1Zoo noemde men voorheen de keuken.2Woorden vervliegen, het geschrevene blijft.3Misschien slaapt hij alleen met de oogen.—Maar wat betreft het ontdekken van uwe waardigheid aan dezen jongeling, dit belet u zijne onvoorzichtigheid zoowel als uwe veiligheid, welke groot gevaar zoude loopen, indien het bekend werd, dat de hoop en de lust onzer Kerk onder zulk een ongewoon gewaad bedekt waren.Dertiende Hoofdstuk.Wat baten me uwe orakelblaên?Hoe ik mijn zinnen ook moog slijpen,Ik kan de woorden niet verstaanEn evenmin den zin begrepen.Hoffham.De twee dagen, verloopen sedert het tijdpunt, van waar ons verhaal is uitgegaan, waren vervuld geweest met voorvallen en avonturen van onderscheidenen aard, die, zoo al niet voor onze lezers, dan althans voor de helden onzer geschiedenis belangrijk mogen genoemd worden; maar evenals een reiziger niet altijd op weg verrast wordt door natuurtooneelen, rijk in verscheidenheid en afwisseling, maar zich somtijds moet getroosten een eenzame heide, een dorre zandwoestijn of een moerassige landstreek door te trekken; zoo komen er, ook zelfs in het woeligste tijdperk des levens, dagen voor, wier onbeduidende loop door geene enkele opmerkingswaardige omstandigheid wordt afgewisseld: zoodanig een dag was die, welke op het dansfeest volgde en het steekspel voorafging; een dag als alle soortgelijken, waarop men uitrust van de vermoeienissen des vorigen avonds en zich voorbereidt op die van den volgenden morgen. Maar met dat al, en schoon er weinig voorviel, dat hier verdient opgeteekend te worden, was het een dag van woeling en drukte en gerucht: geene straat was er in Haarlem, waar niet de moker van den wapensmid weergalmde, waar men geen snijder op zijn tafel zag, bezig met wapenrokken te bewerken of te herstellen, waar geen helmslager nieuwe nagels in de stormhoeden dreef, waar geen bontwerker bezig was met pluimen van allen vorm en kleur te vereenigen, waar eindelijk geen talrijke drom van Ridders en schildknapen heen en weder liep om zich aan te schaffen wat nog ontbrak, ten einde in vollen luister op het Tornooi-veld te kunnen verschijnen. Hier en daar zag men groote hoopen van toekijkers, waar een goudsmid bezig was zijne kunstig gedrevene sieraden aan het gevest van een zwaard of aan de oppervlakte van een maliënkoldervast te hechten: of waar een vernuftige schilder het blazoen of de leenspreuk eens Ridders op het breede schild of op het spiegel gladde borstkuras in frissche verven afmaalde, of waar een borduurder de laatste hand zette aan een banier, schitterende van goud- en zilverdraad, of de geestigste kleuren op sluiers en sjerpen wist te mengelen. Wat verder zag men meisjes bezig met het vlechten van bloemkransen en festoenen, bestemd om de straten te versieren, en van die groote kronen, welke, midden in de hoofdstraat opgehangen, bij het doortrekken des Graven worden neergelaten, ten einde hem te vangen en den losprijs van eenige kleine muntspeciën voor de jeugdige vervaardigsters te verwerven. Karren met hout voor stellages en borstweringen, of met groene sparretakken en ander loof beladen, reden gedurig heen en weder naar de groote markt, of hetZand, gelijk het toen genoemd werd, dat tot het steekspel bestemd was en waar onze vriend Claes Gerritsz zwoegende en zweetende tusschen een vijftigtal werklieden op en neder liep, om te zorgen dat alles ter bestemder plaatse wierd gezet en beschikt: ofschoon zijn aanwijzingen meermalen werden veranderd en zijn bevelen in den wind geslagen, zoo dikwerf die in strijd waren met den last der Herauten, die, als bekend met al hetgeen bij zulke plechtigheden noodig en behoorlijk was, zich weinig aan zijn beklag of aanmerkingen deswege stoorden.“Het is toch een ergerlijke zaak,” bromde hij dan, “en die tegen alle Privileges aandruist, dat zich bij een feest, dat binnen Haarlem gegeven wordt, vreemdelingen zooveel aanmatigen, en wijzer willen zijn dan poorters, die schot en lot betalen! Ben ik dan geen marktschrijver? en is mij door het bestuur de taak niet opgedragen om alles naar eisch te schikken en te regelen? En ken ik het Zand niet beter dan die roodrokken, die van tornooien van Keulen en Bamberg spreken, alsof de gelegenheid overal eveneens ware?—Ja, bij Sint-Gangolf! men ziet wel dat wij een vreemden vorst hebben, en dat het bestuur van Haarlem slechts uit oogendienaars is samengesteld, om zulke zaken te dulden.”Men kan begrijpen, dat op dezen dag de drie minnaars van Madzy ook, evenals meer andere Ridders, bijna geen oogenblik tijd hadden om zich buiten Haarlem te begeven, zoo bezig waren zij met het in orde brengen hunner toerusting voor den volgenden dag. Reinout was Deodaat bestendig ontweken, wanneer zij elkaar bij toeval op straat of in een werkplaats ontmoetten: en Adeelen, die nu een bepaald voornemen in ’t hoofd had, zag hen, zoo dikwijls hij hen tegenkwam, met een koele bedaardheid aan, als wilde zijn rustige blik hun te kennen geven: “wij zullen heden maar geen twist zoeken: dat zal zich morgen wel vinden: borgen is geen kwijtschelden.”—Maar wat het meest opmerking verdiende, was, dat de Fries, niettegenstaande de hooge vooringenomenheid met alles, wat in zijn vaderland vervaardigd en bereid was, zich te dezer gelegenheid zoozeer verloochende, dat hij zich een volkomen wapenrusting in Haarlem aanschafte en onder zijne oogen in orde liet brengen; want hij was toch met al zijne hoofdigheid verstandig genoeg, om te erkennen,dat het lichte kuras, hetwelk hij uit Friesland had medegebracht, niet proefhoudend zou wezen tegen de stevige lansen, die hij overal zag ronddragen, en dat zijn kromgebogen zwaard wel geschikt was om, gelijk twee dagen te voren, schrik aan te jagen onder een ongewapenden hoop, maar hem van geen nut zoude wezen indien hij daarmede op een maliënkolder in moest houwen, of een der reusachtige kampdegens afkeeren, welke de Ridders van dien tijd op zijde droegen.Terwijl hij zich met deze toebereidselen onledig hield, was de schoone Madzy, vergezeld van den Heer van Aylva, den Kloostervoogd, vader Syard en eenig gevolg, een morgenbezoek bij de arme Elske gaan doen, en hadden zij vervolgens hun wandeling door de omliggende bosschages voortgezet. Het onderhoud was onmerkbaar afgeloopen, daar ieder zijn bijzondere redenen tot ernst en nadenken had. Madzy was, gelijk meer jonge maagden, in wier boezem een ontkiemende liefde woont, weemoedig en stil: zij poogde, maar vruchteloos, de gedachte aan den edelen Deodaat, aan zijn vroolijk en aangenaam onderhoud van den vorigen morgen, aan zijn ontmoeting met Adeelen en aan zijn geheimzinnige woorden op het feest, uit haar geest te verbannen: somtijds wenschte zij, dat zij Friesland nooit verlaten en hem daardoor niet ontmoet had; dan huiverde zij tegen het denkbeeld, dat zij slechts korte dagen in Holland verblijven zoude, en dan waarschijnlijk den jongeling nimmer terugzien, in wien zij zulk een hoog belang stelde. Maar ook den volgenden dag zag zij met schrik te gemoet: men had haar wel gezegd dat het steekspel, gelijk het woord zulks medebracht, alleen een spel zoude zijn, waarop geen andere dan geknotte wapenen gebezigd werden; maar zij wist tevens, dat somtijds ongelukkige toevallen, somtijds bijzondere haat en wrok, oorzaak waren, dat dergelijke feesten een treurigen in stede van een vroolijken afloop hadden: en zij herinnerde zich het voorbeeld van den ongelukkigen Floris, door haar voogd den avond te voren aangehaald, toen het blijde tornooispel in een bloedbad verkeerde. Zij kende den wrok, door Adeelen tegen den Graaf en ook tegen Deodaat gekoesterd: zij besefte de redenen, welke deze laatste had om zich over de hem aangedane beleediging te wreken: zij wist niet, tot welke uitersten de spijt hem drijven kon: en zij sidderde voor beiden: voor beiden, zeggen wij, want, ofschoon haar hart voor Deodaat sprak, een lange en oude verknochtheid en zusterlijke vriendschap hechtte haar aan den edelen Fries.Aylva was insgelijks niet zonder ongerustheid: niet zoozeer over den uitslag van Adeelens wrok voor zooveel dezen persoonlijk aanging (want de gedurige oneenigheden en vechtpartijen, welke in Friesland tusschen de Schieringers en Vetkoopers plaats vonden, hadden hem reeds zekere mate van onverschilligheid omtrent dergelijke twisten gegeven)—als wel over het dreigend onweer, dat zijn vaderland boven het hoofd hing. Hij had genoeg gezien, om te begrijpen, dat, zoo al de Friezen halsstarrig bleven weigeren zich aan Graaf te onderwerpen, deze, even hardnekkig als zij, op dieonderwerping zou blijven staan, en dat derhalve vroeg of laat een oorlog hiervan het gevolg zou zijn: en wanneer hij dan de ontzettende macht, die de Graaf te velde kon brengen, met de geringe verdedigingsmiddelen, welke Friesland daartegenover kon stellen, de geoefendheid en krijgstucht van Willems legerschaar met den ongeordenden staat des Frieschen volks, de éénheid, die den aanval zou besturen, met de verdeeldheid, die bij de verdedigers heerschte, vergeleek, dan achtte hij, dat een wonderwerk alleen Friesland voor een wissen val behoeden kon.Vader Syard had, gelijk de lezer, die zijn bedoelingen reeds beter kent dan er de Olderman en de Abt van bewust waren, licht zal beseffen, mede overvloedige stof tot gepeinzen; maar dewijl het zijne gewoonte niet was, het gesprek te beginnen in gezelschap zijner meerderen, kon zijne stilzwijgendheid niemands aandacht treffen.Wat eindelijk den Kloostervoogd betrof, de gedachten van den goeden man waren op dat oogenblik minder met het lot van Friesland of van Seerp Van Adeelen bezig, dan met den gullen zandweg, die hem, als het wandelen weinig gewoon, bij uitstek lastig viel en hem, hijgende en zweetende, gestadig deed rondzien naar een geschikte plaats om even uit te rusten.Weldra bood zich hiertoe de gelegenheid aan: het gezelschap was langs een smal voetpad, dat door dichte struiken en struweelen naar boven slingerde, op een bewassen heuvel gekomen, van waar een zoo verrassend als bevallig uitzicht den wandelaar als van zelf tot een oogenblik verpoozing uitnoodigde. Van de plek, waar men zich onder het lommer van eenige esschen, lijsterbeziën en meidoorns bevond, zag men voor zich op een tamelijk uitgestrekt weiland neder, van onregelmatigen vorm en aan twee zijden afgesloten door een kleinen duinrand, welig begroeid met berken en dwergeiken, waarvan de wortels door het witte zand van de gebrokkelde helling heenstaken. Vlak tegenover den aanschouwer liep de grond glooiend naar beneden en ontdekte men over doornenhagen, welke de weide aan die zijde bepaalden, eenig bouwland, waarvan de eentonigheid werd afgewisseld door onderscheiden groepen van hoogopgaande boomen, in wier breede takken talrijke kraaien nestelden. Daartusschen zag men hier en daar bevallige boerenwoningen verspreid, elk met haar tuin en boomgaard achter zich, alle de welvaart der streek getuigende en vaneengescheiden door welige landerijen, waarin bontkleurige runderen graasden, een paar bleekerijen, op wier groene velden eenige jonge deernen bezig waren het hagelwit linnen, dat schitterend in de zon lag uitgespreid, met water uit de daaraan grenzende sloot te besproeien. En over dat alles heen deed zich het Haarlemmermeer op, nu klaar en effen gelijk een heldere spiegel, en de zeilen terugkaatsende van tallooze vaartuigen van allen vorm en grootte, die den plas in alle richtingen doorkruisten.“Voorwaar!” zeide de Abt, nadat Madzy zoowel als de Olderman dit schouwspel een poos in stille bewondering hadden aangestaard: “mij dunkt dat wij dit alles evengoed, ja beter op ons gemak zouden kunnen bekijken, indien wij er bij gingen zitten.”Er was niets tegen dit voorstel in te brengen; en de vier hoofdpersonen van het gezelschap namen plaats op den heuvel, terwijl het gevolg zich een weinig verder tegen de helling van het duin nedervlijde.“Zijt gij aan uw bruidskrans bezig?” vroeg vader Volkert na eenige oogenblikken stilte aan Madzy, die zich onledig hield met de madeliefjes, die aan hare voeten groeiden, op eene, aan mijn lezeressen gewis niet onbekende wijze aan elkaar te hechten.“Dat heeft nog zulk een haast niet,” antwoordde zij blozende.“Nu, misschien wel,” zeide de Abt: “althans ware ik Seerp Van Adeelen, ik zou niet langer meer willen wachten: vooral sedert de hofvlinders rondom u zijn komen vliegen.... Ja! die veroorzaken hem, geloof ik, onrust en kwelling genoeg! maar dat had hij kunnen verwachten, toen gij met hem van wal zijt gestoken.”“Wat meent gij, Eerwaarde?” vroeg Madzy, hem eenigszins verwonderd aanziende.“Wel!” zeide de Abt, “ik behoef u toch het oude orakel niet te herinneren, dat bij de stichting van Dekamastins door den Abt van Bloemkamp is uitgesproken. Laat zien, hoe luidt het ook?....”“O! bedoelt gij dat?” hernam Madzy: “haal dat maar niet op,” voegde zij er haastig bij, als wilde zij een onaangename herinnering ontwijken.Maar vader Volkert liet zich niet van zijn tekst brengen. Het is algemeen opgemerkt, dat zelfs de meest wispelturige menschen nimmer zoo vasthoudend zijn, dan wanneer zij zich iets weder zoeken te binnen te brengen, dat ten deele aan ’t geheugen ontsnapt is: hoeveel te meer iemand als onze Abt, wiens gedachten zelden aan vele afwijkingen voet gaven. Zonder op het smeekend gelaat van Madzy te letten, bleef hij zoolang de voorspelling betreffende den huize Dekama (waarvan wij in onszevende hoofdstukde twee eerste regels hebben aangehaald) nakauwen en in zich zelven opzeggen, tot hij zich die eindelijk geheel herinnerd had en op een zegepralenden toon zonder haperen kon opsnijden:“As Dekama sine Rose forliest,In dy for Frieslän dat seawetter kiest,Den schille, om har to ploaitsen, kommeFuwgelt fen alle wioecken in plommen;Den schille jæ wijllje in declinearje,In ’t hædken hingje litte droaf;Mar wer bloeie in prosperearje,As de Foarstene plun wirdt Frieslans roaf.”1“Ik zie niet,” zeide Madzy, hare onrust door een half schertsenden toon zoekende te bewimpelen, “wat ik met die voorspelling te maken heb.”“Niet!” herhaalde de Abt verbaasd, “spreekt dat orakel niet van de Roos van Dekama? En hebben de minnezangers u niet uit éénen mond met dien naam bestempeld? En zijt gij niet over zee gekomen? En zwierven er niet vogels van alle veeren om u heen? En hing uw hoofdje, toen gij daareven uw kransje zat te vlechten, niet zoo droef op zijde als een geknakt bloempje?”“De eerwaarde Vader heeft geen ongelijk, Madzy!” zeide Aylva, die tot nu toe vermeden had zich in het gesprek te mengen, als had hij de wending, die het nam, willen afwachten: “ik mag het u niet verzwijgen, hoe noode ik er van spreek;—want het is een harde zaak, aan een jong en vroolijk meisje terughouding en behoedzaamheid te willen voorschrijven en haar af te houden van hetgeen, waarin zij niets ziet dan een onschuldig vermaak;—maar gij zult u in acht moeten nemen aan dit weelderige hof.”“Is mijn waarde voogd over mij ontevreden?” vroeg Madzy, terwijl een traantje in hare oogen blonk en zij zachtjes haar hoofd tegen zijn schouder drukte, gelijk een kind dat om vergeving vraagt.“Neen mijn kind! ik ben ontevreden op Adeelen en op mij zelven; want wij hadden moeten voorzien wat gebeuren zoude. Wij hadden u in Friesland moeten laten en u niet in de gelegenheid stellen van aan een hof te verschijnen, waar een oogenblik genoegen wellicht voor de rust van uw volgend leven kan gekocht worden.”“Versta ik u wel?” vroeg Madzy, wier hart op dit oogenblik de beteekenis van Aylva’s woorden reeds vooruit liep. “Waar zijt gij bevreesd voor?”En met een heimelijk beven wachtte zij het antwoord af.“De Graaf,” zeide de Olderman, nadat hij haar een wijl met vriendelijken ernst had aangestaard, “heeft gisteravond nog veel met mij over u gesproken:—hij heeft zich eindelijk vrij duidelijk uitgelaten, dat het hem niet ongevallig zou wezen, indien er huwelijksverbintenissen plaats grepen tusschen zijne volgers en de Friesche erfdochters.”“Denkt de Graaf,” vroeg de Abt, “dat het in Friesland aan mans ontbreekt?”“Het is genoeg bekend,” vervolgde Aylva, “hoe Willem van Henegouwen, wanneer hij eens een denkbeeld heeft opgevat, daarvan door geene redenen is af te brengen en integendeel in alle voorkomende zwarigheden slechts een nieuwen spoorslag ziet om naar zijn doel, door welk middel ook, te streven. Ik schrijf dan ook daaraan de pogingen toe, door hem aangewend om u op het feest te doen verschijnen.”“Ik zal mij op geen zijner feesten meer vertoonen,” zeide Madzy.“Het ware, zooals nu de zaken staan, een onvoorzichtigheid,” zeide Aylva, “u opnieuw aan zijn uitnoodigingen te onttrekken. Wij moeten vóór alles mijden, hem noodelooze redenen tot misnoegen te geven. Adeelen zou wellicht mijn woorden aan dwaze vreesachtigheidtoeschrijven: hij zoude overtuigd zijn, zoo hij mij beter kende, dat ik in groote zaken geen haarbreed van mijn stelsel wijken zal; maar des te eerder acht ik het plichtmatig, mij door geen noodelooze of zelfs verkeerde tegenstreving en halsstarrigheid te onderscheiden. Neen! door niet op de volgende feesten te verschijnen, nu gij, hoezeer dan ook door misleiding, op het eerste gekomen zijt, zoudt gij den schijn aannemen, alsof gij den Graaf wildet tarten, en dit is iets, hetwelk gij, in zijn gebied, niet zoudt kunnen volhouden. Vergezel ons op die feesten, Madzy! doch om Gods wil, wees omzichtig. Denk steeds, dat gij een dochter van Friesland zijt, en beschouw in elken schoonen Ridder, die u aanspreekt, hoe zoet zijn taal ook klinke, niet anders dan een roover, door den Graaf uitgezonden om op vijandelijke kust te stroopen.”“Ik beloof u,” zeide Madzy, “ik zal op mijn hoede wezen. Ik heb misschien reeds te veel met dien.... met die twee Italiaansche Ridders gesproken;—maar onze toevallige ontmoeting aan de hut des boschwachters is daarvan de schuld;.... en dan, gij zelf, gij waart ook buitengewoon minzaam tegen dien eenen.... Deodaat, geloof ik, is zijn naam.”—Hier zweeg zij, terwijl een gloeiend rood door hare wangen stroomde.“Gij hebt gelijk,” zeide Aylva: “ik beken, dat hij mij een genegenheid heeft weten in te boezemen, waar ik de oorzaak niet van doorgronden kan:—en echter, juist om zijn goede hoedanigheden raad ik u, dat gij u bovenal jegens hem in acht neemt. Geen laffe hofjonker, geen slechthoofd ware voor mijn Madzy gevaarlijk; tegen de zoodanigen zou ik haar niet waarschuwen. De sperwer, die den leeuwerik vervolgt, is minder te vreezen dan de groene baan, waar het zachte fluitje vrede roept.”“Zou die Deodaat waarlijk den listigen vogelaar gelijk zijn?” vroeg Madzy, eenigszins verwonderd.“Dat geloof ik niet,” antwoordde de Olderman: “ik acht hem eerlijk en goed; maar het kan zijn, en ’t ware in hem hoogst verschoonlijk, dat hij, de oogmerken zijns meesters kennende, zijn best wilde doen om in de gunst der schoone Madzy te dringen, en op zulk een wijze zijn eigen neiging en tevens de bedoelingen des Graven opvolgde. Daarom, wees met hem op uw hoede! Helaas! ik weet het bij treurige ondervinding, er is niets gevaarlijkers, dan wanneer men zich buiten zijn gewonen kring en dagelijksche bezigheden bevindt, en enkel het hart en de zinnen werkzaam zijn. De verbeelding en het gevoel, wier stem slechts weinig gehoord wordt in de beslommeringen van een geregeld en arbeidzaam leven, wreken zich dan en spelen den meester: de hartstochten sleepen ons mede, en een leven van berouw en smart vervangt de overijling van een oogenblik.”“Gij hebt dit ook ondervonden?” vroeg Madzy.“Ik zelf! en de geschiedenis van mijn lijden kan misschien dienstig zijn om u tot een nutte leering te strekken. Hoor mij aan: ook gij, heer Abt! en gij, vader Syard! en oordeelt dan of er reden tot verwondering is, wanneer men somtijds bemerkt dat ik treurig enafgetrokken ben.—Gij weet, dat ik in mijn jeugd, door een vergeeflijke roemzucht geprikkeld, mijn vaderland verliet en Keizer Hendrik, evenals andere Friesche edelen, op zijn reis naar Milaan vergezelde, waar hem de ijzeren kroon moest worden opgezet. In die stad werd mij huisvesting aangeboden door een Italiaansch edelman, dien ik vroeger in Duitschland had leeren kennen. Dankbaar herinner ik mij steeds het gul en gastvrij onthaal, dat ik in zijn paleis genoot: de uren, door mij aldaar gesleten, waren de gelukkigste mijns levens. Waarom moesten zij door jaren van rouw en hartverscheurend verdriet worden opgevolgd?“Daar, bij den edelen Cesara, leerde ik een jonge maagd uit Verona kennen, die ter bijwoning der feesten, welke bij gelegenheid van ’s Keizers kroning gegeven werden, eenigen tijd met Cesara’s echtgenoote, hare bloedverwante, was komen doorbrengen. Schoon was zij, gelijk de schilders ons de moeder Gods afbeelden, en beminnelijk gelijk de Engelen. Wij waren beiden nog in dien gelukkigen leeftijd, waarin men het tegenwoordige geniet, zonder over de toekomst na te denken: wij zagen elkander op ieder uur van den dag: ik had haar lief, van het eerste oogenblik af dat ik haar zag, en ik had het geluk, of liever het ongeluk, haar niet te mishagen:—geene week was er verloopen of ik had haar mijne min verklaard en was van hare wederliefde verzekerd.”“Het vrijen gaat daar spoedig in zijn werk,” zeide de Abt: “bij ons is men daar zoo vlug niet mede. Mijn vader heeft mij meer dan eens verhaald dat hij mijn moeder wel zeven jaren had opgepast, gelijk Jakob Rachel deed, eer zij er toe besluiten kon, hare toestemming tot een huwelijk te geven.”“Ik had verkeerd gedaan,” vervolgde Aylva: “ik had een neiging moeten smoren, die in mijn geval dwaas en misdadig was; want een plechtige gelofte verbond mij tot een tocht naar het Heilige Land. Maar ach! de jeugd is onbezonnen en het noodlottige woord was er uit eer ik het zelf wist. Wij leefden nu gelukkig en zalig, onbezorgd voor de toekomst, en ik stond gereed een reis naar Verona te doen, ten einde de hand mijner Bianca (zoo heette zij) aan haar vader af te vragen, toen een brief van dezen alle hoop ter neer sloeg. Hij vermaande zijn dochter terug te keeren ten einde een ander te huwen.”“En voldeed zij aan de begeerte haars vaders?”“Nimmer zal ik het oogenblik vergeten, toen zij mij na de ontvangst dier onwelkome tijding in den hof van Cesara’s paleis voor oogen trad: niet als een zwakke, beduchte en schuchtere dochter, welke de macht eens hoofdigen vaders vreest; maar met het hoofd fier omhoog geheven, met wangen, van verontwaardiging gloeiende, met een borst, zwoegende van gramschap. De gebiedende, dreigende toon van haars vaders brief had haar niet ter neder geslagen, maar veeleer haar besluit versterkt; zij was minder vervaard door de bedreigingen, daarin vervat, dan geraakt door de wijze, waarop hij haar dwingen wilde: ‘ik wil en begeer geen anderen gemaal dan u,’ sprak zij tot mij: ‘en zoo mijn vader gelooft, dat hij mij verkoopenkan gelijk men een vorstin doet, zal ik hem doen zien, dat hij zich bedriegt. Intusschen ik ken hem:—zoo ik niet terstond naar Verona keer, zal hij binnen weinige dagen hier zijn:—voor dien tijd moet gij mijn echtgenoot zijn.’”“Hoe!” riep Madzy, in wier ooren een zoodanige taal vreemd klonk, en strijdig met alle denkbeelden van maagdelijke ingetogenheid: “zij wilde u tot een huwelijk met haar bewegen! en buiten haars vaders toestemming!”“O! Veroordeel naar niet,” zeide Aylva: “zij handelde onder den invloed der hartstochten, op een oogenblik, dat zij om den vaderlijken dwang te ontwijken en een gehate verbintenis onmogelijk te maken, het eenige middel aangreep, dat zich aan haar verhitte verbeelding voordeed. Maar veroordeel mij, die, kalmer van zinnen, niet overijld had mogen handelen en haar de noodlottige gevolgen moeten doen inzien van een onberaden stap. Dan helaas! ik beminde haar met al den gloed eener eerste, laat ik zeggen, eener eeuwige liefde: die liefde deed mij de oogen voor de toekomst sluiten en geen andere vrees duchten, dan die van haar te verliezen. Ik stemde in haar voorslag:—en dezelfde dag zag ons vereenigd.”“En.... meldde zij dit voorval aan haar vader?”“Ik weet het niet: dit slechts vermoed ik, dat hij van onze verstandhouding kennis droeg; want weinige dagen na onze verbintenis werd ik op een avond in eene der duistere straten van Milaan door drie moordenaars overvallen; een hunner herkende ik: het was zekere Paolo, een dienaar van Graaf Luigi, van Bianca’s vader, dezelfde, die den brief gebracht had. Zwaar gewond bleef ik liggen: ik werd door eenige barmhartige voorbijgangers naar het naastbijgelegen klooster gebracht en lag daar verscheidene dagen met den dood te kampen. Toen ik, eindelijk hersteld, mijn verzorgingsplaats verliet en naar het paleis van Cesara terugkeerde, vernam ik, dat Graaf Luigi daar reeds was geweest en mijn Bianca had weggevoerd.”“En volgdet gij haar niet?”“Zij had mij door de gade van Cesara doen smeeken, zulks niet te doen. Francesco della Scala, de gevreesde minnaar, die naar haar hand stond, was op dien tijd meester van Verona, en ware ik daar ontdekt geworden, mijn dood ware zeker geweest. Zij verzocht mij daarom, mijn gelofte te vervullen en alles van den tijd af te wachten: terwijl zij mij een eeuwige getrouwheid beloofde. Ik gehoorzaamde aan haar verlangen:—minder uit vrees voor mij zelven, dan wel om haar niet aan de wraak van den Veroneeschen dwingeland bloot te stellen. Ik reisde naar Palestina: drie jaren bleef ik daar, die mij zoovele eeuwen schenen: toen ik, na afloop van dien tijd, onbekend en vermomd in Verona kwam, en naar Bianca di Salerno vroeg, hoorde ik, dat zij met den dwingeland gehuwd en sedert gestorven was.”“Zij was u dan ontrouw geworden!” vroeg Madzy verbaasd, “ondanks haar plechtige belofte?”“Wat haar aangespoord heeft om den mij gezworen eed te breken, is mij onbewust.—Zij was niet meer; wat kon een ijdele navraagbaten? Ik bleef, na het ontvangen dier vreeselijke tijding, geen uur langer in Verona.—Sedert heb ik de liefde gemijd.”“Ach!” zeide Madzy: “indien de liefde zulke rampen baart, is zij waarlijk wel te duchten!....maar ik geloof toch, dat dergelijke gebeurtenissen zeldzaam zijn.”“Minder zeldzaam dan gij denkt, Freule!” zeide de Abt, zich de kin strijkende: “gij denkt, dat wij geestelijken niets van zulke geschiedenissen afweten: maar ik verzeker u, onze kloosters worden voor een derde met mislukte vrijers gevuld. Daar is broeder Sicco, die heeft juist zulk een voorval gehad: hij was een fiksche boerenknaap en vrijde naar de dochter van den rijken Juwe Donia:—maar toen de zaak zoogoed als klaar was, liet zij hem zitten en nam Agge Hettinga, die toch lang zulk een schoone kerel niet was. Toen ik dat hoorde, dacht ik terstond: Sicco Sybes zou een goede aanwinst zijn voor het klooster; want gij moet weten, zijn boerenwoning grenst juist aan onze landerijen in Hemelumer Oldephaart, en toen sprak ik er over met broeder Syard, die....”“Met verlof van uw Eerwaarde,” viel de monnik in, die ongaarne den schijn wilde hebben, als had hij Sicco bepraat om den geestelijken stand te omhelzen: “de knaap is uit zich zelven bij uw Eerwaarde gekomen.”“Juist, broeder Syard, juist!—dat is wat ik zeggen ging, toen gij mij in de rede vielt; ik heb toen ook slechts een paar woorden met hem gesproken, omdat ik begreep, dat het niet zou passen, indien men zeide dat ik hem ingepalmd had; daarom, gelijk u heugen zal, heb ik u verzocht, hem ondershands eens te polsen en over te halen om het kleed der orde aan te trekken.”Broeder Syard beet zich op de lippen, en zoomin de Olderman als Madzy waren in staat den glimlach te onderdrukken, dien het verhaal van den Abt bij hen verwekte. Eveneens echter als een beek, die half verborgen voortsijpelt onder de schaduw der donkere struiken, welke haar overwelven, wel voor een oogenblik een vroolijk aanschijn erlangt, wanneer de zonnestralen door de dikke takken heendringen en hare oppervlakte beschijnen, maar weldra, als de hemelbol weder achter wolken wegschuilt, hare vorige somberheid terugkrijgt, zoo hernam ook het gelaat der schoone Friezin spoedig de ernstige plooi, welke de geschiedenis van Aylva’s rampzalige liefde daarop had doen ontstaan, en een diepe zucht verried de onrust, welke de toepassing van dat verhaal op hare eigene gewaarwordingen had teweeggebracht.Welke intusschen de slotsom was, waartoe die innerlijke overpeinzingen haar brachten, en of ook bij haar de schier algemeen geldende regel bevestigd werd, dat men zich in liefdeszaken zelden aan het voorbeeld van anderen spiegelt, zal uit het vervolg dezer geschiedenis blijken.1“Als Dekama zijne Roos verliest,En deze voor Friesland het zeenat kiest,Dan zullen, om haar te plukken, komenVogels van alle wieken en veeren;Dan zal zij welken en verkwijnen,En ’t hoofdje droef laten hangen;Maar weer bloeien en tieren,Als des Vorsten buit Friesland ten deel valt.”Veertiende Hoofdstuk.Trompetten en schalmeienDoorklonken hof en wal:De Ridders vloeiden samenOp ’t daav’rend Feestgeschal.Van ’t overwelfde vensterVan Klermonts opperzaal,Zag Blanka, de overschoone,Den rijken wapenpraal.Bilderdijk.Reeds voor het aanbreken van den volgenden dag waren niet slechts al de stoepen en ramen, maar ook al de daken en luifels der huizen rondom de groote markt of hetZandte Haarlem bedekt met een tallooze menigte van toeschouwers, van overal te zamen gevloeid om het tornooispel te aanschouwen. De groote kerk, welke thans de bewonderende aandacht trekt van al wie Haarlem bezoekt, bestond nog niet, zoodat de opene vlakte, tusschen de gebouwen besloten, genoegzame ruimte verschafte tot het houden van ridderlijke spelen. Het eenige hinderlijke, dat de gelegenheid opleverde, was een beek, welke toen ter tijd nog de markt over haar geheele lengte in twee schier gelijke deelen doorsneed, om zich wat verder, waar nu de kraan is, in het Sparen te ontlasten; maar men had de zwarigheid, hieruit ontstaan, niet alleen uit den weg geruimd, door van afstand tot afstand breede bruggen te slaan van planken, met zand en zoden overdekt, welke de gelegenheid gaven om het veld in alle richtingen te doorkruisen, maar ook van de beek zelve partij getrokken, door er gedurig water uit te hozen, ten einde den gullen grond van de kampplaats te bevochtigen. Een hooge stellage, rijk met gebloemte versierd en met vaandels en bloemen prijkende, besloeg de geheele zuidzijde van het plein en was in gaanderijen afgedeeld, waarvan de middelste of kleinste voor het Grafelijk gezin en de beide overigen voor de aanzienlijke genoodigden waren bestemd. Vandaar af liep een lage omheining naar weerskanten in den vorm van een eirond af, om zich aan de overzijde weder te vereenigen: deze afsluiting, strekkende om de toekijkers te verhinderen, binnen het krijt te komen, had slechts twee uitgangen, een aan elk der beide uiteinden, welke met banderollen versierd en door gewapenden bewaakt werden: terwijl de Herauten en hun dienaars het plein gestadig op en neder liepen om de goede orde te handhaven, en te zorgen dat niemand eenige hoogere plaats innam dan waarop zijn rang en geboorte hem recht gaven.“Bij onzen heiligen Patroon!” zeide meester Claas Gerritsz., die zich ingevolge zijn betrekking van marktschrijver recht tegenover den zetel der Gravin een aardig afgesloten hokje had laten timmeren:“ik geloof dat de Graaf tevreden zal wezen over de wijze, waarop wij alles geschikt hebben.”Degene, tot wien hij dezen uitroep richtte, was een man van athlethische gestalte, wien men, aan zijn naakte, forsch gespierde armen en aan de zwarte kleur, welke zich met het vel vereenigd had, voor een wapensmid herkende. De marktschrijver reikte nauwlijks tot aan zijn elleboog, ofschoon hij op de toonen ging staan zoo dikwerf hij hem aansprak. De groote lichtblauwe oogen van den Haarlemschen Vulkaan wendden zich gedurig langzaam heen en weder, nu eens naar de kampplaats, dan weder achterwaarts over de volksmenigte heen naar de smederij, op welker dorpel twee wakkere knechts een wenk van hem stonden af te wachten, om zich overal heen te begeven, waar de omstandigheden hunne hulp mochten vereischen.“Daar hapert niets aan,” antwoordde hij op des Marktschrijvers toespraak, zonder echter den blik op hem te doen afdalen, “en Jan Paypaert verstaat zijn werk;—nu, ’t ware ook schande indien hij het niet kende; hij heeft het lang genoeg uitgeoefend.”Meester Claes Gerritsz beet zich op de lippen, weinig over deze bevestiging zijner woorden tevreden, daar volgens haar de eer, welke hij zich aanmatigde, niet hem, maar den Wapenkoning gegeven werd.”’t Is waar,” hernam hij, “de oude man heeft zich veel moeite gegeven; maar hij krijgt toch ook zijn jaren, en zoo hij minder vlug wordt, hij wordt er des te koppiger om. Hij heeft volstrekt niet naar mijn raad willen luisteren, toen ik hem voorstelde, de gaanderijen liever aan deze zijde te bouwen, zoodat de troon vlak voor de Sint-Jansstraat kwam; dan had het Grafelijk gezin immers niet de halve stad behoeven om te rijden ten einde zijn plaats te bereiken.”“Ja,” zeide de wapensmid, met een spottenden lach, “en zij waren allen geroosterd als bokking van de blakende zon, gelijk wij zoo meteen zijn zullen.”“Ei! ei! een smid moet niet bang zijn voor wat hette,” zeide de marktschrijver, een weinig beteuterd over deze juiste aanmerking:—“maar inderdaad, het ware immers veel schooner gezicht geweest, indien de stralen der lieve zon al die mooie meisjes en vrouwtjes beschenen, en zich in hare schitterende juweelen en sieradiën gespiegeld hadden, dan dat ze, gelijk nu, in de schaduw zitten.”“Inderdaad, dat had zeer fraai gestaan!—en menig Ridder zou door dien glans zoo verblind zijn geweest, dat hij zijn speer wel een voet bezijden zijn tegenpartij zou gestoken hebben. Neen! neen! de Herauten weten beter hoe het hoort.”“De Herauten!—lieve knapen!—hebben zij zoo meteen den doortocht niet geweigerd aan onze Vroedschappen, ’t geen geheel strijdig is met het Privilege van Koning Willem, artikel....”“Wat Privilege!—alle Privileges houden op voor de poort van een kampwerf. Wat hebben zij er met hun rokken van Amsterdamschzwart ook te doen? Laten zij voor de ramen van hun raadhuis blijven kijken, en zich de handen wrijven over al het vreemde geld, dat hier in de stad komt.”“Foei buurman! Is dat als een echte poorter gesproken? Wij werden ras genoeg door onze adellijke naburen opgevreten, indien wij niet, waar ’t behoort, onze Privileges deden gelden.”“Gekheid! Is er ook wat mede te verdienen met een half dozijn stormhoeden, die ik in ’t jaar aan de stad lever? De tuigage van één Jonkerspaard doet mij meer verdienen dan al de poorters van Haarlem.... maar ik hoor daar trompetgeschal.—De Kamprechters komen.—Mutsen af buren! en een hoezee voor den Heer van Beaumont!”Het was inderdaad deze Edelman, die op het steekspel den Graaf vertegenwoordigen moest en nu aan ’t hoofd van eenige Ridders de kampplaats opreed, verwelkomd door herhaalde en daverende toejuichingen, welke niet slechts zijn prachtig gewaad en sierlijken trein, maar ook zijn erkende verdiensten en beminnelijken aard moesten gelden. Voor hem uit reed de Wapenkoning van Holland, Jan Paypaert, die, schoon een grijsaard van over de tachtig jaren, het ambt, dat hij reeds onder Floris V bekleed had, nog altijd vereerde door den zwier en de vastheid, waarmede hij zijn ros bestuurde:—achter hem reden twee Herauten, benevens Gerard van Florevy, die ’s Graven banier droeg. Simon van Teylingen en Gwij van de Merwede, van top tot teen gewapend, volgden als Kamprechters, door een stoet van schildknapen en trompetters vergezeld.De trein reed het krijt rond, waarna Beaumont met twee bijzitters den voor hem bestemden zetel beklom, de Wapenkoning zich aan den westelijken ingang plaatste, en de Kamprechters aan de beide zijden van de Grafelijke loge onbeweeglijk post vatteden.Spoedig werd deze eerste stoet door een tweeden van een geheel anderen aard vervangen, namelijk door de geestelijken, die met kruis en banier rondgingen, ten einde de kampwerf in te wijden, en aan de tooverijen of bezweringen, welke men zou willen gebruiken, alle kracht te ontnemen.Na deze plechtigheid werd het geduld der toeschouwers weder een geruimen tijd op de proef gesteld; maar de hooggespannen verwachting werd ruim voldaan, toen een schel klaroengeschal, afgewisseld door een vroolijke muziek, de nadering van den hofstoet aankondigde en men weldra door de hoofdstraat de Gravin zag aankomen, op ’t prachtigst uitgedost en omringd van een luisterrijke schaar van Ridders en Jonkvrouwen, op trappelende rossen en witte hakeneien gezeten en schitterende van goud en edelgesteenten. Na onder een oorverdoovend gejuich der menigte de kampplaats tweemalen te hebben rondgereden, steeg de hofstoet af en nam de bestemde plaatsen in, terwijl de Gravin zich in hare loge plaatste, vlak achter den zetel des Heeren van Beaumont.En nu duurde het niet lang, of een gerucht, niet ongelijk aan dat van een geweldigen waterval, dien men al gedurig dichter bij zich hoort, deed zich uit de Zijlstraat vernemen en alle oogen derwaartsheenzien. Weldra vertoonde zich een gemengel van golvende pluimen, rijk geborduurde sjerpen en banieren: het waren de kampvechters, die zich buiten de stad vergaderd hadden en thans gezamenlijk, van hun schildknapen en wapenknechten vergezeld, aan den ingang ter westzijde stilhielden. De Wapenkoning zond hierop een zijner Herauten af naar Beaumont, om den vrijen intocht te verzoeken voor de Edele Ridders, die hun werd toegestaan: ten gevolge waarvan zij binnenreden, en zich terstond oost- en westwaarts in twee partijen verdeelden. De eene, die grootendeels uit Hollandsche, Henegouwsche en Stichtsche edelen bestond, had tot aanvoerder geen minder persoon dan Graaf Willem zelven, die door zijn manhafte houding en de bekwame wijze, waarop hij zijn klepper bestuurde, aller oogen tot zich trok: de andere partij, hoofdzakelijk samengesteld uit de bloem der Duitsche Ridderschap, welke de zucht om roem en eer te behalen had herwaarts gelokt, was geschaard onder Hendrik Dusmer van Aertsbergen, een edelman uit Pommeren, en Grootmeester der Duitsche orde, die zich door zijn zegepralen op de Lithauwsche heidenen en Russen, door geheel Europa met roem had bekend gemaakt.Na de gebruikelijke plechtigheden, welke een steekspel voorafgingen en wier vermelding hier te wijdloopig zoude worden, reden de beide partijen opnieuw eenige keeren het krijt rond, ten einde hun kloekheid in ’t besturen hunner paarden te toonen en hun prachtige wapenrusting te doen bewonderen; waarna zij hun plaats hernamen.“Waar of onze vriend Adeelen schuilt?” vroeg de Abt van Sint-Odulf aan zijn mede-afgevaardigde, die met hem en de schoone Madzy in eene der gaanderijen gezeten was, naar welke menig oog zich in ’t voorbijgaan richtte.“Ik heb hem nog niet herkend,” zeide Aylva: “hij heeft mij een geheim gemaakt van zijn wapenrusting, die hij hedenmorgen te Haarlem is gaan halen: en wat de paarden betreft, die zijn onkenbaar onder die vracht van netwerk en dekken, waarmede zij opgeschikt zijn.—Wat dunkt u er van, Madzy! kunt gij een dier Ridders herkennen?”Madzy zweeg, en kleurde tot over de ooren; want zij had in eenen Ridder van ’s Graven gevolg, die in ’t voorbijgaan opzag, Deodaat van Verona herkend.“Luister!” zeide de Abt: “wat gaat die klerk daar voorlezen?”“Het zijn de wetten van het steekspel,” antwoordde Aylva: “zoowel die, welke algemeen geldende zijn, gelijk het verbod van betooverde wapenen te gebruiken of van het paard zijner wederpartij te wonden, als die, welke meer bijzonder op dit gevecht toepasselijk zijn.”“Zoo! en hoe zal het hier in zijn werk gaan? Zullen die beide troepen maar in ’t wild op elkander rijden? Sint-Odulf! dat zal een verwarring geven.”“Men zal heden naar een nieuwe kampwijze strijden, welke in Vlaanderen en Henegouwen meer bekend is dan hier, en:la defencedu fis d’orgenoemd wordt: ’t welk zooveel wil zeggen als: de verwering van den gouden draad. Zie slechts: daar komen de knapen aan, om hem te spannen.”Het was zooals Aylva zeide: dwars over het kampperk werd een koord, met gouddraad omwoeld, van een paal voor den zetel van Beaumont af, tot aan het hokje des marktschrijvers vastgemaakt;—en nu ontstond er een gespannen verwachting bij de toeschouwers, die, schoon zij onder de lezing der kamp wetten over ’t geheel een eerbiedig stilzwijgen hadden bewaard, echter door hun her- en derwaarts rollende oogen duidelijk deden bespeuren, dat zij zeer naar den afloop verlangden, en naar het oogenblik dat het tornooispel een aanvang zoude nemen; dan hun hoop werd nog niet vervuld, en een zonderling, hoewel niet geheel ongewoon voorval noodzaakte hen, hun geduld nog eenigen tijd te oefenen, of liever, gaf een andere wending aan hun nieuwsgierigheid.Dadelijk nadat het koord gespannen was, verliet een Ridder in een blauwe rusting met zilveren lieren bezaaid, het gelid, en reed met een vluggen draf tot voor den zetel van Beaumont, alwaar hij zijn ros op eens onbeweeglijk deed stilstaan, als in afwachting dat hem verlof gegund werd om te spreken.“Wat begeert gij?” vroeg Beaumont, verwonderd, “en waarom verlaat gij tegen alle orde de u aangewezene plaats?”De Ridder haalde een perkament voor den dag, dat in de plooien van zijn sluier verborgen was en reikte het eerbiediglijk met de punt zijner lans over aan ’s Graven vertegenwoordiger.“Als vrijgeboren man en Ridder,” zeide hij, “verzoek ik, Deodaat van Verona, dat deze uitdagingsbrief ten aanhoore van een iegelijk worde gelezen.”Beaumont overhandigde den brief aan den klerk, die hem met luider stemme voorlas.“Ik, Deodaat van Verona, Ridder, verklaar bij dezen, onbetamelijk en onridderlijk beleedigd te zijn door Seerp, Heer van Adeelen, Friesch edelman, en hem te houden voor mijnen doodvijand, hem uitdagende tot een kamp op leven en dood, met zulke wapenen als hij zal verkiezen, alles onder verlof en toestemming van onzen Heere den Grave van Holland en Henegouwen.”“Wij kunnen thans geene bijzondere twisten aanhooren,” zeide Beaumont, zijn kweekeling aanziende met een blik, waarin ontevredenheid met vriendschap vermengd was: “na den afloop van het steekspel zal u gelegenheid gegeven worden uwe belangen in te brengen.”Nauwelijks had hij deze afwijzende beschikking gegeven, of een tweede Ridder in schier gelijken dos kwam insgelijks uit des Graven stoet aangereden, en overhandigde op gelijke wijze een tweede perkament aan Beaumont. De algemeene nieuwsgierigheid groeide nu te sterker aan, en te meer, hoe verder men van het midden verwijderd en daardoor minder in de gelegenheid was, te vernemen wat er eigenlijk gaande was. Ook Graaf Willem, die zich op een te grooten afstand bevond om iets te verstaan, kwam met een paarzijner vertrouwelingen aangereden, tijdig genoeg om den tweeden brief te hooren lezen, die van den volgenden inhoud was:“Ik, Rinaldo van Verona, Ridder, verklaar bij dezen, dat ik onridderlijk behandeld en grovelijk beleedigd ben door Deodaat, mede zich noemende van Verona; dat ik hem voor mijnen vijand houde en hem uitdage om op dood en leven tegen mij te kampen, met welke wapenen hij verkiezen zal, alles met verlof enz.”“Zijn zij dol geworden?” riep de Graaf: “twee vrienden van kindsbeen af! twee broeders!—Wij zullen na den kamp hierover nader spreken.”Op datzelfde oogenblik kwam een derde Ridder, doch nu uit den trein van Dusmer, met een perkament in de hand aanrijden.“Wat dien betreft, dien ken ik,” zeide de smid tegen zijn kleinen buurman: “dien heb ik zijn rusting geleverd. Het is een Friesch edelman, en mild heeft hij mij betaald:—’t speet mij maar, dat zulk een deugdzame kolder om het lijf van een stuggen Schieringer sluiten moest.”“Is het die ongeluksvogel?” zeide Claes Gerritsz, “die ons voor drie dagen zooveel spels gemaakt heeft! Ware ik gij geweest, ik had al de spijkers in het harnas gelaten, zoodat hij er ingezeten had als Velzen in zijn vat. En wat heeft deze nu weer te vertellen?”“Heeft de duivel hen bezeten?” riep graaf Willem: “Dat is nu al de derde! als het zoo voortgaat, zullen wij de geknotte lansen tegen scherpgepunte speren moeten inruilen.”Maar zijn verbazing vermeerderde, toen hij de derde uitdaging hoorde, welke in dezer voege luidde:“Ik, Seerp Van Adeelen, vrije en edele inboorling van Friesland, verklaar mij bij dezen grovelijk beleedigd en gehoond door Willem, Grave van Holland en Henegouwen, zich valschelijk noemende Heere van Friesland, ontzeg hem alle hulde of manschap, welke hij van mij mocht beweren te kunnen vorderen, en bied aan om mijn goed recht in besloten kamp vol te houden, tegen hem of tegen al, wie hij in zijne plaatse zenden wil.”Indien de vorige uitdagingen met verwondering, doch tevens met belangstelling waren aangehoord geweest, die van den Fries verwekte een rumoer en een verontwaardiging, welke zich als een loopend vuur over de gansche markt verspreidden, naarmate de woorden, waarin die vervat waren, van mond tot mond herhaald werden. “De kerel is gek!” riep men van alle kanten: “wie heeft ooit gehoord, dat iemand zijn leenheer ten kamp uitdaagt?—Werpt hem het krijt uit! In het Sparen met den Fries!”“Stilte! mijn Heeren! stilte!” riep Graaf Willem, met een stem, die boven de andere heenklonk. “Wij zullen onze eer zelf handhaven, zonder daartoe uwe hulp in te roepen. Seerp Van Adeelen! wij nemen uwe uitdaging aan.”“Graaf!” riep Beaumont: “dat moet niet zijn! Ik bekleed hier thans uwe plaats en moet zulk een dwazen strijd verbieden. Gij moogt uw edel lijf niet wagen tegen den eersten dollen knaap den besten, die begrijpt u ongestraft te mogen hoonen.”“Laat ons hiermede betijen, genadige Oom!” zeide de Graaf, met bedaardheid: “zoo wij wel verstaan hebben, is deze Seerp Van Adeelen mede uitgedaagd door Deodaat van Verona, en deze wederkeerig door Reinout.”“Zoo is het,” antwoordde Beaumont.“Welnu! ten einde nuttelooze bloedstortingen te voorkomen, zoo dragen wij de handhaving van ons goed recht over aan Deodaat, en gelasten Reinout, zijn veete over te doen aan Seerp Van Adeelen: en dat deze strijd tusschen Deodaat en Seerp Van Adeelen uitgemaakt worde op morgen te dezer plaatse, zullende wij dien met ons gansche hof komen bijwonen.”Een blos van vreugde en verrukking bedekte het gelaat van Deodaat, op het vernemen dezer schikking, welke hem niet alleen het verdriet bespaarde van tegen zijn vriend te strijden, maar hem ook de onderscheidende gunst verschafte, van de eer zijns Graven te wreken. Adeelen en Reinout daarentegen toonden een ontevredenen blik: de laatste, omdat hem de kampstrijd ontzegd was; de eerste, omdat hij zich niet tegen den Graaf zelven meten mocht. Beiden echter begrepen van den nood een deugd te moeten maken en in de uitspraak te berusten.“Dit punt alzoo geschikt hebbende,” zeide de Graaf, “blijft ons niets over dan om naar onze plaatsen terug te keeren: vooraf echter moet ik u herinneren dat wij heden slechts een spiegelgevecht hebben en dat alle veete tot den volgenden dag moet blijven rusten.”“Daarvoor zal gezorgd worden,” zeide de Grootmeester der Duitsche orde, die insgelijks genaderd was: “bij Sint-Veit! de eerste van mijne partij, die de bepalingen van een vriendschappelijken kamp overtrad, zou ik met eigen hand den kop kunnen inslaan.”Na deze betuiging van Dusmer reden beide partijen naar hunne standplaatsen terug en niet lang daarna gaven de trompetten het gewenschte teeken tot den aanvang van het tornooi.Het doel van het kampgevecht, dat nu plaats zoude vinden, was om het koord, dat het krijt in twee deelen afsneed, over te springen en een der houten moorenkoppen, welke aan weerszijden hier en daar op groote staken gesteld waren, af te halen en als zegeteeken met zich heen te voeren; terwijl zoowel het overspringen van het koord als het weghalen der koppen door de tegenpartij belet moest worden.Nu klonk het tweede trompetgeschal, en onder het geroep der Herauten, het gewuif van hoeden en mutsen en zakdoeken, en het handgeklap der menigte, kwam er van beide zijden een twintigtal met gevelde lansen aangesneld. Met het gedruis van een springvloed, die tegen een sluis aanbruist, bonsden zij tegen elkander aan: en, zoodanig was de riddergeest, die allen bezielde, dat elk op zijne weerpartij aanreed, en er niet een aan dacht om van de overgelatene openingen gebruik te maken en zonder eene lans te breken het gespannen koord te bereiken.Geheel het plein daverde van den schok: en toen de stofwolk, dieeerst den strijdenden hoop aan aller oogen onttrokken had, was omhooggerezen, zag men welk een geheel ander schouwspel de uitslag der ontmoeting had opgeleverd. Aan weerszijden van het koord lag een aantal Ridders en paarden van beide partijen in het zand, en, om hen, brokken en splinters van lansen, geknakte schilden en pluimen. Sommigen, wier lansen gebroken waren, keerden terug om er versche te halen; anderen daarentegen waren, na hunne tegenpartij uit den zadel gelicht te hebben, over het koord gesprongen, waar zij nu op de bewakers der moorenkoppen aanrenden, en op hunne beurt eene nederlaag ondervonden, welke zij aan anderen hadden toegebracht. Slechts weinigen gelukte het een dubbele overwinning te behalen en met het zegeteeken op de punt hunner lans het eind der baan te bereiken.De krijgsmuziek, welke zich gedurende dezen strijd had doen hooren, zweeg nu op eens en werd door een kort geschal der klaroenen vervangen, hetwelk den afloop der eerste ontmoeting aankondigde. De verwonnenen begaven zich beschaamd en haastig buiten het krijt: de zoodanigen onder de kampers, als hun loop roemrijk ten einde gebracht hadden, keerden in triomf terug en voegden zich weder bij hunne partij, na vooraf hun zegeteekenen aan de Kamprechters vertoond te hebben. Een korte rust werd nu aan beide partijen gegund, zoo om eenige verversching in de aan beide uiteinden geplaatste tenten te gebruiken, als om de noodige herstellingen aan de wapenrustingen te doen plaats hebben, waartoe onze smid dadelijk met zijne hulp gereed was. Spoedig echter riep de trompet hen weder tot aanval en verdediging op: en hetzelfde schouwspel vertoonde zich eenige reizen achter elkander.“Het is gelukkig voor Seerp Van Adeelen,” zeide de Olderman tegen den Abt, “dat de Graaf zijne uitdaging niet voor zich zelven heeft aangenomen; want de naam van den besten Ridder van Duitschen lande is hem niet tevergeefs gegeven.—Hebt gij er wel op gelet, hoe hij driemalen gereden heeft en driemalen zijn weerpartijder uit den zadel heeft doen buitelen?”“Adeelen gedraagt zich ook wakker genoeg,” zeide de Abt: “zaagt gij niet, hoe hij dien dikken Stichtenaar met den blauwen vederbos in het zand wierp?”“Nu, wij zullen er spoedig over kunnen oordeelen, wie de beste kamper is,” zeide Aylva: “want het aantal is gedund en er zullen weldra niet meer dan een zestal paren overschieten.”Het was gelijk de Olderman zeide. De meeste Ridders hadden, òf uithoofde hunner nederlaag het perk verlaten, òf zich wegens vermoeidheid en, als meenende genoeg voor hun eer gedaan te hebben, onder de toeschouwers begeven. Dan, het verminderd getal van kampers maakte den strijd des te belangrijker, daar het er nu niet meer op aankwam om slechts op elkander aan te rijden, maar om door allerlei gezwinde wendingen en bedrieglijke aanvallen, van de eene zijde pogingen te doen, om den gouden draad te overschrijden en van de andere zijde, om door behendige tegenbewegingen zulks te keer te gaan. Van de zijde des Graven hielden buiten hem niemandhet veld meer dan de Baanrots van Ligny, Gwy van Asperen, Floris van Montfoort en de beide Italianen; terwijl aan de andere zijde de Grootmeester Dusmer, Adeelen en een andere Ridder gereed stonden den kamp te hervatten.“De kans staat ongelijk, vrienden!” zeide de Graaf, op het oogenblik dat zij zich tot de laatste ontmoeting zouden bereiden, welke men begreep, dat beslissend zijn zoude. “Ligny en Asperen zullen met mij den gouden draad verweren: en gij Reinout en Deodaat, blijft achter om te zorgen dat men onze laatste moorenkoppen niet roove: met Montfoort bij u, om te verhoeden dat gij elkander niet doodslaat.—Houdt u goed! en zorgt vooral dien Ridder, met den rooden arend op den helmkam, wel te raken: hij heeft reeds menigen der onzen in het zand doen bijten.”Terwijl hij zich aldus uitte, was aan den overkant de Ridder, van wien hij sprak, Adeelen op zijde gekomen: “Welnu!” zeide hij; “heb ik mijn woord gestand gedaan, dat ik u eergisteravond gaf, van mij behoorlijk op het steekspel te zullen gedragen.”“En ik vertrouw, dat ik mij van mijnen kant niet slecht gekweten heb,” zeide Adeelen: “mocht ik slechts zoo gelukkig zijn, dien trotschen Graaf eens tot mijn tegenstander te krijgen; doch hij ontwijkt mij.”“Ja, gelijk de kat de muis. Hij heeft intusschen geen slechten kampioen gekozen: die Deodaat van Verona heeft zich wakker gedragen:—wij zullen zien hoe hij zich voor ’t laatst zal houden.”Slechts een oogenblik duurde het, of de klaroen werd opnieuw gestoken en van beide zijden reden de drietallen op elkander aan, met zulk een gelijke vlugheid, dat zij ter zelfder tijd aan het koord kwamen. Dusmer weerstond des Graven schok, en beider lansen vlogen als rietstokjes tot spaanders: Ligny, die tegen Adeelen aankwam, verloor de teugels, en werd dus als overwonnen beschouwd, terwijl Gwy van Asperen door den Ridder van den Rooden Arend met kracht uit den zadel werd geworpen. De beide winnaars waren echter in hun doel om het koord over te springen verhinderd en moesten hunne paarden omwenden, ten einde een nieuwen loop te nemen.“Voorwaar!” zeide de Graaf tot Dusmer, terwijl beiden hunne paarden oprichtten, die tegen het koord waren neergestort: “ik geloof at wij ons overwonnen moeten beschouwen.”“Uwe Genade heeft nog hulptroepen bij de hand,” zeide Dusmer, “en is mij in getal vooruit.”“Wij zullen dan nog een rit wagen,” zeide Willem, de oogen naar zijn achtergeblevene strijdgenooten wendende: “maar wat zie ik? is de twist weder aan den gang!”Dit zeggende reed hij vliegens terug, en vond Reinout en Deodaat in heftige gemoedsbeweging, en Montfoort, die hen vergeefs zocht te stillen.“Hoe is het, kinderen!” zeide hij: “kunt gij na zoovele jaren van vriendschap, elkander geen oogenblik rustig verdragen?”“Dat is het niet, heer Graaf!” zeide Reinout: “die Ridder van den Rooden Arend, die Gwy van Asperen zoo onzacht heeft neergesmetenen daarginds van zijn schildknaap een versche lans ontvangt, berijdt het paard, dat mij ontstolen is. Ik had het in demêléeniet bespeurd; doch nu maakt Deodaat mij opmerkzaam......”“En zoo ik mij niet bedrieg,” zeide Deodaat, “dan heb ik zooeven zijn schildknaap met mijnen vos rond zien stappen.”“Wij kunnen toch niet denken,” zeide Willem, “dat een Ridder, die zich zoo wakker gedraagt, een paardendief zoude zijn; maar stel u over hem, Reinout! en zie, dat gij uw beest terugwint. En gij, Deodaat! bestrijd den Fries, dan kunt gij een voorproefje hebben van uw strijd van morgen. Wat mij betreft, ik heb aan de eer van den dag genoeg.”Het bleef op deze wijze het lot van Montfoort om met den Duitscher te kampen, en voorspoedig kweet hij zich van de hem toevertrouwde taak. De beide lansen gleden over de kurassen heen, terwijl de beide Ridders, elk van zijnen kant, het gouden koord overvlogen en met een zegeteeken aan de lanspunt terugkeerden.Een geheel anderen uitslag had de ontmoeting van Adeelen met Deodaat gevolgd. Zij braken hun lansen met gelijke kracht: doch niet met hetzelfde geluk; want het paard van den Fries, door den schok verschrikt, deed een zijdesprong, struikelde en stortte met zijn ruiter in de beek, onder het luid hoezee der toeschouwers.Wat Reinout betrof, in stede van zijn weerpartij den overtocht van hetfis d’orte beletten, had hij met opzet de vaart van zijn paard vertraagd, en reed nu, de lans in de hoogte houdende, den Ridder van den Rooden Arend te gemoet, zoodra deze het koord was overgesprongen. De onbekende, dit bespeurende, hield zijn ros staande.“Met uw verlof, Heer Ridder!” zeide Reinout: “ik kan niet kampen tegen iemand, die op mijn eigen paard zit, zonder eerst te weten hoe hij er aankomt.“Gelooft gij, dat ik het gestolen heb?” antwoordde de andere: “ik heb het gisteren op de markt te Leiden gekocht.”“Bij alle heiligen!” riep Reinout, zich op eens bezinnende; “ik ken die stem! waart gij het niet, dien ik eergisteren in het gewaad van Barbanera met dien Frieschen monnik zag praten?”“Gij zijt een luistervink!” zeide de onbekende.“En gij een verrader!” riep de Italiaan. “Hier! hulp mijne Heeren! deze schelm brouwt aanslagen tegen den Graaf.”Onder het uiten dezer woorden greep hij den vreemden Ridder met de linkerhand in de borst; maar deze, zijne lans wegwerpende, bukte zich, vatte Reinout met beide handen bij ’t been en slingerde het zoo behendig over den zadel, dat de jongeling aan de andere zijde op het veld viel, waarop de vreemdeling terstond den teugel wendde, en, eer de Kamprechters, die op dit vreemde gezicht van twee worstelende ruiters aan kwamen draven, het verhinderen konden, dwars de kampplaats overreed, zijn paard over de omheining deed springen, door de verschrikte menigte heendrong en, zonderdat iemand zich tegen hem verzette, zich door een zijstraat aan aller oogen onttrok. Zijn schildknaap, die de beweging zijns meesters gezien had, haastte zich insgelijks te verdwijnen, ’t geen hem te gemakkelijker viel, daar hij zich aan den ingang van het perk bevond, alwaar niemand de oorzaak van zijn vertrek bevroeden kon, noch eenige reden zag om zijn aftocht te belemmeren.Intusschen was Reinout weder opgestegen en met drift naar Beaumont toegereden: “die schelm, die daar heenvlucht, is een dief en een verrader!” riep hij: “laat hem najagen! hij moet beroofd worden van de wapenrusting, die hij onwaardig is te dragen.”“Gij hadt u vóór het steekspel deswege moeten beklagen,” zeide Beaumont: “ieder kamper, die eenmaal door de Herauten is toegelaten, heeft vrijgeleide en moet onverhinderd kunnen aftrekken.”Graaf Willem en Dusmer waren ondertusschen naar de plaats gereden, waar Adeelen overwonnen was en waar Deodaat en Montfoort, na het volbrengen van hun rit, waren teruggekeerd. De Fries had, na zijn nederlaag, het veld in haast verlaten.“Wat zegt gij, edele Dusmer?” vroeg de Graaf: “zullen wij nog eene lans breken?”“Ik ben alleen,” antwoordde de Grootmeester: “en ik geloof mijn eer genoeg te hebben gehandhaafd, om te mogen erkennen, dat de overwinning, hoe goed ook betwist, aan uwe zijde is verbleven.”“Uw beste kamper heeft u verlaten,” zeide Willem, “anders stond uw kans nog zoo kwaad niet. Hoe het zij, laten de Kamprechters uitspraak doen.”De uitspraak deed zich niet lang wachten: Beaumont, na de Kamprechters te hebben gehoord, rees op, en verklaarde, dat de partij, welke door Graaf Willem was aangevoerd geweest, de zege had behaald; doch dat aan den Graaf, aan Hendrik Dusmer, aan Deodaat van Verona en aan Floris van Montfoort gelijke prijzen, wegens de door hen betoonde dapperheid, behoorden te worden toegekend.“Wat den Ridder van den Rooden Adelaar en Reinout van Verona betreft, zij zouden op gelijke belooning aanspraak kunnen maken; maar de eerste heeft zich vrijwillig verwijderd: en wat den anderen betreft, hij heeft zijne aanspraak verloren, doordien hij, bij den laatsten rit, in stede van op zijn weerpartijder aan te rijden, hem op een onridderlijke wijze in de borst heeft gevat en een steekspel in een vuistgevecht heeft veranderd.”“Kon ik een deugniet, die mijn paard stal, ridderlijk behandelen?” bromde Reinout tusschen zijn tanden.“Met uw verlof, genadige Oom!” zeide Willem: “wij zullen uwe uitspraak in zooverre wijzigen, dat wij de verschooning aannemen, door onzen trouwen Reinout bijgebracht en hem een gelijken prijs toekennen als door ons werd behaald. Ook zijn er nog aan weerszijden menige Ridders, die, na zich wakker gekweten te hebben, niet uit vrees, maar uit beleefdheid zich aan een verderen kamp onttrokken hebben: ook die moeten niet vergeten worden. Wij zullen u verzoeken, genadige Oom! dat ook hunne namen door denHeraut worden opgelezen, ten einde zij het loon hunner dapperheid ontvangen.”Aan den wensch des Graven werd voldaan, en na een kort beraad tusschen de Kamprechters, werd hunne uitspraak overluid aangekondigd door de Herauten, en door een uitbundig feestgejuich der menigte ontvangen.Hierna volgde de bekroning der overwinnaars, welke op de gebruikelijke en elders meer beschrevene wijze plaats vond, en de uitreiking der geschenken, uit fraaie paarden, gouden en zilveren ketenen of sierlijk bewerkte wapenen bestaande; waarna de Wapenkoning het feest voor afgeloopen verklaarde: terwijl de Hofmaarschalk, op last der Gravin, al de aanwezige Edelen tot den maaltijd noodigde, die op ’s Graven lustslot zou gegeven worden.
1Zoo noemde men voorheen de keuken.2Woorden vervliegen, het geschrevene blijft.3Misschien slaapt hij alleen met de oogen.—Maar wat betreft het ontdekken van uwe waardigheid aan dezen jongeling, dit belet u zijne onvoorzichtigheid zoowel als uwe veiligheid, welke groot gevaar zoude loopen, indien het bekend werd, dat de hoop en de lust onzer Kerk onder zulk een ongewoon gewaad bedekt waren.
1Zoo noemde men voorheen de keuken.
2Woorden vervliegen, het geschrevene blijft.
3Misschien slaapt hij alleen met de oogen.—Maar wat betreft het ontdekken van uwe waardigheid aan dezen jongeling, dit belet u zijne onvoorzichtigheid zoowel als uwe veiligheid, welke groot gevaar zoude loopen, indien het bekend werd, dat de hoop en de lust onzer Kerk onder zulk een ongewoon gewaad bedekt waren.
Wat baten me uwe orakelblaên?Hoe ik mijn zinnen ook moog slijpen,Ik kan de woorden niet verstaanEn evenmin den zin begrepen.Hoffham.
Wat baten me uwe orakelblaên?Hoe ik mijn zinnen ook moog slijpen,Ik kan de woorden niet verstaanEn evenmin den zin begrepen.
Wat baten me uwe orakelblaên?Hoe ik mijn zinnen ook moog slijpen,Ik kan de woorden niet verstaanEn evenmin den zin begrepen.
Wat baten me uwe orakelblaên?
Hoe ik mijn zinnen ook moog slijpen,
Ik kan de woorden niet verstaan
En evenmin den zin begrepen.
Hoffham.
De twee dagen, verloopen sedert het tijdpunt, van waar ons verhaal is uitgegaan, waren vervuld geweest met voorvallen en avonturen van onderscheidenen aard, die, zoo al niet voor onze lezers, dan althans voor de helden onzer geschiedenis belangrijk mogen genoemd worden; maar evenals een reiziger niet altijd op weg verrast wordt door natuurtooneelen, rijk in verscheidenheid en afwisseling, maar zich somtijds moet getroosten een eenzame heide, een dorre zandwoestijn of een moerassige landstreek door te trekken; zoo komen er, ook zelfs in het woeligste tijdperk des levens, dagen voor, wier onbeduidende loop door geene enkele opmerkingswaardige omstandigheid wordt afgewisseld: zoodanig een dag was die, welke op het dansfeest volgde en het steekspel voorafging; een dag als alle soortgelijken, waarop men uitrust van de vermoeienissen des vorigen avonds en zich voorbereidt op die van den volgenden morgen. Maar met dat al, en schoon er weinig voorviel, dat hier verdient opgeteekend te worden, was het een dag van woeling en drukte en gerucht: geene straat was er in Haarlem, waar niet de moker van den wapensmid weergalmde, waar men geen snijder op zijn tafel zag, bezig met wapenrokken te bewerken of te herstellen, waar geen helmslager nieuwe nagels in de stormhoeden dreef, waar geen bontwerker bezig was met pluimen van allen vorm en kleur te vereenigen, waar eindelijk geen talrijke drom van Ridders en schildknapen heen en weder liep om zich aan te schaffen wat nog ontbrak, ten einde in vollen luister op het Tornooi-veld te kunnen verschijnen. Hier en daar zag men groote hoopen van toekijkers, waar een goudsmid bezig was zijne kunstig gedrevene sieraden aan het gevest van een zwaard of aan de oppervlakte van een maliënkoldervast te hechten: of waar een vernuftige schilder het blazoen of de leenspreuk eens Ridders op het breede schild of op het spiegel gladde borstkuras in frissche verven afmaalde, of waar een borduurder de laatste hand zette aan een banier, schitterende van goud- en zilverdraad, of de geestigste kleuren op sluiers en sjerpen wist te mengelen. Wat verder zag men meisjes bezig met het vlechten van bloemkransen en festoenen, bestemd om de straten te versieren, en van die groote kronen, welke, midden in de hoofdstraat opgehangen, bij het doortrekken des Graven worden neergelaten, ten einde hem te vangen en den losprijs van eenige kleine muntspeciën voor de jeugdige vervaardigsters te verwerven. Karren met hout voor stellages en borstweringen, of met groene sparretakken en ander loof beladen, reden gedurig heen en weder naar de groote markt, of hetZand, gelijk het toen genoemd werd, dat tot het steekspel bestemd was en waar onze vriend Claes Gerritsz zwoegende en zweetende tusschen een vijftigtal werklieden op en neder liep, om te zorgen dat alles ter bestemder plaatse wierd gezet en beschikt: ofschoon zijn aanwijzingen meermalen werden veranderd en zijn bevelen in den wind geslagen, zoo dikwerf die in strijd waren met den last der Herauten, die, als bekend met al hetgeen bij zulke plechtigheden noodig en behoorlijk was, zich weinig aan zijn beklag of aanmerkingen deswege stoorden.
“Het is toch een ergerlijke zaak,” bromde hij dan, “en die tegen alle Privileges aandruist, dat zich bij een feest, dat binnen Haarlem gegeven wordt, vreemdelingen zooveel aanmatigen, en wijzer willen zijn dan poorters, die schot en lot betalen! Ben ik dan geen marktschrijver? en is mij door het bestuur de taak niet opgedragen om alles naar eisch te schikken en te regelen? En ken ik het Zand niet beter dan die roodrokken, die van tornooien van Keulen en Bamberg spreken, alsof de gelegenheid overal eveneens ware?—Ja, bij Sint-Gangolf! men ziet wel dat wij een vreemden vorst hebben, en dat het bestuur van Haarlem slechts uit oogendienaars is samengesteld, om zulke zaken te dulden.”
Men kan begrijpen, dat op dezen dag de drie minnaars van Madzy ook, evenals meer andere Ridders, bijna geen oogenblik tijd hadden om zich buiten Haarlem te begeven, zoo bezig waren zij met het in orde brengen hunner toerusting voor den volgenden dag. Reinout was Deodaat bestendig ontweken, wanneer zij elkaar bij toeval op straat of in een werkplaats ontmoetten: en Adeelen, die nu een bepaald voornemen in ’t hoofd had, zag hen, zoo dikwijls hij hen tegenkwam, met een koele bedaardheid aan, als wilde zijn rustige blik hun te kennen geven: “wij zullen heden maar geen twist zoeken: dat zal zich morgen wel vinden: borgen is geen kwijtschelden.”—Maar wat het meest opmerking verdiende, was, dat de Fries, niettegenstaande de hooge vooringenomenheid met alles, wat in zijn vaderland vervaardigd en bereid was, zich te dezer gelegenheid zoozeer verloochende, dat hij zich een volkomen wapenrusting in Haarlem aanschafte en onder zijne oogen in orde liet brengen; want hij was toch met al zijne hoofdigheid verstandig genoeg, om te erkennen,dat het lichte kuras, hetwelk hij uit Friesland had medegebracht, niet proefhoudend zou wezen tegen de stevige lansen, die hij overal zag ronddragen, en dat zijn kromgebogen zwaard wel geschikt was om, gelijk twee dagen te voren, schrik aan te jagen onder een ongewapenden hoop, maar hem van geen nut zoude wezen indien hij daarmede op een maliënkolder in moest houwen, of een der reusachtige kampdegens afkeeren, welke de Ridders van dien tijd op zijde droegen.
Terwijl hij zich met deze toebereidselen onledig hield, was de schoone Madzy, vergezeld van den Heer van Aylva, den Kloostervoogd, vader Syard en eenig gevolg, een morgenbezoek bij de arme Elske gaan doen, en hadden zij vervolgens hun wandeling door de omliggende bosschages voortgezet. Het onderhoud was onmerkbaar afgeloopen, daar ieder zijn bijzondere redenen tot ernst en nadenken had. Madzy was, gelijk meer jonge maagden, in wier boezem een ontkiemende liefde woont, weemoedig en stil: zij poogde, maar vruchteloos, de gedachte aan den edelen Deodaat, aan zijn vroolijk en aangenaam onderhoud van den vorigen morgen, aan zijn ontmoeting met Adeelen en aan zijn geheimzinnige woorden op het feest, uit haar geest te verbannen: somtijds wenschte zij, dat zij Friesland nooit verlaten en hem daardoor niet ontmoet had; dan huiverde zij tegen het denkbeeld, dat zij slechts korte dagen in Holland verblijven zoude, en dan waarschijnlijk den jongeling nimmer terugzien, in wien zij zulk een hoog belang stelde. Maar ook den volgenden dag zag zij met schrik te gemoet: men had haar wel gezegd dat het steekspel, gelijk het woord zulks medebracht, alleen een spel zoude zijn, waarop geen andere dan geknotte wapenen gebezigd werden; maar zij wist tevens, dat somtijds ongelukkige toevallen, somtijds bijzondere haat en wrok, oorzaak waren, dat dergelijke feesten een treurigen in stede van een vroolijken afloop hadden: en zij herinnerde zich het voorbeeld van den ongelukkigen Floris, door haar voogd den avond te voren aangehaald, toen het blijde tornooispel in een bloedbad verkeerde. Zij kende den wrok, door Adeelen tegen den Graaf en ook tegen Deodaat gekoesterd: zij besefte de redenen, welke deze laatste had om zich over de hem aangedane beleediging te wreken: zij wist niet, tot welke uitersten de spijt hem drijven kon: en zij sidderde voor beiden: voor beiden, zeggen wij, want, ofschoon haar hart voor Deodaat sprak, een lange en oude verknochtheid en zusterlijke vriendschap hechtte haar aan den edelen Fries.
Aylva was insgelijks niet zonder ongerustheid: niet zoozeer over den uitslag van Adeelens wrok voor zooveel dezen persoonlijk aanging (want de gedurige oneenigheden en vechtpartijen, welke in Friesland tusschen de Schieringers en Vetkoopers plaats vonden, hadden hem reeds zekere mate van onverschilligheid omtrent dergelijke twisten gegeven)—als wel over het dreigend onweer, dat zijn vaderland boven het hoofd hing. Hij had genoeg gezien, om te begrijpen, dat, zoo al de Friezen halsstarrig bleven weigeren zich aan Graaf te onderwerpen, deze, even hardnekkig als zij, op dieonderwerping zou blijven staan, en dat derhalve vroeg of laat een oorlog hiervan het gevolg zou zijn: en wanneer hij dan de ontzettende macht, die de Graaf te velde kon brengen, met de geringe verdedigingsmiddelen, welke Friesland daartegenover kon stellen, de geoefendheid en krijgstucht van Willems legerschaar met den ongeordenden staat des Frieschen volks, de éénheid, die den aanval zou besturen, met de verdeeldheid, die bij de verdedigers heerschte, vergeleek, dan achtte hij, dat een wonderwerk alleen Friesland voor een wissen val behoeden kon.
Vader Syard had, gelijk de lezer, die zijn bedoelingen reeds beter kent dan er de Olderman en de Abt van bewust waren, licht zal beseffen, mede overvloedige stof tot gepeinzen; maar dewijl het zijne gewoonte niet was, het gesprek te beginnen in gezelschap zijner meerderen, kon zijne stilzwijgendheid niemands aandacht treffen.
Wat eindelijk den Kloostervoogd betrof, de gedachten van den goeden man waren op dat oogenblik minder met het lot van Friesland of van Seerp Van Adeelen bezig, dan met den gullen zandweg, die hem, als het wandelen weinig gewoon, bij uitstek lastig viel en hem, hijgende en zweetende, gestadig deed rondzien naar een geschikte plaats om even uit te rusten.
Weldra bood zich hiertoe de gelegenheid aan: het gezelschap was langs een smal voetpad, dat door dichte struiken en struweelen naar boven slingerde, op een bewassen heuvel gekomen, van waar een zoo verrassend als bevallig uitzicht den wandelaar als van zelf tot een oogenblik verpoozing uitnoodigde. Van de plek, waar men zich onder het lommer van eenige esschen, lijsterbeziën en meidoorns bevond, zag men voor zich op een tamelijk uitgestrekt weiland neder, van onregelmatigen vorm en aan twee zijden afgesloten door een kleinen duinrand, welig begroeid met berken en dwergeiken, waarvan de wortels door het witte zand van de gebrokkelde helling heenstaken. Vlak tegenover den aanschouwer liep de grond glooiend naar beneden en ontdekte men over doornenhagen, welke de weide aan die zijde bepaalden, eenig bouwland, waarvan de eentonigheid werd afgewisseld door onderscheiden groepen van hoogopgaande boomen, in wier breede takken talrijke kraaien nestelden. Daartusschen zag men hier en daar bevallige boerenwoningen verspreid, elk met haar tuin en boomgaard achter zich, alle de welvaart der streek getuigende en vaneengescheiden door welige landerijen, waarin bontkleurige runderen graasden, een paar bleekerijen, op wier groene velden eenige jonge deernen bezig waren het hagelwit linnen, dat schitterend in de zon lag uitgespreid, met water uit de daaraan grenzende sloot te besproeien. En over dat alles heen deed zich het Haarlemmermeer op, nu klaar en effen gelijk een heldere spiegel, en de zeilen terugkaatsende van tallooze vaartuigen van allen vorm en grootte, die den plas in alle richtingen doorkruisten.
“Voorwaar!” zeide de Abt, nadat Madzy zoowel als de Olderman dit schouwspel een poos in stille bewondering hadden aangestaard: “mij dunkt dat wij dit alles evengoed, ja beter op ons gemak zouden kunnen bekijken, indien wij er bij gingen zitten.”
Er was niets tegen dit voorstel in te brengen; en de vier hoofdpersonen van het gezelschap namen plaats op den heuvel, terwijl het gevolg zich een weinig verder tegen de helling van het duin nedervlijde.
“Zijt gij aan uw bruidskrans bezig?” vroeg vader Volkert na eenige oogenblikken stilte aan Madzy, die zich onledig hield met de madeliefjes, die aan hare voeten groeiden, op eene, aan mijn lezeressen gewis niet onbekende wijze aan elkaar te hechten.
“Dat heeft nog zulk een haast niet,” antwoordde zij blozende.
“Nu, misschien wel,” zeide de Abt: “althans ware ik Seerp Van Adeelen, ik zou niet langer meer willen wachten: vooral sedert de hofvlinders rondom u zijn komen vliegen.... Ja! die veroorzaken hem, geloof ik, onrust en kwelling genoeg! maar dat had hij kunnen verwachten, toen gij met hem van wal zijt gestoken.”
“Wat meent gij, Eerwaarde?” vroeg Madzy, hem eenigszins verwonderd aanziende.
“Wel!” zeide de Abt, “ik behoef u toch het oude orakel niet te herinneren, dat bij de stichting van Dekamastins door den Abt van Bloemkamp is uitgesproken. Laat zien, hoe luidt het ook?....”
“O! bedoelt gij dat?” hernam Madzy: “haal dat maar niet op,” voegde zij er haastig bij, als wilde zij een onaangename herinnering ontwijken.
Maar vader Volkert liet zich niet van zijn tekst brengen. Het is algemeen opgemerkt, dat zelfs de meest wispelturige menschen nimmer zoo vasthoudend zijn, dan wanneer zij zich iets weder zoeken te binnen te brengen, dat ten deele aan ’t geheugen ontsnapt is: hoeveel te meer iemand als onze Abt, wiens gedachten zelden aan vele afwijkingen voet gaven. Zonder op het smeekend gelaat van Madzy te letten, bleef hij zoolang de voorspelling betreffende den huize Dekama (waarvan wij in onszevende hoofdstukde twee eerste regels hebben aangehaald) nakauwen en in zich zelven opzeggen, tot hij zich die eindelijk geheel herinnerd had en op een zegepralenden toon zonder haperen kon opsnijden:
“As Dekama sine Rose forliest,In dy for Frieslän dat seawetter kiest,Den schille, om har to ploaitsen, kommeFuwgelt fen alle wioecken in plommen;Den schille jæ wijllje in declinearje,In ’t hædken hingje litte droaf;Mar wer bloeie in prosperearje,As de Foarstene plun wirdt Frieslans roaf.”1
“As Dekama sine Rose forliest,In dy for Frieslän dat seawetter kiest,Den schille, om har to ploaitsen, kommeFuwgelt fen alle wioecken in plommen;Den schille jæ wijllje in declinearje,In ’t hædken hingje litte droaf;Mar wer bloeie in prosperearje,As de Foarstene plun wirdt Frieslans roaf.”1
“As Dekama sine Rose forliest,
In dy for Frieslän dat seawetter kiest,
Den schille, om har to ploaitsen, komme
Fuwgelt fen alle wioecken in plommen;
Den schille jæ wijllje in declinearje,
In ’t hædken hingje litte droaf;
Mar wer bloeie in prosperearje,
As de Foarstene plun wirdt Frieslans roaf.”1
“Ik zie niet,” zeide Madzy, hare onrust door een half schertsenden toon zoekende te bewimpelen, “wat ik met die voorspelling te maken heb.”
“Niet!” herhaalde de Abt verbaasd, “spreekt dat orakel niet van de Roos van Dekama? En hebben de minnezangers u niet uit éénen mond met dien naam bestempeld? En zijt gij niet over zee gekomen? En zwierven er niet vogels van alle veeren om u heen? En hing uw hoofdje, toen gij daareven uw kransje zat te vlechten, niet zoo droef op zijde als een geknakt bloempje?”
“De eerwaarde Vader heeft geen ongelijk, Madzy!” zeide Aylva, die tot nu toe vermeden had zich in het gesprek te mengen, als had hij de wending, die het nam, willen afwachten: “ik mag het u niet verzwijgen, hoe noode ik er van spreek;—want het is een harde zaak, aan een jong en vroolijk meisje terughouding en behoedzaamheid te willen voorschrijven en haar af te houden van hetgeen, waarin zij niets ziet dan een onschuldig vermaak;—maar gij zult u in acht moeten nemen aan dit weelderige hof.”
“Is mijn waarde voogd over mij ontevreden?” vroeg Madzy, terwijl een traantje in hare oogen blonk en zij zachtjes haar hoofd tegen zijn schouder drukte, gelijk een kind dat om vergeving vraagt.
“Neen mijn kind! ik ben ontevreden op Adeelen en op mij zelven; want wij hadden moeten voorzien wat gebeuren zoude. Wij hadden u in Friesland moeten laten en u niet in de gelegenheid stellen van aan een hof te verschijnen, waar een oogenblik genoegen wellicht voor de rust van uw volgend leven kan gekocht worden.”
“Versta ik u wel?” vroeg Madzy, wier hart op dit oogenblik de beteekenis van Aylva’s woorden reeds vooruit liep. “Waar zijt gij bevreesd voor?”
En met een heimelijk beven wachtte zij het antwoord af.
“De Graaf,” zeide de Olderman, nadat hij haar een wijl met vriendelijken ernst had aangestaard, “heeft gisteravond nog veel met mij over u gesproken:—hij heeft zich eindelijk vrij duidelijk uitgelaten, dat het hem niet ongevallig zou wezen, indien er huwelijksverbintenissen plaats grepen tusschen zijne volgers en de Friesche erfdochters.”
“Denkt de Graaf,” vroeg de Abt, “dat het in Friesland aan mans ontbreekt?”
“Het is genoeg bekend,” vervolgde Aylva, “hoe Willem van Henegouwen, wanneer hij eens een denkbeeld heeft opgevat, daarvan door geene redenen is af te brengen en integendeel in alle voorkomende zwarigheden slechts een nieuwen spoorslag ziet om naar zijn doel, door welk middel ook, te streven. Ik schrijf dan ook daaraan de pogingen toe, door hem aangewend om u op het feest te doen verschijnen.”
“Ik zal mij op geen zijner feesten meer vertoonen,” zeide Madzy.
“Het ware, zooals nu de zaken staan, een onvoorzichtigheid,” zeide Aylva, “u opnieuw aan zijn uitnoodigingen te onttrekken. Wij moeten vóór alles mijden, hem noodelooze redenen tot misnoegen te geven. Adeelen zou wellicht mijn woorden aan dwaze vreesachtigheidtoeschrijven: hij zoude overtuigd zijn, zoo hij mij beter kende, dat ik in groote zaken geen haarbreed van mijn stelsel wijken zal; maar des te eerder acht ik het plichtmatig, mij door geen noodelooze of zelfs verkeerde tegenstreving en halsstarrigheid te onderscheiden. Neen! door niet op de volgende feesten te verschijnen, nu gij, hoezeer dan ook door misleiding, op het eerste gekomen zijt, zoudt gij den schijn aannemen, alsof gij den Graaf wildet tarten, en dit is iets, hetwelk gij, in zijn gebied, niet zoudt kunnen volhouden. Vergezel ons op die feesten, Madzy! doch om Gods wil, wees omzichtig. Denk steeds, dat gij een dochter van Friesland zijt, en beschouw in elken schoonen Ridder, die u aanspreekt, hoe zoet zijn taal ook klinke, niet anders dan een roover, door den Graaf uitgezonden om op vijandelijke kust te stroopen.”
“Ik beloof u,” zeide Madzy, “ik zal op mijn hoede wezen. Ik heb misschien reeds te veel met dien.... met die twee Italiaansche Ridders gesproken;—maar onze toevallige ontmoeting aan de hut des boschwachters is daarvan de schuld;.... en dan, gij zelf, gij waart ook buitengewoon minzaam tegen dien eenen.... Deodaat, geloof ik, is zijn naam.”—Hier zweeg zij, terwijl een gloeiend rood door hare wangen stroomde.
“Gij hebt gelijk,” zeide Aylva: “ik beken, dat hij mij een genegenheid heeft weten in te boezemen, waar ik de oorzaak niet van doorgronden kan:—en echter, juist om zijn goede hoedanigheden raad ik u, dat gij u bovenal jegens hem in acht neemt. Geen laffe hofjonker, geen slechthoofd ware voor mijn Madzy gevaarlijk; tegen de zoodanigen zou ik haar niet waarschuwen. De sperwer, die den leeuwerik vervolgt, is minder te vreezen dan de groene baan, waar het zachte fluitje vrede roept.”
“Zou die Deodaat waarlijk den listigen vogelaar gelijk zijn?” vroeg Madzy, eenigszins verwonderd.
“Dat geloof ik niet,” antwoordde de Olderman: “ik acht hem eerlijk en goed; maar het kan zijn, en ’t ware in hem hoogst verschoonlijk, dat hij, de oogmerken zijns meesters kennende, zijn best wilde doen om in de gunst der schoone Madzy te dringen, en op zulk een wijze zijn eigen neiging en tevens de bedoelingen des Graven opvolgde. Daarom, wees met hem op uw hoede! Helaas! ik weet het bij treurige ondervinding, er is niets gevaarlijkers, dan wanneer men zich buiten zijn gewonen kring en dagelijksche bezigheden bevindt, en enkel het hart en de zinnen werkzaam zijn. De verbeelding en het gevoel, wier stem slechts weinig gehoord wordt in de beslommeringen van een geregeld en arbeidzaam leven, wreken zich dan en spelen den meester: de hartstochten sleepen ons mede, en een leven van berouw en smart vervangt de overijling van een oogenblik.”
“Gij hebt dit ook ondervonden?” vroeg Madzy.
“Ik zelf! en de geschiedenis van mijn lijden kan misschien dienstig zijn om u tot een nutte leering te strekken. Hoor mij aan: ook gij, heer Abt! en gij, vader Syard! en oordeelt dan of er reden tot verwondering is, wanneer men somtijds bemerkt dat ik treurig enafgetrokken ben.—Gij weet, dat ik in mijn jeugd, door een vergeeflijke roemzucht geprikkeld, mijn vaderland verliet en Keizer Hendrik, evenals andere Friesche edelen, op zijn reis naar Milaan vergezelde, waar hem de ijzeren kroon moest worden opgezet. In die stad werd mij huisvesting aangeboden door een Italiaansch edelman, dien ik vroeger in Duitschland had leeren kennen. Dankbaar herinner ik mij steeds het gul en gastvrij onthaal, dat ik in zijn paleis genoot: de uren, door mij aldaar gesleten, waren de gelukkigste mijns levens. Waarom moesten zij door jaren van rouw en hartverscheurend verdriet worden opgevolgd?
“Daar, bij den edelen Cesara, leerde ik een jonge maagd uit Verona kennen, die ter bijwoning der feesten, welke bij gelegenheid van ’s Keizers kroning gegeven werden, eenigen tijd met Cesara’s echtgenoote, hare bloedverwante, was komen doorbrengen. Schoon was zij, gelijk de schilders ons de moeder Gods afbeelden, en beminnelijk gelijk de Engelen. Wij waren beiden nog in dien gelukkigen leeftijd, waarin men het tegenwoordige geniet, zonder over de toekomst na te denken: wij zagen elkander op ieder uur van den dag: ik had haar lief, van het eerste oogenblik af dat ik haar zag, en ik had het geluk, of liever het ongeluk, haar niet te mishagen:—geene week was er verloopen of ik had haar mijne min verklaard en was van hare wederliefde verzekerd.”
“Het vrijen gaat daar spoedig in zijn werk,” zeide de Abt: “bij ons is men daar zoo vlug niet mede. Mijn vader heeft mij meer dan eens verhaald dat hij mijn moeder wel zeven jaren had opgepast, gelijk Jakob Rachel deed, eer zij er toe besluiten kon, hare toestemming tot een huwelijk te geven.”
“Ik had verkeerd gedaan,” vervolgde Aylva: “ik had een neiging moeten smoren, die in mijn geval dwaas en misdadig was; want een plechtige gelofte verbond mij tot een tocht naar het Heilige Land. Maar ach! de jeugd is onbezonnen en het noodlottige woord was er uit eer ik het zelf wist. Wij leefden nu gelukkig en zalig, onbezorgd voor de toekomst, en ik stond gereed een reis naar Verona te doen, ten einde de hand mijner Bianca (zoo heette zij) aan haar vader af te vragen, toen een brief van dezen alle hoop ter neer sloeg. Hij vermaande zijn dochter terug te keeren ten einde een ander te huwen.”
“En voldeed zij aan de begeerte haars vaders?”
“Nimmer zal ik het oogenblik vergeten, toen zij mij na de ontvangst dier onwelkome tijding in den hof van Cesara’s paleis voor oogen trad: niet als een zwakke, beduchte en schuchtere dochter, welke de macht eens hoofdigen vaders vreest; maar met het hoofd fier omhoog geheven, met wangen, van verontwaardiging gloeiende, met een borst, zwoegende van gramschap. De gebiedende, dreigende toon van haars vaders brief had haar niet ter neder geslagen, maar veeleer haar besluit versterkt; zij was minder vervaard door de bedreigingen, daarin vervat, dan geraakt door de wijze, waarop hij haar dwingen wilde: ‘ik wil en begeer geen anderen gemaal dan u,’ sprak zij tot mij: ‘en zoo mijn vader gelooft, dat hij mij verkoopenkan gelijk men een vorstin doet, zal ik hem doen zien, dat hij zich bedriegt. Intusschen ik ken hem:—zoo ik niet terstond naar Verona keer, zal hij binnen weinige dagen hier zijn:—voor dien tijd moet gij mijn echtgenoot zijn.’”
“Hoe!” riep Madzy, in wier ooren een zoodanige taal vreemd klonk, en strijdig met alle denkbeelden van maagdelijke ingetogenheid: “zij wilde u tot een huwelijk met haar bewegen! en buiten haars vaders toestemming!”
“O! Veroordeel naar niet,” zeide Aylva: “zij handelde onder den invloed der hartstochten, op een oogenblik, dat zij om den vaderlijken dwang te ontwijken en een gehate verbintenis onmogelijk te maken, het eenige middel aangreep, dat zich aan haar verhitte verbeelding voordeed. Maar veroordeel mij, die, kalmer van zinnen, niet overijld had mogen handelen en haar de noodlottige gevolgen moeten doen inzien van een onberaden stap. Dan helaas! ik beminde haar met al den gloed eener eerste, laat ik zeggen, eener eeuwige liefde: die liefde deed mij de oogen voor de toekomst sluiten en geen andere vrees duchten, dan die van haar te verliezen. Ik stemde in haar voorslag:—en dezelfde dag zag ons vereenigd.”
“En.... meldde zij dit voorval aan haar vader?”
“Ik weet het niet: dit slechts vermoed ik, dat hij van onze verstandhouding kennis droeg; want weinige dagen na onze verbintenis werd ik op een avond in eene der duistere straten van Milaan door drie moordenaars overvallen; een hunner herkende ik: het was zekere Paolo, een dienaar van Graaf Luigi, van Bianca’s vader, dezelfde, die den brief gebracht had. Zwaar gewond bleef ik liggen: ik werd door eenige barmhartige voorbijgangers naar het naastbijgelegen klooster gebracht en lag daar verscheidene dagen met den dood te kampen. Toen ik, eindelijk hersteld, mijn verzorgingsplaats verliet en naar het paleis van Cesara terugkeerde, vernam ik, dat Graaf Luigi daar reeds was geweest en mijn Bianca had weggevoerd.”
“En volgdet gij haar niet?”
“Zij had mij door de gade van Cesara doen smeeken, zulks niet te doen. Francesco della Scala, de gevreesde minnaar, die naar haar hand stond, was op dien tijd meester van Verona, en ware ik daar ontdekt geworden, mijn dood ware zeker geweest. Zij verzocht mij daarom, mijn gelofte te vervullen en alles van den tijd af te wachten: terwijl zij mij een eeuwige getrouwheid beloofde. Ik gehoorzaamde aan haar verlangen:—minder uit vrees voor mij zelven, dan wel om haar niet aan de wraak van den Veroneeschen dwingeland bloot te stellen. Ik reisde naar Palestina: drie jaren bleef ik daar, die mij zoovele eeuwen schenen: toen ik, na afloop van dien tijd, onbekend en vermomd in Verona kwam, en naar Bianca di Salerno vroeg, hoorde ik, dat zij met den dwingeland gehuwd en sedert gestorven was.”
“Zij was u dan ontrouw geworden!” vroeg Madzy verbaasd, “ondanks haar plechtige belofte?”
“Wat haar aangespoord heeft om den mij gezworen eed te breken, is mij onbewust.—Zij was niet meer; wat kon een ijdele navraagbaten? Ik bleef, na het ontvangen dier vreeselijke tijding, geen uur langer in Verona.—Sedert heb ik de liefde gemijd.”
“Ach!” zeide Madzy: “indien de liefde zulke rampen baart, is zij waarlijk wel te duchten!....maar ik geloof toch, dat dergelijke gebeurtenissen zeldzaam zijn.”
“Minder zeldzaam dan gij denkt, Freule!” zeide de Abt, zich de kin strijkende: “gij denkt, dat wij geestelijken niets van zulke geschiedenissen afweten: maar ik verzeker u, onze kloosters worden voor een derde met mislukte vrijers gevuld. Daar is broeder Sicco, die heeft juist zulk een voorval gehad: hij was een fiksche boerenknaap en vrijde naar de dochter van den rijken Juwe Donia:—maar toen de zaak zoogoed als klaar was, liet zij hem zitten en nam Agge Hettinga, die toch lang zulk een schoone kerel niet was. Toen ik dat hoorde, dacht ik terstond: Sicco Sybes zou een goede aanwinst zijn voor het klooster; want gij moet weten, zijn boerenwoning grenst juist aan onze landerijen in Hemelumer Oldephaart, en toen sprak ik er over met broeder Syard, die....”
“Met verlof van uw Eerwaarde,” viel de monnik in, die ongaarne den schijn wilde hebben, als had hij Sicco bepraat om den geestelijken stand te omhelzen: “de knaap is uit zich zelven bij uw Eerwaarde gekomen.”
“Juist, broeder Syard, juist!—dat is wat ik zeggen ging, toen gij mij in de rede vielt; ik heb toen ook slechts een paar woorden met hem gesproken, omdat ik begreep, dat het niet zou passen, indien men zeide dat ik hem ingepalmd had; daarom, gelijk u heugen zal, heb ik u verzocht, hem ondershands eens te polsen en over te halen om het kleed der orde aan te trekken.”
Broeder Syard beet zich op de lippen, en zoomin de Olderman als Madzy waren in staat den glimlach te onderdrukken, dien het verhaal van den Abt bij hen verwekte. Eveneens echter als een beek, die half verborgen voortsijpelt onder de schaduw der donkere struiken, welke haar overwelven, wel voor een oogenblik een vroolijk aanschijn erlangt, wanneer de zonnestralen door de dikke takken heendringen en hare oppervlakte beschijnen, maar weldra, als de hemelbol weder achter wolken wegschuilt, hare vorige somberheid terugkrijgt, zoo hernam ook het gelaat der schoone Friezin spoedig de ernstige plooi, welke de geschiedenis van Aylva’s rampzalige liefde daarop had doen ontstaan, en een diepe zucht verried de onrust, welke de toepassing van dat verhaal op hare eigene gewaarwordingen had teweeggebracht.
Welke intusschen de slotsom was, waartoe die innerlijke overpeinzingen haar brachten, en of ook bij haar de schier algemeen geldende regel bevestigd werd, dat men zich in liefdeszaken zelden aan het voorbeeld van anderen spiegelt, zal uit het vervolg dezer geschiedenis blijken.
1“Als Dekama zijne Roos verliest,En deze voor Friesland het zeenat kiest,Dan zullen, om haar te plukken, komenVogels van alle wieken en veeren;Dan zal zij welken en verkwijnen,En ’t hoofdje droef laten hangen;Maar weer bloeien en tieren,Als des Vorsten buit Friesland ten deel valt.”
1
“Als Dekama zijne Roos verliest,
En deze voor Friesland het zeenat kiest,
Dan zullen, om haar te plukken, komen
Vogels van alle wieken en veeren;
Dan zal zij welken en verkwijnen,
En ’t hoofdje droef laten hangen;
Maar weer bloeien en tieren,
Als des Vorsten buit Friesland ten deel valt.”
Trompetten en schalmeienDoorklonken hof en wal:De Ridders vloeiden samenOp ’t daav’rend Feestgeschal.Van ’t overwelfde vensterVan Klermonts opperzaal,Zag Blanka, de overschoone,Den rijken wapenpraal.Bilderdijk.
Trompetten en schalmeienDoorklonken hof en wal:De Ridders vloeiden samenOp ’t daav’rend Feestgeschal.
Trompetten en schalmeienDoorklonken hof en wal:De Ridders vloeiden samenOp ’t daav’rend Feestgeschal.
Trompetten en schalmeien
Doorklonken hof en wal:
De Ridders vloeiden samen
Op ’t daav’rend Feestgeschal.
Van ’t overwelfde vensterVan Klermonts opperzaal,Zag Blanka, de overschoone,Den rijken wapenpraal.
Van ’t overwelfde vensterVan Klermonts opperzaal,Zag Blanka, de overschoone,Den rijken wapenpraal.
Van ’t overwelfde venster
Van Klermonts opperzaal,
Zag Blanka, de overschoone,
Den rijken wapenpraal.
Bilderdijk.
Reeds voor het aanbreken van den volgenden dag waren niet slechts al de stoepen en ramen, maar ook al de daken en luifels der huizen rondom de groote markt of hetZandte Haarlem bedekt met een tallooze menigte van toeschouwers, van overal te zamen gevloeid om het tornooispel te aanschouwen. De groote kerk, welke thans de bewonderende aandacht trekt van al wie Haarlem bezoekt, bestond nog niet, zoodat de opene vlakte, tusschen de gebouwen besloten, genoegzame ruimte verschafte tot het houden van ridderlijke spelen. Het eenige hinderlijke, dat de gelegenheid opleverde, was een beek, welke toen ter tijd nog de markt over haar geheele lengte in twee schier gelijke deelen doorsneed, om zich wat verder, waar nu de kraan is, in het Sparen te ontlasten; maar men had de zwarigheid, hieruit ontstaan, niet alleen uit den weg geruimd, door van afstand tot afstand breede bruggen te slaan van planken, met zand en zoden overdekt, welke de gelegenheid gaven om het veld in alle richtingen te doorkruisen, maar ook van de beek zelve partij getrokken, door er gedurig water uit te hozen, ten einde den gullen grond van de kampplaats te bevochtigen. Een hooge stellage, rijk met gebloemte versierd en met vaandels en bloemen prijkende, besloeg de geheele zuidzijde van het plein en was in gaanderijen afgedeeld, waarvan de middelste of kleinste voor het Grafelijk gezin en de beide overigen voor de aanzienlijke genoodigden waren bestemd. Vandaar af liep een lage omheining naar weerskanten in den vorm van een eirond af, om zich aan de overzijde weder te vereenigen: deze afsluiting, strekkende om de toekijkers te verhinderen, binnen het krijt te komen, had slechts twee uitgangen, een aan elk der beide uiteinden, welke met banderollen versierd en door gewapenden bewaakt werden: terwijl de Herauten en hun dienaars het plein gestadig op en neder liepen om de goede orde te handhaven, en te zorgen dat niemand eenige hoogere plaats innam dan waarop zijn rang en geboorte hem recht gaven.
“Bij onzen heiligen Patroon!” zeide meester Claas Gerritsz., die zich ingevolge zijn betrekking van marktschrijver recht tegenover den zetel der Gravin een aardig afgesloten hokje had laten timmeren:“ik geloof dat de Graaf tevreden zal wezen over de wijze, waarop wij alles geschikt hebben.”
Degene, tot wien hij dezen uitroep richtte, was een man van athlethische gestalte, wien men, aan zijn naakte, forsch gespierde armen en aan de zwarte kleur, welke zich met het vel vereenigd had, voor een wapensmid herkende. De marktschrijver reikte nauwlijks tot aan zijn elleboog, ofschoon hij op de toonen ging staan zoo dikwerf hij hem aansprak. De groote lichtblauwe oogen van den Haarlemschen Vulkaan wendden zich gedurig langzaam heen en weder, nu eens naar de kampplaats, dan weder achterwaarts over de volksmenigte heen naar de smederij, op welker dorpel twee wakkere knechts een wenk van hem stonden af te wachten, om zich overal heen te begeven, waar de omstandigheden hunne hulp mochten vereischen.
“Daar hapert niets aan,” antwoordde hij op des Marktschrijvers toespraak, zonder echter den blik op hem te doen afdalen, “en Jan Paypaert verstaat zijn werk;—nu, ’t ware ook schande indien hij het niet kende; hij heeft het lang genoeg uitgeoefend.”
Meester Claes Gerritsz beet zich op de lippen, weinig over deze bevestiging zijner woorden tevreden, daar volgens haar de eer, welke hij zich aanmatigde, niet hem, maar den Wapenkoning gegeven werd.
”’t Is waar,” hernam hij, “de oude man heeft zich veel moeite gegeven; maar hij krijgt toch ook zijn jaren, en zoo hij minder vlug wordt, hij wordt er des te koppiger om. Hij heeft volstrekt niet naar mijn raad willen luisteren, toen ik hem voorstelde, de gaanderijen liever aan deze zijde te bouwen, zoodat de troon vlak voor de Sint-Jansstraat kwam; dan had het Grafelijk gezin immers niet de halve stad behoeven om te rijden ten einde zijn plaats te bereiken.”
“Ja,” zeide de wapensmid, met een spottenden lach, “en zij waren allen geroosterd als bokking van de blakende zon, gelijk wij zoo meteen zijn zullen.”
“Ei! ei! een smid moet niet bang zijn voor wat hette,” zeide de marktschrijver, een weinig beteuterd over deze juiste aanmerking:—“maar inderdaad, het ware immers veel schooner gezicht geweest, indien de stralen der lieve zon al die mooie meisjes en vrouwtjes beschenen, en zich in hare schitterende juweelen en sieradiën gespiegeld hadden, dan dat ze, gelijk nu, in de schaduw zitten.”
“Inderdaad, dat had zeer fraai gestaan!—en menig Ridder zou door dien glans zoo verblind zijn geweest, dat hij zijn speer wel een voet bezijden zijn tegenpartij zou gestoken hebben. Neen! neen! de Herauten weten beter hoe het hoort.”
“De Herauten!—lieve knapen!—hebben zij zoo meteen den doortocht niet geweigerd aan onze Vroedschappen, ’t geen geheel strijdig is met het Privilege van Koning Willem, artikel....”
“Wat Privilege!—alle Privileges houden op voor de poort van een kampwerf. Wat hebben zij er met hun rokken van Amsterdamschzwart ook te doen? Laten zij voor de ramen van hun raadhuis blijven kijken, en zich de handen wrijven over al het vreemde geld, dat hier in de stad komt.”
“Foei buurman! Is dat als een echte poorter gesproken? Wij werden ras genoeg door onze adellijke naburen opgevreten, indien wij niet, waar ’t behoort, onze Privileges deden gelden.”
“Gekheid! Is er ook wat mede te verdienen met een half dozijn stormhoeden, die ik in ’t jaar aan de stad lever? De tuigage van één Jonkerspaard doet mij meer verdienen dan al de poorters van Haarlem.... maar ik hoor daar trompetgeschal.—De Kamprechters komen.—Mutsen af buren! en een hoezee voor den Heer van Beaumont!”
Het was inderdaad deze Edelman, die op het steekspel den Graaf vertegenwoordigen moest en nu aan ’t hoofd van eenige Ridders de kampplaats opreed, verwelkomd door herhaalde en daverende toejuichingen, welke niet slechts zijn prachtig gewaad en sierlijken trein, maar ook zijn erkende verdiensten en beminnelijken aard moesten gelden. Voor hem uit reed de Wapenkoning van Holland, Jan Paypaert, die, schoon een grijsaard van over de tachtig jaren, het ambt, dat hij reeds onder Floris V bekleed had, nog altijd vereerde door den zwier en de vastheid, waarmede hij zijn ros bestuurde:—achter hem reden twee Herauten, benevens Gerard van Florevy, die ’s Graven banier droeg. Simon van Teylingen en Gwij van de Merwede, van top tot teen gewapend, volgden als Kamprechters, door een stoet van schildknapen en trompetters vergezeld.
De trein reed het krijt rond, waarna Beaumont met twee bijzitters den voor hem bestemden zetel beklom, de Wapenkoning zich aan den westelijken ingang plaatste, en de Kamprechters aan de beide zijden van de Grafelijke loge onbeweeglijk post vatteden.
Spoedig werd deze eerste stoet door een tweeden van een geheel anderen aard vervangen, namelijk door de geestelijken, die met kruis en banier rondgingen, ten einde de kampwerf in te wijden, en aan de tooverijen of bezweringen, welke men zou willen gebruiken, alle kracht te ontnemen.
Na deze plechtigheid werd het geduld der toeschouwers weder een geruimen tijd op de proef gesteld; maar de hooggespannen verwachting werd ruim voldaan, toen een schel klaroengeschal, afgewisseld door een vroolijke muziek, de nadering van den hofstoet aankondigde en men weldra door de hoofdstraat de Gravin zag aankomen, op ’t prachtigst uitgedost en omringd van een luisterrijke schaar van Ridders en Jonkvrouwen, op trappelende rossen en witte hakeneien gezeten en schitterende van goud en edelgesteenten. Na onder een oorverdoovend gejuich der menigte de kampplaats tweemalen te hebben rondgereden, steeg de hofstoet af en nam de bestemde plaatsen in, terwijl de Gravin zich in hare loge plaatste, vlak achter den zetel des Heeren van Beaumont.
En nu duurde het niet lang, of een gerucht, niet ongelijk aan dat van een geweldigen waterval, dien men al gedurig dichter bij zich hoort, deed zich uit de Zijlstraat vernemen en alle oogen derwaartsheenzien. Weldra vertoonde zich een gemengel van golvende pluimen, rijk geborduurde sjerpen en banieren: het waren de kampvechters, die zich buiten de stad vergaderd hadden en thans gezamenlijk, van hun schildknapen en wapenknechten vergezeld, aan den ingang ter westzijde stilhielden. De Wapenkoning zond hierop een zijner Herauten af naar Beaumont, om den vrijen intocht te verzoeken voor de Edele Ridders, die hun werd toegestaan: ten gevolge waarvan zij binnenreden, en zich terstond oost- en westwaarts in twee partijen verdeelden. De eene, die grootendeels uit Hollandsche, Henegouwsche en Stichtsche edelen bestond, had tot aanvoerder geen minder persoon dan Graaf Willem zelven, die door zijn manhafte houding en de bekwame wijze, waarop hij zijn klepper bestuurde, aller oogen tot zich trok: de andere partij, hoofdzakelijk samengesteld uit de bloem der Duitsche Ridderschap, welke de zucht om roem en eer te behalen had herwaarts gelokt, was geschaard onder Hendrik Dusmer van Aertsbergen, een edelman uit Pommeren, en Grootmeester der Duitsche orde, die zich door zijn zegepralen op de Lithauwsche heidenen en Russen, door geheel Europa met roem had bekend gemaakt.
Na de gebruikelijke plechtigheden, welke een steekspel voorafgingen en wier vermelding hier te wijdloopig zoude worden, reden de beide partijen opnieuw eenige keeren het krijt rond, ten einde hun kloekheid in ’t besturen hunner paarden te toonen en hun prachtige wapenrusting te doen bewonderen; waarna zij hun plaats hernamen.
“Waar of onze vriend Adeelen schuilt?” vroeg de Abt van Sint-Odulf aan zijn mede-afgevaardigde, die met hem en de schoone Madzy in eene der gaanderijen gezeten was, naar welke menig oog zich in ’t voorbijgaan richtte.
“Ik heb hem nog niet herkend,” zeide Aylva: “hij heeft mij een geheim gemaakt van zijn wapenrusting, die hij hedenmorgen te Haarlem is gaan halen: en wat de paarden betreft, die zijn onkenbaar onder die vracht van netwerk en dekken, waarmede zij opgeschikt zijn.—Wat dunkt u er van, Madzy! kunt gij een dier Ridders herkennen?”
Madzy zweeg, en kleurde tot over de ooren; want zij had in eenen Ridder van ’s Graven gevolg, die in ’t voorbijgaan opzag, Deodaat van Verona herkend.
“Luister!” zeide de Abt: “wat gaat die klerk daar voorlezen?”
“Het zijn de wetten van het steekspel,” antwoordde Aylva: “zoowel die, welke algemeen geldende zijn, gelijk het verbod van betooverde wapenen te gebruiken of van het paard zijner wederpartij te wonden, als die, welke meer bijzonder op dit gevecht toepasselijk zijn.”
“Zoo! en hoe zal het hier in zijn werk gaan? Zullen die beide troepen maar in ’t wild op elkander rijden? Sint-Odulf! dat zal een verwarring geven.”
“Men zal heden naar een nieuwe kampwijze strijden, welke in Vlaanderen en Henegouwen meer bekend is dan hier, en:la defencedu fis d’orgenoemd wordt: ’t welk zooveel wil zeggen als: de verwering van den gouden draad. Zie slechts: daar komen de knapen aan, om hem te spannen.”
Het was zooals Aylva zeide: dwars over het kampperk werd een koord, met gouddraad omwoeld, van een paal voor den zetel van Beaumont af, tot aan het hokje des marktschrijvers vastgemaakt;—en nu ontstond er een gespannen verwachting bij de toeschouwers, die, schoon zij onder de lezing der kamp wetten over ’t geheel een eerbiedig stilzwijgen hadden bewaard, echter door hun her- en derwaarts rollende oogen duidelijk deden bespeuren, dat zij zeer naar den afloop verlangden, en naar het oogenblik dat het tornooispel een aanvang zoude nemen; dan hun hoop werd nog niet vervuld, en een zonderling, hoewel niet geheel ongewoon voorval noodzaakte hen, hun geduld nog eenigen tijd te oefenen, of liever, gaf een andere wending aan hun nieuwsgierigheid.
Dadelijk nadat het koord gespannen was, verliet een Ridder in een blauwe rusting met zilveren lieren bezaaid, het gelid, en reed met een vluggen draf tot voor den zetel van Beaumont, alwaar hij zijn ros op eens onbeweeglijk deed stilstaan, als in afwachting dat hem verlof gegund werd om te spreken.
“Wat begeert gij?” vroeg Beaumont, verwonderd, “en waarom verlaat gij tegen alle orde de u aangewezene plaats?”
De Ridder haalde een perkament voor den dag, dat in de plooien van zijn sluier verborgen was en reikte het eerbiediglijk met de punt zijner lans over aan ’s Graven vertegenwoordiger.
“Als vrijgeboren man en Ridder,” zeide hij, “verzoek ik, Deodaat van Verona, dat deze uitdagingsbrief ten aanhoore van een iegelijk worde gelezen.”
Beaumont overhandigde den brief aan den klerk, die hem met luider stemme voorlas.
“Ik, Deodaat van Verona, Ridder, verklaar bij dezen, onbetamelijk en onridderlijk beleedigd te zijn door Seerp, Heer van Adeelen, Friesch edelman, en hem te houden voor mijnen doodvijand, hem uitdagende tot een kamp op leven en dood, met zulke wapenen als hij zal verkiezen, alles onder verlof en toestemming van onzen Heere den Grave van Holland en Henegouwen.”
“Wij kunnen thans geene bijzondere twisten aanhooren,” zeide Beaumont, zijn kweekeling aanziende met een blik, waarin ontevredenheid met vriendschap vermengd was: “na den afloop van het steekspel zal u gelegenheid gegeven worden uwe belangen in te brengen.”
Nauwelijks had hij deze afwijzende beschikking gegeven, of een tweede Ridder in schier gelijken dos kwam insgelijks uit des Graven stoet aangereden, en overhandigde op gelijke wijze een tweede perkament aan Beaumont. De algemeene nieuwsgierigheid groeide nu te sterker aan, en te meer, hoe verder men van het midden verwijderd en daardoor minder in de gelegenheid was, te vernemen wat er eigenlijk gaande was. Ook Graaf Willem, die zich op een te grooten afstand bevond om iets te verstaan, kwam met een paarzijner vertrouwelingen aangereden, tijdig genoeg om den tweeden brief te hooren lezen, die van den volgenden inhoud was:
“Ik, Rinaldo van Verona, Ridder, verklaar bij dezen, dat ik onridderlijk behandeld en grovelijk beleedigd ben door Deodaat, mede zich noemende van Verona; dat ik hem voor mijnen vijand houde en hem uitdage om op dood en leven tegen mij te kampen, met welke wapenen hij verkiezen zal, alles met verlof enz.”
“Zijn zij dol geworden?” riep de Graaf: “twee vrienden van kindsbeen af! twee broeders!—Wij zullen na den kamp hierover nader spreken.”
Op datzelfde oogenblik kwam een derde Ridder, doch nu uit den trein van Dusmer, met een perkament in de hand aanrijden.
“Wat dien betreft, dien ken ik,” zeide de smid tegen zijn kleinen buurman: “dien heb ik zijn rusting geleverd. Het is een Friesch edelman, en mild heeft hij mij betaald:—’t speet mij maar, dat zulk een deugdzame kolder om het lijf van een stuggen Schieringer sluiten moest.”
“Is het die ongeluksvogel?” zeide Claes Gerritsz, “die ons voor drie dagen zooveel spels gemaakt heeft! Ware ik gij geweest, ik had al de spijkers in het harnas gelaten, zoodat hij er ingezeten had als Velzen in zijn vat. En wat heeft deze nu weer te vertellen?”
“Heeft de duivel hen bezeten?” riep graaf Willem: “Dat is nu al de derde! als het zoo voortgaat, zullen wij de geknotte lansen tegen scherpgepunte speren moeten inruilen.”
Maar zijn verbazing vermeerderde, toen hij de derde uitdaging hoorde, welke in dezer voege luidde:
“Ik, Seerp Van Adeelen, vrije en edele inboorling van Friesland, verklaar mij bij dezen grovelijk beleedigd en gehoond door Willem, Grave van Holland en Henegouwen, zich valschelijk noemende Heere van Friesland, ontzeg hem alle hulde of manschap, welke hij van mij mocht beweren te kunnen vorderen, en bied aan om mijn goed recht in besloten kamp vol te houden, tegen hem of tegen al, wie hij in zijne plaatse zenden wil.”
Indien de vorige uitdagingen met verwondering, doch tevens met belangstelling waren aangehoord geweest, die van den Fries verwekte een rumoer en een verontwaardiging, welke zich als een loopend vuur over de gansche markt verspreidden, naarmate de woorden, waarin die vervat waren, van mond tot mond herhaald werden. “De kerel is gek!” riep men van alle kanten: “wie heeft ooit gehoord, dat iemand zijn leenheer ten kamp uitdaagt?—Werpt hem het krijt uit! In het Sparen met den Fries!”
“Stilte! mijn Heeren! stilte!” riep Graaf Willem, met een stem, die boven de andere heenklonk. “Wij zullen onze eer zelf handhaven, zonder daartoe uwe hulp in te roepen. Seerp Van Adeelen! wij nemen uwe uitdaging aan.”
“Graaf!” riep Beaumont: “dat moet niet zijn! Ik bekleed hier thans uwe plaats en moet zulk een dwazen strijd verbieden. Gij moogt uw edel lijf niet wagen tegen den eersten dollen knaap den besten, die begrijpt u ongestraft te mogen hoonen.”
“Laat ons hiermede betijen, genadige Oom!” zeide de Graaf, met bedaardheid: “zoo wij wel verstaan hebben, is deze Seerp Van Adeelen mede uitgedaagd door Deodaat van Verona, en deze wederkeerig door Reinout.”
“Zoo is het,” antwoordde Beaumont.
“Welnu! ten einde nuttelooze bloedstortingen te voorkomen, zoo dragen wij de handhaving van ons goed recht over aan Deodaat, en gelasten Reinout, zijn veete over te doen aan Seerp Van Adeelen: en dat deze strijd tusschen Deodaat en Seerp Van Adeelen uitgemaakt worde op morgen te dezer plaatse, zullende wij dien met ons gansche hof komen bijwonen.”
Een blos van vreugde en verrukking bedekte het gelaat van Deodaat, op het vernemen dezer schikking, welke hem niet alleen het verdriet bespaarde van tegen zijn vriend te strijden, maar hem ook de onderscheidende gunst verschafte, van de eer zijns Graven te wreken. Adeelen en Reinout daarentegen toonden een ontevredenen blik: de laatste, omdat hem de kampstrijd ontzegd was; de eerste, omdat hij zich niet tegen den Graaf zelven meten mocht. Beiden echter begrepen van den nood een deugd te moeten maken en in de uitspraak te berusten.
“Dit punt alzoo geschikt hebbende,” zeide de Graaf, “blijft ons niets over dan om naar onze plaatsen terug te keeren: vooraf echter moet ik u herinneren dat wij heden slechts een spiegelgevecht hebben en dat alle veete tot den volgenden dag moet blijven rusten.”
“Daarvoor zal gezorgd worden,” zeide de Grootmeester der Duitsche orde, die insgelijks genaderd was: “bij Sint-Veit! de eerste van mijne partij, die de bepalingen van een vriendschappelijken kamp overtrad, zou ik met eigen hand den kop kunnen inslaan.”
Na deze betuiging van Dusmer reden beide partijen naar hunne standplaatsen terug en niet lang daarna gaven de trompetten het gewenschte teeken tot den aanvang van het tornooi.
Het doel van het kampgevecht, dat nu plaats zoude vinden, was om het koord, dat het krijt in twee deelen afsneed, over te springen en een der houten moorenkoppen, welke aan weerszijden hier en daar op groote staken gesteld waren, af te halen en als zegeteeken met zich heen te voeren; terwijl zoowel het overspringen van het koord als het weghalen der koppen door de tegenpartij belet moest worden.
Nu klonk het tweede trompetgeschal, en onder het geroep der Herauten, het gewuif van hoeden en mutsen en zakdoeken, en het handgeklap der menigte, kwam er van beide zijden een twintigtal met gevelde lansen aangesneld. Met het gedruis van een springvloed, die tegen een sluis aanbruist, bonsden zij tegen elkander aan: en, zoodanig was de riddergeest, die allen bezielde, dat elk op zijne weerpartij aanreed, en er niet een aan dacht om van de overgelatene openingen gebruik te maken en zonder eene lans te breken het gespannen koord te bereiken.
Geheel het plein daverde van den schok: en toen de stofwolk, dieeerst den strijdenden hoop aan aller oogen onttrokken had, was omhooggerezen, zag men welk een geheel ander schouwspel de uitslag der ontmoeting had opgeleverd. Aan weerszijden van het koord lag een aantal Ridders en paarden van beide partijen in het zand, en, om hen, brokken en splinters van lansen, geknakte schilden en pluimen. Sommigen, wier lansen gebroken waren, keerden terug om er versche te halen; anderen daarentegen waren, na hunne tegenpartij uit den zadel gelicht te hebben, over het koord gesprongen, waar zij nu op de bewakers der moorenkoppen aanrenden, en op hunne beurt eene nederlaag ondervonden, welke zij aan anderen hadden toegebracht. Slechts weinigen gelukte het een dubbele overwinning te behalen en met het zegeteeken op de punt hunner lans het eind der baan te bereiken.
De krijgsmuziek, welke zich gedurende dezen strijd had doen hooren, zweeg nu op eens en werd door een kort geschal der klaroenen vervangen, hetwelk den afloop der eerste ontmoeting aankondigde. De verwonnenen begaven zich beschaamd en haastig buiten het krijt: de zoodanigen onder de kampers, als hun loop roemrijk ten einde gebracht hadden, keerden in triomf terug en voegden zich weder bij hunne partij, na vooraf hun zegeteekenen aan de Kamprechters vertoond te hebben. Een korte rust werd nu aan beide partijen gegund, zoo om eenige verversching in de aan beide uiteinden geplaatste tenten te gebruiken, als om de noodige herstellingen aan de wapenrustingen te doen plaats hebben, waartoe onze smid dadelijk met zijne hulp gereed was. Spoedig echter riep de trompet hen weder tot aanval en verdediging op: en hetzelfde schouwspel vertoonde zich eenige reizen achter elkander.
“Het is gelukkig voor Seerp Van Adeelen,” zeide de Olderman tegen den Abt, “dat de Graaf zijne uitdaging niet voor zich zelven heeft aangenomen; want de naam van den besten Ridder van Duitschen lande is hem niet tevergeefs gegeven.—Hebt gij er wel op gelet, hoe hij driemalen gereden heeft en driemalen zijn weerpartijder uit den zadel heeft doen buitelen?”
“Adeelen gedraagt zich ook wakker genoeg,” zeide de Abt: “zaagt gij niet, hoe hij dien dikken Stichtenaar met den blauwen vederbos in het zand wierp?”
“Nu, wij zullen er spoedig over kunnen oordeelen, wie de beste kamper is,” zeide Aylva: “want het aantal is gedund en er zullen weldra niet meer dan een zestal paren overschieten.”
Het was gelijk de Olderman zeide. De meeste Ridders hadden, òf uithoofde hunner nederlaag het perk verlaten, òf zich wegens vermoeidheid en, als meenende genoeg voor hun eer gedaan te hebben, onder de toeschouwers begeven. Dan, het verminderd getal van kampers maakte den strijd des te belangrijker, daar het er nu niet meer op aankwam om slechts op elkander aan te rijden, maar om door allerlei gezwinde wendingen en bedrieglijke aanvallen, van de eene zijde pogingen te doen, om den gouden draad te overschrijden en van de andere zijde, om door behendige tegenbewegingen zulks te keer te gaan. Van de zijde des Graven hielden buiten hem niemandhet veld meer dan de Baanrots van Ligny, Gwy van Asperen, Floris van Montfoort en de beide Italianen; terwijl aan de andere zijde de Grootmeester Dusmer, Adeelen en een andere Ridder gereed stonden den kamp te hervatten.
“De kans staat ongelijk, vrienden!” zeide de Graaf, op het oogenblik dat zij zich tot de laatste ontmoeting zouden bereiden, welke men begreep, dat beslissend zijn zoude. “Ligny en Asperen zullen met mij den gouden draad verweren: en gij Reinout en Deodaat, blijft achter om te zorgen dat men onze laatste moorenkoppen niet roove: met Montfoort bij u, om te verhoeden dat gij elkander niet doodslaat.—Houdt u goed! en zorgt vooral dien Ridder, met den rooden arend op den helmkam, wel te raken: hij heeft reeds menigen der onzen in het zand doen bijten.”
Terwijl hij zich aldus uitte, was aan den overkant de Ridder, van wien hij sprak, Adeelen op zijde gekomen: “Welnu!” zeide hij; “heb ik mijn woord gestand gedaan, dat ik u eergisteravond gaf, van mij behoorlijk op het steekspel te zullen gedragen.”
“En ik vertrouw, dat ik mij van mijnen kant niet slecht gekweten heb,” zeide Adeelen: “mocht ik slechts zoo gelukkig zijn, dien trotschen Graaf eens tot mijn tegenstander te krijgen; doch hij ontwijkt mij.”
“Ja, gelijk de kat de muis. Hij heeft intusschen geen slechten kampioen gekozen: die Deodaat van Verona heeft zich wakker gedragen:—wij zullen zien hoe hij zich voor ’t laatst zal houden.”
Slechts een oogenblik duurde het, of de klaroen werd opnieuw gestoken en van beide zijden reden de drietallen op elkander aan, met zulk een gelijke vlugheid, dat zij ter zelfder tijd aan het koord kwamen. Dusmer weerstond des Graven schok, en beider lansen vlogen als rietstokjes tot spaanders: Ligny, die tegen Adeelen aankwam, verloor de teugels, en werd dus als overwonnen beschouwd, terwijl Gwy van Asperen door den Ridder van den Rooden Arend met kracht uit den zadel werd geworpen. De beide winnaars waren echter in hun doel om het koord over te springen verhinderd en moesten hunne paarden omwenden, ten einde een nieuwen loop te nemen.
“Voorwaar!” zeide de Graaf tot Dusmer, terwijl beiden hunne paarden oprichtten, die tegen het koord waren neergestort: “ik geloof at wij ons overwonnen moeten beschouwen.”
“Uwe Genade heeft nog hulptroepen bij de hand,” zeide Dusmer, “en is mij in getal vooruit.”
“Wij zullen dan nog een rit wagen,” zeide Willem, de oogen naar zijn achtergeblevene strijdgenooten wendende: “maar wat zie ik? is de twist weder aan den gang!”
Dit zeggende reed hij vliegens terug, en vond Reinout en Deodaat in heftige gemoedsbeweging, en Montfoort, die hen vergeefs zocht te stillen.
“Hoe is het, kinderen!” zeide hij: “kunt gij na zoovele jaren van vriendschap, elkander geen oogenblik rustig verdragen?”
“Dat is het niet, heer Graaf!” zeide Reinout: “die Ridder van den Rooden Arend, die Gwy van Asperen zoo onzacht heeft neergesmetenen daarginds van zijn schildknaap een versche lans ontvangt, berijdt het paard, dat mij ontstolen is. Ik had het in demêléeniet bespeurd; doch nu maakt Deodaat mij opmerkzaam......”
“En zoo ik mij niet bedrieg,” zeide Deodaat, “dan heb ik zooeven zijn schildknaap met mijnen vos rond zien stappen.”
“Wij kunnen toch niet denken,” zeide Willem, “dat een Ridder, die zich zoo wakker gedraagt, een paardendief zoude zijn; maar stel u over hem, Reinout! en zie, dat gij uw beest terugwint. En gij, Deodaat! bestrijd den Fries, dan kunt gij een voorproefje hebben van uw strijd van morgen. Wat mij betreft, ik heb aan de eer van den dag genoeg.”
Het bleef op deze wijze het lot van Montfoort om met den Duitscher te kampen, en voorspoedig kweet hij zich van de hem toevertrouwde taak. De beide lansen gleden over de kurassen heen, terwijl de beide Ridders, elk van zijnen kant, het gouden koord overvlogen en met een zegeteeken aan de lanspunt terugkeerden.
Een geheel anderen uitslag had de ontmoeting van Adeelen met Deodaat gevolgd. Zij braken hun lansen met gelijke kracht: doch niet met hetzelfde geluk; want het paard van den Fries, door den schok verschrikt, deed een zijdesprong, struikelde en stortte met zijn ruiter in de beek, onder het luid hoezee der toeschouwers.
Wat Reinout betrof, in stede van zijn weerpartij den overtocht van hetfis d’orte beletten, had hij met opzet de vaart van zijn paard vertraagd, en reed nu, de lans in de hoogte houdende, den Ridder van den Rooden Arend te gemoet, zoodra deze het koord was overgesprongen. De onbekende, dit bespeurende, hield zijn ros staande.
“Met uw verlof, Heer Ridder!” zeide Reinout: “ik kan niet kampen tegen iemand, die op mijn eigen paard zit, zonder eerst te weten hoe hij er aankomt.
“Gelooft gij, dat ik het gestolen heb?” antwoordde de andere: “ik heb het gisteren op de markt te Leiden gekocht.”
“Bij alle heiligen!” riep Reinout, zich op eens bezinnende; “ik ken die stem! waart gij het niet, dien ik eergisteren in het gewaad van Barbanera met dien Frieschen monnik zag praten?”
“Gij zijt een luistervink!” zeide de onbekende.
“En gij een verrader!” riep de Italiaan. “Hier! hulp mijne Heeren! deze schelm brouwt aanslagen tegen den Graaf.”
Onder het uiten dezer woorden greep hij den vreemden Ridder met de linkerhand in de borst; maar deze, zijne lans wegwerpende, bukte zich, vatte Reinout met beide handen bij ’t been en slingerde het zoo behendig over den zadel, dat de jongeling aan de andere zijde op het veld viel, waarop de vreemdeling terstond den teugel wendde, en, eer de Kamprechters, die op dit vreemde gezicht van twee worstelende ruiters aan kwamen draven, het verhinderen konden, dwars de kampplaats overreed, zijn paard over de omheining deed springen, door de verschrikte menigte heendrong en, zonderdat iemand zich tegen hem verzette, zich door een zijstraat aan aller oogen onttrok. Zijn schildknaap, die de beweging zijns meesters gezien had, haastte zich insgelijks te verdwijnen, ’t geen hem te gemakkelijker viel, daar hij zich aan den ingang van het perk bevond, alwaar niemand de oorzaak van zijn vertrek bevroeden kon, noch eenige reden zag om zijn aftocht te belemmeren.
Intusschen was Reinout weder opgestegen en met drift naar Beaumont toegereden: “die schelm, die daar heenvlucht, is een dief en een verrader!” riep hij: “laat hem najagen! hij moet beroofd worden van de wapenrusting, die hij onwaardig is te dragen.”
“Gij hadt u vóór het steekspel deswege moeten beklagen,” zeide Beaumont: “ieder kamper, die eenmaal door de Herauten is toegelaten, heeft vrijgeleide en moet onverhinderd kunnen aftrekken.”
Graaf Willem en Dusmer waren ondertusschen naar de plaats gereden, waar Adeelen overwonnen was en waar Deodaat en Montfoort, na het volbrengen van hun rit, waren teruggekeerd. De Fries had, na zijn nederlaag, het veld in haast verlaten.
“Wat zegt gij, edele Dusmer?” vroeg de Graaf: “zullen wij nog eene lans breken?”
“Ik ben alleen,” antwoordde de Grootmeester: “en ik geloof mijn eer genoeg te hebben gehandhaafd, om te mogen erkennen, dat de overwinning, hoe goed ook betwist, aan uwe zijde is verbleven.”
“Uw beste kamper heeft u verlaten,” zeide Willem, “anders stond uw kans nog zoo kwaad niet. Hoe het zij, laten de Kamprechters uitspraak doen.”
De uitspraak deed zich niet lang wachten: Beaumont, na de Kamprechters te hebben gehoord, rees op, en verklaarde, dat de partij, welke door Graaf Willem was aangevoerd geweest, de zege had behaald; doch dat aan den Graaf, aan Hendrik Dusmer, aan Deodaat van Verona en aan Floris van Montfoort gelijke prijzen, wegens de door hen betoonde dapperheid, behoorden te worden toegekend.
“Wat den Ridder van den Rooden Adelaar en Reinout van Verona betreft, zij zouden op gelijke belooning aanspraak kunnen maken; maar de eerste heeft zich vrijwillig verwijderd: en wat den anderen betreft, hij heeft zijne aanspraak verloren, doordien hij, bij den laatsten rit, in stede van op zijn weerpartijder aan te rijden, hem op een onridderlijke wijze in de borst heeft gevat en een steekspel in een vuistgevecht heeft veranderd.”
“Kon ik een deugniet, die mijn paard stal, ridderlijk behandelen?” bromde Reinout tusschen zijn tanden.
“Met uw verlof, genadige Oom!” zeide Willem: “wij zullen uwe uitspraak in zooverre wijzigen, dat wij de verschooning aannemen, door onzen trouwen Reinout bijgebracht en hem een gelijken prijs toekennen als door ons werd behaald. Ook zijn er nog aan weerszijden menige Ridders, die, na zich wakker gekweten te hebben, niet uit vrees, maar uit beleefdheid zich aan een verderen kamp onttrokken hebben: ook die moeten niet vergeten worden. Wij zullen u verzoeken, genadige Oom! dat ook hunne namen door denHeraut worden opgelezen, ten einde zij het loon hunner dapperheid ontvangen.”
Aan den wensch des Graven werd voldaan, en na een kort beraad tusschen de Kamprechters, werd hunne uitspraak overluid aangekondigd door de Herauten, en door een uitbundig feestgejuich der menigte ontvangen.
Hierna volgde de bekroning der overwinnaars, welke op de gebruikelijke en elders meer beschrevene wijze plaats vond, en de uitreiking der geschenken, uit fraaie paarden, gouden en zilveren ketenen of sierlijk bewerkte wapenen bestaande; waarna de Wapenkoning het feest voor afgeloopen verklaarde: terwijl de Hofmaarschalk, op last der Gravin, al de aanwezige Edelen tot den maaltijd noodigde, die op ’s Graven lustslot zou gegeven worden.