ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.De hut van Vader Blanchard.Als in een droom volgde Marguerite den stoet; het net werd ieder oogenblik nauwer toegehaald. Het eenige wat haar nu voor oogen zweefde, was haren echtgenoot weer te zien, hem te zeggen, wat ze had geleden, wat zij had misdaan en hoe zeer zij hem had miskend. Alle hoop hem te redden, had ze laten varen.Het verwijderd geruisch der branding deed haar sidderen, de rauwe schreeuw van een nachtvogel vervulde haar met onuitsprekelijken angst.Haar voeten veroorzaakten haar pijn. Haar knieën knikten van vermoeienis. In drie nachten had ze geen rust genoten. Ze had nu ongeveer twee volle uren zich voortgesleept op een ongebaand pad, en toch wankelde zij geen oogenblik in haar vast besluit. Zij wilde Percy ontmoeten, hem alles zeggen, en zoo hij bereid was haar vergeving te schenken voor het wanbedrijf, dat ze in blinde onwetendheid had begaan, zou zij zich toch gelukkig gevoelen aan zijn zijde te sterven.Plotseling, als bij ingeving, gevoelde ze, dat de wagen stilstond en de soldaten met het afzetten der geweren halt maakten. Zij hadden hun bestemming bereikt. Geen twijfel of rechts af, dicht in haar nabijheid, lag het voetpad, dat leidde naar den rand van het rif—en naar de hut.Het gevaar niet achtend, kroop ze dicht naar de plek, waar Chauvelin stond, omringd door zijn kleinen troep; hij was van de kar gestegen en deelde eenige orders aan de manschappen uit.De plaats, waar zij halt hielden, moest zoowat een honderd meter van de kust verwijderd zijn, het geraas der branding liet zich op eenigen afstand hooren. Chauvelin en Desgas, gevolgd door de soldaten, hadden een scherpen hoek gemaakt, rechtsaf van den weg, waarschijnlijk naar het voetpad, dat naar de klippen leidde. De Jood was met kar en paard op den breeden weg blijven staan.Met uiterste behoedzaamheid, letterlijk op handen en voeten kruipend, was Marguerite ook rechtsaf geslagen. Om dit te doen, moest zij zich een weg banen door het doornig struikgewas, zich moeite gevend niet het minste gerucht te maken, een poging, waarbij ze aan gezicht en handen geen kwetsuren kon vermijden. Gelukkig was—zooals het in dit gedeelte van Frankrijk voorkomt—het voetpad aan beide zijden met een heg omzoomd, waarachter een droge sloot. Daarin hield Marguerite zich schuil, aan alle bespiedende blikken onttrokken, zoodoende gelukte het haar tot op drie meter afstand de plek te naderen, waar Chauvelin zich bevond, bezig met instructies aan zijn trawanten uit te deelen.„En nu,”—sprak hij op zachten, maar niet minder gebiedenden toon—„zeg me nu eens, wààr is de hut van Vader Blanchard?”„Zoo wat een achthonderd meter van hier, langs het voetpad,” antwoordde de korporaal, die hetpelotonhad aangevoerd, „ze ligt halfweg, hier beneden het rif afloopend.”„Heel goed. Jij zult ons geleiden. Alvorens wij afdalen, kruip jij naar de hut, zoo stil als een slang kan schuifelen,en ga je na, of die Koningsgezinde verraders erin zijn. Begrepen?”„Ik begrijp het, burger.”„Luistert nu allen goed,” ging Chauvelin voort, tot de gezamenlijke soldaten het woord richtend, „want hierna zullen we geen gelegenheid meer hebben van gedachten te wisselen, let dus op ieder van mijn woorden, alsof jelui leven ermee gemoeid is, wat je geheugen betreft. En dat zou wel eens het geval kunnen zijn,” voegde hij er droogjes bij.„Wij luisteren aandachtig, burger,” zei Desgas, „een soldaat der Republiek vergeet nooit een gegeven bevel.”„Jij, die voortkruipt tot aan de hut, moet trachten goed erin te gluren. Als de Engelschman er is met die verraders, een kerel lang als een boonenstaak, of zoo een, die bukt om zijn lengte te verbergen, dan fluit je scherp, als een signaal voor je kameraden. Jelui met zijn allen,” ging hij voort, de soldaten gezamenlijk weer toesprekend, „snelt de hut in en ieder grijpt zijn man aan, voordat een ervan den tijd heeft een schot te lossen, of zich te weer te stellen; zoo een het al doet, dan schiet je hem in beenen of arm, maar den langen kerel zul je bij alle duivels! niet het licht uitblazen. Verstaan jelui me goed?”„We verstaan, burger.”„De vent is waarschijnlijk heel sterk, er zullen wel vier of vijf man van jelui minstens noodig zijn om hem de baas te worden.”Er ontstond een kleine pauze. Chauvelin vervolgde:„Zoo de royalisten nog zonder hun leider zijn, wat hoogst waarschijnlijk het geval zal wezen, dan waarschuw jij je kameraden, die op den loer liggen en jelui verschuilt je met je allen achter de rotsen om de hut. Je wacht daar in doodsche stilte den langen slungel van een Engelschman af; dan val je gezamenlijk op de hut aan, maar niet, voordat de kerel goed en wel er binnen is. Denkt er vooral wel om, dat jelui stil moet te werk gaan, als de wolf, die ’s nachts een schaapskooi binnensluipt. Het afvuren van een pistool, een schreeuw of iets van dien aard, zou een waarschuwing zijn voor het langeheerschap, om de klippen en de hut te mijden, en”—voegde hij er met nadruk bij—„het is jelui plicht den rijzigen Engelschman vannacht een been te lichten.”„U zult stipt gehoorzaamd worden, burger.”„Gaat nu zoo stil mogelijk aan jelui werk, ik volg in de achterhoede.”„Wat moet er met den Jood, burger?” vroeg Desgas, toen de soldaten één voor één, zwijgend als schimmen, langs het hobbelig, eng voetpad begonnen te kruipen.„Dat is waar ook! Ik zou den Jood heelemaal vergeten,” zei Chauvelin, en zich in de richting wendend waar deze nog altijd stond:„Hei daar...” riep hij... „Aaron, Mozes, Abraham, of hoe je vervloekte naam moge luiden... waar ben je?”„Benjamin Rosenbaum, Edelachtbare... Benjamin Rosenbaum,” herhaalde de oude man in allen deemoed.„Het is me minder aangenaam je geluid te hooren, maar wel heb ik je eenige wenken te geven, die je wel zoo verstandig zijn zult blindelings op te volgen.”„Al naar het UEdelachtbare behaagt...”„Hou je brabbeltaal voor je. Je blijft hier staan, hoor je? met kar en paard tot we terugkomen. Geen kik of mik zul je geven, versta je? En ook ga je niet van je plaats, tenzij ik je verlof geef. Heb je me begrepen?”„Maar Edelachtbare—” protesteerde de Jood erbarmlijk.„Geen kwestie van „maren” of argumenteeren,” zei Chauvelin op een toon, die den stakker deed sidderen van het hoofd tot de voeten. „Als ik bij mijn terugkomst je niet hier vind, ik verzeker je, dat, waar je ook schuilvinkje mocht spelen, ik je toch zal snappen en een parate executie je deel zal zijn. Je hebt me verstaan?”„Maar Excellentie...”„Ik vraag of je me verstaan hebt!”De soldaten waren allen weggekropen; de drie mannen stonden alleen op den donkeren eenzamen weg. Marguerite bevond zich tusschen het struikgewas, luisterend naar Chauvelin’s bevelen, die haar als een doodvonnis in de ooren klonken.„Ik heb UEdelachtbare verstaan,” protesteerde de Jood,opnieuw een poging doende Chauvelin wat dichter te naderen, „en ik zweer bij Abraham, Izaak en Jacob, dat ik de bevelen van UEdelachtbare stipt zal opvolgen... maar als er nu eens roovers komen zwerven op dezen eenzamen weg, die... dan zou het kunnen gebeuren, dat ik moet schreeuwen of wegloopen in mijn angst. Moet er dan een vreeselijke straf over mij komen voor iets, dat ik niet kan beletten?”Chauvelin dacht een oogenblik na.„Denk je, dat je paard en kar hier veilig alleen kunnen staan?” vroeg hij barsch.„Ik geloof, burger,” bracht Desgas in het midden, „dat ze zonder hem veiliger zullen zijn.”„Maar wat moet ik met dien ezel dan uitvoeren?”„Zoudt u hem maar niet naar Calais terugsturen, burger?”„Neen, want we zullen hem noodig hebben om straks de gekwetsten te vervoeren,” zei Chauvelin met grimmigen grijns.Andermaal een pauze—Desgas het besluit afwachtend van zijn chef, de oude Jood jammerend naast zijn versleten knol.„Komaan, sloomig, laf, oud wammes,” zei Chauvelin ten laatste, „je moet maar achter ons aansloffen. Hier, burger Desgas, bind den kerel dezen zakdoek stevig voor den mond.”Desgas deed zooals hem werd bevolen. Als een lam, dat ter slachtbank wordt geleid, liet Benjamin Rosenbaum zich muilbanden; het had er veel van, of hij aan deze minder aangename positie den voorkeur gaf boven het alleen achter blijven op den donkeren, eenzamen St. Martinsweg. Kort daarop liep het trio achter elkaar aan.De veerkrachtige stap van Chauvelin en zijn handlanger, zoowel als het schoorvoetend geslof van den Jood, loste zich weldra op in de stilte van den nacht.Geen enkel woord van Chauvelin’s tirannieke bevelen was Marguerite ontgaan.Schrikkelijk kwam dit net haar voor, zooals het gespannen werd in een cirkel, in het holst van den nacht aan het eenzame zeestrand, om eenige weerlooze menschen,weerloos, omdat zij op niets verdacht waren; en onder dezen was één haar echtgenoot, de ander haar broeder!Voor het oogenblik schoot haar niets anders over dan Chauvelin en diens soldaten te volgen. Zoo ze niet vreesde op een dwaalweg te geraken, ze zou vooruit gesneld zijn, de houten hut hebben gevonden en misschien bijtijds zijn gekomen, om de vluchtelingen en hun onversaagden beschermer uit de klauwen van een bloeddorstig roofdier te redden.Een oogenblik kwam de gedachte bij haar op, de doordringende kreten te uiten, door Chauvelin zoo gevreesd, als een mogelijke waarschuwing voor den Rooden Pimpernel en zijn vrienden—zich vleiend met de hersenschimmige hoop, dat zij dien noodkreet zouden hooren en nog tijd konden hebben om te ontsnappen, voor het te laat was. Maar zij wist niet, hoe ver zij zich nog bevond van den rand der klip; zij kon niet nagaan, of haar kreten zouden doordringen tot hen, die ten doode waren opgeschreven. Men zou ook háár den mond stoppen, evenals den Jood, om als weerlooze gevangene, verraderes der ééne en ondeelbare Republiek te worden meegesleept.Zij had zich ontdaan van haar schoeisel, haar kousen hingen aan flarden, maar geen pijn gevoelde ze, geen moedeloosheid maakte zich van haar meester; een onverzettelijke wil, om, in weerwil van een listigen tegenstander tot haren echtgenoot te geraken, maakte haar gevoelloos voor iedere lichamelijke smart, verhoogde het bewustzijn van haar heerlijken plicht.Niets trof haar oor, behalve de zachte en afgemeten voetstappen van Percy’s vijanden vóór haar uit; haar geestesoog ontwaarde niets anders dan de houten eenzame hut, waarheen Blakeney op dit oogenblik zijn schreden richtte en zijn verderf tegemoet liep.Plotseling kwam de maan, die tot dusver, door achter een wolkenmassa verscholen te blijven, haar toeleg had begunstigd, in al den luister van een koelen herfstnacht te voorschijn en deed het eenzame landschap baden in een glans van schitterend licht.Daar ginds op nog geen tweehonderd meters afstand,bevond zich de rand der klip, en daar beneden, naar het vrije en gelukkige Engeland haar golven stuwend, rolde plechtstatig en kalm de zee.Een oogenblik rustten Marguerite’s blikken op het flikkerend zilveren water, en heete tranen ontwelden aan haar oogen; geen drie mijlen verder, zijn hagelwitte zeilen bijgezet, wiegelde een bevallige schoener op de deining, de vervolgden afwachtend aan zijn gastvrij boord.Dat was deDay Dream, Percy’s geliefkoosd jacht, met den ouden Briggs, zijn kapitein, en de heele bemanning, alle Britsche matrozen; zijn blanke zeilen glinsterden in het maanlicht en schenen Marguerite een boodschap te verkonden van blijdschap en hoop, maar zij vreesde, dat die nooit meer in vervulling kon gaan.Het gezicht van den schoener scheen de arme, afgetobde vrouw de bovenmenschelijke kracht te schenken, die de wanhoop soms kan verleenen. Zij zag den rand van het rif, daaronder de hut, waar haar echtgenoot den dood zou vinden. Doch de maan stond nu aan den hemel, bij haar schijnsel kon ze den weg wel vinden, zij zou naar de hut toesnellen, hen waarschuwen zich gereed te houden, hun leven liever duur te verkoopen, dan zich als ratten in een val te laten vangen.Hortend en stootend snelde ze voort achter de heg, door het welig gras van de sloot. Ze moest al heel hard hebben geloopen, want ze had Chauvelin en Desgas achter zich gelaten en was nu den rand genaderd van de rots; duidelijk klonken de voetstappen der soldaten achter haar. Het maanlicht bescheen haar nu ten volle, haar gestalte stak duidelijk af tegen den zilveren achtergrond der zee.Maar dit was slechts voor een oogenblik; ze hurkte aanstonds neer; als een egel, die zich oprolt bij naderend gevaar, trachtte zij zich onzichtbaar te maken. Van de groote riffen keek ze naar de diepte—het afdalen zou wel geen bezwaar opleveren, daar ze niet steil waren en de ontzaglijke steenblokken een steun boden voor den voet. Opeens, terwijl ze rondgluurde, zag ze op eenigen afstand linksaf, halverwege beneden de klippen, een ruwehouten stulp, door welker zijwanden een klein rood lichtje schemerde als een sein. Haar hart scheen stil te staan.Zonder aarzelen begon ze af te dalen, voortkruipend van blok tot blok, zich niet bekreunend om de vijanden achter haar, die waarschijnlijk allen zich verdekt hadden opgesteld, nu de rijzige Engelschman nog niet was opgedaagd.Voort bleef ze kruipen, den doodsvijand, die haar op de hielen zat, vergetend, nu eens loopend, dan struikelend, met pijnlijk gekwetste voeten, half verdoofd van zinnen, maar altijd voort... toen plotseling, een steen of afglijdend rotsblok haar geweldig deed neertuimelen. Met moeite richtte zij zich weer op, snelde andermaal voort, om hun een tijdige waarschuwing te brengen, hun te smeeken ijlings de vlucht te nemen vóór zijn door hen verbeide komst, en hem te verstaan te geven zijn doodvonnis niet te gemoet te gaan. Maar nu bemerkte ze, dat andere voetstappen, sneller dan de hare, haar dicht op de hielen zaten. In het volgend oogenblik voelde ze, dat een hand haar rok vastgreep en ze plofte op haar knieën, terwijl iets om haren mond werd gewonden, ten einde haar te beletten een kreet te uiten.Half dolzinnig door de bittere teleurstelling, zag ze hulpeloos om zich heen, en door het nevelig waas, dat haar oogen omfloerste, bespeurde ze een paar scherpe oogen, die haar aanstaarden.Zij lag in de schaduw van een rotsblok; Chauvelin kon haar gelaatstrekken niet onderscheiden, maar hij streek met zijn dunne bloedlooze vingers over haar gelaat.„Een vrouw!” fluisterde hij, „bij Gods alle lieve Heiligen! We kunnen haar niet hier laten, dat is zeker,” mompelde hij bij zichzelf. „Het zal me benieuwen...”Hij zweeg plotseling, en na eenige seconden van doodelijke stilte gaf een eigenaardig geluid tusschen zijn tanden een bijzondere tevredenheid met een mengeling van verbazing te kennen.„Neen maar, neen, neen, dat is nu waarlijk een onverhoopte verrassing!” en in hetzelfde oogenblik voelde Marguerite dat hare hand, die geen weerstand kon bieden, door Chauvelin naar zijn lippen werd gebracht.Zij verloor het bewustzijn; bijna stikkend onder het hevig verband om haren mond, bezat ze geen kracht om zich te bewegen of eenig geluid te kunnen uitbrengen.Chauvelin scheen eenige aanwijzing te hebben gegeven, die zij niet bij machte was te vernemen, want zij voelde, dat men haar optilde, nadat de doek voor haar mond steviger was aangetrokken, en een paar krachtige armen haar heenvoerden naar het zwakke roode seinlicht, dat zooeven nog voor haar de laatste schemering van hoop had uitgemaakt.
ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.De hut van Vader Blanchard.Als in een droom volgde Marguerite den stoet; het net werd ieder oogenblik nauwer toegehaald. Het eenige wat haar nu voor oogen zweefde, was haren echtgenoot weer te zien, hem te zeggen, wat ze had geleden, wat zij had misdaan en hoe zeer zij hem had miskend. Alle hoop hem te redden, had ze laten varen.Het verwijderd geruisch der branding deed haar sidderen, de rauwe schreeuw van een nachtvogel vervulde haar met onuitsprekelijken angst.Haar voeten veroorzaakten haar pijn. Haar knieën knikten van vermoeienis. In drie nachten had ze geen rust genoten. Ze had nu ongeveer twee volle uren zich voortgesleept op een ongebaand pad, en toch wankelde zij geen oogenblik in haar vast besluit. Zij wilde Percy ontmoeten, hem alles zeggen, en zoo hij bereid was haar vergeving te schenken voor het wanbedrijf, dat ze in blinde onwetendheid had begaan, zou zij zich toch gelukkig gevoelen aan zijn zijde te sterven.Plotseling, als bij ingeving, gevoelde ze, dat de wagen stilstond en de soldaten met het afzetten der geweren halt maakten. Zij hadden hun bestemming bereikt. Geen twijfel of rechts af, dicht in haar nabijheid, lag het voetpad, dat leidde naar den rand van het rif—en naar de hut.Het gevaar niet achtend, kroop ze dicht naar de plek, waar Chauvelin stond, omringd door zijn kleinen troep; hij was van de kar gestegen en deelde eenige orders aan de manschappen uit.De plaats, waar zij halt hielden, moest zoowat een honderd meter van de kust verwijderd zijn, het geraas der branding liet zich op eenigen afstand hooren. Chauvelin en Desgas, gevolgd door de soldaten, hadden een scherpen hoek gemaakt, rechtsaf van den weg, waarschijnlijk naar het voetpad, dat naar de klippen leidde. De Jood was met kar en paard op den breeden weg blijven staan.Met uiterste behoedzaamheid, letterlijk op handen en voeten kruipend, was Marguerite ook rechtsaf geslagen. Om dit te doen, moest zij zich een weg banen door het doornig struikgewas, zich moeite gevend niet het minste gerucht te maken, een poging, waarbij ze aan gezicht en handen geen kwetsuren kon vermijden. Gelukkig was—zooals het in dit gedeelte van Frankrijk voorkomt—het voetpad aan beide zijden met een heg omzoomd, waarachter een droge sloot. Daarin hield Marguerite zich schuil, aan alle bespiedende blikken onttrokken, zoodoende gelukte het haar tot op drie meter afstand de plek te naderen, waar Chauvelin zich bevond, bezig met instructies aan zijn trawanten uit te deelen.„En nu,”—sprak hij op zachten, maar niet minder gebiedenden toon—„zeg me nu eens, wààr is de hut van Vader Blanchard?”„Zoo wat een achthonderd meter van hier, langs het voetpad,” antwoordde de korporaal, die hetpelotonhad aangevoerd, „ze ligt halfweg, hier beneden het rif afloopend.”„Heel goed. Jij zult ons geleiden. Alvorens wij afdalen, kruip jij naar de hut, zoo stil als een slang kan schuifelen,en ga je na, of die Koningsgezinde verraders erin zijn. Begrepen?”„Ik begrijp het, burger.”„Luistert nu allen goed,” ging Chauvelin voort, tot de gezamenlijke soldaten het woord richtend, „want hierna zullen we geen gelegenheid meer hebben van gedachten te wisselen, let dus op ieder van mijn woorden, alsof jelui leven ermee gemoeid is, wat je geheugen betreft. En dat zou wel eens het geval kunnen zijn,” voegde hij er droogjes bij.„Wij luisteren aandachtig, burger,” zei Desgas, „een soldaat der Republiek vergeet nooit een gegeven bevel.”„Jij, die voortkruipt tot aan de hut, moet trachten goed erin te gluren. Als de Engelschman er is met die verraders, een kerel lang als een boonenstaak, of zoo een, die bukt om zijn lengte te verbergen, dan fluit je scherp, als een signaal voor je kameraden. Jelui met zijn allen,” ging hij voort, de soldaten gezamenlijk weer toesprekend, „snelt de hut in en ieder grijpt zijn man aan, voordat een ervan den tijd heeft een schot te lossen, of zich te weer te stellen; zoo een het al doet, dan schiet je hem in beenen of arm, maar den langen kerel zul je bij alle duivels! niet het licht uitblazen. Verstaan jelui me goed?”„We verstaan, burger.”„De vent is waarschijnlijk heel sterk, er zullen wel vier of vijf man van jelui minstens noodig zijn om hem de baas te worden.”Er ontstond een kleine pauze. Chauvelin vervolgde:„Zoo de royalisten nog zonder hun leider zijn, wat hoogst waarschijnlijk het geval zal wezen, dan waarschuw jij je kameraden, die op den loer liggen en jelui verschuilt je met je allen achter de rotsen om de hut. Je wacht daar in doodsche stilte den langen slungel van een Engelschman af; dan val je gezamenlijk op de hut aan, maar niet, voordat de kerel goed en wel er binnen is. Denkt er vooral wel om, dat jelui stil moet te werk gaan, als de wolf, die ’s nachts een schaapskooi binnensluipt. Het afvuren van een pistool, een schreeuw of iets van dien aard, zou een waarschuwing zijn voor het langeheerschap, om de klippen en de hut te mijden, en”—voegde hij er met nadruk bij—„het is jelui plicht den rijzigen Engelschman vannacht een been te lichten.”„U zult stipt gehoorzaamd worden, burger.”„Gaat nu zoo stil mogelijk aan jelui werk, ik volg in de achterhoede.”„Wat moet er met den Jood, burger?” vroeg Desgas, toen de soldaten één voor één, zwijgend als schimmen, langs het hobbelig, eng voetpad begonnen te kruipen.„Dat is waar ook! Ik zou den Jood heelemaal vergeten,” zei Chauvelin, en zich in de richting wendend waar deze nog altijd stond:„Hei daar...” riep hij... „Aaron, Mozes, Abraham, of hoe je vervloekte naam moge luiden... waar ben je?”„Benjamin Rosenbaum, Edelachtbare... Benjamin Rosenbaum,” herhaalde de oude man in allen deemoed.„Het is me minder aangenaam je geluid te hooren, maar wel heb ik je eenige wenken te geven, die je wel zoo verstandig zijn zult blindelings op te volgen.”„Al naar het UEdelachtbare behaagt...”„Hou je brabbeltaal voor je. Je blijft hier staan, hoor je? met kar en paard tot we terugkomen. Geen kik of mik zul je geven, versta je? En ook ga je niet van je plaats, tenzij ik je verlof geef. Heb je me begrepen?”„Maar Edelachtbare—” protesteerde de Jood erbarmlijk.„Geen kwestie van „maren” of argumenteeren,” zei Chauvelin op een toon, die den stakker deed sidderen van het hoofd tot de voeten. „Als ik bij mijn terugkomst je niet hier vind, ik verzeker je, dat, waar je ook schuilvinkje mocht spelen, ik je toch zal snappen en een parate executie je deel zal zijn. Je hebt me verstaan?”„Maar Excellentie...”„Ik vraag of je me verstaan hebt!”De soldaten waren allen weggekropen; de drie mannen stonden alleen op den donkeren eenzamen weg. Marguerite bevond zich tusschen het struikgewas, luisterend naar Chauvelin’s bevelen, die haar als een doodvonnis in de ooren klonken.„Ik heb UEdelachtbare verstaan,” protesteerde de Jood,opnieuw een poging doende Chauvelin wat dichter te naderen, „en ik zweer bij Abraham, Izaak en Jacob, dat ik de bevelen van UEdelachtbare stipt zal opvolgen... maar als er nu eens roovers komen zwerven op dezen eenzamen weg, die... dan zou het kunnen gebeuren, dat ik moet schreeuwen of wegloopen in mijn angst. Moet er dan een vreeselijke straf over mij komen voor iets, dat ik niet kan beletten?”Chauvelin dacht een oogenblik na.„Denk je, dat je paard en kar hier veilig alleen kunnen staan?” vroeg hij barsch.„Ik geloof, burger,” bracht Desgas in het midden, „dat ze zonder hem veiliger zullen zijn.”„Maar wat moet ik met dien ezel dan uitvoeren?”„Zoudt u hem maar niet naar Calais terugsturen, burger?”„Neen, want we zullen hem noodig hebben om straks de gekwetsten te vervoeren,” zei Chauvelin met grimmigen grijns.Andermaal een pauze—Desgas het besluit afwachtend van zijn chef, de oude Jood jammerend naast zijn versleten knol.„Komaan, sloomig, laf, oud wammes,” zei Chauvelin ten laatste, „je moet maar achter ons aansloffen. Hier, burger Desgas, bind den kerel dezen zakdoek stevig voor den mond.”Desgas deed zooals hem werd bevolen. Als een lam, dat ter slachtbank wordt geleid, liet Benjamin Rosenbaum zich muilbanden; het had er veel van, of hij aan deze minder aangename positie den voorkeur gaf boven het alleen achter blijven op den donkeren, eenzamen St. Martinsweg. Kort daarop liep het trio achter elkaar aan.De veerkrachtige stap van Chauvelin en zijn handlanger, zoowel als het schoorvoetend geslof van den Jood, loste zich weldra op in de stilte van den nacht.Geen enkel woord van Chauvelin’s tirannieke bevelen was Marguerite ontgaan.Schrikkelijk kwam dit net haar voor, zooals het gespannen werd in een cirkel, in het holst van den nacht aan het eenzame zeestrand, om eenige weerlooze menschen,weerloos, omdat zij op niets verdacht waren; en onder dezen was één haar echtgenoot, de ander haar broeder!Voor het oogenblik schoot haar niets anders over dan Chauvelin en diens soldaten te volgen. Zoo ze niet vreesde op een dwaalweg te geraken, ze zou vooruit gesneld zijn, de houten hut hebben gevonden en misschien bijtijds zijn gekomen, om de vluchtelingen en hun onversaagden beschermer uit de klauwen van een bloeddorstig roofdier te redden.Een oogenblik kwam de gedachte bij haar op, de doordringende kreten te uiten, door Chauvelin zoo gevreesd, als een mogelijke waarschuwing voor den Rooden Pimpernel en zijn vrienden—zich vleiend met de hersenschimmige hoop, dat zij dien noodkreet zouden hooren en nog tijd konden hebben om te ontsnappen, voor het te laat was. Maar zij wist niet, hoe ver zij zich nog bevond van den rand der klip; zij kon niet nagaan, of haar kreten zouden doordringen tot hen, die ten doode waren opgeschreven. Men zou ook háár den mond stoppen, evenals den Jood, om als weerlooze gevangene, verraderes der ééne en ondeelbare Republiek te worden meegesleept.Zij had zich ontdaan van haar schoeisel, haar kousen hingen aan flarden, maar geen pijn gevoelde ze, geen moedeloosheid maakte zich van haar meester; een onverzettelijke wil, om, in weerwil van een listigen tegenstander tot haren echtgenoot te geraken, maakte haar gevoelloos voor iedere lichamelijke smart, verhoogde het bewustzijn van haar heerlijken plicht.Niets trof haar oor, behalve de zachte en afgemeten voetstappen van Percy’s vijanden vóór haar uit; haar geestesoog ontwaarde niets anders dan de houten eenzame hut, waarheen Blakeney op dit oogenblik zijn schreden richtte en zijn verderf tegemoet liep.Plotseling kwam de maan, die tot dusver, door achter een wolkenmassa verscholen te blijven, haar toeleg had begunstigd, in al den luister van een koelen herfstnacht te voorschijn en deed het eenzame landschap baden in een glans van schitterend licht.Daar ginds op nog geen tweehonderd meters afstand,bevond zich de rand der klip, en daar beneden, naar het vrije en gelukkige Engeland haar golven stuwend, rolde plechtstatig en kalm de zee.Een oogenblik rustten Marguerite’s blikken op het flikkerend zilveren water, en heete tranen ontwelden aan haar oogen; geen drie mijlen verder, zijn hagelwitte zeilen bijgezet, wiegelde een bevallige schoener op de deining, de vervolgden afwachtend aan zijn gastvrij boord.Dat was deDay Dream, Percy’s geliefkoosd jacht, met den ouden Briggs, zijn kapitein, en de heele bemanning, alle Britsche matrozen; zijn blanke zeilen glinsterden in het maanlicht en schenen Marguerite een boodschap te verkonden van blijdschap en hoop, maar zij vreesde, dat die nooit meer in vervulling kon gaan.Het gezicht van den schoener scheen de arme, afgetobde vrouw de bovenmenschelijke kracht te schenken, die de wanhoop soms kan verleenen. Zij zag den rand van het rif, daaronder de hut, waar haar echtgenoot den dood zou vinden. Doch de maan stond nu aan den hemel, bij haar schijnsel kon ze den weg wel vinden, zij zou naar de hut toesnellen, hen waarschuwen zich gereed te houden, hun leven liever duur te verkoopen, dan zich als ratten in een val te laten vangen.Hortend en stootend snelde ze voort achter de heg, door het welig gras van de sloot. Ze moest al heel hard hebben geloopen, want ze had Chauvelin en Desgas achter zich gelaten en was nu den rand genaderd van de rots; duidelijk klonken de voetstappen der soldaten achter haar. Het maanlicht bescheen haar nu ten volle, haar gestalte stak duidelijk af tegen den zilveren achtergrond der zee.Maar dit was slechts voor een oogenblik; ze hurkte aanstonds neer; als een egel, die zich oprolt bij naderend gevaar, trachtte zij zich onzichtbaar te maken. Van de groote riffen keek ze naar de diepte—het afdalen zou wel geen bezwaar opleveren, daar ze niet steil waren en de ontzaglijke steenblokken een steun boden voor den voet. Opeens, terwijl ze rondgluurde, zag ze op eenigen afstand linksaf, halverwege beneden de klippen, een ruwehouten stulp, door welker zijwanden een klein rood lichtje schemerde als een sein. Haar hart scheen stil te staan.Zonder aarzelen begon ze af te dalen, voortkruipend van blok tot blok, zich niet bekreunend om de vijanden achter haar, die waarschijnlijk allen zich verdekt hadden opgesteld, nu de rijzige Engelschman nog niet was opgedaagd.Voort bleef ze kruipen, den doodsvijand, die haar op de hielen zat, vergetend, nu eens loopend, dan struikelend, met pijnlijk gekwetste voeten, half verdoofd van zinnen, maar altijd voort... toen plotseling, een steen of afglijdend rotsblok haar geweldig deed neertuimelen. Met moeite richtte zij zich weer op, snelde andermaal voort, om hun een tijdige waarschuwing te brengen, hun te smeeken ijlings de vlucht te nemen vóór zijn door hen verbeide komst, en hem te verstaan te geven zijn doodvonnis niet te gemoet te gaan. Maar nu bemerkte ze, dat andere voetstappen, sneller dan de hare, haar dicht op de hielen zaten. In het volgend oogenblik voelde ze, dat een hand haar rok vastgreep en ze plofte op haar knieën, terwijl iets om haren mond werd gewonden, ten einde haar te beletten een kreet te uiten.Half dolzinnig door de bittere teleurstelling, zag ze hulpeloos om zich heen, en door het nevelig waas, dat haar oogen omfloerste, bespeurde ze een paar scherpe oogen, die haar aanstaarden.Zij lag in de schaduw van een rotsblok; Chauvelin kon haar gelaatstrekken niet onderscheiden, maar hij streek met zijn dunne bloedlooze vingers over haar gelaat.„Een vrouw!” fluisterde hij, „bij Gods alle lieve Heiligen! We kunnen haar niet hier laten, dat is zeker,” mompelde hij bij zichzelf. „Het zal me benieuwen...”Hij zweeg plotseling, en na eenige seconden van doodelijke stilte gaf een eigenaardig geluid tusschen zijn tanden een bijzondere tevredenheid met een mengeling van verbazing te kennen.„Neen maar, neen, neen, dat is nu waarlijk een onverhoopte verrassing!” en in hetzelfde oogenblik voelde Marguerite dat hare hand, die geen weerstand kon bieden, door Chauvelin naar zijn lippen werd gebracht.Zij verloor het bewustzijn; bijna stikkend onder het hevig verband om haren mond, bezat ze geen kracht om zich te bewegen of eenig geluid te kunnen uitbrengen.Chauvelin scheen eenige aanwijzing te hebben gegeven, die zij niet bij machte was te vernemen, want zij voelde, dat men haar optilde, nadat de doek voor haar mond steviger was aangetrokken, en een paar krachtige armen haar heenvoerden naar het zwakke roode seinlicht, dat zooeven nog voor haar de laatste schemering van hoop had uitgemaakt.
ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.De hut van Vader Blanchard.
Als in een droom volgde Marguerite den stoet; het net werd ieder oogenblik nauwer toegehaald. Het eenige wat haar nu voor oogen zweefde, was haren echtgenoot weer te zien, hem te zeggen, wat ze had geleden, wat zij had misdaan en hoe zeer zij hem had miskend. Alle hoop hem te redden, had ze laten varen.Het verwijderd geruisch der branding deed haar sidderen, de rauwe schreeuw van een nachtvogel vervulde haar met onuitsprekelijken angst.Haar voeten veroorzaakten haar pijn. Haar knieën knikten van vermoeienis. In drie nachten had ze geen rust genoten. Ze had nu ongeveer twee volle uren zich voortgesleept op een ongebaand pad, en toch wankelde zij geen oogenblik in haar vast besluit. Zij wilde Percy ontmoeten, hem alles zeggen, en zoo hij bereid was haar vergeving te schenken voor het wanbedrijf, dat ze in blinde onwetendheid had begaan, zou zij zich toch gelukkig gevoelen aan zijn zijde te sterven.Plotseling, als bij ingeving, gevoelde ze, dat de wagen stilstond en de soldaten met het afzetten der geweren halt maakten. Zij hadden hun bestemming bereikt. Geen twijfel of rechts af, dicht in haar nabijheid, lag het voetpad, dat leidde naar den rand van het rif—en naar de hut.Het gevaar niet achtend, kroop ze dicht naar de plek, waar Chauvelin stond, omringd door zijn kleinen troep; hij was van de kar gestegen en deelde eenige orders aan de manschappen uit.De plaats, waar zij halt hielden, moest zoowat een honderd meter van de kust verwijderd zijn, het geraas der branding liet zich op eenigen afstand hooren. Chauvelin en Desgas, gevolgd door de soldaten, hadden een scherpen hoek gemaakt, rechtsaf van den weg, waarschijnlijk naar het voetpad, dat naar de klippen leidde. De Jood was met kar en paard op den breeden weg blijven staan.Met uiterste behoedzaamheid, letterlijk op handen en voeten kruipend, was Marguerite ook rechtsaf geslagen. Om dit te doen, moest zij zich een weg banen door het doornig struikgewas, zich moeite gevend niet het minste gerucht te maken, een poging, waarbij ze aan gezicht en handen geen kwetsuren kon vermijden. Gelukkig was—zooals het in dit gedeelte van Frankrijk voorkomt—het voetpad aan beide zijden met een heg omzoomd, waarachter een droge sloot. Daarin hield Marguerite zich schuil, aan alle bespiedende blikken onttrokken, zoodoende gelukte het haar tot op drie meter afstand de plek te naderen, waar Chauvelin zich bevond, bezig met instructies aan zijn trawanten uit te deelen.„En nu,”—sprak hij op zachten, maar niet minder gebiedenden toon—„zeg me nu eens, wààr is de hut van Vader Blanchard?”„Zoo wat een achthonderd meter van hier, langs het voetpad,” antwoordde de korporaal, die hetpelotonhad aangevoerd, „ze ligt halfweg, hier beneden het rif afloopend.”„Heel goed. Jij zult ons geleiden. Alvorens wij afdalen, kruip jij naar de hut, zoo stil als een slang kan schuifelen,en ga je na, of die Koningsgezinde verraders erin zijn. Begrepen?”„Ik begrijp het, burger.”„Luistert nu allen goed,” ging Chauvelin voort, tot de gezamenlijke soldaten het woord richtend, „want hierna zullen we geen gelegenheid meer hebben van gedachten te wisselen, let dus op ieder van mijn woorden, alsof jelui leven ermee gemoeid is, wat je geheugen betreft. En dat zou wel eens het geval kunnen zijn,” voegde hij er droogjes bij.„Wij luisteren aandachtig, burger,” zei Desgas, „een soldaat der Republiek vergeet nooit een gegeven bevel.”„Jij, die voortkruipt tot aan de hut, moet trachten goed erin te gluren. Als de Engelschman er is met die verraders, een kerel lang als een boonenstaak, of zoo een, die bukt om zijn lengte te verbergen, dan fluit je scherp, als een signaal voor je kameraden. Jelui met zijn allen,” ging hij voort, de soldaten gezamenlijk weer toesprekend, „snelt de hut in en ieder grijpt zijn man aan, voordat een ervan den tijd heeft een schot te lossen, of zich te weer te stellen; zoo een het al doet, dan schiet je hem in beenen of arm, maar den langen kerel zul je bij alle duivels! niet het licht uitblazen. Verstaan jelui me goed?”„We verstaan, burger.”„De vent is waarschijnlijk heel sterk, er zullen wel vier of vijf man van jelui minstens noodig zijn om hem de baas te worden.”Er ontstond een kleine pauze. Chauvelin vervolgde:„Zoo de royalisten nog zonder hun leider zijn, wat hoogst waarschijnlijk het geval zal wezen, dan waarschuw jij je kameraden, die op den loer liggen en jelui verschuilt je met je allen achter de rotsen om de hut. Je wacht daar in doodsche stilte den langen slungel van een Engelschman af; dan val je gezamenlijk op de hut aan, maar niet, voordat de kerel goed en wel er binnen is. Denkt er vooral wel om, dat jelui stil moet te werk gaan, als de wolf, die ’s nachts een schaapskooi binnensluipt. Het afvuren van een pistool, een schreeuw of iets van dien aard, zou een waarschuwing zijn voor het langeheerschap, om de klippen en de hut te mijden, en”—voegde hij er met nadruk bij—„het is jelui plicht den rijzigen Engelschman vannacht een been te lichten.”„U zult stipt gehoorzaamd worden, burger.”„Gaat nu zoo stil mogelijk aan jelui werk, ik volg in de achterhoede.”„Wat moet er met den Jood, burger?” vroeg Desgas, toen de soldaten één voor één, zwijgend als schimmen, langs het hobbelig, eng voetpad begonnen te kruipen.„Dat is waar ook! Ik zou den Jood heelemaal vergeten,” zei Chauvelin, en zich in de richting wendend waar deze nog altijd stond:„Hei daar...” riep hij... „Aaron, Mozes, Abraham, of hoe je vervloekte naam moge luiden... waar ben je?”„Benjamin Rosenbaum, Edelachtbare... Benjamin Rosenbaum,” herhaalde de oude man in allen deemoed.„Het is me minder aangenaam je geluid te hooren, maar wel heb ik je eenige wenken te geven, die je wel zoo verstandig zijn zult blindelings op te volgen.”„Al naar het UEdelachtbare behaagt...”„Hou je brabbeltaal voor je. Je blijft hier staan, hoor je? met kar en paard tot we terugkomen. Geen kik of mik zul je geven, versta je? En ook ga je niet van je plaats, tenzij ik je verlof geef. Heb je me begrepen?”„Maar Edelachtbare—” protesteerde de Jood erbarmlijk.„Geen kwestie van „maren” of argumenteeren,” zei Chauvelin op een toon, die den stakker deed sidderen van het hoofd tot de voeten. „Als ik bij mijn terugkomst je niet hier vind, ik verzeker je, dat, waar je ook schuilvinkje mocht spelen, ik je toch zal snappen en een parate executie je deel zal zijn. Je hebt me verstaan?”„Maar Excellentie...”„Ik vraag of je me verstaan hebt!”De soldaten waren allen weggekropen; de drie mannen stonden alleen op den donkeren eenzamen weg. Marguerite bevond zich tusschen het struikgewas, luisterend naar Chauvelin’s bevelen, die haar als een doodvonnis in de ooren klonken.„Ik heb UEdelachtbare verstaan,” protesteerde de Jood,opnieuw een poging doende Chauvelin wat dichter te naderen, „en ik zweer bij Abraham, Izaak en Jacob, dat ik de bevelen van UEdelachtbare stipt zal opvolgen... maar als er nu eens roovers komen zwerven op dezen eenzamen weg, die... dan zou het kunnen gebeuren, dat ik moet schreeuwen of wegloopen in mijn angst. Moet er dan een vreeselijke straf over mij komen voor iets, dat ik niet kan beletten?”Chauvelin dacht een oogenblik na.„Denk je, dat je paard en kar hier veilig alleen kunnen staan?” vroeg hij barsch.„Ik geloof, burger,” bracht Desgas in het midden, „dat ze zonder hem veiliger zullen zijn.”„Maar wat moet ik met dien ezel dan uitvoeren?”„Zoudt u hem maar niet naar Calais terugsturen, burger?”„Neen, want we zullen hem noodig hebben om straks de gekwetsten te vervoeren,” zei Chauvelin met grimmigen grijns.Andermaal een pauze—Desgas het besluit afwachtend van zijn chef, de oude Jood jammerend naast zijn versleten knol.„Komaan, sloomig, laf, oud wammes,” zei Chauvelin ten laatste, „je moet maar achter ons aansloffen. Hier, burger Desgas, bind den kerel dezen zakdoek stevig voor den mond.”Desgas deed zooals hem werd bevolen. Als een lam, dat ter slachtbank wordt geleid, liet Benjamin Rosenbaum zich muilbanden; het had er veel van, of hij aan deze minder aangename positie den voorkeur gaf boven het alleen achter blijven op den donkeren, eenzamen St. Martinsweg. Kort daarop liep het trio achter elkaar aan.De veerkrachtige stap van Chauvelin en zijn handlanger, zoowel als het schoorvoetend geslof van den Jood, loste zich weldra op in de stilte van den nacht.Geen enkel woord van Chauvelin’s tirannieke bevelen was Marguerite ontgaan.Schrikkelijk kwam dit net haar voor, zooals het gespannen werd in een cirkel, in het holst van den nacht aan het eenzame zeestrand, om eenige weerlooze menschen,weerloos, omdat zij op niets verdacht waren; en onder dezen was één haar echtgenoot, de ander haar broeder!Voor het oogenblik schoot haar niets anders over dan Chauvelin en diens soldaten te volgen. Zoo ze niet vreesde op een dwaalweg te geraken, ze zou vooruit gesneld zijn, de houten hut hebben gevonden en misschien bijtijds zijn gekomen, om de vluchtelingen en hun onversaagden beschermer uit de klauwen van een bloeddorstig roofdier te redden.Een oogenblik kwam de gedachte bij haar op, de doordringende kreten te uiten, door Chauvelin zoo gevreesd, als een mogelijke waarschuwing voor den Rooden Pimpernel en zijn vrienden—zich vleiend met de hersenschimmige hoop, dat zij dien noodkreet zouden hooren en nog tijd konden hebben om te ontsnappen, voor het te laat was. Maar zij wist niet, hoe ver zij zich nog bevond van den rand der klip; zij kon niet nagaan, of haar kreten zouden doordringen tot hen, die ten doode waren opgeschreven. Men zou ook háár den mond stoppen, evenals den Jood, om als weerlooze gevangene, verraderes der ééne en ondeelbare Republiek te worden meegesleept.Zij had zich ontdaan van haar schoeisel, haar kousen hingen aan flarden, maar geen pijn gevoelde ze, geen moedeloosheid maakte zich van haar meester; een onverzettelijke wil, om, in weerwil van een listigen tegenstander tot haren echtgenoot te geraken, maakte haar gevoelloos voor iedere lichamelijke smart, verhoogde het bewustzijn van haar heerlijken plicht.Niets trof haar oor, behalve de zachte en afgemeten voetstappen van Percy’s vijanden vóór haar uit; haar geestesoog ontwaarde niets anders dan de houten eenzame hut, waarheen Blakeney op dit oogenblik zijn schreden richtte en zijn verderf tegemoet liep.Plotseling kwam de maan, die tot dusver, door achter een wolkenmassa verscholen te blijven, haar toeleg had begunstigd, in al den luister van een koelen herfstnacht te voorschijn en deed het eenzame landschap baden in een glans van schitterend licht.Daar ginds op nog geen tweehonderd meters afstand,bevond zich de rand der klip, en daar beneden, naar het vrije en gelukkige Engeland haar golven stuwend, rolde plechtstatig en kalm de zee.Een oogenblik rustten Marguerite’s blikken op het flikkerend zilveren water, en heete tranen ontwelden aan haar oogen; geen drie mijlen verder, zijn hagelwitte zeilen bijgezet, wiegelde een bevallige schoener op de deining, de vervolgden afwachtend aan zijn gastvrij boord.Dat was deDay Dream, Percy’s geliefkoosd jacht, met den ouden Briggs, zijn kapitein, en de heele bemanning, alle Britsche matrozen; zijn blanke zeilen glinsterden in het maanlicht en schenen Marguerite een boodschap te verkonden van blijdschap en hoop, maar zij vreesde, dat die nooit meer in vervulling kon gaan.Het gezicht van den schoener scheen de arme, afgetobde vrouw de bovenmenschelijke kracht te schenken, die de wanhoop soms kan verleenen. Zij zag den rand van het rif, daaronder de hut, waar haar echtgenoot den dood zou vinden. Doch de maan stond nu aan den hemel, bij haar schijnsel kon ze den weg wel vinden, zij zou naar de hut toesnellen, hen waarschuwen zich gereed te houden, hun leven liever duur te verkoopen, dan zich als ratten in een val te laten vangen.Hortend en stootend snelde ze voort achter de heg, door het welig gras van de sloot. Ze moest al heel hard hebben geloopen, want ze had Chauvelin en Desgas achter zich gelaten en was nu den rand genaderd van de rots; duidelijk klonken de voetstappen der soldaten achter haar. Het maanlicht bescheen haar nu ten volle, haar gestalte stak duidelijk af tegen den zilveren achtergrond der zee.Maar dit was slechts voor een oogenblik; ze hurkte aanstonds neer; als een egel, die zich oprolt bij naderend gevaar, trachtte zij zich onzichtbaar te maken. Van de groote riffen keek ze naar de diepte—het afdalen zou wel geen bezwaar opleveren, daar ze niet steil waren en de ontzaglijke steenblokken een steun boden voor den voet. Opeens, terwijl ze rondgluurde, zag ze op eenigen afstand linksaf, halverwege beneden de klippen, een ruwehouten stulp, door welker zijwanden een klein rood lichtje schemerde als een sein. Haar hart scheen stil te staan.Zonder aarzelen begon ze af te dalen, voortkruipend van blok tot blok, zich niet bekreunend om de vijanden achter haar, die waarschijnlijk allen zich verdekt hadden opgesteld, nu de rijzige Engelschman nog niet was opgedaagd.Voort bleef ze kruipen, den doodsvijand, die haar op de hielen zat, vergetend, nu eens loopend, dan struikelend, met pijnlijk gekwetste voeten, half verdoofd van zinnen, maar altijd voort... toen plotseling, een steen of afglijdend rotsblok haar geweldig deed neertuimelen. Met moeite richtte zij zich weer op, snelde andermaal voort, om hun een tijdige waarschuwing te brengen, hun te smeeken ijlings de vlucht te nemen vóór zijn door hen verbeide komst, en hem te verstaan te geven zijn doodvonnis niet te gemoet te gaan. Maar nu bemerkte ze, dat andere voetstappen, sneller dan de hare, haar dicht op de hielen zaten. In het volgend oogenblik voelde ze, dat een hand haar rok vastgreep en ze plofte op haar knieën, terwijl iets om haren mond werd gewonden, ten einde haar te beletten een kreet te uiten.Half dolzinnig door de bittere teleurstelling, zag ze hulpeloos om zich heen, en door het nevelig waas, dat haar oogen omfloerste, bespeurde ze een paar scherpe oogen, die haar aanstaarden.Zij lag in de schaduw van een rotsblok; Chauvelin kon haar gelaatstrekken niet onderscheiden, maar hij streek met zijn dunne bloedlooze vingers over haar gelaat.„Een vrouw!” fluisterde hij, „bij Gods alle lieve Heiligen! We kunnen haar niet hier laten, dat is zeker,” mompelde hij bij zichzelf. „Het zal me benieuwen...”Hij zweeg plotseling, en na eenige seconden van doodelijke stilte gaf een eigenaardig geluid tusschen zijn tanden een bijzondere tevredenheid met een mengeling van verbazing te kennen.„Neen maar, neen, neen, dat is nu waarlijk een onverhoopte verrassing!” en in hetzelfde oogenblik voelde Marguerite dat hare hand, die geen weerstand kon bieden, door Chauvelin naar zijn lippen werd gebracht.Zij verloor het bewustzijn; bijna stikkend onder het hevig verband om haren mond, bezat ze geen kracht om zich te bewegen of eenig geluid te kunnen uitbrengen.Chauvelin scheen eenige aanwijzing te hebben gegeven, die zij niet bij machte was te vernemen, want zij voelde, dat men haar optilde, nadat de doek voor haar mond steviger was aangetrokken, en een paar krachtige armen haar heenvoerden naar het zwakke roode seinlicht, dat zooeven nog voor haar de laatste schemering van hoop had uitgemaakt.
Als in een droom volgde Marguerite den stoet; het net werd ieder oogenblik nauwer toegehaald. Het eenige wat haar nu voor oogen zweefde, was haren echtgenoot weer te zien, hem te zeggen, wat ze had geleden, wat zij had misdaan en hoe zeer zij hem had miskend. Alle hoop hem te redden, had ze laten varen.
Het verwijderd geruisch der branding deed haar sidderen, de rauwe schreeuw van een nachtvogel vervulde haar met onuitsprekelijken angst.
Haar voeten veroorzaakten haar pijn. Haar knieën knikten van vermoeienis. In drie nachten had ze geen rust genoten. Ze had nu ongeveer twee volle uren zich voortgesleept op een ongebaand pad, en toch wankelde zij geen oogenblik in haar vast besluit. Zij wilde Percy ontmoeten, hem alles zeggen, en zoo hij bereid was haar vergeving te schenken voor het wanbedrijf, dat ze in blinde onwetendheid had begaan, zou zij zich toch gelukkig gevoelen aan zijn zijde te sterven.
Plotseling, als bij ingeving, gevoelde ze, dat de wagen stilstond en de soldaten met het afzetten der geweren halt maakten. Zij hadden hun bestemming bereikt. Geen twijfel of rechts af, dicht in haar nabijheid, lag het voetpad, dat leidde naar den rand van het rif—en naar de hut.
Het gevaar niet achtend, kroop ze dicht naar de plek, waar Chauvelin stond, omringd door zijn kleinen troep; hij was van de kar gestegen en deelde eenige orders aan de manschappen uit.
De plaats, waar zij halt hielden, moest zoowat een honderd meter van de kust verwijderd zijn, het geraas der branding liet zich op eenigen afstand hooren. Chauvelin en Desgas, gevolgd door de soldaten, hadden een scherpen hoek gemaakt, rechtsaf van den weg, waarschijnlijk naar het voetpad, dat naar de klippen leidde. De Jood was met kar en paard op den breeden weg blijven staan.
Met uiterste behoedzaamheid, letterlijk op handen en voeten kruipend, was Marguerite ook rechtsaf geslagen. Om dit te doen, moest zij zich een weg banen door het doornig struikgewas, zich moeite gevend niet het minste gerucht te maken, een poging, waarbij ze aan gezicht en handen geen kwetsuren kon vermijden. Gelukkig was—zooals het in dit gedeelte van Frankrijk voorkomt—het voetpad aan beide zijden met een heg omzoomd, waarachter een droge sloot. Daarin hield Marguerite zich schuil, aan alle bespiedende blikken onttrokken, zoodoende gelukte het haar tot op drie meter afstand de plek te naderen, waar Chauvelin zich bevond, bezig met instructies aan zijn trawanten uit te deelen.
„En nu,”—sprak hij op zachten, maar niet minder gebiedenden toon—„zeg me nu eens, wààr is de hut van Vader Blanchard?”
„Zoo wat een achthonderd meter van hier, langs het voetpad,” antwoordde de korporaal, die hetpelotonhad aangevoerd, „ze ligt halfweg, hier beneden het rif afloopend.”
„Heel goed. Jij zult ons geleiden. Alvorens wij afdalen, kruip jij naar de hut, zoo stil als een slang kan schuifelen,en ga je na, of die Koningsgezinde verraders erin zijn. Begrepen?”
„Ik begrijp het, burger.”
„Luistert nu allen goed,” ging Chauvelin voort, tot de gezamenlijke soldaten het woord richtend, „want hierna zullen we geen gelegenheid meer hebben van gedachten te wisselen, let dus op ieder van mijn woorden, alsof jelui leven ermee gemoeid is, wat je geheugen betreft. En dat zou wel eens het geval kunnen zijn,” voegde hij er droogjes bij.
„Wij luisteren aandachtig, burger,” zei Desgas, „een soldaat der Republiek vergeet nooit een gegeven bevel.”
„Jij, die voortkruipt tot aan de hut, moet trachten goed erin te gluren. Als de Engelschman er is met die verraders, een kerel lang als een boonenstaak, of zoo een, die bukt om zijn lengte te verbergen, dan fluit je scherp, als een signaal voor je kameraden. Jelui met zijn allen,” ging hij voort, de soldaten gezamenlijk weer toesprekend, „snelt de hut in en ieder grijpt zijn man aan, voordat een ervan den tijd heeft een schot te lossen, of zich te weer te stellen; zoo een het al doet, dan schiet je hem in beenen of arm, maar den langen kerel zul je bij alle duivels! niet het licht uitblazen. Verstaan jelui me goed?”
„We verstaan, burger.”
„De vent is waarschijnlijk heel sterk, er zullen wel vier of vijf man van jelui minstens noodig zijn om hem de baas te worden.”
Er ontstond een kleine pauze. Chauvelin vervolgde:
„Zoo de royalisten nog zonder hun leider zijn, wat hoogst waarschijnlijk het geval zal wezen, dan waarschuw jij je kameraden, die op den loer liggen en jelui verschuilt je met je allen achter de rotsen om de hut. Je wacht daar in doodsche stilte den langen slungel van een Engelschman af; dan val je gezamenlijk op de hut aan, maar niet, voordat de kerel goed en wel er binnen is. Denkt er vooral wel om, dat jelui stil moet te werk gaan, als de wolf, die ’s nachts een schaapskooi binnensluipt. Het afvuren van een pistool, een schreeuw of iets van dien aard, zou een waarschuwing zijn voor het langeheerschap, om de klippen en de hut te mijden, en”—voegde hij er met nadruk bij—„het is jelui plicht den rijzigen Engelschman vannacht een been te lichten.”
„U zult stipt gehoorzaamd worden, burger.”
„Gaat nu zoo stil mogelijk aan jelui werk, ik volg in de achterhoede.”
„Wat moet er met den Jood, burger?” vroeg Desgas, toen de soldaten één voor één, zwijgend als schimmen, langs het hobbelig, eng voetpad begonnen te kruipen.
„Dat is waar ook! Ik zou den Jood heelemaal vergeten,” zei Chauvelin, en zich in de richting wendend waar deze nog altijd stond:
„Hei daar...” riep hij... „Aaron, Mozes, Abraham, of hoe je vervloekte naam moge luiden... waar ben je?”
„Benjamin Rosenbaum, Edelachtbare... Benjamin Rosenbaum,” herhaalde de oude man in allen deemoed.
„Het is me minder aangenaam je geluid te hooren, maar wel heb ik je eenige wenken te geven, die je wel zoo verstandig zijn zult blindelings op te volgen.”
„Al naar het UEdelachtbare behaagt...”
„Hou je brabbeltaal voor je. Je blijft hier staan, hoor je? met kar en paard tot we terugkomen. Geen kik of mik zul je geven, versta je? En ook ga je niet van je plaats, tenzij ik je verlof geef. Heb je me begrepen?”
„Maar Edelachtbare—” protesteerde de Jood erbarmlijk.
„Geen kwestie van „maren” of argumenteeren,” zei Chauvelin op een toon, die den stakker deed sidderen van het hoofd tot de voeten. „Als ik bij mijn terugkomst je niet hier vind, ik verzeker je, dat, waar je ook schuilvinkje mocht spelen, ik je toch zal snappen en een parate executie je deel zal zijn. Je hebt me verstaan?”
„Maar Excellentie...”
„Ik vraag of je me verstaan hebt!”
De soldaten waren allen weggekropen; de drie mannen stonden alleen op den donkeren eenzamen weg. Marguerite bevond zich tusschen het struikgewas, luisterend naar Chauvelin’s bevelen, die haar als een doodvonnis in de ooren klonken.
„Ik heb UEdelachtbare verstaan,” protesteerde de Jood,opnieuw een poging doende Chauvelin wat dichter te naderen, „en ik zweer bij Abraham, Izaak en Jacob, dat ik de bevelen van UEdelachtbare stipt zal opvolgen... maar als er nu eens roovers komen zwerven op dezen eenzamen weg, die... dan zou het kunnen gebeuren, dat ik moet schreeuwen of wegloopen in mijn angst. Moet er dan een vreeselijke straf over mij komen voor iets, dat ik niet kan beletten?”
Chauvelin dacht een oogenblik na.
„Denk je, dat je paard en kar hier veilig alleen kunnen staan?” vroeg hij barsch.
„Ik geloof, burger,” bracht Desgas in het midden, „dat ze zonder hem veiliger zullen zijn.”
„Maar wat moet ik met dien ezel dan uitvoeren?”
„Zoudt u hem maar niet naar Calais terugsturen, burger?”
„Neen, want we zullen hem noodig hebben om straks de gekwetsten te vervoeren,” zei Chauvelin met grimmigen grijns.
Andermaal een pauze—Desgas het besluit afwachtend van zijn chef, de oude Jood jammerend naast zijn versleten knol.
„Komaan, sloomig, laf, oud wammes,” zei Chauvelin ten laatste, „je moet maar achter ons aansloffen. Hier, burger Desgas, bind den kerel dezen zakdoek stevig voor den mond.”
Desgas deed zooals hem werd bevolen. Als een lam, dat ter slachtbank wordt geleid, liet Benjamin Rosenbaum zich muilbanden; het had er veel van, of hij aan deze minder aangename positie den voorkeur gaf boven het alleen achter blijven op den donkeren, eenzamen St. Martinsweg. Kort daarop liep het trio achter elkaar aan.
De veerkrachtige stap van Chauvelin en zijn handlanger, zoowel als het schoorvoetend geslof van den Jood, loste zich weldra op in de stilte van den nacht.
Geen enkel woord van Chauvelin’s tirannieke bevelen was Marguerite ontgaan.
Schrikkelijk kwam dit net haar voor, zooals het gespannen werd in een cirkel, in het holst van den nacht aan het eenzame zeestrand, om eenige weerlooze menschen,weerloos, omdat zij op niets verdacht waren; en onder dezen was één haar echtgenoot, de ander haar broeder!
Voor het oogenblik schoot haar niets anders over dan Chauvelin en diens soldaten te volgen. Zoo ze niet vreesde op een dwaalweg te geraken, ze zou vooruit gesneld zijn, de houten hut hebben gevonden en misschien bijtijds zijn gekomen, om de vluchtelingen en hun onversaagden beschermer uit de klauwen van een bloeddorstig roofdier te redden.
Een oogenblik kwam de gedachte bij haar op, de doordringende kreten te uiten, door Chauvelin zoo gevreesd, als een mogelijke waarschuwing voor den Rooden Pimpernel en zijn vrienden—zich vleiend met de hersenschimmige hoop, dat zij dien noodkreet zouden hooren en nog tijd konden hebben om te ontsnappen, voor het te laat was. Maar zij wist niet, hoe ver zij zich nog bevond van den rand der klip; zij kon niet nagaan, of haar kreten zouden doordringen tot hen, die ten doode waren opgeschreven. Men zou ook háár den mond stoppen, evenals den Jood, om als weerlooze gevangene, verraderes der ééne en ondeelbare Republiek te worden meegesleept.
Zij had zich ontdaan van haar schoeisel, haar kousen hingen aan flarden, maar geen pijn gevoelde ze, geen moedeloosheid maakte zich van haar meester; een onverzettelijke wil, om, in weerwil van een listigen tegenstander tot haren echtgenoot te geraken, maakte haar gevoelloos voor iedere lichamelijke smart, verhoogde het bewustzijn van haar heerlijken plicht.
Niets trof haar oor, behalve de zachte en afgemeten voetstappen van Percy’s vijanden vóór haar uit; haar geestesoog ontwaarde niets anders dan de houten eenzame hut, waarheen Blakeney op dit oogenblik zijn schreden richtte en zijn verderf tegemoet liep.
Plotseling kwam de maan, die tot dusver, door achter een wolkenmassa verscholen te blijven, haar toeleg had begunstigd, in al den luister van een koelen herfstnacht te voorschijn en deed het eenzame landschap baden in een glans van schitterend licht.
Daar ginds op nog geen tweehonderd meters afstand,bevond zich de rand der klip, en daar beneden, naar het vrije en gelukkige Engeland haar golven stuwend, rolde plechtstatig en kalm de zee.
Een oogenblik rustten Marguerite’s blikken op het flikkerend zilveren water, en heete tranen ontwelden aan haar oogen; geen drie mijlen verder, zijn hagelwitte zeilen bijgezet, wiegelde een bevallige schoener op de deining, de vervolgden afwachtend aan zijn gastvrij boord.
Dat was deDay Dream, Percy’s geliefkoosd jacht, met den ouden Briggs, zijn kapitein, en de heele bemanning, alle Britsche matrozen; zijn blanke zeilen glinsterden in het maanlicht en schenen Marguerite een boodschap te verkonden van blijdschap en hoop, maar zij vreesde, dat die nooit meer in vervulling kon gaan.
Het gezicht van den schoener scheen de arme, afgetobde vrouw de bovenmenschelijke kracht te schenken, die de wanhoop soms kan verleenen. Zij zag den rand van het rif, daaronder de hut, waar haar echtgenoot den dood zou vinden. Doch de maan stond nu aan den hemel, bij haar schijnsel kon ze den weg wel vinden, zij zou naar de hut toesnellen, hen waarschuwen zich gereed te houden, hun leven liever duur te verkoopen, dan zich als ratten in een val te laten vangen.
Hortend en stootend snelde ze voort achter de heg, door het welig gras van de sloot. Ze moest al heel hard hebben geloopen, want ze had Chauvelin en Desgas achter zich gelaten en was nu den rand genaderd van de rots; duidelijk klonken de voetstappen der soldaten achter haar. Het maanlicht bescheen haar nu ten volle, haar gestalte stak duidelijk af tegen den zilveren achtergrond der zee.
Maar dit was slechts voor een oogenblik; ze hurkte aanstonds neer; als een egel, die zich oprolt bij naderend gevaar, trachtte zij zich onzichtbaar te maken. Van de groote riffen keek ze naar de diepte—het afdalen zou wel geen bezwaar opleveren, daar ze niet steil waren en de ontzaglijke steenblokken een steun boden voor den voet. Opeens, terwijl ze rondgluurde, zag ze op eenigen afstand linksaf, halverwege beneden de klippen, een ruwehouten stulp, door welker zijwanden een klein rood lichtje schemerde als een sein. Haar hart scheen stil te staan.
Zonder aarzelen begon ze af te dalen, voortkruipend van blok tot blok, zich niet bekreunend om de vijanden achter haar, die waarschijnlijk allen zich verdekt hadden opgesteld, nu de rijzige Engelschman nog niet was opgedaagd.
Voort bleef ze kruipen, den doodsvijand, die haar op de hielen zat, vergetend, nu eens loopend, dan struikelend, met pijnlijk gekwetste voeten, half verdoofd van zinnen, maar altijd voort... toen plotseling, een steen of afglijdend rotsblok haar geweldig deed neertuimelen. Met moeite richtte zij zich weer op, snelde andermaal voort, om hun een tijdige waarschuwing te brengen, hun te smeeken ijlings de vlucht te nemen vóór zijn door hen verbeide komst, en hem te verstaan te geven zijn doodvonnis niet te gemoet te gaan. Maar nu bemerkte ze, dat andere voetstappen, sneller dan de hare, haar dicht op de hielen zaten. In het volgend oogenblik voelde ze, dat een hand haar rok vastgreep en ze plofte op haar knieën, terwijl iets om haren mond werd gewonden, ten einde haar te beletten een kreet te uiten.
Half dolzinnig door de bittere teleurstelling, zag ze hulpeloos om zich heen, en door het nevelig waas, dat haar oogen omfloerste, bespeurde ze een paar scherpe oogen, die haar aanstaarden.
Zij lag in de schaduw van een rotsblok; Chauvelin kon haar gelaatstrekken niet onderscheiden, maar hij streek met zijn dunne bloedlooze vingers over haar gelaat.
„Een vrouw!” fluisterde hij, „bij Gods alle lieve Heiligen! We kunnen haar niet hier laten, dat is zeker,” mompelde hij bij zichzelf. „Het zal me benieuwen...”
Hij zweeg plotseling, en na eenige seconden van doodelijke stilte gaf een eigenaardig geluid tusschen zijn tanden een bijzondere tevredenheid met een mengeling van verbazing te kennen.
„Neen maar, neen, neen, dat is nu waarlijk een onverhoopte verrassing!” en in hetzelfde oogenblik voelde Marguerite dat hare hand, die geen weerstand kon bieden, door Chauvelin naar zijn lippen werd gebracht.
Zij verloor het bewustzijn; bijna stikkend onder het hevig verband om haren mond, bezat ze geen kracht om zich te bewegen of eenig geluid te kunnen uitbrengen.
Chauvelin scheen eenige aanwijzing te hebben gegeven, die zij niet bij machte was te vernemen, want zij voelde, dat men haar optilde, nadat de doek voor haar mond steviger was aangetrokken, en een paar krachtige armen haar heenvoerden naar het zwakke roode seinlicht, dat zooeven nog voor haar de laatste schemering van hoop had uitgemaakt.