Chauvelin’s gegeven woord, haar worden teruggegeven, doch haar echtgenoot moest in handen vallen van een onmeedoogenden vijand.Zij hoorde den soldaat eenige korte aanwijzingen geven aan den Jood, daarop retireerde ze haastig naar den kant van den weg en verschool zich tusschen het struikgewas, toen Desgas met zijn manschappen kwam aanzetten.Allen sloten zich, zonder eenig rumoer, achter het voertuig aan, en langzaam ging het weer voort in de duisternis. Marguerite wachtte, totdat het geluid hunner voetstappen was weggestorven; toen sloop ook zij geruischloos voort in den donkeren nacht.
ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Op het spoor.De laatste geluiden buiten de herberg de „Chat Gris” waren weggestorven in de nachtelijke stilte. Marguerite had Desgas orders hooren uitdeelen aan zijn soldaten, die naar het fort opmarcheerden, om nog een twaalf kameraden als versterking te halen.Eenige minuten later vernam zij de stem van den Jood, die zijn paard aanzette, daarop het geratel van wielen en het gerommel van een krakende kar, die over de ruwe keien hotste.Binnen de herberg heerschte diepe stilte. Brogard en zijn vrouw hadden, uit schrik voor Chauvelin, geen teeken gegeven van leven, zij hoopten niets anders dan totaal vergeten te zijn.Marguerite wachtte nog eenige oogenblikken, toen sloop ze zachtjes de vermolmde trap af, wikkelde zich in haar donkeren mantel en verliet het vunzig vertrek.De nacht was duister genoeg, om haar gestalte voor onbescheiden blikken te verbergen, terwijl haar scherp gehoor rekening hield met het geluid van het kreunend voertuig, dat vóór haar uit ging. Door in de schaduw te blijven van het laag houtgewas, dat den weg omzoomde, hoopte ze niet gezien te worden door Desgas’ manschappen, of een rondwarende patrouille.Zoo was voor haar dan het laatste bedrijf aangevangen van den verdrietigen tocht naar Frankrijks onherbergzame noordwestkust, geheel alleen, in het holst van den nacht, en te voet. Drie mijlen ongeveer tot Miquelon, van daar naar de hut van Vader Blanchard, over een ongebaanden weg.Het paard van den Jood kroop traag voort, zij wist, dat ze gemakkelijk gelijken tred met het mager beest zou kunnen houden.Gelukkig voor haar, dat de maan zich schuil hield achter wolkgevaarten en Marguerite kon, tamelijk wel voor menschelijke oogen verborgen, voortgaan. Doodsche stilte heerschte in haar onmiddellijke omgeving, alleen in de verte drong het bruisen van de rustelooze zee tot haar door.Haar voet gleed uit over het vochtig, met gras begroeid pad, langs den kant van den weg, want zij achtte het raadzaam, niet het midden te houden, ook de kar niet al te dicht te naderen; er heerschte zulk een algemeene stilte in haar omgeving, dat het knarsen der wielen haar tot vasten leiddraad kon dienen.Rondom heerschte volstrekte eenzaamheid. De enkele schemerlichten van Calais lagen ver achter hen, en op dezen weg was geen schijn van menschelijke woning te bespeuren, geen visschershut, houthakker of kolenbrander in de nabijheid. In de verte, aan haar rechterhand, zag ze den rand van een rif, daaronder, het woeste zeestrand, waartegen de opkomende vloed in toomlooze vaart zijn ziedende golven deed uiteenspatten.Chauvelin vóór haar uit, in het voertuig van den Israëliet heen en weer geslingerd, gaf den vrijen teugel aan zijn zelfgenoegzame overpeinzingen. Hij wreef zich met innige voldoening de handen, als hij dacht aan het weefsel, dat hij had gesponnen, en door welks mazen die ondernemende Engelschman niet de minste kans had om te ontsnappen. Naarmate de tijd verliep en de oude Jood, langzaam maar zeker, met hem voortreed langs den duisteren weg, wakkerde het verlangen meer en meer bij hem aan naar de groote finale van deze prikkelende jacht op den geheimzinnigen Rooden Pimpernel, wiens arrestatie het schoonste blad zou vormen in den lauwerkrans om de slapen van burger Chauvelin.Geen enkel oogenblik welde een schijn van wroeging op in zijn verstokt gemoed, aangaande den toestand, waarin hij Percy’s ongelukkige vrouw had gebracht. Koude realist als hij was, bestond deze zelfs voor hem niet meer.De magere knol van den Jood deed weinig meer dan stappen. Om de vijf minuten stond hij stil.„Zijn we nog ver van Miquelon?” luidde nu en dan de vraag van Chauvelin.„Niet ver meer,” was het eentonig antwoord.„Tot nog toe hebben we jouw vriend en den mijne nog niet als een vormlooze massa op den openbaren weg aangetroffen,” merkte Chauvelin sarkastisch aan.„Geduld, Edelachtbare, ze zijn ons nog vóór, ik zie het aan de voren van hun kar.”„Je kent den weg toch wel?”„Zoo goed als ik de tien goudstukken ken in den zak van Uwe Excellentie, die ik hoop, dat strakjes naar mijn geldbeurs zullen verhuizen.”„Zoodra ik de hand zal gedrukt hebben van mijn langen vriend den Engelschman, zijn ze je eigendom.”„Hoor eens! Wat was dat?” vroeg de Jood eensklaps.In de ijzingwekkende stilte, die rondom heerschte, kon men duidelijk het getrappel vernemen van paarden op den eenzamen weg.„Soldaten,” vervolgde de Jood fluisterend met eerbiedige vrees.„Wacht, houd even stil, ik wil eens luisteren,” zei Chauvelin.Marguerite had ook het geluid gehoord van hoefslagen in de frontrichting van de kar en van de plek, waar ook zij nu stilstond. De duisternis verleende haar genoegzame dekking. Ze had bemerkt, dat de wagen niet meer voortreed, uiterst behoedzaam kroop ze naderbij.Haar hart klopte geweldig, ze beefde, sidderde en klappertandde; ze had het nieuws reeds geraden, dat de ruiters zouden brengen. Was men den langen vreemdeling op het spoor? Ze vernam de snel achter elkaar gesproken woorden:„Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap!” en de haastig daarop volgende vraag van Chauvelin:„Wat nieuws?”Twee ruiters hadden naast den wagen de toom hunner paarden ingetrokken. Marguerite zag hun schaduwbeeld in den donkeren nacht. Ze hoorde hun stem, het snuiven hunner paarden en daarop, achter haar, op geringen afstand, den regelmatig afgemeten stap van een naderenden troep: Desgas en zijn soldaten.„Heb je den vreemdeling gezien?” hoorde ze Chauvelin haastig vragen.„Neen, burger, geen langen Engelschman; we hebben den rand van het rif verkend.”„En?”„Zoo wat een kwartmijl achter Miquelon zagen we iets, dat op een visschershut geleek, een bewaarplaats van netten. Toen we die eerst onderzochten, scheen ze verlaten en vonden we er niets verdachts, totdat we rook bemerkten, die uit een opening aan een der zijden scheen te komen. Ik steeg af en sloop naderbij. Ze was leeg, maar in een der hoeken brandde een vuur, en er stonden ook een paar stoelen in. Ik raadpleegde met mijn kameraden en we kwamen overeen, ons met de paarden verdekt op te stellen en dat ik de wacht op me zou nemen. Zoo is geschied.”„Nu, en heb je wat gezien?”„Een half uur later, burger, hoorde ik het geluid vanstemmen en zag ik twee mannen den rand naderen van de klip; het scheen of ze van Lille kwamen, althans van dien kant uit. De een was een jong mensch, de ander een grijsaard. Ze fluisterden met elkaar, maar ik kon niet hooren, wat ze zeiden.”De een jong, de ander oud. Marguerite’s hart stond bijna stil, toen ze het vernam. Kon de jonge haar broeder Armand zijn? De oudere de graaf de Tournay?„Die twee gingen toen de hut binnen,” vervolgde de soldaat, „en ik ging ze achterna. De hut is een ruw getimmerte, een en ander van hun gesprek kon ik opvangen.”„Zoo?—Gauw dan! Wat heb je gehoord?”„De oude vroeg den jonge, of hij wel zeker wist, dat dit de rechte plaats was. „O ja!” zei deze, „’t is bepaald welhier,” en bij het schijnsel van het vuur liet hij zijn makker een papier zien, dat hij bij zich had. „Hier is het plan, dat hij me gaf, vóór hij uit Londen ging. We moesten ons streng aan dit plan houden, tenzij ik tegenorders ontving, maar die heb ik niet. Kijk... hier heb je den weg, dien we gegaan zijn... kijk... hier de kromming... hier zijn we dwars den St. Martinsweg overgestoken... en hier heb je het voetpad, dat ons naar den rand van de klip heeft gebracht.”—Ik moet zeker een klein geruchtje gemaakt hebben, want de jonge man liep naar de deur van de hut en keek angstig om zich heen. Toen hij weer bij zijn makker kwam, fluisterden ze zoo zacht, dat ik geen woord meer kon verstaan.”„Nu?—en?” vroeg Chauvelin ongeduldig.„We waren met ons zessen, die langs dien kant van de kust patrouilleerden, we beraadslaagden daarom met elkaar en dachten, dat het beste zijn zou, als er vier van ons achterbleven, de hut in het oog hielden, en ik met mijn kameraad dadelijk terug reed, om rapport te maken van wat we gezien hadden.”„Van den langen vreemdeling heb je niets bespeurd?”„Niets burger.”„Als je kameraden hem gewaarworden, wat zouden ze dan doen?”„Hem voortdurend in het oog houden en als hijmimesmaakte om ervan door te gaan, of als er een sloep in ’t zicht kwam, hem dan arresteeren en zoo noodig neerschieten. Door het vuren zou de rest van de patrouille komen opdagen. In ieder geval zouden ze den man niet laten loopen?”„Dat is alles goed en wel, maar ik wil dien Engelschman niet gekwetst hebben—juist nu niet. Maar enfin... jelui hebt je best gedaan. Ik hoop maar, dat ik niet te laat kom...”„We zijn zoo even een half dozijn manschappen tegengekomen, die urenlang hier hebben gepatrouilleerd.”„Nu...? En?”„Die hebben ook geen vreemdeling gezien.”„Hij moet toch ergens zitten, in een kar of tusschen struiken... We mogen geen oogenblik verliezen. Hoe ver is die hut hier van daan?”„Zoo wat een paar mijl, burger.”„Kan je die hut weer terugvinden?—Ineens?—Het voetpad naar den rand van het rif?—Zelfs in ’t donker?”„De nacht is zoo donker niet, burger, ik ken mijn weg,” zei de soldaat op beslisten toon.„Kom dan nu maar achter ons aan. Laat je kameraad de twee paarden naar Calais terugbrengen. Jullie hebt die niet noodig. Blijft naast den wagen loopen en geeft den Jood order rechtuit te rijden; laat hem vervolgens stilhouden zoowat een kwart mijl vóór het voetpad; zorg ervoor, dat hij den naasten weg neemt.”Terwijl Chauvelin sprak, kwam Desgas met zijn manschappen opdagen. Marguerite kon hun voetstappen een honderd meter achter zich duidelijk vernemen. Ze achtte het ongeraden te blijven, waar zij zich bevond, en onnoodig was dit bovendien, want ze had genoeg gehoord. Plotseling scheen ze het vermogen, om te lijden, als het ware te hebben verloren, haar zenuwen en hersens waren als verdoofd na zooveel uren van nameloozen angst.Er was nu zelfs geen flauwe straal meer van hoop. Op geen twee mijlen afstand waren de vluchtelingen hun bevrijder wachtend. Hij was in aantocht, hier of daar op den weg, en moest weldra bij hen zijn. Maar zij zoudenallen gevangen worden genomen. Armand zou, volgens Chauvelin’s gegeven woord, haar worden teruggegeven, doch haar echtgenoot moest in handen vallen van een onmeedoogenden vijand.Zij hoorde den soldaat eenige korte aanwijzingen geven aan den Jood, daarop retireerde ze haastig naar den kant van den weg en verschool zich tusschen het struikgewas, toen Desgas met zijn manschappen kwam aanzetten.Allen sloten zich, zonder eenig rumoer, achter het voertuig aan, en langzaam ging het weer voort in de duisternis. Marguerite wachtte, totdat het geluid hunner voetstappen was weggestorven; toen sloop ook zij geruischloos voort in den donkeren nacht.
ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Op het spoor.
De laatste geluiden buiten de herberg de „Chat Gris” waren weggestorven in de nachtelijke stilte. Marguerite had Desgas orders hooren uitdeelen aan zijn soldaten, die naar het fort opmarcheerden, om nog een twaalf kameraden als versterking te halen.Eenige minuten later vernam zij de stem van den Jood, die zijn paard aanzette, daarop het geratel van wielen en het gerommel van een krakende kar, die over de ruwe keien hotste.Binnen de herberg heerschte diepe stilte. Brogard en zijn vrouw hadden, uit schrik voor Chauvelin, geen teeken gegeven van leven, zij hoopten niets anders dan totaal vergeten te zijn.Marguerite wachtte nog eenige oogenblikken, toen sloop ze zachtjes de vermolmde trap af, wikkelde zich in haar donkeren mantel en verliet het vunzig vertrek.De nacht was duister genoeg, om haar gestalte voor onbescheiden blikken te verbergen, terwijl haar scherp gehoor rekening hield met het geluid van het kreunend voertuig, dat vóór haar uit ging. Door in de schaduw te blijven van het laag houtgewas, dat den weg omzoomde, hoopte ze niet gezien te worden door Desgas’ manschappen, of een rondwarende patrouille.Zoo was voor haar dan het laatste bedrijf aangevangen van den verdrietigen tocht naar Frankrijks onherbergzame noordwestkust, geheel alleen, in het holst van den nacht, en te voet. Drie mijlen ongeveer tot Miquelon, van daar naar de hut van Vader Blanchard, over een ongebaanden weg.Het paard van den Jood kroop traag voort, zij wist, dat ze gemakkelijk gelijken tred met het mager beest zou kunnen houden.Gelukkig voor haar, dat de maan zich schuil hield achter wolkgevaarten en Marguerite kon, tamelijk wel voor menschelijke oogen verborgen, voortgaan. Doodsche stilte heerschte in haar onmiddellijke omgeving, alleen in de verte drong het bruisen van de rustelooze zee tot haar door.Haar voet gleed uit over het vochtig, met gras begroeid pad, langs den kant van den weg, want zij achtte het raadzaam, niet het midden te houden, ook de kar niet al te dicht te naderen; er heerschte zulk een algemeene stilte in haar omgeving, dat het knarsen der wielen haar tot vasten leiddraad kon dienen.Rondom heerschte volstrekte eenzaamheid. De enkele schemerlichten van Calais lagen ver achter hen, en op dezen weg was geen schijn van menschelijke woning te bespeuren, geen visschershut, houthakker of kolenbrander in de nabijheid. In de verte, aan haar rechterhand, zag ze den rand van een rif, daaronder, het woeste zeestrand, waartegen de opkomende vloed in toomlooze vaart zijn ziedende golven deed uiteenspatten.Chauvelin vóór haar uit, in het voertuig van den Israëliet heen en weer geslingerd, gaf den vrijen teugel aan zijn zelfgenoegzame overpeinzingen. Hij wreef zich met innige voldoening de handen, als hij dacht aan het weefsel, dat hij had gesponnen, en door welks mazen die ondernemende Engelschman niet de minste kans had om te ontsnappen. Naarmate de tijd verliep en de oude Jood, langzaam maar zeker, met hem voortreed langs den duisteren weg, wakkerde het verlangen meer en meer bij hem aan naar de groote finale van deze prikkelende jacht op den geheimzinnigen Rooden Pimpernel, wiens arrestatie het schoonste blad zou vormen in den lauwerkrans om de slapen van burger Chauvelin.Geen enkel oogenblik welde een schijn van wroeging op in zijn verstokt gemoed, aangaande den toestand, waarin hij Percy’s ongelukkige vrouw had gebracht. Koude realist als hij was, bestond deze zelfs voor hem niet meer.De magere knol van den Jood deed weinig meer dan stappen. Om de vijf minuten stond hij stil.„Zijn we nog ver van Miquelon?” luidde nu en dan de vraag van Chauvelin.„Niet ver meer,” was het eentonig antwoord.„Tot nog toe hebben we jouw vriend en den mijne nog niet als een vormlooze massa op den openbaren weg aangetroffen,” merkte Chauvelin sarkastisch aan.„Geduld, Edelachtbare, ze zijn ons nog vóór, ik zie het aan de voren van hun kar.”„Je kent den weg toch wel?”„Zoo goed als ik de tien goudstukken ken in den zak van Uwe Excellentie, die ik hoop, dat strakjes naar mijn geldbeurs zullen verhuizen.”„Zoodra ik de hand zal gedrukt hebben van mijn langen vriend den Engelschman, zijn ze je eigendom.”„Hoor eens! Wat was dat?” vroeg de Jood eensklaps.In de ijzingwekkende stilte, die rondom heerschte, kon men duidelijk het getrappel vernemen van paarden op den eenzamen weg.„Soldaten,” vervolgde de Jood fluisterend met eerbiedige vrees.„Wacht, houd even stil, ik wil eens luisteren,” zei Chauvelin.Marguerite had ook het geluid gehoord van hoefslagen in de frontrichting van de kar en van de plek, waar ook zij nu stilstond. De duisternis verleende haar genoegzame dekking. Ze had bemerkt, dat de wagen niet meer voortreed, uiterst behoedzaam kroop ze naderbij.Haar hart klopte geweldig, ze beefde, sidderde en klappertandde; ze had het nieuws reeds geraden, dat de ruiters zouden brengen. Was men den langen vreemdeling op het spoor? Ze vernam de snel achter elkaar gesproken woorden:„Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap!” en de haastig daarop volgende vraag van Chauvelin:„Wat nieuws?”Twee ruiters hadden naast den wagen de toom hunner paarden ingetrokken. Marguerite zag hun schaduwbeeld in den donkeren nacht. Ze hoorde hun stem, het snuiven hunner paarden en daarop, achter haar, op geringen afstand, den regelmatig afgemeten stap van een naderenden troep: Desgas en zijn soldaten.„Heb je den vreemdeling gezien?” hoorde ze Chauvelin haastig vragen.„Neen, burger, geen langen Engelschman; we hebben den rand van het rif verkend.”„En?”„Zoo wat een kwartmijl achter Miquelon zagen we iets, dat op een visschershut geleek, een bewaarplaats van netten. Toen we die eerst onderzochten, scheen ze verlaten en vonden we er niets verdachts, totdat we rook bemerkten, die uit een opening aan een der zijden scheen te komen. Ik steeg af en sloop naderbij. Ze was leeg, maar in een der hoeken brandde een vuur, en er stonden ook een paar stoelen in. Ik raadpleegde met mijn kameraden en we kwamen overeen, ons met de paarden verdekt op te stellen en dat ik de wacht op me zou nemen. Zoo is geschied.”„Nu, en heb je wat gezien?”„Een half uur later, burger, hoorde ik het geluid vanstemmen en zag ik twee mannen den rand naderen van de klip; het scheen of ze van Lille kwamen, althans van dien kant uit. De een was een jong mensch, de ander een grijsaard. Ze fluisterden met elkaar, maar ik kon niet hooren, wat ze zeiden.”De een jong, de ander oud. Marguerite’s hart stond bijna stil, toen ze het vernam. Kon de jonge haar broeder Armand zijn? De oudere de graaf de Tournay?„Die twee gingen toen de hut binnen,” vervolgde de soldaat, „en ik ging ze achterna. De hut is een ruw getimmerte, een en ander van hun gesprek kon ik opvangen.”„Zoo?—Gauw dan! Wat heb je gehoord?”„De oude vroeg den jonge, of hij wel zeker wist, dat dit de rechte plaats was. „O ja!” zei deze, „’t is bepaald welhier,” en bij het schijnsel van het vuur liet hij zijn makker een papier zien, dat hij bij zich had. „Hier is het plan, dat hij me gaf, vóór hij uit Londen ging. We moesten ons streng aan dit plan houden, tenzij ik tegenorders ontving, maar die heb ik niet. Kijk... hier heb je den weg, dien we gegaan zijn... kijk... hier de kromming... hier zijn we dwars den St. Martinsweg overgestoken... en hier heb je het voetpad, dat ons naar den rand van de klip heeft gebracht.”—Ik moet zeker een klein geruchtje gemaakt hebben, want de jonge man liep naar de deur van de hut en keek angstig om zich heen. Toen hij weer bij zijn makker kwam, fluisterden ze zoo zacht, dat ik geen woord meer kon verstaan.”„Nu?—en?” vroeg Chauvelin ongeduldig.„We waren met ons zessen, die langs dien kant van de kust patrouilleerden, we beraadslaagden daarom met elkaar en dachten, dat het beste zijn zou, als er vier van ons achterbleven, de hut in het oog hielden, en ik met mijn kameraad dadelijk terug reed, om rapport te maken van wat we gezien hadden.”„Van den langen vreemdeling heb je niets bespeurd?”„Niets burger.”„Als je kameraden hem gewaarworden, wat zouden ze dan doen?”„Hem voortdurend in het oog houden en als hijmimesmaakte om ervan door te gaan, of als er een sloep in ’t zicht kwam, hem dan arresteeren en zoo noodig neerschieten. Door het vuren zou de rest van de patrouille komen opdagen. In ieder geval zouden ze den man niet laten loopen?”„Dat is alles goed en wel, maar ik wil dien Engelschman niet gekwetst hebben—juist nu niet. Maar enfin... jelui hebt je best gedaan. Ik hoop maar, dat ik niet te laat kom...”„We zijn zoo even een half dozijn manschappen tegengekomen, die urenlang hier hebben gepatrouilleerd.”„Nu...? En?”„Die hebben ook geen vreemdeling gezien.”„Hij moet toch ergens zitten, in een kar of tusschen struiken... We mogen geen oogenblik verliezen. Hoe ver is die hut hier van daan?”„Zoo wat een paar mijl, burger.”„Kan je die hut weer terugvinden?—Ineens?—Het voetpad naar den rand van het rif?—Zelfs in ’t donker?”„De nacht is zoo donker niet, burger, ik ken mijn weg,” zei de soldaat op beslisten toon.„Kom dan nu maar achter ons aan. Laat je kameraad de twee paarden naar Calais terugbrengen. Jullie hebt die niet noodig. Blijft naast den wagen loopen en geeft den Jood order rechtuit te rijden; laat hem vervolgens stilhouden zoowat een kwart mijl vóór het voetpad; zorg ervoor, dat hij den naasten weg neemt.”Terwijl Chauvelin sprak, kwam Desgas met zijn manschappen opdagen. Marguerite kon hun voetstappen een honderd meter achter zich duidelijk vernemen. Ze achtte het ongeraden te blijven, waar zij zich bevond, en onnoodig was dit bovendien, want ze had genoeg gehoord. Plotseling scheen ze het vermogen, om te lijden, als het ware te hebben verloren, haar zenuwen en hersens waren als verdoofd na zooveel uren van nameloozen angst.Er was nu zelfs geen flauwe straal meer van hoop. Op geen twee mijlen afstand waren de vluchtelingen hun bevrijder wachtend. Hij was in aantocht, hier of daar op den weg, en moest weldra bij hen zijn. Maar zij zoudenallen gevangen worden genomen. Armand zou, volgens Chauvelin’s gegeven woord, haar worden teruggegeven, doch haar echtgenoot moest in handen vallen van een onmeedoogenden vijand.Zij hoorde den soldaat eenige korte aanwijzingen geven aan den Jood, daarop retireerde ze haastig naar den kant van den weg en verschool zich tusschen het struikgewas, toen Desgas met zijn manschappen kwam aanzetten.Allen sloten zich, zonder eenig rumoer, achter het voertuig aan, en langzaam ging het weer voort in de duisternis. Marguerite wachtte, totdat het geluid hunner voetstappen was weggestorven; toen sloop ook zij geruischloos voort in den donkeren nacht.
De laatste geluiden buiten de herberg de „Chat Gris” waren weggestorven in de nachtelijke stilte. Marguerite had Desgas orders hooren uitdeelen aan zijn soldaten, die naar het fort opmarcheerden, om nog een twaalf kameraden als versterking te halen.
Eenige minuten later vernam zij de stem van den Jood, die zijn paard aanzette, daarop het geratel van wielen en het gerommel van een krakende kar, die over de ruwe keien hotste.
Binnen de herberg heerschte diepe stilte. Brogard en zijn vrouw hadden, uit schrik voor Chauvelin, geen teeken gegeven van leven, zij hoopten niets anders dan totaal vergeten te zijn.
Marguerite wachtte nog eenige oogenblikken, toen sloop ze zachtjes de vermolmde trap af, wikkelde zich in haar donkeren mantel en verliet het vunzig vertrek.
De nacht was duister genoeg, om haar gestalte voor onbescheiden blikken te verbergen, terwijl haar scherp gehoor rekening hield met het geluid van het kreunend voertuig, dat vóór haar uit ging. Door in de schaduw te blijven van het laag houtgewas, dat den weg omzoomde, hoopte ze niet gezien te worden door Desgas’ manschappen, of een rondwarende patrouille.
Zoo was voor haar dan het laatste bedrijf aangevangen van den verdrietigen tocht naar Frankrijks onherbergzame noordwestkust, geheel alleen, in het holst van den nacht, en te voet. Drie mijlen ongeveer tot Miquelon, van daar naar de hut van Vader Blanchard, over een ongebaanden weg.
Het paard van den Jood kroop traag voort, zij wist, dat ze gemakkelijk gelijken tred met het mager beest zou kunnen houden.
Gelukkig voor haar, dat de maan zich schuil hield achter wolkgevaarten en Marguerite kon, tamelijk wel voor menschelijke oogen verborgen, voortgaan. Doodsche stilte heerschte in haar onmiddellijke omgeving, alleen in de verte drong het bruisen van de rustelooze zee tot haar door.
Haar voet gleed uit over het vochtig, met gras begroeid pad, langs den kant van den weg, want zij achtte het raadzaam, niet het midden te houden, ook de kar niet al te dicht te naderen; er heerschte zulk een algemeene stilte in haar omgeving, dat het knarsen der wielen haar tot vasten leiddraad kon dienen.
Rondom heerschte volstrekte eenzaamheid. De enkele schemerlichten van Calais lagen ver achter hen, en op dezen weg was geen schijn van menschelijke woning te bespeuren, geen visschershut, houthakker of kolenbrander in de nabijheid. In de verte, aan haar rechterhand, zag ze den rand van een rif, daaronder, het woeste zeestrand, waartegen de opkomende vloed in toomlooze vaart zijn ziedende golven deed uiteenspatten.
Chauvelin vóór haar uit, in het voertuig van den Israëliet heen en weer geslingerd, gaf den vrijen teugel aan zijn zelfgenoegzame overpeinzingen. Hij wreef zich met innige voldoening de handen, als hij dacht aan het weefsel, dat hij had gesponnen, en door welks mazen die ondernemende Engelschman niet de minste kans had om te ontsnappen. Naarmate de tijd verliep en de oude Jood, langzaam maar zeker, met hem voortreed langs den duisteren weg, wakkerde het verlangen meer en meer bij hem aan naar de groote finale van deze prikkelende jacht op den geheimzinnigen Rooden Pimpernel, wiens arrestatie het schoonste blad zou vormen in den lauwerkrans om de slapen van burger Chauvelin.
Geen enkel oogenblik welde een schijn van wroeging op in zijn verstokt gemoed, aangaande den toestand, waarin hij Percy’s ongelukkige vrouw had gebracht. Koude realist als hij was, bestond deze zelfs voor hem niet meer.
De magere knol van den Jood deed weinig meer dan stappen. Om de vijf minuten stond hij stil.
„Zijn we nog ver van Miquelon?” luidde nu en dan de vraag van Chauvelin.
„Niet ver meer,” was het eentonig antwoord.
„Tot nog toe hebben we jouw vriend en den mijne nog niet als een vormlooze massa op den openbaren weg aangetroffen,” merkte Chauvelin sarkastisch aan.
„Geduld, Edelachtbare, ze zijn ons nog vóór, ik zie het aan de voren van hun kar.”
„Je kent den weg toch wel?”
„Zoo goed als ik de tien goudstukken ken in den zak van Uwe Excellentie, die ik hoop, dat strakjes naar mijn geldbeurs zullen verhuizen.”
„Zoodra ik de hand zal gedrukt hebben van mijn langen vriend den Engelschman, zijn ze je eigendom.”
„Hoor eens! Wat was dat?” vroeg de Jood eensklaps.
In de ijzingwekkende stilte, die rondom heerschte, kon men duidelijk het getrappel vernemen van paarden op den eenzamen weg.
„Soldaten,” vervolgde de Jood fluisterend met eerbiedige vrees.
„Wacht, houd even stil, ik wil eens luisteren,” zei Chauvelin.
Marguerite had ook het geluid gehoord van hoefslagen in de frontrichting van de kar en van de plek, waar ook zij nu stilstond. De duisternis verleende haar genoegzame dekking. Ze had bemerkt, dat de wagen niet meer voortreed, uiterst behoedzaam kroop ze naderbij.
Haar hart klopte geweldig, ze beefde, sidderde en klappertandde; ze had het nieuws reeds geraden, dat de ruiters zouden brengen. Was men den langen vreemdeling op het spoor? Ze vernam de snel achter elkaar gesproken woorden:
„Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap!” en de haastig daarop volgende vraag van Chauvelin:
„Wat nieuws?”
Twee ruiters hadden naast den wagen de toom hunner paarden ingetrokken. Marguerite zag hun schaduwbeeld in den donkeren nacht. Ze hoorde hun stem, het snuiven hunner paarden en daarop, achter haar, op geringen afstand, den regelmatig afgemeten stap van een naderenden troep: Desgas en zijn soldaten.
„Heb je den vreemdeling gezien?” hoorde ze Chauvelin haastig vragen.
„Neen, burger, geen langen Engelschman; we hebben den rand van het rif verkend.”
„En?”
„Zoo wat een kwartmijl achter Miquelon zagen we iets, dat op een visschershut geleek, een bewaarplaats van netten. Toen we die eerst onderzochten, scheen ze verlaten en vonden we er niets verdachts, totdat we rook bemerkten, die uit een opening aan een der zijden scheen te komen. Ik steeg af en sloop naderbij. Ze was leeg, maar in een der hoeken brandde een vuur, en er stonden ook een paar stoelen in. Ik raadpleegde met mijn kameraden en we kwamen overeen, ons met de paarden verdekt op te stellen en dat ik de wacht op me zou nemen. Zoo is geschied.”
„Nu, en heb je wat gezien?”
„Een half uur later, burger, hoorde ik het geluid vanstemmen en zag ik twee mannen den rand naderen van de klip; het scheen of ze van Lille kwamen, althans van dien kant uit. De een was een jong mensch, de ander een grijsaard. Ze fluisterden met elkaar, maar ik kon niet hooren, wat ze zeiden.”
De een jong, de ander oud. Marguerite’s hart stond bijna stil, toen ze het vernam. Kon de jonge haar broeder Armand zijn? De oudere de graaf de Tournay?
„Die twee gingen toen de hut binnen,” vervolgde de soldaat, „en ik ging ze achterna. De hut is een ruw getimmerte, een en ander van hun gesprek kon ik opvangen.”
„Zoo?—Gauw dan! Wat heb je gehoord?”
„De oude vroeg den jonge, of hij wel zeker wist, dat dit de rechte plaats was. „O ja!” zei deze, „’t is bepaald welhier,” en bij het schijnsel van het vuur liet hij zijn makker een papier zien, dat hij bij zich had. „Hier is het plan, dat hij me gaf, vóór hij uit Londen ging. We moesten ons streng aan dit plan houden, tenzij ik tegenorders ontving, maar die heb ik niet. Kijk... hier heb je den weg, dien we gegaan zijn... kijk... hier de kromming... hier zijn we dwars den St. Martinsweg overgestoken... en hier heb je het voetpad, dat ons naar den rand van de klip heeft gebracht.”—Ik moet zeker een klein geruchtje gemaakt hebben, want de jonge man liep naar de deur van de hut en keek angstig om zich heen. Toen hij weer bij zijn makker kwam, fluisterden ze zoo zacht, dat ik geen woord meer kon verstaan.”
„Nu?—en?” vroeg Chauvelin ongeduldig.
„We waren met ons zessen, die langs dien kant van de kust patrouilleerden, we beraadslaagden daarom met elkaar en dachten, dat het beste zijn zou, als er vier van ons achterbleven, de hut in het oog hielden, en ik met mijn kameraad dadelijk terug reed, om rapport te maken van wat we gezien hadden.”
„Van den langen vreemdeling heb je niets bespeurd?”
„Niets burger.”
„Als je kameraden hem gewaarworden, wat zouden ze dan doen?”
„Hem voortdurend in het oog houden en als hijmimesmaakte om ervan door te gaan, of als er een sloep in ’t zicht kwam, hem dan arresteeren en zoo noodig neerschieten. Door het vuren zou de rest van de patrouille komen opdagen. In ieder geval zouden ze den man niet laten loopen?”
„Dat is alles goed en wel, maar ik wil dien Engelschman niet gekwetst hebben—juist nu niet. Maar enfin... jelui hebt je best gedaan. Ik hoop maar, dat ik niet te laat kom...”
„We zijn zoo even een half dozijn manschappen tegengekomen, die urenlang hier hebben gepatrouilleerd.”
„Nu...? En?”
„Die hebben ook geen vreemdeling gezien.”
„Hij moet toch ergens zitten, in een kar of tusschen struiken... We mogen geen oogenblik verliezen. Hoe ver is die hut hier van daan?”
„Zoo wat een paar mijl, burger.”
„Kan je die hut weer terugvinden?—Ineens?—Het voetpad naar den rand van het rif?—Zelfs in ’t donker?”
„De nacht is zoo donker niet, burger, ik ken mijn weg,” zei de soldaat op beslisten toon.
„Kom dan nu maar achter ons aan. Laat je kameraad de twee paarden naar Calais terugbrengen. Jullie hebt die niet noodig. Blijft naast den wagen loopen en geeft den Jood order rechtuit te rijden; laat hem vervolgens stilhouden zoowat een kwart mijl vóór het voetpad; zorg ervoor, dat hij den naasten weg neemt.”
Terwijl Chauvelin sprak, kwam Desgas met zijn manschappen opdagen. Marguerite kon hun voetstappen een honderd meter achter zich duidelijk vernemen. Ze achtte het ongeraden te blijven, waar zij zich bevond, en onnoodig was dit bovendien, want ze had genoeg gehoord. Plotseling scheen ze het vermogen, om te lijden, als het ware te hebben verloren, haar zenuwen en hersens waren als verdoofd na zooveel uren van nameloozen angst.
Er was nu zelfs geen flauwe straal meer van hoop. Op geen twee mijlen afstand waren de vluchtelingen hun bevrijder wachtend. Hij was in aantocht, hier of daar op den weg, en moest weldra bij hen zijn. Maar zij zoudenallen gevangen worden genomen. Armand zou, volgens Chauvelin’s gegeven woord, haar worden teruggegeven, doch haar echtgenoot moest in handen vallen van een onmeedoogenden vijand.
Zij hoorde den soldaat eenige korte aanwijzingen geven aan den Jood, daarop retireerde ze haastig naar den kant van den weg en verschool zich tusschen het struikgewas, toen Desgas met zijn manschappen kwam aanzetten.
Allen sloten zich, zonder eenig rumoer, achter het voertuig aan, en langzaam ging het weer voort in de duisternis. Marguerite wachtte, totdat het geluid hunner voetstappen was weggestorven; toen sloop ook zij geruischloos voort in den donkeren nacht.