Elfde Hoofdstuk.

Elfde Hoofdstuk.Nu gaet verheugt ten rei en danst,Ghy die het hoofd met mirten kranst.Vondel, Salomon.Een schitterende rij van edellieden en jonkvrouwen begon zich reeds te vergaderen in de hofzaal op de markt1, waar het dansfeest, dat in ’t klooster minder voegde, stond gehouden te worden. Het oog kon zich niet genoeg verzadigen aan het beschouwen van de pracht, aldaar ten toon gespreid. Rijkedressoirenof buffetten, overdekt met kostbare lakens en tapijten, waren beladen met spijzen en dranken, in blinkende schotels en vazen van zilver en goud, waarop het licht flikkerde der toortsen en zoogenaamde danskaarsen, die schier ontelbaar aan den muur brandden, in koperdraad gevat of op koperen armblakers staande. Talrijke dienaars gingen rond met ververschingen, met taarten en pastijen, met galantijn en kruidkoeken, en wijn van allerlei soort: schitterend was de kleeding der dansgenooten van beide kunne; maar vooral en liefst vestigde zich het oog op de bevallige schoonen, welker uiterlijken tooi men weldra vergat om die begaafdheden te bewonderen, waarmede haar de natuur zoo mild bedeeld had.Nog was de dans niet aangevangen; maar in verschillende groepen, hier en daar verspreid, onderhield men zich over de onderwerpen, die aan de orde waren: de gehouden en nog te houden feesten. De woorden waren verschillend: maar de grondtoon der gesprekken was bijna overal dezelfde als die van latere en hedendaagsche partijen: de vermaken van den dag, de kleeding der dames, de ophanden zijnde huwelijken en tegenwoordige vrijages, een weinig kwaadsprekendheid en veel beuzeltaal. In een der hoeken van de zaal was men van ’t eene onderwerp op ’t andere aan de Friesche Jonkvrouw geraakt, welke men wist dat met de afgevaardigden was medegekomen.“Men zegt, dat zij zeer bevallig is,” zeide de jeugdige Ottilia van Naaldwijk, tot den heer van Walcourt, die zich nevens haar bevond.“Onmogelijk! schoon kan zij wezen; doch zeker recht en stijf als een boonstaak, en zonder gevoel noch leven.”“Neen in waarheid,” viel Oda van Wassenaar er tusschen in; “zij moet bekoorlijk zijn: en men beweert, dat zij beter te paard zit dan een Rijnsburger non.”“Oda! Oda!” zeide Ottilia, haar met den vinger dreigende, “gij zijt wederom boosaardig!”“Wat steekt daar voor boosaardigs in? Laat de Heer van Walcourt zelf beslissen, of hij ergens, ik zeg niet in zijn Henegouwen, maar in geheel Frankrijk, geestelijke zusters heeft gezien, die zoo vast in den zadel waren?”“En waarom,” zeide Walcourt, zonder dadelijk te antwoorden, “zoudt gij haar dat onschuldig vermaak misgunnen?”“Misgunnen! Ik zal er mij wel voor wachten; want dan had ik nooit gedaan. Het smart mij genoeg, dat mijne zuster het Rijnsburger pak heeft aangetrokken en ik niet.”“Dan ware immers de geheele adellijke jeugd wanhopend geweest,” zeide Walcourt.“Geene vleierij! daar heb ik bijna evenveel afkeer van als van de nieuwe hoeden, welke de Gravin wil invoeren. Zeg mij liever, om weer op ons gesprek te komen, zal dat Friesche wonder hedenavond verschijnen?”“Men zegt het,” antwoordde Walcourt.“Dan mogen wij onze sluiers wel laten halen en onze gezichten bedekken: anders verbleeken wij nog als sterren voor de zon.”“Indien haar schoonheid slechts niet bedorven wordt door die gekke kapsels die zij dragen,” zeide Ottilia: “maar wij zullen, geloof ik, niet veel gevaar loopen: ik heb zooeven van mijn vader vernomen, dat zij niet komen wil.”“Niet komen wil!” hernam Walcourt: “een Jonkvrouw, die een uitnoodiging weigert tot een danspartij. Inderdaad! dan is zij wel een uitzondering, en verlang ik dubbel haar te leeren kennen.”“Wacht!” zeide Oda: “daar is onze Italiaan; die is bij haar geweest, hij zal ons best bericht kunnen geven. Ridder Deodaat! een woord, zoo ’t u gelieft.”Deodaat trad nader: “kan ik,” zeide hij: “de schoone Oda van eenigen dienst zijn?”“Wij wilden van u vernemen, of dat Friesche mirakel ook ten hove komt,” zeide Oda.“En of zij waarlijk zoo schoon is, als men zegt,” voegde Ottilia er bij.“En zoo voortreffelijk te paard zit.”“En zulk een gek kapsel heeft.”“Schoone dames!” zeide Deodaat: “vergunt mij een oogenblik adem te halen:—wat de schoonheid der Friesche Jonkvrouw betreft, geloof ik dat haar niemand die zal betwisten, te meer, daar zij er geenszins hoovaardig op is.”“Ik geloof,” zeide Oda: “dat in die woorden iets ligt besloten, dat een zijdelingschen zet moet beteekenen.”“Vooral niet.—Over haar kleeding zou ik liever het oordeel van bevoegde rechters zooals gij vernemen; want ik durf mij niet vermeten tusschen klapmutsen enhéninsen oordekkers2te beslissen:dit alleen durf ik te zeggen, dat haar gelaat onder alle hulsels bevallen zou.”“Waarlijk Ridder!” zeide Ottilia: “ik geloof dat gij verliefd zijt op die overzeesche tooveres: nu kleur maar niet: er steekt geen kwaad in.”“Ik, lieve Jonkvrouw!” antwoordde Deodaat: “een Ridder zonder land en goed, en wien men gisteren nog een deugdzaam paard ontstal, heeft het recht niet om te verlieven;—anders had ik niet zoolang daarmede gewacht,” voegde hij er met een beleefde buiging bij.“Nu verder,” zeide Walcourt: “haar rijkunst....?”“Is voortreffelijk; doch ik moet er bijvoegen, dat die Friezen uitmuntende paarden op stal hebben.”“De slotsom van dit alles is dus,” hervatte Oda, “dat dit meisje een juweel is van het zuiverste water, en dat, als zij verschijnt, wij andere Jonkvrouwen geen Ridder meer aan onze zijde zullen vinden, en onze toevlucht tot een karoledans3zullen moeten nemen;—maar dat is nu de groote vraag: komt zij?—Of neemt zij alleen den wierook van hare Friesche aanbidders aan?”“Ziedaar een vraag, waarop ik het antwoord zal moeten schuldig blijven,” zeide Deodaat: “de tijd zal het moeten leeren.”“Maar in ’s Hemels naam,” hernam de levendige Oda: “zeg mij toch! wie is die kaalgeschoren liefhebber daar? Hemel! nu zag ik nooit iemand, die meer op een aangekleeden zeehond geleek dan hij.”“Zoo gij,” antwoordde Ottilia, “gisteren met ons op den Vogelesang geweest waart, hadt gij den held leeren kennen. Hij is een der Friesche afgevaardigden: en ginds is de andere in gesprek met den Heer van Beaumont.”“Nu! die heeft ten minste het uitzicht van een gewoon mensch,” zeide Oda: “maar deze kermisbeer! wat kijkt hij ons vervaarlijk aan.”Hij, die het voorwerp was van deze liefderijke aanmerkingen, wandelde met langzame, zware stappen de zaal op en neder, ter prooie aan al de onaangename gewaarwordingen van iemand, die zich misplaatst en daardoor kwalijk op zijn gemak gevoelt in het gezelschap, waar zijn ongelukkig gesternte hem gevoerd heeft. Zonder verlegenheid, zonder blozen, had Adeelen zich dien namiddag voor den zetel des Graven bevonden en er zijn trotsche taal gevoerd;maar hier ontzonk hem de moed bij de schalksche en spotachtige blikken der jeugdige schoonen. Hij rekende zich eindelijk gelukkig, een paar Geldersche en Overijselsche edelen te vinden, met welke hij vroeger kennis gemaakt had en die zich thans zijn gezelschap niet schaamden. Te meer was hem zulks welkom, omdat hij, voornemens zijnde op het steekspel te verschijnen, deswege eenige inlichtingen wenschte te verkrijgen.Weldra kondigde een luidruchtige muziek de komst aan van het Grafelijk paar. Willem had een vroolijk en zelfs eenigszins spotachtig voorkomen; hij wendde zich meer dan eens naar den kant waar zich Aylva of Adeelen bevond en wreef zich de handen met innerlijke tevredenheid, welke aan Deodaat niet ontging, die den uitslag van des Graven voornemen met onrust en nieuwsgierigheid afwachtte.Dadelijk na de verschijning van het doorluchtige paar was de dans begonnen, en vroolijk zwierde de luchtige jeugd de zaal op en neder.“Hoe komt het toch,” vroeg Oda in eene der tusschenpoozen aan Deodaat, “dat men uw vriend Reinout nergens verneemt? gij waart anders altijd onafscheidbaar.”“Daaraan dacht ik juist,” antwoordde Deodaat op een bezorgden toon: “ik veronderstel, dat hij bezig is een bevel des Graven ten uitvoer te leggen.”“Wie weet,” zeide de Jonkvrouw: “hij is misschien uw bekoorlijke Friezin gaan troosten; want het schijnt toch stellig zeker dat zij niet komt:—dan hoor: de muziek begint opnieuw.... die vioolspeelster krast ook als een schorre katuil!.... is het alweer dansenstijd?.... neen, dat is geene danswijs: het is een aankondiging van nieuwe gasten. Wie kan men thans nog wachten?.... Welnu, waarom kleurt gij weer zoo?.... Sinte-Clara! wie is die Oostersche Prinses?.... Ridder Deodaat!.... maar waar is hij?.... Aha! nu begrijp ik!....”Deodaat had naar de deur gezien, en ofschoon eenigszins voorbereid, hij stond toch van verbazing getroffen, toen hij, aan de hand van Reinout, de Roos van Dekama zag binnentreden, in den rijksten dos gehuld, en bloeiender dan immer. De Graaf, die haar blijkbaar had verwacht, trad terstond naar haar toe, nam haar eerbiedig bij de hand, welke Reinout losliet, en geleidde haar onder een heusche betuiging van welkom bij de Gravin.Dit alles had zoo spoedig en zoo achtereenvolgens plaats gehad, dat niemand tijd had gevonden, van de eerste verwondering over die onverwachte verschijning terug te komen. Aylva, in onderhoud gewikkeld zijnde, had Madzy niet eerder herkend, dan toen zij reeds bij de Gravin stond, en hoewel hoogst verbaasd en gebelgd over dit zonderling geval, had hij begrepen een geschikter oogenblik te moeten afwachten om zijn ontevredenheid te kennen te geven. Adeelen was, gelijk men denken kan, op het zien van Madzy in felle gramschap ontstoken, en had zich terstond begeven naar de zijde, waar deze zich bevond; doch, daar gekomen, was reeds detoevloed der nieuwsgierigen zoo groot, dat hij er niet doorheen kon breken zonder geweld te gebruiken. Hij wilde echter een poging doen en schoof reeds een paar jonge knapen, die hem in den weg waren, vrij onzacht ter zijde om door te dringen, toen Oda van Wassenaar, die door het gevolg van deze beweging mede een duw kreeg, hem van ’t hoofd tot de voeten aanzag, terwijl zij op een scherpen en luiden toon zeide: “wie is die lompe dorper, die zich hier een weg maakt alsof hij aan ’t biezen snijden ware?”“Schaam u! terug!” riepen als uit éénen mond de omstanders; terwijl zij Adeelen wederom achteruithaalden. De Fries trad gedwongen terug en ontmoette Reinout.“Door welke helsche kunstgrepen,” zeide hij, “hebt gij Madzy van huis weten te lokken?”Reinout antwoordde alleen door een schaterend gelach; maar op het zien van Deodaat, die bij de aankomst van Madzy teruggeweken was en zich nu toevallig in zijn nabijheid bevond, betrok zijn gelaat.“Een kunstgreep, Ridder Reinout! Eilieve! verhaal ons toch....” riepen Ottilia en Oda en nog eenige Jonkvrouwen, van alle zijden toeschietende en als uit éénen mond: “is zij niet vrijwillig gekomen?”“Zij had geweigerd,” antwoordde Reinout, een zegepralenden blik op Adeelen slaande: “of liever, men had voor haar geweigerd.”“Welnu! en verder?”“De Heer van Beaumont en haar voogd dragen gelijke halsketens, hun beiden ter gelegenheid van ik weet niet welken veldtocht door den vorigen Graaf vereerd. Dit wist de Graaf: hij liet onder zeker voorwendsel aan zijn oom zijn halsketen afvragen: en, zoodra de gasten hier waren, zond hij mij naar de schoone Friezin om haar uit naam van haren voogd te gaan afhalen. Zij wilde eerst mijn boodschap niet gelooven; maar toen ik haar den talisman vertoonde en haar zeide, hoe Seerp Van Adeelen er sterk op stond, dat zij komen zoude....”“Een gevloekte leugen!” viel Adeelen met heftigheid in.“O! dat hebt gij niet gezegd, Ridder Reinout!” zeide Oda: “welke Jonkvrouw zou komen op het verlangen van iemand, die dames uit den weg zet, of het vouwstoelen waren.”“Indien men,” zeide Adeelen, “hier ten hove slechts genoodigd is om tot een doelwit van bespotting te strekken....”“Dan is het zeker beter, hoe eer hoe beter weder te vertrekken,” zeide Oda, den zin besluitende.“Ja! ik zal van hier gaan,” zeide Adeelen: “doch niet zonder Madzy.””’t Is de vraag, of de Graaf van ’t zelfde gevoelen zijn zal,” merkte Reinout aan.“Zie,” zeide Oda, “de kring opent zich. De Graaf treedt met haar vooruit. Inderdaad! zij is allerliefst: en welke rijke kleeding! ’t Is wat vreemd! maar ’t staat toch niet kwaad. Wat is dat voor een net, dat zij op den rug draagt? o! ’t zijn hare haren.”Er was eenige boosaardigheid in deze laatste aanmerking, ofschoon de vergelijking niet onjuist was. De raafzwarte haarlokken van Madzy, van boven bedekt door een klein mutsje of kapje, dat van edelgesteenten fonkelde, waren naar achteren gebracht in twee vlechten, die, langs den rug afdalende, onder den vergulden gordel doorliepen en zich daar verdeelden, elk in een tiental tressen met gouden lussen omwonden en in kwastjes uitloopende.“Die gouden oorijzers staan goed,” zeide Ottilia: “maar ik vind het mutsje verschrikkelijk plat.”“Dat mutsje beteekent,” zeide Oda: “zooveel als een stroobosje aan een paard.”“En hoe dat?” vroeg Ottilia, eenigszins verwonderd.“Wel,” hernam Oda: “dat zij nog te koop, of, met andere woorden, nog vrijster is: de getrouwde vrouwen alleen mogen in Friesland een hoofdwrong dragen .... maar wie heeft ooit gehoord dat men met een voorschoot op een feest kwam?”“Dat zal bij ’t kostuum hooren,” zeide de goedhartige Ottilia: “bovendien, ik vind, dat het gewerkte boezeltje zeer aardig afsteekt op dat breed geplooide kleed: ik zou benieuwd zijn te weten, hoe men die gouden roosjes op de roode strepen en randen zet.”“Zij gaat zeker op het steekspel een lans breken,” vervolgde de bijtende Oda: “zij is immers reeds half geharnast.”“Geharnast of niet: ik heb nooit zulk een pracht van gespen en ketenen en armbanden gezien....”“Zonder eens te spreken van dat sauskommetje met edelgesteenten dat zij op de borst draagt .... ik vind maar die bloote armen wat onhebbelijk.”Hier verliet Reinout de dames, hoogst gebelgd over hare opmerkingen. Ook zij traden ter zijde, daar de Graaf haar voorbijging. Alleen Adeelen was blijven staan, misschien om, zooals Oda beweerde, Holland voor Friesland te doen wijken. Intusschen waren van de tegenovergestelde zijde Beaumont en Aylva toegetreden, zoodat de beide partijen elkander onderling midden in de zaal ontmoetten.“Edele Aylva!” zeide de Graaf beleefdelijk: “wij stellen uwe pupil weder in uwe handen en bidden u om verschooning, dat wij list gebezigd hebben om haar herwaarts te krijgen; doch waarlijk, deze prijs was meer waardig dan de onnoozele schaapsvacht, welke, zooals Jasper De Vinder verhaalde, door den dapperen Ridder Jason aan de Turken bij de Zwarte Zee werd ontroofd: en wij konden niet gedoogen, dat zulk een juweel binnen onze staten zoude aanwezig zijn en niet te voorschijn gebracht worden.”“Hoe!” zeide Madzy verbaasd: “is het niet met de goedkeuring van mijn voogd, dat ik hier kom, en is deze keten....”“Graaf!” zeide Beaumont, die nu eerst inzag, hoe het geval zich had toegedragen: “had ik geweten dat mijn halsband had moeten dienen om hier bedrog te plegen, ik had dien liever in ’t Sparen geworpen dan hem u te leenen.”“Nu Oom!” zeide de Graaf: “zult gij u over een onschuldige kortswijl vertoornen? Zie slechts, de edele Aylva is niet langer verstoord.”“Ik geloof niet,” zeide Aylva, bedaard, “dat hier eenig oogmerk bestond om ons te beleedigen; en waarom zoude ik dan verstoord blijven? doch....” hier schudde hij bedenkelijk het hoofd:“Welnu!” vroeg Willem: “wat schuilt er nog?”“Men mompelt,” fluisterde de Olderman den Graaf in ’t oor, “dat Floris de Vierde vermoord werd om een even onschuldige boert met de Gravin van Clermont.”“Wat meent gij?” riep de Graaf verrast en verstoord.“God geve dat de toepassing geene plaats vinde,” zeide Aylva.“Amen!” hernam de Graaf, en zich terstond met een lachende tronie omwendende: “welnu jonker Seerp!” zeide hij: “hoe staat gij daar zoo in u zelven gekeerd? Wij brengen u uwe verloofde terug: het was immers niet betamelijk, dat gij zonder haar ons feest bezocht.”“Ik zal de verplichting, die ik u schuldig ben, nimmer vergeten, Heer Graaf!” zeide Adeelen: “en hoop u eenmaal mijn erkentenis te bewijzen.”“Gij kunt dit terstond doen,” zeide Willem: “door aan de schoone Jonkvrouw de gelegenheid te verschaffen, hare danskunst te doen bewonderen. Komt! muziek daarboven! een nieuwe dans aangevangen!” Dit gezegd hebbende, wendde hij zich af.“Wil hij mij laten dansen?” vroeg Adeelen: “bij Sint-Nicolaas! dat zal niet gebeuren! Ik hoop dien vermetelen Graaf eerlang een dans te laten doen, die hem minder smaken zal. En gij mijn schoone! zoek u vrij een dansgezel uit. Seerp Van Adeelen verkiest niet langer de speelpop van dit gezelschap te zijn.”Met deze woorden verliet hij de zaal, waar niemand hem miste noch betreurde. Reinout was nu terstond bij de hand om zijne plaats in te nemen en Madzy verschooning te verzoeken voor het deel, dat hij in ’s Graven list had gehad. Hoewel nog ontevreden, zag zij zich wel genoodzaakt, hem vergiffenis te schenken, en als een bewijs daarvan de hand te aanvaarden, welke hij haar aanbood om haar ten dans te geleiden, en de zoetigheden aan te hooren, waarmede hij haar overlaadde. Gelukkig belette haar de muziek weldra die te verstaan, en toen zij eenmaal gelijk een vlugge luchtgeest langs de blijde rijen zweefde, vergat zij (en welk meisje doet het niet?) den toorn van haren verloofde, ja de geheele wereld, in de tuimelingen van den dans.Terwijl zij in eene der tusschenpoozen stilstond in de rij, en Reinout haar verlaten had om eenige ververschingen voor haar te halen, naderde haar Deodaat, die haar zijn genoegen over hare komst betuigde.“Ik had u al gezocht, Ridder!”—zeide zij met een gulle vriendelijkheid, welke hem verrukte: “het spijt mij, dat gij heden ongelegenheid hebt gehad om mijnentwil. Het berouwt mij waarlijk, in Holland te zijn gekomen.”“Waarom zou het u berouwen? Ik zie niet, wat u beletten kan, hier een ongestoord genoegen te smaken: de aanleidende oorzaak van den twist is in vrijwillige ballingschap gegaan.”“Voorzichtig! gij spreekt van Seerp Van Adeelen en ik mag geen kwaad van hem hooren.”“Moet hij dan stellig uw echtgenoot worden? Gij zijt tot nog toe een roos zonder doornen.”“De toekomst is in Gods hand,” zeide Madzy, met een zucht: “doch waarlijk, Ridder! gij doet Adeelen onrecht: hij heeft zich aan u alleen van een ongunstige zijde voorgedaan; maar zijn hart is goed, zijn moed onloochenbaar, zijn aard opgeruimd en gedienstig, wanneer er zich geen volksgeest in ’t spel mengt:—en altijd heb ik hem als mijn broeder geacht. Hij bemint mij oprechtelijk, met warme liefde: hij zou voor mij in een vuur vliegen: en zoo hij heden onbillijk streng jegens mij was, dit spruit alleen uit de gewoonte, welke hij, zooveel ouder zijnde, van kindsbeen af gehad heeft, om mij als zijn vrouwtje te beschouwen. Dit doet hem somtijds een meesterachtigen toon aannemen, die, ik gevoel het, aan vreemdelingen belachelijk of aanstootelijk moet voorkomen.”Hier zweeg Madzy op eens, blozende, dat zij zoo vertrouwelijk met iemand gesproken had, wien zij eerst zoo kort had leeren kennen.“Gij bemint hem dan wel,” zeide Deodaat.“Ik bemin hem als mijn broeder, gelijk ik u gezegd heb,” zeide Madzy, eenigszins verlegen de oogen neerslaande.“Gij zoudt den man dan wel haten,” vervolgde Deodaat, “die een geleden beleediging op uw aanstaanden echtgenoot zocht te wreken.”“Ridder!” zeide Madzy, hem met een vervaarden blik aanziende: “Om Gods wil! wat beteekent deze vraag?”“Gij weet, edele Jonkvrouw! welken hoon ik van uw verloofde heb moeten ondervinden. Kan een dergelijke terging, in ’t bijzijn van getuigen ondergaan, anders dan met bloed worden uitgewischt?”Madzy zweeg een wijl en zag toen Deodaat vreesachtig aan: “Ik heb wel eens gehoord,”zeide zij, “dat gij Italianen wraakzuchtig zijt;.... maar neen: gij hebt toch niet het uitzicht van iemand, die zich van een moorddolk bedienen zoude.”“Ik ben Ridder, Freule! en alleen op een Ridderlijke wijze kan ik mijn geschonden eer terugbekomen.”“Ik heb van uw Ridderwetten gehoord,” hernam Madzy, voor zich ziende: “en Adeelen zelf zou niet begeeren, dat ik u afhield van te handelen gelijk die wetten voorschrijven;.... maar o God! is dit een vraag om aan een meisje voor te stellen? en in een oogenblik als dit?”“Ik gevoel, dat het onderwerp van mijn gesprek ongepast is: doch in ernst, het is niet ontijdig.—God weet, of het mij immer weer vergund wordt met u een woord te wisselen. Een enkel woord van uwen mond, en die Adeelen zal niets van mij te vreezen hebben?”“Eén woord! en welk moet dit zijn?” vroeg Madzy, bevende.“Dat gij hem lief hebt, dat gij hem als uw minnaar, als uw gade bemint.”Madzy werd doodsbleek: “en gij zoudt uwen hoon verkroppen, wanneer ik die betuiging deed?” vroeg zij, overmand door honderd tegenstrijdige gewaarwordingen.“Neen,” hernam Deodaat: “maar ik zou uwe liefde en de mijne tevens in ’t oog houden: alles kan ik doen, behalve uw geluk verstoren.”Op dit oogenblik kwam Reinout terug en wierp een woedenden blik op Deodaat, zoodra hij hem in de nabijheid van Madzy en te gelijk de bleekheid van deze bespeurde. “Vergeef mij,” zeide hij: “zoo ik een aangenaam onderhoud kom storen; maar de dans vangt weder aan: en ik kom de mij toegezegde hand terugeischen.”Madzy, verward en ongerust, was blijde over dit voorwendsel, om een gesprek af te breken, waaruit zij zich niet wist te redden, en, de hand van Reinout nemende, volgde zij hem met een stillen zucht, die aan geen van beiden ontsnapte.1Tegenwoordig het Stadhuis.2De klapmuts had den vorm van een dwars opgezetten bisschopsmijter met de kleppen op zijde: dehéninwas een hooge hoed in den vorm van een suikerbrood, van welks punt een sluier afhing: de oordekker was een klein platmutsje met twee dikke kussens, welke de ooren en de slapen bedekten en met juweelen en goud bedekt waren.—Van deze drie hoofdsieraden heeft het suikerbrood, schoon zeker het onbevalligste, het langst, ja over de twee eeuwen stand gehouden.3Denkaroledansvind ik vermeld in denTournoi de Chauvenci, gegeven in ’t laatst der XIIen eeuw, beschreven door Jacques Bretex, in deze woorden:Les dames main à main se tiennentEt tous ainsi comme elles viennentSe prend chascune à sa compaigne,Ne-nus hors ne s’i acompaigne,Ainsi s’en vont faisant le tor.Twaalfde Hoofdstuk.Doe op en vrees niet: ’k ben uw vrient.’t Is avont, en een tijt, dat ons geen vrientschap dient.Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.Seerp Van Adeelen had, gelijk wij gezien hebben, het feest in drift verlaten. Daar zijn dienaars en die van Aylva met de paarden waren teruggereden, met last om hen weder tegen den afloop der partij te komen afhalen, zag hij zich genoodzaakt te voet huiswaarts te keeren. Hij legde echter den weg naar het oude klooster af met al dien spoed, welken gewekte drift kan veroorzaken, en, onder het overpeinzen van al de middelen, welke wraakzucht hem aan de hand kon doen, bevond hij zich, eer hij er om dacht, bij het weiland, van waar hij de sombere daken van zijn tijdelijk verblijf boven het geboomte zag oprijzen. Tot zijn bevreemding zag hij door de kleine zijpoort, die met de weide gemeenschap had, eenig licht schemeren. Wanneer men gramstorig is, verschaft zelfs de geringste omstandigheid nieuwe redenen tot ongenoegen. “Die vlegels!” dacht hij: “daar hebben zij weer de zijdeur opengelaten. Zeker zitten zij in kroegen en kitten te zuipen en laten het huis ter prooi aan elken voorbijganger!”Hij nam, ten einde zich van de waarheid zijner vermoedens beter te overtuigen, den weg langs het ons bekende pad over de weide, trad onverhinderd in huis, en stapte, eer iemand hem had opgemerkt, de bakkerij1binnen, waar Feiko, Sytsken en ettelijke dienaars bij de bierkannen vergaderd zaten en aandachtig luisterden naar de oude legende betreffende den draak van ’t Roode Klif te Stavoren, welke hun een leekbroeder van Sint-Odulf verhaalde.“Wat is dit, schobbejakken?” zeide hij: “dat gij op dit uur met opene deuren zit?”De dienaars, wanende dat de vurige draak, waar zij van hoorden, op eens in hun midden verscheen, sprongen verschrikt op, en de verteller sloeg een kruis. Toen Adeelen intusschen zijn vraag herhaald had, en men hem herkende, betuigde Feiko niet te weten, waarvan de Jonker sprak, daar hij zelf al de grendels had dichtgeschoven.“Ik ben dus, volgens u, door het sleutelgat gekropen?” vroeg Adeelen: “en om uwe nalatigheid te bewimpelen, wilt gij mij aan het bezit mijner vijf zinnen doen twijfelen? sluit terstond de zijdeur dicht. En zeg mij, waar is de Abt?”“Zijn Eerwaarde is sedert een uur ter ruste gegaan,” antwoordde de kloosterling.“En vader Syard?”“In zijn cel.”“Ga! wek hem en zeg, dat ik hem wensch te spreken; of neen, ik zal zelf gaan.” En, een licht van de tafel nemende, begaf hij zich uit het vertrek.De kamer, welke door vader Syard bewoond werd, was de laatste van een menigte cellen, alle op een lange smalle gang uitkomende, en volkomen gelijk in grootte en vorm, hebbende te voren gestrekt tot verblijf der Sint-Jans-Heeren en thans tot tijdelijke huisvesting der dienaars van het gezantschap. Elke cel was gesloten met een deur van dikke greenhouten planken, over wier ruwheid nimmer een schaaf scheen te hebben gegaan, en veel minder eenige verf: midden in die deuren was ter hoogte van het oog een kleine vierkante opening, van buiten met een schuif voorzien, door welke indertijd de pater Guardiaan zich ’s avonds bij het doen zijner ronde kon verzekeren dat de bewoner der cel aanwezig was. Bij zijn nadering zag Adeelen door die opening een lichtstraal schijnen, welke aan de overzijde tegen den witten wand van het portaal werd teruggekaatst. Deze omstandigheid deed hem het besluit opmaken, dat de monnik nog wakker was: daar hij in een tegenovergesteld geval het licht wel zou hebben uitgedaan, alvorens hij zich ter ruste begaf. Dan, toen hij een paar stappen verder gedaan had, was het licht eensklaps verdwenen. Eenigszins verwonderd trad hij toe en, voor de deur der cel blijvende staan, riep hij met een halfluide stem door de opening: “slaapt gij reeds, vader Syard?” Hij ontving echter geen antwoord, maar hoorde nu dat de vrome monnik bezig was om in diepe duisternis zijn avondgebeden op te zeggen.“Vader Syard!” herhaalde hij luider: “kunt gij uw litanieën niet nog wat uitstellen? Ik wensch u te spreken: kent gij mij niet? Ik ben Seerp Van Adeelen! Nog eens, stel dat gebabbel uit: ik moet u noodzakelijk spreken.”Ziende, dat er geen middel was om zich van het bezoek te ontslaan, stond de monnik op van de plaats, waar hij lag neergeknield, en ontsloot de deur. Adeelen trad binnen: de vreemde handelwijze van den pater had eenig vermoeden bij hem doen ontstaan. Hij lichtte zijn lamp omhoog en zag de cel rond: een werk dat spoedigverricht was, daar het lokaal niet veel breeder was dan de deur, waardoor men er binnenkwam, aan de eene zijde alleen een gekalkten wand vertoonde met menie geverfd, daar tegenover een slaapstede in den muur, met twee deuren gesloten, en over den ingang een raam, waaronder de tafel stond, die, benevens een koperen kruisbeeldje, een waterkruik en een houten zitbankje, het geheele huisraad der kamer uitmaakte.“Gij zijt hier voorwaar niet prachtig gehuisvest,” zeide Adeelen, terwijl hij de lamp op de tafel en zijn persoon op de bank nederzette.“Ik heb meer dan het benoodigde,” zeide de monnik, die met gekruiste armen voor hem stond: “mag ik weten wat u zoo onverwacht hier doet komen? Het feest kan toch nog niet afgeloopen zijn.”“De duivel hale het feest en allen die er op zijn.”“Gij sluit, hoop ik, den edelen Aylva uit en Madzy Dekama, die gelijk ik verneem, mede naar die samenkomst van dwazen is vertrokken. Het heeft mij verwonderd, dat een wijs man als haar voogd....”“Een schandelijk bedrog is jegens ons gepleegd: de oude gek is laf genoeg, het te verschoonen: Seerp Van Adeelen zal het nimmer vergeven.”“Bedaar!” zeide de monnik: “het is een wijs voorschrift, dat men zijn gramschap moet uitslapen. Ga naar bed, Adeelen! morgen zal ik met aandacht luisteren naar ’t geen gij mij te melden hebt.”“Morgen!—morgen ontbreken ons wellicht tijd en gelegenheid: ik zal geene rust kunnen smaken voor ik lucht heb gegeven aan mijn verkropten spijt. Maar ik ben dorstig, en ik haat te spreken zonder de lippen te bevochtigen. Hebt gij hier niets te drinken?”“Geen anderen drank,” zeide vader Syard, de waterkruik toonende, “dan dien welke de duinwellen opleveren.”“Zoek wel,” zeide Adeelen: “ik houde mij overtuigd, dat de cel van een Sint-Odulfschen kloosterbroeder iets meer bevat. Bij mijn laatste bezoek heb ik althans gemerkt, dat uw oude pater Agge een lieven voorraad echten Niersteiner onder zijn bedstede bewaarde.”“Ik onderzoek niet wat anderen doen,” hernam de monnik op een gestrengen toon: “mits ik zelf de voorschriften mijner orde nakome.”“Zeer billijk. Maar misschien is het beter, dat ik voor deze reis uwen regel volge, en mij met water vergenoege. Mijn bloed behoeft niet meer verhit te worden.”“Inderdaad!” riep vader Syard, verbaasd over deze woorden, de wijste, welke hij Adeelen ooit had hooren uitspreken, en nog meer over de gretigheid, waarmede hij hem de kruik aan den mond zag zetten.“En nu tot de zaak!” zeide Adeelen: “luister! en oordeel, welke wraak Adeelen nemen moet van hen, die hem zoo schendig durven beleedigen;” en hij gaf den monnik een volledig verslag van hetgeen er was voorgevallen op het feest en van de list, waarvan men zich bediend had om Madzy derwaarts te lokken.“En op welke wijze denkt gij dezen hoon te wreken?” vroeg vader Syard na eenige oogenblikken zwijgens.“Nog ben ik daarvan niet bewust; maar dit weet ik, dat ik niet tevreden wezen zal, voor ik dien hoogmoedigen Graaf zal geleerd hebben, wat het zegt, een Frieschen edelman te hoonen.”“Gij ontzegt hem dan?” vroeg de monnik.“Ik heb hem niets te ontzeggen; want ik heb hem nooit als mijnen Heer erkend; maar ik verklaar hem oorlog: oorlog, eeuwigen oorlog aan den Graaf van Holland.”“Amen!” zeide een doffe stem, welke uit den grond scheen te komen.“Wie sprak hier?” riep Adeelen uit, zich snel omwendende.“Wie weet het?” antwoordde de monnik, eenigszins onthutst: “wellicht een dienaar, die zijn avondgebed besluit in eene der naaste cellen. Er is slechts een planken beschot tusschen de bedsteden. Het is hier gehoorig; daarom wilde ik liever ons onderhoud tot morgen hebben uitgesteld.”“Gij bedriegt u. Al de dienaars zitten in de bakkerij: de naaste cellen zijn ledig; maar de uwe besluit misschien meer toehoorders dan u.” Dit zeggende stond hij op, zag vader Syard aan met een argwanenden blik en wendde vervolgens het oog naar de bedstede. “Die deuren,” vervolgde hij, “zijn dicht genoeg om een verspieder te verbergen.” En meteen leide hij de hand op den wervel.“Laat af!” riep de monnik, hem weerhoudende: “het is nog de tijd niet.”“Ik wil zien wat hier schuilt,” zeide Adeelen, hem terugstootende: “aha! wat hebben wij daar?”De dubbele deur der slaapplaats was opengevlogen, en had aan Adeelen een man vertoond, die half gezeten was en half nederlag op een peluw. In de eerste verbazing had Adeelen zijn dolk gevat; maar, de bedaarde en rustige houding des onbekenden bemerkende, het moordtuig weder in de scheede gestoken, en zich vergenoegd met een straffen blik te vestigen op hem, die zich verstout had, het gesprek te beluisteren. Die beschouwing viel niet geheel ten nadeele des vreemdelings uit. Deze scheen een jongeling van omstreeks dertig jaren: zijn kleedij kon moeilijk doen raden tot welken stand hij behoorde, maar vormde veeleer een mengelmoes, dat alle standen aanduiden kon. Over de groene kiel eens boogschutters was een monnikskleed als een omslagdoek heen geslingerd: aan de voeten pronkten laarzen, wier gouden sporen bij het lamplicht schitterden: de hozen waren rood evenals het ondervest; sierlijke blonde haarlokken krulden om het hooge voorhoofd, dat met een gemeene boerenmuts bedekt was: de regelmatige gelaatstrekken, de arendsneus en dunne lippen gaven moed en onversaagdheid te kennen; doch de hazelbruine, levendige oogen schenen tevens vernuft en loszinnigheid van karakter aan te duiden. De mond was tot een glimlach vertrokken, en de geheele houding des onbekenden, zooals hij daar uitgestrekt was, het hoofd half leunende in de linkerhand, terwijl de rechter, aan wier voorste vinger een schitterende ring prijkte,de kin omvatte, het eene been op het bed uitgestoken en het andere daarvan afhangende, teekende volkomen zelfvertrouwen en onverschilligheid omtrent de wijze, waarop Adeelen deze ontmoeting zoude opnemen. Nadat beiden elkander een geruimen tijd hadden aangestaard, brak Adeelen eindelijk het stilzwijgen met de natuurlijke vraag: “wie zijt gij? en wat doet gij hier?“Gij ziet het,” was het even natuurlijk antwoord: “ik lig te bed.”Hoe Adeelen tot toorn gestemd ware, kon hij zich niet onthouden van te glimlachen over dit onverwacht antwoord; doch weldra verkreeg de wrevel weder de overhand bij hem: “antwoord met meer bescheidenheid,” zeide hij: “of ik zou u berouw kunnen doen gevoelen over uw onbeschaamdheid. Ik heb hier volks genoeg om u geducht te doen af kloppen, en te leeren spreken als het noodig is.”“In waarheid!” hernam de vreemdeling, altijd op denzelfden kalmen toon: “doch ik heb hier een vriend bij mij, die hun wellicht den lust tot dergelijke onhoffelijkheden zou doen vergaan.” Dit zeggende toonde hij aan Adeelen een strijdbijl, wier gewicht en zwaarte geene vriendelijke groete voorspelde aan dengene, wien zij toegedacht was.“Wij zullen zien,” riep Adeelen, toornig naar de deur gaande.“Om Gods wil! Jonker Seerp! bega hier geene onvoorzichtigheid,” zeide de monnik, hem terughoudende; “men heeft er reeds te vele begaan,”—voegde hij er bij, een ontevreden blik op den onbekende slaande.“Dat ziet op mij,” zeide deze, schaterende van lachen: “Kom Seerp Van Adeelen! volg den goeden raad des paters, ga bedaard weer zitten: en laat ons vrienden zijn.” En op de bank wijzende, ging hij volkomen overeind zitten in de bedstede en liet de beide beenen afhangen.“De stoutheid van dien kerel verbaast mij,” zeide Adeelen, onzeker wat te doen: “nog eens, wie zijt gij, die tot Seerp Van Adeelen als tot uw gelijke spreken durft?”“Ik spreek tot hem als tot mijn mindere,” antwoordde de vreemdeling, op een vroolijken toon, die als in weerspraak was met zijn woorden.“Tot uwen mindere!” herhaalde Adeelen, stom van verbazing en verontwaardiging. “En in aller Heiligen naam! wie zijt gij dan?”“Wie ik ben! mij dunkt,” vervolgde de onbekende, den monnik aanziende met een vragenden blik: “dat de tijd nog niet gekomen is, om zulks te vertellen.”“Neen! bij den hemel!” riep de monnik: “gij moet nu niet zeggen, wie gij zijt: ik smeek u daarom! gij zult de waardigheid, die gij bekleedt, niet tot een voorwerp van spot doen strekken, noch de eene onvoorzichtigheid op de andere stapelen. Seerp Van Adeelen! ik bezweer u! verlaat deze cel en vergeet wie en wat gij gezien hebt.”“Wat ik gezien heb? twee verraders, die ik terstond zal doen straffen, zoo mijn woord hier eenig gewicht heeft.”“Dat zult gij niet, dolzinnige!” hernam vader Syard, “de naamdezes mans moet u nog een raadsel blijven; doch dit verklaar ik u Willem de Vierde heeft geen grooter vijand dan hem.”“Gij haat Willem den vierden,” riep Adeelen, haastig tot den onbekende toetredende: “doch wie waarborgt mij de waarheid van hetgeen die monnik verzekert?”“Hoor!” zeide de onbekende: “ik mag u, daar de eerwaardige pater het zoo dringend verbiedt, mijn naam niet doen hooren; dit zij u genoeg, dat ik een edelman ben, zoowel als gij, ja van nog beroemder afkomst, al stamt gij van een Frieschen koning af.... doch hierover willen wij niet twisten. De Graaf is uw vijand: hij is ook de mijne. Zoo ik hier verschijn, het was om pater Syard te vinden en met hem de middelen te beramen om den trots des dwingelands te fnuiken. Dezen morgen sprak ik hem niet verre van hier; maar ik heb reden om te vermoeden dat ons gesprek beluisterd is geworden. In de hoop, dat wij hier meer ongestoord zouden spreken, had mij de eerwaarde monnik voorgesteld ons onderhoud in deze afgelegene cel te hervatten. Wij werden gestoord door uwe komst en onwillig, mij aan iemands oogen bloot te stellen, verschool ik mij in deze bedstede, waar ik bijna gestikt ware. Toen ik u zoo luidkeels wraak over den Graaf hoorde roepen, kon ik mij niet weerhouden, een hartelijk amen uit te spreken, en daardoor vrijwillig mijn aanwezigheid te verraden. Had ik mij niet evengoed kunnen stilhouden, en is hij een verspieder, die zich zelven dus aanmeldt?”“Er is veel waars in ’t geen gij zegt,” merkte Adeelen aan: “doch....”“Doch mijn mond is schor van het praten: en zoo gij u met water vergenoegt, ik zou wel een meer opwekkenden drank verlangen. Broeder Syard! wees zoo goed en haal een kan wijn boven. Die brave Jonker zal mij wel gezelschap houden en een beker ledigen op de onafhankelijkheid van Friesland.”Vader Syard schudde het hoofd en zag Adeelen met een blik aan, welke den tegenzin, dien hij gevoelde, om het onderhoud te rekken, blijkbaar aankondigde.“Ga!” zeide Adeelen, wiens drift nu geheel bedaard was en voor nieuwsgierigheid had plaats gemaakt: “ga! en zeg dat ik wijn verlang.”De monnik haalde de schouders op en vertrok. “Voorwaar!” zeide de vreemdeling toen: “ik had hem wel mogen gelasten een paar goede stoelen mede te brengen; want de zitplaatsen zijn schaarsch en ongemakkelijk: en, wanneer men praat en drinkt, is een leunstoel met open armen en gevulde kussens voor de tafel geschoven, gansch geen verwerpelijk ding.”“Zoo gij liever in mijn vertrek wilt komen,” zeide Adeelen: “het huisraad is er zeker beter in orde en....”“En ik zal er blootstaan aan de nieuwsgierigheid uwer dienaars? Ik dank u.”“Gij zult er niemand zien, zoo gij zulks niet verlangt: en ik zou den strot afsnijden aan dengene, die zoo stout ware eenige vraag omtrent u te doen.”“Nu! zoo gij mij daarvan verzekert,” hernam de vreemdeling, opstaande en zijn beenen schuddende, die verdoofd waren door den gedwongen toestand, waarin zij verkeerd hadden: “dan is het mij wel.”“Voortreffelijk. Laat den monnik u den weg naar mijn kamer wijzen: ik zal voorgaan om te zorgen dat ons niemand store.”Dit zeggende, nam hij eene der lampen op, stak de andere aan, ten einde zijn nieuwen kennis niet in ’t duister te laten, en wilde zich verwijderen, toen de vreemdeling hem bij den arm terughield.“Een oogenblik!” zeide deze: “wie waarborgt mij, dat gij mij niet bedriegt en uw dienaars niet gaat roepen om mij te vangen?”“Zoo het woord van een vrijen Fries niet bij u geldt,” zeide Adeelen, “is het nutteloos, tijd te verspillen met een verder onderhoud. Dan kunt gij u onverlet verwijderen.”“Ga dan!” hernam de onbekende: “ik vertrouw mij op u.”Adeelen vertrok, en den monnik op de trap ontmoet hebbende, deelde hij hem het opgevatte voornemen mede, ’t geen bij vader Syard nieuwe stof tot ongenoegen scheen te verwekken. Echter, na een oogenblik te hebben nagedacht: “uw vertrek,” zeide hij, “is, zoo ik mij niet bedrieg, juist onder het mijne.”“Dat zal wel zoo zijn:—doch waarom die vraag?”“Des te beter:—gij zult er de reden wel nader van bespeuren.”Zij verlieten elkander; en na eenige minuten waren Adeelen en zijn beide gasten op hun gemak in zijne kamer gezeten om eene tafel, waar een welgevulde wijnkan met drie bekers op tafel stond te prijken.Terwijl Adeelen en de vreemdeling zich met eenige goede teugen verfrischten (’t geen de monnik volstandig afsloeg) bleven zij elkander schier zonder spreken nieuwsgierig aanzien, als onzeker wie de eerste zijn zou om het onderhoud, dat zoo belangrijk wezen moest, te beginnen. Eindelijk kon Adeelen zijn ongeduld niet langer bedwingen: de beide ellebogen op de tafel leggende en zijn kin op de saamgevlochten vingers der beide handen doende rusten, ving hij aldus aan:“Welnu! ik zal den sleutel verkrijgen van hetgeen mij tot nog toe onbekend is? Op welke wijze zal mij uwe hulp te stade komen, om Friesland van ’s Graven heerschzucht ontslagen en mijn eer gewroken te zien?”“Behaagt het u,” vroeg de monnik aan den onbekende, “dat ik den Jonker mededeele wat hem noodig is te vernemen?”Een toestemmenden knik ontvangen hebbende, ging vader Syard aldus voort:“Gij moet dan weten, Seerp Van Adeelen! dat Friesland niet het eenige gewest is, hetwelk reden heeft om zich over de verkorting van lang genoten vrijheden te beklagen. Ook in het Bisdom van Utrecht heeft de heerschzucht des Graven hem vijanden berokkend, die, zijn onverdraaglijk juk moede, alles in de waagschaal willen stellen, om zich daarvan te bevrijden. De keuze van den voormaligen Bisschop, Jan Van Diest, ten gerieve van Grave Willem den Derden gedaan, had bijna geheel het Sticht onder de heerschappij der Hollanders gebracht. Na hem had, gelijk u bekend is, de tegenwoordigeGraaf, begeerig, zijn eens verkregen gezag te handhaven, opnieuw een leenman van Holland, een afstammeling uit het beroemde huis van Arkel, op den Bisschoppelijken zetel weten te plaatsen.”“Dat alles heb ik meer gehoord,” zeide Adeelen; “die Bisschop is immers in Friesland geweest om de kloosters te bezoeken?—Ik heb hem niet gezien: men zeide, dat hij nog geen baard aan de kin had.”“Met of zonder baard,” vervolgde de monnik, “hij toonde met de daad, dat hij de belangen zijns Bisdoms behartigen wilde en dat hij niet, gelijk zijn voorganger, een tamme sperwer was, gereed om van ’s meesters hand te vliegen en voor dezen het wildbraad op te vangen: maar een grootmoedige adelaar, vaardig om weerstand te bieden aan al wie hem zocht te fnuiken. Bijna al de bezittingen van het Bisdom waren wegens schulden aan den Graaf verpand: om die schulden af te lossen, en daardoor het Sticht aan den invloed van Holland te onttrekken, verliet Arkel de mijterstad en ging hij stil en afgezonderd in Frankrijk leven. Intusschen liet hij te Utrecht zijn broeder Robbert achter en, met hem, mannen, wier hart van ijver blaakt om het Bisdom tegen alle aanmatiging van buiten te verweren en tot zijn alouden luister te verheffen. Hiertoe willen zij in de eerste plaats den Grave, die zich het momboirschap van het Sticht heeft toegerekend, alle inzien van stukken, benevens de hun gevraagde rekening en verantwoording weigeren.”“Ik zie, waar dat heen moet,” viel Adeelen in: “de rekening wordt geweigerd: en de Graaf rukt het Sticht in met zijn heir.”“Indien hij niet wordt voorgekomen,” zeide de vreemdeling, glimlachende.“Welnu!” hernam de monnik: “het oogenblik, dat het Sticht als één man tegen Holland opstaat, zij ook dat van Frieslands bevrijding.”“Ik versta u,” zeide Adeelen: “de wapenkreet, die in Utrecht wordt aangeheven, moet door de Collumsche en Amelandsche duinen worden teruggekaatst. Welaan! aan mij zal het niet ontbreken.”“Hebt gij invloed genoeg in Friesland,” vroeg de Stichtenaar, wiens gelaat op eens een meer ernstige plooi aannam, “om dit te bewerkstelligen?”“Ik sta in voor geheel Westergoo, dat mij gezonden heeft,” antwoordde Adeelen: “en, zoo mijn echt intijds voltrekken wordt, zal ik een aanhang kunnen vormen, sterk genoeg om den geheelen adel van Friesland mijne banier te doen volgen.””’t Is wel! doch uw mede-afgevaardigde, de zendeling van Oostergoo? Hij schijnt meer ten vrede geneigd.”“Hij moge alleen gaan pruilen op zijn stins,” hernam Adeelen: “Friesland heeft moedige zonen genoeg en zal hem niet missen. Wat de geestelijke huizen betreft....”“Daarvoor sta ik in,” zeide vader Syard. “Hun afhangelingen zullen niet achterblijven op den dag des gevaars.”“En dan,” vervolgde Adeelen, wiens oogen meer en meer van geestdrift begonnen te fonkelen: “dan hebt gij, behalve de volgersvan Edelen en Papen, die onbuigzame inwoners onzer steden, wier voorhoofd gloeit, wanneer zij een Hollander hooren noemen, en die nering en bedrijf verlaten zullen en met het zwaard opkomen, zoodra de kans hun schoon staat om een Hollander af te kloppen.”“Voortreffelijk!” riep de vreemdeling uit: “en wanneer dan alles wat in Twente, in Salland en in Drente onderhoorig is aan het Bisdom, wanneer de moedige Stellingwervers en de Groningers, en die Westfriezen, die nog de dagen van Koning Willem niet vergeten zijn, zich allen vereenigen, dan zal de Meester van alle soldaten en Regent van alle vorsten, zooals de Graaf zich door zijn vleiers noemen laat, werks genoeg hebben om zijn hoofd voor de uitbarsting van het onweer te beveiligen. Hier!” vervolgde hij, een vollen beker omhoogheffende: “drinken wij op het welslagen van ons heilig verbond!”“Op het wèlslagen,” zeide Adeelen: “maar,” vervolgde hij, van toon veranderende, “mag ik nu eindelijk weten, met wien ik het verbond aanga?”De vreemdeling wilde antwoorden; maar vader Syard kwam hem voor: “deze edelman,” zeide hij, “brengt ons de wenschen en verlangens over van de Utrechtsche Kapittels. Thans mogen wij u niets meer zeggen. Laat ons liever eens nadenken over hetgeen ons nu te doen staat. Is het uw voornemen niet” (zich tot den Stichtenaar wendende) “morgen naar Utrecht te vertrekken, ten einde aldaar uwe maatregelen te beramen en ten uitvoer te brengen?”“Morgen!—Neen!—ik moet nog een paar dagen hier blijven: er zijn nog onder die groote heeren, die hier te feest komen, enkelen aan wie ik een woord in ’t vertrouwen heb te zeggen:—doch ik zal schrijven. Die Barbanera, of hoe hij heeten mag, kan een brief medenemen.”“Hij is, zoo ik vernomen heb, in de hut des boschwachters opgelicht en te Haarlem gevangengezet,” zeide vader Syard.“Ja!—maar gelukkig weder ontslagen en naar Hillegom gebracht, van waar hij of zijn makker terug zou keeren om mijn bevelen aan de vervallen loods in ’t duintje af te wachten. Wees nu slechts zoo goed mij eenig schrijfgereedschap te verschaffen; want ik vrees, dat de kamer van dezen Jonker daarvan slecht voorzien zal wezen.”“Gij kunt schrijven!” zeide Adeelen verbaasd, nadat de monnik vertrokken was.“Is dat wonder voor een afgevaardigde der Kapittels? maar ik kan meer dan dat, gelijk gij zien zult, indien gij u overmorgen op ’t steekspel bevindt.”“Voorzeker hoop ik daar te komen,” zeide Adeelen.“Welnu! zoo gij op een Ridder let, in een blanke wapenrusting, met een rooden arend op den helmkam, zult gij ten minste iemand zien, die niet zonder eer het strijdperk verlaten zal.... maar stil! onze waardige pater komt terug: en die behoeft van dit alles niets te weten!”De monnik trad binnen en plaatste het schrijfgereedschap optafel. De Stichtenaar greep hasstig naar een blad perkament en deed zijn ganzeveder vaardig daarover gaan.“Maar zoo uw brief onderschept wordt en de Italiaan ons verraadt?Verba volant, scripta manent,2zegt de spreuk.”“Al wordt de kokeler gepakt en doorsnuffeld, zullen zij mijn brief voor niets anders aanzien dan voor tooverspreuken en bezweringen. Ik versta mij ook een weinig op het cijferschrift.”Dit gezegd hebbende, zette hij met zulk een vlugheid zijn arbeid voort, dat Adeelen, die vaak de moeite had gezien, waarmede de goede Abt van Sint-Odulf eenige letters formeerde, er over verbaasd stond. Toen het echter een poos geduurd had en de tweede brief begonnen was, namen verveling en vervolgens een onbedwingbare vaak de plaats der verbazing in en welhaast verkondigde een luid gesnork aan de beide saamverbondenen, dat hun bondgenoot in slaap was gevallen.“En nu, daar onze vriend ons niet hooren kan,” zeide de Stichtenaar, zijn brieven dichtvouwende: “zeg mij, waarde broeder, waarom gij er zoo tegen waart, dat ik mijn waardigheid aan dien edelman bekend maakte?”“St! Stil!” zeide de monnik, den vinger op den mond leggende.“Hij kan ons niet meer hooren,” zeide de vreemdeling.“Fortasse oculis tantum dormit,” hernam de monnik:—“Sed quominus hunc juvenem vestrae dignitatis certiorem faciamus, vetat et ipsius imprudentia, vetat et securitas vestra, quae maxime periclitaretur, si repertum esset, tam insolenti habitu absconsam esse ecclesiae spem deliciasque nostrae.”3“Et libera nos a malo, amen!” zeide Adeelen, die, door het gesprek weder wakker wordende, zich verbeeldde dat de monnik een Vader Ons opzeide: “wat prevelt gij toch?” vervolgde hij, zich de oogen wrijvende.“Kom! al genoeg geredeneerd,” zeide de vreemdeling, opstaande: “kunt gij mij nu ongemerkt hier uitlaten? dan ga ik mijn verblijfplaats opzoeken.”“Ik heb zelf last gegeven de achter- en zijpoort te sluiten,” zeide Adeelen: “doch de groote poort staat nog open. En dan, al zag men u, wie zou vrijpostig genoeg zijn om mij te vragen, welk laat bezoek ik gehad heb?”“Ik bid u,” zeide vader Syard, “bedenk dat alle onvoorzichtigheid schadelijk wezen kan. Al de dienaars zijn nog wakende, om op den Heer van Aylva te wachten, en gij zoudt onmisbaar gezien worden:—vernam de Olderman of de eerwaarde Abt iets van ons gesprek, het kon voor ons allen gevaarlijk zijn.”“Zoo ik den tuinmuur overklom....” zeide de Stichtenaar.“Indien ik mijn gevoelen uiten mag,” vervolgde de monnik, zonder dit laatste voorstel in aanmerking te nemen, “zou ik van oordeel wezen, dat gij hier dezen nacht bleeft vertoeven, daar het mij morgen veel lichter zal vallen om u, als iedereen vermoeid van de nachtwaak in diepe rust ligt, van hier te doen ontsnappen.”“Ja! maar de brieven,” zeide de vreemdeling: “hunne bezorging eischt spoed.”“Ik geloof waarlijk, dat er al verspieders in aantocht zijn,” zeide Adeelen, die intusschen door het raam had gezien: “ik heb daar een gedaante door het bosch zien sluipen.”“Wij zijn onvoorzichtig geweest,” zeide de monnik, zich voor het hoofd slaande: “wij zitten hier met licht: en iemand, die de moeite neemt om een der boomen, welke buiten staan, te beklimmen, kan ons alle drie herkennen.... doch! bij alle heiligen! wat is dat?”De verbazing des monniks was niet ongegrond: er werd van buiten tegen het raam getikt.“Wie is daar?” riep Adeelen, met drift het venster opendoende. “Het is de Booze!” zeide hij, toen op hetzelfde oogenblik een zwarte gedaante naar binnen sprong en, zich op de tafel neerzettende, de aanwezigen tegengrinnikte.“Aha! zijt gij het, meester Cezar!” zeide de vreemdeling: “dan zal uw meester waarschijnlijk niet verre af zijn. Hij zal ongerust over mijn uitblijven zijn geworden, en mij dezen boodschapper hebben toegezonden. Mij dunkt, ik zie hem reeds beneden aan den muur staan. Zijt gij het, Daamke?”“Tot uwen dienst,” klonk zachtjes het antwoord van den nar.“Voortreffelijk! hier zijn twee brieven ter bezorging; wil ik ze u toewerpen?”“Voorzichtig!” zeide de monnik, hem terughoudende, “er groeien zoovele en zoo dichte struiken om de muren, dat de kerel er vruchteloos naar zoude zoeken.”“Nog beter!” hernam de Stichtenaar: “wij hebben immers den bode bij ons. Hier, meester Cezar! neem deze brieven en breng ze behendig aan den baas: Daamke! roep uw aap!”Daamke floot slechts even, en gezwind sprong Cezar met de brieven het raam uit en op den schouder zijns meesters, die zich terstond verwijderde. De drie bondgenooten oogden hem zoo lang na als de duisternis het veroorloofde en sloten vervolgens weer het raam.“En nu!” zeide Adeelen, wien intusschen een nieuw denkbeeld was voor den geest gekomen: “uwe zaken zijn afgehandeld, heer vreemdeling, wie gij zijn moogt! nu moet ik ook eens aan de mijne denken. Ik had eerst den monnik willen vragen, mij behulpzaam te zijn, maar dewijl ik in u iemand vinde, die zoowel met de ridderlijke gebruiken als met het hanteeren der pen bekend is, wend ik mij nog liever tot u.”“Laat hooren,” zeide de vreemdeling: “en zoo mijne zwakke talenten u van dienst kunnen zijn, ziet gij mij daartoe bereidvaardig.”De Friesche edelman stelde hem hierop zijn verlangen voor. Daarde uitslag van hun verder onderhoud in het vervolg dezer geschiedenis blijken zal, is het ons onnoodig voorgekomen, de verschillende tegenwerpingen en bedenkingen, door den onbekende en door vader Syard gemaakt, en het ten laatste gevormd besluit hier ter plaatse te vermelden. Wij zullen ons derhalve vergenoegen met te zeggen, dat de Stichtenaar, na den afloop van het gesprek, in een der armstoelen een zachte rust vond, waaruit hij vroeg in den morgen door den monnik gewekt en daarna ongemerkt buiten de muren van het gebouw gebracht werd.

Nu gaet verheugt ten rei en danst,Ghy die het hoofd met mirten kranst.Vondel, Salomon.

Nu gaet verheugt ten rei en danst,Ghy die het hoofd met mirten kranst.

Nu gaet verheugt ten rei en danst,Ghy die het hoofd met mirten kranst.

Nu gaet verheugt ten rei en danst,

Ghy die het hoofd met mirten kranst.

Vondel, Salomon.

Een schitterende rij van edellieden en jonkvrouwen begon zich reeds te vergaderen in de hofzaal op de markt1, waar het dansfeest, dat in ’t klooster minder voegde, stond gehouden te worden. Het oog kon zich niet genoeg verzadigen aan het beschouwen van de pracht, aldaar ten toon gespreid. Rijkedressoirenof buffetten, overdekt met kostbare lakens en tapijten, waren beladen met spijzen en dranken, in blinkende schotels en vazen van zilver en goud, waarop het licht flikkerde der toortsen en zoogenaamde danskaarsen, die schier ontelbaar aan den muur brandden, in koperdraad gevat of op koperen armblakers staande. Talrijke dienaars gingen rond met ververschingen, met taarten en pastijen, met galantijn en kruidkoeken, en wijn van allerlei soort: schitterend was de kleeding der dansgenooten van beide kunne; maar vooral en liefst vestigde zich het oog op de bevallige schoonen, welker uiterlijken tooi men weldra vergat om die begaafdheden te bewonderen, waarmede haar de natuur zoo mild bedeeld had.

Nog was de dans niet aangevangen; maar in verschillende groepen, hier en daar verspreid, onderhield men zich over de onderwerpen, die aan de orde waren: de gehouden en nog te houden feesten. De woorden waren verschillend: maar de grondtoon der gesprekken was bijna overal dezelfde als die van latere en hedendaagsche partijen: de vermaken van den dag, de kleeding der dames, de ophanden zijnde huwelijken en tegenwoordige vrijages, een weinig kwaadsprekendheid en veel beuzeltaal. In een der hoeken van de zaal was men van ’t eene onderwerp op ’t andere aan de Friesche Jonkvrouw geraakt, welke men wist dat met de afgevaardigden was medegekomen.

“Men zegt, dat zij zeer bevallig is,” zeide de jeugdige Ottilia van Naaldwijk, tot den heer van Walcourt, die zich nevens haar bevond.

“Onmogelijk! schoon kan zij wezen; doch zeker recht en stijf als een boonstaak, en zonder gevoel noch leven.”

“Neen in waarheid,” viel Oda van Wassenaar er tusschen in; “zij moet bekoorlijk zijn: en men beweert, dat zij beter te paard zit dan een Rijnsburger non.”

“Oda! Oda!” zeide Ottilia, haar met den vinger dreigende, “gij zijt wederom boosaardig!”

“Wat steekt daar voor boosaardigs in? Laat de Heer van Walcourt zelf beslissen, of hij ergens, ik zeg niet in zijn Henegouwen, maar in geheel Frankrijk, geestelijke zusters heeft gezien, die zoo vast in den zadel waren?”

“En waarom,” zeide Walcourt, zonder dadelijk te antwoorden, “zoudt gij haar dat onschuldig vermaak misgunnen?”

“Misgunnen! Ik zal er mij wel voor wachten; want dan had ik nooit gedaan. Het smart mij genoeg, dat mijne zuster het Rijnsburger pak heeft aangetrokken en ik niet.”

“Dan ware immers de geheele adellijke jeugd wanhopend geweest,” zeide Walcourt.

“Geene vleierij! daar heb ik bijna evenveel afkeer van als van de nieuwe hoeden, welke de Gravin wil invoeren. Zeg mij liever, om weer op ons gesprek te komen, zal dat Friesche wonder hedenavond verschijnen?”

“Men zegt het,” antwoordde Walcourt.

“Dan mogen wij onze sluiers wel laten halen en onze gezichten bedekken: anders verbleeken wij nog als sterren voor de zon.”

“Indien haar schoonheid slechts niet bedorven wordt door die gekke kapsels die zij dragen,” zeide Ottilia: “maar wij zullen, geloof ik, niet veel gevaar loopen: ik heb zooeven van mijn vader vernomen, dat zij niet komen wil.”

“Niet komen wil!” hernam Walcourt: “een Jonkvrouw, die een uitnoodiging weigert tot een danspartij. Inderdaad! dan is zij wel een uitzondering, en verlang ik dubbel haar te leeren kennen.”

“Wacht!” zeide Oda: “daar is onze Italiaan; die is bij haar geweest, hij zal ons best bericht kunnen geven. Ridder Deodaat! een woord, zoo ’t u gelieft.”

Deodaat trad nader: “kan ik,” zeide hij: “de schoone Oda van eenigen dienst zijn?”

“Wij wilden van u vernemen, of dat Friesche mirakel ook ten hove komt,” zeide Oda.

“En of zij waarlijk zoo schoon is, als men zegt,” voegde Ottilia er bij.

“En zoo voortreffelijk te paard zit.”

“En zulk een gek kapsel heeft.”

“Schoone dames!” zeide Deodaat: “vergunt mij een oogenblik adem te halen:—wat de schoonheid der Friesche Jonkvrouw betreft, geloof ik dat haar niemand die zal betwisten, te meer, daar zij er geenszins hoovaardig op is.”

“Ik geloof,” zeide Oda: “dat in die woorden iets ligt besloten, dat een zijdelingschen zet moet beteekenen.”

“Vooral niet.—Over haar kleeding zou ik liever het oordeel van bevoegde rechters zooals gij vernemen; want ik durf mij niet vermeten tusschen klapmutsen enhéninsen oordekkers2te beslissen:dit alleen durf ik te zeggen, dat haar gelaat onder alle hulsels bevallen zou.”

“Waarlijk Ridder!” zeide Ottilia: “ik geloof dat gij verliefd zijt op die overzeesche tooveres: nu kleur maar niet: er steekt geen kwaad in.”

“Ik, lieve Jonkvrouw!” antwoordde Deodaat: “een Ridder zonder land en goed, en wien men gisteren nog een deugdzaam paard ontstal, heeft het recht niet om te verlieven;—anders had ik niet zoolang daarmede gewacht,” voegde hij er met een beleefde buiging bij.

“Nu verder,” zeide Walcourt: “haar rijkunst....?”

“Is voortreffelijk; doch ik moet er bijvoegen, dat die Friezen uitmuntende paarden op stal hebben.”

“De slotsom van dit alles is dus,” hervatte Oda, “dat dit meisje een juweel is van het zuiverste water, en dat, als zij verschijnt, wij andere Jonkvrouwen geen Ridder meer aan onze zijde zullen vinden, en onze toevlucht tot een karoledans3zullen moeten nemen;—maar dat is nu de groote vraag: komt zij?—Of neemt zij alleen den wierook van hare Friesche aanbidders aan?”

“Ziedaar een vraag, waarop ik het antwoord zal moeten schuldig blijven,” zeide Deodaat: “de tijd zal het moeten leeren.”

“Maar in ’s Hemels naam,” hernam de levendige Oda: “zeg mij toch! wie is die kaalgeschoren liefhebber daar? Hemel! nu zag ik nooit iemand, die meer op een aangekleeden zeehond geleek dan hij.”

“Zoo gij,” antwoordde Ottilia, “gisteren met ons op den Vogelesang geweest waart, hadt gij den held leeren kennen. Hij is een der Friesche afgevaardigden: en ginds is de andere in gesprek met den Heer van Beaumont.”

“Nu! die heeft ten minste het uitzicht van een gewoon mensch,” zeide Oda: “maar deze kermisbeer! wat kijkt hij ons vervaarlijk aan.”

Hij, die het voorwerp was van deze liefderijke aanmerkingen, wandelde met langzame, zware stappen de zaal op en neder, ter prooie aan al de onaangename gewaarwordingen van iemand, die zich misplaatst en daardoor kwalijk op zijn gemak gevoelt in het gezelschap, waar zijn ongelukkig gesternte hem gevoerd heeft. Zonder verlegenheid, zonder blozen, had Adeelen zich dien namiddag voor den zetel des Graven bevonden en er zijn trotsche taal gevoerd;maar hier ontzonk hem de moed bij de schalksche en spotachtige blikken der jeugdige schoonen. Hij rekende zich eindelijk gelukkig, een paar Geldersche en Overijselsche edelen te vinden, met welke hij vroeger kennis gemaakt had en die zich thans zijn gezelschap niet schaamden. Te meer was hem zulks welkom, omdat hij, voornemens zijnde op het steekspel te verschijnen, deswege eenige inlichtingen wenschte te verkrijgen.

Weldra kondigde een luidruchtige muziek de komst aan van het Grafelijk paar. Willem had een vroolijk en zelfs eenigszins spotachtig voorkomen; hij wendde zich meer dan eens naar den kant waar zich Aylva of Adeelen bevond en wreef zich de handen met innerlijke tevredenheid, welke aan Deodaat niet ontging, die den uitslag van des Graven voornemen met onrust en nieuwsgierigheid afwachtte.

Dadelijk na de verschijning van het doorluchtige paar was de dans begonnen, en vroolijk zwierde de luchtige jeugd de zaal op en neder.

“Hoe komt het toch,” vroeg Oda in eene der tusschenpoozen aan Deodaat, “dat men uw vriend Reinout nergens verneemt? gij waart anders altijd onafscheidbaar.”

“Daaraan dacht ik juist,” antwoordde Deodaat op een bezorgden toon: “ik veronderstel, dat hij bezig is een bevel des Graven ten uitvoer te leggen.”

“Wie weet,” zeide de Jonkvrouw: “hij is misschien uw bekoorlijke Friezin gaan troosten; want het schijnt toch stellig zeker dat zij niet komt:—dan hoor: de muziek begint opnieuw.... die vioolspeelster krast ook als een schorre katuil!.... is het alweer dansenstijd?.... neen, dat is geene danswijs: het is een aankondiging van nieuwe gasten. Wie kan men thans nog wachten?.... Welnu, waarom kleurt gij weer zoo?.... Sinte-Clara! wie is die Oostersche Prinses?.... Ridder Deodaat!.... maar waar is hij?.... Aha! nu begrijp ik!....”

Deodaat had naar de deur gezien, en ofschoon eenigszins voorbereid, hij stond toch van verbazing getroffen, toen hij, aan de hand van Reinout, de Roos van Dekama zag binnentreden, in den rijksten dos gehuld, en bloeiender dan immer. De Graaf, die haar blijkbaar had verwacht, trad terstond naar haar toe, nam haar eerbiedig bij de hand, welke Reinout losliet, en geleidde haar onder een heusche betuiging van welkom bij de Gravin.

Dit alles had zoo spoedig en zoo achtereenvolgens plaats gehad, dat niemand tijd had gevonden, van de eerste verwondering over die onverwachte verschijning terug te komen. Aylva, in onderhoud gewikkeld zijnde, had Madzy niet eerder herkend, dan toen zij reeds bij de Gravin stond, en hoewel hoogst verbaasd en gebelgd over dit zonderling geval, had hij begrepen een geschikter oogenblik te moeten afwachten om zijn ontevredenheid te kennen te geven. Adeelen was, gelijk men denken kan, op het zien van Madzy in felle gramschap ontstoken, en had zich terstond begeven naar de zijde, waar deze zich bevond; doch, daar gekomen, was reeds detoevloed der nieuwsgierigen zoo groot, dat hij er niet doorheen kon breken zonder geweld te gebruiken. Hij wilde echter een poging doen en schoof reeds een paar jonge knapen, die hem in den weg waren, vrij onzacht ter zijde om door te dringen, toen Oda van Wassenaar, die door het gevolg van deze beweging mede een duw kreeg, hem van ’t hoofd tot de voeten aanzag, terwijl zij op een scherpen en luiden toon zeide: “wie is die lompe dorper, die zich hier een weg maakt alsof hij aan ’t biezen snijden ware?”

“Schaam u! terug!” riepen als uit éénen mond de omstanders; terwijl zij Adeelen wederom achteruithaalden. De Fries trad gedwongen terug en ontmoette Reinout.

“Door welke helsche kunstgrepen,” zeide hij, “hebt gij Madzy van huis weten te lokken?”

Reinout antwoordde alleen door een schaterend gelach; maar op het zien van Deodaat, die bij de aankomst van Madzy teruggeweken was en zich nu toevallig in zijn nabijheid bevond, betrok zijn gelaat.

“Een kunstgreep, Ridder Reinout! Eilieve! verhaal ons toch....” riepen Ottilia en Oda en nog eenige Jonkvrouwen, van alle zijden toeschietende en als uit éénen mond: “is zij niet vrijwillig gekomen?”

“Zij had geweigerd,” antwoordde Reinout, een zegepralenden blik op Adeelen slaande: “of liever, men had voor haar geweigerd.”

“Welnu! en verder?”

“De Heer van Beaumont en haar voogd dragen gelijke halsketens, hun beiden ter gelegenheid van ik weet niet welken veldtocht door den vorigen Graaf vereerd. Dit wist de Graaf: hij liet onder zeker voorwendsel aan zijn oom zijn halsketen afvragen: en, zoodra de gasten hier waren, zond hij mij naar de schoone Friezin om haar uit naam van haren voogd te gaan afhalen. Zij wilde eerst mijn boodschap niet gelooven; maar toen ik haar den talisman vertoonde en haar zeide, hoe Seerp Van Adeelen er sterk op stond, dat zij komen zoude....”

“Een gevloekte leugen!” viel Adeelen met heftigheid in.

“O! dat hebt gij niet gezegd, Ridder Reinout!” zeide Oda: “welke Jonkvrouw zou komen op het verlangen van iemand, die dames uit den weg zet, of het vouwstoelen waren.”

“Indien men,” zeide Adeelen, “hier ten hove slechts genoodigd is om tot een doelwit van bespotting te strekken....”

“Dan is het zeker beter, hoe eer hoe beter weder te vertrekken,” zeide Oda, den zin besluitende.

“Ja! ik zal van hier gaan,” zeide Adeelen: “doch niet zonder Madzy.”

”’t Is de vraag, of de Graaf van ’t zelfde gevoelen zijn zal,” merkte Reinout aan.

“Zie,” zeide Oda, “de kring opent zich. De Graaf treedt met haar vooruit. Inderdaad! zij is allerliefst: en welke rijke kleeding! ’t Is wat vreemd! maar ’t staat toch niet kwaad. Wat is dat voor een net, dat zij op den rug draagt? o! ’t zijn hare haren.”

Er was eenige boosaardigheid in deze laatste aanmerking, ofschoon de vergelijking niet onjuist was. De raafzwarte haarlokken van Madzy, van boven bedekt door een klein mutsje of kapje, dat van edelgesteenten fonkelde, waren naar achteren gebracht in twee vlechten, die, langs den rug afdalende, onder den vergulden gordel doorliepen en zich daar verdeelden, elk in een tiental tressen met gouden lussen omwonden en in kwastjes uitloopende.

“Die gouden oorijzers staan goed,” zeide Ottilia: “maar ik vind het mutsje verschrikkelijk plat.”

“Dat mutsje beteekent,” zeide Oda: “zooveel als een stroobosje aan een paard.”

“En hoe dat?” vroeg Ottilia, eenigszins verwonderd.

“Wel,” hernam Oda: “dat zij nog te koop, of, met andere woorden, nog vrijster is: de getrouwde vrouwen alleen mogen in Friesland een hoofdwrong dragen .... maar wie heeft ooit gehoord dat men met een voorschoot op een feest kwam?”

“Dat zal bij ’t kostuum hooren,” zeide de goedhartige Ottilia: “bovendien, ik vind, dat het gewerkte boezeltje zeer aardig afsteekt op dat breed geplooide kleed: ik zou benieuwd zijn te weten, hoe men die gouden roosjes op de roode strepen en randen zet.”

“Zij gaat zeker op het steekspel een lans breken,” vervolgde de bijtende Oda: “zij is immers reeds half geharnast.”

“Geharnast of niet: ik heb nooit zulk een pracht van gespen en ketenen en armbanden gezien....”

“Zonder eens te spreken van dat sauskommetje met edelgesteenten dat zij op de borst draagt .... ik vind maar die bloote armen wat onhebbelijk.”

Hier verliet Reinout de dames, hoogst gebelgd over hare opmerkingen. Ook zij traden ter zijde, daar de Graaf haar voorbijging. Alleen Adeelen was blijven staan, misschien om, zooals Oda beweerde, Holland voor Friesland te doen wijken. Intusschen waren van de tegenovergestelde zijde Beaumont en Aylva toegetreden, zoodat de beide partijen elkander onderling midden in de zaal ontmoetten.

“Edele Aylva!” zeide de Graaf beleefdelijk: “wij stellen uwe pupil weder in uwe handen en bidden u om verschooning, dat wij list gebezigd hebben om haar herwaarts te krijgen; doch waarlijk, deze prijs was meer waardig dan de onnoozele schaapsvacht, welke, zooals Jasper De Vinder verhaalde, door den dapperen Ridder Jason aan de Turken bij de Zwarte Zee werd ontroofd: en wij konden niet gedoogen, dat zulk een juweel binnen onze staten zoude aanwezig zijn en niet te voorschijn gebracht worden.”

“Hoe!” zeide Madzy verbaasd: “is het niet met de goedkeuring van mijn voogd, dat ik hier kom, en is deze keten....”

“Graaf!” zeide Beaumont, die nu eerst inzag, hoe het geval zich had toegedragen: “had ik geweten dat mijn halsband had moeten dienen om hier bedrog te plegen, ik had dien liever in ’t Sparen geworpen dan hem u te leenen.”

“Nu Oom!” zeide de Graaf: “zult gij u over een onschuldige kortswijl vertoornen? Zie slechts, de edele Aylva is niet langer verstoord.”

“Ik geloof niet,” zeide Aylva, bedaard, “dat hier eenig oogmerk bestond om ons te beleedigen; en waarom zoude ik dan verstoord blijven? doch....” hier schudde hij bedenkelijk het hoofd:

“Welnu!” vroeg Willem: “wat schuilt er nog?”

“Men mompelt,” fluisterde de Olderman den Graaf in ’t oor, “dat Floris de Vierde vermoord werd om een even onschuldige boert met de Gravin van Clermont.”

“Wat meent gij?” riep de Graaf verrast en verstoord.

“God geve dat de toepassing geene plaats vinde,” zeide Aylva.

“Amen!” hernam de Graaf, en zich terstond met een lachende tronie omwendende: “welnu jonker Seerp!” zeide hij: “hoe staat gij daar zoo in u zelven gekeerd? Wij brengen u uwe verloofde terug: het was immers niet betamelijk, dat gij zonder haar ons feest bezocht.”

“Ik zal de verplichting, die ik u schuldig ben, nimmer vergeten, Heer Graaf!” zeide Adeelen: “en hoop u eenmaal mijn erkentenis te bewijzen.”

“Gij kunt dit terstond doen,” zeide Willem: “door aan de schoone Jonkvrouw de gelegenheid te verschaffen, hare danskunst te doen bewonderen. Komt! muziek daarboven! een nieuwe dans aangevangen!” Dit gezegd hebbende, wendde hij zich af.

“Wil hij mij laten dansen?” vroeg Adeelen: “bij Sint-Nicolaas! dat zal niet gebeuren! Ik hoop dien vermetelen Graaf eerlang een dans te laten doen, die hem minder smaken zal. En gij mijn schoone! zoek u vrij een dansgezel uit. Seerp Van Adeelen verkiest niet langer de speelpop van dit gezelschap te zijn.”

Met deze woorden verliet hij de zaal, waar niemand hem miste noch betreurde. Reinout was nu terstond bij de hand om zijne plaats in te nemen en Madzy verschooning te verzoeken voor het deel, dat hij in ’s Graven list had gehad. Hoewel nog ontevreden, zag zij zich wel genoodzaakt, hem vergiffenis te schenken, en als een bewijs daarvan de hand te aanvaarden, welke hij haar aanbood om haar ten dans te geleiden, en de zoetigheden aan te hooren, waarmede hij haar overlaadde. Gelukkig belette haar de muziek weldra die te verstaan, en toen zij eenmaal gelijk een vlugge luchtgeest langs de blijde rijen zweefde, vergat zij (en welk meisje doet het niet?) den toorn van haren verloofde, ja de geheele wereld, in de tuimelingen van den dans.

Terwijl zij in eene der tusschenpoozen stilstond in de rij, en Reinout haar verlaten had om eenige ververschingen voor haar te halen, naderde haar Deodaat, die haar zijn genoegen over hare komst betuigde.

“Ik had u al gezocht, Ridder!”—zeide zij met een gulle vriendelijkheid, welke hem verrukte: “het spijt mij, dat gij heden ongelegenheid hebt gehad om mijnentwil. Het berouwt mij waarlijk, in Holland te zijn gekomen.”

“Waarom zou het u berouwen? Ik zie niet, wat u beletten kan, hier een ongestoord genoegen te smaken: de aanleidende oorzaak van den twist is in vrijwillige ballingschap gegaan.”

“Voorzichtig! gij spreekt van Seerp Van Adeelen en ik mag geen kwaad van hem hooren.”

“Moet hij dan stellig uw echtgenoot worden? Gij zijt tot nog toe een roos zonder doornen.”

“De toekomst is in Gods hand,” zeide Madzy, met een zucht: “doch waarlijk, Ridder! gij doet Adeelen onrecht: hij heeft zich aan u alleen van een ongunstige zijde voorgedaan; maar zijn hart is goed, zijn moed onloochenbaar, zijn aard opgeruimd en gedienstig, wanneer er zich geen volksgeest in ’t spel mengt:—en altijd heb ik hem als mijn broeder geacht. Hij bemint mij oprechtelijk, met warme liefde: hij zou voor mij in een vuur vliegen: en zoo hij heden onbillijk streng jegens mij was, dit spruit alleen uit de gewoonte, welke hij, zooveel ouder zijnde, van kindsbeen af gehad heeft, om mij als zijn vrouwtje te beschouwen. Dit doet hem somtijds een meesterachtigen toon aannemen, die, ik gevoel het, aan vreemdelingen belachelijk of aanstootelijk moet voorkomen.”

Hier zweeg Madzy op eens, blozende, dat zij zoo vertrouwelijk met iemand gesproken had, wien zij eerst zoo kort had leeren kennen.

“Gij bemint hem dan wel,” zeide Deodaat.

“Ik bemin hem als mijn broeder, gelijk ik u gezegd heb,” zeide Madzy, eenigszins verlegen de oogen neerslaande.

“Gij zoudt den man dan wel haten,” vervolgde Deodaat, “die een geleden beleediging op uw aanstaanden echtgenoot zocht te wreken.”

“Ridder!” zeide Madzy, hem met een vervaarden blik aanziende: “Om Gods wil! wat beteekent deze vraag?”

“Gij weet, edele Jonkvrouw! welken hoon ik van uw verloofde heb moeten ondervinden. Kan een dergelijke terging, in ’t bijzijn van getuigen ondergaan, anders dan met bloed worden uitgewischt?”

Madzy zweeg een wijl en zag toen Deodaat vreesachtig aan: “Ik heb wel eens gehoord,”zeide zij, “dat gij Italianen wraakzuchtig zijt;.... maar neen: gij hebt toch niet het uitzicht van iemand, die zich van een moorddolk bedienen zoude.”

“Ik ben Ridder, Freule! en alleen op een Ridderlijke wijze kan ik mijn geschonden eer terugbekomen.”

“Ik heb van uw Ridderwetten gehoord,” hernam Madzy, voor zich ziende: “en Adeelen zelf zou niet begeeren, dat ik u afhield van te handelen gelijk die wetten voorschrijven;.... maar o God! is dit een vraag om aan een meisje voor te stellen? en in een oogenblik als dit?”

“Ik gevoel, dat het onderwerp van mijn gesprek ongepast is: doch in ernst, het is niet ontijdig.—God weet, of het mij immer weer vergund wordt met u een woord te wisselen. Een enkel woord van uwen mond, en die Adeelen zal niets van mij te vreezen hebben?”

“Eén woord! en welk moet dit zijn?” vroeg Madzy, bevende.

“Dat gij hem lief hebt, dat gij hem als uw minnaar, als uw gade bemint.”

Madzy werd doodsbleek: “en gij zoudt uwen hoon verkroppen, wanneer ik die betuiging deed?” vroeg zij, overmand door honderd tegenstrijdige gewaarwordingen.

“Neen,” hernam Deodaat: “maar ik zou uwe liefde en de mijne tevens in ’t oog houden: alles kan ik doen, behalve uw geluk verstoren.”

Op dit oogenblik kwam Reinout terug en wierp een woedenden blik op Deodaat, zoodra hij hem in de nabijheid van Madzy en te gelijk de bleekheid van deze bespeurde. “Vergeef mij,” zeide hij: “zoo ik een aangenaam onderhoud kom storen; maar de dans vangt weder aan: en ik kom de mij toegezegde hand terugeischen.”

Madzy, verward en ongerust, was blijde over dit voorwendsel, om een gesprek af te breken, waaruit zij zich niet wist te redden, en, de hand van Reinout nemende, volgde zij hem met een stillen zucht, die aan geen van beiden ontsnapte.

1Tegenwoordig het Stadhuis.2De klapmuts had den vorm van een dwars opgezetten bisschopsmijter met de kleppen op zijde: dehéninwas een hooge hoed in den vorm van een suikerbrood, van welks punt een sluier afhing: de oordekker was een klein platmutsje met twee dikke kussens, welke de ooren en de slapen bedekten en met juweelen en goud bedekt waren.—Van deze drie hoofdsieraden heeft het suikerbrood, schoon zeker het onbevalligste, het langst, ja over de twee eeuwen stand gehouden.3Denkaroledansvind ik vermeld in denTournoi de Chauvenci, gegeven in ’t laatst der XIIen eeuw, beschreven door Jacques Bretex, in deze woorden:Les dames main à main se tiennentEt tous ainsi comme elles viennentSe prend chascune à sa compaigne,Ne-nus hors ne s’i acompaigne,Ainsi s’en vont faisant le tor.

1Tegenwoordig het Stadhuis.

2De klapmuts had den vorm van een dwars opgezetten bisschopsmijter met de kleppen op zijde: dehéninwas een hooge hoed in den vorm van een suikerbrood, van welks punt een sluier afhing: de oordekker was een klein platmutsje met twee dikke kussens, welke de ooren en de slapen bedekten en met juweelen en goud bedekt waren.—Van deze drie hoofdsieraden heeft het suikerbrood, schoon zeker het onbevalligste, het langst, ja over de twee eeuwen stand gehouden.

3Denkaroledansvind ik vermeld in denTournoi de Chauvenci, gegeven in ’t laatst der XIIen eeuw, beschreven door Jacques Bretex, in deze woorden:

Les dames main à main se tiennent

Et tous ainsi comme elles viennent

Se prend chascune à sa compaigne,

Ne-nus hors ne s’i acompaigne,

Ainsi s’en vont faisant le tor.

Doe op en vrees niet: ’k ben uw vrient.’t Is avont, en een tijt, dat ons geen vrientschap dient.Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.

Doe op en vrees niet: ’k ben uw vrient.’t Is avont, en een tijt, dat ons geen vrientschap dient.

Doe op en vrees niet: ’k ben uw vrient.’t Is avont, en een tijt, dat ons geen vrientschap dient.

Doe op en vrees niet: ’k ben uw vrient.

’t Is avont, en een tijt, dat ons geen vrientschap dient.

Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.

Seerp Van Adeelen had, gelijk wij gezien hebben, het feest in drift verlaten. Daar zijn dienaars en die van Aylva met de paarden waren teruggereden, met last om hen weder tegen den afloop der partij te komen afhalen, zag hij zich genoodzaakt te voet huiswaarts te keeren. Hij legde echter den weg naar het oude klooster af met al dien spoed, welken gewekte drift kan veroorzaken, en, onder het overpeinzen van al de middelen, welke wraakzucht hem aan de hand kon doen, bevond hij zich, eer hij er om dacht, bij het weiland, van waar hij de sombere daken van zijn tijdelijk verblijf boven het geboomte zag oprijzen. Tot zijn bevreemding zag hij door de kleine zijpoort, die met de weide gemeenschap had, eenig licht schemeren. Wanneer men gramstorig is, verschaft zelfs de geringste omstandigheid nieuwe redenen tot ongenoegen. “Die vlegels!” dacht hij: “daar hebben zij weer de zijdeur opengelaten. Zeker zitten zij in kroegen en kitten te zuipen en laten het huis ter prooi aan elken voorbijganger!”

Hij nam, ten einde zich van de waarheid zijner vermoedens beter te overtuigen, den weg langs het ons bekende pad over de weide, trad onverhinderd in huis, en stapte, eer iemand hem had opgemerkt, de bakkerij1binnen, waar Feiko, Sytsken en ettelijke dienaars bij de bierkannen vergaderd zaten en aandachtig luisterden naar de oude legende betreffende den draak van ’t Roode Klif te Stavoren, welke hun een leekbroeder van Sint-Odulf verhaalde.

“Wat is dit, schobbejakken?” zeide hij: “dat gij op dit uur met opene deuren zit?”

De dienaars, wanende dat de vurige draak, waar zij van hoorden, op eens in hun midden verscheen, sprongen verschrikt op, en de verteller sloeg een kruis. Toen Adeelen intusschen zijn vraag herhaald had, en men hem herkende, betuigde Feiko niet te weten, waarvan de Jonker sprak, daar hij zelf al de grendels had dichtgeschoven.

“Ik ben dus, volgens u, door het sleutelgat gekropen?” vroeg Adeelen: “en om uwe nalatigheid te bewimpelen, wilt gij mij aan het bezit mijner vijf zinnen doen twijfelen? sluit terstond de zijdeur dicht. En zeg mij, waar is de Abt?”

“Zijn Eerwaarde is sedert een uur ter ruste gegaan,” antwoordde de kloosterling.

“En vader Syard?”

“In zijn cel.”

“Ga! wek hem en zeg, dat ik hem wensch te spreken; of neen, ik zal zelf gaan.” En, een licht van de tafel nemende, begaf hij zich uit het vertrek.

De kamer, welke door vader Syard bewoond werd, was de laatste van een menigte cellen, alle op een lange smalle gang uitkomende, en volkomen gelijk in grootte en vorm, hebbende te voren gestrekt tot verblijf der Sint-Jans-Heeren en thans tot tijdelijke huisvesting der dienaars van het gezantschap. Elke cel was gesloten met een deur van dikke greenhouten planken, over wier ruwheid nimmer een schaaf scheen te hebben gegaan, en veel minder eenige verf: midden in die deuren was ter hoogte van het oog een kleine vierkante opening, van buiten met een schuif voorzien, door welke indertijd de pater Guardiaan zich ’s avonds bij het doen zijner ronde kon verzekeren dat de bewoner der cel aanwezig was. Bij zijn nadering zag Adeelen door die opening een lichtstraal schijnen, welke aan de overzijde tegen den witten wand van het portaal werd teruggekaatst. Deze omstandigheid deed hem het besluit opmaken, dat de monnik nog wakker was: daar hij in een tegenovergesteld geval het licht wel zou hebben uitgedaan, alvorens hij zich ter ruste begaf. Dan, toen hij een paar stappen verder gedaan had, was het licht eensklaps verdwenen. Eenigszins verwonderd trad hij toe en, voor de deur der cel blijvende staan, riep hij met een halfluide stem door de opening: “slaapt gij reeds, vader Syard?” Hij ontving echter geen antwoord, maar hoorde nu dat de vrome monnik bezig was om in diepe duisternis zijn avondgebeden op te zeggen.

“Vader Syard!” herhaalde hij luider: “kunt gij uw litanieën niet nog wat uitstellen? Ik wensch u te spreken: kent gij mij niet? Ik ben Seerp Van Adeelen! Nog eens, stel dat gebabbel uit: ik moet u noodzakelijk spreken.”

Ziende, dat er geen middel was om zich van het bezoek te ontslaan, stond de monnik op van de plaats, waar hij lag neergeknield, en ontsloot de deur. Adeelen trad binnen: de vreemde handelwijze van den pater had eenig vermoeden bij hem doen ontstaan. Hij lichtte zijn lamp omhoog en zag de cel rond: een werk dat spoedigverricht was, daar het lokaal niet veel breeder was dan de deur, waardoor men er binnenkwam, aan de eene zijde alleen een gekalkten wand vertoonde met menie geverfd, daar tegenover een slaapstede in den muur, met twee deuren gesloten, en over den ingang een raam, waaronder de tafel stond, die, benevens een koperen kruisbeeldje, een waterkruik en een houten zitbankje, het geheele huisraad der kamer uitmaakte.

“Gij zijt hier voorwaar niet prachtig gehuisvest,” zeide Adeelen, terwijl hij de lamp op de tafel en zijn persoon op de bank nederzette.

“Ik heb meer dan het benoodigde,” zeide de monnik, die met gekruiste armen voor hem stond: “mag ik weten wat u zoo onverwacht hier doet komen? Het feest kan toch nog niet afgeloopen zijn.”

“De duivel hale het feest en allen die er op zijn.”

“Gij sluit, hoop ik, den edelen Aylva uit en Madzy Dekama, die gelijk ik verneem, mede naar die samenkomst van dwazen is vertrokken. Het heeft mij verwonderd, dat een wijs man als haar voogd....”

“Een schandelijk bedrog is jegens ons gepleegd: de oude gek is laf genoeg, het te verschoonen: Seerp Van Adeelen zal het nimmer vergeven.”

“Bedaar!” zeide de monnik: “het is een wijs voorschrift, dat men zijn gramschap moet uitslapen. Ga naar bed, Adeelen! morgen zal ik met aandacht luisteren naar ’t geen gij mij te melden hebt.”

“Morgen!—morgen ontbreken ons wellicht tijd en gelegenheid: ik zal geene rust kunnen smaken voor ik lucht heb gegeven aan mijn verkropten spijt. Maar ik ben dorstig, en ik haat te spreken zonder de lippen te bevochtigen. Hebt gij hier niets te drinken?”

“Geen anderen drank,” zeide vader Syard, de waterkruik toonende, “dan dien welke de duinwellen opleveren.”

“Zoek wel,” zeide Adeelen: “ik houde mij overtuigd, dat de cel van een Sint-Odulfschen kloosterbroeder iets meer bevat. Bij mijn laatste bezoek heb ik althans gemerkt, dat uw oude pater Agge een lieven voorraad echten Niersteiner onder zijn bedstede bewaarde.”

“Ik onderzoek niet wat anderen doen,” hernam de monnik op een gestrengen toon: “mits ik zelf de voorschriften mijner orde nakome.”

“Zeer billijk. Maar misschien is het beter, dat ik voor deze reis uwen regel volge, en mij met water vergenoege. Mijn bloed behoeft niet meer verhit te worden.”

“Inderdaad!” riep vader Syard, verbaasd over deze woorden, de wijste, welke hij Adeelen ooit had hooren uitspreken, en nog meer over de gretigheid, waarmede hij hem de kruik aan den mond zag zetten.

“En nu tot de zaak!” zeide Adeelen: “luister! en oordeel, welke wraak Adeelen nemen moet van hen, die hem zoo schendig durven beleedigen;” en hij gaf den monnik een volledig verslag van hetgeen er was voorgevallen op het feest en van de list, waarvan men zich bediend had om Madzy derwaarts te lokken.

“En op welke wijze denkt gij dezen hoon te wreken?” vroeg vader Syard na eenige oogenblikken zwijgens.

“Nog ben ik daarvan niet bewust; maar dit weet ik, dat ik niet tevreden wezen zal, voor ik dien hoogmoedigen Graaf zal geleerd hebben, wat het zegt, een Frieschen edelman te hoonen.”

“Gij ontzegt hem dan?” vroeg de monnik.

“Ik heb hem niets te ontzeggen; want ik heb hem nooit als mijnen Heer erkend; maar ik verklaar hem oorlog: oorlog, eeuwigen oorlog aan den Graaf van Holland.”

“Amen!” zeide een doffe stem, welke uit den grond scheen te komen.

“Wie sprak hier?” riep Adeelen uit, zich snel omwendende.

“Wie weet het?” antwoordde de monnik, eenigszins onthutst: “wellicht een dienaar, die zijn avondgebed besluit in eene der naaste cellen. Er is slechts een planken beschot tusschen de bedsteden. Het is hier gehoorig; daarom wilde ik liever ons onderhoud tot morgen hebben uitgesteld.”

“Gij bedriegt u. Al de dienaars zitten in de bakkerij: de naaste cellen zijn ledig; maar de uwe besluit misschien meer toehoorders dan u.” Dit zeggende stond hij op, zag vader Syard aan met een argwanenden blik en wendde vervolgens het oog naar de bedstede. “Die deuren,” vervolgde hij, “zijn dicht genoeg om een verspieder te verbergen.” En meteen leide hij de hand op den wervel.

“Laat af!” riep de monnik, hem weerhoudende: “het is nog de tijd niet.”

“Ik wil zien wat hier schuilt,” zeide Adeelen, hem terugstootende: “aha! wat hebben wij daar?”

De dubbele deur der slaapplaats was opengevlogen, en had aan Adeelen een man vertoond, die half gezeten was en half nederlag op een peluw. In de eerste verbazing had Adeelen zijn dolk gevat; maar, de bedaarde en rustige houding des onbekenden bemerkende, het moordtuig weder in de scheede gestoken, en zich vergenoegd met een straffen blik te vestigen op hem, die zich verstout had, het gesprek te beluisteren. Die beschouwing viel niet geheel ten nadeele des vreemdelings uit. Deze scheen een jongeling van omstreeks dertig jaren: zijn kleedij kon moeilijk doen raden tot welken stand hij behoorde, maar vormde veeleer een mengelmoes, dat alle standen aanduiden kon. Over de groene kiel eens boogschutters was een monnikskleed als een omslagdoek heen geslingerd: aan de voeten pronkten laarzen, wier gouden sporen bij het lamplicht schitterden: de hozen waren rood evenals het ondervest; sierlijke blonde haarlokken krulden om het hooge voorhoofd, dat met een gemeene boerenmuts bedekt was: de regelmatige gelaatstrekken, de arendsneus en dunne lippen gaven moed en onversaagdheid te kennen; doch de hazelbruine, levendige oogen schenen tevens vernuft en loszinnigheid van karakter aan te duiden. De mond was tot een glimlach vertrokken, en de geheele houding des onbekenden, zooals hij daar uitgestrekt was, het hoofd half leunende in de linkerhand, terwijl de rechter, aan wier voorste vinger een schitterende ring prijkte,de kin omvatte, het eene been op het bed uitgestoken en het andere daarvan afhangende, teekende volkomen zelfvertrouwen en onverschilligheid omtrent de wijze, waarop Adeelen deze ontmoeting zoude opnemen. Nadat beiden elkander een geruimen tijd hadden aangestaard, brak Adeelen eindelijk het stilzwijgen met de natuurlijke vraag: “wie zijt gij? en wat doet gij hier?

“Gij ziet het,” was het even natuurlijk antwoord: “ik lig te bed.”

Hoe Adeelen tot toorn gestemd ware, kon hij zich niet onthouden van te glimlachen over dit onverwacht antwoord; doch weldra verkreeg de wrevel weder de overhand bij hem: “antwoord met meer bescheidenheid,” zeide hij: “of ik zou u berouw kunnen doen gevoelen over uw onbeschaamdheid. Ik heb hier volks genoeg om u geducht te doen af kloppen, en te leeren spreken als het noodig is.”

“In waarheid!” hernam de vreemdeling, altijd op denzelfden kalmen toon: “doch ik heb hier een vriend bij mij, die hun wellicht den lust tot dergelijke onhoffelijkheden zou doen vergaan.” Dit zeggende toonde hij aan Adeelen een strijdbijl, wier gewicht en zwaarte geene vriendelijke groete voorspelde aan dengene, wien zij toegedacht was.

“Wij zullen zien,” riep Adeelen, toornig naar de deur gaande.

“Om Gods wil! Jonker Seerp! bega hier geene onvoorzichtigheid,” zeide de monnik, hem terughoudende; “men heeft er reeds te vele begaan,”—voegde hij er bij, een ontevreden blik op den onbekende slaande.

“Dat ziet op mij,” zeide deze, schaterende van lachen: “Kom Seerp Van Adeelen! volg den goeden raad des paters, ga bedaard weer zitten: en laat ons vrienden zijn.” En op de bank wijzende, ging hij volkomen overeind zitten in de bedstede en liet de beide beenen afhangen.

“De stoutheid van dien kerel verbaast mij,” zeide Adeelen, onzeker wat te doen: “nog eens, wie zijt gij, die tot Seerp Van Adeelen als tot uw gelijke spreken durft?”

“Ik spreek tot hem als tot mijn mindere,” antwoordde de vreemdeling, op een vroolijken toon, die als in weerspraak was met zijn woorden.

“Tot uwen mindere!” herhaalde Adeelen, stom van verbazing en verontwaardiging. “En in aller Heiligen naam! wie zijt gij dan?”

“Wie ik ben! mij dunkt,” vervolgde de onbekende, den monnik aanziende met een vragenden blik: “dat de tijd nog niet gekomen is, om zulks te vertellen.”

“Neen! bij den hemel!” riep de monnik: “gij moet nu niet zeggen, wie gij zijt: ik smeek u daarom! gij zult de waardigheid, die gij bekleedt, niet tot een voorwerp van spot doen strekken, noch de eene onvoorzichtigheid op de andere stapelen. Seerp Van Adeelen! ik bezweer u! verlaat deze cel en vergeet wie en wat gij gezien hebt.”

“Wat ik gezien heb? twee verraders, die ik terstond zal doen straffen, zoo mijn woord hier eenig gewicht heeft.”

“Dat zult gij niet, dolzinnige!” hernam vader Syard, “de naamdezes mans moet u nog een raadsel blijven; doch dit verklaar ik u Willem de Vierde heeft geen grooter vijand dan hem.”

“Gij haat Willem den vierden,” riep Adeelen, haastig tot den onbekende toetredende: “doch wie waarborgt mij de waarheid van hetgeen die monnik verzekert?”

“Hoor!” zeide de onbekende: “ik mag u, daar de eerwaardige pater het zoo dringend verbiedt, mijn naam niet doen hooren; dit zij u genoeg, dat ik een edelman ben, zoowel als gij, ja van nog beroemder afkomst, al stamt gij van een Frieschen koning af.... doch hierover willen wij niet twisten. De Graaf is uw vijand: hij is ook de mijne. Zoo ik hier verschijn, het was om pater Syard te vinden en met hem de middelen te beramen om den trots des dwingelands te fnuiken. Dezen morgen sprak ik hem niet verre van hier; maar ik heb reden om te vermoeden dat ons gesprek beluisterd is geworden. In de hoop, dat wij hier meer ongestoord zouden spreken, had mij de eerwaarde monnik voorgesteld ons onderhoud in deze afgelegene cel te hervatten. Wij werden gestoord door uwe komst en onwillig, mij aan iemands oogen bloot te stellen, verschool ik mij in deze bedstede, waar ik bijna gestikt ware. Toen ik u zoo luidkeels wraak over den Graaf hoorde roepen, kon ik mij niet weerhouden, een hartelijk amen uit te spreken, en daardoor vrijwillig mijn aanwezigheid te verraden. Had ik mij niet evengoed kunnen stilhouden, en is hij een verspieder, die zich zelven dus aanmeldt?”

“Er is veel waars in ’t geen gij zegt,” merkte Adeelen aan: “doch....”

“Doch mijn mond is schor van het praten: en zoo gij u met water vergenoegt, ik zou wel een meer opwekkenden drank verlangen. Broeder Syard! wees zoo goed en haal een kan wijn boven. Die brave Jonker zal mij wel gezelschap houden en een beker ledigen op de onafhankelijkheid van Friesland.”

Vader Syard schudde het hoofd en zag Adeelen met een blik aan, welke den tegenzin, dien hij gevoelde, om het onderhoud te rekken, blijkbaar aankondigde.

“Ga!” zeide Adeelen, wiens drift nu geheel bedaard was en voor nieuwsgierigheid had plaats gemaakt: “ga! en zeg dat ik wijn verlang.”

De monnik haalde de schouders op en vertrok. “Voorwaar!” zeide de vreemdeling toen: “ik had hem wel mogen gelasten een paar goede stoelen mede te brengen; want de zitplaatsen zijn schaarsch en ongemakkelijk: en, wanneer men praat en drinkt, is een leunstoel met open armen en gevulde kussens voor de tafel geschoven, gansch geen verwerpelijk ding.”

“Zoo gij liever in mijn vertrek wilt komen,” zeide Adeelen: “het huisraad is er zeker beter in orde en....”

“En ik zal er blootstaan aan de nieuwsgierigheid uwer dienaars? Ik dank u.”

“Gij zult er niemand zien, zoo gij zulks niet verlangt: en ik zou den strot afsnijden aan dengene, die zoo stout ware eenige vraag omtrent u te doen.”

“Nu! zoo gij mij daarvan verzekert,” hernam de vreemdeling, opstaande en zijn beenen schuddende, die verdoofd waren door den gedwongen toestand, waarin zij verkeerd hadden: “dan is het mij wel.”

“Voortreffelijk. Laat den monnik u den weg naar mijn kamer wijzen: ik zal voorgaan om te zorgen dat ons niemand store.”

Dit zeggende, nam hij eene der lampen op, stak de andere aan, ten einde zijn nieuwen kennis niet in ’t duister te laten, en wilde zich verwijderen, toen de vreemdeling hem bij den arm terughield.

“Een oogenblik!” zeide deze: “wie waarborgt mij, dat gij mij niet bedriegt en uw dienaars niet gaat roepen om mij te vangen?”

“Zoo het woord van een vrijen Fries niet bij u geldt,” zeide Adeelen, “is het nutteloos, tijd te verspillen met een verder onderhoud. Dan kunt gij u onverlet verwijderen.”

“Ga dan!” hernam de onbekende: “ik vertrouw mij op u.”

Adeelen vertrok, en den monnik op de trap ontmoet hebbende, deelde hij hem het opgevatte voornemen mede, ’t geen bij vader Syard nieuwe stof tot ongenoegen scheen te verwekken. Echter, na een oogenblik te hebben nagedacht: “uw vertrek,” zeide hij, “is, zoo ik mij niet bedrieg, juist onder het mijne.”

“Dat zal wel zoo zijn:—doch waarom die vraag?”

“Des te beter:—gij zult er de reden wel nader van bespeuren.”

Zij verlieten elkander; en na eenige minuten waren Adeelen en zijn beide gasten op hun gemak in zijne kamer gezeten om eene tafel, waar een welgevulde wijnkan met drie bekers op tafel stond te prijken.

Terwijl Adeelen en de vreemdeling zich met eenige goede teugen verfrischten (’t geen de monnik volstandig afsloeg) bleven zij elkander schier zonder spreken nieuwsgierig aanzien, als onzeker wie de eerste zijn zou om het onderhoud, dat zoo belangrijk wezen moest, te beginnen. Eindelijk kon Adeelen zijn ongeduld niet langer bedwingen: de beide ellebogen op de tafel leggende en zijn kin op de saamgevlochten vingers der beide handen doende rusten, ving hij aldus aan:

“Welnu! ik zal den sleutel verkrijgen van hetgeen mij tot nog toe onbekend is? Op welke wijze zal mij uwe hulp te stade komen, om Friesland van ’s Graven heerschzucht ontslagen en mijn eer gewroken te zien?”

“Behaagt het u,” vroeg de monnik aan den onbekende, “dat ik den Jonker mededeele wat hem noodig is te vernemen?”

Een toestemmenden knik ontvangen hebbende, ging vader Syard aldus voort:

“Gij moet dan weten, Seerp Van Adeelen! dat Friesland niet het eenige gewest is, hetwelk reden heeft om zich over de verkorting van lang genoten vrijheden te beklagen. Ook in het Bisdom van Utrecht heeft de heerschzucht des Graven hem vijanden berokkend, die, zijn onverdraaglijk juk moede, alles in de waagschaal willen stellen, om zich daarvan te bevrijden. De keuze van den voormaligen Bisschop, Jan Van Diest, ten gerieve van Grave Willem den Derden gedaan, had bijna geheel het Sticht onder de heerschappij der Hollanders gebracht. Na hem had, gelijk u bekend is, de tegenwoordigeGraaf, begeerig, zijn eens verkregen gezag te handhaven, opnieuw een leenman van Holland, een afstammeling uit het beroemde huis van Arkel, op den Bisschoppelijken zetel weten te plaatsen.”

“Dat alles heb ik meer gehoord,” zeide Adeelen; “die Bisschop is immers in Friesland geweest om de kloosters te bezoeken?—Ik heb hem niet gezien: men zeide, dat hij nog geen baard aan de kin had.”

“Met of zonder baard,” vervolgde de monnik, “hij toonde met de daad, dat hij de belangen zijns Bisdoms behartigen wilde en dat hij niet, gelijk zijn voorganger, een tamme sperwer was, gereed om van ’s meesters hand te vliegen en voor dezen het wildbraad op te vangen: maar een grootmoedige adelaar, vaardig om weerstand te bieden aan al wie hem zocht te fnuiken. Bijna al de bezittingen van het Bisdom waren wegens schulden aan den Graaf verpand: om die schulden af te lossen, en daardoor het Sticht aan den invloed van Holland te onttrekken, verliet Arkel de mijterstad en ging hij stil en afgezonderd in Frankrijk leven. Intusschen liet hij te Utrecht zijn broeder Robbert achter en, met hem, mannen, wier hart van ijver blaakt om het Bisdom tegen alle aanmatiging van buiten te verweren en tot zijn alouden luister te verheffen. Hiertoe willen zij in de eerste plaats den Grave, die zich het momboirschap van het Sticht heeft toegerekend, alle inzien van stukken, benevens de hun gevraagde rekening en verantwoording weigeren.”

“Ik zie, waar dat heen moet,” viel Adeelen in: “de rekening wordt geweigerd: en de Graaf rukt het Sticht in met zijn heir.”

“Indien hij niet wordt voorgekomen,” zeide de vreemdeling, glimlachende.

“Welnu!” hernam de monnik: “het oogenblik, dat het Sticht als één man tegen Holland opstaat, zij ook dat van Frieslands bevrijding.”

“Ik versta u,” zeide Adeelen: “de wapenkreet, die in Utrecht wordt aangeheven, moet door de Collumsche en Amelandsche duinen worden teruggekaatst. Welaan! aan mij zal het niet ontbreken.”

“Hebt gij invloed genoeg in Friesland,” vroeg de Stichtenaar, wiens gelaat op eens een meer ernstige plooi aannam, “om dit te bewerkstelligen?”

“Ik sta in voor geheel Westergoo, dat mij gezonden heeft,” antwoordde Adeelen: “en, zoo mijn echt intijds voltrekken wordt, zal ik een aanhang kunnen vormen, sterk genoeg om den geheelen adel van Friesland mijne banier te doen volgen.”

”’t Is wel! doch uw mede-afgevaardigde, de zendeling van Oostergoo? Hij schijnt meer ten vrede geneigd.”

“Hij moge alleen gaan pruilen op zijn stins,” hernam Adeelen: “Friesland heeft moedige zonen genoeg en zal hem niet missen. Wat de geestelijke huizen betreft....”

“Daarvoor sta ik in,” zeide vader Syard. “Hun afhangelingen zullen niet achterblijven op den dag des gevaars.”

“En dan,” vervolgde Adeelen, wiens oogen meer en meer van geestdrift begonnen te fonkelen: “dan hebt gij, behalve de volgersvan Edelen en Papen, die onbuigzame inwoners onzer steden, wier voorhoofd gloeit, wanneer zij een Hollander hooren noemen, en die nering en bedrijf verlaten zullen en met het zwaard opkomen, zoodra de kans hun schoon staat om een Hollander af te kloppen.”

“Voortreffelijk!” riep de vreemdeling uit: “en wanneer dan alles wat in Twente, in Salland en in Drente onderhoorig is aan het Bisdom, wanneer de moedige Stellingwervers en de Groningers, en die Westfriezen, die nog de dagen van Koning Willem niet vergeten zijn, zich allen vereenigen, dan zal de Meester van alle soldaten en Regent van alle vorsten, zooals de Graaf zich door zijn vleiers noemen laat, werks genoeg hebben om zijn hoofd voor de uitbarsting van het onweer te beveiligen. Hier!” vervolgde hij, een vollen beker omhoogheffende: “drinken wij op het welslagen van ons heilig verbond!”

“Op het wèlslagen,” zeide Adeelen: “maar,” vervolgde hij, van toon veranderende, “mag ik nu eindelijk weten, met wien ik het verbond aanga?”

De vreemdeling wilde antwoorden; maar vader Syard kwam hem voor: “deze edelman,” zeide hij, “brengt ons de wenschen en verlangens over van de Utrechtsche Kapittels. Thans mogen wij u niets meer zeggen. Laat ons liever eens nadenken over hetgeen ons nu te doen staat. Is het uw voornemen niet” (zich tot den Stichtenaar wendende) “morgen naar Utrecht te vertrekken, ten einde aldaar uwe maatregelen te beramen en ten uitvoer te brengen?”

“Morgen!—Neen!—ik moet nog een paar dagen hier blijven: er zijn nog onder die groote heeren, die hier te feest komen, enkelen aan wie ik een woord in ’t vertrouwen heb te zeggen:—doch ik zal schrijven. Die Barbanera, of hoe hij heeten mag, kan een brief medenemen.”

“Hij is, zoo ik vernomen heb, in de hut des boschwachters opgelicht en te Haarlem gevangengezet,” zeide vader Syard.

“Ja!—maar gelukkig weder ontslagen en naar Hillegom gebracht, van waar hij of zijn makker terug zou keeren om mijn bevelen aan de vervallen loods in ’t duintje af te wachten. Wees nu slechts zoo goed mij eenig schrijfgereedschap te verschaffen; want ik vrees, dat de kamer van dezen Jonker daarvan slecht voorzien zal wezen.”

“Gij kunt schrijven!” zeide Adeelen verbaasd, nadat de monnik vertrokken was.

“Is dat wonder voor een afgevaardigde der Kapittels? maar ik kan meer dan dat, gelijk gij zien zult, indien gij u overmorgen op ’t steekspel bevindt.”

“Voorzeker hoop ik daar te komen,” zeide Adeelen.

“Welnu! zoo gij op een Ridder let, in een blanke wapenrusting, met een rooden arend op den helmkam, zult gij ten minste iemand zien, die niet zonder eer het strijdperk verlaten zal.... maar stil! onze waardige pater komt terug: en die behoeft van dit alles niets te weten!”

De monnik trad binnen en plaatste het schrijfgereedschap optafel. De Stichtenaar greep hasstig naar een blad perkament en deed zijn ganzeveder vaardig daarover gaan.

“Maar zoo uw brief onderschept wordt en de Italiaan ons verraadt?Verba volant, scripta manent,2zegt de spreuk.”

“Al wordt de kokeler gepakt en doorsnuffeld, zullen zij mijn brief voor niets anders aanzien dan voor tooverspreuken en bezweringen. Ik versta mij ook een weinig op het cijferschrift.”

Dit gezegd hebbende, zette hij met zulk een vlugheid zijn arbeid voort, dat Adeelen, die vaak de moeite had gezien, waarmede de goede Abt van Sint-Odulf eenige letters formeerde, er over verbaasd stond. Toen het echter een poos geduurd had en de tweede brief begonnen was, namen verveling en vervolgens een onbedwingbare vaak de plaats der verbazing in en welhaast verkondigde een luid gesnork aan de beide saamverbondenen, dat hun bondgenoot in slaap was gevallen.

“En nu, daar onze vriend ons niet hooren kan,” zeide de Stichtenaar, zijn brieven dichtvouwende: “zeg mij, waarde broeder, waarom gij er zoo tegen waart, dat ik mijn waardigheid aan dien edelman bekend maakte?”

“St! Stil!” zeide de monnik, den vinger op den mond leggende.

“Hij kan ons niet meer hooren,” zeide de vreemdeling.

“Fortasse oculis tantum dormit,” hernam de monnik:—“Sed quominus hunc juvenem vestrae dignitatis certiorem faciamus, vetat et ipsius imprudentia, vetat et securitas vestra, quae maxime periclitaretur, si repertum esset, tam insolenti habitu absconsam esse ecclesiae spem deliciasque nostrae.”3

“Et libera nos a malo, amen!” zeide Adeelen, die, door het gesprek weder wakker wordende, zich verbeeldde dat de monnik een Vader Ons opzeide: “wat prevelt gij toch?” vervolgde hij, zich de oogen wrijvende.

“Kom! al genoeg geredeneerd,” zeide de vreemdeling, opstaande: “kunt gij mij nu ongemerkt hier uitlaten? dan ga ik mijn verblijfplaats opzoeken.”

“Ik heb zelf last gegeven de achter- en zijpoort te sluiten,” zeide Adeelen: “doch de groote poort staat nog open. En dan, al zag men u, wie zou vrijpostig genoeg zijn om mij te vragen, welk laat bezoek ik gehad heb?”

“Ik bid u,” zeide vader Syard, “bedenk dat alle onvoorzichtigheid schadelijk wezen kan. Al de dienaars zijn nog wakende, om op den Heer van Aylva te wachten, en gij zoudt onmisbaar gezien worden:—vernam de Olderman of de eerwaarde Abt iets van ons gesprek, het kon voor ons allen gevaarlijk zijn.”

“Zoo ik den tuinmuur overklom....” zeide de Stichtenaar.

“Indien ik mijn gevoelen uiten mag,” vervolgde de monnik, zonder dit laatste voorstel in aanmerking te nemen, “zou ik van oordeel wezen, dat gij hier dezen nacht bleeft vertoeven, daar het mij morgen veel lichter zal vallen om u, als iedereen vermoeid van de nachtwaak in diepe rust ligt, van hier te doen ontsnappen.”

“Ja! maar de brieven,” zeide de vreemdeling: “hunne bezorging eischt spoed.”

“Ik geloof waarlijk, dat er al verspieders in aantocht zijn,” zeide Adeelen, die intusschen door het raam had gezien: “ik heb daar een gedaante door het bosch zien sluipen.”

“Wij zijn onvoorzichtig geweest,” zeide de monnik, zich voor het hoofd slaande: “wij zitten hier met licht: en iemand, die de moeite neemt om een der boomen, welke buiten staan, te beklimmen, kan ons alle drie herkennen.... doch! bij alle heiligen! wat is dat?”

De verbazing des monniks was niet ongegrond: er werd van buiten tegen het raam getikt.

“Wie is daar?” riep Adeelen, met drift het venster opendoende. “Het is de Booze!” zeide hij, toen op hetzelfde oogenblik een zwarte gedaante naar binnen sprong en, zich op de tafel neerzettende, de aanwezigen tegengrinnikte.

“Aha! zijt gij het, meester Cezar!” zeide de vreemdeling: “dan zal uw meester waarschijnlijk niet verre af zijn. Hij zal ongerust over mijn uitblijven zijn geworden, en mij dezen boodschapper hebben toegezonden. Mij dunkt, ik zie hem reeds beneden aan den muur staan. Zijt gij het, Daamke?”

“Tot uwen dienst,” klonk zachtjes het antwoord van den nar.

“Voortreffelijk! hier zijn twee brieven ter bezorging; wil ik ze u toewerpen?”

“Voorzichtig!” zeide de monnik, hem terughoudende, “er groeien zoovele en zoo dichte struiken om de muren, dat de kerel er vruchteloos naar zoude zoeken.”

“Nog beter!” hernam de Stichtenaar: “wij hebben immers den bode bij ons. Hier, meester Cezar! neem deze brieven en breng ze behendig aan den baas: Daamke! roep uw aap!”

Daamke floot slechts even, en gezwind sprong Cezar met de brieven het raam uit en op den schouder zijns meesters, die zich terstond verwijderde. De drie bondgenooten oogden hem zoo lang na als de duisternis het veroorloofde en sloten vervolgens weer het raam.

“En nu!” zeide Adeelen, wien intusschen een nieuw denkbeeld was voor den geest gekomen: “uwe zaken zijn afgehandeld, heer vreemdeling, wie gij zijn moogt! nu moet ik ook eens aan de mijne denken. Ik had eerst den monnik willen vragen, mij behulpzaam te zijn, maar dewijl ik in u iemand vinde, die zoowel met de ridderlijke gebruiken als met het hanteeren der pen bekend is, wend ik mij nog liever tot u.”

“Laat hooren,” zeide de vreemdeling: “en zoo mijne zwakke talenten u van dienst kunnen zijn, ziet gij mij daartoe bereidvaardig.”

De Friesche edelman stelde hem hierop zijn verlangen voor. Daarde uitslag van hun verder onderhoud in het vervolg dezer geschiedenis blijken zal, is het ons onnoodig voorgekomen, de verschillende tegenwerpingen en bedenkingen, door den onbekende en door vader Syard gemaakt, en het ten laatste gevormd besluit hier ter plaatse te vermelden. Wij zullen ons derhalve vergenoegen met te zeggen, dat de Stichtenaar, na den afloop van het gesprek, in een der armstoelen een zachte rust vond, waaruit hij vroeg in den morgen door den monnik gewekt en daarna ongemerkt buiten de muren van het gebouw gebracht werd.


Back to IndexNext