Tiende Hoofdstuk.

Ziet toe, gy terght een volck, in veenen en in moeren,Als vorschen, tot den hals gedoken en gewoon,Te huppelen op ’t lant en over groene zoôn.Dit gaat dan onder, en dan boven water heenen;De grooten worden oock gebeten van de kleenen.Vondel. Batavische Gebroeders.Wellicht zullen reeds velen mijner lezers, evenals Reinout, Deodaat van trouweloosheid jegens zijn vriend en van dubbelzinnigheid beschuldigd hebben. Het is onze plicht, als die van een waarheidlievenden schrijver, hem zoo spoedig mogelijk van dezen onverdienden blaam te zuiveren.Eenigen tijd nadat Reinout dien morgen tot zijn voorgenomene wandeling vertrokken was, liet Deodaat een paard zadelen, met oogmerk om een morgenrit te doen. Om bij zijn vriend geen schijn van vermoeden te wekken, alsof hij het gezelschap der Friezen zocht, reed hij met opzet den weg naar Velzen, dus in een geheel tegenovergestelde richting uit, en keerde langs den duinkant terug door die liefelijke streek, welke sedert door Hertog Aelbrecht tot lustverblijfgekozen en misschien naar hem Aelbrechtsberg genoemd, in ’t vervolg het lievelingsoord werd van zoovelen, die de muffe stad voor de vroolijke buitenlucht wenschten te verwisselen. De weg, welken Deodaat volgde, bracht hem toevallig op een dier bevallige plekjes, welke nog heden met onverflauwde belangstelling door den minnaar eener stille, eenvoudig schoone natuur bezocht worden, maar in de oogen van Deodaat had het landschap, dat zich hier aan hem voordeed, een meer bijzondere waarde; want, al ware de nevelachtige lucht van Holland niet bij het donkerblauwe of gloeiende zwerk van Italië te vergelijken, en al mochten de zandduinen, die hij voor zich had, niet meer dan molshoopen zijn in vergelijking der Apenijnen, er was toch veel in het tafereel, dat hij beschouwde, hetwelk hem herinnerde aan het land van zijne geboorte. Hetgeen hij zag was slechts eene duinvallei, maar eene vroolijk lachende vallei, versierd met al den tooi, welken de aard van den grond en der luchtsgesteldheid in staat waren op te leveren. Aan de westzijde was zij door de hier in evenredigheid hooge en steile duinen als door een muur van zand besloten; maar tegen dien muur van zand staken de berken met hunne rozenkleurige stammen en frisch gebladerte en de groene struiken en struweelen, die de hoogten tot op de helft bemantelden, des te bevalliger af. Een bosch, rijk in alle soorten van geboomte, wier voorjaarsdos al de onderscheidene tinten van groen, van de blonde kleur der wilgen af tot aan de bruine verf der sparren vertoonde, stuitte aan weerszijden tegen den duinkant en vereenigde zich daar tegenover, de daar tusschen gelegen vlakte alzoo in de gedaante eener halve maan omsluitende. En dan, als had de natuur, in een blijde luim dat vroolijke tafereel willen verdubbelen, die golvende heuvelen en dat lachend geboomte en de zonnige lucht daarboven werden teruggekaatst in een tweetal heldere meertjes, wier boorden als met een bruidskrans van schitterende veld- en waterbloemen omzoomd waren.Een nieuwerwetsche bezoeker had zich bij het aanschouwen van dit tooneel wellicht in een onderzoek verdiept, of die meertjes werkelijk, zooals sommigen beweren, de overblijfselen zijn van een voormaligen arm des Rijns, die hier vroeger een uitweg zoude hebben gehad, later door het duinzand overdolven: Deodaat, die zich nooit, gelijk te denken is, aan de natuurlijke geschiedenis van Holland had laten gelegen liggen, vergenoegde zich met de oogen in ’t rond te laten weiden, en met te luisteren naar den zang der nachtegalen, die in de toppen der linden orgelden; en met den verkwikkende geur in te ademen, welke uit meidoorn en seringen opsteeg.—Men was in die eeuw nog verre van toe te geven aan den invloed van het gevoel: en men wist zelfs bij name niet van sentimenteelheid of romantisme; maar toch waren in dit oogenblik de zinnen van Deodaat zoo liefelijk aangedaan, toch ontwaarde hij een stemming, zoo zacht en weldadig, dat hij, zonder zich rekenschap te kunnen geven van de reden waarom, van zijn paard steeg, en, het aan een boom vastbindende, zich op de groene zoden nederzette. Een zoete mijmerij beving hem: vreemde droombeelden en fantasieën verdrongenzich voor zijn geest, en midden daar tusschen zweefde het aanvallige beeld der bekoorlijke Friezin. Somtijds echter kwam er een denkbeeld bij hem op van verwondering over de vreemde gemoedsgesteldheid, waarin hij zich bevond, en vroeg hij zich af, hoe hij er toch op eens toe kwam, om op deze wijze de dolende Ridders na te volgen, van wier liefdegepeinzen in de schaduw van ’t geboomte hij meer dan eens de meistreels had hooren zingen; en niettegenstaande hij dan een oogenblik over zijne dwaasheid lachte, was hij toch niet in staat, zich aan de zoete begoocheling, die hem bevangen had, te onttrekken, en Italiaan genoeg om een wellustig genot in datdolce far niente1te scheppen. En wat was ook natuurlijker?—hij beminde, zonder het nog zelf te weten: en wie, die eenmaal bemind heeft, weet niet hoe zoet, hoe bedwelmend dat eenzaam mijmeren is, als men, alleen met de schoone natuur, de gansche wereld vergeet: als een onbestemd verlangen het hart doet zwoegen, als een te voren ongekende wellust elken vezel ontspant en met verkwikkende warmte door alle poriën dringt: en de ziel, met zich zelve en met de schepping in vrede, zich in droomen en gedachten verliest, welke geene dorre wezenlijkheid in staat is terug te geven.Zoodanig was ook de gesteldheid van Deodaat, toen hij, toevallig den blik opwaarts slaande, iets boven den hoogsten top van het voor hem liggend duin zag bewegen, dat zijn aandacht tot zich trok. Hij kon niet terstond beseffen, wat het zijn mocht, maar weldra bespeurde hij dat het een vrouwelijke gedaante was, welke aan de tegenovergestelde zijde het duin beklom; want hij zag eerst een hoofd en vervolgens de overige ledematen zich, evenals de goden op het Romeinsche valgordijn afgebeeld, boven het duin verheffen: tot eindelijk het jonge meisje (want die fijne leest kon slechts aan een jong meisje behooren) geheel op de kruin te voorschijn kwam en daar, met al de levendigheid der jeugd, driewerf opsprong, in de handen klapte, naar alle kanten rondzag als om het omgelegen landschap te beschouwen en toen met eenige drift iemand wenkte, die met een minderen spoed over den rug der hoogte naar haar toekwam.Onze Ridder bleef eenige oogenblikken onbeweeglijk zitten, in die stomme verbazing, welke de plotselinge verschijning van een onverwacht voorwerp veroorzaakte; want hij had in die beide duinbeklimmers de schoone Madzy en haar voogd herkend. Zij van haren kant scheen hem niet te bespeuren; althans zij toonde wel den Olderman, toen deze aan hare zijde gekomen was, de omliggende landgezichten aan, welke blijkbaar geheel nieuw en verrassend voor haar waren; maar haar oog rustte niet eenmaal op de plaats, waar Deodaat zich bevond. Deze bleef nog eenigen tijd stilzitten; hij voelde wel, dat zijn hart onrustig klopte en dat een sterke stem in zijn binnenste hem aanspoorde, de schoone Jonkvrouw tegemoet te gaan: maar de gedachte aan zijn vriend, aan Reinout, weerhield hem.“Arme Reinout!” dacht hij: “het gaat met u als met den man, van wien Jasper De Vinder sprak, die de fortuin overal ging opzoeken: terwijl zijn buurman stil op zijn bed bleef liggen en haar ongeroepen bij hem zag binnenkomen. Gij loopt naar het Sint-Jans-klooster, en vindt niemand, terwijl ik, hier stilzittende, uwe schoone zie genaken:—maar ik zal, om uwentwil, van deze ontmoeting geen gebruik maken.”De goede Deodaat dacht weinig, dat hij op hetzelfde oogenblik, waarin hij dit manmoedig besluit gevormd had, er weder stond af te wijken: maar een onvoorziene omstandigheid noodzaakte hem daartoe, en op eens met een schreeuw opspringende, liep hij gezwind als een hert tusschen de meertjes door naar den duinkant toe. Hij had namelijk gezien, dat Madzy, zonder twijfel bezield met die kinderlijke vroolijkheid, welke het genot der vrije natuur in een onschuldig hart doet ontstaan, na zich genoeg vergast te hebben aan het aanschouwen der omliggende streken, op eenmaal, als om haar voogd te plagen, gelijk haar gebaren en hoorbaar gelach aantoonden, trek had gevoeld om van het duin naar beneden te loopen: iets dat misschien op geene andere plaats, dan alleen op die, welke zij daartoe had uitgekozen, gevaarlijk zijn kon. Het duin toch, dat eerst golvend en glooiend afliep, was ongeveer tien voet boven den grond afgezand geworden en vormde aldaar een steilte, welke van iemand, die boven stond, niet gezien kon worden: maar welke Deodaat van zijne plaats duidelijk bemerkte:—en niet ten onrechte had hem de vrees bevangen, dat Madzy, wanneer zij van de hoogte kwam aangeloopen, de snelheid van haar vaart niet zou kunnen bedwingen en van de steilte nedervallen:—en het was om haar tegen dit gevaar te waarschuwen of zoo mogelijk haar in den val te weerhouden, dat hij eerst dien schreeuw gaf, die, door de vallei weergalmende, een koppel wilde eenden van uit het riet opvliegen en den wildzang zwijgen deed; en dat hij vervolgens de onvoorzichtige maagd te gemoet ijlde. Madzy had dien kreet van waarschuwing gehoord, juist toen zij die steilte op een korten afstand genaderd was: door een onwillekeurige beweging van schrik poogde zij haar vaart te stuiten; maar de beweging zelve deed haar wankelen, en op dat oogenblik Deodaat gewaarwordende, en waarschijnlijk niet voor zijn oog willende vallen, vervolgde zij haar loop; maar nu door de wending, welke zij gemaakt had, in een meer zijdelingsche richting, en kwam hierdoor wel aan den rand der steilte, maar op een plaats, waar die ongelijk minder hoog was, zoodat zij, daar zijnde, zonder zich te bedenken naar beneden sprong en ongedeerd naast den toegesnelden Ridder op het zand stond.“Gij hebt mij voor u doen beven, Freule!” zeide Deodaat, half buiten adem en bleek als een doek.“Ik beken u, ik heb ook een oogenblik van schrik gehad,” zeide Madzy: “maar het is voorbij. ’t Is goed dat gij geschreeuwd hebt,” voegde zij er met een betooverenden glimlach bij: “ik had vast een kluchtige figuur gemaakt, wanneer ik van dien steilen kant was komen rollen; maar ik ben toch maar blijde dat ik op vasten grondsta! Kom maar hier, mijn Heer van Aylva! ik ben al beneden! maar neem niet denzelfden weg.”“Voorwaar! indien mijn beenen twintig jaren jonger waren geweest, zouden zij u niet vooruit hebben laten gaan,” zeide Aylva, die nu langs een meer gemakkelijk pad uit een boschje te voorschijn kwam: “maar wat zie ik?—Hebt gij hier op eens gezelschap gevonden?”Hier bemerkten Deodaat en Madzy eerst, dat zij elkander bij de hand hielden: hij had haar de zijne, op het oogenblik dat zij afgesprongen was, toegereikt: zij had die onwillekeurig aangenomen: en geen van beiden had nog gedacht om de zijne terug te trekken. De vraag van Aylva joeg hun een gloeienden blos op de kaken: zij lieten elkander los en zagen beiden als overtuigde schuldigen onbeweeglijk en zwijgend voor zich.“Van waar komt gij dus op eens uit de lucht vallen?” vroeg Aylva eenigszins verwonderd aan den jongeling.“Wel, mijn waarde voogd,” antwoordde Madzy, hare vroolijkheid bij het hooren dezer vraag op eens terugkrijgende: “ik was het, die bijkans uit de lucht was komen vallen en de Ridder kwam mij helpen.”“Zoo!” zeide Aylva, lachende: “het was dus naar den Ridder, dat gij met zooveel drift toesneldet?”Een gloeiend inkarnaat verfde opnieuw het gelaat der jonge schoone. Deodaat, haar verlegenheid bespeurende, haastte zich voor haar te antwoorden: “Ik zou zeer gelukkig zijn, indien ik de verwaandheid mocht hebben zulks te gelooven; maar ik twijfel er hard aan of de Jonkvrouw iets van mij bespeurd heeft voor wij naast elkander stonden.”—Hierna vervolgende, helderde hij met korte woorden de aanleiding hunner ontmoeting op.“Zoo!” zeide Aylva: “dan heb ik mijn pupil alleen over hare wildheid te beknorren!—Denk eens, wat zou Seerp Van Adeelen wel gezegd hebben, indien ik u met een gebroken arm had te huis gebracht?”Deze aanmerking van den Olderman deed bij Deodaat een gevoel van wrevel ontstaan, hetgeen hij zich nauwelijks wist te verklaren: doch dat geheel week bij het antwoord van Madzy:“Wat zal ik u zeggen, mijn waarde voogd!—Indien Seerp Van Adeelen zooveel belang in mij stelt, moest hij medegaan om op mij te passen.”“Gij weet, lieve Madzy!” zeide Aylva, “dat hij hedenmorgen bij den helmslager zijn moest, ten einde te zorgen, dat zijn wapenrusting voor het steekspel in gereedheid zij:—gij zoudt toch niet begeeren, dat hij daar niet verscheen als iemand, die Friesland eer moet aandoen.”Madzy antwoordde niets, maar den arm des Oldermans nemende, begon zij rondom zich heen te zien en drukte haar bewondering over het schoone landschap uit. Dit gaf aanleiding tot een onderhoudend gesprek, aan het einde waarvan Aylva aan Deodaat verhaalde, dat zij met hun gevolg te paard den omtrek hadden rondgereden,en dat die wilde meid, de duinen ziende, hem overgehaald had even af te stappen om te zien of zij de Noordzee ook van de toppen der hoogten bespeuren konden. “Ik ben gek genoeg geweest, aan haar verzoek te voldoen,” zeide de Olderman: “en ik verzeker u, dat mijn beenen het voelen. Ik ben niet gewend door dat gulle zand te kruien en verlang hartelijk weer in den zadel te zitten. Mij dunkt, onze paarden moesten hier reeds zijn!”“Daar komen zij al,” zeide Madzy, de dienaars ontdekkende, die beneden langs gestapt waren en nu uit het bosch te voorschijn kwamen.“Kom! het is tijd van gaan,” zeide Aylva: “wij moeten naar huis, anders kom ik te laat om mij te kleeden voor het gehoor. Verzelt gij ons, heer Ridder? ik vermoed dat het uw paard is dat aan gindschen boom staat.”“Gij zijt toch recht achteloos omtrent uwe paarden,” zeide Madzy met een spottenden glimlach tegen Deodaat. “Als men u dit nu ook ontstolen had, terwijl gij naar mij toe kwaamt!”“Ik geloof waarlijk,” zeide Deodaat, op denzelfden toon, “dat gij meent dat dit land vol dieven is.”“Inderdaad,” hernam zij: “Seerp Van Adeelen zoude u wel haast antwoorden, dat hij er niet aan twijfelt, en dat uw Graaf de grootste dief van allen is, daar hij ons onze onafhankelijkheid ontstelen wil.”“Madzy! Madzy!” zeide Aylva, den vinger dreigend opheffend: “gij spreekt weder over zaken, waar een meisje niet over spreken moest.”De bevallige jonkvrouw zag haar voogd met een blik van verwondering aan; want, nooit buiten haar geboorteland geweest zijnde, waar men algemeen gewoon was vrij en onbewimpeld te spreken, had zij zich nog geen denkbeeld gevormd van de noodzakelijkheid om, onder vreemden, de woorden, die men wil spreken, te voren op de weegschaal te leggen. Een ingeschapen gevoel van betamelijkheid en een juist oordeel zouden Madzy wel overal hebben blijven geleiden en haar verhinderen van iets onvoegzaams te zeggen; maar de ongewoonte om onder vreemden te zijn had haar nog onbewust gelaten, dat men niet alle onderwerpen even vrij met iedereen kan behandelen: bovendien gevoelde zij zich zoo op haar gemak met Deodaat, dat zij hem, ondanks den korten tijd, die er sedert hunne kennismaking verloopen was, reeds beschouwde als iemand voor wien zij zich niet behoefde te weerhouden om vertrouwelijk en ronduit te spreken. De bestraffing van Aylva, ofschoon op een vriendelijken en lachenden toon uitgedrukt, hinderde haar dan ook, en misschien wel des te meer, omdat die in tegenwoordigheid van Deodaat plaats vond.—“Kom!” zeide zij eindelijk, terwijl zij te paard steeg: “ik zie dat ik een dwaasheid gezegd heb; en ik had waarlijk vergeten, dat de Ridder in ’s Graven dienst is en dat men hier niet anders als goed van hem spreken mag. Gij neemt het mij toch niet kwalijk, Ridder! maar ik spreek nog zoo wat op zijn Friesch, slecht en recht.”“In allen gevalle,” zeide Deodaat, met verrukking het lieve meisje beschouwende, “deedt gij niets dan de woorden van een ander herhalen, zonder dat gij voor zijne gevoelens behoeft in te staan:—en Graaf Willem heeft immers gisteravond de hand van Seerp Van Adeelen geschud?”De stoet intusschen geheel te paard gestegen zijnde, keerde men langs den kortsten weg terug onder een vroolijk gesprek tusschen Madzy en de beide edellieden. De goedhartigheid van Deodaat, die uit al zijn gezegden doorblonk, het gezond verstand, dat hij betoonde, en de aard zijner scherts, die altijd onschuldig en vroolijk bleef, wonnen het hart van den Olderman, die bovendien, wanneer hij den jongeling aansprak, zich tot hem getrokken gevoelde door een onverklaarbaar gevoel, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven. Het was hem, of hij hem reeds vroeger aanschouwd had en wel in beter en gelukkiger dagen; doch waar, dit zocht hij zich vruchteloos te herinneren. Ook Deodaat, hoezeer hij moeite had om zijn oogen van Madzy af te wenden, kon niet nalaten behagen te scheppen in het onderhoud van den edelen Fries, die hem een gevoel van eerbied en achting inboezemde, gelijk hij nooit te voren jegens iemand had ondervonden. En wat Madzy betrof, weggesleept door den innemenden toon van Deodaat en door het belangrijke van zijn opmerkingen en verhalen, gaf zij zich onmerkbaar over aan het betooverend genoegen, hetwelk iemand, die een natuurlijken aanleg bezit tot alles wat edel en goed en schoon is, onmisbaar smaken moet, wanneer hij zich in een leerrijk en onderhoudend gezelschap bevindt: vooral indien de onderwerpen van het gesprek aan den eenen kant nieuw en verrassend, en aan den anderen kant niet te hoog voor zijne bevatting zijn. En hoeveel te sterker moest de indruk zijn, dien de gezegden van Deodaat op het eenvoudige meisje teweegbrachten, nu de beschaafde vormen en het innemend uiterlijke van den spreker ook aan min belangrijke zaken waarde zouden hebben bijgezet.Het was dan ook schier onmerkbaar, dat zij zich weder aan den heirweg tusschen Haarlem en Leiden bevonden, op welken zij door een achterweg gekomen waren: en alwaar zij, gelijk wij reeds verhaald hebben, Reinout ontmoetten. Deodaat zag zijn vriend het eerst: hij deed hem aan Madzy opmerken: en zoo deze bij die gelegenheid lachte, het was niet, gelijk Reinout zulks vermoedde, om eenig gezegde van Deodaat dat op hem betrekking had, maar om de zonderlinge uitdrukking, welke zich in het voorbijgaan op het gelaat van den ontevredenen voetganger vertoonde. Deodaat, die intusschen bij het herkennen van Reinout zich hun gesprek van den vorigen avond herinnerde, begon eenige opwelling van berouw te gevoelen en zich te verwijten, dat hij niet aan zijn belofte getrouw was gebleven. Willende herstellen hetgeen hij bedorven had, nam hij uit de gedane ontmoeting terstond aanleiding om zijn vriend hemelhoog te prijzen en diens goede hoedanigheden in het schoonste daglicht voor te stellen;—maar deze handelwijze, in stede van zijn wapenbroeder, gelijk hij dacht, eenigen dienst te doen, strektenergens anders toe, dan om het gevoelige hart van Madzy des te meer in te nemen voor hem, die zich zulk een getrouw en waardig vriend betoonde.Aan de poort van het Sint-Jans-klooster namen zij afscheid: en Deodaat, bemerkende dat het reeds laat was geworden, haastte zich, in vollen ren naar Haarlem te keeren, waar hij zich in aller ijl kleedde en zich vervolgens naar de Sint-Jans-straat begaf.Het was in de kerk van het aldaar gelegen klooster, dat de plechtigheid van het gehoor zou plaats vinden; en een aanzienlijke menigte herauten, ordebroeders, edelen en dienaars waren reeds bezig, om onder opzicht van den ouden Wapenkoning van Holland de noodige aanstalten en toebereidselen te maken en de zitplaatsen der te verwachten gasten naar hun rang en stand te regelen. Deodaat, die benoemd was om te dien einde mede te werken, moest bij zijn aankomst eene vrij lange en taaie bestraffing van den Wapenkoning ondergaan, dat hij eenige minuten te laat was gekomen; naar welke hij echter weinig luisterde, daar zijn oogen de kerk ronddwaalden om zijn vriend Reinout te zoeken, dien hij eindelijk van verre gewaarwerd, het toezicht houdende over het ophangen der wapenbondels en andere versierselen, welke den Gravezetel omgeven moesten. Hij begreep, dat het nu niet het oogenblik was om hem opheldering te geven omtrent zijn gedrag en vergenoegde zich dus hem van verre toe te knikken, hetgeen Reinout òf niet bespeurde, òf niet wilde opmerken:—en daar aan Deodaat vervolgens een andere bezigheid aan den ingang der kerk werd opgedragen, moest hij voor ’t oogenblik alle gelegenheid tot een verklaring uit zijn hoofd stellen.Het uur van één, dat tot het gehoor was uitgekozen, had eindelijk geslagen, en het gebouw, nu geheel ingericht tot de plechtigheid, leverde reeds een prachtig schouwspel op. Een groot denkbeeld van zijn macht aan de vreemde bezoekers en vooral aan de Friesche afgevaardigden willende inboezemen, had de Graaf bevolen, dat er geene kosten gespaard zouden worden om een praal ten toon te spreiden, geschikt om alle oogen te verblinden. Prachtige tapijten, van afstand tot afstand door wapenbondels of schilden afgezet, bedekten de wanden of hingen van de kerkbogen af. Welriekende wateren of reukwerk uit het Oosten wasemden uit sierlijk gebeitelde of kunstig gesnedene vaten op, en vervulden het ruime gebouw met balsemende geuren. De vloer was niet bestrooid met stroo, gelijk zulks de toenmalige gewoonte was; maar al de tuinen rondom Haarlem hadden hun bloemenschat opgeleverd, en men liep als over een rijkgekleurd tapijt van rozen, jasmijnen, gouden regen, gebloemte en gebladerte. Vlak voor het koor was de zetel des Graven opgericht: rozeroode gordijnen, op een sierlijke wijze geplooid en door gouden snoeren opgebonden, hingen van den troonhemel af, wiens bovenrand prijkte met de wapenborden der verschillende Graafschappen en Heerlijkheden, waarover Willem van Henegouwen zijn staf zwaaide, en daarboven hing de Gravenkroon in flonkerenden luister.Reeds was de kerk gevuld met het aanzienlijk getal genoodigden, toen de klank van trompetten en klaroenen de komst des Graven verkondigde, die kort daarop uit eene der zijdeuren, welke gemeenschap had met het klooster, te voorschijn kwam, voorafgegaan en vergezeld van zijn doorluchtig geslacht en van zijn gewoon gevolg, allen op ’t schitterendst uitgedost. Willem zelf, op wiens fraaie golvende haren de Gravenkroon prijkte, was gekleed met een tot op de voeten hangenden tabberd van scharlaken kleur, met gouden boordsels omzet, waarop kostbare gesteenten blonken, en droeg daarboven een hemelsblauwen mantel met open mouwen, gevoerd en geboord met bont, en geborduurd met de wapens van Holland en van Henegouwen: terwijl een halskraag van hermelijn zijn kleedij voltooide. De edelen, die hem omringden, waren, over het geheel, niet minder prachtig gekleed dan hij: de hoofden van adellijke huizen, en die, aan welke uithoofde hunner jaren de vroolijke dracht der jeugd niet meer voegde, hadden insgelijks lange tabberds aan, onderscheiden van kleur en versierselen, doch alle blinkende van goud en bont en gesteenten. De jonge Ridders en Edelen daarentegen droegen korte, overal geslotene buisjes, om het middel met een gouden koord omgord, en met mouwen, die, naar den toen heerschenden smaak, omtrent een halven voet langer waren dan de arm: voorts gouden ketens om den hals, tootschoenen met punten van een bespottelijke lengte, en fluweelen hoeden, die op den top van het hoofd zaten, en langs wier hoogen en kegelvormigen bol een enkele witte veder opliep.Zoodra de Graaf gezeten was, namen ook de aanwezigen, immers voor zooverre de zitbanken toereikend waren, hunne plaatsen in: acht pages en een aantal Herauten bekleedden de trappen van den troon: aan weerszijden waren de bloedverwanten des Graven, de Hollandsche en Henegouwsche Baanderheeren en de gemijterde Geestelijken gezeten: terwijl verder de kerk vervuld was met een uitgelezen schaar van Vorsten en Heeren, uit alle beschaafde landen hier samengekomen, waarachter een vierdubbele rij van Ridders, Edellieden en Vroede mannen, wier getal dat van duizend overtrof, tegen de wanden stond geschaard. Alleen in het midden was de doortocht vrij en een voegzame ruimte voor den zetel opengelaten.Nadat de Herauten stilte hadden bevolen, gingen vier hunner naar den hoofdingang om aldaar de Aartsbisschoppen van Keulen en van Trier, die, in plechtgewaad en van een luisterrijken stoet vergezeld, de kerk binnentraden, af te halen en voor den Grafelijken zetel te geleiden. Toen rees de Graaf op, uit eerbied voor zijn Leenheer, wien deze Dignitarissen vertegenwoordigden: en nu gaf hem de eerstgemelde Rijksvorst in een lange en sierlijke aanspraak te kennen, dat de Keizer, getroffen door zijn schitterende verdiensten, en hem een blijk zijner hooge achting willende geven, hem de Hertogelijke kroon had toegedacht, welk gunstbewijs hij zich vleide, dat door den Graaf met dankbaarheid en welwillendheid zou worden aanvaard.“Hoogwaardigste!” antwoordde Willem, “wij bidden u, na uw terugkeer in Duitschland, de uitdrukking onzer erkentenis voor denKeizerlijken troon te willen brengen. Het blijk der gunst van onzen genadigen Leenheer zal ten allen tijde ons hart voor hem van liefde en getrouwheid vervuld doen zijn. Maar laat de Keizer het echter zijnen dienaar niet wijten, noch het aan eenige minachting zijner genade toeschrijven, indien wij zijn gunstbewijs niet aannemen. Ieder op deze aarde heeft zijne bepaalde eerzucht: de onze was altijd, de eerste Graaf des Duitschen rijks genoemd te worden.—Deze wensch is vervuld geworden; maar hooger stijgt hij niet: en, om onbewimpeld te spreken, wij willen liever, zoo in den slag als op de feesten, alle Graven voorgaan, dan dat wij alle Hertogen zouden volgen moeten.”Deze woorden uitgesproken hebbende, zag Willem om zich heen, en verhief zich zijn hart met niet weinig hoogmoed, toen hij dien luisterrijken stoet van Ridders en Baronnen overzag, die hem ten oorlog volgen moest, en gelijk geen ander Graaf, ja gelijk geen Rijksvorst in staat was onder zijn banier te scharen. Helaas! wat is de heerlijkheid des menschen? Weinig dacht hij toen, de machtige Graaf, dat binnen weinige maanden hij zelf en die gansche adel, waarmede hij zulke roemvolle overwinningen behaald had, van het aardsche tooneel door de meest verachte handen zouden worden weggemaaid.Een algemeene toejuiching had het antwoord van den Graaf gevolgd: en de Aartsbisschoppen (die echter te voren onderricht waren, welk bescheid zij bekomen zouden) werden naar het voor hen bestemde gestoelte geleid, terwijl alsnu de Friesche afgevaardigden, die ter zijde gezeten waren, voor den zetel werden geroepen. Zij traden met deftigheid naar voren, en hielden op een kleinen afstand van den zetel stil. Daar gekomen, deed de Abt, die Aylva rechts en Adeelen links van zich had, nog een stap voorwaarts, en richtte het woord tot den Graaf. Zijn aanspraak, aan welker samenstelling vader Syard ongetwijfeld deel had gehad, was een meesterstuk van diplomatieken stijl, en zoude ook in onze dagen een gezant, die gekomen was omnietste zeggen, eer hebben aangedaan. Zij behelsde een menigte zwierige en vleiende betuigingen van eerbied en hoogachting voor den Graaf, met menige Latijnsche spreuk doorzult, gaf hartelijk leedwezen te kennen over het gebeurde te Stavoren, en eindigde met een ontboezeming der hoop, door de Friezen gekoesterd, dat de eensgezindheid tusschen den Graaf en hen steeds duurzamer zoude blijven stand houden. Maar ook het scherpzinnigste vernuft zou uit dien ganschen vloed van woorden niet één blijk van onderdanigheid getrokken hebben, noch een enkel bewijs, dat de Friezen den Graaf als hunnen Heer, nauwelijks dat zij hem als hunnen beschermer aannamen of erkenden. Willem had dit ook weldra bemerkt; en meer dan eens hadden zijn gefronst voorhoofd, en een zijdelingsche blik, op Beaumont geslagen, zijn innerlijke ontevredenheid te kennen gegeven. Hij liet echter den gezant uitspreken, altijd nog hopende, dat een betuiging van hulde en getrouwheid zijn rede zoude besluiten; doch toen hiervan niets kwam, en de Abt, na zijn aanspraak te hebben uitgebracht, weder tusschen zijn beide landgenooten terugtrad, kon hij zijn ongenoegen niet langer bedwingen. Dewoorden, waarin zijn antwoord vervat werd, waren echter gematigder, dan de toon waarop hij dat antwoord uitsprak: en alleen aan de trilling zijner lippen en aan de heeschheid zijner stem was zijn innerlijke gemoedsaandoening te bespeuren.“Wij danken onze Friescheonderzaten,” zeide hij, op dit laatste woord drukkende, “voor de betooning hunner verknochtheid; wij hadden echter iets meer durven hopen dan loutere betuigingen, en billijk verwacht, dat er van hunnen kant ook daden zouden hebben gesproken. Gij kunt niet onwetend zijn, edele Heeren! dat onze Ambtenaren te Stavoren mishandeld zijn geworden. Is de orde aldaar reeds hersteld? en welke straf hebben de schuldigen ondergaan?”“Men is bezig een gerechtelijk onderzoek naar het voorgevallene te doen,” antwoordde Aylva, “en wij twijfelen niet, of de schuldigen zullen naar de wetten geoordeeld worden.”“Men heeft te lang gewacht,” zeide de Graaf: “op heeter daad had men de misdadigen moeten vatten en vonnissen.”“Het ware intusschen te wenschen,” vervolgde de Olderman, als had hij ’s Graven aanmerking niet gehoord, “dat uwe Genade het gebeurde geliefde te vergeten en den moedwil van een onberaden hoop vergeven. De Fries, aan zijn vrijheden verknocht, is nog ongewoon aan het eerbiedigen van vreemde instellingen, en een te groote gestrengheid bij zijn eerste vergrijp zou wellicht nadeeligen invloed kunnen hebben en een scheuring verwekken, die in het belang uwer Genade en in dat van Friesland moet worden voorkomen.”“Inderdaad!” hernam Willem: “waarom geeft gij ons niet liever den raad, onze ambtenaren uit Friesland terug te trekken, opdat gij ulieden geheel naar uw eigen goeddunken zoudt kunnen regeeren.”“Dit ware zekerlijk het verkieslijkste, om alle botsing te vermijden.” zeide Adeelen: “en wellicht,” voegde hij er met fierheid bij: “ware het beter dat zulks thans geschiede, nu het als een gunst ontvangen kan worden, dan later, wanneer de drang der omstandigheden het tot een noodzakelijkheid zal maken.”Een algemeen gemor deed zich hooren bij het vernemen dezer hooghartige taal. Zelfs de Abt van Sint-Odulf, die zich in deze schitterende vergadering slecht op zijn gemak voelde, en de beradene Aylva, die zoo gaarne een vredebreuk wilde vermijden, zagen hun ambtgenoot met een blik van ontevredenheid aan. De Graaf echter, die reeds daags te voren de onbuigzaamheid van Adeelen had leeren kennen, nam zijn woorden thans minder euvel op dan men verwachtte: “Wij danken u, Heer van Adeelen!” zeide hij, “dat gij zoo onbewimpeld spreekt; want uit uwe redenen kunnen wij opmaken, hoe weinig zich de Friezen in het algemeen aan hunnen Heer laten gelegen liggen. Alleen moeten wij u doen opmerken, dat zulk een taal weinig strookt met het doel, dat wij aan uwe zending toeschreven, en weinig die onderwerping ademt, welke wij recht hadden van u te verwachten.”“Vraag visschen aan het geboomte en bloemen aan de zee,” riep Adeelen uit: “maar vraag nimmer onderwerping aan een vrijen Fries.”“Hoe nu!” hernam de Graaf: “zijn dit de woorden uwer lastgevers? En stemmen de Eerwaardige Abt en de Heer van Aylva mede in die onbezonnen taal?”De Abt, die reeds een poos met angstige verlegenheid zijn oogen van den Graaf op Adeelen, en van dezen op Aylva had doen dwalen, antwoordde niets, maar veegde zich de zweetdroppelen van ’t gelaat. Aylva nam het woord op.“Edele Graaf!” zeide hij: “het is nooit de wensch noch de bedoeling onzer lastgevers geweest, uwe Genade in hare rechten en waardigheid te verkorten. Wat onze ambtgenoot heeft gezegd, moge hij zelf verantwoorden: onze taak was alleen, uwer Genade de betuiging van Frieslands verknochtheid over te brengen en uw verlangen aan te hooren. Verder strekt zich onze lastbrief niet uit.”“Gij hebt dan geene machtiging,” vroeg Willem met eenige verbazing, “om ons, uit naam van hen die u zonden, openlijke hulde als Heer van Friesland te doen?”“Ik herhaal het,” antwoordde Aylva: “hetgeen uwe Genade ons zal gelieven te bevelen, zal getrouwelijk door ons aan onze lastgevers worden overgebracht.”—“Vive Dieu!” riep de Graaf, zich met een bitteren lach tot de naastbij gezetenen wendende: “Gij hoort het, mijne Heeren! men verzoekt onze bevelen te vernemen, ten einde die door onze getrouwe Friesche onderzaten in overweging worden genomen en beoordeeld of zij wel in overeenstemming zijn met de oude vrijheden des lands. Bij Sint-Japik!” vervolgde hij tot de Friezen, “zoo wij alleen gehoor gaven aan hetgeen onze waardigheid als Graaf van ons vordert, zouden wij u dadelijk onzen wil te kennen geven en voor de uitvoering zorgen, zonder ons te bekreunen, in hoeverre ons verlangen met de inzichten onzer overzeesche onderzaten strookt: doch wij willen in dezen slechts aan onze liefde voor verdoolde kinderen gehoor geven en de zaak in rijpe overweging nemen, ten einde men niet van ons zegge, dat wij overijld besluiten en handelen. Intusschen raden wij u, onze getrouwen! uwe landgenooten te doen aanmanen, dat zij niet door nieuwe ergerlijke tooneelen onze zachtmoedigheid tergen. Mijne Heeren! de zitting is opgeheven!”Met deze woorden rees hij van zijn zetel en verliet het gebouw op dezelfde wijze als hij gekomen was, terwijl weldra de gansche vergadering zijn voorbeeld volgde en uiteenging.1Het liefelijke niets doen.Tiende Hoofdstuk.Deux coqs vivaient en paix: une poule survint,Et voilà la guerre allumée.De la Fontaine.Deodaat had aan den ingang vertoefd, tot de geheele stoet was vertrokken, en was nu, met oogmerk om Reinout op te zoeken, de kerk weder ingetreden. Hij vond echter zijn vriend niet, die door een andere deur, naar ’t scheen, was uitgegaan, toen een page van den Graaf hem op zijde kwam en hem de tijding bracht, dat deze hem verlangde te spreken.Zwijgend volgde de jongeling het knaapje, dat hem binnen de muren des kloosters voorging en naar het slaapvertrek des Graven geleidde. Deodaat, aangediend zijnde, werd terstond binnengelaten. Willem lag half op een rustbank uitgestrekt en in gesprek met zijn oom van Beaumont en de Heeren van Naaldwijk en van Teylingen: twee edelknapen waren bezig zijn plechtgewaad te bergen in een grooten, met koper beslagen kotter, die nevens hem stond: en een derde stond voor hem met een zilveren schenkblad, waarop een beker gekruide wijn.“Bij Sint-Japik!” zeide de Graaf: “vriend Deodaat! gij kunt ons een grooten dienst bewijzen.”“Uw Genade kan aan mijn goeden wil niet twijfelen,” zeide Deodaat.“Welnu!—Gij zijt reeds bij die Friezen geweest;—gij schijnt zelfs een nauwe kennis met hen gemaakt te hebben: althans men heeft u dezen morgen met hen zien rijden.”“Ik ben zeer verplicht aan hen, die belang genoeg in mij toonen om mijn gangen na te gaan,” zeide Deodaat.“Vive Dieu! wat vat de Italiaan spoedig vuur. Nu! het ware geen wonder, al vond men het eenigszins vreemd, dat gij zulke beste maats zijt met lieden van zulk oproerig slag. Intusschen, wij weten in wien wij ons vertrouwen stellen en wij vreezen niet dat Deodaat van Verona om een paar schoone oogen zijn Heer zal afvallen. Is het niet zoo?”“Ik vat niet, hoe....”“O! wij weten zeer wel wat wij zeggen. Die afgezanten hebben, zoo wij vernemen, een zeer bevallig behoedmiddel tegen de verveling van de reis medegenomen. Is het niet zoo?”De jongeling glimlachte en boog.“Welnu! wij hebben er niets tegen, dat gij uw hof maakt aan die schoone Friezin. Integendeel zal het ons des te aangenamer zijn, hoe meer gij u bij de Friezen weet in te dringen, mits gij slechts de belangen van uw Heer daarbij niet uit het oog verliest: gij verstaat ons?”“Ik vrees uw Genade geheel niet te verstaan,” antwoordde Deodaat,wiens voorhoofd van verontwaardiging gloeide: “uw Genade zal toch niet van mij vergen, de rol van verspieder te spelen?”“Welnu, mijne Heeren!” zeide Willem, zich lachende tot de omstanders keerende: “hebben wij het niet voorspeld? Zietdaar al zwarigheden.”“Deodaat is een braaf Ridder,” zeide Beaumont, zijn kweekeling op den schouder kloppende: “hij heeft de lessen niet vergeten, die ik getracht heb, hem in te prenten.”“Hij had toch moeten begrijpen,” zeide Teylingen, “dat de Graaf niets onbillijks kan vergen, veelmin iets dat met den Ridderplicht strijdt.”“Hoor, Deodaat!” hernam Willem: “wij zullen u in korte woorden zeggen, wat het geval is:—dan kunt gij naderhand vrij handelen gelijk gij verkiest. Gij hebt de onbehouwen taal dier afgevaardigden gehoord, en gij zult met ons van oordeel zijn, dat het wel overeenkomstig onze waardigheid ware, indien wij hen eens op hun grondgebied de wet gingen stellen....”“En den oorlogskreet: Holland! aanhieven,” zeide Deodaat: “bij Sint-Jakob! dat ware hemelsche muziek!”“In onze ooren voorzeker,” vervolgde de Graaf, lachende: “maar deze Heeren verstaan het anders:—zij zijn van meening, dat men zich tweemalen moet bedenken, aleer men geld en manschappen verspilt, om in Friesland oorlog te gaan voeren. Daarom willen zij beproeven, wat er nog door zachtere middelen te verkrijgen is. Wil beseffen, dat men nooit aan dien buffelachtigen Adeelen reden zal doen verstaan; maar met de beide anderen is wellicht nog wat aan te vangen: en wij vertrouwen niets onredelijks van u te vorderen, daartoe de hand te leenen.”“Waarlijk,” zeide Deodaat, glimlachende: “uw Genade heeft te hoogen dunk van mijn bekwaamheid. Ben ik in staat, een eerwaardigen man als den Abt en een schranderen Edelman als den Heer van Aylva om te praten? Zou niet, indien ik zoo vrijpostig mag zijn mijn gevoelen te zeggen, de Heer van Beaumont meer invloed op zijn ouden krijgsmakker bezitten?”“Ik kan Aylva ten beste raden, zoo dikwijls ik hem bij toeval ontmoet,” zeide Beaumont: “maar gij gevoelt, dat het, in den tegenwoordigen stand der zaken, loutere zwakheid verraden zoude, indien ’s Graven oom om zijn goede gezindheid ging bedelen. Gij daarentegen kunt gevoeglijk als uit u zelven spreken.”“En,” zeide Willem, “zoo gij geen invloed bij de oude Heeren hebt, kunt gij dien wellicht op de Jonkvrouw verkrijgen. Wat ons betreft, wij zullen met genoegen zien, dat gij haar tracht te behagen: een echtverbintenis tusschen onze getrouwe wapenbroeders en de Friesche erfdochters zou den band tusschen de beide gewesten versterken.”“Indien dit het oogmerk is van uw Genade,” zeide Deodaat, beurtelings rood en bleek wordende, “zoo ken ik iemand, wien deze last beter zoude voegen dan mij.”“Waarlijk! uw vriend Reinout misschien?”“Ik geloof inderdaad, dat hij smoorlijk op de schoone Madzy verliefd is.”“Bij Sint-Japik! het is mij onverschillig, of het Peter of Paulus zij, die met de bruid gaat strijken. Ga dan uw Reinout halen en met hem de Friezen noodigen om ons feest van hedenavond bij te wonen. Maar zij moeten hunne schoone medebrengen:—en doe onze uitnoodiging voorkomen als een bewijs onzer gunstige gezindheid, van ons verlangen om eendracht en vriendschap te bewaren, verstaat gij?—Bij Sint-Japik! het denkbeeld vermaakt mij reeds, die Friesche prinses in vollen tooi te zien!—Ga nu en overleg uw zaken goed.”“Rechtuit gezegd, mijne Heeren!” vervolgde de Graaf, toen Deodaat vertrokken was: “ik geloof, dat gij gelijk hebt en dat wij een tocht naar Friesland voor ’t oogenblik uit het hoofd moeten stellen. Ik ontvang zooeven tijdingen uit Utrecht. Het schijnt dat het Kapittel in zijn wijsheid begrijpt, mij de verantwoording te weigeren, welke het mij schuldig is als Momboir van het Sticht:—maar bij Sint-Japik! ik zal aan die geschoren kruinen met het zwaard in de hand die verantwoording komen vragen, indien zij nog eenen dag aarzelen.”“Ware het niet verkieslijker,” vroeg Beaumont, “nog bevorens een bode naar Grenoble te zenden, en den Bisschop te verzoeken, terug te keeren en zijn gezag te gebruiken om uw Genade recht te doen wedervaren?”“Een bode naar Grenoble—den Bisschop terugroepen!—neen, waarde Oom! daarmede ware de boel nog erger verknold. Ik heb wel een verkeerde ingeving gehad, toen ik dien Jan van Arkel, omdat hij een Hollandsen edelman was, tot Bisschop liet verkiezen. Ik had gehoopt, hem als een kind te zullen regeeren, en bij den Hemel! zoodra hij den mijter op het hoofd had, is hij Stichtenaar in zijn hart geworden en heeft mij in alles tegengewerkt.—Maar daar moet een einde aan komen:—Utrecht moet bukken!—en daarna Friesland.—Ik zoek mij nu nog te bedwingen: maar ik hoop aan dien trotschen Adeelen zijn beleediging met renten te doen betalen!—Laat hij zich intusschen in toom houden; want ik zoude mij met moeite blijven bedwingen zooals ik tot nog toe gedaan heb.”Het vervolg van het onderhoud tusschen den Graaf en zijne vertrouwden als min belangrijk voor den lezer beschouwende, zullen wij ons weder tot onzen vriend Deodaat begeven, die, na Reinout vruchteloos gezocht te hebben, om hem ’s Graven verlangen mede te deelen, niet langer durvende verwijlen met het ontvangen bevel uit te voeren, zich op weg naar het verblijf der Friezen begaf. Nauwelijks was hij de poort uitgekomen, toen hij den kokeler Barbanera met zijn hansworst voor zich uit zag rijden, door eenige gewapende dienaars omgeven. Dadelijk na het gehoor was de Schout toevallig in de gijzeling gekomen en had, niettegenstaande de voorstellen van meester Claes Gerritsz en anderen, last gegeven dat men ’s Graven bevel zou ten uitvoer brengen, en den kwakzalver met zijn maat over de grenzen voeren: een last, waaraan alsnu voldaan werd.Nauwelijks had Barbanera den Ridder bespeurd, of hij wenkte dezen, dat hij hem iets te zeggen had. Deodaat reed hem op zijde: en de kokeler, zich weder van de Italiaansche taal bedienende, fluisterde hem de volgende woorden in:“Wat zoudt gij mij geven, indien ik u als den wettigen zoon eens machtigen Edelmans erkennen deed?”“En Reinout?” vroeg Deodaat, wiens eerste gedachte voor zijn vriend was.Barbanera haalde de schouders op: “Of er wat voor hem te doen ware,” zeide hij, “durf ik niet beslissen. Doch zoo gij ons vergezellen wilt, zal ik u aan de eerste rustplaats bescheid geven.”“Ik begeer niets verder te weten,” zeide Deodaat, hem met verachting aanziende: “ik hecht vooreerst weinig geloof aan ’t geen gij mij verhalen kunt: en ten tweede begeer ik geen rang, die niet door Reinout gedeeld wordt. Zoo gij mijn vader kent, zoek hem dan op, en ik zal afwachten of hij zijn zoon wil erkennen; maar ik wil mij niet opdringen aan hem, die mij in mijn jeugd aan vreemde handen overgaf. Gij verstaat mij! verlaat dit land, ik raad het u; want de pogingen, die gij hier doet om de lieden te verschalken, zouden u duur te staan komen.”Dit gezegd hebbende, gaf hij zijn ros de sporen, en bevond zich weldra aan de poort van het voormalige klooster. ’s Graven naam, in welken hij zich liet aanmelden, verschafte hem niet alleen een spoedigen toegang, maar hij werd door de Friezen, althans door Aylva en den Abt, als een oude kennis ontvangen: en Madzy, die zich bij haar voogd bevond, verliet het vertrek niet bij zijn komst.Echter fronste zich het voorhoofd der afgevaardigden, toen zij de boodschap hoorden, welke Deodaat hun overbracht. Aylva en Adeelen zagen zwijgend voor zich uit: Madzy wendde zich om en ging aan het venster staan: en Deodaat, die te veel gevoel van betamelijkheid had om niet te beseffen, dat de beide edellieden elkander iets te zeggen hadden, begaf zich naar de jonge maagd en begon met haar een onverschillig gesprek.“Ridder!” zeide Aylva, na een poos zachtjes met Adeelen te hebben geraadpleegd: “mijn ambtgenoot Adeelen en ik zullen volgaarne van ’s Graven beleefdheid gebruik maken;—doch wat onze jonkvrouw betreft, wij mogen die voor haar niet aannemen. Onze Friesche bloemen zouden aan het hof des Graven van Holland misplaatst zijn.”“Een zoo schoone bloem,” zeide Deodaat, “zoude elken hof versieren; doch waarlijk, zulk een antwoord mag ik niet terugbrengen.”“En echter zal men zich daarmede moeten vergenoegen,” zeide Adeelen op een norschen toon: “het is niet om het gegons van Hollandsche hofhommels te hooren, dat de Roos van Dekama hier gekomen is.”“Ik zou u kunnen antwoorden,” zeide Deodaat, geraakt, “dat het hof van Holland geen hommels, maar bijen bevat, die met een angel gewapend zijn en de vreemde wespen niet vreezen;—maar ik wil nu alleen opmerken, dat ik niet besef, hoe het al of niet tenhove komen der Roos van Dekama van de goed- of afkeuring des Heeren Van Adeelen af kan hangen.”“Zij is mijn verloofde,” zeide Seerp: “en deze betrekking geeft mij eenige aanspraak op hare onderwerping.... op hare inschikkelijkheid.”“Nog ben ik uwe echtgenoot niet, Seerp!” zeide Madzy, terwijl een hoog rood aan hare schoonheid nieuwen luister bijzette, en hare oogen van de edelste fierheid schitterden: “wacht tot dien tijd om gehoorzaamheid van mij te vorderen. Zoolang Madzy Dekama nog den naam haars vaders draagt, zal zij hare waarde weten te bewaren en aan niemand eenig gezag toekennen, dan aan den voogd, die haar gegeven is. De edele Aylva acht het beter, dat ik te huis blijve. Om zijnentwil zal ik niet te feest gaan. Gij verstaat mij, Seerp! om zijnentwil.”“Is er niets aan dat besluit te veranderen, Heer Olderman?” vroeg Deodaat, hem met een smeekend oog aanziende.“Gij hebt gehoord, mijn jonge vriend!” zeide Aylva, “hoe men zich heeft uitgelaten. Ik voor mij geloof, dat het wijzer is, bij het eens opgevatte voornemen te blijven volharden.”“Maar in waarheid!” hernam Deodaat, “waarom moet haar een genoegen ontzegd worden, waartoe haar jeugd, haar kunne, haar bevalligheid, haar meer dan iemand bestemmen? Indien zij de Friesche moerassen verlaten heeft om u herwaarts te volgen, zulks was toch niet om in dit naargeestig verblijf te zitten suffen. Gij kunt immers niet begeeren, dat mij een weigerend antwoord ’s Graven ongenade op den hals hale.”“Zoo ik Friesland verliet,” zeide Madzy, “was het om aan den wensch van Seerp Van Adeelen te voldoen, die vreesde dat Madzy Dekama hem in zijn afwezigheid ontvrijd zou worden. Maar verspil uw kostbaren tijd niet, edele Ridder! door een nutteloozen drang: mijn besluit is genomen, ik ga niet: en ten einde een onderhoud niet langer te rekken, dat wellicht onaangenaam worden kon, vraag ik verlof, mij te verwijderen.”En zonder dat verlof af te wachten, verliet zij het vertrek.Deodaat was op het punt, aan Adeelen op een scherpe wijze zijn hardnekkigheid te verwijten, waaraan hij ook Aylva’s weigering toeschreef; maar zich het verlangen des Graven, om vrede met de Friezen te bewaren, herinnerende, oordeelde hij, om zijns meesters wille, een zachter toon te moeten aannemen.“In waarheid!” zeide hij: “Edele Heeren! ik begrijp uw oogmerken niet. Gij komt hier toch, zoo ik wel rade, met een vredelievende zending: de Graaf is welgezind ten opzichte van u en van uwe landgenooten: en niettemin ziet men heden tot tweewerf toe den Heer van Adeelen de gunst des Graven met ondank beloonen. Waarlijk, mijne Heeren! als onpartijdig vriend moet ik u raden, liever alles aan te wenden om den onaangenamen indruk weg te nemen, dien de woorden, welke in drift gesproken zijn, ten hove hebben gemaakt. Wat wint gij er mede, zoo gij den Graaf tot toorn verwekt en wellicht (want daartoe zou het kunnen komen) zijnheirlegers in Friesland roept. Een weinig toegeeflijkheid van uwe zijde, en de goede verstandhouding is meer dan ooit hersteld.”“Toegeeflijkheid!” riep Adeelen: “voor wat? voor zijn vermeend recht op Friesland? Laat uw Graaf eerst al zijn ambtenaren tot den laatsten toe van over de zee terugroepen, en dan zullen wij niet weigeren als goede buren en trouwe bondgenooten met hem te leven;—maar zoolang hij bij ons den meester wil spelen, zoolang zal hij in Seerp Van Adeelen een vijand vinden:—en zoo ik heden op het feest verschijn, ’t is slechts om te toonen, dat ik mij nergens schroom te vertoonen en aan zijn slaafsche hoftrawanten het schouwspel van een vrijen Fries wel gunnen wil.”“Een schoone heldhaftigheid voorwaar!” zeide Deodaat bitter: “om op een gastvrij feest te verschijnen, waar gij niets te vreezen hebt, ten einde aldaar de beleefdheid des gastheers met norsche onwellevendheid te beantwoorden. Pas op, Jonker Seerp! met zulk een gedrag zult gij weinig eer behalen.“Ik verlang geen vermaningen van een Italiaanschen gelukzoeker,” zeide Adeelen: “geef ze aan uw Hollandsche vrienden, die laf genoeg zijn, er naar te luisteren.”Nauwelijks waren deze woorden gesproken, of Deodaat had zijn handschoen uit den boezem te voorschijn gehaald en er Adeelen mede in ’t aangezicht geslagen. Een uitdaging zou deze daad zijn gevolgd; maar met een levendigheid, welke bewees dat het vuur der jeugd bij Aylva nog niet was uitgedoofd, rees deze uit zijn stoel, greep Adeelen, die zijn dolk reeds had ontbloot, in de borst en drukte hem vrij onzacht tegen den muur: terwijl de Abt zich met angstvalligen blik voor Deodaat kwam stellen.“Foei! schaam u, Adeelen!”riep de Olderman op forschen toon: “is het betamelijk, een man, wien gij dank verschuldigd zijt, een edelen Ridder, in uw eigene woning te beleedigen? Niets kan een zoodanige handelwijze verschoonen.”“Bedaar! in ’s Hemels naam, bedaar! mijn goede Ridder!” zeide de Abt van Sint-Odulf: “eheu! Jonker Seerp is wat driftig en ruw in zijn uitdrukkingen: dat weet mijn broeder van Lidlum ook: stoor u niet aan zijn woorden: en denk met Salomo, dat wie eenen dwaas antwoordt, dwazer is dan hij zelf. Wij hebben in Friesland ook onze dwazen.”“Wij hebben ze hier ook in overvloed,” zeide Deodaat, “doch wij zenden ze niet als afgevaardigden uit:—en zoo hem nog een grein gezond verstand overblijft, zal hij mij om verschooning bidden voor de uitdrukking, door hem gebezigd.”“Om verschooning bidden,”brulde Adeelen, wien zijn ouder ambtgenoot nog altijd tegen den wand hield gedrongen: “Laat de handen van mij af, Aylva!—want ik wil dien hofknaap van zijn overmoed genezen.”“Een andere reis, maar niet hier,” zeide Aylva: “uw leven behoort niet aan u, maar aan uw landgenooten, die u gezonden hebben: en gave de hemel, dat zij zich tweemalen bedacht hadden, aleer zij hun belangen aan zulk een dolleman hadden toevertrouwd.”Terwijl de beide jongelingen elkander met fonkelende oogen bleven aanzien, evenals twee wakkere doggen, die door hun meesters worden teruggehouden, ging de deur open, en verscheidene dienaars, op het gerucht toegeschoten, stormden de kamer in. Achter hen vertoonde zich Reinout, het oog in vlam en het gelaat gloeiende van toorn. Deze had, na het Grafelijk gehoor, eenigen tijd bij zijn wapensmid doorgebracht en was vervolgens naar de gijzeling gegaan. Hoorende, dat Barbanera reeds vertrokken was, was hij te paard gestegen om hem na te rijden, toen hij, den Heer van Naaldwijk toevallig ontmoetende, van dezen vernam, dat Deodaat bij de Friesche afgevaardigden namens den Graaf een boodschap was gaan verrichten. Brandende van ijverzucht, was hij terstond derwaarts gereden en nu juist op den twist afgekomen. Het schouwspel, dat zich aan hem vertoonde, beving hem met verbazing: en onbewust van de oorzaak, bleef hij midden in ’t vertrek staan.“Gij komt juist van pas, Ridder!” riep hem Aylva toe: “kom Adeelen! wees niet zoo dwaas meer: voor zoovele getuigen zoude uw toorn belachelijk worden.”“Wij zullen elkander op geschikter tijd en plaats terugvinden,” zeide Deodaat: en na een koele buiging maakte hij zich gereed om het vertrek te verlaten, toen Madzy, verbleekt en sidderend, weder voor zijne oogen verscheen.“Goede God! wat is hier geschied?” vroeg zij, eerst Deodaat en vervolgens al de overigen met een blik van angstige deelneming aanziende: “ik hoop niet, dat hier om mijnentwil een twist is uitgebroken.”“Het lot van dien Italiaan schijnt u zeer ter harte te gaan, Madzy!” zeide op een bitteren toon Adeelen, wien Aylva had losgelaten en die nu met donkere blikken tegen den wand stond geleund.Tranen van spijt zwollen in de oogen der maagd: en zonder een woord te spreken viel zij in een armstoel. Er was een oogenblik van stilte.“Deodaat! volgt ge mij?” riep op eens Reinout met een donderende stem.“Ik kom!” antwoordde Deodaat.“Neen!” zeide Aylva, hem tegenhoudende: “zoo moet gij ons niet verlaten. De eerwaarde Abt en ik zijn u voor uw vertrek nog de betuiging schuldig van ons innig leedwezen over de behandeling, hier door u geleden. Wij achten Adeelen hoog en huldigen zijn edele vrijmoedige inborst; maar wij blozen over de uitdrukkingen, waartoe zijn toorn hem verleiden kon. Hij zelf, hij zal er eenmaal over blozen.”Dit zeggende, stak hij Deodaat zijn hand toe, welke deze met hartelijkheid drukte.De beide Ridders verwijderden zich nu en beklommen stilzwijgend hunne rossen: maar nauwelijks waren zij buiten het gezicht van het gebouw gereden, toen Reinout, die zich tot nog toe geweld had aangedaan, op eenmaal stilhield en het paard van Deodaat bij de teugels greep.“Geen stap verder!” zeide hij: “’t is thans met mij dat gij zult te doen hebben.”“Hoe nu!” zeide Deodaat: “Ik versta u niet.”“Deodaat van Verona! gij zijt een ellendeling! verstaat gij mij thans?”“Reinout! ik zou liever mijn zwaard willen opeten dan het tegen u gebruiken. Welke onzalige geest drijft u aan? Waarin heb ik u beleedigd?”“Ik raad u, dit nog te vragen:—wie had u de belofte afgevergd, die gij gisteravond deedt? Vrijwillig, om mij lichtgeloovige te misleiden, hebt gij die afgelegd: en hoe hebt gij die gehouden? Mij hebt gij in slaap gewiegd: van ’t spoor gebracht, en intusschen uwe schoone Friezin den tijd weten te korten. O! ’t was aandoenlijk om te zien, hoe gij beiden mij hedenmorgen bespottedet en hoe teeder zij u thans aanzag. Of was die twist met Seerp Van Adeelen ook niet om harentwil gerezen?”“Ik zal mij in dit oogenblik niet verlagen mijn gedrag te rechtvaardigen bij iemand, die door blinde drift bestuurd wordt. Morgen, als u de slaap betere gedachten zal hebben ingeboezemd en gij redelijker spreken wilt, zal ik u de noodige opheldering geven.”“Gij verzaakt uw afkomst niet,” zeide Reinout op een verachtelijken toon: “en Barbanera’s verhaal....”“Mistrouw dien bedrieger!” zeide Deodaat: “ik heb hem ook gesproken en hem verzocht hier nimmer terug te keeren.”Dit zeggende gaf hij zijn paard de sporen en verliet hem, die gisteren nog zijn boezemvriend was, ter prooi aan den minnenijd, die zijn gemoed doorknaagde.Maar bij dien minnenijd voegde zich bij Reinout een diepe verontwaardiging, door de laatste woorden van Deodaat teweeggebracht: “de onbeschaamde!” dacht hij: “hij heeft van Barbanera vernomen, wie van ons de echte zoon van Bianca di Salerno is: en ten einde mij het bewijs mijner geboorte te onthouden, bewerkt hij het vertrek van Barbanera en durft mij zulks verhalen! Deodaat! Deodaat! had ik dit immer van u kunnen gelooven!”Ten hove gekomen, haastte zich Deodaat het antwoord der Friezen aan den Graaf over te brengen: hij verzweeg echter zijn twist met Adeelen, om redenen, die in ’t vervolg nader zullen blijken.“Hoe! zij willen hunne schoone reisgenoot voor hen zelven bewaren!” riep de Graaf, die, wanneer hij iets in den zin had, er niet gemakkelijk van was af te brengen.“Bij Sint-Japik! dat zal niet gebeuren. Ik heb besloten, dat zij op het feest zal komen; en bij de zaligheid mijns vaders, zij zal er verschijnen, al moest ik haar zelf gaan halen.”“Uw Genade zal mij verschoonen, zoo ik mijn gevoelen durf uiten,” zeide Deodaat: “maar zal een daad van geweld niet de gemoederen der Friezen verbitteren in stede van hen te winnen? Die Jonkvrouw is de pupil van den eenen en de verloofde des anderen.”“Ook is het geen daad van geweld, die wij beoogen,” hernam Willem: “’t is door list, dat wij onze begeerte verkrijgen zullen: engij zult zien, Deodaat! of ik niet een even goed toovenaar zal wezen als die meester Barbanera, wien Satan weghale. Gelegenheid tot toorn zal ik dien Friezen niet geven, maar het hangt van hen zelven af, zich met spot te overladen. Welnu, waarom schudt gij het hoofd?”“Omdat ik vrees,” zeide Deodaat, “dat spot hen nog erger zal verbitteren dan de grootste beleediging.”“Wat dit alles betreft,” zeide Willem: “laat zulks gerust aan ons over. Wij hadden eerst het oog op u geslagen om ons plan te volvoeren: doch gij schijnt er huiverig voor te zijn, en het is ons belang dat gij een witten voet bij den heer van Aylva behoudt. Uw vriend Reinout is ook beter tot zulk een onderneming geschikt. Tot straks!”Deodaat vertrok, ten einde zich tot het feest gereed te maken. In zijn slaapvertrek gekomen, was het zijn eerste daad, zich op een rustbank neer te werpen, en het door hem gehouden gedrag te overpeinzen.“Heb ik waarlijk de vriendschap verraden?” vroeg hij zich zelven af: “of is de beschuldiging van Reinout geheel valsch en onverdiend? Ik kan ten allen tijde jegens hem mijn handelingen rechtvaardigen; maar kan ik zulks in mijn eigene oogen doen? ’t Is waar, ik ben hedenmorgen een geheel anderen weg uitgereden, om Reinout niet te storen: doch had ik Madzy wel moeten vergezellen?—Het ware een onhebbelijkheid geweest, eenen Fries waardig, indien ik haar niet had te huis gebracht:—ik heb den lof van Reinout aan Madzy voorgezongen tot op het oogenblik dat wij hem tegenkwamen, en toen.... ’t is waar, toen lachte zij en ik moest onwillekeurig met haar lachen om de zonderlinge uitdrukking van Reinouts gelaat;—doch waarlijk, wie dit alles mij tot schuld aanrekende, ware toch een al te strenge beoordeelaar.“Had ik den last mijns meesters moeten weigeren en niet naar die huizinge terugkeeren? den last mijns meesters!—kon ik dien weigeren? heb ik dien niet aan Reinout willen overdragen? hem gezocht?—Ik kon immers niet meer doen?—En met dat al, ik ben ontevreden met mij zelven en ik gevoel dat er iets, ik weet niet wat, in mijne handelwijze is, hetwelk niet goed, niet recht, niet ridderlijk is. Misschien, indien ik van avond niet op het feest kwame, zou zulks Reinout doen zien, dat ik een opheldering ontwijken wilde.—Ik mag van den dans niet terugblijven, om mijn eer niet. Hoe vreemd! Ik ben mij geene schuld bewust, en echter huiver ik op de gedachte van Reinout te ontmoeten.”De arme jongeling! hij zocht waar het hem schortte en hij zag nog niet hoe al zijne redeneeringen slechts daartoe strekten, dat hij zich nog wilde ontveinzen hoe hartstochtelijk hij zelf de schoone Madzy beminde. Wel is waar, de spijt, die zijn boezem ontvonkte, toen hij vernam dat zij Adeelens verloofde was, de geheime verlegenheid, welke hem zelfs weerhouden had een woord van dien twist in ’s Graven bijzijn te reppen, hadden hem de oogen moeten openen; en toch, hij had wellicht hem tot een kamp op dood en leven uitgedaagd,die hem had durven verwijten, dat hij Reinouts medeminnaar ware.

Ziet toe, gy terght een volck, in veenen en in moeren,Als vorschen, tot den hals gedoken en gewoon,Te huppelen op ’t lant en over groene zoôn.Dit gaat dan onder, en dan boven water heenen;De grooten worden oock gebeten van de kleenen.Vondel. Batavische Gebroeders.

Ziet toe, gy terght een volck, in veenen en in moeren,Als vorschen, tot den hals gedoken en gewoon,Te huppelen op ’t lant en over groene zoôn.Dit gaat dan onder, en dan boven water heenen;De grooten worden oock gebeten van de kleenen.

Ziet toe, gy terght een volck, in veenen en in moeren,Als vorschen, tot den hals gedoken en gewoon,Te huppelen op ’t lant en over groene zoôn.Dit gaat dan onder, en dan boven water heenen;De grooten worden oock gebeten van de kleenen.

Ziet toe, gy terght een volck, in veenen en in moeren,

Als vorschen, tot den hals gedoken en gewoon,

Te huppelen op ’t lant en over groene zoôn.

Dit gaat dan onder, en dan boven water heenen;

De grooten worden oock gebeten van de kleenen.

Vondel. Batavische Gebroeders.

Wellicht zullen reeds velen mijner lezers, evenals Reinout, Deodaat van trouweloosheid jegens zijn vriend en van dubbelzinnigheid beschuldigd hebben. Het is onze plicht, als die van een waarheidlievenden schrijver, hem zoo spoedig mogelijk van dezen onverdienden blaam te zuiveren.

Eenigen tijd nadat Reinout dien morgen tot zijn voorgenomene wandeling vertrokken was, liet Deodaat een paard zadelen, met oogmerk om een morgenrit te doen. Om bij zijn vriend geen schijn van vermoeden te wekken, alsof hij het gezelschap der Friezen zocht, reed hij met opzet den weg naar Velzen, dus in een geheel tegenovergestelde richting uit, en keerde langs den duinkant terug door die liefelijke streek, welke sedert door Hertog Aelbrecht tot lustverblijfgekozen en misschien naar hem Aelbrechtsberg genoemd, in ’t vervolg het lievelingsoord werd van zoovelen, die de muffe stad voor de vroolijke buitenlucht wenschten te verwisselen. De weg, welken Deodaat volgde, bracht hem toevallig op een dier bevallige plekjes, welke nog heden met onverflauwde belangstelling door den minnaar eener stille, eenvoudig schoone natuur bezocht worden, maar in de oogen van Deodaat had het landschap, dat zich hier aan hem voordeed, een meer bijzondere waarde; want, al ware de nevelachtige lucht van Holland niet bij het donkerblauwe of gloeiende zwerk van Italië te vergelijken, en al mochten de zandduinen, die hij voor zich had, niet meer dan molshoopen zijn in vergelijking der Apenijnen, er was toch veel in het tafereel, dat hij beschouwde, hetwelk hem herinnerde aan het land van zijne geboorte. Hetgeen hij zag was slechts eene duinvallei, maar eene vroolijk lachende vallei, versierd met al den tooi, welken de aard van den grond en der luchtsgesteldheid in staat waren op te leveren. Aan de westzijde was zij door de hier in evenredigheid hooge en steile duinen als door een muur van zand besloten; maar tegen dien muur van zand staken de berken met hunne rozenkleurige stammen en frisch gebladerte en de groene struiken en struweelen, die de hoogten tot op de helft bemantelden, des te bevalliger af. Een bosch, rijk in alle soorten van geboomte, wier voorjaarsdos al de onderscheidene tinten van groen, van de blonde kleur der wilgen af tot aan de bruine verf der sparren vertoonde, stuitte aan weerszijden tegen den duinkant en vereenigde zich daar tegenover, de daar tusschen gelegen vlakte alzoo in de gedaante eener halve maan omsluitende. En dan, als had de natuur, in een blijde luim dat vroolijke tafereel willen verdubbelen, die golvende heuvelen en dat lachend geboomte en de zonnige lucht daarboven werden teruggekaatst in een tweetal heldere meertjes, wier boorden als met een bruidskrans van schitterende veld- en waterbloemen omzoomd waren.

Een nieuwerwetsche bezoeker had zich bij het aanschouwen van dit tooneel wellicht in een onderzoek verdiept, of die meertjes werkelijk, zooals sommigen beweren, de overblijfselen zijn van een voormaligen arm des Rijns, die hier vroeger een uitweg zoude hebben gehad, later door het duinzand overdolven: Deodaat, die zich nooit, gelijk te denken is, aan de natuurlijke geschiedenis van Holland had laten gelegen liggen, vergenoegde zich met de oogen in ’t rond te laten weiden, en met te luisteren naar den zang der nachtegalen, die in de toppen der linden orgelden; en met den verkwikkende geur in te ademen, welke uit meidoorn en seringen opsteeg.—Men was in die eeuw nog verre van toe te geven aan den invloed van het gevoel: en men wist zelfs bij name niet van sentimenteelheid of romantisme; maar toch waren in dit oogenblik de zinnen van Deodaat zoo liefelijk aangedaan, toch ontwaarde hij een stemming, zoo zacht en weldadig, dat hij, zonder zich rekenschap te kunnen geven van de reden waarom, van zijn paard steeg, en, het aan een boom vastbindende, zich op de groene zoden nederzette. Een zoete mijmerij beving hem: vreemde droombeelden en fantasieën verdrongenzich voor zijn geest, en midden daar tusschen zweefde het aanvallige beeld der bekoorlijke Friezin. Somtijds echter kwam er een denkbeeld bij hem op van verwondering over de vreemde gemoedsgesteldheid, waarin hij zich bevond, en vroeg hij zich af, hoe hij er toch op eens toe kwam, om op deze wijze de dolende Ridders na te volgen, van wier liefdegepeinzen in de schaduw van ’t geboomte hij meer dan eens de meistreels had hooren zingen; en niettegenstaande hij dan een oogenblik over zijne dwaasheid lachte, was hij toch niet in staat, zich aan de zoete begoocheling, die hem bevangen had, te onttrekken, en Italiaan genoeg om een wellustig genot in datdolce far niente1te scheppen. En wat was ook natuurlijker?—hij beminde, zonder het nog zelf te weten: en wie, die eenmaal bemind heeft, weet niet hoe zoet, hoe bedwelmend dat eenzaam mijmeren is, als men, alleen met de schoone natuur, de gansche wereld vergeet: als een onbestemd verlangen het hart doet zwoegen, als een te voren ongekende wellust elken vezel ontspant en met verkwikkende warmte door alle poriën dringt: en de ziel, met zich zelve en met de schepping in vrede, zich in droomen en gedachten verliest, welke geene dorre wezenlijkheid in staat is terug te geven.

Zoodanig was ook de gesteldheid van Deodaat, toen hij, toevallig den blik opwaarts slaande, iets boven den hoogsten top van het voor hem liggend duin zag bewegen, dat zijn aandacht tot zich trok. Hij kon niet terstond beseffen, wat het zijn mocht, maar weldra bespeurde hij dat het een vrouwelijke gedaante was, welke aan de tegenovergestelde zijde het duin beklom; want hij zag eerst een hoofd en vervolgens de overige ledematen zich, evenals de goden op het Romeinsche valgordijn afgebeeld, boven het duin verheffen: tot eindelijk het jonge meisje (want die fijne leest kon slechts aan een jong meisje behooren) geheel op de kruin te voorschijn kwam en daar, met al de levendigheid der jeugd, driewerf opsprong, in de handen klapte, naar alle kanten rondzag als om het omgelegen landschap te beschouwen en toen met eenige drift iemand wenkte, die met een minderen spoed over den rug der hoogte naar haar toekwam.

Onze Ridder bleef eenige oogenblikken onbeweeglijk zitten, in die stomme verbazing, welke de plotselinge verschijning van een onverwacht voorwerp veroorzaakte; want hij had in die beide duinbeklimmers de schoone Madzy en haar voogd herkend. Zij van haren kant scheen hem niet te bespeuren; althans zij toonde wel den Olderman, toen deze aan hare zijde gekomen was, de omliggende landgezichten aan, welke blijkbaar geheel nieuw en verrassend voor haar waren; maar haar oog rustte niet eenmaal op de plaats, waar Deodaat zich bevond. Deze bleef nog eenigen tijd stilzitten; hij voelde wel, dat zijn hart onrustig klopte en dat een sterke stem in zijn binnenste hem aanspoorde, de schoone Jonkvrouw tegemoet te gaan: maar de gedachte aan zijn vriend, aan Reinout, weerhield hem.“Arme Reinout!” dacht hij: “het gaat met u als met den man, van wien Jasper De Vinder sprak, die de fortuin overal ging opzoeken: terwijl zijn buurman stil op zijn bed bleef liggen en haar ongeroepen bij hem zag binnenkomen. Gij loopt naar het Sint-Jans-klooster, en vindt niemand, terwijl ik, hier stilzittende, uwe schoone zie genaken:—maar ik zal, om uwentwil, van deze ontmoeting geen gebruik maken.”

De goede Deodaat dacht weinig, dat hij op hetzelfde oogenblik, waarin hij dit manmoedig besluit gevormd had, er weder stond af te wijken: maar een onvoorziene omstandigheid noodzaakte hem daartoe, en op eens met een schreeuw opspringende, liep hij gezwind als een hert tusschen de meertjes door naar den duinkant toe. Hij had namelijk gezien, dat Madzy, zonder twijfel bezield met die kinderlijke vroolijkheid, welke het genot der vrije natuur in een onschuldig hart doet ontstaan, na zich genoeg vergast te hebben aan het aanschouwen der omliggende streken, op eenmaal, als om haar voogd te plagen, gelijk haar gebaren en hoorbaar gelach aantoonden, trek had gevoeld om van het duin naar beneden te loopen: iets dat misschien op geene andere plaats, dan alleen op die, welke zij daartoe had uitgekozen, gevaarlijk zijn kon. Het duin toch, dat eerst golvend en glooiend afliep, was ongeveer tien voet boven den grond afgezand geworden en vormde aldaar een steilte, welke van iemand, die boven stond, niet gezien kon worden: maar welke Deodaat van zijne plaats duidelijk bemerkte:—en niet ten onrechte had hem de vrees bevangen, dat Madzy, wanneer zij van de hoogte kwam aangeloopen, de snelheid van haar vaart niet zou kunnen bedwingen en van de steilte nedervallen:—en het was om haar tegen dit gevaar te waarschuwen of zoo mogelijk haar in den val te weerhouden, dat hij eerst dien schreeuw gaf, die, door de vallei weergalmende, een koppel wilde eenden van uit het riet opvliegen en den wildzang zwijgen deed; en dat hij vervolgens de onvoorzichtige maagd te gemoet ijlde. Madzy had dien kreet van waarschuwing gehoord, juist toen zij die steilte op een korten afstand genaderd was: door een onwillekeurige beweging van schrik poogde zij haar vaart te stuiten; maar de beweging zelve deed haar wankelen, en op dat oogenblik Deodaat gewaarwordende, en waarschijnlijk niet voor zijn oog willende vallen, vervolgde zij haar loop; maar nu door de wending, welke zij gemaakt had, in een meer zijdelingsche richting, en kwam hierdoor wel aan den rand der steilte, maar op een plaats, waar die ongelijk minder hoog was, zoodat zij, daar zijnde, zonder zich te bedenken naar beneden sprong en ongedeerd naast den toegesnelden Ridder op het zand stond.

“Gij hebt mij voor u doen beven, Freule!” zeide Deodaat, half buiten adem en bleek als een doek.

“Ik beken u, ik heb ook een oogenblik van schrik gehad,” zeide Madzy: “maar het is voorbij. ’t Is goed dat gij geschreeuwd hebt,” voegde zij er met een betooverenden glimlach bij: “ik had vast een kluchtige figuur gemaakt, wanneer ik van dien steilen kant was komen rollen; maar ik ben toch maar blijde dat ik op vasten grondsta! Kom maar hier, mijn Heer van Aylva! ik ben al beneden! maar neem niet denzelfden weg.”

“Voorwaar! indien mijn beenen twintig jaren jonger waren geweest, zouden zij u niet vooruit hebben laten gaan,” zeide Aylva, die nu langs een meer gemakkelijk pad uit een boschje te voorschijn kwam: “maar wat zie ik?—Hebt gij hier op eens gezelschap gevonden?”

Hier bemerkten Deodaat en Madzy eerst, dat zij elkander bij de hand hielden: hij had haar de zijne, op het oogenblik dat zij afgesprongen was, toegereikt: zij had die onwillekeurig aangenomen: en geen van beiden had nog gedacht om de zijne terug te trekken. De vraag van Aylva joeg hun een gloeienden blos op de kaken: zij lieten elkander los en zagen beiden als overtuigde schuldigen onbeweeglijk en zwijgend voor zich.

“Van waar komt gij dus op eens uit de lucht vallen?” vroeg Aylva eenigszins verwonderd aan den jongeling.

“Wel, mijn waarde voogd,” antwoordde Madzy, hare vroolijkheid bij het hooren dezer vraag op eens terugkrijgende: “ik was het, die bijkans uit de lucht was komen vallen en de Ridder kwam mij helpen.”

“Zoo!” zeide Aylva, lachende: “het was dus naar den Ridder, dat gij met zooveel drift toesneldet?”

Een gloeiend inkarnaat verfde opnieuw het gelaat der jonge schoone. Deodaat, haar verlegenheid bespeurende, haastte zich voor haar te antwoorden: “Ik zou zeer gelukkig zijn, indien ik de verwaandheid mocht hebben zulks te gelooven; maar ik twijfel er hard aan of de Jonkvrouw iets van mij bespeurd heeft voor wij naast elkander stonden.”—Hierna vervolgende, helderde hij met korte woorden de aanleiding hunner ontmoeting op.

“Zoo!” zeide Aylva: “dan heb ik mijn pupil alleen over hare wildheid te beknorren!—Denk eens, wat zou Seerp Van Adeelen wel gezegd hebben, indien ik u met een gebroken arm had te huis gebracht?”

Deze aanmerking van den Olderman deed bij Deodaat een gevoel van wrevel ontstaan, hetgeen hij zich nauwelijks wist te verklaren: doch dat geheel week bij het antwoord van Madzy:

“Wat zal ik u zeggen, mijn waarde voogd!—Indien Seerp Van Adeelen zooveel belang in mij stelt, moest hij medegaan om op mij te passen.”

“Gij weet, lieve Madzy!” zeide Aylva, “dat hij hedenmorgen bij den helmslager zijn moest, ten einde te zorgen, dat zijn wapenrusting voor het steekspel in gereedheid zij:—gij zoudt toch niet begeeren, dat hij daar niet verscheen als iemand, die Friesland eer moet aandoen.”

Madzy antwoordde niets, maar den arm des Oldermans nemende, begon zij rondom zich heen te zien en drukte haar bewondering over het schoone landschap uit. Dit gaf aanleiding tot een onderhoudend gesprek, aan het einde waarvan Aylva aan Deodaat verhaalde, dat zij met hun gevolg te paard den omtrek hadden rondgereden,en dat die wilde meid, de duinen ziende, hem overgehaald had even af te stappen om te zien of zij de Noordzee ook van de toppen der hoogten bespeuren konden. “Ik ben gek genoeg geweest, aan haar verzoek te voldoen,” zeide de Olderman: “en ik verzeker u, dat mijn beenen het voelen. Ik ben niet gewend door dat gulle zand te kruien en verlang hartelijk weer in den zadel te zitten. Mij dunkt, onze paarden moesten hier reeds zijn!”

“Daar komen zij al,” zeide Madzy, de dienaars ontdekkende, die beneden langs gestapt waren en nu uit het bosch te voorschijn kwamen.

“Kom! het is tijd van gaan,” zeide Aylva: “wij moeten naar huis, anders kom ik te laat om mij te kleeden voor het gehoor. Verzelt gij ons, heer Ridder? ik vermoed dat het uw paard is dat aan gindschen boom staat.”

“Gij zijt toch recht achteloos omtrent uwe paarden,” zeide Madzy met een spottenden glimlach tegen Deodaat. “Als men u dit nu ook ontstolen had, terwijl gij naar mij toe kwaamt!”

“Ik geloof waarlijk,” zeide Deodaat, op denzelfden toon, “dat gij meent dat dit land vol dieven is.”

“Inderdaad,” hernam zij: “Seerp Van Adeelen zoude u wel haast antwoorden, dat hij er niet aan twijfelt, en dat uw Graaf de grootste dief van allen is, daar hij ons onze onafhankelijkheid ontstelen wil.”

“Madzy! Madzy!” zeide Aylva, den vinger dreigend opheffend: “gij spreekt weder over zaken, waar een meisje niet over spreken moest.”

De bevallige jonkvrouw zag haar voogd met een blik van verwondering aan; want, nooit buiten haar geboorteland geweest zijnde, waar men algemeen gewoon was vrij en onbewimpeld te spreken, had zij zich nog geen denkbeeld gevormd van de noodzakelijkheid om, onder vreemden, de woorden, die men wil spreken, te voren op de weegschaal te leggen. Een ingeschapen gevoel van betamelijkheid en een juist oordeel zouden Madzy wel overal hebben blijven geleiden en haar verhinderen van iets onvoegzaams te zeggen; maar de ongewoonte om onder vreemden te zijn had haar nog onbewust gelaten, dat men niet alle onderwerpen even vrij met iedereen kan behandelen: bovendien gevoelde zij zich zoo op haar gemak met Deodaat, dat zij hem, ondanks den korten tijd, die er sedert hunne kennismaking verloopen was, reeds beschouwde als iemand voor wien zij zich niet behoefde te weerhouden om vertrouwelijk en ronduit te spreken. De bestraffing van Aylva, ofschoon op een vriendelijken en lachenden toon uitgedrukt, hinderde haar dan ook, en misschien wel des te meer, omdat die in tegenwoordigheid van Deodaat plaats vond.—“Kom!” zeide zij eindelijk, terwijl zij te paard steeg: “ik zie dat ik een dwaasheid gezegd heb; en ik had waarlijk vergeten, dat de Ridder in ’s Graven dienst is en dat men hier niet anders als goed van hem spreken mag. Gij neemt het mij toch niet kwalijk, Ridder! maar ik spreek nog zoo wat op zijn Friesch, slecht en recht.”

“In allen gevalle,” zeide Deodaat, met verrukking het lieve meisje beschouwende, “deedt gij niets dan de woorden van een ander herhalen, zonder dat gij voor zijne gevoelens behoeft in te staan:—en Graaf Willem heeft immers gisteravond de hand van Seerp Van Adeelen geschud?”

De stoet intusschen geheel te paard gestegen zijnde, keerde men langs den kortsten weg terug onder een vroolijk gesprek tusschen Madzy en de beide edellieden. De goedhartigheid van Deodaat, die uit al zijn gezegden doorblonk, het gezond verstand, dat hij betoonde, en de aard zijner scherts, die altijd onschuldig en vroolijk bleef, wonnen het hart van den Olderman, die bovendien, wanneer hij den jongeling aansprak, zich tot hem getrokken gevoelde door een onverklaarbaar gevoel, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven. Het was hem, of hij hem reeds vroeger aanschouwd had en wel in beter en gelukkiger dagen; doch waar, dit zocht hij zich vruchteloos te herinneren. Ook Deodaat, hoezeer hij moeite had om zijn oogen van Madzy af te wenden, kon niet nalaten behagen te scheppen in het onderhoud van den edelen Fries, die hem een gevoel van eerbied en achting inboezemde, gelijk hij nooit te voren jegens iemand had ondervonden. En wat Madzy betrof, weggesleept door den innemenden toon van Deodaat en door het belangrijke van zijn opmerkingen en verhalen, gaf zij zich onmerkbaar over aan het betooverend genoegen, hetwelk iemand, die een natuurlijken aanleg bezit tot alles wat edel en goed en schoon is, onmisbaar smaken moet, wanneer hij zich in een leerrijk en onderhoudend gezelschap bevindt: vooral indien de onderwerpen van het gesprek aan den eenen kant nieuw en verrassend, en aan den anderen kant niet te hoog voor zijne bevatting zijn. En hoeveel te sterker moest de indruk zijn, dien de gezegden van Deodaat op het eenvoudige meisje teweegbrachten, nu de beschaafde vormen en het innemend uiterlijke van den spreker ook aan min belangrijke zaken waarde zouden hebben bijgezet.

Het was dan ook schier onmerkbaar, dat zij zich weder aan den heirweg tusschen Haarlem en Leiden bevonden, op welken zij door een achterweg gekomen waren: en alwaar zij, gelijk wij reeds verhaald hebben, Reinout ontmoetten. Deodaat zag zijn vriend het eerst: hij deed hem aan Madzy opmerken: en zoo deze bij die gelegenheid lachte, het was niet, gelijk Reinout zulks vermoedde, om eenig gezegde van Deodaat dat op hem betrekking had, maar om de zonderlinge uitdrukking, welke zich in het voorbijgaan op het gelaat van den ontevredenen voetganger vertoonde. Deodaat, die intusschen bij het herkennen van Reinout zich hun gesprek van den vorigen avond herinnerde, begon eenige opwelling van berouw te gevoelen en zich te verwijten, dat hij niet aan zijn belofte getrouw was gebleven. Willende herstellen hetgeen hij bedorven had, nam hij uit de gedane ontmoeting terstond aanleiding om zijn vriend hemelhoog te prijzen en diens goede hoedanigheden in het schoonste daglicht voor te stellen;—maar deze handelwijze, in stede van zijn wapenbroeder, gelijk hij dacht, eenigen dienst te doen, strektenergens anders toe, dan om het gevoelige hart van Madzy des te meer in te nemen voor hem, die zich zulk een getrouw en waardig vriend betoonde.

Aan de poort van het Sint-Jans-klooster namen zij afscheid: en Deodaat, bemerkende dat het reeds laat was geworden, haastte zich, in vollen ren naar Haarlem te keeren, waar hij zich in aller ijl kleedde en zich vervolgens naar de Sint-Jans-straat begaf.

Het was in de kerk van het aldaar gelegen klooster, dat de plechtigheid van het gehoor zou plaats vinden; en een aanzienlijke menigte herauten, ordebroeders, edelen en dienaars waren reeds bezig, om onder opzicht van den ouden Wapenkoning van Holland de noodige aanstalten en toebereidselen te maken en de zitplaatsen der te verwachten gasten naar hun rang en stand te regelen. Deodaat, die benoemd was om te dien einde mede te werken, moest bij zijn aankomst eene vrij lange en taaie bestraffing van den Wapenkoning ondergaan, dat hij eenige minuten te laat was gekomen; naar welke hij echter weinig luisterde, daar zijn oogen de kerk ronddwaalden om zijn vriend Reinout te zoeken, dien hij eindelijk van verre gewaarwerd, het toezicht houdende over het ophangen der wapenbondels en andere versierselen, welke den Gravezetel omgeven moesten. Hij begreep, dat het nu niet het oogenblik was om hem opheldering te geven omtrent zijn gedrag en vergenoegde zich dus hem van verre toe te knikken, hetgeen Reinout òf niet bespeurde, òf niet wilde opmerken:—en daar aan Deodaat vervolgens een andere bezigheid aan den ingang der kerk werd opgedragen, moest hij voor ’t oogenblik alle gelegenheid tot een verklaring uit zijn hoofd stellen.

Het uur van één, dat tot het gehoor was uitgekozen, had eindelijk geslagen, en het gebouw, nu geheel ingericht tot de plechtigheid, leverde reeds een prachtig schouwspel op. Een groot denkbeeld van zijn macht aan de vreemde bezoekers en vooral aan de Friesche afgevaardigden willende inboezemen, had de Graaf bevolen, dat er geene kosten gespaard zouden worden om een praal ten toon te spreiden, geschikt om alle oogen te verblinden. Prachtige tapijten, van afstand tot afstand door wapenbondels of schilden afgezet, bedekten de wanden of hingen van de kerkbogen af. Welriekende wateren of reukwerk uit het Oosten wasemden uit sierlijk gebeitelde of kunstig gesnedene vaten op, en vervulden het ruime gebouw met balsemende geuren. De vloer was niet bestrooid met stroo, gelijk zulks de toenmalige gewoonte was; maar al de tuinen rondom Haarlem hadden hun bloemenschat opgeleverd, en men liep als over een rijkgekleurd tapijt van rozen, jasmijnen, gouden regen, gebloemte en gebladerte. Vlak voor het koor was de zetel des Graven opgericht: rozeroode gordijnen, op een sierlijke wijze geplooid en door gouden snoeren opgebonden, hingen van den troonhemel af, wiens bovenrand prijkte met de wapenborden der verschillende Graafschappen en Heerlijkheden, waarover Willem van Henegouwen zijn staf zwaaide, en daarboven hing de Gravenkroon in flonkerenden luister.

Reeds was de kerk gevuld met het aanzienlijk getal genoodigden, toen de klank van trompetten en klaroenen de komst des Graven verkondigde, die kort daarop uit eene der zijdeuren, welke gemeenschap had met het klooster, te voorschijn kwam, voorafgegaan en vergezeld van zijn doorluchtig geslacht en van zijn gewoon gevolg, allen op ’t schitterendst uitgedost. Willem zelf, op wiens fraaie golvende haren de Gravenkroon prijkte, was gekleed met een tot op de voeten hangenden tabberd van scharlaken kleur, met gouden boordsels omzet, waarop kostbare gesteenten blonken, en droeg daarboven een hemelsblauwen mantel met open mouwen, gevoerd en geboord met bont, en geborduurd met de wapens van Holland en van Henegouwen: terwijl een halskraag van hermelijn zijn kleedij voltooide. De edelen, die hem omringden, waren, over het geheel, niet minder prachtig gekleed dan hij: de hoofden van adellijke huizen, en die, aan welke uithoofde hunner jaren de vroolijke dracht der jeugd niet meer voegde, hadden insgelijks lange tabberds aan, onderscheiden van kleur en versierselen, doch alle blinkende van goud en bont en gesteenten. De jonge Ridders en Edelen daarentegen droegen korte, overal geslotene buisjes, om het middel met een gouden koord omgord, en met mouwen, die, naar den toen heerschenden smaak, omtrent een halven voet langer waren dan de arm: voorts gouden ketens om den hals, tootschoenen met punten van een bespottelijke lengte, en fluweelen hoeden, die op den top van het hoofd zaten, en langs wier hoogen en kegelvormigen bol een enkele witte veder opliep.

Zoodra de Graaf gezeten was, namen ook de aanwezigen, immers voor zooverre de zitbanken toereikend waren, hunne plaatsen in: acht pages en een aantal Herauten bekleedden de trappen van den troon: aan weerszijden waren de bloedverwanten des Graven, de Hollandsche en Henegouwsche Baanderheeren en de gemijterde Geestelijken gezeten: terwijl verder de kerk vervuld was met een uitgelezen schaar van Vorsten en Heeren, uit alle beschaafde landen hier samengekomen, waarachter een vierdubbele rij van Ridders, Edellieden en Vroede mannen, wier getal dat van duizend overtrof, tegen de wanden stond geschaard. Alleen in het midden was de doortocht vrij en een voegzame ruimte voor den zetel opengelaten.

Nadat de Herauten stilte hadden bevolen, gingen vier hunner naar den hoofdingang om aldaar de Aartsbisschoppen van Keulen en van Trier, die, in plechtgewaad en van een luisterrijken stoet vergezeld, de kerk binnentraden, af te halen en voor den Grafelijken zetel te geleiden. Toen rees de Graaf op, uit eerbied voor zijn Leenheer, wien deze Dignitarissen vertegenwoordigden: en nu gaf hem de eerstgemelde Rijksvorst in een lange en sierlijke aanspraak te kennen, dat de Keizer, getroffen door zijn schitterende verdiensten, en hem een blijk zijner hooge achting willende geven, hem de Hertogelijke kroon had toegedacht, welk gunstbewijs hij zich vleide, dat door den Graaf met dankbaarheid en welwillendheid zou worden aanvaard.

“Hoogwaardigste!” antwoordde Willem, “wij bidden u, na uw terugkeer in Duitschland, de uitdrukking onzer erkentenis voor denKeizerlijken troon te willen brengen. Het blijk der gunst van onzen genadigen Leenheer zal ten allen tijde ons hart voor hem van liefde en getrouwheid vervuld doen zijn. Maar laat de Keizer het echter zijnen dienaar niet wijten, noch het aan eenige minachting zijner genade toeschrijven, indien wij zijn gunstbewijs niet aannemen. Ieder op deze aarde heeft zijne bepaalde eerzucht: de onze was altijd, de eerste Graaf des Duitschen rijks genoemd te worden.—Deze wensch is vervuld geworden; maar hooger stijgt hij niet: en, om onbewimpeld te spreken, wij willen liever, zoo in den slag als op de feesten, alle Graven voorgaan, dan dat wij alle Hertogen zouden volgen moeten.”

Deze woorden uitgesproken hebbende, zag Willem om zich heen, en verhief zich zijn hart met niet weinig hoogmoed, toen hij dien luisterrijken stoet van Ridders en Baronnen overzag, die hem ten oorlog volgen moest, en gelijk geen ander Graaf, ja gelijk geen Rijksvorst in staat was onder zijn banier te scharen. Helaas! wat is de heerlijkheid des menschen? Weinig dacht hij toen, de machtige Graaf, dat binnen weinige maanden hij zelf en die gansche adel, waarmede hij zulke roemvolle overwinningen behaald had, van het aardsche tooneel door de meest verachte handen zouden worden weggemaaid.

Een algemeene toejuiching had het antwoord van den Graaf gevolgd: en de Aartsbisschoppen (die echter te voren onderricht waren, welk bescheid zij bekomen zouden) werden naar het voor hen bestemde gestoelte geleid, terwijl alsnu de Friesche afgevaardigden, die ter zijde gezeten waren, voor den zetel werden geroepen. Zij traden met deftigheid naar voren, en hielden op een kleinen afstand van den zetel stil. Daar gekomen, deed de Abt, die Aylva rechts en Adeelen links van zich had, nog een stap voorwaarts, en richtte het woord tot den Graaf. Zijn aanspraak, aan welker samenstelling vader Syard ongetwijfeld deel had gehad, was een meesterstuk van diplomatieken stijl, en zoude ook in onze dagen een gezant, die gekomen was omnietste zeggen, eer hebben aangedaan. Zij behelsde een menigte zwierige en vleiende betuigingen van eerbied en hoogachting voor den Graaf, met menige Latijnsche spreuk doorzult, gaf hartelijk leedwezen te kennen over het gebeurde te Stavoren, en eindigde met een ontboezeming der hoop, door de Friezen gekoesterd, dat de eensgezindheid tusschen den Graaf en hen steeds duurzamer zoude blijven stand houden. Maar ook het scherpzinnigste vernuft zou uit dien ganschen vloed van woorden niet één blijk van onderdanigheid getrokken hebben, noch een enkel bewijs, dat de Friezen den Graaf als hunnen Heer, nauwelijks dat zij hem als hunnen beschermer aannamen of erkenden. Willem had dit ook weldra bemerkt; en meer dan eens hadden zijn gefronst voorhoofd, en een zijdelingsche blik, op Beaumont geslagen, zijn innerlijke ontevredenheid te kennen gegeven. Hij liet echter den gezant uitspreken, altijd nog hopende, dat een betuiging van hulde en getrouwheid zijn rede zoude besluiten; doch toen hiervan niets kwam, en de Abt, na zijn aanspraak te hebben uitgebracht, weder tusschen zijn beide landgenooten terugtrad, kon hij zijn ongenoegen niet langer bedwingen. Dewoorden, waarin zijn antwoord vervat werd, waren echter gematigder, dan de toon waarop hij dat antwoord uitsprak: en alleen aan de trilling zijner lippen en aan de heeschheid zijner stem was zijn innerlijke gemoedsaandoening te bespeuren.

“Wij danken onze Friescheonderzaten,” zeide hij, op dit laatste woord drukkende, “voor de betooning hunner verknochtheid; wij hadden echter iets meer durven hopen dan loutere betuigingen, en billijk verwacht, dat er van hunnen kant ook daden zouden hebben gesproken. Gij kunt niet onwetend zijn, edele Heeren! dat onze Ambtenaren te Stavoren mishandeld zijn geworden. Is de orde aldaar reeds hersteld? en welke straf hebben de schuldigen ondergaan?”

“Men is bezig een gerechtelijk onderzoek naar het voorgevallene te doen,” antwoordde Aylva, “en wij twijfelen niet, of de schuldigen zullen naar de wetten geoordeeld worden.”

“Men heeft te lang gewacht,” zeide de Graaf: “op heeter daad had men de misdadigen moeten vatten en vonnissen.”

“Het ware intusschen te wenschen,” vervolgde de Olderman, als had hij ’s Graven aanmerking niet gehoord, “dat uwe Genade het gebeurde geliefde te vergeten en den moedwil van een onberaden hoop vergeven. De Fries, aan zijn vrijheden verknocht, is nog ongewoon aan het eerbiedigen van vreemde instellingen, en een te groote gestrengheid bij zijn eerste vergrijp zou wellicht nadeeligen invloed kunnen hebben en een scheuring verwekken, die in het belang uwer Genade en in dat van Friesland moet worden voorkomen.”

“Inderdaad!” hernam Willem: “waarom geeft gij ons niet liever den raad, onze ambtenaren uit Friesland terug te trekken, opdat gij ulieden geheel naar uw eigen goeddunken zoudt kunnen regeeren.”

“Dit ware zekerlijk het verkieslijkste, om alle botsing te vermijden.” zeide Adeelen: “en wellicht,” voegde hij er met fierheid bij: “ware het beter dat zulks thans geschiede, nu het als een gunst ontvangen kan worden, dan later, wanneer de drang der omstandigheden het tot een noodzakelijkheid zal maken.”

Een algemeen gemor deed zich hooren bij het vernemen dezer hooghartige taal. Zelfs de Abt van Sint-Odulf, die zich in deze schitterende vergadering slecht op zijn gemak voelde, en de beradene Aylva, die zoo gaarne een vredebreuk wilde vermijden, zagen hun ambtgenoot met een blik van ontevredenheid aan. De Graaf echter, die reeds daags te voren de onbuigzaamheid van Adeelen had leeren kennen, nam zijn woorden thans minder euvel op dan men verwachtte: “Wij danken u, Heer van Adeelen!” zeide hij, “dat gij zoo onbewimpeld spreekt; want uit uwe redenen kunnen wij opmaken, hoe weinig zich de Friezen in het algemeen aan hunnen Heer laten gelegen liggen. Alleen moeten wij u doen opmerken, dat zulk een taal weinig strookt met het doel, dat wij aan uwe zending toeschreven, en weinig die onderwerping ademt, welke wij recht hadden van u te verwachten.”

“Vraag visschen aan het geboomte en bloemen aan de zee,” riep Adeelen uit: “maar vraag nimmer onderwerping aan een vrijen Fries.”

“Hoe nu!” hernam de Graaf: “zijn dit de woorden uwer lastgevers? En stemmen de Eerwaardige Abt en de Heer van Aylva mede in die onbezonnen taal?”

De Abt, die reeds een poos met angstige verlegenheid zijn oogen van den Graaf op Adeelen, en van dezen op Aylva had doen dwalen, antwoordde niets, maar veegde zich de zweetdroppelen van ’t gelaat. Aylva nam het woord op.

“Edele Graaf!” zeide hij: “het is nooit de wensch noch de bedoeling onzer lastgevers geweest, uwe Genade in hare rechten en waardigheid te verkorten. Wat onze ambtgenoot heeft gezegd, moge hij zelf verantwoorden: onze taak was alleen, uwer Genade de betuiging van Frieslands verknochtheid over te brengen en uw verlangen aan te hooren. Verder strekt zich onze lastbrief niet uit.”

“Gij hebt dan geene machtiging,” vroeg Willem met eenige verbazing, “om ons, uit naam van hen die u zonden, openlijke hulde als Heer van Friesland te doen?”

“Ik herhaal het,” antwoordde Aylva: “hetgeen uwe Genade ons zal gelieven te bevelen, zal getrouwelijk door ons aan onze lastgevers worden overgebracht.”

—“Vive Dieu!” riep de Graaf, zich met een bitteren lach tot de naastbij gezetenen wendende: “Gij hoort het, mijne Heeren! men verzoekt onze bevelen te vernemen, ten einde die door onze getrouwe Friesche onderzaten in overweging worden genomen en beoordeeld of zij wel in overeenstemming zijn met de oude vrijheden des lands. Bij Sint-Japik!” vervolgde hij tot de Friezen, “zoo wij alleen gehoor gaven aan hetgeen onze waardigheid als Graaf van ons vordert, zouden wij u dadelijk onzen wil te kennen geven en voor de uitvoering zorgen, zonder ons te bekreunen, in hoeverre ons verlangen met de inzichten onzer overzeesche onderzaten strookt: doch wij willen in dezen slechts aan onze liefde voor verdoolde kinderen gehoor geven en de zaak in rijpe overweging nemen, ten einde men niet van ons zegge, dat wij overijld besluiten en handelen. Intusschen raden wij u, onze getrouwen! uwe landgenooten te doen aanmanen, dat zij niet door nieuwe ergerlijke tooneelen onze zachtmoedigheid tergen. Mijne Heeren! de zitting is opgeheven!”

Met deze woorden rees hij van zijn zetel en verliet het gebouw op dezelfde wijze als hij gekomen was, terwijl weldra de gansche vergadering zijn voorbeeld volgde en uiteenging.

1Het liefelijke niets doen.

1Het liefelijke niets doen.

Deux coqs vivaient en paix: une poule survint,Et voilà la guerre allumée.De la Fontaine.

Deux coqs vivaient en paix: une poule survint,Et voilà la guerre allumée.

Deux coqs vivaient en paix: une poule survint,Et voilà la guerre allumée.

Deux coqs vivaient en paix: une poule survint,

Et voilà la guerre allumée.

De la Fontaine.

Deodaat had aan den ingang vertoefd, tot de geheele stoet was vertrokken, en was nu, met oogmerk om Reinout op te zoeken, de kerk weder ingetreden. Hij vond echter zijn vriend niet, die door een andere deur, naar ’t scheen, was uitgegaan, toen een page van den Graaf hem op zijde kwam en hem de tijding bracht, dat deze hem verlangde te spreken.

Zwijgend volgde de jongeling het knaapje, dat hem binnen de muren des kloosters voorging en naar het slaapvertrek des Graven geleidde. Deodaat, aangediend zijnde, werd terstond binnengelaten. Willem lag half op een rustbank uitgestrekt en in gesprek met zijn oom van Beaumont en de Heeren van Naaldwijk en van Teylingen: twee edelknapen waren bezig zijn plechtgewaad te bergen in een grooten, met koper beslagen kotter, die nevens hem stond: en een derde stond voor hem met een zilveren schenkblad, waarop een beker gekruide wijn.

“Bij Sint-Japik!” zeide de Graaf: “vriend Deodaat! gij kunt ons een grooten dienst bewijzen.”

“Uw Genade kan aan mijn goeden wil niet twijfelen,” zeide Deodaat.

“Welnu!—Gij zijt reeds bij die Friezen geweest;—gij schijnt zelfs een nauwe kennis met hen gemaakt te hebben: althans men heeft u dezen morgen met hen zien rijden.”

“Ik ben zeer verplicht aan hen, die belang genoeg in mij toonen om mijn gangen na te gaan,” zeide Deodaat.

“Vive Dieu! wat vat de Italiaan spoedig vuur. Nu! het ware geen wonder, al vond men het eenigszins vreemd, dat gij zulke beste maats zijt met lieden van zulk oproerig slag. Intusschen, wij weten in wien wij ons vertrouwen stellen en wij vreezen niet dat Deodaat van Verona om een paar schoone oogen zijn Heer zal afvallen. Is het niet zoo?”

“Ik vat niet, hoe....”

“O! wij weten zeer wel wat wij zeggen. Die afgezanten hebben, zoo wij vernemen, een zeer bevallig behoedmiddel tegen de verveling van de reis medegenomen. Is het niet zoo?”

De jongeling glimlachte en boog.

“Welnu! wij hebben er niets tegen, dat gij uw hof maakt aan die schoone Friezin. Integendeel zal het ons des te aangenamer zijn, hoe meer gij u bij de Friezen weet in te dringen, mits gij slechts de belangen van uw Heer daarbij niet uit het oog verliest: gij verstaat ons?”

“Ik vrees uw Genade geheel niet te verstaan,” antwoordde Deodaat,wiens voorhoofd van verontwaardiging gloeide: “uw Genade zal toch niet van mij vergen, de rol van verspieder te spelen?”

“Welnu, mijne Heeren!” zeide Willem, zich lachende tot de omstanders keerende: “hebben wij het niet voorspeld? Zietdaar al zwarigheden.”

“Deodaat is een braaf Ridder,” zeide Beaumont, zijn kweekeling op den schouder kloppende: “hij heeft de lessen niet vergeten, die ik getracht heb, hem in te prenten.”

“Hij had toch moeten begrijpen,” zeide Teylingen, “dat de Graaf niets onbillijks kan vergen, veelmin iets dat met den Ridderplicht strijdt.”

“Hoor, Deodaat!” hernam Willem: “wij zullen u in korte woorden zeggen, wat het geval is:—dan kunt gij naderhand vrij handelen gelijk gij verkiest. Gij hebt de onbehouwen taal dier afgevaardigden gehoord, en gij zult met ons van oordeel zijn, dat het wel overeenkomstig onze waardigheid ware, indien wij hen eens op hun grondgebied de wet gingen stellen....”

“En den oorlogskreet: Holland! aanhieven,” zeide Deodaat: “bij Sint-Jakob! dat ware hemelsche muziek!”

“In onze ooren voorzeker,” vervolgde de Graaf, lachende: “maar deze Heeren verstaan het anders:—zij zijn van meening, dat men zich tweemalen moet bedenken, aleer men geld en manschappen verspilt, om in Friesland oorlog te gaan voeren. Daarom willen zij beproeven, wat er nog door zachtere middelen te verkrijgen is. Wil beseffen, dat men nooit aan dien buffelachtigen Adeelen reden zal doen verstaan; maar met de beide anderen is wellicht nog wat aan te vangen: en wij vertrouwen niets onredelijks van u te vorderen, daartoe de hand te leenen.”

“Waarlijk,” zeide Deodaat, glimlachende: “uw Genade heeft te hoogen dunk van mijn bekwaamheid. Ben ik in staat, een eerwaardigen man als den Abt en een schranderen Edelman als den Heer van Aylva om te praten? Zou niet, indien ik zoo vrijpostig mag zijn mijn gevoelen te zeggen, de Heer van Beaumont meer invloed op zijn ouden krijgsmakker bezitten?”

“Ik kan Aylva ten beste raden, zoo dikwijls ik hem bij toeval ontmoet,” zeide Beaumont: “maar gij gevoelt, dat het, in den tegenwoordigen stand der zaken, loutere zwakheid verraden zoude, indien ’s Graven oom om zijn goede gezindheid ging bedelen. Gij daarentegen kunt gevoeglijk als uit u zelven spreken.”

“En,” zeide Willem, “zoo gij geen invloed bij de oude Heeren hebt, kunt gij dien wellicht op de Jonkvrouw verkrijgen. Wat ons betreft, wij zullen met genoegen zien, dat gij haar tracht te behagen: een echtverbintenis tusschen onze getrouwe wapenbroeders en de Friesche erfdochters zou den band tusschen de beide gewesten versterken.”

“Indien dit het oogmerk is van uw Genade,” zeide Deodaat, beurtelings rood en bleek wordende, “zoo ken ik iemand, wien deze last beter zoude voegen dan mij.”

“Waarlijk! uw vriend Reinout misschien?”

“Ik geloof inderdaad, dat hij smoorlijk op de schoone Madzy verliefd is.”

“Bij Sint-Japik! het is mij onverschillig, of het Peter of Paulus zij, die met de bruid gaat strijken. Ga dan uw Reinout halen en met hem de Friezen noodigen om ons feest van hedenavond bij te wonen. Maar zij moeten hunne schoone medebrengen:—en doe onze uitnoodiging voorkomen als een bewijs onzer gunstige gezindheid, van ons verlangen om eendracht en vriendschap te bewaren, verstaat gij?—Bij Sint-Japik! het denkbeeld vermaakt mij reeds, die Friesche prinses in vollen tooi te zien!—Ga nu en overleg uw zaken goed.”

“Rechtuit gezegd, mijne Heeren!” vervolgde de Graaf, toen Deodaat vertrokken was: “ik geloof, dat gij gelijk hebt en dat wij een tocht naar Friesland voor ’t oogenblik uit het hoofd moeten stellen. Ik ontvang zooeven tijdingen uit Utrecht. Het schijnt dat het Kapittel in zijn wijsheid begrijpt, mij de verantwoording te weigeren, welke het mij schuldig is als Momboir van het Sticht:—maar bij Sint-Japik! ik zal aan die geschoren kruinen met het zwaard in de hand die verantwoording komen vragen, indien zij nog eenen dag aarzelen.”

“Ware het niet verkieslijker,” vroeg Beaumont, “nog bevorens een bode naar Grenoble te zenden, en den Bisschop te verzoeken, terug te keeren en zijn gezag te gebruiken om uw Genade recht te doen wedervaren?”

“Een bode naar Grenoble—den Bisschop terugroepen!—neen, waarde Oom! daarmede ware de boel nog erger verknold. Ik heb wel een verkeerde ingeving gehad, toen ik dien Jan van Arkel, omdat hij een Hollandsen edelman was, tot Bisschop liet verkiezen. Ik had gehoopt, hem als een kind te zullen regeeren, en bij den Hemel! zoodra hij den mijter op het hoofd had, is hij Stichtenaar in zijn hart geworden en heeft mij in alles tegengewerkt.—Maar daar moet een einde aan komen:—Utrecht moet bukken!—en daarna Friesland.—Ik zoek mij nu nog te bedwingen: maar ik hoop aan dien trotschen Adeelen zijn beleediging met renten te doen betalen!—Laat hij zich intusschen in toom houden; want ik zoude mij met moeite blijven bedwingen zooals ik tot nog toe gedaan heb.”

Het vervolg van het onderhoud tusschen den Graaf en zijne vertrouwden als min belangrijk voor den lezer beschouwende, zullen wij ons weder tot onzen vriend Deodaat begeven, die, na Reinout vruchteloos gezocht te hebben, om hem ’s Graven verlangen mede te deelen, niet langer durvende verwijlen met het ontvangen bevel uit te voeren, zich op weg naar het verblijf der Friezen begaf. Nauwelijks was hij de poort uitgekomen, toen hij den kokeler Barbanera met zijn hansworst voor zich uit zag rijden, door eenige gewapende dienaars omgeven. Dadelijk na het gehoor was de Schout toevallig in de gijzeling gekomen en had, niettegenstaande de voorstellen van meester Claes Gerritsz en anderen, last gegeven dat men ’s Graven bevel zou ten uitvoer brengen, en den kwakzalver met zijn maat over de grenzen voeren: een last, waaraan alsnu voldaan werd.

Nauwelijks had Barbanera den Ridder bespeurd, of hij wenkte dezen, dat hij hem iets te zeggen had. Deodaat reed hem op zijde: en de kokeler, zich weder van de Italiaansche taal bedienende, fluisterde hem de volgende woorden in:

“Wat zoudt gij mij geven, indien ik u als den wettigen zoon eens machtigen Edelmans erkennen deed?”

“En Reinout?” vroeg Deodaat, wiens eerste gedachte voor zijn vriend was.

Barbanera haalde de schouders op: “Of er wat voor hem te doen ware,” zeide hij, “durf ik niet beslissen. Doch zoo gij ons vergezellen wilt, zal ik u aan de eerste rustplaats bescheid geven.”

“Ik begeer niets verder te weten,” zeide Deodaat, hem met verachting aanziende: “ik hecht vooreerst weinig geloof aan ’t geen gij mij verhalen kunt: en ten tweede begeer ik geen rang, die niet door Reinout gedeeld wordt. Zoo gij mijn vader kent, zoek hem dan op, en ik zal afwachten of hij zijn zoon wil erkennen; maar ik wil mij niet opdringen aan hem, die mij in mijn jeugd aan vreemde handen overgaf. Gij verstaat mij! verlaat dit land, ik raad het u; want de pogingen, die gij hier doet om de lieden te verschalken, zouden u duur te staan komen.”

Dit gezegd hebbende, gaf hij zijn ros de sporen, en bevond zich weldra aan de poort van het voormalige klooster. ’s Graven naam, in welken hij zich liet aanmelden, verschafte hem niet alleen een spoedigen toegang, maar hij werd door de Friezen, althans door Aylva en den Abt, als een oude kennis ontvangen: en Madzy, die zich bij haar voogd bevond, verliet het vertrek niet bij zijn komst.

Echter fronste zich het voorhoofd der afgevaardigden, toen zij de boodschap hoorden, welke Deodaat hun overbracht. Aylva en Adeelen zagen zwijgend voor zich uit: Madzy wendde zich om en ging aan het venster staan: en Deodaat, die te veel gevoel van betamelijkheid had om niet te beseffen, dat de beide edellieden elkander iets te zeggen hadden, begaf zich naar de jonge maagd en begon met haar een onverschillig gesprek.

“Ridder!” zeide Aylva, na een poos zachtjes met Adeelen te hebben geraadpleegd: “mijn ambtgenoot Adeelen en ik zullen volgaarne van ’s Graven beleefdheid gebruik maken;—doch wat onze jonkvrouw betreft, wij mogen die voor haar niet aannemen. Onze Friesche bloemen zouden aan het hof des Graven van Holland misplaatst zijn.”

“Een zoo schoone bloem,” zeide Deodaat, “zoude elken hof versieren; doch waarlijk, zulk een antwoord mag ik niet terugbrengen.”

“En echter zal men zich daarmede moeten vergenoegen,” zeide Adeelen op een norschen toon: “het is niet om het gegons van Hollandsche hofhommels te hooren, dat de Roos van Dekama hier gekomen is.”

“Ik zou u kunnen antwoorden,” zeide Deodaat, geraakt, “dat het hof van Holland geen hommels, maar bijen bevat, die met een angel gewapend zijn en de vreemde wespen niet vreezen;—maar ik wil nu alleen opmerken, dat ik niet besef, hoe het al of niet tenhove komen der Roos van Dekama van de goed- of afkeuring des Heeren Van Adeelen af kan hangen.”

“Zij is mijn verloofde,” zeide Seerp: “en deze betrekking geeft mij eenige aanspraak op hare onderwerping.... op hare inschikkelijkheid.”

“Nog ben ik uwe echtgenoot niet, Seerp!” zeide Madzy, terwijl een hoog rood aan hare schoonheid nieuwen luister bijzette, en hare oogen van de edelste fierheid schitterden: “wacht tot dien tijd om gehoorzaamheid van mij te vorderen. Zoolang Madzy Dekama nog den naam haars vaders draagt, zal zij hare waarde weten te bewaren en aan niemand eenig gezag toekennen, dan aan den voogd, die haar gegeven is. De edele Aylva acht het beter, dat ik te huis blijve. Om zijnentwil zal ik niet te feest gaan. Gij verstaat mij, Seerp! om zijnentwil.”

“Is er niets aan dat besluit te veranderen, Heer Olderman?” vroeg Deodaat, hem met een smeekend oog aanziende.

“Gij hebt gehoord, mijn jonge vriend!” zeide Aylva, “hoe men zich heeft uitgelaten. Ik voor mij geloof, dat het wijzer is, bij het eens opgevatte voornemen te blijven volharden.”

“Maar in waarheid!” hernam Deodaat, “waarom moet haar een genoegen ontzegd worden, waartoe haar jeugd, haar kunne, haar bevalligheid, haar meer dan iemand bestemmen? Indien zij de Friesche moerassen verlaten heeft om u herwaarts te volgen, zulks was toch niet om in dit naargeestig verblijf te zitten suffen. Gij kunt immers niet begeeren, dat mij een weigerend antwoord ’s Graven ongenade op den hals hale.”

“Zoo ik Friesland verliet,” zeide Madzy, “was het om aan den wensch van Seerp Van Adeelen te voldoen, die vreesde dat Madzy Dekama hem in zijn afwezigheid ontvrijd zou worden. Maar verspil uw kostbaren tijd niet, edele Ridder! door een nutteloozen drang: mijn besluit is genomen, ik ga niet: en ten einde een onderhoud niet langer te rekken, dat wellicht onaangenaam worden kon, vraag ik verlof, mij te verwijderen.”

En zonder dat verlof af te wachten, verliet zij het vertrek.

Deodaat was op het punt, aan Adeelen op een scherpe wijze zijn hardnekkigheid te verwijten, waaraan hij ook Aylva’s weigering toeschreef; maar zich het verlangen des Graven, om vrede met de Friezen te bewaren, herinnerende, oordeelde hij, om zijns meesters wille, een zachter toon te moeten aannemen.

“In waarheid!” zeide hij: “Edele Heeren! ik begrijp uw oogmerken niet. Gij komt hier toch, zoo ik wel rade, met een vredelievende zending: de Graaf is welgezind ten opzichte van u en van uwe landgenooten: en niettemin ziet men heden tot tweewerf toe den Heer van Adeelen de gunst des Graven met ondank beloonen. Waarlijk, mijne Heeren! als onpartijdig vriend moet ik u raden, liever alles aan te wenden om den onaangenamen indruk weg te nemen, dien de woorden, welke in drift gesproken zijn, ten hove hebben gemaakt. Wat wint gij er mede, zoo gij den Graaf tot toorn verwekt en wellicht (want daartoe zou het kunnen komen) zijnheirlegers in Friesland roept. Een weinig toegeeflijkheid van uwe zijde, en de goede verstandhouding is meer dan ooit hersteld.”

“Toegeeflijkheid!” riep Adeelen: “voor wat? voor zijn vermeend recht op Friesland? Laat uw Graaf eerst al zijn ambtenaren tot den laatsten toe van over de zee terugroepen, en dan zullen wij niet weigeren als goede buren en trouwe bondgenooten met hem te leven;—maar zoolang hij bij ons den meester wil spelen, zoolang zal hij in Seerp Van Adeelen een vijand vinden:—en zoo ik heden op het feest verschijn, ’t is slechts om te toonen, dat ik mij nergens schroom te vertoonen en aan zijn slaafsche hoftrawanten het schouwspel van een vrijen Fries wel gunnen wil.”

“Een schoone heldhaftigheid voorwaar!” zeide Deodaat bitter: “om op een gastvrij feest te verschijnen, waar gij niets te vreezen hebt, ten einde aldaar de beleefdheid des gastheers met norsche onwellevendheid te beantwoorden. Pas op, Jonker Seerp! met zulk een gedrag zult gij weinig eer behalen.

“Ik verlang geen vermaningen van een Italiaanschen gelukzoeker,” zeide Adeelen: “geef ze aan uw Hollandsche vrienden, die laf genoeg zijn, er naar te luisteren.”

Nauwelijks waren deze woorden gesproken, of Deodaat had zijn handschoen uit den boezem te voorschijn gehaald en er Adeelen mede in ’t aangezicht geslagen. Een uitdaging zou deze daad zijn gevolgd; maar met een levendigheid, welke bewees dat het vuur der jeugd bij Aylva nog niet was uitgedoofd, rees deze uit zijn stoel, greep Adeelen, die zijn dolk reeds had ontbloot, in de borst en drukte hem vrij onzacht tegen den muur: terwijl de Abt zich met angstvalligen blik voor Deodaat kwam stellen.

“Foei! schaam u, Adeelen!”riep de Olderman op forschen toon: “is het betamelijk, een man, wien gij dank verschuldigd zijt, een edelen Ridder, in uw eigene woning te beleedigen? Niets kan een zoodanige handelwijze verschoonen.”

“Bedaar! in ’s Hemels naam, bedaar! mijn goede Ridder!” zeide de Abt van Sint-Odulf: “eheu! Jonker Seerp is wat driftig en ruw in zijn uitdrukkingen: dat weet mijn broeder van Lidlum ook: stoor u niet aan zijn woorden: en denk met Salomo, dat wie eenen dwaas antwoordt, dwazer is dan hij zelf. Wij hebben in Friesland ook onze dwazen.”

“Wij hebben ze hier ook in overvloed,” zeide Deodaat, “doch wij zenden ze niet als afgevaardigden uit:—en zoo hem nog een grein gezond verstand overblijft, zal hij mij om verschooning bidden voor de uitdrukking, door hem gebezigd.”

“Om verschooning bidden,”brulde Adeelen, wien zijn ouder ambtgenoot nog altijd tegen den wand hield gedrongen: “Laat de handen van mij af, Aylva!—want ik wil dien hofknaap van zijn overmoed genezen.”

“Een andere reis, maar niet hier,” zeide Aylva: “uw leven behoort niet aan u, maar aan uw landgenooten, die u gezonden hebben: en gave de hemel, dat zij zich tweemalen bedacht hadden, aleer zij hun belangen aan zulk een dolleman hadden toevertrouwd.”

Terwijl de beide jongelingen elkander met fonkelende oogen bleven aanzien, evenals twee wakkere doggen, die door hun meesters worden teruggehouden, ging de deur open, en verscheidene dienaars, op het gerucht toegeschoten, stormden de kamer in. Achter hen vertoonde zich Reinout, het oog in vlam en het gelaat gloeiende van toorn. Deze had, na het Grafelijk gehoor, eenigen tijd bij zijn wapensmid doorgebracht en was vervolgens naar de gijzeling gegaan. Hoorende, dat Barbanera reeds vertrokken was, was hij te paard gestegen om hem na te rijden, toen hij, den Heer van Naaldwijk toevallig ontmoetende, van dezen vernam, dat Deodaat bij de Friesche afgevaardigden namens den Graaf een boodschap was gaan verrichten. Brandende van ijverzucht, was hij terstond derwaarts gereden en nu juist op den twist afgekomen. Het schouwspel, dat zich aan hem vertoonde, beving hem met verbazing: en onbewust van de oorzaak, bleef hij midden in ’t vertrek staan.

“Gij komt juist van pas, Ridder!” riep hem Aylva toe: “kom Adeelen! wees niet zoo dwaas meer: voor zoovele getuigen zoude uw toorn belachelijk worden.”

“Wij zullen elkander op geschikter tijd en plaats terugvinden,” zeide Deodaat: en na een koele buiging maakte hij zich gereed om het vertrek te verlaten, toen Madzy, verbleekt en sidderend, weder voor zijne oogen verscheen.

“Goede God! wat is hier geschied?” vroeg zij, eerst Deodaat en vervolgens al de overigen met een blik van angstige deelneming aanziende: “ik hoop niet, dat hier om mijnentwil een twist is uitgebroken.”

“Het lot van dien Italiaan schijnt u zeer ter harte te gaan, Madzy!” zeide op een bitteren toon Adeelen, wien Aylva had losgelaten en die nu met donkere blikken tegen den wand stond geleund.

Tranen van spijt zwollen in de oogen der maagd: en zonder een woord te spreken viel zij in een armstoel. Er was een oogenblik van stilte.

“Deodaat! volgt ge mij?” riep op eens Reinout met een donderende stem.

“Ik kom!” antwoordde Deodaat.

“Neen!” zeide Aylva, hem tegenhoudende: “zoo moet gij ons niet verlaten. De eerwaarde Abt en ik zijn u voor uw vertrek nog de betuiging schuldig van ons innig leedwezen over de behandeling, hier door u geleden. Wij achten Adeelen hoog en huldigen zijn edele vrijmoedige inborst; maar wij blozen over de uitdrukkingen, waartoe zijn toorn hem verleiden kon. Hij zelf, hij zal er eenmaal over blozen.”

Dit zeggende, stak hij Deodaat zijn hand toe, welke deze met hartelijkheid drukte.

De beide Ridders verwijderden zich nu en beklommen stilzwijgend hunne rossen: maar nauwelijks waren zij buiten het gezicht van het gebouw gereden, toen Reinout, die zich tot nog toe geweld had aangedaan, op eenmaal stilhield en het paard van Deodaat bij de teugels greep.

“Geen stap verder!” zeide hij: “’t is thans met mij dat gij zult te doen hebben.”

“Hoe nu!” zeide Deodaat: “Ik versta u niet.”

“Deodaat van Verona! gij zijt een ellendeling! verstaat gij mij thans?”

“Reinout! ik zou liever mijn zwaard willen opeten dan het tegen u gebruiken. Welke onzalige geest drijft u aan? Waarin heb ik u beleedigd?”

“Ik raad u, dit nog te vragen:—wie had u de belofte afgevergd, die gij gisteravond deedt? Vrijwillig, om mij lichtgeloovige te misleiden, hebt gij die afgelegd: en hoe hebt gij die gehouden? Mij hebt gij in slaap gewiegd: van ’t spoor gebracht, en intusschen uwe schoone Friezin den tijd weten te korten. O! ’t was aandoenlijk om te zien, hoe gij beiden mij hedenmorgen bespottedet en hoe teeder zij u thans aanzag. Of was die twist met Seerp Van Adeelen ook niet om harentwil gerezen?”

“Ik zal mij in dit oogenblik niet verlagen mijn gedrag te rechtvaardigen bij iemand, die door blinde drift bestuurd wordt. Morgen, als u de slaap betere gedachten zal hebben ingeboezemd en gij redelijker spreken wilt, zal ik u de noodige opheldering geven.”

“Gij verzaakt uw afkomst niet,” zeide Reinout op een verachtelijken toon: “en Barbanera’s verhaal....”

“Mistrouw dien bedrieger!” zeide Deodaat: “ik heb hem ook gesproken en hem verzocht hier nimmer terug te keeren.”

Dit zeggende gaf hij zijn paard de sporen en verliet hem, die gisteren nog zijn boezemvriend was, ter prooi aan den minnenijd, die zijn gemoed doorknaagde.

Maar bij dien minnenijd voegde zich bij Reinout een diepe verontwaardiging, door de laatste woorden van Deodaat teweeggebracht: “de onbeschaamde!” dacht hij: “hij heeft van Barbanera vernomen, wie van ons de echte zoon van Bianca di Salerno is: en ten einde mij het bewijs mijner geboorte te onthouden, bewerkt hij het vertrek van Barbanera en durft mij zulks verhalen! Deodaat! Deodaat! had ik dit immer van u kunnen gelooven!”

Ten hove gekomen, haastte zich Deodaat het antwoord der Friezen aan den Graaf over te brengen: hij verzweeg echter zijn twist met Adeelen, om redenen, die in ’t vervolg nader zullen blijken.

“Hoe! zij willen hunne schoone reisgenoot voor hen zelven bewaren!” riep de Graaf, die, wanneer hij iets in den zin had, er niet gemakkelijk van was af te brengen.

“Bij Sint-Japik! dat zal niet gebeuren. Ik heb besloten, dat zij op het feest zal komen; en bij de zaligheid mijns vaders, zij zal er verschijnen, al moest ik haar zelf gaan halen.”

“Uw Genade zal mij verschoonen, zoo ik mijn gevoelen durf uiten,” zeide Deodaat: “maar zal een daad van geweld niet de gemoederen der Friezen verbitteren in stede van hen te winnen? Die Jonkvrouw is de pupil van den eenen en de verloofde des anderen.”

“Ook is het geen daad van geweld, die wij beoogen,” hernam Willem: “’t is door list, dat wij onze begeerte verkrijgen zullen: engij zult zien, Deodaat! of ik niet een even goed toovenaar zal wezen als die meester Barbanera, wien Satan weghale. Gelegenheid tot toorn zal ik dien Friezen niet geven, maar het hangt van hen zelven af, zich met spot te overladen. Welnu, waarom schudt gij het hoofd?”

“Omdat ik vrees,” zeide Deodaat, “dat spot hen nog erger zal verbitteren dan de grootste beleediging.”

“Wat dit alles betreft,” zeide Willem: “laat zulks gerust aan ons over. Wij hadden eerst het oog op u geslagen om ons plan te volvoeren: doch gij schijnt er huiverig voor te zijn, en het is ons belang dat gij een witten voet bij den heer van Aylva behoudt. Uw vriend Reinout is ook beter tot zulk een onderneming geschikt. Tot straks!”

Deodaat vertrok, ten einde zich tot het feest gereed te maken. In zijn slaapvertrek gekomen, was het zijn eerste daad, zich op een rustbank neer te werpen, en het door hem gehouden gedrag te overpeinzen.

“Heb ik waarlijk de vriendschap verraden?” vroeg hij zich zelven af: “of is de beschuldiging van Reinout geheel valsch en onverdiend? Ik kan ten allen tijde jegens hem mijn handelingen rechtvaardigen; maar kan ik zulks in mijn eigene oogen doen? ’t Is waar, ik ben hedenmorgen een geheel anderen weg uitgereden, om Reinout niet te storen: doch had ik Madzy wel moeten vergezellen?—Het ware een onhebbelijkheid geweest, eenen Fries waardig, indien ik haar niet had te huis gebracht:—ik heb den lof van Reinout aan Madzy voorgezongen tot op het oogenblik dat wij hem tegenkwamen, en toen.... ’t is waar, toen lachte zij en ik moest onwillekeurig met haar lachen om de zonderlinge uitdrukking van Reinouts gelaat;—doch waarlijk, wie dit alles mij tot schuld aanrekende, ware toch een al te strenge beoordeelaar.

“Had ik den last mijns meesters moeten weigeren en niet naar die huizinge terugkeeren? den last mijns meesters!—kon ik dien weigeren? heb ik dien niet aan Reinout willen overdragen? hem gezocht?—Ik kon immers niet meer doen?—En met dat al, ik ben ontevreden met mij zelven en ik gevoel dat er iets, ik weet niet wat, in mijne handelwijze is, hetwelk niet goed, niet recht, niet ridderlijk is. Misschien, indien ik van avond niet op het feest kwame, zou zulks Reinout doen zien, dat ik een opheldering ontwijken wilde.—Ik mag van den dans niet terugblijven, om mijn eer niet. Hoe vreemd! Ik ben mij geene schuld bewust, en echter huiver ik op de gedachte van Reinout te ontmoeten.”

De arme jongeling! hij zocht waar het hem schortte en hij zag nog niet hoe al zijne redeneeringen slechts daartoe strekten, dat hij zich nog wilde ontveinzen hoe hartstochtelijk hij zelf de schoone Madzy beminde. Wel is waar, de spijt, die zijn boezem ontvonkte, toen hij vernam dat zij Adeelens verloofde was, de geheime verlegenheid, welke hem zelfs weerhouden had een woord van dien twist in ’s Graven bijzijn te reppen, hadden hem de oogen moeten openen; en toch, hij had wellicht hem tot een kamp op dood en leven uitgedaagd,die hem had durven verwijten, dat hij Reinouts medeminnaar ware.


Back to IndexNext