Vijftiende Hoofdstuk.

Vijftiende Hoofdstuk.Alexis heeft zijn zusje lief,Zoolang ze in vrede leven.Van Alphen. Kindergedichtjes.Adeelen was, niettegenstaande zijn nederlaag, de stad stappende uitgereden, niet willende dat iemand zijn vertrek aan schaamte over zijn val zou toeschrijven, en begrijpende, dat hij zich dapper genoeg gekweten had, om het hoongelach niet te verdienen der volksmenigte, welke, zoowel wegens den oploop in den Hout als wegens zijn vermetele uitdaging, maar meer nog om zijn landaard, tegen hem was ingenomen. De gedachten van spijt en wraak en minnenijd, welke zijn ziel vervulden, deden hem echter thans de beleedigingen, hem van alle zijden nagezonden, ternauwernood opmerken en zijn weg vervolgen zonder acht daarop te slaan. Buiten de poort gekomen, gaf hij zijn ros de sporen en stond in weinige oogenblikken voor het klooster.“Waar is vader Syard?” was wederom zijn eerste vraag onder het afstijgen.“De pater is zooeven naar zijn cel vertrokken,” antwoordde Sytsken, die op het binnenplein stond: “een schoone Ridder, die spoorslags van Haarlem was komen rijden, heeft naar hem gevraagd en een paar woorden met hem gewisseld zonder af te stijgen, waarna hij weder is voortgereden.”“Droeg die Ridder niet een rooden arend op den helm?” vroeg Adeelen haastig: “en bereed hij niet een zwarten hengst?”“Of ’t een arend of een valk was, dat wil ik niet zeker zeggen: maar zooverre een arme deerne als ik over een paard kan oordeelen, was het net zoo een stel als daar een dier Ridders op reed, dieu uit de handen van de Haarlemmers verloste.... maar goede hemel! Jonker Seerp! wat ziet gij er uit. Hebt gij in de stadsgracht gelegen of hebben zij u bespoten?—Het water druipt u van den wapenrok af.”“Genoeg gesnapt,” zeide Adeelen.—“Laat iemand den pater verzoeken in mijn slaapzaal te komen. Ik zal mij gaan ontwapenen.”Na een half uur waren beiden ter bestemde plaatse bijeen.“Welnu,” vroeg de monnik: “heeft uw uitdaging een goed gevolg gehad? Mij dunkt gij zijt spoedig terug,” vervolgde hij, ziende dat Adeelen, zonder hem te antwoorden, het vertrek met groote stappen op en neder wandelde; “en gij schijnt slechts matig tevreden over den uitslag van het kampgevecht.”“Dat mij de donder sla!” riep Adeelen, “zoo ik morgen het slijk, dat mijne wapenen bezoedeld heeft, niet afwassche met het bloed van mijn wederpartij; maar zeg mij, Pater! wat is u die Ridder van den Rooden Arend komen verhalen? Bij Sint-Nikolaas! hij heeft zich geweerd als de vogel dien hij voert, en wij hebben in hem een wakkeren bondgenoot.”“Hij is mij komen zeggen,” zeide vader Syard, “dat hij naar het Sticht ging, en dat men weldra van hem hooren zoude. Tevens heeft hij mij geraden te vluchten, daar ik eerstdaags zou gevat worden. Er schijnt iets van onze bijeenkomsten te zijn uitgelekt.”“En zult gij zijn raad volgen?”“Dat men mij vange, ik vrees niets:—elke beleediging, die hier eenen Fries wordt aangedaan, zal slechts strekken om den haat onzer landgenooten te feller te doen ontbranden;—maar dat daargelaten:—gij hebt mij nog den uitslag van het steekspel niet doen weten.”“En ziet gij dien dan niet, bij alle duivels!” riep Adeelen, op zijn vochtigen wapenrok wijzende: “zesmalen heb ik mijn wederpartij overwonnen;—de laatste reis wierp mijn paard mij in de beek;—doch genoeg daarvan:—wij zullen zorgen, morgen gelukkiger te zijn.”Dit zeggende, nam hij een vollen beker, om op den goeden uitslag van zijn kamp te drinken, en deelde vervolgens aan den monnik mede hoe het met zijn uitdaging was afgeloopen. Weldra kwamen nu de Heer van Aylva en de Abt met Madzy van het feest terug, en haastten zich hun vriend op zijn kamer te gaan bezoeken, ten einde hem woorden van troost en opbeuring toe te spreken. Zij vonden hem wrevelig en vermoeid in eenarmstoelliggende.“Ik beklaag u van harte,” zeide Aylva: “gij hadt u te dapper geweerd om door een zoo noodlottig toeval uw aanspraak op den prijs te verbeuren;—maar ik zou in uw nederlaag nog grooter deel nemen, indien ik die niet aanmerkte als een straf des hemels voor uw laatdunkendheid. Welke booze geest kon u de dwaasheid ingeven, den Graaf te gaan uitdagen op zijn eigen grondgebied?”“Humiles levat, superbos deprimit Deus,” zeide de Abt, “’t geen zeggen wil, dat de nederigen verhoogd en de trotschen vernederd worden. Ja! broeder Syard weet hoe dikwijls ik mijnbest gedaan heb om hoogmoed en eigenwaan bij onze broeders uit te roeien.”“Zoo de hoofsche taal van den Graaf u verlokt heeft,” zeide Adeelen: “zoo gij, mijne Heeren! al de beleedigingen, die ons hier worden aangedaan, als zoete koek gelieft op te eten, het is mij wel. Ik ben ongelukkigerwijze van een min gemakkelijken aard en zal niet rusten voordat ik den hoon gewroken heb, den Frieschen naam en mijn Madzy aangedaan.”“Wat mij betreft,” zeide Madzy: “ik heb mij niet beleedigd gevoeld.”“Dat geloof ik wel,” zeide Adeelen: “gij zijt vriendelijk onthaald, gevleid, gestreeld: en wellicht zoude het u nog bovendien aangenaam zijn, dat die Italiaansche windbuil morgen de zege behaalde, al ware de overwonnene een Fries en uw verloofde.”Madzy werd bleek: doch zich straks herstellende, zeide zij met vuur: “ik beken dat ik niet zou juichen, indien op morgen uw lans het bloed deed stroomen van een schuldelooze, van iemand, die u het leven gered heeft.”“Ga voort!” zeide Adeelen: “voeg er nog bij, van iemand, die uw hart gestolen heeft. Is het niet zoo? Maar weet, schoone Jonkvrouw! dat ik morgen, zoo ik den knaap overleve, verwinnaar of verwonnene, niet zal gedoogen, dat gij een dag langer deze verpeste lucht inademt.”“Seerp Van Adeelen!” zeide Madzy met waardigheid: “onze ouders hebben ons als kinderen aan elkander verloofd: ik heb u altijd de liefde eener zuster en de toegeeflijkheid, die eene vrijster aan haar verloofde schuldig is, betoond. Maar dit verklaar ik u plechtig, dat niets ter aarde mij dwingen zal u te huwen, zoolang gij den dwazen weg blijft houden, dien gij sedert eenigen tijd zijt gevolgd. Boogt gij op den naam van vrij, ik stel daar geen minderen prijs op: en nimmer zal ik de gade worden van iemand, die mij reeds vóór het huwelijk als zijn slavin behandelt.’”“En wie der hofvlinders,” vroeg Adeelen, “welke om u heen gefladderd hebben, heeft u dat schoon besluit doen vormen?”“Madzy heeft volkomen recht,” zeide Aylva: “en zoo iemand hier haar gehoond heeft, zijt gij het, door uw onbetamelijk uitvaren. Dan het is tijd, dat wij ons voor het feest bereiden. Zult gij ons vergezellen, Adeelen?”“Om weer tot een voorwerp van spot te verstrekken? Ga, zoo gij verkiest, en zeg dien trotschen Graaf, dat ik zijn uitnoodiging verafschuw, en dat het tusschen hem en mij een zaak van dood en leven is. En wat u betreft, Madzy! ga en lach en scherts met uwe nieuwe vrienden! schimp met hen op den armen Adeelen, op uw verloofde, die morgen misschien om uwentwille en om den wille van het land zijner vaderen zijn leven laten zal. Voorwaar! de maagden van Friesland zullen u eerekransen vlechten bij uwe terugkomst en uwen lof bezingen, omdat gij zoo schoon de eer der uwen hebt opgehouden.”“Gij zijt onbillijk, Adeelen!” zeide Madzy, terwijl de tranen inhaar lieve oogen blonken: “denkt gij, dat ik het gevaar, ’t welk den vriend mijner kindsheid, mijn speelmakker, mijn broeder boven het hoofd hangt, met een onverschillig oog aanzie?—Gelooft gij, dat ik zelve gestemd ben, dat gehate feest bij te wonen!—O neen, mijn voogd! laat mij blijven, en dit gebouw niet eer verlaten, dan om naar Friesland te keeren.”“Ik weet,” zeide Adeelen, bewogen, “dat uw hart goed is, en dat gij ook om het onheil eens onbekenden zoudt treuren: maar bij den hemel! ik werd liever door u bespot en uitgelachen, dan dat gij mij alleen die tranen schonkt, welke men voor een speelmakker, voor een broeder vergiet. Het is als uw bruidegom, als uw minnaar, dat ik uwe tranen verg, en God weet, of zij niet sterker nog vloeien zullen, indien mijn arm morgen in den kampstrijd dien Italiaan neerslaat, die u van liefde heeft durven spreken.”Madzy berstte in tranen uit: zij wilde zich verdedigen, maar zij kon geen geluid uitbrengen; want haar hart was vol: het had de juistheid van Adeelens uitdrukking gevoeld. De ruwe Fries was zelf ontzet over de uitwerking zijner woorden: hij bleef staan, kruiste de armen over de borst, en Madzy met sombere oogen aanziende: “is het waarlijk zoover gekomen?” riep hij uit: “heeft Madzy Dekama, de edele dochter van Frieslands braafsten held, de bruid van Seerp Van Adeelen, zich door de zoete woorden laten bepraten van een onbekenden gelukzoeker, die naam noch afkomst bewijzen kan, wien een onzalige wind naar deze kust gevoerd heeft om zich ten koste der ingezetenen te verrijken? En moet de ronde, vrije Fries achterstaan, omdat zijne taal oprecht en ongeveinsd is, omdat hij nooit de schoone woorden en de vleitaal der hovelingen heeft leeren spreken? Gij antwoordt mij niet: gij zwijgt, Madzy! gij slaat uwe oogen neder! o! ik bezweer u, spreek slechts één woord: zeg mij, dat gij nog dezelfde zijt: zeg, dat het enkel een tijdelijke bedwelming, een vrouwelijke behaagzucht is geweest, welke u het oor aan zijne taal heeft doen leenen. Zeg mij dit, Madzy! stel mijn hart gerust, en gij zult mij voortaan ook veranderd vinden. Ik zal niet meer als meester tot u spreken: ik zal uwe wenschen gehoorzamen: ik zal u naar de oogen zien: uwe begeerten raden en voorkomen. O! tot dit oogenblik toe had ik nooit geweten, hoe heftig ik u beminde; maar de vrees om u te verliezen heeft mij de oogen doen opengaan: ik gevoel nu de kracht mijner liefde: waarlijk! ik zal geen geluk meer hebben, zoolang ik niet van de uwe verzekerd ben.”Madzy gevoelde zich sterk aangedaan. Nooit had zij Adeelen zoo warm, zoo waardig, met zooveel gevoel hooren spreken. “Ja, ik wil uw vriendin zijn, Adeelen! gelijk voorheen,” zeide zij, hem hare hand toereikende: “doch op ééne voorwaarde. Ik wil even oprecht zijn als gij met mij geweest zijt: ja, uw gedrag heeft mij verontwaardigd. Gij hebt in mijne tegenwoordigheid dien Italiaanschen Ridder beleedigd.... neen, antwoord niet; hij moge dan zijn wie hij mag: die afkomst doet hier niets ter zake;—gij hebt hem gehoond, en mij ter zelfder tijd. Gij hebt mij in zijne oogen en in die vananderen voorgesteld, als ware ik een losse, minzieke deerne, gereed mij te vergooien aan al wie mij een zoet woordje toesprak. Hoor wat ik eisch en tot welken prijs gij mijne achting kunt herwinnen. Gij zult dien vreemdeling, dien Deodaat van Verona, bestrijden;—maar eerst zult gij hem verklaren, dat de woorden, u in drift ontvallen, u leed doen: dat gij overtuigd zijt, dat nooit tusschen hem en mij eenige gesprekken zijn voorgevallen, die ik niet hooren mocht: en dat gij ook den hoon vergeten wilt, u door hem ter wedervergelding aangedaan.”“Gij vraagt veel, Madzy!” zeide Adeelen: “meer dan met ridderplicht kan strooken. Zal ik iemand om vergeving bidden, wiens vuistslag nog op mijn aangezicht gloeit?”“Gij zijt een Fries,” zeide Madzy: “en draagt roem op uw rondborstigheid. Zoudt gij die alleen aanwenden om te beleedigen en niet om te durven erkennen, dat gij ongelijk hadt?”“Welaan!” zeide Adeelen: “ik zal doen wat gij begeert: ik zal heden nog, in uwe tegenwoordigheid, den Italiaan de vergoeding doen, die gij verlangt; doch ik heb ook mijne voorwaarde, en de edele Aylva zal oordeelen, of zij billijk is: zij is deze, dat gij na uwe terugkomst in Friesland u met mij in den echt verbindt, en dat ik u heden nog aan het hofgezin als mijne bruid en toekomstige gade moge voorstellen.”“Mij dunkt,” zeide Aylva: “dat deze voorslag niet onredelijk is: zoo kwam er een einde aan alle moeilijkheid.”Madzy verbleekte: zij was op dit onverwachte voorstel niet verdacht, en een samenloop der meest verschillende en tegenstrijdige gewaarwordingen doorstroomde haar hoofd. Maar evenals een akker, hoe meer hij omgewoeld is, des te spoediger vruchten voortbrengt, zoo is ook het menschelijk hart te gereeder een grootsch besluit te nemen, naarmate het feller door driften geschokt is. Zij vermande zich, wischte den opgewelden traan uit het oog en stak haar hand opnieuw aan Adeelen toe.“Ik geloof inderdaad,” zeide zij met een vaste stem, “dat gij gelijk hebt. Ja! ik zal de uwe zijn en heden moge dit op het feest ruchtbaar worden,—maar.... vergenoeg u dan met hetgeen gij tot nu toe verricht hebt: wees bedaard en terg den Graaf niet meer.—Ja, kan het zijn, dat die onzalige kampstrijd op morgen geene plaats had.... doch ik gevoel dat dit onmogelijk is.“Gij zegt wel, Madzy,” zeide Aylva: “had Adeelen mij geraadpleegd, ik zoude getracht hebben, hem die dwaze uitdaging uit het hoofd te praten; maar nu die eens geschied is, kan hij niet teruggaan zonder zijn eer te krenken.”“En nu!” zeide Adeelen, wien het zoet vooruitzicht, waarmede hij zich streelen mocht, bijna op eens in een galanten ridder herschapen had, “laat vrij in ’t perk komen wie wil: door Madzy’s liefde gesterkt, ben ik onverwinnelijk.”“God zegene u, mijne kinderen!” zeide de Olderman, beiden aan zijn hart drukkende: “maar laat ons thans den tijd niet verzuimen en ons gereedmaken voor het feest.”Elk verliet hierop het vertrek, den Frieschen Edelman hooggestemd door vreugde en verwachting achterlatende. Madzy daarentegen gevoelde eene andere gewaarwording, sinds zij zelve haar lot bepaald had; zij was beklemd en neergedrukt: en nauwelijks was zij in haar vertrek gekomen, of zij zonk in een armstoel neder, en de macht, waarmede zij hare hartstochten beteugeld had, maakte plaats voor een diepe neerslachtigheid.“Wat heb ik gedaan?” vroeg zij zich zelve af: “mijn hand toegezegd aan een man, voor wien ik geene liefde gevoel, wiens onhandelbare aard mij ongelukkig maken zal?—En toch! ik heb wèl gedaan. Zóó alleen kan en zal ik die dwaze grillen vergeten, welke dit noodlottig verblijf in Holland mij in ’t hoofd gebracht heeft. Te voren kon ik mij zonder ontroering het denkbeeld voorstellen van Adeelens vrouw te worden;—en waarom thans niet? Heb ik nog niet een oogenblik geleden nieuwe bewijzen gezien van den invloed, dien ik op hem bezit? en zal het mij niet mogelijk wezen, met de hulp des Hemels, de inborst mijns gemaals te verzachten? Zijn hart is goed en oprecht: en onder de ruwe schors zit een edele ziel verborgen. Zoo ik van hem verkrijgen kan dat hij zijne ontembare driften beteugele, zal ik met hem gelukkig kunnen zijn.... gelukkig! Ja, moet men dit niet altijd zijn, wanneer men zijn plicht doet!”Hier werd zij uit haar mijmering gewekt door de stem van Sytsken, die al een poos naast haar gestaan had en haar vroeg, wanneer het haar behagen zou, zich aan te kleeden.Ik geloof, dat het hier de plaats is om onze lezers, en vooral onze lezeressen, die wellicht de schoone Madzy van ongestadigheid of besluiteloosheid verdacht houden, kennis te doen dragen van de drijfveeren, welke haar hadden aangespoord om zoo en niet anders te handelen, en om haar karakter tegen alle beschuldigingen van dien aard te verdedigen. Het zal hiertoe noodig zijn, eenige omstandigheden op te halen uit haar vroeger leven, welker vermelding wij met opzet hebben verschoven.Onder de Friesche geslachten, die steeds met den meesten ijver de voorrechten en vrijheden van hun volk verdedigd hadden, was dat der Dekama’s een der aanzienlijkste. Bezitters van uitgestrekte landgoederen en aan het hoofd eener talrijke schaar van aanhangers, hadden zij in de raadsvergaderingen, waar de belangen des lands verhandeld werden, zoo niet een overwegenden, dan toch steeds een gewichtigen invloed gehad. Aan het hoofd van dit adellijk geslacht bevond zich in het begin der veertiende eeuw de wakkere Sjoerd Dekama, wiens bezittingen een groot deel uitmaakten van die landerijen, welke zich, langs Frieslands Noordelijke kust, van Harlingen tot Dokkum uitstrekken. Toen bijna het gansche gewest zich voor den overwinnenden invloed van Willem den Derden nederboog, was Sjoerd Dekama schier de eenige, die de heerschappij des machtigen Graven van zijn hooge stins in Baarderadeel was blijven trotseeren. Gaarne had hij meer gedaan en zijne landgenooten in ’t veld aangevoerd, om het juk der slavernij, hoe zacht het ook ware, van hun schouderen te werpen; maar de binnenlandsche verdeeldheden, welkegedurende zijn leven Friesland teisterden, beletteden hen, zich genoegzaam aaneen te sluiten, om aan zijn verlangen te voldoen.Vurig had Dekama gewenscht een stamhouder achter te laten, op wien zijn bezittingen en tevens zijn haat tegen alle vreemde overheersching zouden overgaan. Reeds lange jaren was hij gehuwd geweest met een dochter uit het geslacht der Hattinga’s; maar zijn echt was steeds onvruchtbaar gebleven. Bedevaarten naar Onze Lieve Vrouwe van Kevelaar en van Scherpenheuvel, ruime giften aan kloosters en kapellen, alles was beproefd geweest, om den zegen des hemels op dezen echt te verkrijgen; doch alles scheen vruchteloos: en reeds wanhoopten de beide ouders, toen eindelijk, na tien jaren huwelijks, de zwangerschap zijner echtgenoote aan Sjoerd Dekama het vooruitzicht opende om zijn hoop verwezenlijkt te zien. Men schreef deze gunstige wending daaraan toe, dat de edele Vrouw gedurende jaar en dag het water der heilfontein te Dokkum gedronken had. Volgens de overlevering was deze fontein (welke nog ten tijde van Winsemius gezien werd) haar oorsprong aan een wonderwerk verschuldigd. Toen men, in de negende eeuw, het klooster met de kerk op een hooge werf of terp zoude bouwen, wist men geen raad om de kloosterlingen aan zoet water te helpen. De landvoogd Abbo, die Friesland uit naam van Pepijn den Korten bestuurde, was er bij en wist al zoo weinig als de ingezetenen eenigen goeden raad te verschaffen. Het paard van een zijner Jonkers (dat waarschijnlijk van den vermaarden Pegasus afstamde) nam de zwarigheid weg; want het stampte slechts met de voeten op de aarde en fluks kwam er klaar bronwater opborrelen.—Wat er van deze vertelling zij, welke lang als ontwijfelbaar is beschouwd door de minnaars van het wonderbaarlijke, zeker is het, dat de Friezen over ’t algemeen heilzame krachten aan de fontein toeschreven, en vooral een vruchtbaarmakend vermogen, waarvan Foelke Dekama alsnu, gelijk men meende, de uitwerking had ondervonden. De vreugde was nu op Dekamastins ten top en de schoonste toekomst lachte den Burchtheer tegen, toen de geboorte van het zoolang verwachte kind alle vooruitzichten in rook deed verdwijnen. De Burchtvrouw bracht een meisje ter wereld en stierf in het kraambed.Een wanhopige droefheid vervulde de ziel des vaders, die zich zoo opeens in al zijn verwachtingen zag teleurgesteld. Ter neder gedrukt door den slag, die hem getroffen had, bekommerde hij zich weinig over het onnoozele kind, dat hem niet slechts, als een levend aandenken, den droevigen dood zijner beminde gade bestendig herinnerde, maar ook door de kunne van het wicht de vergoeding niet aanbood, welke alleen in staat ware geweest hem bij haar gemis eenigen troost te verschaffen. Ja, de kindsheid der arme Madzy ware beroofd geweest van de noodige zorgen, had niet een bloedverwante van hare moeder, die bij de bevalling was tegenwoordig geweest en de Vrouwe van Dekama in haar uiterste had bijgestaan, zich het hulpelooze schepseltje aangetrokken. Deze liefdadige vrouw was Sybe Hattinga, de gade van Juwe Van Adeelen. Medelijden opvattende met den deerniswaardigen toestand van het verschoven weesje, verzocht zij alseen gunst van Dekama om zijn dochtertje met zich naar Adeelastins te mogen nemen, onder belofte van voor haar eerste opvoeding te zullen zorg dragen: en Dekama, aan wien het gezicht van het kind meer en meer onverdraaglijk was geworden, stond dit verzoek volvaardig toe.Sybe Van Adeelen betoonde zich het haar geschonken vertrouwen volkomen waardig, door de teedere zorgen, welke zij aan het aanvallige wicht besteedde, waarvoor zij al spoedig een moederliefde opvatte en betoonde, schier gelijk aan die, welke zij toedroeg aan haar eenigen zoon Seerp, een knaap, ongeveer tien jaren ouder dan Madzy. Recht in zijn schik, dat moeder hem een zusje had medegebracht, hechtte hij zich terstond aan het kleine meisje, droeg voor haar meermalen waakzame zorg wanneer zijn moeder afwezig was, achtte zich gelukkig, wanneer hij de eerste schreden van het lieve kind besturen mocht, en verliet niet zelden zijne spelen om bij het wiegje te zitten en aan zusje Madzy de zoetste woordjes, die hem in den zin kwamen, te laten nastamelen.Ook Juwe Van Adeelen had zijn aangenomen dochtertje lief; misschien even zooveel als zijn vrouw, en iets minder dan zijn zoon, met wien hij het meest ophad, en wel om de eenvoudige reden, dat deze de eenigste was van de drie, die hem op zijn jacht- en vischpartijen kon verzellen. Buiten deze genoegens en die van de daarmede in verband staande drinkmalen, was de goede man toch onvatbaar voor eenige genieting; en de oogenblikken, welke hij rustig en in den huiselijken kring op zijn stins doorbracht, waren zoo zeldzaam, en hij bevond zich bij die gelegenheden zoo misplaatst, dat men hem daar minder als den Heer des huizes dan wel als een gastvriend beschouwde. Hij liet dan ook zijn echtgenoote volkomen vrij, zoowel in de besturing van haar huiselijke zaken als in haar beschikkingen omtrent Madzy:—en zeker had hij zijn vertrouwen nimmer beter kunnen plaatsen.Onder de waakzame oogen der edele Vrouw bracht de telg van Dekama de dagen harer kindsheid allergelukkigst door, teeder gehecht aan haar pleegmoeder, en ook aan haar grooten broeder Seerp, gelijk zij hem noemde: hoewel zij met dezen laatsten, naarmate zij in jaren klommen, somtijds onaangename tooneelen had, door zijn hoofdigen en eigenzinnigen aard veroorzaakt; want, zoolang hij met haar gesold had als met een klein kind, dat hem nimmer tegensprak, had zij nooit iets van hem te lijden gehad; maar naderhand ging het tusschen hen als met Alexis en zijn zusje, volgens het bevallige gedichtje, dat wij tot motto van dit hoofdstuk hebben gebezigd. Daar echter Madzy zachtzinnig en inschikkelijk van aard was, en bij alle oneenigheid dadelijk toegaf, was de vrede doorgaans spoedig hersteld en de smart ras vergeten:—en welke zijn de onaangenaamheden, welke de kindsheid niet spoedig voorbijziet?Het duurde ongeveer tien jaren, eer Dekama, die intusschen, als der wereld en hare vreugde afgestorven, zijn treurige dagen op zijn erfgoed had doorgebracht, zich herinnerde, dat hij nog een dochter op Adeelastins in leven had: en verveling of nieuwsgierigheid, meerdan ouderliefde, dreven hem derwaarts. Doch helaas! het onvoorbereide meisje rukte zich los uit de armen van den somberen, zwarten edelman, die haar omhelzen wilde, en zocht haar toevlucht aan den hals van haar pleegmoeder.Deze ontmoeting was weinig geschikt om aan Dekama meerdere teederheid voor zijn dochter in te boezemen. Hij verkropte echter zijn spijt, uit aanmerking der erkentenis, welke hij aan Sybe verschuldigd was; maar hij eischte zijn kind niet terug, tot groot genoegen der edele Vrouw, die het ongaarne gemist zou hebben op een tijd, dat het in staat begon te worden de haar bewezene diensten te beloonen. Daarentegen schepte hij, gedurende het kort verblijf, dat hij op Adeelastins maakte, genoegen in den omgang met den jeugdigen Seerp, die nu de jaren bereikt had, waarop hij de wereld in kon treden, en wiens hooghartig karakter veel overeenkomst met het zijne had. Dekama bemerkte weldra, dat de opvoeding van den jongeling in vele opzichten verwaarloosd was, daar deze op de stins en onder de leiding zijns vaders weinig gelegenheid had gehad om zich in het meer edele gedeelte der ridderlijke oefeningen bekwaam te maken. Hij stelde daarom aan den ouden Adeelen voor, dat Seerp hem naar Dekamastins zoude vergezellen om hem tot schildknaap te verstrekken en onder zijn opzicht aan te leeren wat hem nog ontbreken mocht;—door welken dienst hij, gelijk hij zich uitdrukte, de handelwijze der Adeelens jegens zijne dochter hoopte te vergelden. Deze voorslag klonk in den beginne vrij onwelkom in de ooren van Juwe, die niet gaarne een zoo wakkeren jachtgezel als zijn zoon wilde missen; doch op aandrang, zoowel van den knaap zelven, die, volgens den aard der jeugd, naar verandering haakte en wien het in de ziel griefde, dat ieder zijner tijdgenooten hem in bekwaamheid vooruit was, als van de verstandige moeder, die het voorbeeld van haar echtgenoot hoogst gevaarlijk achtte voor den jongeling, gaf de oude man toe, en Seerp volgde Dekama op de stins van dezen, waar hij zich al spoedig in alle ridderlijke oefeningen zoodanig volmaakte, dat hij in staat was, om, gelijk wij gezien hebben, met eer op een steekspel te verschijnen. Maar behalve de uiterlijke bekwaamheden, welke hij van Dekama overnam, zoog hij ook van dezen, gelijk wel te verwachten was, al de vrijheidsademende denkbeelden en al den nationalen trots in, welke den ouden Edelman kenmerkten en, als het meestentijds gaat, door zijn kweekeling nog overdreven werden.Dit duurde zoo tot den dood van den ouden Juwe Van Adeelen, die na verloop van een drietal jaren op een jachtpartij overleed aan de gevolgen van een twist, uit een beuzelachtige omstandigheid ontstaan: namelijk over het aanleggen van het vuur. Eenigen der Edelen, die de Schieringer-partij waren toegedaan, hadden namelijk het vuur boven de brandstoffen gelegd, iets hetgeen de Vetkoopers, die gewoon waren, zich te onderscheiden door de turven boven het vuur te leggen, niet wilden gedoogen. De kortelings nog vroolijke jachtgezellen, door den drank verhit, trokken hun dolken en zwaarden; Juwe, ofschoon van een vreedzamen aard, zag zich genoodzaaktpartij te kiezen en ontving in het gevecht een doodelijke wonde. Seerp keerde op het bericht van dit voorval naar zijn stins, om van zijns vaders erfgoed bezit te nemen en zijn dood te wreken. Weldra toonde hij, dat de leden van zijn geslacht aan hem geen zoo gemakkelijk stamhoofd, noch de eigengeërfden uit den omtrek een zoo toegevenden buurman hebben zouden als zijn vader geweest was. Zijn eerste daad was, zijn krijgsknechten uit te rusten, de moordenaars zijns vaders op hunne stinsen te overvallen en hen van ’t leven te berooven. Deze doodslag werd wel gezoend; maar niet zonder dat een aanzienlijk gedeelte der landgoederen van Adeelens vijanden in zijn bezit verbleven: terwijl zijn stoute daad hem een grooten naam gaf bij zijn partij en hem trotscher en hooghartiger maakte dan ooit. De zachte vermaningen zijner moeder en de zusterlijke raadgevingen van Madzy hielden hem echter eenigszins in toom, en beletteden althans voor eenigen tijd, dat Adeelen zich in nieuwe twisten stak. Intusschen zag de edele Vrouw de toekomst donker in, en voedde niet ten onrechte de vrees, dat wanneer zij eens haar echtgenoot in het graf zoude gevolgd zijn, haar zoon, bij gemis van goeden raad en leiding, zich geheel aan de inspraak van zijn heerschzuchtigen aard zou overgeven. Haar vurigst verlangen, hetwelk zij meer dan eens bedektelijk uitte, was daarom, dat Madzy, wier juist oordeel, uitmuntend verstand en zachte inborst haar tot zulk een taak volkomen in staat stelden, Seerp eenmaal, wanneer zijn moeder kwam te vallen, tot leidsvrouw en gezellin op ’s levens pad verstrekken mocht. Madzy, die nooit eenig jongeling dan Seerp had leeren kennen, en hem een zusterlijke genegenheid toedroeg, leende geen afkeerig oor aan de wenschen, door haar weldoenster gekoesterd, en gewende zich als van zelve aan het denkbeeld van op Adeelastins haar dagen aan de zijde des Burchtheers te blijven doorbrengen. Wat dezen betrof, hij beschouwde haar nog te veel als een kind, dan dat hij er om gedacht zoude hebben, haar in goeden ernst zijn hof te maken: hij behandelde haar, gelijk hij altijd gewoon was geweest, zeer uit de hoogte; maar hij deelde niettemin in den wensch zijner moeder; want hij voorzag, dat Madzy een aardig lief vrouwtje zoude worden, en de gedachte streelde hem, dat de bezittingen van de rijke erfgename der Dekama’s hem eenmaal tot den vermogendsten der Friesche Edelen zouden maken en hem in staat stellen, een overwegenden invloed op zijn landgenooten uit te oefenen, en hen tot afschudding van het Hollandsche juk te nopen.De stille leefwijze, welke Madzy sinds haar eerste kindsheid op Adeelastins geleid had, moest eindelijk ophouden. De Vrouwe van Adeelen, die sedert eenige jaren de beginselen eener teringziekte had onder de leden gedragen, voelde haar einde naderen. Op haar sterfbed gaf zij nog voor ’t laatst haar innig verlangen te kennen, dat Madzy eenmaal haar zoon zoude huwen: en toen het diep ontroerde meisje door aandoening werd belet haar te antwoorden, legde zij de handen der twee wezens, welke zij boven alles bemind had, in elkander, en ontsliep zonder smarten, de zalige gedachte met zich nemende, dat zij een brave gade voor haar zoon had opgekweekt.Toen Sjoerd Dekama kennis van het sterfgeval bekwam, zag hij wel in, dat hij niets anders doen kon, dan de zoolang door hem verwaarloosde dochter bij zich in te nemen. Hij zond zijn ouden slotvoogd om haar af te halen; en zij kwam tot hem, een vreemdeling in het huis haars vaders. Wel was deze innerlijk trotsch op zijn dochter, toen hij zag, hoe schoon en beminnelijk zij was geworden; maar sedert zoolang was zijn stins door geen vrouwenvoet betreden geweest, dat hij moeite had, haar die gemakken te verschaffen, welke haar kunne en staat vereischten: zoodat zij een weinig genoeglijk leven sleet, alleen in het gezelschap van iemand, die den omgang met vrouwen geheel was afgewend. In den beginne kwam, wel is waar, Seerp haar nu en dan bezoeken en eenige verscheidenheid in haar eentonig leven brengen; doch daar deze eerlang met de monniken van Lidlum in een heftigen twist geraakte, die hem zijn huwelijksvoornemens voor een wijl deed uit het oog verliezen, werden die bezoeken weldra meer schaarsch en hielden eindelijk geheel op.Dan, ook de tegenwoordige toestand van Madzy moest van korten duur zijn. Dekama stierf, eer nog het jaar ten einde was, aan een aanval van beroerte, welke men toeschreef aan de woede, waarin hij geraakt was, bij het vernemen, dat Stavoren en nog twee Friesche steden de laagheid hadden gehad, den Graaf van Holland als Heer te huldigen. Bij zijn uitersten wil droeg hij de voogdij over zijne dochter op aan den Heer van Aylva, zijn krijgsmakker en wapenbroeder in vroegere jaren, en den eenigen man bijna, wiens gezelschap hij nog in de dagen zijner afzondering had willen dulden.Aylva kwam naar Dekamastins, zoodra hij het verlangen van zijn overledenen vriend had vernomen. Madzy kende den Olderman niet persoonlijk; maar zij had hem meermalen door haar vader hooren prijzen, die hem een volkomen Ridder noemde, welke slechts één gebrek had, namelijk dat hij niet genoeg Fries was, ’t geen Dekama aan de veelvuldige reizen en lange uitlandigheid van Aylva toeschreef. Weldra, bij de kennismaking met haar voogd, die haar nu meermalen ter regeling en besturing van haar erfgoed bezoeken kwam, leerde zij zijn beminnelijk en edel karakter ook bij ondervinding kennen en waardeeren, en met een soort van verwondering ontdekte zij, dat er nog een ander slag van menschen bestond, dan haar vader of de Adeelens. Zij hoorde nu niet meer op allen vreemden landaard schelden, noch uitsluitend datgene prijzen, wat louter Friesch was: zij hoorde van gewoonten en gebruiken spreken, waarvan zij nooit gedroomd had: en een beschaafden, wellevenden toon voeren, welke noch op het sombere huis van Dekama noch op Adeelastins ooit gekend was. Het was dan ook zonder tegenzin, dat zij het aanbod aannam, haar door Aylva gedaan, om eenigen tijd op zijne stins te komen doorbrengen en aldaar zijne zusters gezelschap te houden, terwijl het huis haars vaders eenige herstelling en vertimmering onderging, die door langdurig verzuim hoogst noodig waren geworden.Het was daar, in haar nieuw verblijf, dat zich de uitmuntendebegaafdheden, welke zij van de natuur ontvangen had, geheel ontwikkelden. De twee zusters van Aylva, jonger dan hij, doch oud genoeg om Madzy door haar voorbeeld op te leiden, verschaften haar een even genoeglijk als leerrijk gezelschap. Beiden waren niet slechts in alle vrouwelijke handwerken, maar ook, hetgeen te dier tijd zeldzamer was, in zang en snarenspel bedreven; en Madzy maakte van haar onderricht zulk een nuttig gebruik, dat zij weldra haar meesteressen voorbijstreefde. Bovendien werd de stins van Aylva niet zelden bezocht door welkome gasten, die zoowel door den gullen en aangenamen omgang des Oldermans als door de schoonheid en begaafdheden van het beminnelijke drietal werden derwaarts gelokt, en de Roos van Dekama (want deze naam, haar door een reizenden minnezanger gegeven, was haar sedert bijgebleven) bracht, in die gestadige afwisseling van vroolijke en belangrijke gezelschappen, de schoone dagen harer jeugd op de aangenaamste wijze door.Ondertusschen had Seerp Van Adeelen met de monniken van Lidlum vrede gesloten, waartoe hem, gelijk wij vroeger gezien hebben, de welsprekendheid van vader Syard genoopt had; de verstandige kloosterling had hem van zijn zwakke zijde aangetast, door hem te verhalen, hoezeer de Hollanders juichten over de inwendige tweespalt, die Friesland verdeelde. Adeelen begon nu weder aan Madzy te denken en zich te verwijten, dat hij haar eenigen tijd verwaarloosd had. Daar hij echter zijn huwelijk met haar als een vastgestelde zaak beschouwde, aan wier voltrekking geen twijfel wezen kon, deed hij, bij zijn eerste bezoek op de stins van Aylva, geene de minste moeite om zijn achteloos gedrag te vergoelijken, of verschooning aan Madzy, die hij nog altijd als een kind aanzag, af te smeeken. Wat haar betrof, zij had, wij moeten het gulweg bekennen, in den laatsten tijd weinig aan hem, ofschoon dagelijks aan zijn goede moeder, gedacht: zij zag hem niet terug met dat oog van eerbied en vrees, waarmede zij vroeger gewoon was geweest hem te aanschouwen. Hij was voor haar niet langer de Burchtheer van Adeelastins, zooveel ouder dan zij; maar eenvoudig een onhoffelijke, ruwe landedelman, die nog veel te leeren had, eer hij geschikt ware om haar hart te winnen. Zij behandelde hem echter, uit oude betrekking, met minzame vertrouwelijkheid; maar als Adeelen over hun aanstaand huwelijk sprak, kwam zij altijd met de verontschuldiging voor den dag, dat zij nog veel te jong was om daaraan te denken.Hij kon zich echter over dit antwoord niet beklagen; want hij zag, dat het geene loutere uitvlucht was: daar zij verscheidene andere edele Friezen, die de rijke erfdochter der edele Dekama’s ten huwelijk waren komen vragen, ronduit had afgeslagen, en hem herhaaldelijk verzekerde dat zij bereid was, de hoop eenmaal te verwezenlijken, door zijn moeder gevoed.Aldus stonden de zaken, toen de gebeurtenissen te Stavoren plaats vonden, welke aanleiding gaven, dat in denweerstalof de landsvergadering der Friezen tot het zenden van afgevaardigden besloten werd, waarbij men zich op de drie personen bepaalde, in deze geschiedenisgenoemd. De keus der geestelijke Heeren viel natuurlijk op den Abt van Sint-Odulf, daar deze als een nabuur der inwoners van Stavoren het meest bij de zaak belang had, en het best in staat was het gebeurde te beoordeelen. Oostergoo benoemde Aylva, die, wegens zijn aanzienlijke bezittingen en als Olderman van Leeuwarden, in dat gewest een uitgebreiden invloed had. Westergoo koos Adeelen, zoowel om zijn koninklijke afkomst, welke hem zelfs onder de vrije Friezen een aanzien gaf, dat hij anders niet zoude hebben gehad, als om het ontzag, dat men voor zijn macht en wakkere daden gevoelde.Adeelen, bezorgd dat Madzy in de afwezigheid van Aylva zonder bescherming zoude achterblijven, en wellicht ook de hinderlagen duchtende, welke, ’t zij door dezen of genen minnaar, ’t zij door een geheimen vijand zouden gelegd kunnen worden, drong bij Aylva aan, dat hij haar met zich op de reis naar Holland zoude nemen: tevens echter zijn verlangen te kennen gevende, dat zij zich aldaar zoo min mogelijk vertoonen zoude. Aylva had er niets tegen om aan het eerste gedeelte van dit verzoek te voldoen, hoezeer het hem leed deed dat zijn zusters, die in den tusschentijd gehuwd waren, haar niet zouden kunnen vergezellen;—maar hij bekende, de reden niet in te zien, waarom hij aan Madzy die vermaken zoude ontzeggen, welke een tijdelijk verblijf in Holland haar kon opleveren, en waarop iemand van haar kunne en leeftijd billijk mocht aanspraak maken. Madzy echter nam alle zwarigheid weg, door te verklaren, dat, zoo zij medeging, zulks alleen zoude wezen, om haar voogd op reis de noodige oppassing en dienst te bewijzen, waaraan hij gewoon was, en dat zij niet verlangde zich in ’t openbaar te vertoonen om aan de Hollandsche Jonkvrouwen tot een voorwerp van spotternij te verstrekken:—en het was onder deze voorteekenen dat de reis werd ondernomen.Dan, de goede Madzy had niet nagedacht, dat deze reis zou dienen om haar voorwerpen te leeren kennen, en zaken uit een oogpunt te doen zien, van welke zelfs de gesprekken met haren voogd haar nog geen denkbeeld hadden kunnen geven. Zij vond zich, zonder zelve te weten hoe, op eenmaal als een twistappel aan het hof des Graven geworpen, gevleid, bewonderd en benijd. Zij had de zoete taal gehoord van Ridders, bij wie Adeelen evenmin te vergelijken was als de ruwe goedendag des huismans bij den sierlijken pronkdegen met Damasceensch lemmer des Edelmans, en hoe nederig ook en ingetogen, zij was eene vrouw, en had niet zonder eenig behagen haar lof in hoofsche taal hooren uitspreken door den mond eens Graven van Holland en zijner Edelen, en haar hart sloeg harder, wanneer zij zich den wakkeren Deodaat voorstelde, met zijn helderen, vriendelijken oogopslag, met zijn zachtaardig voorkomen, dat zoo vreemd afstak tegen zijn onweerstaanbaren moed, met zijn innemende stem, bevallige manieren en heusche handelwijze ten haren opzichte.“Maar wat baat dit alles?” dacht zij, terwijl Sytsken haar hoofdtooi in orde bracht: “het zoude in dien Deodaat, die wellicht nietsanders dan een ten hove gewone beleefdheid jegens mij in acht genomen heeft, een dwaasheid zijn, mij te beminnen: en in mij een nog veel grooter dwaasheid, zijn liefde aan te hooren. Geen uitlander als hij zou in Friesland als de echtgenoot van Madzy Dekama geduld worden; en mijn goede naam ware voor eeuwig verloren, indien ik mijn land verzaakte om een vreemdeling zonder fortuin of afkomst te volgen. Neen, zoo ik immer rust en geluk wil smaken, het is voor mij slechts in het land mijner vaderen te vinden: en gelijk de zwaluw slechts nestelt aan het dak waar zij uitgebroeid is, en niet met den vink naar vreemde luchtstreken reist, zoo mag ook de Friezin alleen in Friesland haar gade vinden.”Zestiende Hoofdstuk.Adusta is alleen de bron van al uw tranen:Hy zette, razende van minnenijd en smart,Om ’t missen van zijn prooi, zijn’ vriend een dolk op ’t hart.Van Merken. Louize d’Arlac.Het maal, dat op ’s Graven jachtverblijf was aangericht, beloofde al de feesten, welke tot dien tijd in Holland gegeven waren, in pracht en rijkdom te overtreffen. Daar het weder, hoe ongestadig anders hier te lande, sedert een geruimen tijd zoo aanhoudend gunstig was, alsof het voor de feestvieringen ware uitgekozen geweest, had men zonder eenige moeite de toebereidselen op den Vogelesang kunnen maken. Vermits het jachthuis te klein was om de genoodigden te bevatten, waren er ter zijde van het gebouw verscheiden tafels aangericht van een aanzienlijke lengte, omringd van banken, die wel uit ruw hout samengesteld, maar met sierlijke kussens overdekt waren. Op en om die tafels waren al de fraaiigheden ten toon gesteld, welke de kunst in die eeuw bekwaam was op te leveren. Zoo prijkten hier, instede derplateauxvan lateren tijd, twee gansche kasteelen op tafel, met hun schansen en torens, van welke de banieren des Graven waaiden en waar binnen zich een deel hoornblazers bevonden, die gedurende den maaltijd het gezelschap op hun muziek moesten onthalen. Zoo stonden er onder de hooge linden rijkedressoirenof aanrechttafels, waarop blinkende vazen en kannen en koelvaten van allerlei vorm en metaal pronkten, en welke, vreemd genoeg, door tamme beren werden bewaakt, die geleerd hadden, bij de aankomst der gasten, de spietsen, waarmede zij gewapend waren, ter aarde te buigen. Maar, wat de meeste bewondering verwekken moest, waren drie nagemaakte olifanten, zoo groot als in ’t leven, maar welke de dorpsschilder, die waarschijnlijk nooit deze dieren gezien had, ter eere van ’s Graven blazoen, met roode, gele en zwarte strepen had beschilderd. Uit den snuit deseenen vloot Rijnwijn; de tweede gaf Franschen witten wijn, en de middelste hypocras. Nog merkwaardiger, wat de kunst betrof, doch minder belangrijk in de oogen der gasten, was een boom, die midden op de tafel stond en alle mogelijke vruchten droeg, deels natuurlijk, deels nagebootst, en in wiens gouden bladeren kunstig gemaakte vogeltjes, door verborgen werktuigen bestuurd, met de vlerken klapperden en allerlei deuntjes floten.Het was ongeveer zes uren na den middag, de tijd, waarop men gewoon was den tweeden maaltijd te nemen: de meeste gasten waren reeds verzameld en wandelden de bekoorlijke dreven op en neder, ofschoon zij die beweging niet behoefden om hun honger te scherpen. Zij hadden door het tornooispel van dien morgen verzuimd hun middagmaal te nemen, of terampeneeren, gelijk men het noemde, en benijdden de paarden, die in haastig opgeslagen noodstallen zich reeds vergasten mochten aan het versche gras, waar de ruiven mede gevuld waren, toen de Graaf met zijn hofstoet van Haarlem kwam aangereden. Zijn voorhoofd was somber, en hoewel hij zijn best deed om zich te bedwingen en zijn gasten met gulheid en wellevendheid te verwelkomen, ontging het echter niemand, dat hij zich in een onaangename luim bevond.De oorzaak hiervan lag in de tijdingen, welke hij dien dag uit het Sticht bekomen had. Ieder, die met de geschiedenis van ons land bekend is, weet, hoezeer de Graven van Holland er altijd en met reden op gesteld waren geweest, een Hollander, of althans een hunner bloedverwanten of leenmannen, op den Bisschoppelijken zetel te zien, ten einde hun invloed op het Sticht te behouden en de anders zoo gestadige twisten tusschen Holland en Utrecht te voorkomen. Dit was ook het doel van Willem IV geweest en hij was daarin in zooverre geslaagd, dat hij Jan van Arkel, den zoon van een zijner machtigste vazallen, den mijter had doen bekomen. Wij hebben reeds vroeger opgemerkt, hoe de nieuwe Bisschop weinig aan het oogmerk zijns beschermers had beantwoord. In den bloei der jaren, tegen zijn zin in den geestelijken stand getreden, bovendien uit een hooggevoelend en trotsch geslacht gesproten, dat slechts noode iemand boven zich gesteld zag, had de fiere jongeling weinig lust gevoeld, aan den leiband des Graven een berooiden boel te beheeren en alleen in naam Bisschop te zijn, zonder het vermogen te bezitten om zijn waardigheid op te houden of zijn gezag te doen gelden. Het gevolg hiervan, de reis des Bisschops naar Grenoble, het lossen der aan Graaf Willem verpande sloten en al hetgeen verder gedaan was om diens invloed te verminderen, hebben wij reeds verhaald. Om dezen invloed te herwinnen had de Graaf onderscheidene middelen in het werk gesteld, en, nu kort te voren, inzage der rekeningen van het Bisdom verlangd: maar het was juist na den afloop van het steekspel, dat een renbode hem een brief gebracht had van de Kapittels van Utrecht, waarbij hem die inzage gladaf geweigerd werd. In de eerste opwelling van gramschap over dezen grievenden hoon had hij, zonder iemand te raadplegen, en alleen zijn drift gehoor gevende, terstond een ontzeggingsbriefaan de stad Utrecht terug doen zenden: en het was de wrevel over dit voorval ontstaan, welke thans nog op zijn gelaat te lezen was.Terwijl hij zich in deze gemoedsgesteldheid bevond en bestreden werd door de heftige gewaarwordingen, welke slechts een nieuwe gelegenheid wachtende waren om uit te barsten, evenals het kruit slechts een vonk noodig heeft om te ontbranden, naderde hem Adeelen, Madzy aan de hand geleidende en door zijn beide medeafgevaardigden gevolgd. Een beter hoveling dan Adeelen zou de gefronste wenkbrauw des Graven hebben opgemerkt, die zich nog sterker samentrok toen hij den Fries in ’t oog kreeg; hij zou gevreesd hebben, den grammen leeuw te tergen, en een meer geschikte gelegenheid afgewacht hebben om tot den Vorst te spreken, maar Adeelen was er de man niet naar, om zich door een donker gezicht te laten afschrikken. Stoutweg deed hij een stap naar den Graaf, en hem Madzy voorstellende: “Heer Graaf,” zeide hij: “gisteren had Madzy Dekama nog een vijftigtal vrijers, die het slechts voor de leus waren: heden heeft zij een bruidegom; maar die meent het goed. Ik zou u gisteren ons huwelijk reeds hebben aangekondigd,” vervolgde hij, de stem verheffende, ten einde door Deodaat, die niet verre van daar stond, gehoord te worden, “maar toen was ik nog niet zeker van mijn zaak; en het doet mij leed, dat ik, door een valschen waan misleid, de bedoelingen van dien Ridder daar” (op Deodaat wijzende) “heb miskend. Ik herstel hem in zijn eer, en beken, dat ik verkeerd deed, hem te hoonen: meer kan ik niet zeggen: heden heeft zij mij de toedracht der zaken opgehelderd en het is tusschen ons beiden beklonken. Zoodra wij in Friesland teruggekeerd zullen zijn, ’t geen God geve dat spoedig plaats hebbe, gaat het huwelijk door.”Deze aanspraak was, ja, door Graaf Willem ten einde toe aangehoord, maar niet zonder herhaalde teekenen van wrevel, toorn en ongeduld, welke Adeelen niet had opgemerkt. Toen deze echter had uitgesproken, kon de Graaf zich niet langer bedwingen. Het voorgenomen huwelijk van Madzy wierp weder een der door hem gevormde plannen in duigen, dat namelijk, van een verbintenis tusschen haar en een zijner vertrouwde hovelingen: en de vrijmoedige taal van den Fries, welke hij tot nu toe uit staatkunde en ridderlijke toegevendheid geduld had, was hem eindelijk ondraaglijk geworden. Hij stampte driftig met den wandelstaf, dien hij in de hand had, op den grond, en toen den Fries met woedende oogen aanziende: “Bij Sint-Japik!” riep hij uit: “en zijt gij zoo zeker, lompe Fries! dat gij den dag van morgen beleven zult, om nu reeds een trouwdag te bepalen. Bij alle Heiligen, die Jonkvrouw is ouderloos en als zoodanig zijn wij als landsheer haar rechte en natuurlijke voogd: en niemand zal haar trouwen, die niet onze toestemming verzocht en verkregen heeft.”Al de omstanders waren verbaasd en ontzet over dezen heftigen uitval: en Adeelen zelf, hoe weinig door woorden af te schrikken, was zoo uit het veld geslagen door de onverwachte wijze, waaropde Graaf zijn toespraak had opgenomen, dat hij eenige oogenblikken stom bleef, en zonder te weten wat hij deed, met de linkerhand zijn sabelknop omvatte, als vreesde hij een dadelijken aanval.Beaumont, die als des Graven goeden engel altijd aan zijn zijde stond, haastte zich, hem zachtjes in ’t oor te fluisteren:“Bedenk wat gij doet: wees bedaard, en herinner u, dat wij ons geene nieuwe vijanden op den hals behoeven te halen.”Deze welmeenende raad diende slechts om olie in het vuur te gieten: “De duivel hale alle bedaardheid!” riep de Graaf: “wat ben ik? wettig Heer van deze landen? of een speelbal in de handen mijner onderzaten? Wij hebben ons genoeg verlaagd: lang genoeg de plompe onbeschaamdheid van een vazal verdragen, die het er op toelegt, ons in ’t aangezicht te beleedigen. Bij Sint-Japik! hadden wij ons ridderwoord niet gegeven, van het tweegevecht van morgen niet te zullen beletten, deze Seerp Van Adeelen ware reeds lang in den kelder van ons huis in ’s-Hage geworpen.”Adeelen, die zijn vrijmoedigheid inmiddels teruggekregen had, was op het punt van den Graaf een haastig antwoord toe te duwen, toen Aylva met een bedaarden doch vasten stap voor hem trad, en hem met de linkerhand afweerde.“Graaf!” zeide hij: “zoo Seerp Van Adeelen u hedenmorgen beleedigd heeft, ik ben er verre af, partij voor hem te kiezen en hem te verschoonen. Maar wij konden billijk verwachten, dat wij aan het hof des zoons van Willem den Goeden, des meesters der Koningen, des volmaaksten Ridders van Europa, die gastvrijheid zouden zien betrachten, waarop wij als genoodigden en als de waardigheid van afgevaardigden bekleedende, welke bij alle beschaafde natiën in achting is, aanspraak vermeenden te kunnen maken. Daar dit echter het geval niet is, zoo zullen wij uwe Genade van een gezelschap ontslaan, dat hinderlijk schijnt geworden te zijn.”De Graaf hoorde deze toespraak aan, zonder den Fries in de rede te vallen en zonder eenig blijk van ongeduld te geven, dan dat hij op den knop van zijn wandelstok beet, een bezigheid, waarmede hij voortging toen Aylva gesproken had, zonder dezen eenig antwoord op zijn rede te geven. Aylva was dan ook gereed met een buiging verlof te nemen, toen Beaumont tusschen beiden trad en hem weerhield.“Blijf, edele Aylva!” zeide hij: “blijf, waardige Abt! u kunnen de woorden des Graven niet gegolden hebben. O mijn edele Neef! deze edellieden, deze vrome Abt zijn uwe gasten. Laat hen niet vertrekken met een slechte herinnering aan uwe vorstelijke gastvrijheid.”“Wij hebben hen niet gehinderd daarvan gebruik te maken,” zeide Willem, op een hoogen toon: “doch het was tijd, dat zij een les ontvingen, hoe zich in onze tegenwoordigheid te gedragen. Onze Herauten hadden hen beter behooren te onderrichten.”Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich met een haastigen tred en ging naar de Gravin, die zich, op een geruimen afstand vandaar, in ’t midden van een stoet van hooge genoodigden en adellijke Jonkvrouwen bevond. De meeste omstanders volgden den Graaf; maarzijn laatste woorden waren niet verloren gegaan, en de oude Wapenkoning, die ze gehoord en als een zijdelingsch verwijt had opgenomen, trad naar Adeelen toe en begon hem, op een half beleefden, half bestraffenden toon, de les te lezen over zijn gedrag, terwijl Beaumont en Teylingen den Abt en den Olderman poogden over te halen, het feest niet te verlaten om een woord, dat den Graaf in drift ontvallen was.“Gij moet weten,” zeide de oude Paypaert tot Adeelen, “dat het hoogst onbetamelijk en met alle gebruiken strijdig is, het woord tegen den Graaf te voeren, zonder daartoe alvorens verlof te hebben doen vragen door een Heraut, of, zoo er geen aanwezig is, door een van ’s Graven schildknapen, of eindelijk, bij mangel van dien, door een dienstdoenden page. Geloof mij, Jonker! dat ik, die mijn waardigheid reeds bekleed heb onder Graaf Floris, die de minzaamste aller vorsten was, ja zelfs zoodanig, dat hij het slachtoffer zijner te groote goedheid werd, als iedereen weet: onder Graaf Jan den Eersten, die de zachtheid zelve was: onder Graaf Jan den Tweeden, die alles deed wat in hem was, om de welwillendheid zijner onderzaten te winnen: onder Graaf Willem den Goeden, wiens naam alleen genoeg zegt om aan te duiden wat hij was: dat ik, zeg ik, nooit heb ondervonden, dat een van die edele Graven, wier zielen God genadig zij, ooit geduld heeft, dat een onderzaat, al ware hij een Baanderheer, onaangediend en ongevraagd het woord tot hem voerde, tenzij over tafel of aan ’t spel, uitgezonderd alleen de magen van het Grafelijk Huis, als de Heeren van Brederode, van Voorne, van....”“Dat is alles schoon en goed,” zeide Adeelen, wien deze predikatie reeds sedert lang verveelde, maar die geen kans zag om er aan te ontkomen, zonder tegen den ouden man, die hem bij de mouw hield, geweld te gebruiken:—te meer daar hij ingesloten was tusschen een drom Herauten, pages en hofbeambten, die zich vermaakten met zijn ongeduld en met den gewichtigen toon, waarop Paypaert de regels der hofetiquette voordroeg:—“maar wij Friezen volgen liefst onzen eigenen weg en zeggen gaarne wat wij meenen en waar het ons best gelegen komt. Hoe dit zij, de Graaf zal over mijnewoordenniet meer te klagen hebben.”“Ja, waren het slechts uwe woorden,” hervatte de onverbiddelijke Wapenkoning: “maar gij hebt ook een zeer verkeerde daad gedaan, door uw bruid zelve aan den Grave voor te stellen. Zulks had behooren te geschieden door den voogd der Jonkvrouw, die haar alsdan had moeten toevertrouwen aan een Edelvrouw der Gravin, door welke zij vervolgens aan den Grave op eene door zijne Genade nader te bepalen wijze zoude zijn voorgesteld, waarop gezegde Jonkvrouw uwe bruid....”“Mijn bruid!” riep Adeelen eensklaps uit: “ja! waar is zij?—gij spreekt van toevertrouwen.... maar ik vertrouw haar hier aan niemand toe.”—En degenen die naast hem stonden ter zijde schuivende, trad hij met drift buiten den kring en zag naar Madzy uit.Deze was, bij de eerste uitbersting van ’s Graven woede, een weinig teruggeweken, en vervolgens, toen Willem zich verwijderd had,en haar vrienden huns ondanks (gelijk wij gezien hebben) in diep gesprek gewikkeld werden, op een kleinen afstand blijven staan, zonder op dat oogenblik iemands aandacht tot zich te trekken. Terwijl zij zich dus alleen en in dien onaangenamen toestand bevond, waarin men verkeert, wanneer men zich van de zijnen afgescheiden en onder vreemden bevindt, zag zij op eens het hinderlijke van dien toestand nog vergroot door de onverwachte nadering van den bruinen beer, die deftig tusschen de Herauten en haar in kwam aangetreden. Dit ongure dier had zich waarschijnlijk op zijn post aan hetdressoirverveeld en verkozen een wandeling op zijn eigen houtje te doen. Niet wel op haar gemak bij dit vreemd verschijnsel, week zij terug in een slingerpad, dat zich juist achter haar bevond:—een paar bedienden, die den beer waren achtervolgd, dreven hem met stokslagen weder naar zijn plaats: en toen zij het pad weder uit wilde komen, ontmoette haar aan den ingang Deodaat.“Een enkel woord!” zeide deze: “een enkel woord, edele Freule! Ik gevoel, dat plaats noch gelegenheid geschikt zijn; maar nood breekt wet, en het is de laatste reize, dat ik u met mijne toespraak lastig wezen zal.”“Ridder!” zeide Madzy: “ik ben de bruid van Seerp Van Adeelen, en ik mag uwe taal niet aanhooren. Veroorloof mij, naar mijn voogd terug te keeren.”“Een enkel oogenblik slechts,” hernam Deodaat op een smeekenden toon: “het is, of de hemel zelf mij deze gelegenheid toeschikt en mij voorschrijft, die niet ongebruikt te laten ontglippen. Bedenk, dat ik morgenochtend met uw bruidegom, den Fries, op dood en leven moet kampen.”“Helaas!” zeide Madzy met een bevende stem: “ik weet het te wel! en kan niets dien strijd voorkomen?”“Ziedaar, wat ik mij genoodzaakt vond, u te zeggen. De ziel van uwen.... van Adeelen, is te trotsch om te buigen, dit is mij bekend. Van zijne zijde is dus geen terugstap te verwachten. Wat mij betreft, gewillig gave ik mijn leven, eer ik de lans velde tegen iemand, wien ik heden eerst bemerk dat u dierbaar is; doch het is niet voor mijne wraak alleen dat ik strijden moet: het is de zaak mijns meesters, die aan mijn arm, aan mijn eer is toevertrouwd; en ik ware in de oogen der geheele Ridderschap onteerd, indien ik mij niet in den kamp gedroeg gelijk het eenen braven Ridder betaamt. Wij moeten dus kampen; daar is geene mogelijkheid om zulks te voorkomen.”Madzy zweeg en sloeg de oogen neder. Haar hart bloedde; maar zij gevoelde, dat Deodaat gelijk had.“Welnu!” vervolgde deze: “hiervan is het alleen dat ik u wilde overtuigen, opdat gij, zoo ik in ’t strijdperk treed, het mij niet wijt, zoo ik mijn plicht als Ridder volbreng: en zoo het noodlot wil, dat Adeelen door mij valt, haat mij dan, Jonkvrouw! maar laat voor ’t minst uw hart mij rechtvaardigen, en zeg dat ik niet anders kon handelen.”“Zoo deze verzekering iets tot uw geluk kan toedoen....” zeide Madzy zuchtende.“Het geluk en ik,” zeide Deodaat, “hebben afscheid genomen, sedert Adeelen u aan den Graaf heeft voorgesteld;—want waarom zou ik het u niet bekennen, Freule! ik bemin u! en is de zekerheid, dat ik, verwinnaar of verwonnene, geene hoop op uw bezit mag voeden, niet genoegzaam om mij voor mijn leven ellendig te maken? Wee mij! dat ik nog moet trachten een vijand te vellen, door wiens handen ik liever om uwentwil zou vallen.”Al sprekende waren zij het zijlaantje langzaam op en neder geloopen en bevonden zich door het kreupelhout aan de oogen der omstanders onttrokken. Deodaat had in de drift van zijn hartstocht de hand van Madzy gevat en zij had die niet teruggetrokken; want het bloed vloeide haar naar het hart terug en zij was buiten de mogelijkheid om eenige beweging te maken. Dat oogenblik van bedwelming duurde slechts kort.“Om Gods wil, Ridder!” zeide zij: “laat mij gaan; het voegt mij niet, langer naar u te hooren: men heeft ons misschien zien gaan: men zal ons bespieden.... men heeft ons reeds bespied.”En dit zeggende, gaf zij een angstigen, half gesmoorden kreet. Naast hen stond Reinout, doodsbleek, met gekruiste armen en het oog vonkelende van toorn.Deze had, sedert hij zich van Deodaats ontrouw te hemwaart overtuigd hield, in dien staat van hevige gemoedsaandoening verkeerd, waarin het verhitte bloed beide verstand en hart bedwelmt en den mensch zoowel onbekwaam maakt wel te gevoelen als wel te onderscheiden. Zijn wrok tegen zijn wapenbroeder was niet verminderd door de dubbele eer, welke dezen boven hem op het tornooispel was te beurt gevallen:—eene week vroeger zoude hij die hebben toegejuicht: thans was hem die een nieuwe spoorslag tot ijverzucht en wraak; want karakters als die van Reinout kennen geen middelweg tusschen liefde en haat: en zoo vurig hij te voren zijn vriend bemind had, zoo hevig was hij thans op hem verbolgen. Iets later op dat feest gekomen, had hij niets van de woordenwisseling tusschen den Graaf en Seerp Van Adeelen vernomen: maar hij had uit eenige losse uitdrukkingen der feestgenooten verstaan, dat de schoone Friezin de bruid was, zonder recht begrepen te hebben met wien: en toen hij het vorstelijke paar genaderd was, had hij deze woorden aan ’s Graven mond hooren ontvallen:“Dat meisje zal niet met dien lompen Fries huwen: zoo Deodaat morgen de overwinning behaalt, zal zij het loon zijner dapperheid wezen, of in een klooster gaan.”Dit gezegde was voor Reinout genoeg geweest. Woedend van minnenijd was hij Deodaat gaan opzoeken, om hem zijn vermeende ontrouw te verwijten, en hij had ter bekorting het laantje genomen, waarin zich zijn medeminnaar bevond. Zoodra deze hem gewaar werd, liet hij de hand van Madzy los en wilde spreken; maar Reinout schonk hem daartoe den tijd niet.“Gij zult mij niet meer met schoonschijnende woorden bedriegen, listige verrader!” riep hij; “wat ik gezien heb is mij genoeg: maar hier is uw straf.” Eer nog deze woorden geheel waren uitgesproken,had hij zijn dolk getrokken en stootte dien Deodaat in den boezem.De jongeling wankelde en viel. Met een ontzettenden gil schoot Madzy toe, en ontving hem in haar uitgebreide armen, waarna zij, eene knie ter aarde buigende, op de andere het hoofd des gewonden ondersteunde. Reinout had zijn dolk laten vallen en stond onbeweeglijk.“Gij hebt welgedaan, broeder!” zeide Deodaat, op wiens gelaat zich de doodskleur reeds had verspreid:—“ofschoon het niet uwe hand had moeten zijn, die.... vlucht Rinaldino—vlucht!.... het is mij zoet, zoo te sterven,” en zijn brekend oog rustte op Madzy met innige liefde. Weldra echter sloot het zich en zijn hoofd viel neder als dat eens dooden.Reinout bedekte zich het gelaat met de beide handen: en toen, een vervaarlijken sprong nemende, verdween hij in het kreupelhout. Bijna in hetzelfde oogenblik kwam Adeelen te voorschijn, van eenige Edelen gevolgd.“Voor den duivel!” zeide hij: “wat heeft dat te beteekenen? Een vreemdeling in de armen van Madzy!”“Hulp! in ’s Hemels naam!” riep deze: “hulp! hij sterft! zoo gij vrome lieden zijt, helpt! en houdt den moordenaar vast! hij is door het gindsche kreupelhout gevlucht.”—En bij het uiten dezer woorden wees zij in het boschje naar de zijde, welke Reinout was ingegaan.“Wie, wie is de moordenaar?” vroegen terstond onderscheidene stemmen.“Wie? wie?—Zijn vriend, zijn wapenbroeder, die zwarte Italiaan!”“Reinout!” riepen allen in verbazing uit; en verscheidenen snelden het boschje uit om hem na te jagen.“Ik ben hem wellicht dank verschuldigd,” zeide Adeelen, somber en bedaard, terwijl hij beurtelings de gelaatstrekken van Deodaat en die van Madzy, waarop een bijna gelijke bleekheid was verspreid, bleef beschouwen.“Hij is nu dood,” zeide Madzy, halfluid, op een toon van innige droefheid, die niet zonder bitterheid was: “hij zal u geen minnenijd meer baren.”“Madzy! mijn kind!” riep Aylva, die inmiddels met verscheidene gasten genaderd was: “bedenk waar gij zijt en wat gij doet;” en hij nam haar bij den arm om haar van dit treurtooneel te verwijderen.Maar in dit oogenblik sloeg hij zelf een oog op de bevallige, doch thans wezenlooze gelaatstrekken des jongelings, en een koude rilling, waarvan hij de oorzaak niet kon nagaan, doorliep zijn aderen. Schoon teergevoelig van aard, had hij den dood te dikwijls onder alle gedaanten voor oogen gehad, dan dat het gezicht van een lijk bij hem iets meer dan een gevoel van medelijden zoude hebben opgewekt;—doch hier bezielde hem een ongekende gewaarwording; het was, of de dolk van Reinout hem mede in ’t hart getroffen had.“Is er geene hoop meer?” vroeg hij, angstig op het lichaam starende.“Zou hij nog te redden zijn?” zeide Madzy, de gelegenheid haastig aangrijpende, welke haar nog een oogenblik toevens vergunde. Zij legde de hand op zijn hart en na eenige oogenblikken van gespannen verwachting riep zij uit: “God lof! het slaat nog: een arts! een arts!”“Wat heeft er plaats gehad?” vroeg de Graaf, driftig het moordtooneel naderende: “is het die ellendige Fries, wiens dolk een mijner edellieden heeft durven zoeken?” En zijn vorschend oog ondervroeg beurtelings Beaumont en Adeelen.Weemoedig schudde de eerste het hoofd: “niet deze,” zeide hij, op Adeelen wijzende: “de moordenaar is gevlucht. Maar het wordt tijd, dat lichaam naar een meer geschikte plaats te vervoeren.”Men voldeed aan dit voorstel: twee edellieden beurden den zieltogenden Deodaat van den grond op, en droegen hem naar het jachthuis, terwijl Beaumont het hoofd ondersteunde, en Aylva, door eene onwederstaanbare aandrift gedwongen, naast het lichaam bleef gaan, zonder de oogen van het doodsbleek gelaat te kunnen afwenden. Al de overigen volgden of omringden hen met zichtbare blijken van deelneming. Adeelen alleen bleef terug met Madzy, die, toen het lichaam was opgenomen, het besef van haar toestand had terugbekomen, en snikkende was ter zijde getreden.“Wel hoe!” zeide Seerp, zich voor haar plaatsende en haar met een hoonenden grimlach aanziende: “volgt gij het lijk van uw minnaar niet?”“Seerp! gij zijt wreed!” was alles, wat haar tranen aan Madzy toelieten te zeggen.“Minder dan gij,” zeide Adeelen, “die op den dag zelven, dat gij mij trouw belooft, met een jongen lichtmis door het bosch gaat zwerven en mij door uw ontrouw het hart doorboort en erger wonden slaat dan uw boel ontvangen heeft. Ha! dubbelen dank ben ik dien Reinout verschuldigd, die mij zoowel van pas gewroken heeft.”“Gij behandelt mij onwaardiglijk,” zeide Madzy: “gij miskent mij en den edelen jongeling, die....”“Bloos niet, maar ga voort!—Welnu! die edele jongeling?....” herhaalde Adeelen, op een bitsen toon, ziende dat de aandoening Madzy belette voort te gaan.“Nu, ja dan,” zeide Madzy, haar vrouwelijke waardigheid geheel hernemende: “waarom gebloosd? Hijvoeldevoor mij een hopelooze liefde en kwam mij het laatst vaarwel zeggen. Ziedaar zijn eenige misdaad, zoo het al een misdaad was: de mijne was, hem aangehoord te hebben; doch kon ik minder doen voor iemand, die wellicht morgen sterven zoude.”“Voortreffelijk!” hernam Adeelen: “verdedig hem nog.—Wat mij betreft, ik weet genoeg: herneem de trouw, die gij mij geschonken hebt, en uw ring daarbij: ik begeer hem niet meer.”Dit zeggende, trok hij den ring, dien hij van Madzy ontvangen had, van zijn vinger, verbrak dien tusschen de tanden en wierp de stukken voor de voeten der ongelukkige maagd, waarna hij haar snel den rug toekeerde en zich verwijderde, haar alleen latende ineen gemoedsgesteldheid, die zich beter laat gevoelen dan beschrijven.Deze daad van Adeelen, of liever de beweging, waarmede hij die volbracht had, was niet zonder getuigen gebleven. De Gravin, verscheidene van hare aanzienlijke gasten en de stoet van edelvrouwen en juffers, die haar vergezelde, waren juist langs dezen weg komen aanwandelen om iets naders omtrent de ware toedracht der zaak te vernemen, en hadden aan Adeelens gramstorige bewegingen en aan Madzy’s bedrukte houding reeds half geraden wat er gaande was.“Het schijnt ons toe,” zeide de Gravin, “dat die bruigom zijn bruid niet zeer tevreden verlaat.”“Mij dunkt,” zeide Oda van Wassenaar fluisterende tegen hare vriendinnen, “dat hij niet kwalijk tevreden zijn moet, nu men hem met éénen slag van een medevrijer en van een doodvijand ontslaat.”“Foei Oda! kunt gij nog spotten met den dood van dien goeden Deodaat,” zeide Ottilia, met tranen in de oogen.“Ik beklaag den armen Ridder van ganscher harte,” hernam Oda: “doch mijns bedunkens is die Friesche Roos nog meer te beklagen, die, op éénen dag, haar éénen minnaar vermoorden ziet, door haar bruidegom verlaten wordt en misschien haar derden vrijer ziet onthoofden.”“Zou het dan wezenlijk Reinout zijn,” vroeg Ottilia, “die zulk een laagheid begaan heeft?”“Noem het geen laagheid,” viel Oda in: “waarlijk, ik zou iemand wel liefhebben die mij genoeg beminde om zijn oudsten en trouwsten vriend aan zijn liefde op te offeren. Daar zou geen van onze Hollandsche edelen, die karnemelk voor bloed in de aderen hebben, ooit toe komen.”“Goddank neen!” zeide Ottilia: “gij zijt afschuwelijk, Oda! en ik spreek u heden geen woord meer toe.”“Gij hebt gelijk,” zeide Oda: “ga liever die Friesche nuf opbeuren, die eergisteravond zooveel spels maakte en nu te kijken staat als een boerenmeid, die haar eieren over den weg heeft laten vallen.”Ottilia volgde dezen raad, of liever, de inspraak van haar medelijdend hart. De Gravin was Madzy voorbijgetreden, zonder schijnbaar eenige acht op haar te slaan; want de omstandigheden der verwonding niet volkomen wetende, en vermeenende, dat Madzy wel schuldig zijn kon, wilde zij hare waardigheid niet te kort doen door zich met haar in te laten. Ottilia daarentegen, altijd genegen het beste van iemand te denken, bleef achter, trad naar de arme verlatene toe, nam haar bij de hand en deed haar de weinig romaneske, doch in deze omstandigheden zeer natuurlijke vraag, of zij niet doodelijk ontsteld was en of zij reeds iets gedronken had.“Ik ben vermoeid,” zeide Madzy, die haar knieën onder haar voelde knikken: “ik wilde, zoo mogelijk, wel een oogenblik nederzitten.”“Neem mijn arm,” zeide Ottilia: “en leun op mij: wij zullen ons ginds op dat bankje nederzetten, en Zweder zal u wat te drinken brengen, niet waar Zweder?”Zweder was een neefje van Ottilia en diende als page bij deGravin. Zoodra hij het verzoek zijner tante vernomen had, snelde hij als een pijl uit den boog vooruit om eenige verversching te halen, terwijl de beide Jonkvrouwen langzaam naar het bankje traden.Met die hoffelijke bescheidenheid, welke het kenmerk is van een goed hart en een goede opvoeding, weerhield Ottilia zich, in spijt harer nieuwsgierigheid, de bedrukte Madzy door eenige vraag te kwetsen, nam zwijgend met haar op de tuinbank plaats en drong haar iets te gebruiken van het water, dat Zweder had aangebracht en waarin de knaap, die door zijn post gewend was vrouwen te bedienen, eenige droppelen van een meer geestrijk vocht gemengd had.Na haar dank op hartelijke wijze te hebben geuit, gaf Madzy haar verlangen te kennen om huiswaarts te keeren, en vroeg of er niet iemand aan den Heer van Aylva kon gezonden worden om hem te verzoeken haar derwaarts te geleiden.“Ik zal mij gaarne met deze boodschap belasten,” zeide Zweder: “ofschoon het mij altijd aangenamer ware de tijding van uwe komst dan van uw vertrek te brengen.”—Onder het doen dezer hoffelijke betuiging, welke hij met al den zwier eens volslagen hovelings uitbracht, deed hij op een bevallige wijze zijn toppermuts een halven cirkel in de lucht beschrijven en verwijderde zich. Dan, nauwelijks ter halverwege gekomen, ontmoette hij de Gravin, die met haar gevolg van haar ontdekkingsreize terugkwam, in druk gesprek met Beaumont. Hij bleef dus staan en wachtte eerbiedig af dat de stoet voorbij was getrokken.“Hebt gij een boodschap, knaap?” vroeg de Gravin, zijn houding opmerkende.

Alexis heeft zijn zusje lief,Zoolang ze in vrede leven.Van Alphen. Kindergedichtjes.

Alexis heeft zijn zusje lief,Zoolang ze in vrede leven.

Alexis heeft zijn zusje lief,Zoolang ze in vrede leven.

Alexis heeft zijn zusje lief,

Zoolang ze in vrede leven.

Van Alphen. Kindergedichtjes.

Adeelen was, niettegenstaande zijn nederlaag, de stad stappende uitgereden, niet willende dat iemand zijn vertrek aan schaamte over zijn val zou toeschrijven, en begrijpende, dat hij zich dapper genoeg gekweten had, om het hoongelach niet te verdienen der volksmenigte, welke, zoowel wegens den oploop in den Hout als wegens zijn vermetele uitdaging, maar meer nog om zijn landaard, tegen hem was ingenomen. De gedachten van spijt en wraak en minnenijd, welke zijn ziel vervulden, deden hem echter thans de beleedigingen, hem van alle zijden nagezonden, ternauwernood opmerken en zijn weg vervolgen zonder acht daarop te slaan. Buiten de poort gekomen, gaf hij zijn ros de sporen en stond in weinige oogenblikken voor het klooster.

“Waar is vader Syard?” was wederom zijn eerste vraag onder het afstijgen.

“De pater is zooeven naar zijn cel vertrokken,” antwoordde Sytsken, die op het binnenplein stond: “een schoone Ridder, die spoorslags van Haarlem was komen rijden, heeft naar hem gevraagd en een paar woorden met hem gewisseld zonder af te stijgen, waarna hij weder is voortgereden.”

“Droeg die Ridder niet een rooden arend op den helm?” vroeg Adeelen haastig: “en bereed hij niet een zwarten hengst?”

“Of ’t een arend of een valk was, dat wil ik niet zeker zeggen: maar zooverre een arme deerne als ik over een paard kan oordeelen, was het net zoo een stel als daar een dier Ridders op reed, dieu uit de handen van de Haarlemmers verloste.... maar goede hemel! Jonker Seerp! wat ziet gij er uit. Hebt gij in de stadsgracht gelegen of hebben zij u bespoten?—Het water druipt u van den wapenrok af.”

“Genoeg gesnapt,” zeide Adeelen.—“Laat iemand den pater verzoeken in mijn slaapzaal te komen. Ik zal mij gaan ontwapenen.”

Na een half uur waren beiden ter bestemde plaatse bijeen.

“Welnu,” vroeg de monnik: “heeft uw uitdaging een goed gevolg gehad? Mij dunkt gij zijt spoedig terug,” vervolgde hij, ziende dat Adeelen, zonder hem te antwoorden, het vertrek met groote stappen op en neder wandelde; “en gij schijnt slechts matig tevreden over den uitslag van het kampgevecht.”

“Dat mij de donder sla!” riep Adeelen, “zoo ik morgen het slijk, dat mijne wapenen bezoedeld heeft, niet afwassche met het bloed van mijn wederpartij; maar zeg mij, Pater! wat is u die Ridder van den Rooden Arend komen verhalen? Bij Sint-Nikolaas! hij heeft zich geweerd als de vogel dien hij voert, en wij hebben in hem een wakkeren bondgenoot.”

“Hij is mij komen zeggen,” zeide vader Syard, “dat hij naar het Sticht ging, en dat men weldra van hem hooren zoude. Tevens heeft hij mij geraden te vluchten, daar ik eerstdaags zou gevat worden. Er schijnt iets van onze bijeenkomsten te zijn uitgelekt.”

“En zult gij zijn raad volgen?”

“Dat men mij vange, ik vrees niets:—elke beleediging, die hier eenen Fries wordt aangedaan, zal slechts strekken om den haat onzer landgenooten te feller te doen ontbranden;—maar dat daargelaten:—gij hebt mij nog den uitslag van het steekspel niet doen weten.”

“En ziet gij dien dan niet, bij alle duivels!” riep Adeelen, op zijn vochtigen wapenrok wijzende: “zesmalen heb ik mijn wederpartij overwonnen;—de laatste reis wierp mijn paard mij in de beek;—doch genoeg daarvan:—wij zullen zorgen, morgen gelukkiger te zijn.”

Dit zeggende, nam hij een vollen beker, om op den goeden uitslag van zijn kamp te drinken, en deelde vervolgens aan den monnik mede hoe het met zijn uitdaging was afgeloopen. Weldra kwamen nu de Heer van Aylva en de Abt met Madzy van het feest terug, en haastten zich hun vriend op zijn kamer te gaan bezoeken, ten einde hem woorden van troost en opbeuring toe te spreken. Zij vonden hem wrevelig en vermoeid in eenarmstoelliggende.

“Ik beklaag u van harte,” zeide Aylva: “gij hadt u te dapper geweerd om door een zoo noodlottig toeval uw aanspraak op den prijs te verbeuren;—maar ik zou in uw nederlaag nog grooter deel nemen, indien ik die niet aanmerkte als een straf des hemels voor uw laatdunkendheid. Welke booze geest kon u de dwaasheid ingeven, den Graaf te gaan uitdagen op zijn eigen grondgebied?”

“Humiles levat, superbos deprimit Deus,” zeide de Abt, “’t geen zeggen wil, dat de nederigen verhoogd en de trotschen vernederd worden. Ja! broeder Syard weet hoe dikwijls ik mijnbest gedaan heb om hoogmoed en eigenwaan bij onze broeders uit te roeien.”

“Zoo de hoofsche taal van den Graaf u verlokt heeft,” zeide Adeelen: “zoo gij, mijne Heeren! al de beleedigingen, die ons hier worden aangedaan, als zoete koek gelieft op te eten, het is mij wel. Ik ben ongelukkigerwijze van een min gemakkelijken aard en zal niet rusten voordat ik den hoon gewroken heb, den Frieschen naam en mijn Madzy aangedaan.”

“Wat mij betreft,” zeide Madzy: “ik heb mij niet beleedigd gevoeld.”

“Dat geloof ik wel,” zeide Adeelen: “gij zijt vriendelijk onthaald, gevleid, gestreeld: en wellicht zoude het u nog bovendien aangenaam zijn, dat die Italiaansche windbuil morgen de zege behaalde, al ware de overwonnene een Fries en uw verloofde.”

Madzy werd bleek: doch zich straks herstellende, zeide zij met vuur: “ik beken dat ik niet zou juichen, indien op morgen uw lans het bloed deed stroomen van een schuldelooze, van iemand, die u het leven gered heeft.”

“Ga voort!” zeide Adeelen: “voeg er nog bij, van iemand, die uw hart gestolen heeft. Is het niet zoo? Maar weet, schoone Jonkvrouw! dat ik morgen, zoo ik den knaap overleve, verwinnaar of verwonnene, niet zal gedoogen, dat gij een dag langer deze verpeste lucht inademt.”

“Seerp Van Adeelen!” zeide Madzy met waardigheid: “onze ouders hebben ons als kinderen aan elkander verloofd: ik heb u altijd de liefde eener zuster en de toegeeflijkheid, die eene vrijster aan haar verloofde schuldig is, betoond. Maar dit verklaar ik u plechtig, dat niets ter aarde mij dwingen zal u te huwen, zoolang gij den dwazen weg blijft houden, dien gij sedert eenigen tijd zijt gevolgd. Boogt gij op den naam van vrij, ik stel daar geen minderen prijs op: en nimmer zal ik de gade worden van iemand, die mij reeds vóór het huwelijk als zijn slavin behandelt.’”

“En wie der hofvlinders,” vroeg Adeelen, “welke om u heen gefladderd hebben, heeft u dat schoon besluit doen vormen?”

“Madzy heeft volkomen recht,” zeide Aylva: “en zoo iemand hier haar gehoond heeft, zijt gij het, door uw onbetamelijk uitvaren. Dan het is tijd, dat wij ons voor het feest bereiden. Zult gij ons vergezellen, Adeelen?”

“Om weer tot een voorwerp van spot te verstrekken? Ga, zoo gij verkiest, en zeg dien trotschen Graaf, dat ik zijn uitnoodiging verafschuw, en dat het tusschen hem en mij een zaak van dood en leven is. En wat u betreft, Madzy! ga en lach en scherts met uwe nieuwe vrienden! schimp met hen op den armen Adeelen, op uw verloofde, die morgen misschien om uwentwille en om den wille van het land zijner vaderen zijn leven laten zal. Voorwaar! de maagden van Friesland zullen u eerekransen vlechten bij uwe terugkomst en uwen lof bezingen, omdat gij zoo schoon de eer der uwen hebt opgehouden.”

“Gij zijt onbillijk, Adeelen!” zeide Madzy, terwijl de tranen inhaar lieve oogen blonken: “denkt gij, dat ik het gevaar, ’t welk den vriend mijner kindsheid, mijn speelmakker, mijn broeder boven het hoofd hangt, met een onverschillig oog aanzie?—Gelooft gij, dat ik zelve gestemd ben, dat gehate feest bij te wonen!—O neen, mijn voogd! laat mij blijven, en dit gebouw niet eer verlaten, dan om naar Friesland te keeren.”

“Ik weet,” zeide Adeelen, bewogen, “dat uw hart goed is, en dat gij ook om het onheil eens onbekenden zoudt treuren: maar bij den hemel! ik werd liever door u bespot en uitgelachen, dan dat gij mij alleen die tranen schonkt, welke men voor een speelmakker, voor een broeder vergiet. Het is als uw bruidegom, als uw minnaar, dat ik uwe tranen verg, en God weet, of zij niet sterker nog vloeien zullen, indien mijn arm morgen in den kampstrijd dien Italiaan neerslaat, die u van liefde heeft durven spreken.”

Madzy berstte in tranen uit: zij wilde zich verdedigen, maar zij kon geen geluid uitbrengen; want haar hart was vol: het had de juistheid van Adeelens uitdrukking gevoeld. De ruwe Fries was zelf ontzet over de uitwerking zijner woorden: hij bleef staan, kruiste de armen over de borst, en Madzy met sombere oogen aanziende: “is het waarlijk zoover gekomen?” riep hij uit: “heeft Madzy Dekama, de edele dochter van Frieslands braafsten held, de bruid van Seerp Van Adeelen, zich door de zoete woorden laten bepraten van een onbekenden gelukzoeker, die naam noch afkomst bewijzen kan, wien een onzalige wind naar deze kust gevoerd heeft om zich ten koste der ingezetenen te verrijken? En moet de ronde, vrije Fries achterstaan, omdat zijne taal oprecht en ongeveinsd is, omdat hij nooit de schoone woorden en de vleitaal der hovelingen heeft leeren spreken? Gij antwoordt mij niet: gij zwijgt, Madzy! gij slaat uwe oogen neder! o! ik bezweer u, spreek slechts één woord: zeg mij, dat gij nog dezelfde zijt: zeg, dat het enkel een tijdelijke bedwelming, een vrouwelijke behaagzucht is geweest, welke u het oor aan zijne taal heeft doen leenen. Zeg mij dit, Madzy! stel mijn hart gerust, en gij zult mij voortaan ook veranderd vinden. Ik zal niet meer als meester tot u spreken: ik zal uwe wenschen gehoorzamen: ik zal u naar de oogen zien: uwe begeerten raden en voorkomen. O! tot dit oogenblik toe had ik nooit geweten, hoe heftig ik u beminde; maar de vrees om u te verliezen heeft mij de oogen doen opengaan: ik gevoel nu de kracht mijner liefde: waarlijk! ik zal geen geluk meer hebben, zoolang ik niet van de uwe verzekerd ben.”

Madzy gevoelde zich sterk aangedaan. Nooit had zij Adeelen zoo warm, zoo waardig, met zooveel gevoel hooren spreken. “Ja, ik wil uw vriendin zijn, Adeelen! gelijk voorheen,” zeide zij, hem hare hand toereikende: “doch op ééne voorwaarde. Ik wil even oprecht zijn als gij met mij geweest zijt: ja, uw gedrag heeft mij verontwaardigd. Gij hebt in mijne tegenwoordigheid dien Italiaanschen Ridder beleedigd.... neen, antwoord niet; hij moge dan zijn wie hij mag: die afkomst doet hier niets ter zake;—gij hebt hem gehoond, en mij ter zelfder tijd. Gij hebt mij in zijne oogen en in die vananderen voorgesteld, als ware ik een losse, minzieke deerne, gereed mij te vergooien aan al wie mij een zoet woordje toesprak. Hoor wat ik eisch en tot welken prijs gij mijne achting kunt herwinnen. Gij zult dien vreemdeling, dien Deodaat van Verona, bestrijden;—maar eerst zult gij hem verklaren, dat de woorden, u in drift ontvallen, u leed doen: dat gij overtuigd zijt, dat nooit tusschen hem en mij eenige gesprekken zijn voorgevallen, die ik niet hooren mocht: en dat gij ook den hoon vergeten wilt, u door hem ter wedervergelding aangedaan.”

“Gij vraagt veel, Madzy!” zeide Adeelen: “meer dan met ridderplicht kan strooken. Zal ik iemand om vergeving bidden, wiens vuistslag nog op mijn aangezicht gloeit?”

“Gij zijt een Fries,” zeide Madzy: “en draagt roem op uw rondborstigheid. Zoudt gij die alleen aanwenden om te beleedigen en niet om te durven erkennen, dat gij ongelijk hadt?”

“Welaan!” zeide Adeelen: “ik zal doen wat gij begeert: ik zal heden nog, in uwe tegenwoordigheid, den Italiaan de vergoeding doen, die gij verlangt; doch ik heb ook mijne voorwaarde, en de edele Aylva zal oordeelen, of zij billijk is: zij is deze, dat gij na uwe terugkomst in Friesland u met mij in den echt verbindt, en dat ik u heden nog aan het hofgezin als mijne bruid en toekomstige gade moge voorstellen.”

“Mij dunkt,” zeide Aylva: “dat deze voorslag niet onredelijk is: zoo kwam er een einde aan alle moeilijkheid.”

Madzy verbleekte: zij was op dit onverwachte voorstel niet verdacht, en een samenloop der meest verschillende en tegenstrijdige gewaarwordingen doorstroomde haar hoofd. Maar evenals een akker, hoe meer hij omgewoeld is, des te spoediger vruchten voortbrengt, zoo is ook het menschelijk hart te gereeder een grootsch besluit te nemen, naarmate het feller door driften geschokt is. Zij vermande zich, wischte den opgewelden traan uit het oog en stak haar hand opnieuw aan Adeelen toe.

“Ik geloof inderdaad,” zeide zij met een vaste stem, “dat gij gelijk hebt. Ja! ik zal de uwe zijn en heden moge dit op het feest ruchtbaar worden,—maar.... vergenoeg u dan met hetgeen gij tot nu toe verricht hebt: wees bedaard en terg den Graaf niet meer.—Ja, kan het zijn, dat die onzalige kampstrijd op morgen geene plaats had.... doch ik gevoel dat dit onmogelijk is.

“Gij zegt wel, Madzy,” zeide Aylva: “had Adeelen mij geraadpleegd, ik zoude getracht hebben, hem die dwaze uitdaging uit het hoofd te praten; maar nu die eens geschied is, kan hij niet teruggaan zonder zijn eer te krenken.”

“En nu!” zeide Adeelen, wien het zoet vooruitzicht, waarmede hij zich streelen mocht, bijna op eens in een galanten ridder herschapen had, “laat vrij in ’t perk komen wie wil: door Madzy’s liefde gesterkt, ben ik onverwinnelijk.”

“God zegene u, mijne kinderen!” zeide de Olderman, beiden aan zijn hart drukkende: “maar laat ons thans den tijd niet verzuimen en ons gereedmaken voor het feest.”

Elk verliet hierop het vertrek, den Frieschen Edelman hooggestemd door vreugde en verwachting achterlatende. Madzy daarentegen gevoelde eene andere gewaarwording, sinds zij zelve haar lot bepaald had; zij was beklemd en neergedrukt: en nauwelijks was zij in haar vertrek gekomen, of zij zonk in een armstoel neder, en de macht, waarmede zij hare hartstochten beteugeld had, maakte plaats voor een diepe neerslachtigheid.

“Wat heb ik gedaan?” vroeg zij zich zelve af: “mijn hand toegezegd aan een man, voor wien ik geene liefde gevoel, wiens onhandelbare aard mij ongelukkig maken zal?—En toch! ik heb wèl gedaan. Zóó alleen kan en zal ik die dwaze grillen vergeten, welke dit noodlottig verblijf in Holland mij in ’t hoofd gebracht heeft. Te voren kon ik mij zonder ontroering het denkbeeld voorstellen van Adeelens vrouw te worden;—en waarom thans niet? Heb ik nog niet een oogenblik geleden nieuwe bewijzen gezien van den invloed, dien ik op hem bezit? en zal het mij niet mogelijk wezen, met de hulp des Hemels, de inborst mijns gemaals te verzachten? Zijn hart is goed en oprecht: en onder de ruwe schors zit een edele ziel verborgen. Zoo ik van hem verkrijgen kan dat hij zijne ontembare driften beteugele, zal ik met hem gelukkig kunnen zijn.... gelukkig! Ja, moet men dit niet altijd zijn, wanneer men zijn plicht doet!”

Hier werd zij uit haar mijmering gewekt door de stem van Sytsken, die al een poos naast haar gestaan had en haar vroeg, wanneer het haar behagen zou, zich aan te kleeden.

Ik geloof, dat het hier de plaats is om onze lezers, en vooral onze lezeressen, die wellicht de schoone Madzy van ongestadigheid of besluiteloosheid verdacht houden, kennis te doen dragen van de drijfveeren, welke haar hadden aangespoord om zoo en niet anders te handelen, en om haar karakter tegen alle beschuldigingen van dien aard te verdedigen. Het zal hiertoe noodig zijn, eenige omstandigheden op te halen uit haar vroeger leven, welker vermelding wij met opzet hebben verschoven.

Onder de Friesche geslachten, die steeds met den meesten ijver de voorrechten en vrijheden van hun volk verdedigd hadden, was dat der Dekama’s een der aanzienlijkste. Bezitters van uitgestrekte landgoederen en aan het hoofd eener talrijke schaar van aanhangers, hadden zij in de raadsvergaderingen, waar de belangen des lands verhandeld werden, zoo niet een overwegenden, dan toch steeds een gewichtigen invloed gehad. Aan het hoofd van dit adellijk geslacht bevond zich in het begin der veertiende eeuw de wakkere Sjoerd Dekama, wiens bezittingen een groot deel uitmaakten van die landerijen, welke zich, langs Frieslands Noordelijke kust, van Harlingen tot Dokkum uitstrekken. Toen bijna het gansche gewest zich voor den overwinnenden invloed van Willem den Derden nederboog, was Sjoerd Dekama schier de eenige, die de heerschappij des machtigen Graven van zijn hooge stins in Baarderadeel was blijven trotseeren. Gaarne had hij meer gedaan en zijne landgenooten in ’t veld aangevoerd, om het juk der slavernij, hoe zacht het ook ware, van hun schouderen te werpen; maar de binnenlandsche verdeeldheden, welkegedurende zijn leven Friesland teisterden, beletteden hen, zich genoegzaam aaneen te sluiten, om aan zijn verlangen te voldoen.

Vurig had Dekama gewenscht een stamhouder achter te laten, op wien zijn bezittingen en tevens zijn haat tegen alle vreemde overheersching zouden overgaan. Reeds lange jaren was hij gehuwd geweest met een dochter uit het geslacht der Hattinga’s; maar zijn echt was steeds onvruchtbaar gebleven. Bedevaarten naar Onze Lieve Vrouwe van Kevelaar en van Scherpenheuvel, ruime giften aan kloosters en kapellen, alles was beproefd geweest, om den zegen des hemels op dezen echt te verkrijgen; doch alles scheen vruchteloos: en reeds wanhoopten de beide ouders, toen eindelijk, na tien jaren huwelijks, de zwangerschap zijner echtgenoote aan Sjoerd Dekama het vooruitzicht opende om zijn hoop verwezenlijkt te zien. Men schreef deze gunstige wending daaraan toe, dat de edele Vrouw gedurende jaar en dag het water der heilfontein te Dokkum gedronken had. Volgens de overlevering was deze fontein (welke nog ten tijde van Winsemius gezien werd) haar oorsprong aan een wonderwerk verschuldigd. Toen men, in de negende eeuw, het klooster met de kerk op een hooge werf of terp zoude bouwen, wist men geen raad om de kloosterlingen aan zoet water te helpen. De landvoogd Abbo, die Friesland uit naam van Pepijn den Korten bestuurde, was er bij en wist al zoo weinig als de ingezetenen eenigen goeden raad te verschaffen. Het paard van een zijner Jonkers (dat waarschijnlijk van den vermaarden Pegasus afstamde) nam de zwarigheid weg; want het stampte slechts met de voeten op de aarde en fluks kwam er klaar bronwater opborrelen.—Wat er van deze vertelling zij, welke lang als ontwijfelbaar is beschouwd door de minnaars van het wonderbaarlijke, zeker is het, dat de Friezen over ’t algemeen heilzame krachten aan de fontein toeschreven, en vooral een vruchtbaarmakend vermogen, waarvan Foelke Dekama alsnu, gelijk men meende, de uitwerking had ondervonden. De vreugde was nu op Dekamastins ten top en de schoonste toekomst lachte den Burchtheer tegen, toen de geboorte van het zoolang verwachte kind alle vooruitzichten in rook deed verdwijnen. De Burchtvrouw bracht een meisje ter wereld en stierf in het kraambed.

Een wanhopige droefheid vervulde de ziel des vaders, die zich zoo opeens in al zijn verwachtingen zag teleurgesteld. Ter neder gedrukt door den slag, die hem getroffen had, bekommerde hij zich weinig over het onnoozele kind, dat hem niet slechts, als een levend aandenken, den droevigen dood zijner beminde gade bestendig herinnerde, maar ook door de kunne van het wicht de vergoeding niet aanbood, welke alleen in staat ware geweest hem bij haar gemis eenigen troost te verschaffen. Ja, de kindsheid der arme Madzy ware beroofd geweest van de noodige zorgen, had niet een bloedverwante van hare moeder, die bij de bevalling was tegenwoordig geweest en de Vrouwe van Dekama in haar uiterste had bijgestaan, zich het hulpelooze schepseltje aangetrokken. Deze liefdadige vrouw was Sybe Hattinga, de gade van Juwe Van Adeelen. Medelijden opvattende met den deerniswaardigen toestand van het verschoven weesje, verzocht zij alseen gunst van Dekama om zijn dochtertje met zich naar Adeelastins te mogen nemen, onder belofte van voor haar eerste opvoeding te zullen zorg dragen: en Dekama, aan wien het gezicht van het kind meer en meer onverdraaglijk was geworden, stond dit verzoek volvaardig toe.

Sybe Van Adeelen betoonde zich het haar geschonken vertrouwen volkomen waardig, door de teedere zorgen, welke zij aan het aanvallige wicht besteedde, waarvoor zij al spoedig een moederliefde opvatte en betoonde, schier gelijk aan die, welke zij toedroeg aan haar eenigen zoon Seerp, een knaap, ongeveer tien jaren ouder dan Madzy. Recht in zijn schik, dat moeder hem een zusje had medegebracht, hechtte hij zich terstond aan het kleine meisje, droeg voor haar meermalen waakzame zorg wanneer zijn moeder afwezig was, achtte zich gelukkig, wanneer hij de eerste schreden van het lieve kind besturen mocht, en verliet niet zelden zijne spelen om bij het wiegje te zitten en aan zusje Madzy de zoetste woordjes, die hem in den zin kwamen, te laten nastamelen.

Ook Juwe Van Adeelen had zijn aangenomen dochtertje lief; misschien even zooveel als zijn vrouw, en iets minder dan zijn zoon, met wien hij het meest ophad, en wel om de eenvoudige reden, dat deze de eenigste was van de drie, die hem op zijn jacht- en vischpartijen kon verzellen. Buiten deze genoegens en die van de daarmede in verband staande drinkmalen, was de goede man toch onvatbaar voor eenige genieting; en de oogenblikken, welke hij rustig en in den huiselijken kring op zijn stins doorbracht, waren zoo zeldzaam, en hij bevond zich bij die gelegenheden zoo misplaatst, dat men hem daar minder als den Heer des huizes dan wel als een gastvriend beschouwde. Hij liet dan ook zijn echtgenoote volkomen vrij, zoowel in de besturing van haar huiselijke zaken als in haar beschikkingen omtrent Madzy:—en zeker had hij zijn vertrouwen nimmer beter kunnen plaatsen.

Onder de waakzame oogen der edele Vrouw bracht de telg van Dekama de dagen harer kindsheid allergelukkigst door, teeder gehecht aan haar pleegmoeder, en ook aan haar grooten broeder Seerp, gelijk zij hem noemde: hoewel zij met dezen laatsten, naarmate zij in jaren klommen, somtijds onaangename tooneelen had, door zijn hoofdigen en eigenzinnigen aard veroorzaakt; want, zoolang hij met haar gesold had als met een klein kind, dat hem nimmer tegensprak, had zij nooit iets van hem te lijden gehad; maar naderhand ging het tusschen hen als met Alexis en zijn zusje, volgens het bevallige gedichtje, dat wij tot motto van dit hoofdstuk hebben gebezigd. Daar echter Madzy zachtzinnig en inschikkelijk van aard was, en bij alle oneenigheid dadelijk toegaf, was de vrede doorgaans spoedig hersteld en de smart ras vergeten:—en welke zijn de onaangenaamheden, welke de kindsheid niet spoedig voorbijziet?

Het duurde ongeveer tien jaren, eer Dekama, die intusschen, als der wereld en hare vreugde afgestorven, zijn treurige dagen op zijn erfgoed had doorgebracht, zich herinnerde, dat hij nog een dochter op Adeelastins in leven had: en verveling of nieuwsgierigheid, meerdan ouderliefde, dreven hem derwaarts. Doch helaas! het onvoorbereide meisje rukte zich los uit de armen van den somberen, zwarten edelman, die haar omhelzen wilde, en zocht haar toevlucht aan den hals van haar pleegmoeder.

Deze ontmoeting was weinig geschikt om aan Dekama meerdere teederheid voor zijn dochter in te boezemen. Hij verkropte echter zijn spijt, uit aanmerking der erkentenis, welke hij aan Sybe verschuldigd was; maar hij eischte zijn kind niet terug, tot groot genoegen der edele Vrouw, die het ongaarne gemist zou hebben op een tijd, dat het in staat begon te worden de haar bewezene diensten te beloonen. Daarentegen schepte hij, gedurende het kort verblijf, dat hij op Adeelastins maakte, genoegen in den omgang met den jeugdigen Seerp, die nu de jaren bereikt had, waarop hij de wereld in kon treden, en wiens hooghartig karakter veel overeenkomst met het zijne had. Dekama bemerkte weldra, dat de opvoeding van den jongeling in vele opzichten verwaarloosd was, daar deze op de stins en onder de leiding zijns vaders weinig gelegenheid had gehad om zich in het meer edele gedeelte der ridderlijke oefeningen bekwaam te maken. Hij stelde daarom aan den ouden Adeelen voor, dat Seerp hem naar Dekamastins zoude vergezellen om hem tot schildknaap te verstrekken en onder zijn opzicht aan te leeren wat hem nog ontbreken mocht;—door welken dienst hij, gelijk hij zich uitdrukte, de handelwijze der Adeelens jegens zijne dochter hoopte te vergelden. Deze voorslag klonk in den beginne vrij onwelkom in de ooren van Juwe, die niet gaarne een zoo wakkeren jachtgezel als zijn zoon wilde missen; doch op aandrang, zoowel van den knaap zelven, die, volgens den aard der jeugd, naar verandering haakte en wien het in de ziel griefde, dat ieder zijner tijdgenooten hem in bekwaamheid vooruit was, als van de verstandige moeder, die het voorbeeld van haar echtgenoot hoogst gevaarlijk achtte voor den jongeling, gaf de oude man toe, en Seerp volgde Dekama op de stins van dezen, waar hij zich al spoedig in alle ridderlijke oefeningen zoodanig volmaakte, dat hij in staat was, om, gelijk wij gezien hebben, met eer op een steekspel te verschijnen. Maar behalve de uiterlijke bekwaamheden, welke hij van Dekama overnam, zoog hij ook van dezen, gelijk wel te verwachten was, al de vrijheidsademende denkbeelden en al den nationalen trots in, welke den ouden Edelman kenmerkten en, als het meestentijds gaat, door zijn kweekeling nog overdreven werden.

Dit duurde zoo tot den dood van den ouden Juwe Van Adeelen, die na verloop van een drietal jaren op een jachtpartij overleed aan de gevolgen van een twist, uit een beuzelachtige omstandigheid ontstaan: namelijk over het aanleggen van het vuur. Eenigen der Edelen, die de Schieringer-partij waren toegedaan, hadden namelijk het vuur boven de brandstoffen gelegd, iets hetgeen de Vetkoopers, die gewoon waren, zich te onderscheiden door de turven boven het vuur te leggen, niet wilden gedoogen. De kortelings nog vroolijke jachtgezellen, door den drank verhit, trokken hun dolken en zwaarden; Juwe, ofschoon van een vreedzamen aard, zag zich genoodzaaktpartij te kiezen en ontving in het gevecht een doodelijke wonde. Seerp keerde op het bericht van dit voorval naar zijn stins, om van zijns vaders erfgoed bezit te nemen en zijn dood te wreken. Weldra toonde hij, dat de leden van zijn geslacht aan hem geen zoo gemakkelijk stamhoofd, noch de eigengeërfden uit den omtrek een zoo toegevenden buurman hebben zouden als zijn vader geweest was. Zijn eerste daad was, zijn krijgsknechten uit te rusten, de moordenaars zijns vaders op hunne stinsen te overvallen en hen van ’t leven te berooven. Deze doodslag werd wel gezoend; maar niet zonder dat een aanzienlijk gedeelte der landgoederen van Adeelens vijanden in zijn bezit verbleven: terwijl zijn stoute daad hem een grooten naam gaf bij zijn partij en hem trotscher en hooghartiger maakte dan ooit. De zachte vermaningen zijner moeder en de zusterlijke raadgevingen van Madzy hielden hem echter eenigszins in toom, en beletteden althans voor eenigen tijd, dat Adeelen zich in nieuwe twisten stak. Intusschen zag de edele Vrouw de toekomst donker in, en voedde niet ten onrechte de vrees, dat wanneer zij eens haar echtgenoot in het graf zoude gevolgd zijn, haar zoon, bij gemis van goeden raad en leiding, zich geheel aan de inspraak van zijn heerschzuchtigen aard zou overgeven. Haar vurigst verlangen, hetwelk zij meer dan eens bedektelijk uitte, was daarom, dat Madzy, wier juist oordeel, uitmuntend verstand en zachte inborst haar tot zulk een taak volkomen in staat stelden, Seerp eenmaal, wanneer zijn moeder kwam te vallen, tot leidsvrouw en gezellin op ’s levens pad verstrekken mocht. Madzy, die nooit eenig jongeling dan Seerp had leeren kennen, en hem een zusterlijke genegenheid toedroeg, leende geen afkeerig oor aan de wenschen, door haar weldoenster gekoesterd, en gewende zich als van zelve aan het denkbeeld van op Adeelastins haar dagen aan de zijde des Burchtheers te blijven doorbrengen. Wat dezen betrof, hij beschouwde haar nog te veel als een kind, dan dat hij er om gedacht zoude hebben, haar in goeden ernst zijn hof te maken: hij behandelde haar, gelijk hij altijd gewoon was geweest, zeer uit de hoogte; maar hij deelde niettemin in den wensch zijner moeder; want hij voorzag, dat Madzy een aardig lief vrouwtje zoude worden, en de gedachte streelde hem, dat de bezittingen van de rijke erfgename der Dekama’s hem eenmaal tot den vermogendsten der Friesche Edelen zouden maken en hem in staat stellen, een overwegenden invloed op zijn landgenooten uit te oefenen, en hen tot afschudding van het Hollandsche juk te nopen.

De stille leefwijze, welke Madzy sinds haar eerste kindsheid op Adeelastins geleid had, moest eindelijk ophouden. De Vrouwe van Adeelen, die sedert eenige jaren de beginselen eener teringziekte had onder de leden gedragen, voelde haar einde naderen. Op haar sterfbed gaf zij nog voor ’t laatst haar innig verlangen te kennen, dat Madzy eenmaal haar zoon zoude huwen: en toen het diep ontroerde meisje door aandoening werd belet haar te antwoorden, legde zij de handen der twee wezens, welke zij boven alles bemind had, in elkander, en ontsliep zonder smarten, de zalige gedachte met zich nemende, dat zij een brave gade voor haar zoon had opgekweekt.

Toen Sjoerd Dekama kennis van het sterfgeval bekwam, zag hij wel in, dat hij niets anders doen kon, dan de zoolang door hem verwaarloosde dochter bij zich in te nemen. Hij zond zijn ouden slotvoogd om haar af te halen; en zij kwam tot hem, een vreemdeling in het huis haars vaders. Wel was deze innerlijk trotsch op zijn dochter, toen hij zag, hoe schoon en beminnelijk zij was geworden; maar sedert zoolang was zijn stins door geen vrouwenvoet betreden geweest, dat hij moeite had, haar die gemakken te verschaffen, welke haar kunne en staat vereischten: zoodat zij een weinig genoeglijk leven sleet, alleen in het gezelschap van iemand, die den omgang met vrouwen geheel was afgewend. In den beginne kwam, wel is waar, Seerp haar nu en dan bezoeken en eenige verscheidenheid in haar eentonig leven brengen; doch daar deze eerlang met de monniken van Lidlum in een heftigen twist geraakte, die hem zijn huwelijksvoornemens voor een wijl deed uit het oog verliezen, werden die bezoeken weldra meer schaarsch en hielden eindelijk geheel op.

Dan, ook de tegenwoordige toestand van Madzy moest van korten duur zijn. Dekama stierf, eer nog het jaar ten einde was, aan een aanval van beroerte, welke men toeschreef aan de woede, waarin hij geraakt was, bij het vernemen, dat Stavoren en nog twee Friesche steden de laagheid hadden gehad, den Graaf van Holland als Heer te huldigen. Bij zijn uitersten wil droeg hij de voogdij over zijne dochter op aan den Heer van Aylva, zijn krijgsmakker en wapenbroeder in vroegere jaren, en den eenigen man bijna, wiens gezelschap hij nog in de dagen zijner afzondering had willen dulden.

Aylva kwam naar Dekamastins, zoodra hij het verlangen van zijn overledenen vriend had vernomen. Madzy kende den Olderman niet persoonlijk; maar zij had hem meermalen door haar vader hooren prijzen, die hem een volkomen Ridder noemde, welke slechts één gebrek had, namelijk dat hij niet genoeg Fries was, ’t geen Dekama aan de veelvuldige reizen en lange uitlandigheid van Aylva toeschreef. Weldra, bij de kennismaking met haar voogd, die haar nu meermalen ter regeling en besturing van haar erfgoed bezoeken kwam, leerde zij zijn beminnelijk en edel karakter ook bij ondervinding kennen en waardeeren, en met een soort van verwondering ontdekte zij, dat er nog een ander slag van menschen bestond, dan haar vader of de Adeelens. Zij hoorde nu niet meer op allen vreemden landaard schelden, noch uitsluitend datgene prijzen, wat louter Friesch was: zij hoorde van gewoonten en gebruiken spreken, waarvan zij nooit gedroomd had: en een beschaafden, wellevenden toon voeren, welke noch op het sombere huis van Dekama noch op Adeelastins ooit gekend was. Het was dan ook zonder tegenzin, dat zij het aanbod aannam, haar door Aylva gedaan, om eenigen tijd op zijne stins te komen doorbrengen en aldaar zijne zusters gezelschap te houden, terwijl het huis haars vaders eenige herstelling en vertimmering onderging, die door langdurig verzuim hoogst noodig waren geworden.

Het was daar, in haar nieuw verblijf, dat zich de uitmuntendebegaafdheden, welke zij van de natuur ontvangen had, geheel ontwikkelden. De twee zusters van Aylva, jonger dan hij, doch oud genoeg om Madzy door haar voorbeeld op te leiden, verschaften haar een even genoeglijk als leerrijk gezelschap. Beiden waren niet slechts in alle vrouwelijke handwerken, maar ook, hetgeen te dier tijd zeldzamer was, in zang en snarenspel bedreven; en Madzy maakte van haar onderricht zulk een nuttig gebruik, dat zij weldra haar meesteressen voorbijstreefde. Bovendien werd de stins van Aylva niet zelden bezocht door welkome gasten, die zoowel door den gullen en aangenamen omgang des Oldermans als door de schoonheid en begaafdheden van het beminnelijke drietal werden derwaarts gelokt, en de Roos van Dekama (want deze naam, haar door een reizenden minnezanger gegeven, was haar sedert bijgebleven) bracht, in die gestadige afwisseling van vroolijke en belangrijke gezelschappen, de schoone dagen harer jeugd op de aangenaamste wijze door.

Ondertusschen had Seerp Van Adeelen met de monniken van Lidlum vrede gesloten, waartoe hem, gelijk wij vroeger gezien hebben, de welsprekendheid van vader Syard genoopt had; de verstandige kloosterling had hem van zijn zwakke zijde aangetast, door hem te verhalen, hoezeer de Hollanders juichten over de inwendige tweespalt, die Friesland verdeelde. Adeelen begon nu weder aan Madzy te denken en zich te verwijten, dat hij haar eenigen tijd verwaarloosd had. Daar hij echter zijn huwelijk met haar als een vastgestelde zaak beschouwde, aan wier voltrekking geen twijfel wezen kon, deed hij, bij zijn eerste bezoek op de stins van Aylva, geene de minste moeite om zijn achteloos gedrag te vergoelijken, of verschooning aan Madzy, die hij nog altijd als een kind aanzag, af te smeeken. Wat haar betrof, zij had, wij moeten het gulweg bekennen, in den laatsten tijd weinig aan hem, ofschoon dagelijks aan zijn goede moeder, gedacht: zij zag hem niet terug met dat oog van eerbied en vrees, waarmede zij vroeger gewoon was geweest hem te aanschouwen. Hij was voor haar niet langer de Burchtheer van Adeelastins, zooveel ouder dan zij; maar eenvoudig een onhoffelijke, ruwe landedelman, die nog veel te leeren had, eer hij geschikt ware om haar hart te winnen. Zij behandelde hem echter, uit oude betrekking, met minzame vertrouwelijkheid; maar als Adeelen over hun aanstaand huwelijk sprak, kwam zij altijd met de verontschuldiging voor den dag, dat zij nog veel te jong was om daaraan te denken.

Hij kon zich echter over dit antwoord niet beklagen; want hij zag, dat het geene loutere uitvlucht was: daar zij verscheidene andere edele Friezen, die de rijke erfdochter der edele Dekama’s ten huwelijk waren komen vragen, ronduit had afgeslagen, en hem herhaaldelijk verzekerde dat zij bereid was, de hoop eenmaal te verwezenlijken, door zijn moeder gevoed.

Aldus stonden de zaken, toen de gebeurtenissen te Stavoren plaats vonden, welke aanleiding gaven, dat in denweerstalof de landsvergadering der Friezen tot het zenden van afgevaardigden besloten werd, waarbij men zich op de drie personen bepaalde, in deze geschiedenisgenoemd. De keus der geestelijke Heeren viel natuurlijk op den Abt van Sint-Odulf, daar deze als een nabuur der inwoners van Stavoren het meest bij de zaak belang had, en het best in staat was het gebeurde te beoordeelen. Oostergoo benoemde Aylva, die, wegens zijn aanzienlijke bezittingen en als Olderman van Leeuwarden, in dat gewest een uitgebreiden invloed had. Westergoo koos Adeelen, zoowel om zijn koninklijke afkomst, welke hem zelfs onder de vrije Friezen een aanzien gaf, dat hij anders niet zoude hebben gehad, als om het ontzag, dat men voor zijn macht en wakkere daden gevoelde.

Adeelen, bezorgd dat Madzy in de afwezigheid van Aylva zonder bescherming zoude achterblijven, en wellicht ook de hinderlagen duchtende, welke, ’t zij door dezen of genen minnaar, ’t zij door een geheimen vijand zouden gelegd kunnen worden, drong bij Aylva aan, dat hij haar met zich op de reis naar Holland zoude nemen: tevens echter zijn verlangen te kennen gevende, dat zij zich aldaar zoo min mogelijk vertoonen zoude. Aylva had er niets tegen om aan het eerste gedeelte van dit verzoek te voldoen, hoezeer het hem leed deed dat zijn zusters, die in den tusschentijd gehuwd waren, haar niet zouden kunnen vergezellen;—maar hij bekende, de reden niet in te zien, waarom hij aan Madzy die vermaken zoude ontzeggen, welke een tijdelijk verblijf in Holland haar kon opleveren, en waarop iemand van haar kunne en leeftijd billijk mocht aanspraak maken. Madzy echter nam alle zwarigheid weg, door te verklaren, dat, zoo zij medeging, zulks alleen zoude wezen, om haar voogd op reis de noodige oppassing en dienst te bewijzen, waaraan hij gewoon was, en dat zij niet verlangde zich in ’t openbaar te vertoonen om aan de Hollandsche Jonkvrouwen tot een voorwerp van spotternij te verstrekken:—en het was onder deze voorteekenen dat de reis werd ondernomen.

Dan, de goede Madzy had niet nagedacht, dat deze reis zou dienen om haar voorwerpen te leeren kennen, en zaken uit een oogpunt te doen zien, van welke zelfs de gesprekken met haren voogd haar nog geen denkbeeld hadden kunnen geven. Zij vond zich, zonder zelve te weten hoe, op eenmaal als een twistappel aan het hof des Graven geworpen, gevleid, bewonderd en benijd. Zij had de zoete taal gehoord van Ridders, bij wie Adeelen evenmin te vergelijken was als de ruwe goedendag des huismans bij den sierlijken pronkdegen met Damasceensch lemmer des Edelmans, en hoe nederig ook en ingetogen, zij was eene vrouw, en had niet zonder eenig behagen haar lof in hoofsche taal hooren uitspreken door den mond eens Graven van Holland en zijner Edelen, en haar hart sloeg harder, wanneer zij zich den wakkeren Deodaat voorstelde, met zijn helderen, vriendelijken oogopslag, met zijn zachtaardig voorkomen, dat zoo vreemd afstak tegen zijn onweerstaanbaren moed, met zijn innemende stem, bevallige manieren en heusche handelwijze ten haren opzichte.

“Maar wat baat dit alles?” dacht zij, terwijl Sytsken haar hoofdtooi in orde bracht: “het zoude in dien Deodaat, die wellicht nietsanders dan een ten hove gewone beleefdheid jegens mij in acht genomen heeft, een dwaasheid zijn, mij te beminnen: en in mij een nog veel grooter dwaasheid, zijn liefde aan te hooren. Geen uitlander als hij zou in Friesland als de echtgenoot van Madzy Dekama geduld worden; en mijn goede naam ware voor eeuwig verloren, indien ik mijn land verzaakte om een vreemdeling zonder fortuin of afkomst te volgen. Neen, zoo ik immer rust en geluk wil smaken, het is voor mij slechts in het land mijner vaderen te vinden: en gelijk de zwaluw slechts nestelt aan het dak waar zij uitgebroeid is, en niet met den vink naar vreemde luchtstreken reist, zoo mag ook de Friezin alleen in Friesland haar gade vinden.”

Adusta is alleen de bron van al uw tranen:Hy zette, razende van minnenijd en smart,Om ’t missen van zijn prooi, zijn’ vriend een dolk op ’t hart.Van Merken. Louize d’Arlac.

Adusta is alleen de bron van al uw tranen:Hy zette, razende van minnenijd en smart,Om ’t missen van zijn prooi, zijn’ vriend een dolk op ’t hart.

Adusta is alleen de bron van al uw tranen:Hy zette, razende van minnenijd en smart,Om ’t missen van zijn prooi, zijn’ vriend een dolk op ’t hart.

Adusta is alleen de bron van al uw tranen:

Hy zette, razende van minnenijd en smart,

Om ’t missen van zijn prooi, zijn’ vriend een dolk op ’t hart.

Van Merken. Louize d’Arlac.

Het maal, dat op ’s Graven jachtverblijf was aangericht, beloofde al de feesten, welke tot dien tijd in Holland gegeven waren, in pracht en rijkdom te overtreffen. Daar het weder, hoe ongestadig anders hier te lande, sedert een geruimen tijd zoo aanhoudend gunstig was, alsof het voor de feestvieringen ware uitgekozen geweest, had men zonder eenige moeite de toebereidselen op den Vogelesang kunnen maken. Vermits het jachthuis te klein was om de genoodigden te bevatten, waren er ter zijde van het gebouw verscheiden tafels aangericht van een aanzienlijke lengte, omringd van banken, die wel uit ruw hout samengesteld, maar met sierlijke kussens overdekt waren. Op en om die tafels waren al de fraaiigheden ten toon gesteld, welke de kunst in die eeuw bekwaam was op te leveren. Zoo prijkten hier, instede derplateauxvan lateren tijd, twee gansche kasteelen op tafel, met hun schansen en torens, van welke de banieren des Graven waaiden en waar binnen zich een deel hoornblazers bevonden, die gedurende den maaltijd het gezelschap op hun muziek moesten onthalen. Zoo stonden er onder de hooge linden rijkedressoirenof aanrechttafels, waarop blinkende vazen en kannen en koelvaten van allerlei vorm en metaal pronkten, en welke, vreemd genoeg, door tamme beren werden bewaakt, die geleerd hadden, bij de aankomst der gasten, de spietsen, waarmede zij gewapend waren, ter aarde te buigen. Maar, wat de meeste bewondering verwekken moest, waren drie nagemaakte olifanten, zoo groot als in ’t leven, maar welke de dorpsschilder, die waarschijnlijk nooit deze dieren gezien had, ter eere van ’s Graven blazoen, met roode, gele en zwarte strepen had beschilderd. Uit den snuit deseenen vloot Rijnwijn; de tweede gaf Franschen witten wijn, en de middelste hypocras. Nog merkwaardiger, wat de kunst betrof, doch minder belangrijk in de oogen der gasten, was een boom, die midden op de tafel stond en alle mogelijke vruchten droeg, deels natuurlijk, deels nagebootst, en in wiens gouden bladeren kunstig gemaakte vogeltjes, door verborgen werktuigen bestuurd, met de vlerken klapperden en allerlei deuntjes floten.

Het was ongeveer zes uren na den middag, de tijd, waarop men gewoon was den tweeden maaltijd te nemen: de meeste gasten waren reeds verzameld en wandelden de bekoorlijke dreven op en neder, ofschoon zij die beweging niet behoefden om hun honger te scherpen. Zij hadden door het tornooispel van dien morgen verzuimd hun middagmaal te nemen, of terampeneeren, gelijk men het noemde, en benijdden de paarden, die in haastig opgeslagen noodstallen zich reeds vergasten mochten aan het versche gras, waar de ruiven mede gevuld waren, toen de Graaf met zijn hofstoet van Haarlem kwam aangereden. Zijn voorhoofd was somber, en hoewel hij zijn best deed om zich te bedwingen en zijn gasten met gulheid en wellevendheid te verwelkomen, ontging het echter niemand, dat hij zich in een onaangename luim bevond.

De oorzaak hiervan lag in de tijdingen, welke hij dien dag uit het Sticht bekomen had. Ieder, die met de geschiedenis van ons land bekend is, weet, hoezeer de Graven van Holland er altijd en met reden op gesteld waren geweest, een Hollander, of althans een hunner bloedverwanten of leenmannen, op den Bisschoppelijken zetel te zien, ten einde hun invloed op het Sticht te behouden en de anders zoo gestadige twisten tusschen Holland en Utrecht te voorkomen. Dit was ook het doel van Willem IV geweest en hij was daarin in zooverre geslaagd, dat hij Jan van Arkel, den zoon van een zijner machtigste vazallen, den mijter had doen bekomen. Wij hebben reeds vroeger opgemerkt, hoe de nieuwe Bisschop weinig aan het oogmerk zijns beschermers had beantwoord. In den bloei der jaren, tegen zijn zin in den geestelijken stand getreden, bovendien uit een hooggevoelend en trotsch geslacht gesproten, dat slechts noode iemand boven zich gesteld zag, had de fiere jongeling weinig lust gevoeld, aan den leiband des Graven een berooiden boel te beheeren en alleen in naam Bisschop te zijn, zonder het vermogen te bezitten om zijn waardigheid op te houden of zijn gezag te doen gelden. Het gevolg hiervan, de reis des Bisschops naar Grenoble, het lossen der aan Graaf Willem verpande sloten en al hetgeen verder gedaan was om diens invloed te verminderen, hebben wij reeds verhaald. Om dezen invloed te herwinnen had de Graaf onderscheidene middelen in het werk gesteld, en, nu kort te voren, inzage der rekeningen van het Bisdom verlangd: maar het was juist na den afloop van het steekspel, dat een renbode hem een brief gebracht had van de Kapittels van Utrecht, waarbij hem die inzage gladaf geweigerd werd. In de eerste opwelling van gramschap over dezen grievenden hoon had hij, zonder iemand te raadplegen, en alleen zijn drift gehoor gevende, terstond een ontzeggingsbriefaan de stad Utrecht terug doen zenden: en het was de wrevel over dit voorval ontstaan, welke thans nog op zijn gelaat te lezen was.

Terwijl hij zich in deze gemoedsgesteldheid bevond en bestreden werd door de heftige gewaarwordingen, welke slechts een nieuwe gelegenheid wachtende waren om uit te barsten, evenals het kruit slechts een vonk noodig heeft om te ontbranden, naderde hem Adeelen, Madzy aan de hand geleidende en door zijn beide medeafgevaardigden gevolgd. Een beter hoveling dan Adeelen zou de gefronste wenkbrauw des Graven hebben opgemerkt, die zich nog sterker samentrok toen hij den Fries in ’t oog kreeg; hij zou gevreesd hebben, den grammen leeuw te tergen, en een meer geschikte gelegenheid afgewacht hebben om tot den Vorst te spreken, maar Adeelen was er de man niet naar, om zich door een donker gezicht te laten afschrikken. Stoutweg deed hij een stap naar den Graaf, en hem Madzy voorstellende: “Heer Graaf,” zeide hij: “gisteren had Madzy Dekama nog een vijftigtal vrijers, die het slechts voor de leus waren: heden heeft zij een bruidegom; maar die meent het goed. Ik zou u gisteren ons huwelijk reeds hebben aangekondigd,” vervolgde hij, de stem verheffende, ten einde door Deodaat, die niet verre van daar stond, gehoord te worden, “maar toen was ik nog niet zeker van mijn zaak; en het doet mij leed, dat ik, door een valschen waan misleid, de bedoelingen van dien Ridder daar” (op Deodaat wijzende) “heb miskend. Ik herstel hem in zijn eer, en beken, dat ik verkeerd deed, hem te hoonen: meer kan ik niet zeggen: heden heeft zij mij de toedracht der zaken opgehelderd en het is tusschen ons beiden beklonken. Zoodra wij in Friesland teruggekeerd zullen zijn, ’t geen God geve dat spoedig plaats hebbe, gaat het huwelijk door.”

Deze aanspraak was, ja, door Graaf Willem ten einde toe aangehoord, maar niet zonder herhaalde teekenen van wrevel, toorn en ongeduld, welke Adeelen niet had opgemerkt. Toen deze echter had uitgesproken, kon de Graaf zich niet langer bedwingen. Het voorgenomen huwelijk van Madzy wierp weder een der door hem gevormde plannen in duigen, dat namelijk, van een verbintenis tusschen haar en een zijner vertrouwde hovelingen: en de vrijmoedige taal van den Fries, welke hij tot nu toe uit staatkunde en ridderlijke toegevendheid geduld had, was hem eindelijk ondraaglijk geworden. Hij stampte driftig met den wandelstaf, dien hij in de hand had, op den grond, en toen den Fries met woedende oogen aanziende: “Bij Sint-Japik!” riep hij uit: “en zijt gij zoo zeker, lompe Fries! dat gij den dag van morgen beleven zult, om nu reeds een trouwdag te bepalen. Bij alle Heiligen, die Jonkvrouw is ouderloos en als zoodanig zijn wij als landsheer haar rechte en natuurlijke voogd: en niemand zal haar trouwen, die niet onze toestemming verzocht en verkregen heeft.”

Al de omstanders waren verbaasd en ontzet over dezen heftigen uitval: en Adeelen zelf, hoe weinig door woorden af te schrikken, was zoo uit het veld geslagen door de onverwachte wijze, waaropde Graaf zijn toespraak had opgenomen, dat hij eenige oogenblikken stom bleef, en zonder te weten wat hij deed, met de linkerhand zijn sabelknop omvatte, als vreesde hij een dadelijken aanval.

Beaumont, die als des Graven goeden engel altijd aan zijn zijde stond, haastte zich, hem zachtjes in ’t oor te fluisteren:

“Bedenk wat gij doet: wees bedaard, en herinner u, dat wij ons geene nieuwe vijanden op den hals behoeven te halen.”

Deze welmeenende raad diende slechts om olie in het vuur te gieten: “De duivel hale alle bedaardheid!” riep de Graaf: “wat ben ik? wettig Heer van deze landen? of een speelbal in de handen mijner onderzaten? Wij hebben ons genoeg verlaagd: lang genoeg de plompe onbeschaamdheid van een vazal verdragen, die het er op toelegt, ons in ’t aangezicht te beleedigen. Bij Sint-Japik! hadden wij ons ridderwoord niet gegeven, van het tweegevecht van morgen niet te zullen beletten, deze Seerp Van Adeelen ware reeds lang in den kelder van ons huis in ’s-Hage geworpen.”

Adeelen, die zijn vrijmoedigheid inmiddels teruggekregen had, was op het punt van den Graaf een haastig antwoord toe te duwen, toen Aylva met een bedaarden doch vasten stap voor hem trad, en hem met de linkerhand afweerde.

“Graaf!” zeide hij: “zoo Seerp Van Adeelen u hedenmorgen beleedigd heeft, ik ben er verre af, partij voor hem te kiezen en hem te verschoonen. Maar wij konden billijk verwachten, dat wij aan het hof des zoons van Willem den Goeden, des meesters der Koningen, des volmaaksten Ridders van Europa, die gastvrijheid zouden zien betrachten, waarop wij als genoodigden en als de waardigheid van afgevaardigden bekleedende, welke bij alle beschaafde natiën in achting is, aanspraak vermeenden te kunnen maken. Daar dit echter het geval niet is, zoo zullen wij uwe Genade van een gezelschap ontslaan, dat hinderlijk schijnt geworden te zijn.”

De Graaf hoorde deze toespraak aan, zonder den Fries in de rede te vallen en zonder eenig blijk van ongeduld te geven, dan dat hij op den knop van zijn wandelstok beet, een bezigheid, waarmede hij voortging toen Aylva gesproken had, zonder dezen eenig antwoord op zijn rede te geven. Aylva was dan ook gereed met een buiging verlof te nemen, toen Beaumont tusschen beiden trad en hem weerhield.

“Blijf, edele Aylva!” zeide hij: “blijf, waardige Abt! u kunnen de woorden des Graven niet gegolden hebben. O mijn edele Neef! deze edellieden, deze vrome Abt zijn uwe gasten. Laat hen niet vertrekken met een slechte herinnering aan uwe vorstelijke gastvrijheid.”

“Wij hebben hen niet gehinderd daarvan gebruik te maken,” zeide Willem, op een hoogen toon: “doch het was tijd, dat zij een les ontvingen, hoe zich in onze tegenwoordigheid te gedragen. Onze Herauten hadden hen beter behooren te onderrichten.”

Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich met een haastigen tred en ging naar de Gravin, die zich, op een geruimen afstand vandaar, in ’t midden van een stoet van hooge genoodigden en adellijke Jonkvrouwen bevond. De meeste omstanders volgden den Graaf; maarzijn laatste woorden waren niet verloren gegaan, en de oude Wapenkoning, die ze gehoord en als een zijdelingsch verwijt had opgenomen, trad naar Adeelen toe en begon hem, op een half beleefden, half bestraffenden toon, de les te lezen over zijn gedrag, terwijl Beaumont en Teylingen den Abt en den Olderman poogden over te halen, het feest niet te verlaten om een woord, dat den Graaf in drift ontvallen was.

“Gij moet weten,” zeide de oude Paypaert tot Adeelen, “dat het hoogst onbetamelijk en met alle gebruiken strijdig is, het woord tegen den Graaf te voeren, zonder daartoe alvorens verlof te hebben doen vragen door een Heraut, of, zoo er geen aanwezig is, door een van ’s Graven schildknapen, of eindelijk, bij mangel van dien, door een dienstdoenden page. Geloof mij, Jonker! dat ik, die mijn waardigheid reeds bekleed heb onder Graaf Floris, die de minzaamste aller vorsten was, ja zelfs zoodanig, dat hij het slachtoffer zijner te groote goedheid werd, als iedereen weet: onder Graaf Jan den Eersten, die de zachtheid zelve was: onder Graaf Jan den Tweeden, die alles deed wat in hem was, om de welwillendheid zijner onderzaten te winnen: onder Graaf Willem den Goeden, wiens naam alleen genoeg zegt om aan te duiden wat hij was: dat ik, zeg ik, nooit heb ondervonden, dat een van die edele Graven, wier zielen God genadig zij, ooit geduld heeft, dat een onderzaat, al ware hij een Baanderheer, onaangediend en ongevraagd het woord tot hem voerde, tenzij over tafel of aan ’t spel, uitgezonderd alleen de magen van het Grafelijk Huis, als de Heeren van Brederode, van Voorne, van....”

“Dat is alles schoon en goed,” zeide Adeelen, wien deze predikatie reeds sedert lang verveelde, maar die geen kans zag om er aan te ontkomen, zonder tegen den ouden man, die hem bij de mouw hield, geweld te gebruiken:—te meer daar hij ingesloten was tusschen een drom Herauten, pages en hofbeambten, die zich vermaakten met zijn ongeduld en met den gewichtigen toon, waarop Paypaert de regels der hofetiquette voordroeg:—“maar wij Friezen volgen liefst onzen eigenen weg en zeggen gaarne wat wij meenen en waar het ons best gelegen komt. Hoe dit zij, de Graaf zal over mijnewoordenniet meer te klagen hebben.”

“Ja, waren het slechts uwe woorden,” hervatte de onverbiddelijke Wapenkoning: “maar gij hebt ook een zeer verkeerde daad gedaan, door uw bruid zelve aan den Grave voor te stellen. Zulks had behooren te geschieden door den voogd der Jonkvrouw, die haar alsdan had moeten toevertrouwen aan een Edelvrouw der Gravin, door welke zij vervolgens aan den Grave op eene door zijne Genade nader te bepalen wijze zoude zijn voorgesteld, waarop gezegde Jonkvrouw uwe bruid....”

“Mijn bruid!” riep Adeelen eensklaps uit: “ja! waar is zij?—gij spreekt van toevertrouwen.... maar ik vertrouw haar hier aan niemand toe.”—En degenen die naast hem stonden ter zijde schuivende, trad hij met drift buiten den kring en zag naar Madzy uit.

Deze was, bij de eerste uitbersting van ’s Graven woede, een weinig teruggeweken, en vervolgens, toen Willem zich verwijderd had,en haar vrienden huns ondanks (gelijk wij gezien hebben) in diep gesprek gewikkeld werden, op een kleinen afstand blijven staan, zonder op dat oogenblik iemands aandacht tot zich te trekken. Terwijl zij zich dus alleen en in dien onaangenamen toestand bevond, waarin men verkeert, wanneer men zich van de zijnen afgescheiden en onder vreemden bevindt, zag zij op eens het hinderlijke van dien toestand nog vergroot door de onverwachte nadering van den bruinen beer, die deftig tusschen de Herauten en haar in kwam aangetreden. Dit ongure dier had zich waarschijnlijk op zijn post aan hetdressoirverveeld en verkozen een wandeling op zijn eigen houtje te doen. Niet wel op haar gemak bij dit vreemd verschijnsel, week zij terug in een slingerpad, dat zich juist achter haar bevond:—een paar bedienden, die den beer waren achtervolgd, dreven hem met stokslagen weder naar zijn plaats: en toen zij het pad weder uit wilde komen, ontmoette haar aan den ingang Deodaat.

“Een enkel woord!” zeide deze: “een enkel woord, edele Freule! Ik gevoel, dat plaats noch gelegenheid geschikt zijn; maar nood breekt wet, en het is de laatste reize, dat ik u met mijne toespraak lastig wezen zal.”

“Ridder!” zeide Madzy: “ik ben de bruid van Seerp Van Adeelen, en ik mag uwe taal niet aanhooren. Veroorloof mij, naar mijn voogd terug te keeren.”

“Een enkel oogenblik slechts,” hernam Deodaat op een smeekenden toon: “het is, of de hemel zelf mij deze gelegenheid toeschikt en mij voorschrijft, die niet ongebruikt te laten ontglippen. Bedenk, dat ik morgenochtend met uw bruidegom, den Fries, op dood en leven moet kampen.”

“Helaas!” zeide Madzy met een bevende stem: “ik weet het te wel! en kan niets dien strijd voorkomen?”

“Ziedaar, wat ik mij genoodzaakt vond, u te zeggen. De ziel van uwen.... van Adeelen, is te trotsch om te buigen, dit is mij bekend. Van zijne zijde is dus geen terugstap te verwachten. Wat mij betreft, gewillig gave ik mijn leven, eer ik de lans velde tegen iemand, wien ik heden eerst bemerk dat u dierbaar is; doch het is niet voor mijne wraak alleen dat ik strijden moet: het is de zaak mijns meesters, die aan mijn arm, aan mijn eer is toevertrouwd; en ik ware in de oogen der geheele Ridderschap onteerd, indien ik mij niet in den kamp gedroeg gelijk het eenen braven Ridder betaamt. Wij moeten dus kampen; daar is geene mogelijkheid om zulks te voorkomen.”

Madzy zweeg en sloeg de oogen neder. Haar hart bloedde; maar zij gevoelde, dat Deodaat gelijk had.

“Welnu!” vervolgde deze: “hiervan is het alleen dat ik u wilde overtuigen, opdat gij, zoo ik in ’t strijdperk treed, het mij niet wijt, zoo ik mijn plicht als Ridder volbreng: en zoo het noodlot wil, dat Adeelen door mij valt, haat mij dan, Jonkvrouw! maar laat voor ’t minst uw hart mij rechtvaardigen, en zeg dat ik niet anders kon handelen.”

“Zoo deze verzekering iets tot uw geluk kan toedoen....” zeide Madzy zuchtende.

“Het geluk en ik,” zeide Deodaat, “hebben afscheid genomen, sedert Adeelen u aan den Graaf heeft voorgesteld;—want waarom zou ik het u niet bekennen, Freule! ik bemin u! en is de zekerheid, dat ik, verwinnaar of verwonnene, geene hoop op uw bezit mag voeden, niet genoegzaam om mij voor mijn leven ellendig te maken? Wee mij! dat ik nog moet trachten een vijand te vellen, door wiens handen ik liever om uwentwil zou vallen.”

Al sprekende waren zij het zijlaantje langzaam op en neder geloopen en bevonden zich door het kreupelhout aan de oogen der omstanders onttrokken. Deodaat had in de drift van zijn hartstocht de hand van Madzy gevat en zij had die niet teruggetrokken; want het bloed vloeide haar naar het hart terug en zij was buiten de mogelijkheid om eenige beweging te maken. Dat oogenblik van bedwelming duurde slechts kort.

“Om Gods wil, Ridder!” zeide zij: “laat mij gaan; het voegt mij niet, langer naar u te hooren: men heeft ons misschien zien gaan: men zal ons bespieden.... men heeft ons reeds bespied.”

En dit zeggende, gaf zij een angstigen, half gesmoorden kreet. Naast hen stond Reinout, doodsbleek, met gekruiste armen en het oog vonkelende van toorn.

Deze had, sedert hij zich van Deodaats ontrouw te hemwaart overtuigd hield, in dien staat van hevige gemoedsaandoening verkeerd, waarin het verhitte bloed beide verstand en hart bedwelmt en den mensch zoowel onbekwaam maakt wel te gevoelen als wel te onderscheiden. Zijn wrok tegen zijn wapenbroeder was niet verminderd door de dubbele eer, welke dezen boven hem op het tornooispel was te beurt gevallen:—eene week vroeger zoude hij die hebben toegejuicht: thans was hem die een nieuwe spoorslag tot ijverzucht en wraak; want karakters als die van Reinout kennen geen middelweg tusschen liefde en haat: en zoo vurig hij te voren zijn vriend bemind had, zoo hevig was hij thans op hem verbolgen. Iets later op dat feest gekomen, had hij niets van de woordenwisseling tusschen den Graaf en Seerp Van Adeelen vernomen: maar hij had uit eenige losse uitdrukkingen der feestgenooten verstaan, dat de schoone Friezin de bruid was, zonder recht begrepen te hebben met wien: en toen hij het vorstelijke paar genaderd was, had hij deze woorden aan ’s Graven mond hooren ontvallen:

“Dat meisje zal niet met dien lompen Fries huwen: zoo Deodaat morgen de overwinning behaalt, zal zij het loon zijner dapperheid wezen, of in een klooster gaan.”

Dit gezegde was voor Reinout genoeg geweest. Woedend van minnenijd was hij Deodaat gaan opzoeken, om hem zijn vermeende ontrouw te verwijten, en hij had ter bekorting het laantje genomen, waarin zich zijn medeminnaar bevond. Zoodra deze hem gewaar werd, liet hij de hand van Madzy los en wilde spreken; maar Reinout schonk hem daartoe den tijd niet.

“Gij zult mij niet meer met schoonschijnende woorden bedriegen, listige verrader!” riep hij; “wat ik gezien heb is mij genoeg: maar hier is uw straf.” Eer nog deze woorden geheel waren uitgesproken,had hij zijn dolk getrokken en stootte dien Deodaat in den boezem.

De jongeling wankelde en viel. Met een ontzettenden gil schoot Madzy toe, en ontving hem in haar uitgebreide armen, waarna zij, eene knie ter aarde buigende, op de andere het hoofd des gewonden ondersteunde. Reinout had zijn dolk laten vallen en stond onbeweeglijk.

“Gij hebt welgedaan, broeder!” zeide Deodaat, op wiens gelaat zich de doodskleur reeds had verspreid:—“ofschoon het niet uwe hand had moeten zijn, die.... vlucht Rinaldino—vlucht!.... het is mij zoet, zoo te sterven,” en zijn brekend oog rustte op Madzy met innige liefde. Weldra echter sloot het zich en zijn hoofd viel neder als dat eens dooden.

Reinout bedekte zich het gelaat met de beide handen: en toen, een vervaarlijken sprong nemende, verdween hij in het kreupelhout. Bijna in hetzelfde oogenblik kwam Adeelen te voorschijn, van eenige Edelen gevolgd.

“Voor den duivel!” zeide hij: “wat heeft dat te beteekenen? Een vreemdeling in de armen van Madzy!”

“Hulp! in ’s Hemels naam!” riep deze: “hulp! hij sterft! zoo gij vrome lieden zijt, helpt! en houdt den moordenaar vast! hij is door het gindsche kreupelhout gevlucht.”—En bij het uiten dezer woorden wees zij in het boschje naar de zijde, welke Reinout was ingegaan.

“Wie, wie is de moordenaar?” vroegen terstond onderscheidene stemmen.

“Wie? wie?—Zijn vriend, zijn wapenbroeder, die zwarte Italiaan!”

“Reinout!” riepen allen in verbazing uit; en verscheidenen snelden het boschje uit om hem na te jagen.

“Ik ben hem wellicht dank verschuldigd,” zeide Adeelen, somber en bedaard, terwijl hij beurtelings de gelaatstrekken van Deodaat en die van Madzy, waarop een bijna gelijke bleekheid was verspreid, bleef beschouwen.

“Hij is nu dood,” zeide Madzy, halfluid, op een toon van innige droefheid, die niet zonder bitterheid was: “hij zal u geen minnenijd meer baren.”

“Madzy! mijn kind!” riep Aylva, die inmiddels met verscheidene gasten genaderd was: “bedenk waar gij zijt en wat gij doet;” en hij nam haar bij den arm om haar van dit treurtooneel te verwijderen.

Maar in dit oogenblik sloeg hij zelf een oog op de bevallige, doch thans wezenlooze gelaatstrekken des jongelings, en een koude rilling, waarvan hij de oorzaak niet kon nagaan, doorliep zijn aderen. Schoon teergevoelig van aard, had hij den dood te dikwijls onder alle gedaanten voor oogen gehad, dan dat het gezicht van een lijk bij hem iets meer dan een gevoel van medelijden zoude hebben opgewekt;—doch hier bezielde hem een ongekende gewaarwording; het was, of de dolk van Reinout hem mede in ’t hart getroffen had.

“Is er geene hoop meer?” vroeg hij, angstig op het lichaam starende.

“Zou hij nog te redden zijn?” zeide Madzy, de gelegenheid haastig aangrijpende, welke haar nog een oogenblik toevens vergunde. Zij legde de hand op zijn hart en na eenige oogenblikken van gespannen verwachting riep zij uit: “God lof! het slaat nog: een arts! een arts!”

“Wat heeft er plaats gehad?” vroeg de Graaf, driftig het moordtooneel naderende: “is het die ellendige Fries, wiens dolk een mijner edellieden heeft durven zoeken?” En zijn vorschend oog ondervroeg beurtelings Beaumont en Adeelen.

Weemoedig schudde de eerste het hoofd: “niet deze,” zeide hij, op Adeelen wijzende: “de moordenaar is gevlucht. Maar het wordt tijd, dat lichaam naar een meer geschikte plaats te vervoeren.”

Men voldeed aan dit voorstel: twee edellieden beurden den zieltogenden Deodaat van den grond op, en droegen hem naar het jachthuis, terwijl Beaumont het hoofd ondersteunde, en Aylva, door eene onwederstaanbare aandrift gedwongen, naast het lichaam bleef gaan, zonder de oogen van het doodsbleek gelaat te kunnen afwenden. Al de overigen volgden of omringden hen met zichtbare blijken van deelneming. Adeelen alleen bleef terug met Madzy, die, toen het lichaam was opgenomen, het besef van haar toestand had terugbekomen, en snikkende was ter zijde getreden.

“Wel hoe!” zeide Seerp, zich voor haar plaatsende en haar met een hoonenden grimlach aanziende: “volgt gij het lijk van uw minnaar niet?”

“Seerp! gij zijt wreed!” was alles, wat haar tranen aan Madzy toelieten te zeggen.

“Minder dan gij,” zeide Adeelen, “die op den dag zelven, dat gij mij trouw belooft, met een jongen lichtmis door het bosch gaat zwerven en mij door uw ontrouw het hart doorboort en erger wonden slaat dan uw boel ontvangen heeft. Ha! dubbelen dank ben ik dien Reinout verschuldigd, die mij zoowel van pas gewroken heeft.”

“Gij behandelt mij onwaardiglijk,” zeide Madzy: “gij miskent mij en den edelen jongeling, die....”

“Bloos niet, maar ga voort!—Welnu! die edele jongeling?....” herhaalde Adeelen, op een bitsen toon, ziende dat de aandoening Madzy belette voort te gaan.

“Nu, ja dan,” zeide Madzy, haar vrouwelijke waardigheid geheel hernemende: “waarom gebloosd? Hijvoeldevoor mij een hopelooze liefde en kwam mij het laatst vaarwel zeggen. Ziedaar zijn eenige misdaad, zoo het al een misdaad was: de mijne was, hem aangehoord te hebben; doch kon ik minder doen voor iemand, die wellicht morgen sterven zoude.”

“Voortreffelijk!” hernam Adeelen: “verdedig hem nog.—Wat mij betreft, ik weet genoeg: herneem de trouw, die gij mij geschonken hebt, en uw ring daarbij: ik begeer hem niet meer.”

Dit zeggende, trok hij den ring, dien hij van Madzy ontvangen had, van zijn vinger, verbrak dien tusschen de tanden en wierp de stukken voor de voeten der ongelukkige maagd, waarna hij haar snel den rug toekeerde en zich verwijderde, haar alleen latende ineen gemoedsgesteldheid, die zich beter laat gevoelen dan beschrijven.

Deze daad van Adeelen, of liever de beweging, waarmede hij die volbracht had, was niet zonder getuigen gebleven. De Gravin, verscheidene van hare aanzienlijke gasten en de stoet van edelvrouwen en juffers, die haar vergezelde, waren juist langs dezen weg komen aanwandelen om iets naders omtrent de ware toedracht der zaak te vernemen, en hadden aan Adeelens gramstorige bewegingen en aan Madzy’s bedrukte houding reeds half geraden wat er gaande was.

“Het schijnt ons toe,” zeide de Gravin, “dat die bruigom zijn bruid niet zeer tevreden verlaat.”

“Mij dunkt,” zeide Oda van Wassenaar fluisterende tegen hare vriendinnen, “dat hij niet kwalijk tevreden zijn moet, nu men hem met éénen slag van een medevrijer en van een doodvijand ontslaat.”

“Foei Oda! kunt gij nog spotten met den dood van dien goeden Deodaat,” zeide Ottilia, met tranen in de oogen.

“Ik beklaag den armen Ridder van ganscher harte,” hernam Oda: “doch mijns bedunkens is die Friesche Roos nog meer te beklagen, die, op éénen dag, haar éénen minnaar vermoorden ziet, door haar bruidegom verlaten wordt en misschien haar derden vrijer ziet onthoofden.”

“Zou het dan wezenlijk Reinout zijn,” vroeg Ottilia, “die zulk een laagheid begaan heeft?”

“Noem het geen laagheid,” viel Oda in: “waarlijk, ik zou iemand wel liefhebben die mij genoeg beminde om zijn oudsten en trouwsten vriend aan zijn liefde op te offeren. Daar zou geen van onze Hollandsche edelen, die karnemelk voor bloed in de aderen hebben, ooit toe komen.”

“Goddank neen!” zeide Ottilia: “gij zijt afschuwelijk, Oda! en ik spreek u heden geen woord meer toe.”

“Gij hebt gelijk,” zeide Oda: “ga liever die Friesche nuf opbeuren, die eergisteravond zooveel spels maakte en nu te kijken staat als een boerenmeid, die haar eieren over den weg heeft laten vallen.”

Ottilia volgde dezen raad, of liever, de inspraak van haar medelijdend hart. De Gravin was Madzy voorbijgetreden, zonder schijnbaar eenige acht op haar te slaan; want de omstandigheden der verwonding niet volkomen wetende, en vermeenende, dat Madzy wel schuldig zijn kon, wilde zij hare waardigheid niet te kort doen door zich met haar in te laten. Ottilia daarentegen, altijd genegen het beste van iemand te denken, bleef achter, trad naar de arme verlatene toe, nam haar bij de hand en deed haar de weinig romaneske, doch in deze omstandigheden zeer natuurlijke vraag, of zij niet doodelijk ontsteld was en of zij reeds iets gedronken had.

“Ik ben vermoeid,” zeide Madzy, die haar knieën onder haar voelde knikken: “ik wilde, zoo mogelijk, wel een oogenblik nederzitten.”

“Neem mijn arm,” zeide Ottilia: “en leun op mij: wij zullen ons ginds op dat bankje nederzetten, en Zweder zal u wat te drinken brengen, niet waar Zweder?”

Zweder was een neefje van Ottilia en diende als page bij deGravin. Zoodra hij het verzoek zijner tante vernomen had, snelde hij als een pijl uit den boog vooruit om eenige verversching te halen, terwijl de beide Jonkvrouwen langzaam naar het bankje traden.

Met die hoffelijke bescheidenheid, welke het kenmerk is van een goed hart en een goede opvoeding, weerhield Ottilia zich, in spijt harer nieuwsgierigheid, de bedrukte Madzy door eenige vraag te kwetsen, nam zwijgend met haar op de tuinbank plaats en drong haar iets te gebruiken van het water, dat Zweder had aangebracht en waarin de knaap, die door zijn post gewend was vrouwen te bedienen, eenige droppelen van een meer geestrijk vocht gemengd had.

Na haar dank op hartelijke wijze te hebben geuit, gaf Madzy haar verlangen te kennen om huiswaarts te keeren, en vroeg of er niet iemand aan den Heer van Aylva kon gezonden worden om hem te verzoeken haar derwaarts te geleiden.

“Ik zal mij gaarne met deze boodschap belasten,” zeide Zweder: “ofschoon het mij altijd aangenamer ware de tijding van uwe komst dan van uw vertrek te brengen.”—Onder het doen dezer hoffelijke betuiging, welke hij met al den zwier eens volslagen hovelings uitbracht, deed hij op een bevallige wijze zijn toppermuts een halven cirkel in de lucht beschrijven en verwijderde zich. Dan, nauwelijks ter halverwege gekomen, ontmoette hij de Gravin, die met haar gevolg van haar ontdekkingsreize terugkwam, in druk gesprek met Beaumont. Hij bleef dus staan en wachtte eerbiedig af dat de stoet voorbij was getrokken.

“Hebt gij een boodschap, knaap?” vroeg de Gravin, zijn houding opmerkende.


Back to IndexNext