ZESTIENDE HOOFDSTUK.Een vaarwel.Toen Marguerite haar kamer binnentrad, vond ze haar kamenier in doodelijken angst over haar.„Milady zal wel erg vermoeid zijn,” zei de arme vrouw, wier eigen oogen afgemat waren van slapeloosheid. „Het heeft al lang vijf uur geslagen.”„Jawel, Louise, het zal waar zijn, dat ik moe ben,” zei Marguerite vriendelijk, „maar ook gij zult moe zijn, ga dus maar terstond rusten. Ik zal me zelf wel redden.”„Maar, milady...”„Neen, nu niet redekavelen, Louise, ga nu naar bed. Geef me een omslagdoek en laat me alleen.”Louise was maar al te zeer bereid om te gehoorzamen.Nadat de kamenier was vertrokken, trok Marguerite deovergordijnen weg en opende de ramen. Het park en de rivier baadden in een glans van rozigen schijn. In de verte naar het Oosten deden de stralen der opgaande zon het rood versmelten in vurig goud. Het grasperk lag nu verlaten en Marguerite zag neer op het terras, waar zij eenige oogenblikken te voren gestaan had, vergeefs trachtend de liefde te heroveren van den man, die haar eenmaal geheel had toebehoord.Hoe vreemd kwam haar dat alles voor! Zij beminde hem nog steeds. En nu zij terugzag op de enkele maanden van elkaar niet begrijpen en haar verlatenheid, kwam ze tot de slotsom, dat ze nimmer had opgehouden hem lief te hebben, dat zij op den bodem van haar hart voortdurend een onbestemd gevoel had gekoesterd, dat zijn dwaze beuzelachtigheden, zijn niets zeggende lach, zijn lijzige onverschillige manieren niets dan een mom waren geweest; dat de werkelijke man, de krachtige, gepassionneerde, energieke Percy nog bestond—de man, dien zij bemind had, omdat altijd de gedachte haar bijbleef, dat achter die schijnbare onnoozelheid iets lag, dat hij verborgen hield voor de geheele wereld, voornamelijk voor hààr.Beminde Marguerite Blakeney, de „schranderste vrouw in Europa,” werkelijk een dwaas? Was het liefde, die ze een jaar geleden voor hem had gevoeld, een jaar geleden, toen ze erin toestemde zijn vrouw te worden? Was het liefde, die ze thans voor hem gevoelde, nu ze tot het bewustzijn kwam, dat hij haar nog liefhad, doch haar slaaf niet wilde zijn, maar nogmaals haar hartstochtelijke minnaar? Neen! Marguerite zelf kon zich dat niet verklaren. Maar wel was zij zich bewust van haar voornemen om dat weerspannig hart weer haar eigendom te noemen, dat ze het weer eens zou veroveren, om het nimmermeer te verliezen... ze wilde hem vasthouden, zijn liefde verdienen en waard zijn. Het stond nu bij haar vast, dat zonder de liefde van dien man geen mogelijk geluk meer voor haar was weggelegd.Ze had haar oogen gesloten en zonk door haar overpeinzingen in een onrustigen slaap, waaruit ze plotselingwerd gewekt door het geluid van voetstappen buiten de deur van haar vertrek.Zenuwachtig sprong ze op en luisterde: in huis was alles stil als altijd; de voetstappen waren weggestorven. Door de wijd geopende vensters overstroomden de schitterende stralen der morgenzon haar kamer met verblindend licht. Zij zag naar de pendule op den schoorsteenmantel, de wijzer wees halfzes—te vroeg voor iemand der huisgenooten om reeds op den been te zijn.Zachtjes op haar teenen sluipende opende ze de deur om te luisteren—geen geluid trof haar oor. Maar het leven had haar zenuwachtig gemaakt, en toen ze eensklaps, vóór haar voeten, op den drempel, iets wits zag liggen—blijkbaar een brief—durfde ze dien nauwelijks aan te raken.Toch bukte zij zich ten slotte om hem op te nemen, en ten uiterste verbaasd, zag ze, dat de brief aan haar was geadresseerd, in het breede, zaakkundige handschrift van haar echtgenoot. Wat kon hij haar in het holste van den nacht hebben mee te deelen, dat niet tot het morgenuur kon worden uitgesteld?Ze verbrak die enveloppe en las:„Een geheel onvoorziene omstandigheid noodzaakt me onverwijld naar het Noorden te vertrekken. U zult mij dus excuseeren, dat ik u mondeling geen vaarwel kan zeggen. Mijn bezigheden kunnen mij een week nagenoeg in beslag nemen en ik moet mij dus het genoegen ontzeggen, Woensdag, a.s. op uw waterfeest tegenwoordig te zijn.Uw onderdanige en gehoorzame dienaar.Percy Blakeney.”Marguerite moest deze weinige eenvoudige regelen lezen en herlezen, om ze geheel en al te kunnen begrijpen.Ze stond bij de trapleuning dit kort en geheimzinnig briefje in haar hand om en om te keeren en gevoelde instinktmatig, dat er iets vreeselijks aan de hand was.Ze wist, dat Sir Percy veel grondbezit in het Noorden had, dat hij vroeger dikwerf daar heen was gegaan en ereen acht dagen vertoefd had; maar vreemd wilde het haar voorkomen, dat er tusschen vijf en zes uur in den morgen omstandigheden waren opgedaagd, die hem noodzaakten tot zulk een haastig vertrek.Ze sidderde van het hoofd tot de voeten. Eenonstuimigverlangen, haar echtgenoot, als hij niet was vertrokken, terstond weer te zien, greep haar aan.Er niet aan denkend, dat zij slechts luchtig was gekleed en haar kapsel los over haar schouders hing, vloog ze de trappen af, recht door de vestibule naar de voordeur.Deze was als naar gewoonte gegrendeld, want de bedienden, die binnenshuis woonden, waren nog niet beneden, doch haar scherp gehoor had het geluid vernomen van stemmen en het schrapen van een paardenhoef op de steenen.Met bevende vingers nam Marguerite een voor een de grendels weg, haar nagels erbij bezeerend, want de sloten waren zwaar en stroef.Eindelijk had ze de deur ontsloten. Haar gehoor had haar niet misleid. Een stalknecht stond in de nabijheid, een paar paarden vasthoudend; een dezer rossen was Sultan, Sir Percy’s geliefkoosde en snelbeenigste klepper, gezadeld voor een vliegenden rit.Een oogenblik daarna kwam Sir Percy zelf haastig opdagen.Marguerite deed eenige schreden vooruit. Hij keek op en kreeg haar in het oog. Hij fronste even zijn wenkbrauwen.„Je gaat vertrekken?” zei ze haastig. „Waarheen, als ik vragen mag?”„Zooals ik de eer had u te kennen te geven, roept een dringende, geheel onverwachte aangelegenheid mij dezen morgen naar het Noorden,” zei hij op zijn gewonen kouden, druiligen toon.„Maar... uw gasten morgen...?”„Ik heb milady verzocht Zijn Koninklijke Hoogheid mijn nederige excuses aan te bieden. U zijt zulk een volmaakte gastvrouw, dat men mij denkelijk niet zeer zal missen.”„Maar gij kondt niettemin uw reis hebben uitgesteld... tot na ons waterpartijtje...” hernam zij haastig en zenuwachtig haar meening zeggend.” „Voorzeker is uw aangelegenheid niet van zulk een dringenden aard... daarenboven hebt gij er niets van gezegd.”„Mijn aangelegenheid, Mevrouw, is, zooals ik de eer had u mede te deelen,even onverwacht als dringend... Mag ik u derhalve verlof vragen om te gaan... Kan ik ook iets voor u in de stad doen?... als ik terug kom, wel te verstaan?”„Neen... neen... dank u... niets... Maar ge komt toch spoedig terug?”„Heel spoedig.”„Vóór het einde der week?”„Dat weet ik niet.”Hij legde het blijkbaar erop aan weg te komen, terwijl zij het mogelijke deed hem eenige oogenblikken op te houden.„Percy,” zei ze, „wilt ge me niet zeggen, waarom ge vandaag gaat. Ik heb toch als uw vrouw het recht dit te weten. Gij zijtnietnaar het Noorden ontboden. Ik weet het. Er waren geen brieven noch koeriers van daar, voordat we gisteravond uit de opera kwamen en niets wachtte op u, toen we terugkwamen van het bal... Gij gaatnietnaar het Noorden, daar ben ik zeker van... Er bestaat een geheim... een...”„Neen, een geheim bestaat er niet, Mevrouw,” antwoordde hij met een geringe beweging van ongeduld. „Mijn taak geldt Armand... zie daar! Heb ik nu verlof om te vertrekken?”„Geldt Armand?... Maar ge zult toch geen gevaar loopen?”„Gevaar? Ik?... Uw beangstheid strekt me tot eer. Zooals u zegt, bezit ik eenigen invloed; mijn doel is er gebruik van te maken, voordat het te laat is.”„Wilt ge me veroorloven u ten minste dank te zeggen?”„Mijn leven staat tot uw dienst en is reeds meer dan terugbetaald.”„En het mijne, Sir Percy, behoort u, zoo ge het slechtswilt aanvaarden, in ruil voor hetgeen ge doet voor Armand,” sprak ze, beide handen hem toestekend.„Zie zoo! Ik wil u niet ophouden... mijn gedachten zijn met u... Vaarwel...”Hoe angstvallig zag ze er uit in het zonlicht van dezen morgen, met haar haartooi zwierend over haar schouders. Hij boog zeer diep en kuste haar de hand, zij voelde den brandenden kus en haar hart trilde van vreugde en hoop.Hij boog zeer diep en kuste haar de hand (pag. 97).Hij boog zeer diep en kuste haar de hand (pag. 97).„Ge komt toch terug?” zei ze vol teederheid.„Zeer spoedig!” zei hij, met innig zielsverlangen haar in de blauwe oogen ziende.„En... gij zult eraan denken?”... vroeg ze, toen haar oogen, in antwoord op zijn blik, hem een wereld van beloften in uitzicht gaven.„Ik zal steeds indachtig zijn, Mevrouw, dat ge me de eer aandeedt mijn diensten te begeeren.”Zijn woorden waren koud en formeel, maar deden haar ditmaal niet ijzig aan.Hij boog andermaal en verzocht haar toen verlof te vertrekken. Zij ging terzijde, terwijl hij Sultan besteeg, en toen hij het hek uit galoppeerde, wuifde zij hem een laatst „Vaarwel!” toe.Een kromming van den weg onttrok hem weldra aan haar gezicht, zijn vertrouwde lijfknecht had moeite hem bij te houden, want Sultan vloog over de heerbaan, als een pijl uit den boog. Marguerite keerde zich om, met een zucht, waarin hoop lag besloten, en zij ging het huis binnen. Zij haastte zich naar haar kamer, want opeens voelde zij, als een vermoeid kind, zich tot slapen geneigd.Zij ontwaarde geen angst meer omtrent Armand. De man, die zoo juist was weggereden, besloten om haar broeder te redden, boezemde haar een volmaakt vertrouwen in op zijn kracht en vermogen. Zij stond verbaasd over zichzelf, hem ooit te hebben aangezien voor een beuzeligen idioot, maar het was een mom, dat hij droeg om de gruwelijke wonde te verbergen, die zij zijn liefde had geslagen.Maar nu zou alles goed gaan: ze zou hem alles meedeelen, hem in alles vertrouwen. De gelukkige dagenmoesten wederkeeren, toen ze gewoon waren te dolen in het bosch van Fontainebleau, toen ze weinig woorden wisselden—want hij was altijd een zwijgend man—maar steeds gevoelde ze, dat ze aan zijn hart voortdurend rust en geluk zou kunnen vinden.Ze achtte zich thans bijna gelukkig, en de gordijnen dicht bij elkaar trekkend, om het al te onbescheiden zonlicht uit te sluiten, begaf zij zich eindelijk ter ruste en viel weldra, als een vermoeid kind, in een kalmen en droomloozen slaap.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.Een vaarwel.Toen Marguerite haar kamer binnentrad, vond ze haar kamenier in doodelijken angst over haar.„Milady zal wel erg vermoeid zijn,” zei de arme vrouw, wier eigen oogen afgemat waren van slapeloosheid. „Het heeft al lang vijf uur geslagen.”„Jawel, Louise, het zal waar zijn, dat ik moe ben,” zei Marguerite vriendelijk, „maar ook gij zult moe zijn, ga dus maar terstond rusten. Ik zal me zelf wel redden.”„Maar, milady...”„Neen, nu niet redekavelen, Louise, ga nu naar bed. Geef me een omslagdoek en laat me alleen.”Louise was maar al te zeer bereid om te gehoorzamen.Nadat de kamenier was vertrokken, trok Marguerite deovergordijnen weg en opende de ramen. Het park en de rivier baadden in een glans van rozigen schijn. In de verte naar het Oosten deden de stralen der opgaande zon het rood versmelten in vurig goud. Het grasperk lag nu verlaten en Marguerite zag neer op het terras, waar zij eenige oogenblikken te voren gestaan had, vergeefs trachtend de liefde te heroveren van den man, die haar eenmaal geheel had toebehoord.Hoe vreemd kwam haar dat alles voor! Zij beminde hem nog steeds. En nu zij terugzag op de enkele maanden van elkaar niet begrijpen en haar verlatenheid, kwam ze tot de slotsom, dat ze nimmer had opgehouden hem lief te hebben, dat zij op den bodem van haar hart voortdurend een onbestemd gevoel had gekoesterd, dat zijn dwaze beuzelachtigheden, zijn niets zeggende lach, zijn lijzige onverschillige manieren niets dan een mom waren geweest; dat de werkelijke man, de krachtige, gepassionneerde, energieke Percy nog bestond—de man, dien zij bemind had, omdat altijd de gedachte haar bijbleef, dat achter die schijnbare onnoozelheid iets lag, dat hij verborgen hield voor de geheele wereld, voornamelijk voor hààr.Beminde Marguerite Blakeney, de „schranderste vrouw in Europa,” werkelijk een dwaas? Was het liefde, die ze een jaar geleden voor hem had gevoeld, een jaar geleden, toen ze erin toestemde zijn vrouw te worden? Was het liefde, die ze thans voor hem gevoelde, nu ze tot het bewustzijn kwam, dat hij haar nog liefhad, doch haar slaaf niet wilde zijn, maar nogmaals haar hartstochtelijke minnaar? Neen! Marguerite zelf kon zich dat niet verklaren. Maar wel was zij zich bewust van haar voornemen om dat weerspannig hart weer haar eigendom te noemen, dat ze het weer eens zou veroveren, om het nimmermeer te verliezen... ze wilde hem vasthouden, zijn liefde verdienen en waard zijn. Het stond nu bij haar vast, dat zonder de liefde van dien man geen mogelijk geluk meer voor haar was weggelegd.Ze had haar oogen gesloten en zonk door haar overpeinzingen in een onrustigen slaap, waaruit ze plotselingwerd gewekt door het geluid van voetstappen buiten de deur van haar vertrek.Zenuwachtig sprong ze op en luisterde: in huis was alles stil als altijd; de voetstappen waren weggestorven. Door de wijd geopende vensters overstroomden de schitterende stralen der morgenzon haar kamer met verblindend licht. Zij zag naar de pendule op den schoorsteenmantel, de wijzer wees halfzes—te vroeg voor iemand der huisgenooten om reeds op den been te zijn.Zachtjes op haar teenen sluipende opende ze de deur om te luisteren—geen geluid trof haar oor. Maar het leven had haar zenuwachtig gemaakt, en toen ze eensklaps, vóór haar voeten, op den drempel, iets wits zag liggen—blijkbaar een brief—durfde ze dien nauwelijks aan te raken.Toch bukte zij zich ten slotte om hem op te nemen, en ten uiterste verbaasd, zag ze, dat de brief aan haar was geadresseerd, in het breede, zaakkundige handschrift van haar echtgenoot. Wat kon hij haar in het holste van den nacht hebben mee te deelen, dat niet tot het morgenuur kon worden uitgesteld?Ze verbrak die enveloppe en las:„Een geheel onvoorziene omstandigheid noodzaakt me onverwijld naar het Noorden te vertrekken. U zult mij dus excuseeren, dat ik u mondeling geen vaarwel kan zeggen. Mijn bezigheden kunnen mij een week nagenoeg in beslag nemen en ik moet mij dus het genoegen ontzeggen, Woensdag, a.s. op uw waterfeest tegenwoordig te zijn.Uw onderdanige en gehoorzame dienaar.Percy Blakeney.”Marguerite moest deze weinige eenvoudige regelen lezen en herlezen, om ze geheel en al te kunnen begrijpen.Ze stond bij de trapleuning dit kort en geheimzinnig briefje in haar hand om en om te keeren en gevoelde instinktmatig, dat er iets vreeselijks aan de hand was.Ze wist, dat Sir Percy veel grondbezit in het Noorden had, dat hij vroeger dikwerf daar heen was gegaan en ereen acht dagen vertoefd had; maar vreemd wilde het haar voorkomen, dat er tusschen vijf en zes uur in den morgen omstandigheden waren opgedaagd, die hem noodzaakten tot zulk een haastig vertrek.Ze sidderde van het hoofd tot de voeten. Eenonstuimigverlangen, haar echtgenoot, als hij niet was vertrokken, terstond weer te zien, greep haar aan.Er niet aan denkend, dat zij slechts luchtig was gekleed en haar kapsel los over haar schouders hing, vloog ze de trappen af, recht door de vestibule naar de voordeur.Deze was als naar gewoonte gegrendeld, want de bedienden, die binnenshuis woonden, waren nog niet beneden, doch haar scherp gehoor had het geluid vernomen van stemmen en het schrapen van een paardenhoef op de steenen.Met bevende vingers nam Marguerite een voor een de grendels weg, haar nagels erbij bezeerend, want de sloten waren zwaar en stroef.Eindelijk had ze de deur ontsloten. Haar gehoor had haar niet misleid. Een stalknecht stond in de nabijheid, een paar paarden vasthoudend; een dezer rossen was Sultan, Sir Percy’s geliefkoosde en snelbeenigste klepper, gezadeld voor een vliegenden rit.Een oogenblik daarna kwam Sir Percy zelf haastig opdagen.Marguerite deed eenige schreden vooruit. Hij keek op en kreeg haar in het oog. Hij fronste even zijn wenkbrauwen.„Je gaat vertrekken?” zei ze haastig. „Waarheen, als ik vragen mag?”„Zooals ik de eer had u te kennen te geven, roept een dringende, geheel onverwachte aangelegenheid mij dezen morgen naar het Noorden,” zei hij op zijn gewonen kouden, druiligen toon.„Maar... uw gasten morgen...?”„Ik heb milady verzocht Zijn Koninklijke Hoogheid mijn nederige excuses aan te bieden. U zijt zulk een volmaakte gastvrouw, dat men mij denkelijk niet zeer zal missen.”„Maar gij kondt niettemin uw reis hebben uitgesteld... tot na ons waterpartijtje...” hernam zij haastig en zenuwachtig haar meening zeggend.” „Voorzeker is uw aangelegenheid niet van zulk een dringenden aard... daarenboven hebt gij er niets van gezegd.”„Mijn aangelegenheid, Mevrouw, is, zooals ik de eer had u mede te deelen,even onverwacht als dringend... Mag ik u derhalve verlof vragen om te gaan... Kan ik ook iets voor u in de stad doen?... als ik terug kom, wel te verstaan?”„Neen... neen... dank u... niets... Maar ge komt toch spoedig terug?”„Heel spoedig.”„Vóór het einde der week?”„Dat weet ik niet.”Hij legde het blijkbaar erop aan weg te komen, terwijl zij het mogelijke deed hem eenige oogenblikken op te houden.„Percy,” zei ze, „wilt ge me niet zeggen, waarom ge vandaag gaat. Ik heb toch als uw vrouw het recht dit te weten. Gij zijtnietnaar het Noorden ontboden. Ik weet het. Er waren geen brieven noch koeriers van daar, voordat we gisteravond uit de opera kwamen en niets wachtte op u, toen we terugkwamen van het bal... Gij gaatnietnaar het Noorden, daar ben ik zeker van... Er bestaat een geheim... een...”„Neen, een geheim bestaat er niet, Mevrouw,” antwoordde hij met een geringe beweging van ongeduld. „Mijn taak geldt Armand... zie daar! Heb ik nu verlof om te vertrekken?”„Geldt Armand?... Maar ge zult toch geen gevaar loopen?”„Gevaar? Ik?... Uw beangstheid strekt me tot eer. Zooals u zegt, bezit ik eenigen invloed; mijn doel is er gebruik van te maken, voordat het te laat is.”„Wilt ge me veroorloven u ten minste dank te zeggen?”„Mijn leven staat tot uw dienst en is reeds meer dan terugbetaald.”„En het mijne, Sir Percy, behoort u, zoo ge het slechtswilt aanvaarden, in ruil voor hetgeen ge doet voor Armand,” sprak ze, beide handen hem toestekend.„Zie zoo! Ik wil u niet ophouden... mijn gedachten zijn met u... Vaarwel...”Hoe angstvallig zag ze er uit in het zonlicht van dezen morgen, met haar haartooi zwierend over haar schouders. Hij boog zeer diep en kuste haar de hand, zij voelde den brandenden kus en haar hart trilde van vreugde en hoop.Hij boog zeer diep en kuste haar de hand (pag. 97).Hij boog zeer diep en kuste haar de hand (pag. 97).„Ge komt toch terug?” zei ze vol teederheid.„Zeer spoedig!” zei hij, met innig zielsverlangen haar in de blauwe oogen ziende.„En... gij zult eraan denken?”... vroeg ze, toen haar oogen, in antwoord op zijn blik, hem een wereld van beloften in uitzicht gaven.„Ik zal steeds indachtig zijn, Mevrouw, dat ge me de eer aandeedt mijn diensten te begeeren.”Zijn woorden waren koud en formeel, maar deden haar ditmaal niet ijzig aan.Hij boog andermaal en verzocht haar toen verlof te vertrekken. Zij ging terzijde, terwijl hij Sultan besteeg, en toen hij het hek uit galoppeerde, wuifde zij hem een laatst „Vaarwel!” toe.Een kromming van den weg onttrok hem weldra aan haar gezicht, zijn vertrouwde lijfknecht had moeite hem bij te houden, want Sultan vloog over de heerbaan, als een pijl uit den boog. Marguerite keerde zich om, met een zucht, waarin hoop lag besloten, en zij ging het huis binnen. Zij haastte zich naar haar kamer, want opeens voelde zij, als een vermoeid kind, zich tot slapen geneigd.Zij ontwaarde geen angst meer omtrent Armand. De man, die zoo juist was weggereden, besloten om haar broeder te redden, boezemde haar een volmaakt vertrouwen in op zijn kracht en vermogen. Zij stond verbaasd over zichzelf, hem ooit te hebben aangezien voor een beuzeligen idioot, maar het was een mom, dat hij droeg om de gruwelijke wonde te verbergen, die zij zijn liefde had geslagen.Maar nu zou alles goed gaan: ze zou hem alles meedeelen, hem in alles vertrouwen. De gelukkige dagenmoesten wederkeeren, toen ze gewoon waren te dolen in het bosch van Fontainebleau, toen ze weinig woorden wisselden—want hij was altijd een zwijgend man—maar steeds gevoelde ze, dat ze aan zijn hart voortdurend rust en geluk zou kunnen vinden.Ze achtte zich thans bijna gelukkig, en de gordijnen dicht bij elkaar trekkend, om het al te onbescheiden zonlicht uit te sluiten, begaf zij zich eindelijk ter ruste en viel weldra, als een vermoeid kind, in een kalmen en droomloozen slaap.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.Een vaarwel.
Toen Marguerite haar kamer binnentrad, vond ze haar kamenier in doodelijken angst over haar.„Milady zal wel erg vermoeid zijn,” zei de arme vrouw, wier eigen oogen afgemat waren van slapeloosheid. „Het heeft al lang vijf uur geslagen.”„Jawel, Louise, het zal waar zijn, dat ik moe ben,” zei Marguerite vriendelijk, „maar ook gij zult moe zijn, ga dus maar terstond rusten. Ik zal me zelf wel redden.”„Maar, milady...”„Neen, nu niet redekavelen, Louise, ga nu naar bed. Geef me een omslagdoek en laat me alleen.”Louise was maar al te zeer bereid om te gehoorzamen.Nadat de kamenier was vertrokken, trok Marguerite deovergordijnen weg en opende de ramen. Het park en de rivier baadden in een glans van rozigen schijn. In de verte naar het Oosten deden de stralen der opgaande zon het rood versmelten in vurig goud. Het grasperk lag nu verlaten en Marguerite zag neer op het terras, waar zij eenige oogenblikken te voren gestaan had, vergeefs trachtend de liefde te heroveren van den man, die haar eenmaal geheel had toebehoord.Hoe vreemd kwam haar dat alles voor! Zij beminde hem nog steeds. En nu zij terugzag op de enkele maanden van elkaar niet begrijpen en haar verlatenheid, kwam ze tot de slotsom, dat ze nimmer had opgehouden hem lief te hebben, dat zij op den bodem van haar hart voortdurend een onbestemd gevoel had gekoesterd, dat zijn dwaze beuzelachtigheden, zijn niets zeggende lach, zijn lijzige onverschillige manieren niets dan een mom waren geweest; dat de werkelijke man, de krachtige, gepassionneerde, energieke Percy nog bestond—de man, dien zij bemind had, omdat altijd de gedachte haar bijbleef, dat achter die schijnbare onnoozelheid iets lag, dat hij verborgen hield voor de geheele wereld, voornamelijk voor hààr.Beminde Marguerite Blakeney, de „schranderste vrouw in Europa,” werkelijk een dwaas? Was het liefde, die ze een jaar geleden voor hem had gevoeld, een jaar geleden, toen ze erin toestemde zijn vrouw te worden? Was het liefde, die ze thans voor hem gevoelde, nu ze tot het bewustzijn kwam, dat hij haar nog liefhad, doch haar slaaf niet wilde zijn, maar nogmaals haar hartstochtelijke minnaar? Neen! Marguerite zelf kon zich dat niet verklaren. Maar wel was zij zich bewust van haar voornemen om dat weerspannig hart weer haar eigendom te noemen, dat ze het weer eens zou veroveren, om het nimmermeer te verliezen... ze wilde hem vasthouden, zijn liefde verdienen en waard zijn. Het stond nu bij haar vast, dat zonder de liefde van dien man geen mogelijk geluk meer voor haar was weggelegd.Ze had haar oogen gesloten en zonk door haar overpeinzingen in een onrustigen slaap, waaruit ze plotselingwerd gewekt door het geluid van voetstappen buiten de deur van haar vertrek.Zenuwachtig sprong ze op en luisterde: in huis was alles stil als altijd; de voetstappen waren weggestorven. Door de wijd geopende vensters overstroomden de schitterende stralen der morgenzon haar kamer met verblindend licht. Zij zag naar de pendule op den schoorsteenmantel, de wijzer wees halfzes—te vroeg voor iemand der huisgenooten om reeds op den been te zijn.Zachtjes op haar teenen sluipende opende ze de deur om te luisteren—geen geluid trof haar oor. Maar het leven had haar zenuwachtig gemaakt, en toen ze eensklaps, vóór haar voeten, op den drempel, iets wits zag liggen—blijkbaar een brief—durfde ze dien nauwelijks aan te raken.Toch bukte zij zich ten slotte om hem op te nemen, en ten uiterste verbaasd, zag ze, dat de brief aan haar was geadresseerd, in het breede, zaakkundige handschrift van haar echtgenoot. Wat kon hij haar in het holste van den nacht hebben mee te deelen, dat niet tot het morgenuur kon worden uitgesteld?Ze verbrak die enveloppe en las:„Een geheel onvoorziene omstandigheid noodzaakt me onverwijld naar het Noorden te vertrekken. U zult mij dus excuseeren, dat ik u mondeling geen vaarwel kan zeggen. Mijn bezigheden kunnen mij een week nagenoeg in beslag nemen en ik moet mij dus het genoegen ontzeggen, Woensdag, a.s. op uw waterfeest tegenwoordig te zijn.Uw onderdanige en gehoorzame dienaar.Percy Blakeney.”Marguerite moest deze weinige eenvoudige regelen lezen en herlezen, om ze geheel en al te kunnen begrijpen.Ze stond bij de trapleuning dit kort en geheimzinnig briefje in haar hand om en om te keeren en gevoelde instinktmatig, dat er iets vreeselijks aan de hand was.Ze wist, dat Sir Percy veel grondbezit in het Noorden had, dat hij vroeger dikwerf daar heen was gegaan en ereen acht dagen vertoefd had; maar vreemd wilde het haar voorkomen, dat er tusschen vijf en zes uur in den morgen omstandigheden waren opgedaagd, die hem noodzaakten tot zulk een haastig vertrek.Ze sidderde van het hoofd tot de voeten. Eenonstuimigverlangen, haar echtgenoot, als hij niet was vertrokken, terstond weer te zien, greep haar aan.Er niet aan denkend, dat zij slechts luchtig was gekleed en haar kapsel los over haar schouders hing, vloog ze de trappen af, recht door de vestibule naar de voordeur.Deze was als naar gewoonte gegrendeld, want de bedienden, die binnenshuis woonden, waren nog niet beneden, doch haar scherp gehoor had het geluid vernomen van stemmen en het schrapen van een paardenhoef op de steenen.Met bevende vingers nam Marguerite een voor een de grendels weg, haar nagels erbij bezeerend, want de sloten waren zwaar en stroef.Eindelijk had ze de deur ontsloten. Haar gehoor had haar niet misleid. Een stalknecht stond in de nabijheid, een paar paarden vasthoudend; een dezer rossen was Sultan, Sir Percy’s geliefkoosde en snelbeenigste klepper, gezadeld voor een vliegenden rit.Een oogenblik daarna kwam Sir Percy zelf haastig opdagen.Marguerite deed eenige schreden vooruit. Hij keek op en kreeg haar in het oog. Hij fronste even zijn wenkbrauwen.„Je gaat vertrekken?” zei ze haastig. „Waarheen, als ik vragen mag?”„Zooals ik de eer had u te kennen te geven, roept een dringende, geheel onverwachte aangelegenheid mij dezen morgen naar het Noorden,” zei hij op zijn gewonen kouden, druiligen toon.„Maar... uw gasten morgen...?”„Ik heb milady verzocht Zijn Koninklijke Hoogheid mijn nederige excuses aan te bieden. U zijt zulk een volmaakte gastvrouw, dat men mij denkelijk niet zeer zal missen.”„Maar gij kondt niettemin uw reis hebben uitgesteld... tot na ons waterpartijtje...” hernam zij haastig en zenuwachtig haar meening zeggend.” „Voorzeker is uw aangelegenheid niet van zulk een dringenden aard... daarenboven hebt gij er niets van gezegd.”„Mijn aangelegenheid, Mevrouw, is, zooals ik de eer had u mede te deelen,even onverwacht als dringend... Mag ik u derhalve verlof vragen om te gaan... Kan ik ook iets voor u in de stad doen?... als ik terug kom, wel te verstaan?”„Neen... neen... dank u... niets... Maar ge komt toch spoedig terug?”„Heel spoedig.”„Vóór het einde der week?”„Dat weet ik niet.”Hij legde het blijkbaar erop aan weg te komen, terwijl zij het mogelijke deed hem eenige oogenblikken op te houden.„Percy,” zei ze, „wilt ge me niet zeggen, waarom ge vandaag gaat. Ik heb toch als uw vrouw het recht dit te weten. Gij zijtnietnaar het Noorden ontboden. Ik weet het. Er waren geen brieven noch koeriers van daar, voordat we gisteravond uit de opera kwamen en niets wachtte op u, toen we terugkwamen van het bal... Gij gaatnietnaar het Noorden, daar ben ik zeker van... Er bestaat een geheim... een...”„Neen, een geheim bestaat er niet, Mevrouw,” antwoordde hij met een geringe beweging van ongeduld. „Mijn taak geldt Armand... zie daar! Heb ik nu verlof om te vertrekken?”„Geldt Armand?... Maar ge zult toch geen gevaar loopen?”„Gevaar? Ik?... Uw beangstheid strekt me tot eer. Zooals u zegt, bezit ik eenigen invloed; mijn doel is er gebruik van te maken, voordat het te laat is.”„Wilt ge me veroorloven u ten minste dank te zeggen?”„Mijn leven staat tot uw dienst en is reeds meer dan terugbetaald.”„En het mijne, Sir Percy, behoort u, zoo ge het slechtswilt aanvaarden, in ruil voor hetgeen ge doet voor Armand,” sprak ze, beide handen hem toestekend.„Zie zoo! Ik wil u niet ophouden... mijn gedachten zijn met u... Vaarwel...”Hoe angstvallig zag ze er uit in het zonlicht van dezen morgen, met haar haartooi zwierend over haar schouders. Hij boog zeer diep en kuste haar de hand, zij voelde den brandenden kus en haar hart trilde van vreugde en hoop.Hij boog zeer diep en kuste haar de hand (pag. 97).Hij boog zeer diep en kuste haar de hand (pag. 97).„Ge komt toch terug?” zei ze vol teederheid.„Zeer spoedig!” zei hij, met innig zielsverlangen haar in de blauwe oogen ziende.„En... gij zult eraan denken?”... vroeg ze, toen haar oogen, in antwoord op zijn blik, hem een wereld van beloften in uitzicht gaven.„Ik zal steeds indachtig zijn, Mevrouw, dat ge me de eer aandeedt mijn diensten te begeeren.”Zijn woorden waren koud en formeel, maar deden haar ditmaal niet ijzig aan.Hij boog andermaal en verzocht haar toen verlof te vertrekken. Zij ging terzijde, terwijl hij Sultan besteeg, en toen hij het hek uit galoppeerde, wuifde zij hem een laatst „Vaarwel!” toe.Een kromming van den weg onttrok hem weldra aan haar gezicht, zijn vertrouwde lijfknecht had moeite hem bij te houden, want Sultan vloog over de heerbaan, als een pijl uit den boog. Marguerite keerde zich om, met een zucht, waarin hoop lag besloten, en zij ging het huis binnen. Zij haastte zich naar haar kamer, want opeens voelde zij, als een vermoeid kind, zich tot slapen geneigd.Zij ontwaarde geen angst meer omtrent Armand. De man, die zoo juist was weggereden, besloten om haar broeder te redden, boezemde haar een volmaakt vertrouwen in op zijn kracht en vermogen. Zij stond verbaasd over zichzelf, hem ooit te hebben aangezien voor een beuzeligen idioot, maar het was een mom, dat hij droeg om de gruwelijke wonde te verbergen, die zij zijn liefde had geslagen.Maar nu zou alles goed gaan: ze zou hem alles meedeelen, hem in alles vertrouwen. De gelukkige dagenmoesten wederkeeren, toen ze gewoon waren te dolen in het bosch van Fontainebleau, toen ze weinig woorden wisselden—want hij was altijd een zwijgend man—maar steeds gevoelde ze, dat ze aan zijn hart voortdurend rust en geluk zou kunnen vinden.Ze achtte zich thans bijna gelukkig, en de gordijnen dicht bij elkaar trekkend, om het al te onbescheiden zonlicht uit te sluiten, begaf zij zich eindelijk ter ruste en viel weldra, als een vermoeid kind, in een kalmen en droomloozen slaap.
Toen Marguerite haar kamer binnentrad, vond ze haar kamenier in doodelijken angst over haar.
„Milady zal wel erg vermoeid zijn,” zei de arme vrouw, wier eigen oogen afgemat waren van slapeloosheid. „Het heeft al lang vijf uur geslagen.”
„Jawel, Louise, het zal waar zijn, dat ik moe ben,” zei Marguerite vriendelijk, „maar ook gij zult moe zijn, ga dus maar terstond rusten. Ik zal me zelf wel redden.”
„Maar, milady...”
„Neen, nu niet redekavelen, Louise, ga nu naar bed. Geef me een omslagdoek en laat me alleen.”
Louise was maar al te zeer bereid om te gehoorzamen.
Nadat de kamenier was vertrokken, trok Marguerite deovergordijnen weg en opende de ramen. Het park en de rivier baadden in een glans van rozigen schijn. In de verte naar het Oosten deden de stralen der opgaande zon het rood versmelten in vurig goud. Het grasperk lag nu verlaten en Marguerite zag neer op het terras, waar zij eenige oogenblikken te voren gestaan had, vergeefs trachtend de liefde te heroveren van den man, die haar eenmaal geheel had toebehoord.
Hoe vreemd kwam haar dat alles voor! Zij beminde hem nog steeds. En nu zij terugzag op de enkele maanden van elkaar niet begrijpen en haar verlatenheid, kwam ze tot de slotsom, dat ze nimmer had opgehouden hem lief te hebben, dat zij op den bodem van haar hart voortdurend een onbestemd gevoel had gekoesterd, dat zijn dwaze beuzelachtigheden, zijn niets zeggende lach, zijn lijzige onverschillige manieren niets dan een mom waren geweest; dat de werkelijke man, de krachtige, gepassionneerde, energieke Percy nog bestond—de man, dien zij bemind had, omdat altijd de gedachte haar bijbleef, dat achter die schijnbare onnoozelheid iets lag, dat hij verborgen hield voor de geheele wereld, voornamelijk voor hààr.
Beminde Marguerite Blakeney, de „schranderste vrouw in Europa,” werkelijk een dwaas? Was het liefde, die ze een jaar geleden voor hem had gevoeld, een jaar geleden, toen ze erin toestemde zijn vrouw te worden? Was het liefde, die ze thans voor hem gevoelde, nu ze tot het bewustzijn kwam, dat hij haar nog liefhad, doch haar slaaf niet wilde zijn, maar nogmaals haar hartstochtelijke minnaar? Neen! Marguerite zelf kon zich dat niet verklaren. Maar wel was zij zich bewust van haar voornemen om dat weerspannig hart weer haar eigendom te noemen, dat ze het weer eens zou veroveren, om het nimmermeer te verliezen... ze wilde hem vasthouden, zijn liefde verdienen en waard zijn. Het stond nu bij haar vast, dat zonder de liefde van dien man geen mogelijk geluk meer voor haar was weggelegd.
Ze had haar oogen gesloten en zonk door haar overpeinzingen in een onrustigen slaap, waaruit ze plotselingwerd gewekt door het geluid van voetstappen buiten de deur van haar vertrek.
Zenuwachtig sprong ze op en luisterde: in huis was alles stil als altijd; de voetstappen waren weggestorven. Door de wijd geopende vensters overstroomden de schitterende stralen der morgenzon haar kamer met verblindend licht. Zij zag naar de pendule op den schoorsteenmantel, de wijzer wees halfzes—te vroeg voor iemand der huisgenooten om reeds op den been te zijn.
Zachtjes op haar teenen sluipende opende ze de deur om te luisteren—geen geluid trof haar oor. Maar het leven had haar zenuwachtig gemaakt, en toen ze eensklaps, vóór haar voeten, op den drempel, iets wits zag liggen—blijkbaar een brief—durfde ze dien nauwelijks aan te raken.
Toch bukte zij zich ten slotte om hem op te nemen, en ten uiterste verbaasd, zag ze, dat de brief aan haar was geadresseerd, in het breede, zaakkundige handschrift van haar echtgenoot. Wat kon hij haar in het holste van den nacht hebben mee te deelen, dat niet tot het morgenuur kon worden uitgesteld?
Ze verbrak die enveloppe en las:
„Een geheel onvoorziene omstandigheid noodzaakt me onverwijld naar het Noorden te vertrekken. U zult mij dus excuseeren, dat ik u mondeling geen vaarwel kan zeggen. Mijn bezigheden kunnen mij een week nagenoeg in beslag nemen en ik moet mij dus het genoegen ontzeggen, Woensdag, a.s. op uw waterfeest tegenwoordig te zijn.Uw onderdanige en gehoorzame dienaar.Percy Blakeney.”
„Een geheel onvoorziene omstandigheid noodzaakt me onverwijld naar het Noorden te vertrekken. U zult mij dus excuseeren, dat ik u mondeling geen vaarwel kan zeggen. Mijn bezigheden kunnen mij een week nagenoeg in beslag nemen en ik moet mij dus het genoegen ontzeggen, Woensdag, a.s. op uw waterfeest tegenwoordig te zijn.
Uw onderdanige en gehoorzame dienaar.
Percy Blakeney.”
Marguerite moest deze weinige eenvoudige regelen lezen en herlezen, om ze geheel en al te kunnen begrijpen.
Ze stond bij de trapleuning dit kort en geheimzinnig briefje in haar hand om en om te keeren en gevoelde instinktmatig, dat er iets vreeselijks aan de hand was.
Ze wist, dat Sir Percy veel grondbezit in het Noorden had, dat hij vroeger dikwerf daar heen was gegaan en ereen acht dagen vertoefd had; maar vreemd wilde het haar voorkomen, dat er tusschen vijf en zes uur in den morgen omstandigheden waren opgedaagd, die hem noodzaakten tot zulk een haastig vertrek.
Ze sidderde van het hoofd tot de voeten. Eenonstuimigverlangen, haar echtgenoot, als hij niet was vertrokken, terstond weer te zien, greep haar aan.
Er niet aan denkend, dat zij slechts luchtig was gekleed en haar kapsel los over haar schouders hing, vloog ze de trappen af, recht door de vestibule naar de voordeur.
Deze was als naar gewoonte gegrendeld, want de bedienden, die binnenshuis woonden, waren nog niet beneden, doch haar scherp gehoor had het geluid vernomen van stemmen en het schrapen van een paardenhoef op de steenen.
Met bevende vingers nam Marguerite een voor een de grendels weg, haar nagels erbij bezeerend, want de sloten waren zwaar en stroef.
Eindelijk had ze de deur ontsloten. Haar gehoor had haar niet misleid. Een stalknecht stond in de nabijheid, een paar paarden vasthoudend; een dezer rossen was Sultan, Sir Percy’s geliefkoosde en snelbeenigste klepper, gezadeld voor een vliegenden rit.
Een oogenblik daarna kwam Sir Percy zelf haastig opdagen.
Marguerite deed eenige schreden vooruit. Hij keek op en kreeg haar in het oog. Hij fronste even zijn wenkbrauwen.
„Je gaat vertrekken?” zei ze haastig. „Waarheen, als ik vragen mag?”
„Zooals ik de eer had u te kennen te geven, roept een dringende, geheel onverwachte aangelegenheid mij dezen morgen naar het Noorden,” zei hij op zijn gewonen kouden, druiligen toon.
„Maar... uw gasten morgen...?”
„Ik heb milady verzocht Zijn Koninklijke Hoogheid mijn nederige excuses aan te bieden. U zijt zulk een volmaakte gastvrouw, dat men mij denkelijk niet zeer zal missen.”
„Maar gij kondt niettemin uw reis hebben uitgesteld... tot na ons waterpartijtje...” hernam zij haastig en zenuwachtig haar meening zeggend.” „Voorzeker is uw aangelegenheid niet van zulk een dringenden aard... daarenboven hebt gij er niets van gezegd.”
„Mijn aangelegenheid, Mevrouw, is, zooals ik de eer had u mede te deelen,even onverwacht als dringend... Mag ik u derhalve verlof vragen om te gaan... Kan ik ook iets voor u in de stad doen?... als ik terug kom, wel te verstaan?”
„Neen... neen... dank u... niets... Maar ge komt toch spoedig terug?”
„Heel spoedig.”
„Vóór het einde der week?”
„Dat weet ik niet.”
Hij legde het blijkbaar erop aan weg te komen, terwijl zij het mogelijke deed hem eenige oogenblikken op te houden.
„Percy,” zei ze, „wilt ge me niet zeggen, waarom ge vandaag gaat. Ik heb toch als uw vrouw het recht dit te weten. Gij zijtnietnaar het Noorden ontboden. Ik weet het. Er waren geen brieven noch koeriers van daar, voordat we gisteravond uit de opera kwamen en niets wachtte op u, toen we terugkwamen van het bal... Gij gaatnietnaar het Noorden, daar ben ik zeker van... Er bestaat een geheim... een...”
„Neen, een geheim bestaat er niet, Mevrouw,” antwoordde hij met een geringe beweging van ongeduld. „Mijn taak geldt Armand... zie daar! Heb ik nu verlof om te vertrekken?”
„Geldt Armand?... Maar ge zult toch geen gevaar loopen?”
„Gevaar? Ik?... Uw beangstheid strekt me tot eer. Zooals u zegt, bezit ik eenigen invloed; mijn doel is er gebruik van te maken, voordat het te laat is.”
„Wilt ge me veroorloven u ten minste dank te zeggen?”
„Mijn leven staat tot uw dienst en is reeds meer dan terugbetaald.”
„En het mijne, Sir Percy, behoort u, zoo ge het slechtswilt aanvaarden, in ruil voor hetgeen ge doet voor Armand,” sprak ze, beide handen hem toestekend.„Zie zoo! Ik wil u niet ophouden... mijn gedachten zijn met u... Vaarwel...”
Hoe angstvallig zag ze er uit in het zonlicht van dezen morgen, met haar haartooi zwierend over haar schouders. Hij boog zeer diep en kuste haar de hand, zij voelde den brandenden kus en haar hart trilde van vreugde en hoop.
Hij boog zeer diep en kuste haar de hand (pag. 97).Hij boog zeer diep en kuste haar de hand (pag. 97).
Hij boog zeer diep en kuste haar de hand (pag. 97).
„Ge komt toch terug?” zei ze vol teederheid.
„Zeer spoedig!” zei hij, met innig zielsverlangen haar in de blauwe oogen ziende.
„En... gij zult eraan denken?”... vroeg ze, toen haar oogen, in antwoord op zijn blik, hem een wereld van beloften in uitzicht gaven.
„Ik zal steeds indachtig zijn, Mevrouw, dat ge me de eer aandeedt mijn diensten te begeeren.”
Zijn woorden waren koud en formeel, maar deden haar ditmaal niet ijzig aan.
Hij boog andermaal en verzocht haar toen verlof te vertrekken. Zij ging terzijde, terwijl hij Sultan besteeg, en toen hij het hek uit galoppeerde, wuifde zij hem een laatst „Vaarwel!” toe.
Een kromming van den weg onttrok hem weldra aan haar gezicht, zijn vertrouwde lijfknecht had moeite hem bij te houden, want Sultan vloog over de heerbaan, als een pijl uit den boog. Marguerite keerde zich om, met een zucht, waarin hoop lag besloten, en zij ging het huis binnen. Zij haastte zich naar haar kamer, want opeens voelde zij, als een vermoeid kind, zich tot slapen geneigd.
Zij ontwaarde geen angst meer omtrent Armand. De man, die zoo juist was weggereden, besloten om haar broeder te redden, boezemde haar een volmaakt vertrouwen in op zijn kracht en vermogen. Zij stond verbaasd over zichzelf, hem ooit te hebben aangezien voor een beuzeligen idioot, maar het was een mom, dat hij droeg om de gruwelijke wonde te verbergen, die zij zijn liefde had geslagen.
Maar nu zou alles goed gaan: ze zou hem alles meedeelen, hem in alles vertrouwen. De gelukkige dagenmoesten wederkeeren, toen ze gewoon waren te dolen in het bosch van Fontainebleau, toen ze weinig woorden wisselden—want hij was altijd een zwijgend man—maar steeds gevoelde ze, dat ze aan zijn hart voortdurend rust en geluk zou kunnen vinden.
Ze achtte zich thans bijna gelukkig, en de gordijnen dicht bij elkaar trekkend, om het al te onbescheiden zonlicht uit te sluiten, begaf zij zich eindelijk ter ruste en viel weldra, als een vermoeid kind, in een kalmen en droomloozen slaap.