Een-en-twintigste Hoofdstuk.

Een-en-twintigste Hoofdstuk.Soete meysken, dat verslagenDus beroyt loopt en ontkleet,Ick moet v hier eenmael vragen,Wat is de oorsaeck van v leet?Meysken segt my toch de reden,Wie ghy syt en hoe ghy heet.D. Pietersz. Pers.De vermoeienissen van den vorigen dag hadden vader Syard, toen deze eindelijk ingesluimerd was, in zulk een vasten slaap gestort, dat hij niet, gelijk hij gehoopt had, met het aanbreken van den dag, maar zelfs later dan gewoonlijk ontwaakte, en bij zijn komst buiten de deur met schrik ontwaarde, dat de zon hooger dan naar gewoonte aan den hemel stond, en dat hij het uur reeds had laten voorbijgaan, waarop hij zijn vertrek met Madzy bepaald had. Hij haastte zich dus naar het voorhuis, alwaar hij de waardin opzocht en haar verzocht, de jonge deerne, die met hem gekomen was, te laten roepen.“Denkt gij ons weer te verlaten, huisman?” vroeg de waardin, zonder zich nog gereed te maken aan zijn verzoek te voldoen.“Wij moeten vertrekken,” antwoordde hij, “en wij zouden reeds een paar uren onderweg zijn geweest, indien de stalknechts mij tijdig hadden gewekt, gelijk ik uitdrukkelijk verzocht had!”“Ja! wat zal ik u zeggen, huisman!” zeide de waardin: “’t zijn luie vlegels, en zij zijn vroegtijdig naar het land geweest om de paarden op te halen; want God weet het, als de oorlog begint, zooals men vreest, dan zal er binnen weinige dagen geen ezelsvolen meer op het veld zijn, of het is goede prijs. Ik ben ondertusschen maar blij dat die paardendief van gisteravond voor dag en voor dauw weer vertrokken is: hij zag mij er net naar uit om haantje de voorste te spelen, als ’t op plunderen zou aankomen.”“Dat kan wel zijn, moeder!” zeide de monnik; “maar wees nu zoo goed, en ga mijn nicht waarschuwen, dat zij zich gereedmake.”“Ik ga al,” zeide de waardin: “zij zal nog wel in een zoete rust liggen; want de jongelieden zijn doorgaans lui en lekker: hei! ho! toen ik op haar jaren was, hield ik er ook van, mij in de veeren nog eens om te draaien, maar als men eens een arme weeuw is en de zorg heeft voor een herberg, waar dag en nacht volk aankomt, dan verleert men het lange slapen wel.”Dit zeggende trok zij naar boven; maar zij was ternauwernood vertrokken, of vader Syard hoorde een angstig gegil en zag haar terstond daarna terugkomen, het gelaat geheel verward en verwilderd.“Goede hemel! wat is er gebeurd?” vroeg de bezorgde monnik: “is u eenig leed overkomen?”“Een priester! een priester!” schreeuwde de beangste vrouw: “de Booze zelf ligt in eigen persoon in ’t bed van uw nicht.”“Vrouw!” riep de monnik, haar met geweld bij den arm grijpende: “wat durft gij zeggen? Wat beduidt dit?”“Ik zeg u, dat de Booze haar den hals heeft omgedraaid en in hare plaats in bed is gaan liggen.”“Vrouw!” herhaalde de monnik, met een wilden blik: en hij zelf holde de trap op, die naar het kamertje geleidde.Aan de deur gekomen van het slaapvertrek hield hij echter een oogenblik stand. Een gemoedsbezwaar overviel hem. Ofschoon meer verlicht en minder bijgeloovig dan de groote menigte, betwijfelde de monnik zoomin als iemand uit die eeuw het bestaan van booze geesten en van de macht, die zij over de menschen uitoefenden; integendeel was dit een geloofsartikel, hetwelk hij niet slechts zelf moest aannemen, maar ook aan anderen onderwijzen en inprenten. Hij was tevens wel gerust, dat de duivel niet machtig was te kampen tegen al, wie hem met geestelijke wapenen bestreed; maar de gedachte kwam pijlsnel bij hem op, dat hij, door zich in een wereldlijk gewaad te steken, als het ware afstand gedaan had van die overmacht, welke zijn stand hem op al de geesten der onderwereld geschonken had. Hij werd echter opgebeurd door de troostende bemoediging des Apostels: “weerstaat den duivel, en hij zal van u vlieden:” en onder het uiten van een “Domine! libera nos!” trad hij het slaapkamertje binnen en stapte met mannenmoed naar de bedstede toe.Bij den eersten aanblik echter, dien hij daarop geworpen had, rilde hem een kille huivering door de leden; want hij zag tot zijn ontzetting, dat werkelijk de plaats, waar Madzy gelegen had, was ingenomen door een ander wezen, waarvan alleen de wanstaltige ruige kop uit de dekens te voorschijn kwam. Was dit nu de Booze?—Zulks was hem nog niet terstond duidelijk; maar hij achtte het betamelijk zich daarvan te verzekeren: hij vermande zich, en toen hij, genaderd zijnde, het dek opsloeg, sprong het wangedrocht als uit den slaap op en vertoonde hem den duivel, zoo het al een duivel was, in de gedaante van meester Cezar, den aap van Barbanera.Vol gramschap greep hij het verschrikte dier in den nek en kwam er de kamer weer mede uit.Aan de benedentrap ontmoette hij de kasteleines, haar dienstmaagd, de beide inmiddels van ’t werk gekeerde stalknechts en den hansworst, allen geknield en ijverig bezig hunpater nosterste zeggen en kruisen te slaan. “Hier is uw duivel!” riep de monnik: “maar waar is nu de Jonkvrouw gebleven?”“Cezar!” riep de hansworst, opspringende: “wel mannetje! waar heb je gezeten?”De aap, zijn meester ziende, ontwrong zich aan den monnik en sprong vroolijk in de armen, welke zich openden tot zijn ontvangst.“Vrouw!” vervolgde de monnik, terwijl hij met vlammende oogen naar de waardin toetrad: “waar is de jonkvrouw gebleven, die ik aan uwe bescherming heb toevertrouwd?”“Wat Jonkvrouw!” zeide de waardin, opstaande, en nog altijd onthutst en verschrikt: “meent gij de deerne, die met u kwam! Mijn lieve God! wie weet het?”“O! ik ben een ellendeling, een ongelukkige,” riep vader Syard, zich voor het hoofd slaande, “ik ben den slechten herder, den huurling gelijk, die zijn schapen verlaat; de wolf is gekomen en heeft het lam medegenomen.”“Nu!” zeide de kasteleines: “indien het lammetje weg is, is zij met haar eigen wil vertrokken. Wie weet of zij niet op het pad is achter den Jonkman, die zoo straks van hier gegaan is met den ouden kokeler?”“Die zijn naar het slot gegaan,” zeide Daamke: “en zullen straks keeren.”“Ei kom!” zeide de dienstmaagd: “het lieve schaap zal een morgenwandeling doen en wel zoo aanstonds weer hier zijn.”“Heeft zij haar goed bovengelaten?” vroeg de kasteleines.Allen snelden de trappen op; maar bij onderzoek bleek het, dat Madzy in haar onderkleederen moest vertrokken zijn, want haar kap, haar schoenen en haar mantel lagen nog ter plaatse, waar zij die bij het te bed gaan had neergelegd.”’t Is onbegrijpelijk,” zeide de monnik: “en echter! maar al te waar;—doch ik ga niet van hier voor zij teruggevonden is.”“Zie dien ouden uil eens,” zeide de nar, “die zich verbeeldt, dat een jonge knappe meid geen beteren reisgenoot krijgen kan dan hem: en voorwaar zij is vrijwillig opgedrost, want, ik heb den man met den zwarten mantel, die gisteravond op de bank lag te ronken, straks aan meester Barbanera hooren zeggen, dat hem, juist toen hij zich te bed wilde begeven, een wit spook was voorbijgesneld, dat hij echter niet goed onderkennen kon, omdat hij de lamp in handen had.”“Schurk!” zeide de monnik: “de Jonkvrouw is geene nachtwandelaarster.”“Of de dame, die gij met u hadt, eene Jonkvrouw was, weet ik niet,” hernam Daamke, “maar dat zij in den nacht wandelt, is zeker: want Ridder Reinout, of hoe hij heeten mag, heeft duidelijk eenvrouwspersoon de kamer zien overloopen, en toen hij haar volgde, is zij als een gejaagde kat de deur uitgeloopen en heeft die achter zich dichtgeslagen.”“Ridder Reinout!—Ha! nu ontwikkelt zich het geval!” riep de monnik: “was die vreemdeling Ridder Reinout van Verona?.... Zoekt overal, vrienden! er is goud te verdienen voor hem, die haar weervindt!”“Bij mijn zolen,” zeide Daamke, hem naoogende: “de rook verraadt het vuur; het balken den ezel, de kuch den grijskop;—maar een mooie meid, die zich schuil wil houden, wordt zoo gemakkelijk niet teruggevonden.”Niettegenstaande deze weinig hoopgevende spreuk van den hansworst stonden de beide boerenknechts, verlokt door het uitzicht op gewin, gereed om de voortvluchtige te gaan opzoeken en beraadslaagden reeds onderling, welken weg zij in zouden slaan, toen zich van de zijde van Utrecht een verward gedruisch liet hooren en men weldra een talrijke bende, uit ruiters en voetknechten samengesteld, het dorp zag intrekken.“Daar is het lieve leven al gaande,” riep de kasteleines: “de Stichtsche benden komen dorp en slot bezetten, en wij zullen den oorlog uit de eerste hand hebben.”Zij bedroog zich niet: althans wat de eerste helft van haar verzekering betrof: spoedig stonden de gewapenden op het plein geschaard; een aantal hoplieden trok in de herberg; en bij de onvermijdelijke drukte en bediening, welke deze nieuwe gasten veroorzaakten, waren vader Syard en zijne nasporingen spoedig vergeten.Wij zullen intusschen onzen waarden lezer, die waarschijnlijk omtrent het lot van het lieve meisje eenigszins bekommerd wezen zal, de opheldering geven van haar plotsling verdwijnen.Madzy had zich, gelijk wij gezien hebben, dadelijk na het vertrek der waardin ter ruste begeven en was, niettegenstaande het rumoer in het onderhuis, spoedig ingesluimerd. Haar slaap was echter geenszins van dien verkwikkenden aard, waarop haar jeugd, haar gezond gestel en de vermoeienissen van den dag haar aanspraak gaven. ’t Zij, dat die vermoeienissen te groot waren geweest, ’t zij, dat de gebeurtenissen der verloopen week, en vooral het schriktooneel van den vorigen dag haar te sterk voor den geest zweefden, ’t zij, dat een ongesteldheid haar overvallen had, ’t zij dat al deze oorzaken gezamenlijk op haar werkten, haar slaap was onrustig en afgebroken: droomen en nachtgezichten vervulden haar verbeelding en deden haar gedurig met schrik en siddering ontwaken.Eindelijk droomde zij, dat zij zich op de Zuiderzee bevond, in een klein vaartuig, hetwelk alle moeite deed om de kust van Friesland, welke zij voor zich zag, te bereiken, maar gedurig door de golven weer terug werd geslagen. De manschap van dat scheepje bestond alleen uit edele Ridders, in vollen wapendos, maar hun harnassen waren verroest, hun pluimen hingen verflenst van den helmkam af en hun wapenrokken waren gescheurd en druipende van het zeewater, dat gestadig over het dek sloeg:—en wat het ijselijkste was, achterelk helmvizier grijnsde haar een vervaarlijk doodshoofd tegen, en onder de harnassen hoorde men het gerammel van dorre beenderen. De Graaf van Holland alleen was onder die menigte kenbaar: blootshoofds stond hij aan het roer; maar zijn gelaat was nog afschuwelijker om te aanschouwen dan het ontvleesde geraamte der overige schepelingen. Geene kleur, geene beweging bezielde meer het aangezicht, de haren waren aan het hoofd ontvallen en ontelbare merkteekens van nog versche wonden doorkruisten het in alle richtingen; maar het oog bleef, starend en als verglaasd, onafgebroken op de kust gevestigd. En daar, aan die kust, liet zich een niet minder akelig tooneel aanschouwen. Een lange sleep van monniken, aangevoerd door vader Syard, geleidde, onder het zingen der psalmen voor de afgestorvenen, een doodbaar naar het klooster van Sint-Odulf en in die doodbaar, (dit gevoelde Madzy door die innerlijke bewustheid, welke ons in droomen eigen is, en ons als door ingeving datgene weten doet, hetwelk voor het vleeschelijke oog onzichtbaar is,) was het lijk van Deodaat vervat. De abt sloot den trein, en toen de deuren van het kerkgewelf achter hem waren toegeslagen, kwam de oude man alleen naar het strand en, staande op het Roode Klif, herhaalde hij op een sleependen toon de voorspelling betreffende de Roos van Dekama. Onder het opzeggen dier rijmen begonnen zijn gelaatstrekken te veranderen: de blozende wangen vielen in: het blanke vel des paters werd bruin en vaal van kleur: de ronde buik kromp in: en in de plaats van den gezonden vader Volkert zag Madzy een afschuwelijke gedaante, gelijk aan die, onder welke men den boozen geest afschildert, welke haar tandenknersende van den rand der vensterbank begluurde.Zij wreef zich de oogen uit: het was geen droom: die gedaante zat daar, deed een sprong, en was naast haar bedstede.Met een gesmoorden gil vloog zij haar legerstede uit, haar kamer en de trap af: zij opende een deur: eene nieuwe stof tot ontsteltenis: daar stond de moordenaar van Deodaat, of zijn schim, midden in het vertrek.Het arme meisje sprong terug, naar beneden: dan, o God! die zoo gevreesde Reinout volgde haar: zij stoof de huisdeur uit, ijlde zonder te weten waarom of waarheen, de eerste laan de beste in: hare knieën ontgaven haar: haar krachten waren bezweken: een dikke sluier viel voor haar oogen: het bewustzijn ontweek haar: en zij zeeg bezwijmd op het vochtige gras neder.Wij moeten haar voor een korte poos onzes ondanks in dien bedroefden toestand laten, om ons naar den Bisschop van Utrecht te begeven.Deze was spoedig na het gesprek met den monnik zijn slaapstede gaan opzoeken, mede slecht tevreden over den uitslag van het onderhoud. Zijn doel toch was, gelijk ons gebleken is, niet slechts om het Bisschoppelijk gezag in Utrecht onafhankelijk te maken van allen vreemden invloed, maar ook om dat gezag over de naburige gewesten uit te breiden: hij had zich gevleid, in vader Syard een bekwamen en behulpzamen handlanger te zullen vinden; maar ’t bleek hem thans genoeg, hoe weinig deze genegen was, de Friezen aante sporen, om het eene juk met het andere te verwisselen: ja, hij zag in, hoe weinig hem het bondgenootschap met Friesland zou baten zelfs in het bestrijden van den Graaf. De teerling was echter geworpen, en Arkel behoefde geen groot waarzegger te zijn, om niet te voorzien, dat de Graaf weldra in het Sticht zoude vallen met een legermacht, welke zoowel de krijgsroem van Willem IV als de ingeschapen naijver der Hollanders tegen de Stichtenaars talrijk en ontzaglijk zou maken. “Mits slechts de adel zich goed houde,” zeide Arkel bij zich zelven: “de burgerij van Utrecht zal zich wakker genoeg betoonen: en een stad als deze is niet in een paar dagen te overrompelen. Zij slechts de overwinning betwist, ziedaar al wat ik verlang! Maar Friesland moet een wending geven aan de wapenen der Hollanders.—Mocht ik slechts dien Adeelen nog eenmaal spreken: hij is eerzuchtig en heeft invloed bij de Friezen:—hij zou mij meer dienst doen dan die monnik, wien ik ter kwader ure mijn vertrouwen heb geschonken en die het nu wellicht zijn plicht acht, zijn landgenooten tegen mijne bedoelingen te waarschuwen. Hij zal niet naar Friesland keeren, zoo ik het verhoeden kan:—hij is te gevaarlijk:—ook die Barbanera!—ik vrees, dat hij reeds geklapt heeft. Welnu, ik moet mij van hem ontslaan.”Met dit besluit begaf hij zich ter ruste; en daar hij tot die gelukkige menschen behoorde, die alle wereldsche zorgen uit het hoofd kunnen zetten, zoodra zij de veeren ruiken, was hij dadelijk ingeslapen. Hij had echter gelast dat men hem met den dag zou wekken; want hij vermoedde, dat er volk uit Utrecht komen zou, en hij wilde op hunne komst zijn voorbereid. Hij was dan ook reeds, zoodra de zonnestralen de daken van het slot vergulden, in de cel, waar hem vader Syard gevonden had, teruggekeerd.Hij opende het raam: de frissche morgenlucht verkwikte hem: er was een weinig regen gevallen, en van grasplanten en struiken steeg een balsemende geur naar boven: vroolijk zongen de vogels hun morgenlied en loeide het vee in de weide. Hij sloeg thans echter minder acht op het bevallige schouwspel der ontwakende natuur; want zijn gedachten waren geheel verdiept in de berekening der versterking, waarvoor het slot vatbaar was, en van den tijd, welken de vijand zou moeten besteden om het te bemachtigen.“De boel is in een verwaarloosden toestand,” dacht hij, “maar de grachten zijn breed en diep: en de wallen stevig genoeg om den stormram te tarten. Met vijftig man, wèl voorzien van wapenen en eetwaren, kan men het drie weken uithouden tegen vijf duizend:—en zoowel langs den heirweg als langs de rivier allen toevoer beletten. Het buitenpoortje zal nog wat versterkt, en die boompjes aan de overzijde moeten gekapt worden; daar achter kan zich een gansche bende verbergen en veilig de wallen beschieten.... maar ik geloof dat er reeds een vijand achter loert.... is dat niet een menschelijke gedaante, die daar in het gras ligt?—Deze of gene arme landlooper zonder huisvesting, of een dronkaard, die de kroeg wat spade verlaten heeft;—maar neen!” riep hij uit, bij nadere beschouwing een klein voetje bemerkende, dat over het pad lag, eneen lange haarvlecht, die donker afstak tegen de witte kleeding: “dat alles behoort aan een vrouw, misschien wel aan een jonge en schoone vrouw? Hoe komt die hier blootgesteld aan nachtlucht en regen?”Zijn nieuwsgierigheid was opgewekt, en, voegen wij er dit tot zijne eer bij, ook zijn medelijden:—hij riep zijn getrouwen Peter, en ging met dezen buiten het slot.Weldra was hij ter plaatse gekomen, waar hij het voorwerp van zijn aandacht had bespeurd: en hij ontdekte terstond, dat hij welgedaan had met zich zonder verwijl derwaarts te begeven; want een jong meisje, schoon als de dag, maar nauwelijks gedekt en bleek als een doode, lag daar uitgestrekt in het vochtige gras: en ofschoon het flauw en pijnlijk zwoegen van haar boezem aanduidde dat zij nog leefde, een langer verblijf op die koude en vochtige plaats had haar doodelijk kunnen zijn.Bij den eersten opslag meende Arkel, dat hem die trekken bekend voorkwamen; maar daar hij Madzy slechts eenmaal, op het steekspel, en wel in haar schitterenden dos gezien had, herkende hij haar niet, ja was hij er verre af van te vermoeden, dat het bleeke boerinnetje, wier hoofd thans op zijn knie leunde, de Roos van Dekama kon zijn. Hij tilde haar behoedzaam van den grond, droeg zijn lieven last binnen het slot en legde dien, bij gebrek van andere gelegenheid, op zijn legerstede, nadat de oude Peter, door hem vooruitgezonden, die met versch linnen had voorzien. Het was eerst daar, dat Madzy, die tot dien tijd buiten kennis gebleven was en slechts eenige flauwe en onverstaanbare klanken had geuit, het eerste teeken van bewustheid gaf, na eenige teugen te hebben genomen uit een beker met wijn en water, welken Arkel haar met de trouwhartigheid eener oude baker had aan den mond gebracht.“Waar ben ik?” zeide zij, de blauwe oogen opslaande en vervaard om zich heen ziende.“Vrees niets, lieve kleine!” zeide Arkel: “maar drink liever nog eens: gij hebt het koud gekregen daar in ’t natte gras: dek u maar goed toe en het zal wel beter worden.”“Neen, neen,” zeide Madzy, den arm des jongelings afwerende, en pogende op te staan: “hier blijf ik niet?—Waar ben ik toch?—Wie heeft mij hier gebracht?—Waar is vader Syard?”“Vader Syard!” herhaalde de Bisschop: “ja waarlijk! dat meisje spreekt den Frieschen tongval!—Aha!” dacht hij bij zich zelven: “voert de vrome pater zulk gezelschap tot zijn opbeuring mede?—Lief meisje!” vervolgde hij overluid: “gij behoeft ons niet te vreezen: wij hebben het beter met u voor dan vader Syard, of wie het ook zij; want zonder ons zoudt gij nog in het vochtige gras liggen, waar wij u gevonden hebben.”“Het is dan waar,” zeide zij, met wilde blikken in het rond ziende: “ik heb het dan niet gedroomd?—O wat heb ik arm meisje gedaan?—het was ijselijk!—de booze zelf!.... en Reinout!.... maar breng mij toch terug bij.... om Gods wil! zend naar de herberg.... daar is mijn oom.... hij zal ongerust over mij wezen.... zend naar hem.... ik zal u wel beloonen.”“Uw oom!” herhaalde Arkel: “zooeven noemdet gij vader Syard: is die uw oom?”“Noemde ik....? ach God! ik weet niet wien ik noemde.... ik ben ongelukkig;—maar zend naar de herberg.... de waardin weet het.... Waar ben ik toch? O wee!”“Ik zal aan uw verzoek voldoen,” zeide de Bisschop, haar met een vriendelijken blik aanschouwende: “ik zal uw oom gerust doen stellen:—intusschen, dek u warm toe en drink nog eens;—want waarlijk, het is om de koorts te krijgen, zoo een geheelen nacht daar buiten te liggen.”“Ach! ik moet u zeer schuldig en dwaas voorkomen.—Maar God weet het, toen ik den moordenaar zag, was het mij of ik.... o God!”Hier verborg zij snikkend haar hoofd in ’t kussen en begon over al haar leden te beven.“Ik zal uw boodschap laten doen,” zeide Arkel: “stel u gerust, maar wees van uw kant een weinig vertrouwelijk. Zeg mij, wie zijt gij?”“Mijn oom zal u alles zeggen,” hernam de ongelukkige Madzy. “O! laat hem toch weten....”Hier belette haar een nieuwe aanval van beving voort te gaan en Arkel, zelf met haar verlegen, verwijderde zich met den ouden slotbewaarder uit het vertrek. In de groote bovenzaal gekomen, ging hij aan het raam staan en begon, de armen over elkaar geslagen en het hoofd hangende, te overpeinzen wat er te doen stond, en hoe hij best zou handelen. Dit stond echter bij hem vast, dat hij vooreerst niet voldoen zou aan het verlangen van de schoone onbekende, en noch haar oom, noch de kasteleines uit denRoerdompzou laten halen; want de bekoorlijkheden zijner gevangene hadden te veel indruk op hem gemaakt, dan dat hij er aan kon denken, haar weer uit zijn macht te laten gaan; even zoomin als de vos om het konijn te laten ontsnappen, dat in het hol van Reynaert een schuilplaats gezocht zou hebben. Het zal bij onze lezers wellicht verwondering baren, dat Jan van Arkel, op een oogenblik, waarin hij hoofd en handen vol had met de hooge staatsaangelegenheden, waarin hij gewikkeld was, en nu hij door gevaren van allerlei aard bedreigd werd, zich nieuwe zorgen op den hals verkoos te laden, door een minnenhandel, welke zijn toestand nog neteliger maken moest;—ja sommigen zullen wellicht denken, dat hij los genoeg was om zijn hooge ontwerpen aan een paar schoone oogen op te offeren; maar hier was de Bisschop de man niet naar; en voor hem was een liefdesavontuur als dit niet meer dan een verpoozing, dienstig om er voor eenige oogenblikken van zwaardere werkzaamheden bij uit te rusten: en de moeilijkheden daaraan verbonden, lichte bezwaren, welker wegruiming hij slechts als een spel beschouwde. Bovendien bestond er nooit iemand, minder zwaartillend dan hij: en bij het bejagen zijner inzichten steunde hij altijd op het medewerken der omstandigheden, welke hij, alsnog in de jaren der hoop zijnde, zich niet slechts gunstig afschilderde, maar ook doorgaans met eenbehendigheid, den grootsten staatkundige waardig, te zijnen voordeele wist aan te grijpen. Zoo plaatste hij nu voor een wijl al zijn staatzuchtige plannen op den achtergrond, om alleen te denken over de wijze, waarop hij het lieve meisje, dat hem door de goede fortuin in handen gespeeld was, in zijn macht behouden zou. Dat hij een geestelijke en wel een kerkvoogd was, wien het betaamde, zijn kudde met een goed voorbeeld voor te gaan, en dat een betrekking tusschen hem en een jonge deerne even onwettig als onbetamelijk was, dit waren bedenkingen, welke in het minste niet bij hem opkwamen: de gelofte van kuischheid was een dier verbintenissen, wier overtreding bij den toenmaligen zedelijken toestand der geestelijkheid het minste geteld, en, voegen wij er bij, wier overtreding het minst berispt werd; ja het was geen ongewone zaak, prelaten te zien, die erkende minnaressen en erkende basterds hadden en toch daarom niets minder geacht en gezien werden. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen, dat Jan van Arkel nog jong en in de kracht van zijn leven was: dat hij, schoon tot den geestelijken stand opgeleid, echter altijd smaak had blijven voeden voor ridderavonturen: en eindelijk, dat hij een groot gedeelte van zijn leven reizende en buiten alle betrekking had doorgebracht: en het zal niemand verwonderen, dat de mijter en kromstaf zich niet als terugschrikkende teekens tusschen hem en de beeltenis der schoone Friezin kwamen plaatsen.“Peter!” zeide hij eindelijk tegen zijn getrouwen dienstman: “gij hebt gehoord wat die deerne gevraagd heeft?”De oude man vergenoegde zich met een stijven hoofdknik.“Ik ben overtuigd, Peter! dat dit maar ijdele praatjes zijn, om ons om den tuin te leiden. Gij hebt ook wel opgemerkt, dat zij stamelde, en zich meer dan eens versprak?”Peter bevestigde deze aanmerking op dezelfde wijze.“Welnu! gij weet ook, van welk belang het is, dat niemand ons hier zie, dan die hier noodig heeft: en zoo wij aan de herberg de komst van dat meisje ruchtbaar maakten, hadden wij hier weldra het bezoek van al de oude wijven en leegloopers uit het dorp te wachten: en wij zouden ons niet slechts aan ontdekking, maar ook aan bespotting blootstellen.”Het droog gelaat des slotbewaarders nam de scheeve uitdrukking aan van iemand, die door zijn betrekking gedwongen is hetgeen men hem opdringt voor goede munt aan te nemen; doch die wel wil te kennen geven, dat hij zich niet om den tuin laat leiden. Arkel hield zich, of hij dit niet bemerkte en ging op denzelfden koelen toon voort:“Het zou echter strijdig met alle menschelijkheid zijn, dat arme meisje, ’t welk hard ziek schijnt en misschien wel in de hersenen gekrenkt is, de deur uit te zetten; en het zal daarom nuttig zijn, het oogenblik af te wachten, dat zij wat kalmer en bedaarder is, om haar te ondervragen, en zoodoende achter de waarheid te komen; ten einde te ontdekken, hoe wij met haar handelen moeten.”—Hier zweeg hij; Peter zag hem met een open mond aan; alsof hij zeggenwilde: “is dit alles wat gij mij hebt te zeggen?”—Maar de Bisschop had zijn welsprekendheid alleen gelucht om hem van de wijs te helpen en te paaien met een schijnbare reden, waarom hij niet aan het verzoek van Madzy voldeed.“Ga eens zien!” zeide Arkel na eenige oogenblikken zwijgens, “of de oude draagstoel nog bruikbaar is: het kan zijn dat wij dien noodig hebben.”Peter ging na een nieuwe hoofdbuiging de kamer uit: en Arkel, op deze wijze een lastigen getuige verwijderd hebbende, begaf zich weder naar het slaapvertrek. Zijn logeergast echter niet door een onverhoedsche verschijning willende verschrikken, tikte hij zachtjes aan de deur. Geen antwoord ontvangende, herhaalde hij het geklop eenigszins harder; maar wederom zonder vrucht.“Ik ben wel dwaas,” zeide hij bij zich zelven,“zoovele plichtplegingen te maken jegens een boerinnetje, dat mij wellicht niet eens dank zal wijten voor mijn bescheidenheid.”Met deze gedachten opende hij de deur en wendde het oog naar het bed: dit was ledig, en Arkel stond niet weinig verwonderd, toen hij Madzy in een hoek zag zitten, bleek als een doek, en gewikkeld in de beddelakens.“Nader mij niet,” zeide zij, bevende en klappertandende: “ik ken u niet: ik weet niet of uw bedoelingen eerlijk zijn.”“Stel u gerust, lief kind!” zeide Arkel: “het zou schandelijk zijn, indien ik misbruik maakte van uw ziekelijken en hulpeloozen toestand. Ik heb naar het dorp gezonden, gelijk gij mij verzocht hadt, en ik ben bereid u alle diensten te bewijzen, die gij noodig mocht hebben: maar nogmaals, veroorloof mij, uw vertrouwen af te vergen. Gij schijnt geene landloopster te zijn; en echter heb ik u, slechts halfgekleed, en stijf van koude, op den weg vinden liggen, als iemand die geen nachtverblijf had.”Madzy begon op deze vraag nog harder te beven; maar na een teug water genomen te hebben uit een nevens haar staanden beker, herstelde zij zich een weinig en antwoordde:“Ik mag mij aan niemand vertrouwen, tenzij ik wete aan wien. Kwel mij niet met vragen, bid ik u. Ik geloof dat uw bedoelingen goed zijn, doch ik mag waarlijk niets zeggen, zoolang mijn oom niet hier is.”“Is vader Syard uw oom? Gij hebt hem straks genoemd.”“Heb ik hem waarlijk genoemd?—Ach! ik heb de koorts: ik weet niet wat ik gezegd heb.”“Gij hebt hem genoemd,” hernam Arkel, terwijl hij, de overmacht gevoelende, welke hem deze woorden gaven, aan Madzy ontsnapt, en den invloed niet willende verliezen, door deze omstandigheid verkregen, een doordringenden blik op haar vestigde; “en verschoon mij, dit doet mij aan uw oprechtheid twijfelen, vader Syard is mijn vriend: ik heb hem in de verleden week te Haarlem en gisteravond nog hier ter plaatse gesproken:—hij heeft mij niet verhaald, dat hij een nicht bij zich had.”Madzy zweeg en zag sidderend voor zich.“Wel is waar,” vervolgde de onbarmhartige Bisschop: “er waren te Haarlem twee meisjes in zijn gezelschap;—maar de eene was een adellijke Friezin, en de andere haar kamerjuffer.... Zoudt gij eene van beiden zijn?”In den waan, dat de jongeling, die voor haar stond, wellicht een Stichtsch edelman, en haar van dienst kon zijn, begon Madzy over te hellen, om hem eenig vertrouwen te schenken; “ik weet,” zeide zij, “dat vader Syard gisteravond ergens een bezoek wilde gaan afleggen;—waart gij de persoon, tot wien hij zich gewend had?”“Wel waarschijnlijk,” antwoordde Arkel.“Welnu! nog eene vraag! gij hebt hem gesproken, zegt gij. Hoe was zijn gewaad?”“Ik moet zeggen,” zeide Arkel, die al meer en meer begon te bespeuren, dat hij geene gewone boerin voor zich had: “dat zijne vermomming hem meer veranderde dan de uwe, hoe vreemd die ook zij, u veranderen kan in de oogen van al, wie u eenmaal aanschouwd heeft.”“Welnu!” hernam Madzy: “indien gij hem zoowel kent, dan zal hij u ook wel mededeelen wie ik ben.”“Bij Sint-Maarten,” zeide Arkel lachende, ofschoon half knorrig, dat de schoone hem met al haar onschuld nog te slim was: “men zegt wel met grond, dat hij, die een vrouw wil vangen, vroeg moet opstaan. Ik ben met den dag uit het bed geweest: en nog zijt gij mij te gauw. Welaan! ik zal dan eerbiedig wachten, dat het uur van vertrouwen geslagen zij. Ondertusschen, geloof mij, blijf niet in dien hoek zitten beven. Ga gerust in bed en tracht u te verwarmen: het doet mij in de ziel leed, dat hier geene vrouw is om u te verzorgen; maar daaraan is voor ’t oogenblik niets te doen. Ik beloof u plechtig, dat niemand deze kamer zal binnentreden buiten uw verlof.”Met deze woorden maakte hij een koele buiging en wilde vertrekken; maar de zachte stem van Madzy deed hem aan de deur vertoeven.“Ik geloof,” zeide zij: “dat gij mij van ondankbaarheid beschuldigt. Misschien, ja waarschijnlijk, hebt gij mij het leven gered. Wanneer eens dat uur van vertrouwen, waar gij van spreekt, zal geslagen zijn, dan hoop ik u mijn erkentenis te betuigen op een wijze, uwer en mijner waardig.”Arkel verstond deze woorden slechts half; want hij stond opgetogen in verrukking over den engelachtigen glimlach, die er mede gepaard ging, over de bevallige uitdrukking van Madzy’s gelaat, over de hemelschoone oogen, waaraan de koorts een buitengewone levendigheid bijzette, en welke zij, bespeurende met welk een vurigen blik hij naar aanstaarde, zedig neersloeg: en hij had wellicht het gesprek verder voortgezet, had niet het geluid van den hoorn aan de buitenpoort zijn opmerking getrokken. Hij stamelde eenige beloften van verontschuldiging, zeide dat wellicht haar oom daar zijn zoude, en vertrok, de deur weder zorgvuldig achter zich sluitende. Een oogenblik daarna kwam de oude Peter hem berichten, dat ereen vreemdeling met een zwarten mantel voor de poort was, die hem verlangde te spreken.“Ik wacht niemand meer.—Wie kan hij zijn? Wist hij het woord? zoo ja, laat hem dan bij mij;—maar wacht nog een oogenblik:—ik moet op allen overval verdacht zijn.”Dit zeggende haalde hij uit een koffer een mantel, een wassen neus en valschen baard, een samaar, in ’t kort een geheel gewaad voor den dag, gelijk aan dat, hetwelk Barbanera droeg, wanneer hij zijn kunsten vertoonde en waarvan deze een dubbel stel had. Na deze plunje te hebben aangeschoten, gaf hij aan Peter vrijheid den vreemdeling binnen te laten, en plaatste hij zich aan zijn tafeltje in dier voege, dat hij geheel in de schaduw van het raamkozijn zat. Eenige oogenblikken daarna liet Peter Reinout de kamer in en vertrok weder. De Italiaan bleef eenigszins verrast aan de deur staan toen hij de gedaante zag van Barbanera, wien hij zooeven buiten het slot verlaten had. Zijn vermoedens, zoo hij er nog eenige had, waren geheel opgelost.Twee-en-twintigste Hoofdstuk.Het is een krijghmans beê: gy mooght die niet ontzeggen.Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.“Deze vermomming zal u weinig baten, Heer Ridder! of wie gij wezen moogt,” zeide Reinout op een schamperen toon: “het gewaad van den kokeler belet mij niet, mijn bestrijder op het steekspel te herkennen.”“Bij mijn zaligheid!” riep Arkel lachende, terwijl hij neus en baard afwierp: “gij zijt, geloof ik, de brave Ridder, die mij als een dief wilde laten vatten. Welaan! voor u althans zou ik mij schamen een vermomming aan te houden.—Misschien komt gij mij rekenschap vragen van mijn gedrag: en ik beken, dat ik u wat onbeleefd van ’t paard gesmeten heb; maar, wat zal ik zeggen? gij drongt mij zoo nauw op ’t lijf: en ik had gewichtige redenen om onbekend te blijven.”“De reden van mijn bezoek is tweevoudig,” zeide Reinout “in de eerste plaats kom ik mijn paard terugeischen.”“Uw paard,” zeide Arkel, eenigszins donker kijkende: “bij Sint-Maarten! ik heb het hoogst noodig: en ik heb het eerlijk aan den man betaald:—maar verder! wat begeert gij nog?”“Omstandigheden, wier verhaal hier te lang zoude ophouden, hebben mij genoodzaakt, den dienst des Graven te verlaten. Ik wil mij onder de banieren der Stichtschen scharen.—Men heeft mij gezegd, dat gij mij daarin zoudt kunnen van dienst zijn.”“Ik! wie is de ekster, die dat geklapt heeft?” vroeg Arkel, met eenige drift.“Iemand, die uw vertrouwen schijnt te bezitten, de kokeler Barbanera.”“Ziedaar een waardigen vertrouweling, dien gij mij toekent,” zeide de Bisschop met bitterheid.“Mij dunkt, het is zoo vreemd niet, daar gij beiden ééne kleerkas hebt,” hernam Reinout meesmuilende.“Wij zullen zien.—Heeft Barbanera u ook geleerd, op welke wijze men toegang bekomt tot dit slot?”“Zoo is ’t!—maar wees daarom niet ontevreden op een getrouwen dienaar: hij wist dat ik u spreken wilde: en hij gaf mij daarom de middelen aan de hand om u in stilte te spreken en een opschudding te vermijden, welke u onaangenaam ware geweest.”“En,” vroeg de Bisschop, haastig: “heeft die getrouwe dienaar u nog meer verhaald?”“Veel, wat mij zelven betreft: niets wat u aangaat.”“Zoo!—en uw naam....?”“Was tot nog toe Rinaldo van Verona: welhaast hoop ik er een anderen te voeren.”“Inderdaad!—en gij wilt dienst nemen bij de Stichtschen?”“Misschien!—dat zal van de voorwaarden afhangen.”“Gij verlaat den dienst van Graaf Willem, den meester aller soldaten,” zeide Arkel, op een toon, die niet vrij was van spotternij: “om uw arm te leenen aan een hoop luie monniken en dikgebuikte schepenen?”“Den Bisschop wil ik behulpzaam zijn.”“En weet gij, of de Bisschop, die in verre landen is, den gang der zaken goedkeurt?”“Ik weet het,” antwoordde Reinout, “zoo goed als iemand het weten kan, die het uit zijn eigen mond vernomen heeft.”Dit beweren kwam Arkel een weinig gewaagd voor; want hij herinnerde zich niet, ooit ergens dan op het steekspel van Reinout te hebben gezien of gehoord. Hij vergenoegde zich dus met op een koelen toon te zeggen: “gij kunt des Bisschops meening niet kennen: want ik heb goede redenen te gelooven, dat gij zijn persoon niet kent.”“Ik ken ten minste,” zeide Reinout, hem scherp aanziende: “het hooge voorhoofd en den valkenblik der Arkels, ’t zij een monnikskap, een ridderhelm of eene kwakzalversmuts die bedekke.”“Ongelukkige!” riep Arkel uit, de hand aan zijn dolk slaande: “gij kent den leeuw en gij durft u wagen in zijn hol?”“En waarom niet, indien ik mij evenals hij voor de jagers verbergen moet?—maar steek vrij uw dolk op:—van mij hebt gij geen verraad te vreezen. Ik heb uw geheim bewaard, toen ik uw gesprek met den monnik van Sint-Odulf beluisterd had, ofschoon ik toen nog aan den Graaf getrouw was: en ik zal het thans niet verklappen, nu ik zijn dienst heb afgezworen.”“En wie waarborgt mij,” vroeg Arkel, “dat gij niet morgen mijne zijde zult verlaten?”“De Graaf begeert mijn hoofd. Waant gij, dat ik geneigd ben, hem dat te brengen?”“Die lust moet dan spoedig bij hem zijn opgekomen; of gij hebt het erg verbruid; want eergisteren nog waart gij zijn getrouwe medekamper:.... maar zacht! waart gij het niet, die een anderen Ridder, uw boezemvriend, gelijk ik vernam, tot een strijd uitdaagde op leven en dood?”Reinout verbleekte en beet op de lippen. “Hij was mijn boezemvriend,” zeide hij met een weifelende stem: “maar het heeft zoo moeten zijn. Zie deze vlekken,” vervolgde hij, zijn mouw toonende: “het is het bloed van Deodaat, mijn wapenbroeder.”“Ik hoop dat het in open kamp was,” zeide Arkel: “intusschen, ik beklaag u beiden; zulk een overwinning moet even zwaar vallen als de nederlaag.”Op dit oogenblik trad, zeer gelukkig voor Reinout, de oude Peter binnen en meldde zachtjes den kokeler bij zijn meester aan.“Ik zal bij hem komen,” hernam de Bisschop: “welaan!” vervolgde hij tot Reinout: “uw mannelijke uitdaging heeft mij getoond, dat gij een rechtschapen Ridder zijt, en als zoodanig mijn vertrouwen waardig. De tijd spoedt voort: en ik heb nog veel te verrichten. Gij vergezelt mij nog heden naar Utrecht. Wij zullen onderweg ons gesprek vervolgen. Wees zoo goed, mij zoolang in de zaal te wachten.”Met het uiten dezer woorden vertrok hij, de deur zorgvuldig achter zich sluitende. “Ofschoon ik,” zeide hij bij zich zelven, “veel vertrouwen stel in ’s Ridders eerlijkheid, hecht ik nog grootere zekerheid aan een goeden sleutel.—Aha! meester Barbanera, loopt gij op deze wijze met mijn geheimen te koop? Bij Sint-Maarten! wij zullen zorgen, dat uw geklap niemand meer hindere.”Beneden aan de trap gekomen, vond hij Barbanera en wenkte dezen, hem in een zijvertrek te volgen.“Hebt gij tijdingen?” vroeg hij hem, in zuiver Italiaansch: “dat gij ons zoo vroeg reeds de eer van uw bezoek verschaft?”“Ik kwam de bevelen van uwe Hoogwaardigheid vernemen,” zeide de kwakzalver: “en daar de Stichtsche benden hier weldra zijn zullen, achtte ik het plicht, dat intijds te doen.”“En was het ook plicht,” vroeg Arkel, op een strengen toon: “onze geheimen toe te vertrouwen aan dien windbuil, die mij zooeven is komen opzoeken?”“Ik heb hem niets toevertrouwd,” zeide Barbanera: “hij wist reeds alles: en daar ik vreesde, dat hij babbelen mocht, achtte ik het voorzichtiger hem in uwe handen te leveren.”“Gij hadt mij ten minste kunnen waarschuwen,” zeide Arkel: “maar hoe kent gij den knaap?”“Ik ken hem beter, dan hij althans gisteren zich zelven nog kende: en dit is zeker, dat hij u van dienst kan zijn. Wat zoudt gij wel geven, Hoogwaardigste! om in Friesland een vermogenden vriend te bezitten, op wiens erkentenis gij zoudt kunnen staat maken?”“Dit ware een goede aanwinst,” zeide Arkel, “maar wat heeft dit met dien Reinout te maken? In welk verband....”“Welnu!—Zoo die Reinout eens de zoon ware van den Heer van Aylva?”“Welke zotte vertelsels zijn dat?—Die Ridder is een Italiaan, zooals gij.....”“Juist! van moederszijde; maar ik kan hem de bewijzen in handen leveren, dat hij de zoon des Frieschen Oldermans is:—wat dunkt u dat dit geheim waardig is?”“Dat geheim is goud waardig,” zeide de Bisschop: “hebt gij het hem reeds medegedeeld?”“Zooveel als noodig was, ja;—maar u wil ik de bewijzen ter hand stellen, opdat gij er de vruchten van inoogst.”“Zeer onbaatzuchtig voorwaar!” zeide Arkel: “maar vermoedelijk wilt gij mij het geheim verkoopen, omdat Reinout de middelen niet bezit om het u te betalen?”“Het ware zeker onbillijk,” zeide Barbanera, “dat ik de tafel voor uwe Hoogwaardigheid bereidde, en geen kruimpje voor mij zelven overhield.”“Recht zoo, voortreffelijke Barbanera! dan, ik heb nog een dienst van u te vergen. Hierboven ligt een jong meisje, dat wellicht de hulp van een geneesheer noodig heeft.”“Is het garnizoen versterkt?” vroeg de kokeler, meesmuilende.“Zwijg, en ga bij haar. Onderzoek eenvoudig, of zij ziek is, ja dan neen:—geene van uw kwakzalverskunsten. Zie slechts, of zij in staat is, de reis naar Utrecht te ondernemen.”Barbanera zweeg en volgde zijn meester tot voor het vertrek van Madzy. Deze, zich vleiende, vader Syard te zullen zien, haastte zich, den kokeler, toen deze aanklopte, te verzoeken van binnen te komen, maar zij zag verbaasd op, bij het beschouwen van een onbekend gelaat; want, gelijk men zich herinneren zal, zij had Barbanera nooit gezien dan aan Elskens ziekbed, waar hij zijn wassen neus voorhad.“Lieve kind!” zeide de kokeler: “il signor castellanoebbe mij tot u gezonde. Hij is overla vostra sanitábekommerd, en eef mij,il suo medico, verzocht u al die hulp toe te breng, welkela mia arteverschaffen kana voi.”Zonder erg te denken, stak Madzy den geneesheer haar blanke hand toe en vroeg hem, wie de edele Burchtvoogd was, onder wiens dak zij zich bevond.“Non lo sapete?” vroeg Barbanera: “bene! hij zal wil ebbe selfil piacerevan u bekend te maak metil suo nome.... ma per Dio!” riep hij uit, terwijl hij haar meer aandachtig beschouwde: “ikke u ook eb kezien,un’ altra volta: ikke fraak moet:il signor castellano, wete hij, wie isse gij?”“Wat meent gij?” vroeg Madzy, eenigszins onthutst: “ik versta u slechts half.”“Gij hebtla febbre, de koortse,” zeide Barbanera, opstaande, en Madzy’s hand latende varen: “maarvien dall’ agitazione, dal freddo: niet is pericolòsa ’il viaggio non può farvi male.”Met deze geruststellende uitspraak rees hij op, en Madzy in onzekerheid latende, keerde hij bij zijn meester.“Welnu?” vroeg deze: “is zij in staat een reis te doen?”“Ja; maar zij heeft geen kleeren genoeg. Wil ik om de hare zenden?”“Zoo dit ongemerkt geschieden kan, ware het niet kwaad; want ik vrees dat hier gebrek aan plunje is.”“Maar,” hernam de kokeler: “kent uw Hoogwaardigste het meisje, dat daar in de kamer ligt?”“Zoo ik mij niet bedrieg, is zij een Friezin, een nicht van pater Syard, of zoo iets.”“Alles behalve: het is een Friesche Jonkvrouw van adellijken huize, de bruid van Seerp Van Adeelen, Madzy Dekama.”“Gij raaskalt. Hoe zou een Friesche Jonkvrouw van adellijken huize hier in ’t gras komen te liggen?”“Ik weet het niet. Zooveel is zeker, dat ik haar terstond herkend heb, en dat....”Hier werd zijn rede gestoord door een herhaald hoorngeschal aan de buitenpoort.“Daar schijnt haast bij te wezen,” zeide Arkel, zich voor een kijkgat plaatsende, vanwaar men op den buitenmuur en op de laan zag: “bij alle duivels! daar is uw trouwe Hans, zoo rood als een kalkoensche haan, die ons zeker de komst der Stichtsche benden komt melden.... en ginds zie ik een paar wapenknechten de laan afkomen, zeker om bezit van het kasteel te nemen:.... en wat verder komt vader Syard in eigen persoon.... juist op gelijke afstanden, als de drie boden in de schilderij van den vromen Job. Ik had heden ten minste zes hoofden noodig;—maar alles met overleg! en wij zullen, den eenen voor, den anderen na, wel helpen. Ho! Peter! laat slechts één persoon te gelijk in!”Peter, die aan de overzijde der valbrug stond, gehoorzaamde aan den gegeven last, en het poortje voor den hansworst openende, sloeg hij het weer dicht voor den neus der Stichtsche wapenknechten.“Heer Ridder!” riep Daamke, zoodra hij Arkel zag (wiens waren naam hij niet kende): “daar zijn de Stichtenaars en komen het kasteel bezetten. Hun bevelhebber is, naar ik hoor, Wouter van IJselstein.”“Onbekend, Goddank!” zeide Arkel: “welk een slag van een man is hij?”“Een jonge, ruwe gast, naar mij toeschijnt,” antwoordde Daamke.“Voortreffelijk! dan is er geen kwaad bij. Ga spoedig, met Barbanera, mijn twee dienaars roepen, en laten zij zich wapenen. Hei! Peter! ontsluit de poort voor de hoplui;—maar laat al wie verder komt tot nader order wachten.”De poort ging weder open, en Wouter van IJselstein trad met een ander hopman binnen. Peter geleidde hen met alle deftigheid naar het zij vertrekje, waar Arkel gezeten was.“Zijt gij de slotbewaarder?—of welke betrekking vervult gij hier?” vroeg IJselstein op een hoogen toon aan den Bisschop.“Met uw verlof”, zeide Arkel, terwijl hij zonder op te staan, den vrager van ’t hoofd tot de voeten beschouwde: “wie zijt gij zelf, die mij hier vragen komt doen?”De bevelhebber scheen eenigszins verrast door deze fiere toespraak; gelijk het meer gebeurt aan lieden, die een hoogen toon voeren, wanneer zij iemand vinden, die hen staan durft. Hij geraakte verlegen, en zag zijn makker zijlings aan.“Welnu!” vervolgde Arkel, die zich als een kind vermaakte met de bedremmelde houding des hopmans: “ben ik u geen antwoord waardig? komt gij hier alleen binnenstuiven om weer terug te keeren als een schaatsenrijder, die de baan ten einde gereden is?”“Wij komen hier,” antwoordde IJselstein, die zijn stoutmoedigheid had teruggevonden, “om het slot te bezetten in naam van het Bisdom van Utrecht.”“Ik ken hier niemand dat recht toe,” antwoordde Arkel, “dan den Bisschop, mijnen Heer en den uwen. Hebt gij een lastbrief, door hem geteekend?”“Vriend!” zeide IJselstein: “zoo gij een dienaar des Bisschops zijt, zult gij weten, dat hij bij zijn vertrek zijn gezag aan de Kapittels heeft overgedragen, uit welker naam ik spreek.”“De Kapittels mogen vrij over kerkelijke aangelegenheden beschikken,” hernam Arkel, die er genoegen in vond, den hopman in de war te brengen, en tevens naricht zocht te bekomen omtrent sommige punten, waarin hij belang stelde: “maar zij hebben niets met des Bisschops bijzondere eigendommen te schaffen. Hier ben ik meester, tot zoolang zijn Hoogwaardigste terugkeert.”“Dit slot is gebouwd tot dekking der grenzen,” zeide IJselstein: “en daar men eerstdaags oorlog met Holland verwacht, zoo heeft men begrepen, hier inlegering te zenden. Gaan de Kapittels hunne macht te buiten, zij mogen zulks aan den Bisschop verantwoorden: ik volg mijn last, en zal dit slot bezetten met mijn volk, zonder uw verlof te vragen.”“Vergeet niet,” zeide Arkel, met een verachtelijken glimlach: “dat uw volk hier nog niet ingetrokken is. Voor ’t oogenblik ben ik nog niet in uwe macht: gij zijt in de mijne.”IJselstein zag beurtelings den Bisschop en zijn makker aan. Men had hem binnen Utrecht verzekerd, dat er zich niemand op het slot bevond dan een oude dienaar: en hij stond verbaasd, een man te vinden, die als meester sprak.“Hoe nu!” vervolgde Arkel, “zijt gij de brave borst, die dit kasteel tegen de Hollanders verdedigen moet? en de bloote stem van een wapenloozen man doet u beteuterd staan, ofschoon gij met u beiden, en in ’t harnas zijt?”“Mijn Heer! wie gij ook wezen moogt,” zeide IJselstein, met fierheid: “weet, dat ik voor geen vijand sidder: en dat, zoo uwe woorden een beleediging insluiten, ik gereed ben, mij met u in besloten kamp te meten, waar gij goedvindt, alles ingevalle gij uit adellijk bloed gesproten zijt. Maar ik beken, ik sta versteld, hier iemand aan te treffen, die uit de hoogte tot ons spreken durft, en de macht der Kapittels in twijfel trekken.”“Zoo! nu spreekt gij als ’t betaamt,” zeide Arkel: “hoor! ik laat mij wel vinden. Dezen namiddag kunt gij met uw volk hier binnentrekken,want ik ben verantwoord, zoodra gij met overmacht aankomt; maar het moet mij vergund wezen, voor dien tijd mijn zaken behoorlijk in orde te brengen.”“Ik heb bevel,” zeide IJselstein, “geen oogenblik te vertoeven met het bezetten van het kasteel.”“Zeer wel,” hernam Arkel: “maar het schikt mij nu niet, het u terstond te leveren; gij kunt uw volk gaan halen; maar dan breek ik de bruggen af en gij komt er toch niet spoediger binnen. Stem dus liever goedschiks in mijn voorslag.”“Wie zijt gij toch?” vroeg IJselstein, hem met verbazing aanstarende.“Wie ik ben doet niets ter zake. Neemt gij mijn voorslag aan, ja of neen?”De beide hoplieden zagen elkander een poos besluiteloos aan, maar gaven eindelijk hun toestemming.”’t Is wel, mijn makkers! Na den middag kunt gij hier vrij den meester komen spelen. Vaart nu wel.—Peter! leid die hoplieden uit en laat den huisman binnen, die aan de poort staat.”“Victorie!” riep hij Barbanera toe, die hem na het vertrek der hoplieden naderde: “had ik een greintje beleefdheid gehad, die gansche bende ware reeds op ons dak;—maar ik heb hem de tanden laten zien, en de wolf zal niet in de kooi komen, voor de schapen er uit zijn. Hoor eens, Barbanera! die vrome monnik daar komt zijn Friesche Jonkvrouw zoeken; maar ik heb andere voornemens met haar; ik zal hem met een kluitje in ’t riet zenden: wacht gij hem af, wanneer hij zich verwijdert: beloof hem zijn Friezin terug en sluit hem onder ’t een of ander voorwendsel in de kelders van het slot.”“Hoogwaardigste!” zeidede kokeler, verbaasd.“Welnu! hebt gij mij niet verstaan? Vader Syard verraadt mij: en ik moet hem eenigen tijd afgezonderd houden;.... maar,” voegde hij er bij, als bedacht hij zich: “waar zijn uw bewijzen, dat die Reinout de zoon is van den Heer van Aylva.”“Dat geheim is goud waard,” zeide Barbanera: “en ik ben de eenige, die er van bewust is....”“Welnu!” zeide Arkel, een goudbeurs uithalende: “haast u: er is weinig tijds over, en zoo ik thans het geheim niet weet, zal het mij niet baten.”“Ziehier,” zeide de kokeler, de beurs aannemende, “den brief, waarmede Bianca di Salerno haar zoon aan Carlo della Scala vertrouwde:—en hier den ring, dien Aylva aan zijn echtgenoote schonk.—Het overige is Reinout bekend.””’t Is wel,” zeide Arkel, den ring en het geschrift bij zich stekende: “zeg nu aan Peter, dat hij den monnik binnenlaat.”Barbanera vertrok. “Sic vos non vobis!” dacht hij bij zich zelven: “de Bisschop zocht mij te verschalken en zelf den prijs voor het geheim in te oogsten; ik dorst hem de bewijsstukken niet weigeren:—hij had mij vermoord;—gelukkig heeft hij het beste stuk niet, morgen trek ik naar Den Haag, verhaal aan Graaf Willem, wat de vrome Jan van Arkel brouwt, ontvang een goede belooning, enzorg dat de Olderman daarna alleen door mij onderricht worde, wie zijn ware zoon is.”Met deze gedachten zette hij zich onder aan de trap, zich verheugende over de toekomstige belooningen, die hij verwachtte. De ongelukkige dacht weinig, dat zelfs het goud, zooeven ontvangen, hem van geen dienst meer zijn zoude.“Welnu! mijn waarde Pater!” zeide Arkel, zoodra vader Syard in zijn tegenwoordigheid stond: “hebt gij al eens over mijn voorstellen nagedacht? Hoe nu! geen antwoord! wat is er gebeurd? Uw oogen staan zoo verwilderd: uw gelaat is bleek als dat van een doode.”“Hoogwaardigste!” zeide de monnik: “ik bevind mij in de uiterste verlegenheid. Ik had mij belast, om Jonkvrouw Madzy Dekama, welke de Graaf van Holland in het klooster te Rijnsburg wilde plaatsen, door het Sticht heen, naar Harderwijk te brengen, waar de Heer van Aylva haar wacht,.... en zij is dezen nacht uit de herberg verdwenen.”“Gij verwondert mij,” zeide Arkel: “het was ook geene taak, passende aan een man van uwen stand en jaren, een jong meisje tot leidsman te strekken.—Maar wat kan ik daaraan doen?—ik ben geen omroeper.”“O, wees edelmoedig, Heer Bisschop! ik ben een ijdele dwaas geweest. Ik heb gesteund op eigen krachten en ben beschaamd gemaakt. Maar wees grootmoedig! Gelast dat men haar zoeke. Zij moet hier ergens schuilen.”“Mijn waarde Pater!” zeide Arkel op een deelnemenden toon: “ik ben hier geen meester. Wend u tot Wouter van IJselstein, die de Stichtsche benden aanvoert; klaag uw nood aan den Baljuw; dan hebt gij de burgerlijke en de gewapende macht op uwe hand.”“En gij, zijt gij niet de Heer, het hoofd van beiden?” zeide de monnik met waardigheid. “Eén woord van uw mond en ik kan vrucht van mijn nasporingen verwachten. Weigert gij mijn verzoek, dan stoot ik overal het hoofd.”“Gij zoudt dus verlangen, dat ik, om een weggeloopen deerne, mijn voornemen verzaakte en de vermomming afleidde, die ik zoo moeizaam bewaard heb?”“Gij zult die toch niet lang meer kunnen bewaren; men is op het dorp reeds nieuwsgierig. Men wil weten, wie de vreemde Ridder is, die het slot betrokken heeft. Men voedt argwaan.... en al had men dien niet, uw eer, uw plicht gebieden....”“Monnik!” zeide Arkel op een strengen toon: “wilt gij mij mijn plicht leeren?”“Ja! dat moet ik, wanneer gij dien vergeet. Een kerk, als die van Utrecht, een welvarend land als het Sticht, moeten niet opgeofferd worden aan de dwaze grillen van ijdele staatzucht. Ik terg mogelijk uw gramschap; maar uw hart is te groot, te edel, om langer de rol vol te houden, die gij ter kwader ure gekozen hebt, die de omstandigheden voor een poos konden wettigen, maar die thans onbetamelijk, ja onstaatkundig wordt. Wees u zelf weer. Treed als een waardig kerkvoogd voor den dag en handel, gelijk het belang vande kerk en van den grond, dien gij beschermen moet, u gebieden.”“Wij spraken over het schoone Friezinnetje, dat gij met u voerdet,” zeide Arkel op een ijskouden toon.Vader Syard zag den Bisschop met zooveel ernst in de oogen dat deze, hoe hij ook altijd meester over zich zelven bleef, niet nalaten kon, die innige gewaarwording van onrust te gevoelen, welke den schuldige treft, wanneer hij den blik van een eerlijk man ontmoet. Hij begreep dus, het onderhoud te moeten afbreken, en zich in zijn zetel werpende: “Pater!” zeide hij: “ga uwe litaniën elders zingen: mijn tijd is te kostbaar om die aan te hooren.”“Gij hebt gelijk,” zeide de monnik: “en elk oogenblik dat ik hier langer blijf is voor mij verloren. Heer Bisschop! vaarwel! ik ben slechts een arme monnik; maar God weet het, ik wilde niet met u ruilen.”Met deze woorden verliet hij het vertrek. Aan de benedentrap gekomen, hoorde hij zich op eens bij zijn naam noemen: hij wendde het gelaat om en zag onder een donker afschutsel iemand staan, die hem wenkte te naderen.“Wat wilt gij? wie zijt gij?” sprak de monnik: “mijn oogenblikken zijn kostbaar.”“Piano! stille!” zeide Barbanera: “gij zoeke laSignoraDekama, isse so niete?”“Hebt gij eenig naricht van haar?” vroeg de monnik, haastig naar hem toetredende.“Zij isse hiere,nella potestà del signore Vescovo,” hernam de Italiaan: “hij eeft aar doen wegpak.”“Die onverlaat! ik moet naar hem toe!”“Pianodan!Silenzio! kom iere: ikke sal u brenk pij aar.Datemi la mano: is ier donkere.”Dit zeggende, trok hij den monnik met zich mede in den kelder, aan wiens ingang hij zich bevond.“Blijf mij ier wakte,” zeide hij: “ik zal kaan haalla Signora.”“Blijft er beiden wachten, tot het jongste bazuingeschal er u uitroept,” zeide Arkel, die den monnik beneden gevolgd was: en hij sloeg de kerkerdeur met geweld dicht: “Ziezoo!” zeide hij: “daar zijn er ten minste twee, die mij vooreerst niet zullen hinderen.”Vervuld van deze geruststellende gedachte, stapte hij de donkere gang weder uit, en zag den hansworst, die onder de hand eens naar het dorp geweest was, met een pak onder den arm en meester Cezar op den schouder, over de brug aankomen.“Nog een bondgenoot,” dacht Arkel, “die uit den weg geruimd moet worden:—intusschen wil ik mij niet te ras van alle nutte werktuigen berooven. Die knaap weet niet wie ik ben; althans zoo Barbanera het hem niet verteld heeft.—In allen gevalle kan hij mij nog van dienst zijn. Ik geloof niet, dat hij verstand genoeg heeft om mij kwaad te doen.—Hola ho! meester Hans! wat brengt gij voor goeds?”“Zoo ik niets goeds breng, breng ik althans goed,” zeide Daamke: “meester Barbanera heeft mij ingefluisterd, dat ik ongemerkt dekleeren van die weggeloopen deerne moest buitmaken en hier brengen. Ik heb van de drukte, die er aan denRoerdompis, gebruik gemaakt, en hier is de buidel.”“Voortreffelijk;—maar wat is dat juweel, hetwelk uw broeder in de hand houdt?”—Dit zeggende wees hij op een schitterend kleinood, daar Cezar mede speelde.“Bij mijn zolen!” zeide de hansworst: “dat schijnt wat fraais. Hier Cezar! voor den dag er mede.”Maar de aap scheen niet genegen, zijn buit aan zijn meester af te staan. Hij schudde den kop, zag Arkel en Daamke beurtelings grijnzende aan, klemde het kleinood tegen de borst en poogde te ontsnappen. Eindelijk werden zijn beide tegenpartijders het pronkstuk meester, en nu zag Arkel duidelijk, dat het een gouden haarnaald was van een kunstig maaksel, waaraan een kostbare parel hing.“Hoe komt het juweel in de handen van dat dier?” vroeg Arkel met bevreemding.“Vermoedelijk heeft hij het buitgemaakt in het vertrek, waar de Jonkvrouw geslapen heeft, die hedenmorgen verdwenen is.”Een snel denkbeeld, hetwelk hij terstond met welgevallen aangreep, kwam den Bisschop als een lichtstraal voor den geest. “Dit juweel,” zeide hij, “kan mij van dienst zijn! Hier meester Daamke! neem het terug, bestijg uw ezel, rijd naar Harderwijk:—daar zult gij de Friesche afgevaardigden vinden, wachtende op de Jonkvrouw en op vader Syard. Verhaal hun, dat beiden in handen van den Graaf zijn gevallen, dat gij dit gezien hebt, dat zij met u gesproken heeft, u verzocht heeft, dit aan haar naastbestaanden te melden, en u dit juweel ter belooning geschonken heeft: zeg hun, dat zij hen smeekt, haar hoon te wreken. Ga! een treffelijk loon wacht u, indien gij mijn bevel met beleid en spoed ten uitvoer brengt.”“Maar,” zeide de hansworst, hem met wijdopgespalkte oogen aanziende: “’t is met dat al immers niet waar?”“Om ’t even,” antwoordde de Bisschop: “wat gaat u dat aan? Is uw geheele leven niet een logen? Liegt gij niet op alle markten en kermissen, dat de steenen er van zweeten?”“Nu ja,” zeide Daamke: “dat brengt mijn beroep mede en ieder gelooft er het zijne van; maar of nu dat Friesche volkje zich door een praatje om den tuin zal laten leiden, dat is nog de vraag: en die Seerp Van Adeelen draagt een broodmes op zijde, waar ik ongaarne kennis mee zou maken.”“Zot! zij zullen uw verhaal evengoed slikken als de zoete koek, die zij bij de kaas gebruiken. Het staat aan u, uw verhaal met zulke versieringen te omkleeden, dat zij u wel zullen moeten gelooven. Ik heb u immers meer gehoord en weet, hoe geestig gij een vertelling weet op te smukken.”Niemand is er op aarde, hetzij dan vorst of hansworst, of hij is gevoelig voor vleierij: en Daamkes eigenliefde vond zich dan ook door Arkels laatste woorden zoodanig gestreeld, dat hij de hem opgedragen boodschap aannam en zich verwijderde.De Bisschop, na alvorens eenige woorden met den getrouwenPeter te hebben gewisseld, betreffende de wijze, waarop deze de gevangenen moest behandelen, begaf zich naar het vertrek van Madzy, die zich opnieuw in haar verwachting teleurgesteld vond, toen zij, in stede van den monnik, haar gastheer terugzag, wiens koel en ernstig wezen weinig goeds beloofde.“Meisje!” zeide hij, op een langzamen, indrukwekkenden toon: “ik heb naar de herberg gezonden: maar men weet daar evenmin als hier, waar de man gebleven is, dien gij zegt, dat u vergezelde. De kasteleines kan niets tot uw voor- of nadeel getuigen: zij beklaagt zich alleen, dat gij bij nacht en ontijde haar huis verlaten hebt. Hier zijn uw kleederen, welke zij u terugzendt.”Met deze woorden overhandigde hij haar het pakje, dat Daamke had medegebracht.“Helaas!” zuchtte Madzy, met angstig handenwringen: “moet ik dan zoo miskend worden? o! ik smeek u, edele Heer! laat mij van hier gaan. Mijn paard staat aan de herberg: ik zal een wegwijzer nemen—maar ik moet weg:—mijn maagschap zal ongerust over mij wezen.”“Gij zult gaan waarheen gij wilt,” zeide Arkel op een onverschilligen toon: “doch alleen laat ik u niet vertrekken. Het dorp is bezet en de weg vol krijgsvolk: een reis door het Sticht zou, voor een meisje alleen, gevaarlijk zijn. Gij zijt bovendien ongesteld en de arts verbiedt alle zware beweging. Maar ik heb u een anderen voorslag te doen. Het is mijn voornemen van hier te gaan; en zoo onze wegen niet te ver uit elkaar loopen, wil ik u gaarne naar het doel uwer reis voeren: een gemakkelijke draagstoel is tot uw dienst: en zoo gij niet gezien wilt wezen, zal u ook daartoe de gelegenheid verschaft worden.”Madzy zag Arkel aan, terwijl hij sprak, als wilde zij in het binnenste zijner ziel lezen. Zijn woorden schenen verstandig: zijn aanbod was, in de omstandigheden, waarin zij verkeerde, hoogst aannemelijk: zij had des te minder aanleiding hem te mistrouwen, wegens de koele beleefdheid waarmede hij haar behandelde: en toch lag er in zijn toon en houding iets opgesloten, dat haar, zij wist zelve niet waarom, onwillekeurig huiveren deed. Zoo zeker is het, dat het bedrog, hoe listig het ook achter het masker der waarheid schuilen moge, altijd een kleur behouden blijft, welke heenschijnt door het vernis, waarmede het omtogen is, moeilijk te verbergen is voor het oog der rechtschapenheid, en evenmin kan weggenomen worden als de lucht der verdorven spijs, hoe ook met specerijen vermengd.Arkel bemerkte den twijfel, welke Madzy omtrent de oprechtheid zijner bedoelingen scheen te koesteren. “Misschien,” zeide hij, “vreest gij u aan het geleide toe te vertrouwen van iemand, die u nog onbekend is. Gij zijt meesteres van te handelen zooals gij begeert. De hemel beware mij, uw vrijheid in ’t minst te belemmeren. Zoo gij het verlangt, zal een mijner dienaars u naar het dorp terugvoeren: maar ik herhaal u, gij zult het vol krijgslieden vinden. Wat meer zegt, eer een paar uur verloopen zijn, zal ook dit kasteelbezet worden. Zoo gij daarentegen in mijnen voorslag stemt, zult gij de bescherming genieten van den Ridder met den Rooden Adelaar, wiens wapenfeiten op het steekspel te Haarlem u misschien ter oore zijn gekomen.”“Hoe!” zeide Madzy, verrast: “zijt gij die Ridder, door wien Reinout van Verona van ’t paard geworpen werd en die....”Hier zweeg zij eensklaps; want zij voelde dat zij zich versproken had, en, zich de beschuldiging van paardendieverij herinnerende, vreesde zij te veel gezegd te hebben.“Die ben ik,” zeide Arkel: “en gij, zijt gij niet de edele Jonkvrouwe van Dekama, wier weergade niet gevonden werd onder al de schoonen, die op het feest aanwezig waren?”Madzy verbleekte. “Ridder!” zeide zij: “gij hebt mij herkend; o! bij al wat heilig is, maak geen misbruik van hetgeen u een toeval heeft doen weten.”“Kon men u miskennen, na u eenmaal gezien te hebben?” zeide Arkel, den hoffelijken toon hernemende: “wel is waar; ik wilde in den aanvang mijn oogen niet gelooven; want ik kon niet beseffen, hoe de schoone erfdochter van Dekama in boerengewaad op den gemeenen weg zou liggen.”“Ik reken,” zeide Madzy, “dat ik het aan mijn eer verplicht ben, u de omstandigheden te verhalen, welke aanleiding gegeven hebben tot mijn komst in dit kasteel.”Hierop gaf zij hem een beknopt verslag van de redenen, die haar genoopt hadden in vermomming het Sticht te doorreizen, en van hetgeen haar in ’t holle van den nacht de herberg had doen ontvluchten. Arkel wist de verschijning van den boozen geest, dien zij waande gezien te hebben, niet anders dan aan een spel van haar verbeelding toe te schrijven; maar des te beter kon hij haar ontmoeting met Reinout oplossen. Hij verzweeg haar echter de aan wezigheid van dezen laatste op het slot, maar wist door een paar vragen behendig uit te vorschen, om welke redenen die Ridder des Graven dienst verlaten had.

Soete meysken, dat verslagenDus beroyt loopt en ontkleet,Ick moet v hier eenmael vragen,Wat is de oorsaeck van v leet?Meysken segt my toch de reden,Wie ghy syt en hoe ghy heet.D. Pietersz. Pers.

Soete meysken, dat verslagenDus beroyt loopt en ontkleet,Ick moet v hier eenmael vragen,Wat is de oorsaeck van v leet?Meysken segt my toch de reden,Wie ghy syt en hoe ghy heet.

Soete meysken, dat verslagenDus beroyt loopt en ontkleet,Ick moet v hier eenmael vragen,Wat is de oorsaeck van v leet?Meysken segt my toch de reden,Wie ghy syt en hoe ghy heet.

Soete meysken, dat verslagen

Dus beroyt loopt en ontkleet,

Ick moet v hier eenmael vragen,

Wat is de oorsaeck van v leet?

Meysken segt my toch de reden,

Wie ghy syt en hoe ghy heet.

D. Pietersz. Pers.

De vermoeienissen van den vorigen dag hadden vader Syard, toen deze eindelijk ingesluimerd was, in zulk een vasten slaap gestort, dat hij niet, gelijk hij gehoopt had, met het aanbreken van den dag, maar zelfs later dan gewoonlijk ontwaakte, en bij zijn komst buiten de deur met schrik ontwaarde, dat de zon hooger dan naar gewoonte aan den hemel stond, en dat hij het uur reeds had laten voorbijgaan, waarop hij zijn vertrek met Madzy bepaald had. Hij haastte zich dus naar het voorhuis, alwaar hij de waardin opzocht en haar verzocht, de jonge deerne, die met hem gekomen was, te laten roepen.

“Denkt gij ons weer te verlaten, huisman?” vroeg de waardin, zonder zich nog gereed te maken aan zijn verzoek te voldoen.

“Wij moeten vertrekken,” antwoordde hij, “en wij zouden reeds een paar uren onderweg zijn geweest, indien de stalknechts mij tijdig hadden gewekt, gelijk ik uitdrukkelijk verzocht had!”

“Ja! wat zal ik u zeggen, huisman!” zeide de waardin: “’t zijn luie vlegels, en zij zijn vroegtijdig naar het land geweest om de paarden op te halen; want God weet het, als de oorlog begint, zooals men vreest, dan zal er binnen weinige dagen geen ezelsvolen meer op het veld zijn, of het is goede prijs. Ik ben ondertusschen maar blij dat die paardendief van gisteravond voor dag en voor dauw weer vertrokken is: hij zag mij er net naar uit om haantje de voorste te spelen, als ’t op plunderen zou aankomen.”

“Dat kan wel zijn, moeder!” zeide de monnik; “maar wees nu zoo goed, en ga mijn nicht waarschuwen, dat zij zich gereedmake.”

“Ik ga al,” zeide de waardin: “zij zal nog wel in een zoete rust liggen; want de jongelieden zijn doorgaans lui en lekker: hei! ho! toen ik op haar jaren was, hield ik er ook van, mij in de veeren nog eens om te draaien, maar als men eens een arme weeuw is en de zorg heeft voor een herberg, waar dag en nacht volk aankomt, dan verleert men het lange slapen wel.”

Dit zeggende trok zij naar boven; maar zij was ternauwernood vertrokken, of vader Syard hoorde een angstig gegil en zag haar terstond daarna terugkomen, het gelaat geheel verward en verwilderd.

“Goede hemel! wat is er gebeurd?” vroeg de bezorgde monnik: “is u eenig leed overkomen?”

“Een priester! een priester!” schreeuwde de beangste vrouw: “de Booze zelf ligt in eigen persoon in ’t bed van uw nicht.”

“Vrouw!” riep de monnik, haar met geweld bij den arm grijpende: “wat durft gij zeggen? Wat beduidt dit?”

“Ik zeg u, dat de Booze haar den hals heeft omgedraaid en in hare plaats in bed is gaan liggen.”

“Vrouw!” herhaalde de monnik, met een wilden blik: en hij zelf holde de trap op, die naar het kamertje geleidde.

Aan de deur gekomen van het slaapvertrek hield hij echter een oogenblik stand. Een gemoedsbezwaar overviel hem. Ofschoon meer verlicht en minder bijgeloovig dan de groote menigte, betwijfelde de monnik zoomin als iemand uit die eeuw het bestaan van booze geesten en van de macht, die zij over de menschen uitoefenden; integendeel was dit een geloofsartikel, hetwelk hij niet slechts zelf moest aannemen, maar ook aan anderen onderwijzen en inprenten. Hij was tevens wel gerust, dat de duivel niet machtig was te kampen tegen al, wie hem met geestelijke wapenen bestreed; maar de gedachte kwam pijlsnel bij hem op, dat hij, door zich in een wereldlijk gewaad te steken, als het ware afstand gedaan had van die overmacht, welke zijn stand hem op al de geesten der onderwereld geschonken had. Hij werd echter opgebeurd door de troostende bemoediging des Apostels: “weerstaat den duivel, en hij zal van u vlieden:” en onder het uiten van een “Domine! libera nos!” trad hij het slaapkamertje binnen en stapte met mannenmoed naar de bedstede toe.

Bij den eersten aanblik echter, dien hij daarop geworpen had, rilde hem een kille huivering door de leden; want hij zag tot zijn ontzetting, dat werkelijk de plaats, waar Madzy gelegen had, was ingenomen door een ander wezen, waarvan alleen de wanstaltige ruige kop uit de dekens te voorschijn kwam. Was dit nu de Booze?—Zulks was hem nog niet terstond duidelijk; maar hij achtte het betamelijk zich daarvan te verzekeren: hij vermande zich, en toen hij, genaderd zijnde, het dek opsloeg, sprong het wangedrocht als uit den slaap op en vertoonde hem den duivel, zoo het al een duivel was, in de gedaante van meester Cezar, den aap van Barbanera.Vol gramschap greep hij het verschrikte dier in den nek en kwam er de kamer weer mede uit.

Aan de benedentrap ontmoette hij de kasteleines, haar dienstmaagd, de beide inmiddels van ’t werk gekeerde stalknechts en den hansworst, allen geknield en ijverig bezig hunpater nosterste zeggen en kruisen te slaan. “Hier is uw duivel!” riep de monnik: “maar waar is nu de Jonkvrouw gebleven?”

“Cezar!” riep de hansworst, opspringende: “wel mannetje! waar heb je gezeten?”

De aap, zijn meester ziende, ontwrong zich aan den monnik en sprong vroolijk in de armen, welke zich openden tot zijn ontvangst.

“Vrouw!” vervolgde de monnik, terwijl hij met vlammende oogen naar de waardin toetrad: “waar is de jonkvrouw gebleven, die ik aan uwe bescherming heb toevertrouwd?”

“Wat Jonkvrouw!” zeide de waardin, opstaande, en nog altijd onthutst en verschrikt: “meent gij de deerne, die met u kwam! Mijn lieve God! wie weet het?”

“O! ik ben een ellendeling, een ongelukkige,” riep vader Syard, zich voor het hoofd slaande, “ik ben den slechten herder, den huurling gelijk, die zijn schapen verlaat; de wolf is gekomen en heeft het lam medegenomen.”

“Nu!” zeide de kasteleines: “indien het lammetje weg is, is zij met haar eigen wil vertrokken. Wie weet of zij niet op het pad is achter den Jonkman, die zoo straks van hier gegaan is met den ouden kokeler?”

“Die zijn naar het slot gegaan,” zeide Daamke: “en zullen straks keeren.”

“Ei kom!” zeide de dienstmaagd: “het lieve schaap zal een morgenwandeling doen en wel zoo aanstonds weer hier zijn.”

“Heeft zij haar goed bovengelaten?” vroeg de kasteleines.

Allen snelden de trappen op; maar bij onderzoek bleek het, dat Madzy in haar onderkleederen moest vertrokken zijn, want haar kap, haar schoenen en haar mantel lagen nog ter plaatse, waar zij die bij het te bed gaan had neergelegd.

”’t Is onbegrijpelijk,” zeide de monnik: “en echter! maar al te waar;—doch ik ga niet van hier voor zij teruggevonden is.”

“Zie dien ouden uil eens,” zeide de nar, “die zich verbeeldt, dat een jonge knappe meid geen beteren reisgenoot krijgen kan dan hem: en voorwaar zij is vrijwillig opgedrost, want, ik heb den man met den zwarten mantel, die gisteravond op de bank lag te ronken, straks aan meester Barbanera hooren zeggen, dat hem, juist toen hij zich te bed wilde begeven, een wit spook was voorbijgesneld, dat hij echter niet goed onderkennen kon, omdat hij de lamp in handen had.”

“Schurk!” zeide de monnik: “de Jonkvrouw is geene nachtwandelaarster.”

“Of de dame, die gij met u hadt, eene Jonkvrouw was, weet ik niet,” hernam Daamke, “maar dat zij in den nacht wandelt, is zeker: want Ridder Reinout, of hoe hij heeten mag, heeft duidelijk eenvrouwspersoon de kamer zien overloopen, en toen hij haar volgde, is zij als een gejaagde kat de deur uitgeloopen en heeft die achter zich dichtgeslagen.”

“Ridder Reinout!—Ha! nu ontwikkelt zich het geval!” riep de monnik: “was die vreemdeling Ridder Reinout van Verona?.... Zoekt overal, vrienden! er is goud te verdienen voor hem, die haar weervindt!”

“Bij mijn zolen,” zeide Daamke, hem naoogende: “de rook verraadt het vuur; het balken den ezel, de kuch den grijskop;—maar een mooie meid, die zich schuil wil houden, wordt zoo gemakkelijk niet teruggevonden.”

Niettegenstaande deze weinig hoopgevende spreuk van den hansworst stonden de beide boerenknechts, verlokt door het uitzicht op gewin, gereed om de voortvluchtige te gaan opzoeken en beraadslaagden reeds onderling, welken weg zij in zouden slaan, toen zich van de zijde van Utrecht een verward gedruisch liet hooren en men weldra een talrijke bende, uit ruiters en voetknechten samengesteld, het dorp zag intrekken.

“Daar is het lieve leven al gaande,” riep de kasteleines: “de Stichtsche benden komen dorp en slot bezetten, en wij zullen den oorlog uit de eerste hand hebben.”

Zij bedroog zich niet: althans wat de eerste helft van haar verzekering betrof: spoedig stonden de gewapenden op het plein geschaard; een aantal hoplieden trok in de herberg; en bij de onvermijdelijke drukte en bediening, welke deze nieuwe gasten veroorzaakten, waren vader Syard en zijne nasporingen spoedig vergeten.

Wij zullen intusschen onzen waarden lezer, die waarschijnlijk omtrent het lot van het lieve meisje eenigszins bekommerd wezen zal, de opheldering geven van haar plotsling verdwijnen.

Madzy had zich, gelijk wij gezien hebben, dadelijk na het vertrek der waardin ter ruste begeven en was, niettegenstaande het rumoer in het onderhuis, spoedig ingesluimerd. Haar slaap was echter geenszins van dien verkwikkenden aard, waarop haar jeugd, haar gezond gestel en de vermoeienissen van den dag haar aanspraak gaven. ’t Zij, dat die vermoeienissen te groot waren geweest, ’t zij, dat de gebeurtenissen der verloopen week, en vooral het schriktooneel van den vorigen dag haar te sterk voor den geest zweefden, ’t zij, dat een ongesteldheid haar overvallen had, ’t zij dat al deze oorzaken gezamenlijk op haar werkten, haar slaap was onrustig en afgebroken: droomen en nachtgezichten vervulden haar verbeelding en deden haar gedurig met schrik en siddering ontwaken.

Eindelijk droomde zij, dat zij zich op de Zuiderzee bevond, in een klein vaartuig, hetwelk alle moeite deed om de kust van Friesland, welke zij voor zich zag, te bereiken, maar gedurig door de golven weer terug werd geslagen. De manschap van dat scheepje bestond alleen uit edele Ridders, in vollen wapendos, maar hun harnassen waren verroest, hun pluimen hingen verflenst van den helmkam af en hun wapenrokken waren gescheurd en druipende van het zeewater, dat gestadig over het dek sloeg:—en wat het ijselijkste was, achterelk helmvizier grijnsde haar een vervaarlijk doodshoofd tegen, en onder de harnassen hoorde men het gerammel van dorre beenderen. De Graaf van Holland alleen was onder die menigte kenbaar: blootshoofds stond hij aan het roer; maar zijn gelaat was nog afschuwelijker om te aanschouwen dan het ontvleesde geraamte der overige schepelingen. Geene kleur, geene beweging bezielde meer het aangezicht, de haren waren aan het hoofd ontvallen en ontelbare merkteekens van nog versche wonden doorkruisten het in alle richtingen; maar het oog bleef, starend en als verglaasd, onafgebroken op de kust gevestigd. En daar, aan die kust, liet zich een niet minder akelig tooneel aanschouwen. Een lange sleep van monniken, aangevoerd door vader Syard, geleidde, onder het zingen der psalmen voor de afgestorvenen, een doodbaar naar het klooster van Sint-Odulf en in die doodbaar, (dit gevoelde Madzy door die innerlijke bewustheid, welke ons in droomen eigen is, en ons als door ingeving datgene weten doet, hetwelk voor het vleeschelijke oog onzichtbaar is,) was het lijk van Deodaat vervat. De abt sloot den trein, en toen de deuren van het kerkgewelf achter hem waren toegeslagen, kwam de oude man alleen naar het strand en, staande op het Roode Klif, herhaalde hij op een sleependen toon de voorspelling betreffende de Roos van Dekama. Onder het opzeggen dier rijmen begonnen zijn gelaatstrekken te veranderen: de blozende wangen vielen in: het blanke vel des paters werd bruin en vaal van kleur: de ronde buik kromp in: en in de plaats van den gezonden vader Volkert zag Madzy een afschuwelijke gedaante, gelijk aan die, onder welke men den boozen geest afschildert, welke haar tandenknersende van den rand der vensterbank begluurde.

Zij wreef zich de oogen uit: het was geen droom: die gedaante zat daar, deed een sprong, en was naast haar bedstede.

Met een gesmoorden gil vloog zij haar legerstede uit, haar kamer en de trap af: zij opende een deur: eene nieuwe stof tot ontsteltenis: daar stond de moordenaar van Deodaat, of zijn schim, midden in het vertrek.

Het arme meisje sprong terug, naar beneden: dan, o God! die zoo gevreesde Reinout volgde haar: zij stoof de huisdeur uit, ijlde zonder te weten waarom of waarheen, de eerste laan de beste in: hare knieën ontgaven haar: haar krachten waren bezweken: een dikke sluier viel voor haar oogen: het bewustzijn ontweek haar: en zij zeeg bezwijmd op het vochtige gras neder.

Wij moeten haar voor een korte poos onzes ondanks in dien bedroefden toestand laten, om ons naar den Bisschop van Utrecht te begeven.

Deze was spoedig na het gesprek met den monnik zijn slaapstede gaan opzoeken, mede slecht tevreden over den uitslag van het onderhoud. Zijn doel toch was, gelijk ons gebleken is, niet slechts om het Bisschoppelijk gezag in Utrecht onafhankelijk te maken van allen vreemden invloed, maar ook om dat gezag over de naburige gewesten uit te breiden: hij had zich gevleid, in vader Syard een bekwamen en behulpzamen handlanger te zullen vinden; maar ’t bleek hem thans genoeg, hoe weinig deze genegen was, de Friezen aante sporen, om het eene juk met het andere te verwisselen: ja, hij zag in, hoe weinig hem het bondgenootschap met Friesland zou baten zelfs in het bestrijden van den Graaf. De teerling was echter geworpen, en Arkel behoefde geen groot waarzegger te zijn, om niet te voorzien, dat de Graaf weldra in het Sticht zoude vallen met een legermacht, welke zoowel de krijgsroem van Willem IV als de ingeschapen naijver der Hollanders tegen de Stichtenaars talrijk en ontzaglijk zou maken. “Mits slechts de adel zich goed houde,” zeide Arkel bij zich zelven: “de burgerij van Utrecht zal zich wakker genoeg betoonen: en een stad als deze is niet in een paar dagen te overrompelen. Zij slechts de overwinning betwist, ziedaar al wat ik verlang! Maar Friesland moet een wending geven aan de wapenen der Hollanders.—Mocht ik slechts dien Adeelen nog eenmaal spreken: hij is eerzuchtig en heeft invloed bij de Friezen:—hij zou mij meer dienst doen dan die monnik, wien ik ter kwader ure mijn vertrouwen heb geschonken en die het nu wellicht zijn plicht acht, zijn landgenooten tegen mijne bedoelingen te waarschuwen. Hij zal niet naar Friesland keeren, zoo ik het verhoeden kan:—hij is te gevaarlijk:—ook die Barbanera!—ik vrees, dat hij reeds geklapt heeft. Welnu, ik moet mij van hem ontslaan.”

Met dit besluit begaf hij zich ter ruste; en daar hij tot die gelukkige menschen behoorde, die alle wereldsche zorgen uit het hoofd kunnen zetten, zoodra zij de veeren ruiken, was hij dadelijk ingeslapen. Hij had echter gelast dat men hem met den dag zou wekken; want hij vermoedde, dat er volk uit Utrecht komen zou, en hij wilde op hunne komst zijn voorbereid. Hij was dan ook reeds, zoodra de zonnestralen de daken van het slot vergulden, in de cel, waar hem vader Syard gevonden had, teruggekeerd.

Hij opende het raam: de frissche morgenlucht verkwikte hem: er was een weinig regen gevallen, en van grasplanten en struiken steeg een balsemende geur naar boven: vroolijk zongen de vogels hun morgenlied en loeide het vee in de weide. Hij sloeg thans echter minder acht op het bevallige schouwspel der ontwakende natuur; want zijn gedachten waren geheel verdiept in de berekening der versterking, waarvoor het slot vatbaar was, en van den tijd, welken de vijand zou moeten besteden om het te bemachtigen.

“De boel is in een verwaarloosden toestand,” dacht hij, “maar de grachten zijn breed en diep: en de wallen stevig genoeg om den stormram te tarten. Met vijftig man, wèl voorzien van wapenen en eetwaren, kan men het drie weken uithouden tegen vijf duizend:—en zoowel langs den heirweg als langs de rivier allen toevoer beletten. Het buitenpoortje zal nog wat versterkt, en die boompjes aan de overzijde moeten gekapt worden; daar achter kan zich een gansche bende verbergen en veilig de wallen beschieten.... maar ik geloof dat er reeds een vijand achter loert.... is dat niet een menschelijke gedaante, die daar in het gras ligt?—Deze of gene arme landlooper zonder huisvesting, of een dronkaard, die de kroeg wat spade verlaten heeft;—maar neen!” riep hij uit, bij nadere beschouwing een klein voetje bemerkende, dat over het pad lag, eneen lange haarvlecht, die donker afstak tegen de witte kleeding: “dat alles behoort aan een vrouw, misschien wel aan een jonge en schoone vrouw? Hoe komt die hier blootgesteld aan nachtlucht en regen?”

Zijn nieuwsgierigheid was opgewekt, en, voegen wij er dit tot zijne eer bij, ook zijn medelijden:—hij riep zijn getrouwen Peter, en ging met dezen buiten het slot.

Weldra was hij ter plaatse gekomen, waar hij het voorwerp van zijn aandacht had bespeurd: en hij ontdekte terstond, dat hij welgedaan had met zich zonder verwijl derwaarts te begeven; want een jong meisje, schoon als de dag, maar nauwelijks gedekt en bleek als een doode, lag daar uitgestrekt in het vochtige gras: en ofschoon het flauw en pijnlijk zwoegen van haar boezem aanduidde dat zij nog leefde, een langer verblijf op die koude en vochtige plaats had haar doodelijk kunnen zijn.

Bij den eersten opslag meende Arkel, dat hem die trekken bekend voorkwamen; maar daar hij Madzy slechts eenmaal, op het steekspel, en wel in haar schitterenden dos gezien had, herkende hij haar niet, ja was hij er verre af van te vermoeden, dat het bleeke boerinnetje, wier hoofd thans op zijn knie leunde, de Roos van Dekama kon zijn. Hij tilde haar behoedzaam van den grond, droeg zijn lieven last binnen het slot en legde dien, bij gebrek van andere gelegenheid, op zijn legerstede, nadat de oude Peter, door hem vooruitgezonden, die met versch linnen had voorzien. Het was eerst daar, dat Madzy, die tot dien tijd buiten kennis gebleven was en slechts eenige flauwe en onverstaanbare klanken had geuit, het eerste teeken van bewustheid gaf, na eenige teugen te hebben genomen uit een beker met wijn en water, welken Arkel haar met de trouwhartigheid eener oude baker had aan den mond gebracht.

“Waar ben ik?” zeide zij, de blauwe oogen opslaande en vervaard om zich heen ziende.

“Vrees niets, lieve kleine!” zeide Arkel: “maar drink liever nog eens: gij hebt het koud gekregen daar in ’t natte gras: dek u maar goed toe en het zal wel beter worden.”

“Neen, neen,” zeide Madzy, den arm des jongelings afwerende, en pogende op te staan: “hier blijf ik niet?—Waar ben ik toch?—Wie heeft mij hier gebracht?—Waar is vader Syard?”

“Vader Syard!” herhaalde de Bisschop: “ja waarlijk! dat meisje spreekt den Frieschen tongval!—Aha!” dacht hij bij zich zelven: “voert de vrome pater zulk gezelschap tot zijn opbeuring mede?—Lief meisje!” vervolgde hij overluid: “gij behoeft ons niet te vreezen: wij hebben het beter met u voor dan vader Syard, of wie het ook zij; want zonder ons zoudt gij nog in het vochtige gras liggen, waar wij u gevonden hebben.”

“Het is dan waar,” zeide zij, met wilde blikken in het rond ziende: “ik heb het dan niet gedroomd?—O wat heb ik arm meisje gedaan?—het was ijselijk!—de booze zelf!.... en Reinout!.... maar breng mij toch terug bij.... om Gods wil! zend naar de herberg.... daar is mijn oom.... hij zal ongerust over mij wezen.... zend naar hem.... ik zal u wel beloonen.”

“Uw oom!” herhaalde Arkel: “zooeven noemdet gij vader Syard: is die uw oom?”

“Noemde ik....? ach God! ik weet niet wien ik noemde.... ik ben ongelukkig;—maar zend naar de herberg.... de waardin weet het.... Waar ben ik toch? O wee!”

“Ik zal aan uw verzoek voldoen,” zeide de Bisschop, haar met een vriendelijken blik aanschouwende: “ik zal uw oom gerust doen stellen:—intusschen, dek u warm toe en drink nog eens;—want waarlijk, het is om de koorts te krijgen, zoo een geheelen nacht daar buiten te liggen.”

“Ach! ik moet u zeer schuldig en dwaas voorkomen.—Maar God weet het, toen ik den moordenaar zag, was het mij of ik.... o God!”

Hier verborg zij snikkend haar hoofd in ’t kussen en begon over al haar leden te beven.

“Ik zal uw boodschap laten doen,” zeide Arkel: “stel u gerust, maar wees van uw kant een weinig vertrouwelijk. Zeg mij, wie zijt gij?”

“Mijn oom zal u alles zeggen,” hernam de ongelukkige Madzy. “O! laat hem toch weten....”

Hier belette haar een nieuwe aanval van beving voort te gaan en Arkel, zelf met haar verlegen, verwijderde zich met den ouden slotbewaarder uit het vertrek. In de groote bovenzaal gekomen, ging hij aan het raam staan en begon, de armen over elkaar geslagen en het hoofd hangende, te overpeinzen wat er te doen stond, en hoe hij best zou handelen. Dit stond echter bij hem vast, dat hij vooreerst niet voldoen zou aan het verlangen van de schoone onbekende, en noch haar oom, noch de kasteleines uit denRoerdompzou laten halen; want de bekoorlijkheden zijner gevangene hadden te veel indruk op hem gemaakt, dan dat hij er aan kon denken, haar weer uit zijn macht te laten gaan; even zoomin als de vos om het konijn te laten ontsnappen, dat in het hol van Reynaert een schuilplaats gezocht zou hebben. Het zal bij onze lezers wellicht verwondering baren, dat Jan van Arkel, op een oogenblik, waarin hij hoofd en handen vol had met de hooge staatsaangelegenheden, waarin hij gewikkeld was, en nu hij door gevaren van allerlei aard bedreigd werd, zich nieuwe zorgen op den hals verkoos te laden, door een minnenhandel, welke zijn toestand nog neteliger maken moest;—ja sommigen zullen wellicht denken, dat hij los genoeg was om zijn hooge ontwerpen aan een paar schoone oogen op te offeren; maar hier was de Bisschop de man niet naar; en voor hem was een liefdesavontuur als dit niet meer dan een verpoozing, dienstig om er voor eenige oogenblikken van zwaardere werkzaamheden bij uit te rusten: en de moeilijkheden daaraan verbonden, lichte bezwaren, welker wegruiming hij slechts als een spel beschouwde. Bovendien bestond er nooit iemand, minder zwaartillend dan hij: en bij het bejagen zijner inzichten steunde hij altijd op het medewerken der omstandigheden, welke hij, alsnog in de jaren der hoop zijnde, zich niet slechts gunstig afschilderde, maar ook doorgaans met eenbehendigheid, den grootsten staatkundige waardig, te zijnen voordeele wist aan te grijpen. Zoo plaatste hij nu voor een wijl al zijn staatzuchtige plannen op den achtergrond, om alleen te denken over de wijze, waarop hij het lieve meisje, dat hem door de goede fortuin in handen gespeeld was, in zijn macht behouden zou. Dat hij een geestelijke en wel een kerkvoogd was, wien het betaamde, zijn kudde met een goed voorbeeld voor te gaan, en dat een betrekking tusschen hem en een jonge deerne even onwettig als onbetamelijk was, dit waren bedenkingen, welke in het minste niet bij hem opkwamen: de gelofte van kuischheid was een dier verbintenissen, wier overtreding bij den toenmaligen zedelijken toestand der geestelijkheid het minste geteld, en, voegen wij er bij, wier overtreding het minst berispt werd; ja het was geen ongewone zaak, prelaten te zien, die erkende minnaressen en erkende basterds hadden en toch daarom niets minder geacht en gezien werden. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen, dat Jan van Arkel nog jong en in de kracht van zijn leven was: dat hij, schoon tot den geestelijken stand opgeleid, echter altijd smaak had blijven voeden voor ridderavonturen: en eindelijk, dat hij een groot gedeelte van zijn leven reizende en buiten alle betrekking had doorgebracht: en het zal niemand verwonderen, dat de mijter en kromstaf zich niet als terugschrikkende teekens tusschen hem en de beeltenis der schoone Friezin kwamen plaatsen.

“Peter!” zeide hij eindelijk tegen zijn getrouwen dienstman: “gij hebt gehoord wat die deerne gevraagd heeft?”

De oude man vergenoegde zich met een stijven hoofdknik.

“Ik ben overtuigd, Peter! dat dit maar ijdele praatjes zijn, om ons om den tuin te leiden. Gij hebt ook wel opgemerkt, dat zij stamelde, en zich meer dan eens versprak?”

Peter bevestigde deze aanmerking op dezelfde wijze.

“Welnu! gij weet ook, van welk belang het is, dat niemand ons hier zie, dan die hier noodig heeft: en zoo wij aan de herberg de komst van dat meisje ruchtbaar maakten, hadden wij hier weldra het bezoek van al de oude wijven en leegloopers uit het dorp te wachten: en wij zouden ons niet slechts aan ontdekking, maar ook aan bespotting blootstellen.”

Het droog gelaat des slotbewaarders nam de scheeve uitdrukking aan van iemand, die door zijn betrekking gedwongen is hetgeen men hem opdringt voor goede munt aan te nemen; doch die wel wil te kennen geven, dat hij zich niet om den tuin laat leiden. Arkel hield zich, of hij dit niet bemerkte en ging op denzelfden koelen toon voort:

“Het zou echter strijdig met alle menschelijkheid zijn, dat arme meisje, ’t welk hard ziek schijnt en misschien wel in de hersenen gekrenkt is, de deur uit te zetten; en het zal daarom nuttig zijn, het oogenblik af te wachten, dat zij wat kalmer en bedaarder is, om haar te ondervragen, en zoodoende achter de waarheid te komen; ten einde te ontdekken, hoe wij met haar handelen moeten.”—Hier zweeg hij; Peter zag hem met een open mond aan; alsof hij zeggenwilde: “is dit alles wat gij mij hebt te zeggen?”—Maar de Bisschop had zijn welsprekendheid alleen gelucht om hem van de wijs te helpen en te paaien met een schijnbare reden, waarom hij niet aan het verzoek van Madzy voldeed.

“Ga eens zien!” zeide Arkel na eenige oogenblikken zwijgens, “of de oude draagstoel nog bruikbaar is: het kan zijn dat wij dien noodig hebben.”

Peter ging na een nieuwe hoofdbuiging de kamer uit: en Arkel, op deze wijze een lastigen getuige verwijderd hebbende, begaf zich weder naar het slaapvertrek. Zijn logeergast echter niet door een onverhoedsche verschijning willende verschrikken, tikte hij zachtjes aan de deur. Geen antwoord ontvangende, herhaalde hij het geklop eenigszins harder; maar wederom zonder vrucht.

“Ik ben wel dwaas,” zeide hij bij zich zelven,“zoovele plichtplegingen te maken jegens een boerinnetje, dat mij wellicht niet eens dank zal wijten voor mijn bescheidenheid.”

Met deze gedachten opende hij de deur en wendde het oog naar het bed: dit was ledig, en Arkel stond niet weinig verwonderd, toen hij Madzy in een hoek zag zitten, bleek als een doek, en gewikkeld in de beddelakens.

“Nader mij niet,” zeide zij, bevende en klappertandende: “ik ken u niet: ik weet niet of uw bedoelingen eerlijk zijn.”

“Stel u gerust, lief kind!” zeide Arkel: “het zou schandelijk zijn, indien ik misbruik maakte van uw ziekelijken en hulpeloozen toestand. Ik heb naar het dorp gezonden, gelijk gij mij verzocht hadt, en ik ben bereid u alle diensten te bewijzen, die gij noodig mocht hebben: maar nogmaals, veroorloof mij, uw vertrouwen af te vergen. Gij schijnt geene landloopster te zijn; en echter heb ik u, slechts halfgekleed, en stijf van koude, op den weg vinden liggen, als iemand die geen nachtverblijf had.”

Madzy begon op deze vraag nog harder te beven; maar na een teug water genomen te hebben uit een nevens haar staanden beker, herstelde zij zich een weinig en antwoordde:

“Ik mag mij aan niemand vertrouwen, tenzij ik wete aan wien. Kwel mij niet met vragen, bid ik u. Ik geloof dat uw bedoelingen goed zijn, doch ik mag waarlijk niets zeggen, zoolang mijn oom niet hier is.”

“Is vader Syard uw oom? Gij hebt hem straks genoemd.”

“Heb ik hem waarlijk genoemd?—Ach! ik heb de koorts: ik weet niet wat ik gezegd heb.”

“Gij hebt hem genoemd,” hernam Arkel, terwijl hij, de overmacht gevoelende, welke hem deze woorden gaven, aan Madzy ontsnapt, en den invloed niet willende verliezen, door deze omstandigheid verkregen, een doordringenden blik op haar vestigde; “en verschoon mij, dit doet mij aan uw oprechtheid twijfelen, vader Syard is mijn vriend: ik heb hem in de verleden week te Haarlem en gisteravond nog hier ter plaatse gesproken:—hij heeft mij niet verhaald, dat hij een nicht bij zich had.”

Madzy zweeg en zag sidderend voor zich.

“Wel is waar,” vervolgde de onbarmhartige Bisschop: “er waren te Haarlem twee meisjes in zijn gezelschap;—maar de eene was een adellijke Friezin, en de andere haar kamerjuffer.... Zoudt gij eene van beiden zijn?”

In den waan, dat de jongeling, die voor haar stond, wellicht een Stichtsch edelman, en haar van dienst kon zijn, begon Madzy over te hellen, om hem eenig vertrouwen te schenken; “ik weet,” zeide zij, “dat vader Syard gisteravond ergens een bezoek wilde gaan afleggen;—waart gij de persoon, tot wien hij zich gewend had?”

“Wel waarschijnlijk,” antwoordde Arkel.

“Welnu! nog eene vraag! gij hebt hem gesproken, zegt gij. Hoe was zijn gewaad?”

“Ik moet zeggen,” zeide Arkel, die al meer en meer begon te bespeuren, dat hij geene gewone boerin voor zich had: “dat zijne vermomming hem meer veranderde dan de uwe, hoe vreemd die ook zij, u veranderen kan in de oogen van al, wie u eenmaal aanschouwd heeft.”

“Welnu!” hernam Madzy: “indien gij hem zoowel kent, dan zal hij u ook wel mededeelen wie ik ben.”

“Bij Sint-Maarten,” zeide Arkel lachende, ofschoon half knorrig, dat de schoone hem met al haar onschuld nog te slim was: “men zegt wel met grond, dat hij, die een vrouw wil vangen, vroeg moet opstaan. Ik ben met den dag uit het bed geweest: en nog zijt gij mij te gauw. Welaan! ik zal dan eerbiedig wachten, dat het uur van vertrouwen geslagen zij. Ondertusschen, geloof mij, blijf niet in dien hoek zitten beven. Ga gerust in bed en tracht u te verwarmen: het doet mij in de ziel leed, dat hier geene vrouw is om u te verzorgen; maar daaraan is voor ’t oogenblik niets te doen. Ik beloof u plechtig, dat niemand deze kamer zal binnentreden buiten uw verlof.”

Met deze woorden maakte hij een koele buiging en wilde vertrekken; maar de zachte stem van Madzy deed hem aan de deur vertoeven.

“Ik geloof,” zeide zij: “dat gij mij van ondankbaarheid beschuldigt. Misschien, ja waarschijnlijk, hebt gij mij het leven gered. Wanneer eens dat uur van vertrouwen, waar gij van spreekt, zal geslagen zijn, dan hoop ik u mijn erkentenis te betuigen op een wijze, uwer en mijner waardig.”

Arkel verstond deze woorden slechts half; want hij stond opgetogen in verrukking over den engelachtigen glimlach, die er mede gepaard ging, over de bevallige uitdrukking van Madzy’s gelaat, over de hemelschoone oogen, waaraan de koorts een buitengewone levendigheid bijzette, en welke zij, bespeurende met welk een vurigen blik hij naar aanstaarde, zedig neersloeg: en hij had wellicht het gesprek verder voortgezet, had niet het geluid van den hoorn aan de buitenpoort zijn opmerking getrokken. Hij stamelde eenige beloften van verontschuldiging, zeide dat wellicht haar oom daar zijn zoude, en vertrok, de deur weder zorgvuldig achter zich sluitende. Een oogenblik daarna kwam de oude Peter hem berichten, dat ereen vreemdeling met een zwarten mantel voor de poort was, die hem verlangde te spreken.

“Ik wacht niemand meer.—Wie kan hij zijn? Wist hij het woord? zoo ja, laat hem dan bij mij;—maar wacht nog een oogenblik:—ik moet op allen overval verdacht zijn.”

Dit zeggende haalde hij uit een koffer een mantel, een wassen neus en valschen baard, een samaar, in ’t kort een geheel gewaad voor den dag, gelijk aan dat, hetwelk Barbanera droeg, wanneer hij zijn kunsten vertoonde en waarvan deze een dubbel stel had. Na deze plunje te hebben aangeschoten, gaf hij aan Peter vrijheid den vreemdeling binnen te laten, en plaatste hij zich aan zijn tafeltje in dier voege, dat hij geheel in de schaduw van het raamkozijn zat. Eenige oogenblikken daarna liet Peter Reinout de kamer in en vertrok weder. De Italiaan bleef eenigszins verrast aan de deur staan toen hij de gedaante zag van Barbanera, wien hij zooeven buiten het slot verlaten had. Zijn vermoedens, zoo hij er nog eenige had, waren geheel opgelost.

Het is een krijghmans beê: gy mooght die niet ontzeggen.Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.

Het is een krijghmans beê: gy mooght die niet ontzeggen.

Het is een krijghmans beê: gy mooght die niet ontzeggen.

Het is een krijghmans beê: gy mooght die niet ontzeggen.

Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.

“Deze vermomming zal u weinig baten, Heer Ridder! of wie gij wezen moogt,” zeide Reinout op een schamperen toon: “het gewaad van den kokeler belet mij niet, mijn bestrijder op het steekspel te herkennen.”

“Bij mijn zaligheid!” riep Arkel lachende, terwijl hij neus en baard afwierp: “gij zijt, geloof ik, de brave Ridder, die mij als een dief wilde laten vatten. Welaan! voor u althans zou ik mij schamen een vermomming aan te houden.—Misschien komt gij mij rekenschap vragen van mijn gedrag: en ik beken, dat ik u wat onbeleefd van ’t paard gesmeten heb; maar, wat zal ik zeggen? gij drongt mij zoo nauw op ’t lijf: en ik had gewichtige redenen om onbekend te blijven.”

“De reden van mijn bezoek is tweevoudig,” zeide Reinout “in de eerste plaats kom ik mijn paard terugeischen.”

“Uw paard,” zeide Arkel, eenigszins donker kijkende: “bij Sint-Maarten! ik heb het hoogst noodig: en ik heb het eerlijk aan den man betaald:—maar verder! wat begeert gij nog?”

“Omstandigheden, wier verhaal hier te lang zoude ophouden, hebben mij genoodzaakt, den dienst des Graven te verlaten. Ik wil mij onder de banieren der Stichtschen scharen.—Men heeft mij gezegd, dat gij mij daarin zoudt kunnen van dienst zijn.”

“Ik! wie is de ekster, die dat geklapt heeft?” vroeg Arkel, met eenige drift.

“Iemand, die uw vertrouwen schijnt te bezitten, de kokeler Barbanera.”

“Ziedaar een waardigen vertrouweling, dien gij mij toekent,” zeide de Bisschop met bitterheid.

“Mij dunkt, het is zoo vreemd niet, daar gij beiden ééne kleerkas hebt,” hernam Reinout meesmuilende.

“Wij zullen zien.—Heeft Barbanera u ook geleerd, op welke wijze men toegang bekomt tot dit slot?”

“Zoo is ’t!—maar wees daarom niet ontevreden op een getrouwen dienaar: hij wist dat ik u spreken wilde: en hij gaf mij daarom de middelen aan de hand om u in stilte te spreken en een opschudding te vermijden, welke u onaangenaam ware geweest.”

“En,” vroeg de Bisschop, haastig: “heeft die getrouwe dienaar u nog meer verhaald?”

“Veel, wat mij zelven betreft: niets wat u aangaat.”

“Zoo!—en uw naam....?”

“Was tot nog toe Rinaldo van Verona: welhaast hoop ik er een anderen te voeren.”

“Inderdaad!—en gij wilt dienst nemen bij de Stichtschen?”

“Misschien!—dat zal van de voorwaarden afhangen.”

“Gij verlaat den dienst van Graaf Willem, den meester aller soldaten,” zeide Arkel, op een toon, die niet vrij was van spotternij: “om uw arm te leenen aan een hoop luie monniken en dikgebuikte schepenen?”

“Den Bisschop wil ik behulpzaam zijn.”

“En weet gij, of de Bisschop, die in verre landen is, den gang der zaken goedkeurt?”

“Ik weet het,” antwoordde Reinout, “zoo goed als iemand het weten kan, die het uit zijn eigen mond vernomen heeft.”

Dit beweren kwam Arkel een weinig gewaagd voor; want hij herinnerde zich niet, ooit ergens dan op het steekspel van Reinout te hebben gezien of gehoord. Hij vergenoegde zich dus met op een koelen toon te zeggen: “gij kunt des Bisschops meening niet kennen: want ik heb goede redenen te gelooven, dat gij zijn persoon niet kent.”

“Ik ken ten minste,” zeide Reinout, hem scherp aanziende: “het hooge voorhoofd en den valkenblik der Arkels, ’t zij een monnikskap, een ridderhelm of eene kwakzalversmuts die bedekke.”

“Ongelukkige!” riep Arkel uit, de hand aan zijn dolk slaande: “gij kent den leeuw en gij durft u wagen in zijn hol?”

“En waarom niet, indien ik mij evenals hij voor de jagers verbergen moet?—maar steek vrij uw dolk op:—van mij hebt gij geen verraad te vreezen. Ik heb uw geheim bewaard, toen ik uw gesprek met den monnik van Sint-Odulf beluisterd had, ofschoon ik toen nog aan den Graaf getrouw was: en ik zal het thans niet verklappen, nu ik zijn dienst heb afgezworen.”

“En wie waarborgt mij,” vroeg Arkel, “dat gij niet morgen mijne zijde zult verlaten?”

“De Graaf begeert mijn hoofd. Waant gij, dat ik geneigd ben, hem dat te brengen?”

“Die lust moet dan spoedig bij hem zijn opgekomen; of gij hebt het erg verbruid; want eergisteren nog waart gij zijn getrouwe medekamper:.... maar zacht! waart gij het niet, die een anderen Ridder, uw boezemvriend, gelijk ik vernam, tot een strijd uitdaagde op leven en dood?”

Reinout verbleekte en beet op de lippen. “Hij was mijn boezemvriend,” zeide hij met een weifelende stem: “maar het heeft zoo moeten zijn. Zie deze vlekken,” vervolgde hij, zijn mouw toonende: “het is het bloed van Deodaat, mijn wapenbroeder.”

“Ik hoop dat het in open kamp was,” zeide Arkel: “intusschen, ik beklaag u beiden; zulk een overwinning moet even zwaar vallen als de nederlaag.”

Op dit oogenblik trad, zeer gelukkig voor Reinout, de oude Peter binnen en meldde zachtjes den kokeler bij zijn meester aan.

“Ik zal bij hem komen,” hernam de Bisschop: “welaan!” vervolgde hij tot Reinout: “uw mannelijke uitdaging heeft mij getoond, dat gij een rechtschapen Ridder zijt, en als zoodanig mijn vertrouwen waardig. De tijd spoedt voort: en ik heb nog veel te verrichten. Gij vergezelt mij nog heden naar Utrecht. Wij zullen onderweg ons gesprek vervolgen. Wees zoo goed, mij zoolang in de zaal te wachten.”

Met het uiten dezer woorden vertrok hij, de deur zorgvuldig achter zich sluitende. “Ofschoon ik,” zeide hij bij zich zelven, “veel vertrouwen stel in ’s Ridders eerlijkheid, hecht ik nog grootere zekerheid aan een goeden sleutel.—Aha! meester Barbanera, loopt gij op deze wijze met mijn geheimen te koop? Bij Sint-Maarten! wij zullen zorgen, dat uw geklap niemand meer hindere.”

Beneden aan de trap gekomen, vond hij Barbanera en wenkte dezen, hem in een zijvertrek te volgen.

“Hebt gij tijdingen?” vroeg hij hem, in zuiver Italiaansch: “dat gij ons zoo vroeg reeds de eer van uw bezoek verschaft?”

“Ik kwam de bevelen van uwe Hoogwaardigheid vernemen,” zeide de kwakzalver: “en daar de Stichtsche benden hier weldra zijn zullen, achtte ik het plicht, dat intijds te doen.”

“En was het ook plicht,” vroeg Arkel, op een strengen toon: “onze geheimen toe te vertrouwen aan dien windbuil, die mij zooeven is komen opzoeken?”

“Ik heb hem niets toevertrouwd,” zeide Barbanera: “hij wist reeds alles: en daar ik vreesde, dat hij babbelen mocht, achtte ik het voorzichtiger hem in uwe handen te leveren.”

“Gij hadt mij ten minste kunnen waarschuwen,” zeide Arkel: “maar hoe kent gij den knaap?”

“Ik ken hem beter, dan hij althans gisteren zich zelven nog kende: en dit is zeker, dat hij u van dienst kan zijn. Wat zoudt gij wel geven, Hoogwaardigste! om in Friesland een vermogenden vriend te bezitten, op wiens erkentenis gij zoudt kunnen staat maken?”

“Dit ware een goede aanwinst,” zeide Arkel, “maar wat heeft dit met dien Reinout te maken? In welk verband....”

“Welnu!—Zoo die Reinout eens de zoon ware van den Heer van Aylva?”

“Welke zotte vertelsels zijn dat?—Die Ridder is een Italiaan, zooals gij.....”

“Juist! van moederszijde; maar ik kan hem de bewijzen in handen leveren, dat hij de zoon des Frieschen Oldermans is:—wat dunkt u dat dit geheim waardig is?”

“Dat geheim is goud waardig,” zeide de Bisschop: “hebt gij het hem reeds medegedeeld?”

“Zooveel als noodig was, ja;—maar u wil ik de bewijzen ter hand stellen, opdat gij er de vruchten van inoogst.”

“Zeer onbaatzuchtig voorwaar!” zeide Arkel: “maar vermoedelijk wilt gij mij het geheim verkoopen, omdat Reinout de middelen niet bezit om het u te betalen?”

“Het ware zeker onbillijk,” zeide Barbanera, “dat ik de tafel voor uwe Hoogwaardigheid bereidde, en geen kruimpje voor mij zelven overhield.”

“Recht zoo, voortreffelijke Barbanera! dan, ik heb nog een dienst van u te vergen. Hierboven ligt een jong meisje, dat wellicht de hulp van een geneesheer noodig heeft.”

“Is het garnizoen versterkt?” vroeg de kokeler, meesmuilende.

“Zwijg, en ga bij haar. Onderzoek eenvoudig, of zij ziek is, ja dan neen:—geene van uw kwakzalverskunsten. Zie slechts, of zij in staat is, de reis naar Utrecht te ondernemen.”

Barbanera zweeg en volgde zijn meester tot voor het vertrek van Madzy. Deze, zich vleiende, vader Syard te zullen zien, haastte zich, den kokeler, toen deze aanklopte, te verzoeken van binnen te komen, maar zij zag verbaasd op, bij het beschouwen van een onbekend gelaat; want, gelijk men zich herinneren zal, zij had Barbanera nooit gezien dan aan Elskens ziekbed, waar hij zijn wassen neus voorhad.

“Lieve kind!” zeide de kokeler: “il signor castellanoebbe mij tot u gezonde. Hij is overla vostra sanitábekommerd, en eef mij,il suo medico, verzocht u al die hulp toe te breng, welkela mia arteverschaffen kana voi.”

Zonder erg te denken, stak Madzy den geneesheer haar blanke hand toe en vroeg hem, wie de edele Burchtvoogd was, onder wiens dak zij zich bevond.

“Non lo sapete?” vroeg Barbanera: “bene! hij zal wil ebbe selfil piacerevan u bekend te maak metil suo nome.... ma per Dio!” riep hij uit, terwijl hij haar meer aandachtig beschouwde: “ikke u ook eb kezien,un’ altra volta: ikke fraak moet:il signor castellano, wete hij, wie isse gij?”

“Wat meent gij?” vroeg Madzy, eenigszins onthutst: “ik versta u slechts half.”

“Gij hebtla febbre, de koortse,” zeide Barbanera, opstaande, en Madzy’s hand latende varen: “maarvien dall’ agitazione, dal freddo: niet is pericolòsa ’il viaggio non può farvi male.”

Met deze geruststellende uitspraak rees hij op, en Madzy in onzekerheid latende, keerde hij bij zijn meester.

“Welnu?” vroeg deze: “is zij in staat een reis te doen?”

“Ja; maar zij heeft geen kleeren genoeg. Wil ik om de hare zenden?”

“Zoo dit ongemerkt geschieden kan, ware het niet kwaad; want ik vrees dat hier gebrek aan plunje is.”

“Maar,” hernam de kokeler: “kent uw Hoogwaardigste het meisje, dat daar in de kamer ligt?”

“Zoo ik mij niet bedrieg, is zij een Friezin, een nicht van pater Syard, of zoo iets.”

“Alles behalve: het is een Friesche Jonkvrouw van adellijken huize, de bruid van Seerp Van Adeelen, Madzy Dekama.”

“Gij raaskalt. Hoe zou een Friesche Jonkvrouw van adellijken huize hier in ’t gras komen te liggen?”

“Ik weet het niet. Zooveel is zeker, dat ik haar terstond herkend heb, en dat....”

Hier werd zijn rede gestoord door een herhaald hoorngeschal aan de buitenpoort.

“Daar schijnt haast bij te wezen,” zeide Arkel, zich voor een kijkgat plaatsende, vanwaar men op den buitenmuur en op de laan zag: “bij alle duivels! daar is uw trouwe Hans, zoo rood als een kalkoensche haan, die ons zeker de komst der Stichtsche benden komt melden.... en ginds zie ik een paar wapenknechten de laan afkomen, zeker om bezit van het kasteel te nemen:.... en wat verder komt vader Syard in eigen persoon.... juist op gelijke afstanden, als de drie boden in de schilderij van den vromen Job. Ik had heden ten minste zes hoofden noodig;—maar alles met overleg! en wij zullen, den eenen voor, den anderen na, wel helpen. Ho! Peter! laat slechts één persoon te gelijk in!”

Peter, die aan de overzijde der valbrug stond, gehoorzaamde aan den gegeven last, en het poortje voor den hansworst openende, sloeg hij het weer dicht voor den neus der Stichtsche wapenknechten.

“Heer Ridder!” riep Daamke, zoodra hij Arkel zag (wiens waren naam hij niet kende): “daar zijn de Stichtenaars en komen het kasteel bezetten. Hun bevelhebber is, naar ik hoor, Wouter van IJselstein.”

“Onbekend, Goddank!” zeide Arkel: “welk een slag van een man is hij?”

“Een jonge, ruwe gast, naar mij toeschijnt,” antwoordde Daamke.

“Voortreffelijk! dan is er geen kwaad bij. Ga spoedig, met Barbanera, mijn twee dienaars roepen, en laten zij zich wapenen. Hei! Peter! ontsluit de poort voor de hoplui;—maar laat al wie verder komt tot nader order wachten.”

De poort ging weder open, en Wouter van IJselstein trad met een ander hopman binnen. Peter geleidde hen met alle deftigheid naar het zij vertrekje, waar Arkel gezeten was.

“Zijt gij de slotbewaarder?—of welke betrekking vervult gij hier?” vroeg IJselstein op een hoogen toon aan den Bisschop.

“Met uw verlof”, zeide Arkel, terwijl hij zonder op te staan, den vrager van ’t hoofd tot de voeten beschouwde: “wie zijt gij zelf, die mij hier vragen komt doen?”

De bevelhebber scheen eenigszins verrast door deze fiere toespraak; gelijk het meer gebeurt aan lieden, die een hoogen toon voeren, wanneer zij iemand vinden, die hen staan durft. Hij geraakte verlegen, en zag zijn makker zijlings aan.

“Welnu!” vervolgde Arkel, die zich als een kind vermaakte met de bedremmelde houding des hopmans: “ben ik u geen antwoord waardig? komt gij hier alleen binnenstuiven om weer terug te keeren als een schaatsenrijder, die de baan ten einde gereden is?”

“Wij komen hier,” antwoordde IJselstein, die zijn stoutmoedigheid had teruggevonden, “om het slot te bezetten in naam van het Bisdom van Utrecht.”

“Ik ken hier niemand dat recht toe,” antwoordde Arkel, “dan den Bisschop, mijnen Heer en den uwen. Hebt gij een lastbrief, door hem geteekend?”

“Vriend!” zeide IJselstein: “zoo gij een dienaar des Bisschops zijt, zult gij weten, dat hij bij zijn vertrek zijn gezag aan de Kapittels heeft overgedragen, uit welker naam ik spreek.”

“De Kapittels mogen vrij over kerkelijke aangelegenheden beschikken,” hernam Arkel, die er genoegen in vond, den hopman in de war te brengen, en tevens naricht zocht te bekomen omtrent sommige punten, waarin hij belang stelde: “maar zij hebben niets met des Bisschops bijzondere eigendommen te schaffen. Hier ben ik meester, tot zoolang zijn Hoogwaardigste terugkeert.”

“Dit slot is gebouwd tot dekking der grenzen,” zeide IJselstein: “en daar men eerstdaags oorlog met Holland verwacht, zoo heeft men begrepen, hier inlegering te zenden. Gaan de Kapittels hunne macht te buiten, zij mogen zulks aan den Bisschop verantwoorden: ik volg mijn last, en zal dit slot bezetten met mijn volk, zonder uw verlof te vragen.”

“Vergeet niet,” zeide Arkel, met een verachtelijken glimlach: “dat uw volk hier nog niet ingetrokken is. Voor ’t oogenblik ben ik nog niet in uwe macht: gij zijt in de mijne.”

IJselstein zag beurtelings den Bisschop en zijn makker aan. Men had hem binnen Utrecht verzekerd, dat er zich niemand op het slot bevond dan een oude dienaar: en hij stond verbaasd, een man te vinden, die als meester sprak.

“Hoe nu!” vervolgde Arkel, “zijt gij de brave borst, die dit kasteel tegen de Hollanders verdedigen moet? en de bloote stem van een wapenloozen man doet u beteuterd staan, ofschoon gij met u beiden, en in ’t harnas zijt?”

“Mijn Heer! wie gij ook wezen moogt,” zeide IJselstein, met fierheid: “weet, dat ik voor geen vijand sidder: en dat, zoo uwe woorden een beleediging insluiten, ik gereed ben, mij met u in besloten kamp te meten, waar gij goedvindt, alles ingevalle gij uit adellijk bloed gesproten zijt. Maar ik beken, ik sta versteld, hier iemand aan te treffen, die uit de hoogte tot ons spreken durft, en de macht der Kapittels in twijfel trekken.”

“Zoo! nu spreekt gij als ’t betaamt,” zeide Arkel: “hoor! ik laat mij wel vinden. Dezen namiddag kunt gij met uw volk hier binnentrekken,want ik ben verantwoord, zoodra gij met overmacht aankomt; maar het moet mij vergund wezen, voor dien tijd mijn zaken behoorlijk in orde te brengen.”

“Ik heb bevel,” zeide IJselstein, “geen oogenblik te vertoeven met het bezetten van het kasteel.”

“Zeer wel,” hernam Arkel: “maar het schikt mij nu niet, het u terstond te leveren; gij kunt uw volk gaan halen; maar dan breek ik de bruggen af en gij komt er toch niet spoediger binnen. Stem dus liever goedschiks in mijn voorslag.”

“Wie zijt gij toch?” vroeg IJselstein, hem met verbazing aanstarende.

“Wie ik ben doet niets ter zake. Neemt gij mijn voorslag aan, ja of neen?”

De beide hoplieden zagen elkander een poos besluiteloos aan, maar gaven eindelijk hun toestemming.

”’t Is wel, mijn makkers! Na den middag kunt gij hier vrij den meester komen spelen. Vaart nu wel.—Peter! leid die hoplieden uit en laat den huisman binnen, die aan de poort staat.”

“Victorie!” riep hij Barbanera toe, die hem na het vertrek der hoplieden naderde: “had ik een greintje beleefdheid gehad, die gansche bende ware reeds op ons dak;—maar ik heb hem de tanden laten zien, en de wolf zal niet in de kooi komen, voor de schapen er uit zijn. Hoor eens, Barbanera! die vrome monnik daar komt zijn Friesche Jonkvrouw zoeken; maar ik heb andere voornemens met haar; ik zal hem met een kluitje in ’t riet zenden: wacht gij hem af, wanneer hij zich verwijdert: beloof hem zijn Friezin terug en sluit hem onder ’t een of ander voorwendsel in de kelders van het slot.”

“Hoogwaardigste!” zeidede kokeler, verbaasd.

“Welnu! hebt gij mij niet verstaan? Vader Syard verraadt mij: en ik moet hem eenigen tijd afgezonderd houden;.... maar,” voegde hij er bij, als bedacht hij zich: “waar zijn uw bewijzen, dat die Reinout de zoon is van den Heer van Aylva.”

“Dat geheim is goud waard,” zeide Barbanera: “en ik ben de eenige, die er van bewust is....”

“Welnu!” zeide Arkel, een goudbeurs uithalende: “haast u: er is weinig tijds over, en zoo ik thans het geheim niet weet, zal het mij niet baten.”

“Ziehier,” zeide de kokeler, de beurs aannemende, “den brief, waarmede Bianca di Salerno haar zoon aan Carlo della Scala vertrouwde:—en hier den ring, dien Aylva aan zijn echtgenoote schonk.—Het overige is Reinout bekend.”

”’t Is wel,” zeide Arkel, den ring en het geschrift bij zich stekende: “zeg nu aan Peter, dat hij den monnik binnenlaat.”

Barbanera vertrok. “Sic vos non vobis!” dacht hij bij zich zelven: “de Bisschop zocht mij te verschalken en zelf den prijs voor het geheim in te oogsten; ik dorst hem de bewijsstukken niet weigeren:—hij had mij vermoord;—gelukkig heeft hij het beste stuk niet, morgen trek ik naar Den Haag, verhaal aan Graaf Willem, wat de vrome Jan van Arkel brouwt, ontvang een goede belooning, enzorg dat de Olderman daarna alleen door mij onderricht worde, wie zijn ware zoon is.”

Met deze gedachten zette hij zich onder aan de trap, zich verheugende over de toekomstige belooningen, die hij verwachtte. De ongelukkige dacht weinig, dat zelfs het goud, zooeven ontvangen, hem van geen dienst meer zijn zoude.

“Welnu! mijn waarde Pater!” zeide Arkel, zoodra vader Syard in zijn tegenwoordigheid stond: “hebt gij al eens over mijn voorstellen nagedacht? Hoe nu! geen antwoord! wat is er gebeurd? Uw oogen staan zoo verwilderd: uw gelaat is bleek als dat van een doode.”

“Hoogwaardigste!” zeide de monnik: “ik bevind mij in de uiterste verlegenheid. Ik had mij belast, om Jonkvrouw Madzy Dekama, welke de Graaf van Holland in het klooster te Rijnsburg wilde plaatsen, door het Sticht heen, naar Harderwijk te brengen, waar de Heer van Aylva haar wacht,.... en zij is dezen nacht uit de herberg verdwenen.”

“Gij verwondert mij,” zeide Arkel: “het was ook geene taak, passende aan een man van uwen stand en jaren, een jong meisje tot leidsman te strekken.—Maar wat kan ik daaraan doen?—ik ben geen omroeper.”

“O, wees edelmoedig, Heer Bisschop! ik ben een ijdele dwaas geweest. Ik heb gesteund op eigen krachten en ben beschaamd gemaakt. Maar wees grootmoedig! Gelast dat men haar zoeke. Zij moet hier ergens schuilen.”

“Mijn waarde Pater!” zeide Arkel op een deelnemenden toon: “ik ben hier geen meester. Wend u tot Wouter van IJselstein, die de Stichtsche benden aanvoert; klaag uw nood aan den Baljuw; dan hebt gij de burgerlijke en de gewapende macht op uwe hand.”

“En gij, zijt gij niet de Heer, het hoofd van beiden?” zeide de monnik met waardigheid. “Eén woord van uw mond en ik kan vrucht van mijn nasporingen verwachten. Weigert gij mijn verzoek, dan stoot ik overal het hoofd.”

“Gij zoudt dus verlangen, dat ik, om een weggeloopen deerne, mijn voornemen verzaakte en de vermomming afleidde, die ik zoo moeizaam bewaard heb?”

“Gij zult die toch niet lang meer kunnen bewaren; men is op het dorp reeds nieuwsgierig. Men wil weten, wie de vreemde Ridder is, die het slot betrokken heeft. Men voedt argwaan.... en al had men dien niet, uw eer, uw plicht gebieden....”

“Monnik!” zeide Arkel op een strengen toon: “wilt gij mij mijn plicht leeren?”

“Ja! dat moet ik, wanneer gij dien vergeet. Een kerk, als die van Utrecht, een welvarend land als het Sticht, moeten niet opgeofferd worden aan de dwaze grillen van ijdele staatzucht. Ik terg mogelijk uw gramschap; maar uw hart is te groot, te edel, om langer de rol vol te houden, die gij ter kwader ure gekozen hebt, die de omstandigheden voor een poos konden wettigen, maar die thans onbetamelijk, ja onstaatkundig wordt. Wees u zelf weer. Treed als een waardig kerkvoogd voor den dag en handel, gelijk het belang vande kerk en van den grond, dien gij beschermen moet, u gebieden.”

“Wij spraken over het schoone Friezinnetje, dat gij met u voerdet,” zeide Arkel op een ijskouden toon.

Vader Syard zag den Bisschop met zooveel ernst in de oogen dat deze, hoe hij ook altijd meester over zich zelven bleef, niet nalaten kon, die innige gewaarwording van onrust te gevoelen, welke den schuldige treft, wanneer hij den blik van een eerlijk man ontmoet. Hij begreep dus, het onderhoud te moeten afbreken, en zich in zijn zetel werpende: “Pater!” zeide hij: “ga uwe litaniën elders zingen: mijn tijd is te kostbaar om die aan te hooren.”

“Gij hebt gelijk,” zeide de monnik: “en elk oogenblik dat ik hier langer blijf is voor mij verloren. Heer Bisschop! vaarwel! ik ben slechts een arme monnik; maar God weet het, ik wilde niet met u ruilen.”

Met deze woorden verliet hij het vertrek. Aan de benedentrap gekomen, hoorde hij zich op eens bij zijn naam noemen: hij wendde het gelaat om en zag onder een donker afschutsel iemand staan, die hem wenkte te naderen.

“Wat wilt gij? wie zijt gij?” sprak de monnik: “mijn oogenblikken zijn kostbaar.”

“Piano! stille!” zeide Barbanera: “gij zoeke laSignoraDekama, isse so niete?”

“Hebt gij eenig naricht van haar?” vroeg de monnik, haastig naar hem toetredende.

“Zij isse hiere,nella potestà del signore Vescovo,” hernam de Italiaan: “hij eeft aar doen wegpak.”

“Die onverlaat! ik moet naar hem toe!”

“Pianodan!Silenzio! kom iere: ikke sal u brenk pij aar.Datemi la mano: is ier donkere.”

Dit zeggende, trok hij den monnik met zich mede in den kelder, aan wiens ingang hij zich bevond.

“Blijf mij ier wakte,” zeide hij: “ik zal kaan haalla Signora.”

“Blijft er beiden wachten, tot het jongste bazuingeschal er u uitroept,” zeide Arkel, die den monnik beneden gevolgd was: en hij sloeg de kerkerdeur met geweld dicht: “Ziezoo!” zeide hij: “daar zijn er ten minste twee, die mij vooreerst niet zullen hinderen.”

Vervuld van deze geruststellende gedachte, stapte hij de donkere gang weder uit, en zag den hansworst, die onder de hand eens naar het dorp geweest was, met een pak onder den arm en meester Cezar op den schouder, over de brug aankomen.

“Nog een bondgenoot,” dacht Arkel, “die uit den weg geruimd moet worden:—intusschen wil ik mij niet te ras van alle nutte werktuigen berooven. Die knaap weet niet wie ik ben; althans zoo Barbanera het hem niet verteld heeft.—In allen gevalle kan hij mij nog van dienst zijn. Ik geloof niet, dat hij verstand genoeg heeft om mij kwaad te doen.—Hola ho! meester Hans! wat brengt gij voor goeds?”

“Zoo ik niets goeds breng, breng ik althans goed,” zeide Daamke: “meester Barbanera heeft mij ingefluisterd, dat ik ongemerkt dekleeren van die weggeloopen deerne moest buitmaken en hier brengen. Ik heb van de drukte, die er aan denRoerdompis, gebruik gemaakt, en hier is de buidel.”

“Voortreffelijk;—maar wat is dat juweel, hetwelk uw broeder in de hand houdt?”—Dit zeggende wees hij op een schitterend kleinood, daar Cezar mede speelde.

“Bij mijn zolen!” zeide de hansworst: “dat schijnt wat fraais. Hier Cezar! voor den dag er mede.”

Maar de aap scheen niet genegen, zijn buit aan zijn meester af te staan. Hij schudde den kop, zag Arkel en Daamke beurtelings grijnzende aan, klemde het kleinood tegen de borst en poogde te ontsnappen. Eindelijk werden zijn beide tegenpartijders het pronkstuk meester, en nu zag Arkel duidelijk, dat het een gouden haarnaald was van een kunstig maaksel, waaraan een kostbare parel hing.

“Hoe komt het juweel in de handen van dat dier?” vroeg Arkel met bevreemding.

“Vermoedelijk heeft hij het buitgemaakt in het vertrek, waar de Jonkvrouw geslapen heeft, die hedenmorgen verdwenen is.”

Een snel denkbeeld, hetwelk hij terstond met welgevallen aangreep, kwam den Bisschop als een lichtstraal voor den geest. “Dit juweel,” zeide hij, “kan mij van dienst zijn! Hier meester Daamke! neem het terug, bestijg uw ezel, rijd naar Harderwijk:—daar zult gij de Friesche afgevaardigden vinden, wachtende op de Jonkvrouw en op vader Syard. Verhaal hun, dat beiden in handen van den Graaf zijn gevallen, dat gij dit gezien hebt, dat zij met u gesproken heeft, u verzocht heeft, dit aan haar naastbestaanden te melden, en u dit juweel ter belooning geschonken heeft: zeg hun, dat zij hen smeekt, haar hoon te wreken. Ga! een treffelijk loon wacht u, indien gij mijn bevel met beleid en spoed ten uitvoer brengt.”

“Maar,” zeide de hansworst, hem met wijdopgespalkte oogen aanziende: “’t is met dat al immers niet waar?”

“Om ’t even,” antwoordde de Bisschop: “wat gaat u dat aan? Is uw geheele leven niet een logen? Liegt gij niet op alle markten en kermissen, dat de steenen er van zweeten?”

“Nu ja,” zeide Daamke: “dat brengt mijn beroep mede en ieder gelooft er het zijne van; maar of nu dat Friesche volkje zich door een praatje om den tuin zal laten leiden, dat is nog de vraag: en die Seerp Van Adeelen draagt een broodmes op zijde, waar ik ongaarne kennis mee zou maken.”

“Zot! zij zullen uw verhaal evengoed slikken als de zoete koek, die zij bij de kaas gebruiken. Het staat aan u, uw verhaal met zulke versieringen te omkleeden, dat zij u wel zullen moeten gelooven. Ik heb u immers meer gehoord en weet, hoe geestig gij een vertelling weet op te smukken.”

Niemand is er op aarde, hetzij dan vorst of hansworst, of hij is gevoelig voor vleierij: en Daamkes eigenliefde vond zich dan ook door Arkels laatste woorden zoodanig gestreeld, dat hij de hem opgedragen boodschap aannam en zich verwijderde.

De Bisschop, na alvorens eenige woorden met den getrouwenPeter te hebben gewisseld, betreffende de wijze, waarop deze de gevangenen moest behandelen, begaf zich naar het vertrek van Madzy, die zich opnieuw in haar verwachting teleurgesteld vond, toen zij, in stede van den monnik, haar gastheer terugzag, wiens koel en ernstig wezen weinig goeds beloofde.

“Meisje!” zeide hij, op een langzamen, indrukwekkenden toon: “ik heb naar de herberg gezonden: maar men weet daar evenmin als hier, waar de man gebleven is, dien gij zegt, dat u vergezelde. De kasteleines kan niets tot uw voor- of nadeel getuigen: zij beklaagt zich alleen, dat gij bij nacht en ontijde haar huis verlaten hebt. Hier zijn uw kleederen, welke zij u terugzendt.”

Met deze woorden overhandigde hij haar het pakje, dat Daamke had medegebracht.

“Helaas!” zuchtte Madzy, met angstig handenwringen: “moet ik dan zoo miskend worden? o! ik smeek u, edele Heer! laat mij van hier gaan. Mijn paard staat aan de herberg: ik zal een wegwijzer nemen—maar ik moet weg:—mijn maagschap zal ongerust over mij wezen.”

“Gij zult gaan waarheen gij wilt,” zeide Arkel op een onverschilligen toon: “doch alleen laat ik u niet vertrekken. Het dorp is bezet en de weg vol krijgsvolk: een reis door het Sticht zou, voor een meisje alleen, gevaarlijk zijn. Gij zijt bovendien ongesteld en de arts verbiedt alle zware beweging. Maar ik heb u een anderen voorslag te doen. Het is mijn voornemen van hier te gaan; en zoo onze wegen niet te ver uit elkaar loopen, wil ik u gaarne naar het doel uwer reis voeren: een gemakkelijke draagstoel is tot uw dienst: en zoo gij niet gezien wilt wezen, zal u ook daartoe de gelegenheid verschaft worden.”

Madzy zag Arkel aan, terwijl hij sprak, als wilde zij in het binnenste zijner ziel lezen. Zijn woorden schenen verstandig: zijn aanbod was, in de omstandigheden, waarin zij verkeerde, hoogst aannemelijk: zij had des te minder aanleiding hem te mistrouwen, wegens de koele beleefdheid waarmede hij haar behandelde: en toch lag er in zijn toon en houding iets opgesloten, dat haar, zij wist zelve niet waarom, onwillekeurig huiveren deed. Zoo zeker is het, dat het bedrog, hoe listig het ook achter het masker der waarheid schuilen moge, altijd een kleur behouden blijft, welke heenschijnt door het vernis, waarmede het omtogen is, moeilijk te verbergen is voor het oog der rechtschapenheid, en evenmin kan weggenomen worden als de lucht der verdorven spijs, hoe ook met specerijen vermengd.

Arkel bemerkte den twijfel, welke Madzy omtrent de oprechtheid zijner bedoelingen scheen te koesteren. “Misschien,” zeide hij, “vreest gij u aan het geleide toe te vertrouwen van iemand, die u nog onbekend is. Gij zijt meesteres van te handelen zooals gij begeert. De hemel beware mij, uw vrijheid in ’t minst te belemmeren. Zoo gij het verlangt, zal een mijner dienaars u naar het dorp terugvoeren: maar ik herhaal u, gij zult het vol krijgslieden vinden. Wat meer zegt, eer een paar uur verloopen zijn, zal ook dit kasteelbezet worden. Zoo gij daarentegen in mijnen voorslag stemt, zult gij de bescherming genieten van den Ridder met den Rooden Adelaar, wiens wapenfeiten op het steekspel te Haarlem u misschien ter oore zijn gekomen.”

“Hoe!” zeide Madzy, verrast: “zijt gij die Ridder, door wien Reinout van Verona van ’t paard geworpen werd en die....”

Hier zweeg zij eensklaps; want zij voelde dat zij zich versproken had, en, zich de beschuldiging van paardendieverij herinnerende, vreesde zij te veel gezegd te hebben.

“Die ben ik,” zeide Arkel: “en gij, zijt gij niet de edele Jonkvrouwe van Dekama, wier weergade niet gevonden werd onder al de schoonen, die op het feest aanwezig waren?”

Madzy verbleekte. “Ridder!” zeide zij: “gij hebt mij herkend; o! bij al wat heilig is, maak geen misbruik van hetgeen u een toeval heeft doen weten.”

“Kon men u miskennen, na u eenmaal gezien te hebben?” zeide Arkel, den hoffelijken toon hernemende: “wel is waar; ik wilde in den aanvang mijn oogen niet gelooven; want ik kon niet beseffen, hoe de schoone erfdochter van Dekama in boerengewaad op den gemeenen weg zou liggen.”

“Ik reken,” zeide Madzy, “dat ik het aan mijn eer verplicht ben, u de omstandigheden te verhalen, welke aanleiding gegeven hebben tot mijn komst in dit kasteel.”

Hierop gaf zij hem een beknopt verslag van de redenen, die haar genoopt hadden in vermomming het Sticht te doorreizen, en van hetgeen haar in ’t holle van den nacht de herberg had doen ontvluchten. Arkel wist de verschijning van den boozen geest, dien zij waande gezien te hebben, niet anders dan aan een spel van haar verbeelding toe te schrijven; maar des te beter kon hij haar ontmoeting met Reinout oplossen. Hij verzweeg haar echter de aan wezigheid van dezen laatste op het slot, maar wist door een paar vragen behendig uit te vorschen, om welke redenen die Ridder des Graven dienst verlaten had.


Back to IndexNext