1Zie bl.65.Vijf-en-dertigste Hoofdstuk.Dit, leider! was een nacht vol ramps, vol ongevals.Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.Het ware moeilijk, een juiste beschrijving te geven van de gewaarwordingen, welke Deodaat bezielden gedurende de eerste uren, die hij doorbracht in de eenzame cel, waarin men hem had opgesloten. Het waren beurtelings, wrevel over het mislukken zijner onderneming, hetwelk hij zich zelven toeschreef: blijdschap over zijn verzoening met Reinout: ongerustheid over het lot der vloot, welke hij begreep dat het met den storm, die den kerktoren schudden deed, erg genoeg moest hebben: angstige zucht om te weten, of zijn eeuwig dierbare Madzy en haar achtingswaardige voogd ook aan eenig gevaar zouden blootgesteld zijn: dankbaarheid aan zijn Beschermheilige, die hem het leven gered had: in één woord, een mengeling der meest tegenstrijdige gevoelens. De storm echter, die nog zonder ophouden woedde, nam eindelijk zijn aandacht geheel in: en vurig zoude hij gewenscht hebben, het natuurtooneel te beschouwen, dat zich buiten liet zien; maar deze wensch was ijdel; want de cel, waarin hij gezeten was, had geen ander uitzicht dan op een nauwe binnenplaats, rondom door zulke hooge muren omgeven, dat men niets van de lucht gewaar kon worden en alleen het gekletter der buien hooren, die daar binnenvielen.Later, toen het weer eenigszins begon te bedaren, troffen de psalmen, die in de kerk werden aangeheven, zijn oor; doch zoo nauw, dat hij zich vruchteloos inspande om de wijs te vernemen: vermoeid en afgemat strekte hij zich eindelijk uit op de houten legerstede, daar hij tot nu toe op gezeten had, en poogde te slapen; maar nauwelijks was hij even ingesluimerd, of een nieuw gedruisch wekte hem. Hij luisterde: men liep de gangen en vertrekken van het klooster op en neder: onder, boven hem, aan alle kanten dreunden de stappen der monniken door de gewelven, met meer drift, dan men zulks van stille kloosterbroeders zoude verwacht hebben. Dit deed hem met reden oordeelen, dat er iets buitengewoons moest plaats hebben:—en weldra zag hij zijn vermoeden bevestigd, toen hij trompetgeschal vernam, en kort daarna bespeurde, dat men bezig was het klooster te beleggen. O! hoe onverduurbaar werd toen de toestand van denwakkeren Ridder. Daar buiten, dit wist hij, daar streden zijn wapenbroeders! En hij, hij moest werkeloos in zijn cel blijven en mocht niet in hun gevaren deelen! Ja, zijn gegeven woord verbood hem, de deur open te trappen en zich met de strijdende drommen te vereenigen! Dit denkbeeld ontvlamde zijn spijt: en stampvoetende liep hij als een zinnelooze het enge verblijf, dat hem besloot, op en neder.Lang reeds had hij in een staat van opgewondenheid verkeerd, die aan verbijstering grensde, toen hem opeens door het tralieraam een brandlucht tegenwoei, die weldra gevolgd werd door geheele rookwolken, die voorbij het venster opstegen. Nu ijsde hij: het klooster was wellicht in brand gestoken!—En hij zoude het weerlooze slachtoffer worden! Hij zou een dood zonder eer, zonder glorie sterven! Dit denkbeeld was hem onverdraaglijk. De iederen sterveling ingeschapen zucht tot zelfbehoud deed hem terstond besluiten zich uit dezen toestand te verlossen, en zijn cel, het mocht kosten wat het wilde, onmiddellijk te verlaten. Hij had wel zijn woord van eer gegeven niet te zullen ontvluchten; maar hij had geenszins beloofd in de hem aangewezen kamer te zullen blijven, vooral wanneer hij kans had daar levend geroost te worden. Al zijn krachten dus inspannende, trapte hij zoo lang op de deur, welke hem den uittocht belette, tot het paneel aan stukken sprong en hij zich er door kon werken. Nu stond hij in de gang, en ijlde naar de deur, die aan het einde geplaatst was: helaas! deze was gesloten: en al de pogingen, die hij aanwendde, toonden hem slechts zijn onmacht aan, om die te verwrikken. Hij keerde terug om een anderen uittocht te vinden: links van hem was niets dan een blinde muur; rechts cellen, gelijk die welke hij verlaten had, waaruit de deuren waren weggenomen, en die in stede van ramen slechts met hooge luchtgaten voorzien waren. Aan het andere einde van de gang was, ja, een venster, maar met dikke bouten er voor, welke alle denkbeeld van ontkoming wegnamen. Hij plaatste zich echter daarvoor, ten einde te ontdekken, wat er gaande was en of er een wezenlijk gevaar voor hem bestond;—want hoewel nog opgesloten, zijn ongerustheid was eenigszins verminderd, sedert hij zich in een grootere ruimte bewegen kon. Hij werkte zich dan met behulp der ijzeren bouten tegen het hooge venster op, en poogde zoogoed hij kon naar buiten te zien; maar de duisternis liet hem niets anders bespeuren, dan den kloostermuur aan de overzijde der groote plaats, waarop het venster uitzag, en de lucht daarboven. Het krijgsgedruisch vermeerderde intusschen: en weldra zag hij een schouwspel, dat hem met ijzing vervulde. De muur tegenover hem en het dak daarboven werden door een rooden, flikkerenden vuurgloed verlicht: wolken rooks stegen dwarrelend van uit de binnenplaats naar boven: en door dien rook henen bewogen zich in de dakgoten eenige strijders, als zoovele fantastische schimmen. Het waren gedaanten van monniken, waaronder hij nu en dan de welgevulde gestalte van vader Volkert meende te herkennen: het waren krijgslieden in ’t harnas en met vlammen op het hoofd en in de hand (want de weerkaatsing van den brand verwekte dit optisch bedrog), die als in de lucht handgemeen waren: en die gedaanten streden envluchtten voor elkander, en bewogen zich heen en weder op de smalle kampplaats, waar voor en onder hen de dood hen aangrijnsde; en Deodaat zou misschien gewaand hebben, dat het slechts ijdele spoken en luchtbeelden waren, zoo niet het daverend krijgsalarm en de brandlucht en het geluid van den smak, die nu en dan zich hooren deed, wanneer deze of gene krijger van het dak op de binnenplaats stortte, hem overtuigd hadden dat hij waakte en dat hetgene hij voor oogen had schrikkelijke waarheid was. En inderdaad: ondanks al de dapperheid, door de geestelijken betoond, was het aan een gedeelte der krijgsknechten eindelijk gelukt, de kerk te beklimmen, en zich van daar over verschillende daken te verspreiden, waar zij nu de monniken en conversen bevochten.Zoo geheel was Deodaat door dit schouwspel geboeid, dat hij zijn eigen toestand vergeten was, toen een gekraak onder zijn voeten opeens een gedachte bij hem levendig deed worden, welke hem met ijzing vervulde. Hij zag de vlam zelve niet; maar haar weerschijn tegen den muur aan de overzijde;—de brand was dus aan zijnen kant:—was juist onder hem: en het gekraak, dat hij hoorde, klonk in zijn ooren als een voorspelling, dat weldra de geheele zoldering zou instorten. Rillende liet hij zich weder van het venster afvallen; hij snelde terug naar ’t einde van de gang en matte zich nogmaals af in vruchtelooze pogingen om de deur te openen: hij zocht een plank om die open te loopen:—al wat tilbaar was had men uit de cellen genomen om de borstwering voor de benedenpoort te maken. Hij keerde dan in zijn eigen verblijf: nam de planken uit de bedstede en bezigde die om de deur te rammen; maar zij werden in zijn handen tot spaanders gebroken en hij vorderde niet. Dan op het oogenblik, dat hij den vloer onder zijn voeten reeds heet voelde worden en de wanhoop hem een hulpgeschreeuw aanheffen deed, hoorde hij voetstappen van buiten en te gelijk een welbekende stem, die hem antwoord gaf.“Hier vrienden! hakt deze deur open! Hier is de Ridder, dien wij zoeken!”—De deur vloog onder eenige bijlslagen open en Deodaat bevond zich in de armen van zijn getrouwen Zweder van Naaldwijk. Deze had, gelijk wij vroeger verhaald hebben, de deur van gemeenschap tusschen de kerk en het klooster in brand gestoken en zich nu daarbinnen een toegang verschaft, bijna op hetzelfde tijdperk, dat de Heer van Spangen de voorpoort overweldigd had.“Ik wist het wel, Ridder!” zeide Zweder, “dat wij u eindelijk zouden vinden: het klooster is ons! althans ik denk niet, dat die vrome paters zich lang meer zullen verweren:—hier, geeft den Ridder een zwaard ... een bijl ... wat het eerste bij de hand is ... en nu haastig naar beneden; eer de trap afbrandt:—ik heb u nog juist bijtijds gehoord.”Neen! de goede schildknaap had zijn meester niet bijtijds gehoord; dit werd hij te ras en op een schrikkelijke wijze gewaar. Hij was bij het opklimmen de voorste geweest: en bij het terugkeeren bevond hij zich dus met Deodaat achteraan: slechts deze omstandigheid redde beider leven:—want nauwelijks bevonden de gewapendenzich op de trap, of deze stortte in met een oorverdoovend gekraak, en de beide aanvoerders stonden alleen op het portaal, voor een muur van vlammen en van rook, die uit het puin naar boven sloeg.“Ik ellendeling! wat heb ik gedaan!” kreet Zweder, zich voor het hoofd slaande: “ik, die u redden wilde, moet de oorzaak van uw verderf zijn!—Uit zucht om de eerste binnen te wezen stak ik de kerkdeur in brand, en nu heeft zich de vlam aan het gansche gebouw medegedeeld!”“Die ongelukkigen!” zeide Deodaat, terwijl hij een treurigen blik wierp op de rampzalige wapenknechten, die gillende en kermende beneden lagen;—“maar kom!” vervolgde hij: “wij moeten alle hoop op lijfsbehoud niet opgeven. Hier is een trap, die naar boven leidt; waarschijnlijk vinden wij een uitweg, die naar een ander gedeelte van het gebouw voert.”Zoo gezegd, zoo gedaan. Beiden snelden met spoed de trap op; want reeds vervolgde hen de vlam. Zij kwamen nu op een korte, smalle en overwelfde gang uit, zonder deur noch venster, maar met een vierkant gat aan het einde, welk gat eenige voeten boven den vloer verheven en in de dikte van den muur uitgehouwen, en waartegen een klein trapje geplaatst was.“Bij Sint-Japik!” zeide Zweder: “ik geloof, dat dit de weg naar den toren is: zoo ik wel bereken, zijn wij hier boven de kerk.”“Hoogstwaarschijnlijk!” zeide Deodaat: “maar om ’t even! Wanneer wij daar eens zijn, hebben wij vooreerst geen gevaar en kunnen nader overleggen, hoe wij verder komen.”De schildknaap had wel geraden; want zoodra hij de opening binnen- en onder eenige dwarsbalken doorgekropen was (niet zonder zijn hoofd eenige keeren geducht te stooten), bemerkte hij, dat hij zich in den toren bevond. Het was echter meer door den tocht, die hem tegen woei, dat hij zulks gewaarwerd, dan door de scherpte van zijn gezicht: want het was hier bijster donker: en geen wonder, daar zij zich op een middelzoldering bevonden, waar van geene zijde eenig licht kon doordringen, dan alleen de flauwe terugkaatsing der vlam, die tegen de wanden scheen van de gang, die zij uit waren gekomen.De toren, waarin zij zich nu op twee derden der hoogte bevonden, was een oud en hoog gebouw, dat wellicht reeds gestaan had, vóór de oprichting van het klooster, waarvan het nu den noordwestelijken hoek uitmaakte, en het woonhuis met de kerk vereenigde. Het was achthoekig van gedaante en van zwaren, grauwachtigen steen opgetrokken tot op een hoogte van ongeveer negentig voet: de muren, dik genoeg om geen schade van brand en bestorming te vreezen, waren slechts hier en daar met een enkel kijkgat voorzien, en verder geheel ontbloot van allen zweem van versiering; zoo men den koepel uitzondert, die later, toen men de Oostersche bouworde in Friesland begon na te bootsen, op den top was nedergezet, en waarboven een kruis prijkte, dat, evenals de platen, welke den koepel dekten, van koper was. Deze koepel was, gelijk wij vroeger gezegd hebben, peervormig; doch had, evenals de toren zelf, acht zijden,van onderen met een breeden metalen band omsloten en zich van daar tot op den torentrans uitspreidende, evenals de voet van een ouderwetsch kelkje, of als de neergekrulde halve schil van een chinaasappel. In dien omgeslagen benedenrand waren twee vooruitspringende venstertjes, met luiken en een leien dakje voorzien: het eene, waaruit de seinlantarens staken, naar den zeekant uitziende: het andere, dat thans gesloten was, over het kloostergebouw heen, naar de oost- of landzijde. Van binnen was de toren volkomen vierkant, niet ruimer dan ongeveer tien voet in de doorsnede, en van onder tot boven volkomen hol. Om den top te bereiken waren, op elke dertig voet hoogte, houten zolderingen bijgebracht, van welke de niet overal veilige planken op dwarsbalken rustten, en in wier midden een opening gelaten was, welke men bereikte door middel van een trapladder, die van onderen tegen den muur vaststond en van boven met een paar ijzeren krammen voor het wiggelen bewaard werd. Er waren dus in ’t geheel drie van deze ladders; of liever: er behoorden er drie te zijn; want de onderste was, gelijk wij hierboven verhaald hebben, op last van vader Syard weggenomen. Verder had, als ons gebleken is, de toren ook nog een zijdelingsche gemeenschap met het kloostergebouw: en onze beide zwervers, die daarvan gebruik hadden gemaakt, bevonden zich nu op twee derden der hoogte, boven de tweede, en aan den voet van de hoogste ladder.“Ziezoo!” zeide Zweder: “hier zitten wij hoog en droog: wisten wij nu slechts een middeltje te bedenken om hier vandaan te geraken.”“Mij dunkt,” zeide Deodaat, naar beneden ziende, waar hem de flauwe schemering, die uit de kerk voortkwam, de ladder ontdekken deed: “wij kunnen hier afdalen.”“Om ons de hersens op de zerken tot gruis te slaan?” viel Zweder in: “ik dank u, heer Ridder. De onderste trap is weggehaald. Die vervloekte monniken wisten wel wat zij deden. Bovendien, de kerk zelve staat in lichterlaaie.”“Kunnen wij ons niet aan de klokketouwen aflaten?”“Die gebruiken zij niet. Zij luiden hier door middel van groote hamers, die Belialskinderen!—en bovendien geloof ik niet dat er hier een klok in den toren is:—die zwelgers hebben alleen een etensbel noodig: en die hangt boven de bakkerij.”“Welaan!” zeide Deodaat: “dan moeten wij nog hooger onze fortuin beproeven, en zoeken of er ook een raam in den toren is, ten einde eens uit te kijken, of wij hulp of verderf te wachten, hebben.”Dit zeggende klom hij, van Zweder gevolgd, de hoogste ladder op, die hen in den voet van den koepel bracht. Dadelijk staken beiden het hoofd door het opene venster: en, ofschoon er zonder vleugels aan geene ontkoming te denken viel, ondervonden echter zoowel Deodaat als zijn schildknaap een gewaarwording van verkwikking en genoegen, toen de frissche wind hun in ’t gelaat woei en zij weder in Gods vrije schepping mochten rondzien. Het onweerwas bedaard: slechts enkele dunne, waterlooze wolkjes dreven als sneeuwvlokken door het blauwe zwerk. De oppervlakte der zee was stil geworden; maar het dof gegons der wateren verkondigde nog, hoezeer zij door het geweld van den storm was beroerd geweest. De natuur was kalm en liefelijk: en had niet het oorverdoovend geweld van den strijd, die aan de andere zijde woedde, alle gedachten aan rustige genieting verbannen, Deodaat zou nog lang met wellust op den heerlijken sterrenhemel en op die sombere zee daaronder zijn blijven staren. Maar zijn ziel was te bezig met den kamp, die in het klooster gevoerd werd, dan dat hij zich den tijd kon gunnen, langer naar deze zijde uit te kijken.“Spoedig, Zweder!” zeide hij, “laat ons zoeken, of er geen ander venster is, waaruit wij iets van het gevecht kunnen bespeuren.”“Een oogenblik!” zeide de knaap, terwijl hij de lantarens binnenhaalde: “hier is iets, dat ons misschien zal kunnen dienen: men moet in onze omstandigheden niets verzuimen.”—Dit zeggende, maakte hij een eind touw los, dat aan de lantarens vastzat, en door een katrol liep, welke aan het einde van den uitgestoken staak hing, en bond het zich om het lijf.“Ziezoo!” zeide hij, “nu hebben wij licht, en een touw; dat zijn reeds twee zaken, welke, wanneer men hoog en in ’t donker zit, van dienst kunnen wezen. Laat ons nu dezen kant uitzien.”Dit zeggende, opende hij het luik van het andere venster: en beiden zagen uit.—Welk een geheel onderscheiden tooneel deed zich hier aan hun oogen voor! Aan de andere zijde de aanblik der stille natuur: aan deze, die van den oorlog in zijn schrikkelijkste gedaante.In de eerste oogenblikken was het echter voor Deodaat en Zweder, die met uitgestrekte halzen buiten het raam lagen, moeilijk iets met juistheid te onderscheiden. De kerk zoowel als de drie overige zijden van het gebouw stonden in lichterlaaie: en de rook, die van alle kanten in breede wolken opsteeg, bedekte al wat beneden was met een dikken nevel. Het scheen beiden toe, als zagen zij in een ziedenden ketel, of liever in den gapenden krater van een vlammenspuwenden berg. Maar toen de wind, die van den zeekant woei, de rookwolken voor een oogenblik van een scheidde en als uitgerolde wimpels over de landtong heen deed zwaaien, ontdekten zij de kloosterlingen, die in een breeden kring op het binnenplein bijeenverzameld stonden en zich met een hardnekkigen moed verweerden tegen de krijgsknechten, die hen van alle zijden bestookten. In het midden van de jongere broeders en conversen, stonden de grijsaards en zwakken, met schorre kelen doch met een prijzenswaardige gelatenheid den psalm zingende:quare fremuerunt gentes; ofschoon de rook, die hun in de keel vloog, hen nu en dan dwong, het lied te staken en met een benauwd gekuch te verwisselen.“Mij dunkt,”zeide Deodaat, “die monniken vechten als leeuwen: gij hadt gezegd, zij zouden zich niet lang meer verdedigen; maar, naar het mij voorkomt, staat de kans vrij ongelijk en kunnen zij blijvenvechten tot de gansche boel ineenstort en vrienden en vijanden samen verplet.”“Inderdaad,” zeide Zweder, peinzende: “het getal onzer manschappen komt mij voor, geringer te zijn, dan het behoorde te wezen. Ik zie den Heer van Beaumont niet; noch ook den Heer van Spangen. Wij waren straks ruim zoo talrijk. Zouden er zoo velen door de handen dier papen zijn gevallen? Of is de rest vertrokken en heeft men gedacht, dat er manschappen genoeg bleven om het klooster te winnen.”“Het komt mij voor, als ware men buiten ook nog aan het strijden,” zeide Deodaat: “althans ik hoor een luidruchtig alarm aan de landzijde. Indien slechts die satansche rook het uitzicht over de landtong niet belette.”Terwijl beiden, onbewust van de redenen, die Beaumont genoodzaakt hadden het klooster te verlaten, zich in gissingen verdiepten, trad de Heer van Spangen, door een der zijgangen, welke alsnog door het vuur gespaard was gebleven, de binnenplaats op.“Geeft u over, vervloekte papen!” riep hij: “uw klooster staat in brand en het is immers al gewonnen.”“Neen! nog niet gewonnen!” klonk een stem, die het gansche gebouw scheen te doen daveren: en van uit de deur van het voorportaal vertoonde zich, tusschen een dicht ineengedrongen drom van strijdende Hollanders en Friezen, de reusachtige gestalte van den Abt van Lidlum, niet geharnast als zijn ambtgenoot van Oldeklooster; maar in de dracht zijner orde, blootshoofds en met opgestroopte mouwen, een zware strijdkolf omhoogheffende. “Houd u goed, vader Volkert!” riep hij: “houd u goed. Daar zijn wij al, klaar om u te helpen. Ter helle met de Hollanders! slaat dood! slaat dood!”“Bij Sint-Japik!” zeide Zweder: “de kans is verkeken: zooeven wezen ons de steenen twee vijven aan: maar nu heeft de vijand twee zessen geworpen.”“En wij moeten hier als bloote toeschouwers zitten!” zuchtte Deodaat: “o! waarom schenkt God mij de gunst niet, naast mijn dappere spitsbroeders te strijden?”“Al wat wij doen kunnen, is hen aan te moedigen met woorden,” zeide Zweder; en terstond begon hij met luider stemme te schreeuwen: “Holland! Holland! Beaumontà la rescousse! Spangen! Ligny! Naaldwijk!” en alle andere namen, die hem voor den geest kwamen, totdat een nieuwe rookkolom hem zoowel het zien als het geluidgeven belette.De rol der Hollandsche benden was nu geheel omgekeerd: en van aanvallers waren zij verweerders geworden. Van alle kanten rukten versche benden van Friezen het plein op: en Deodaat herkende weldra onder hen den Heer van Aylva, die zijn ziekte in de hitte van het gevecht scheen vergeten te hebben, en aan wiens zijde de wakkere Feiko streed, zijn meester nergens verlatende en elken slag, die op dezen gemunt was, van zijn hoofd afkeerende. Vreeselijk woedde de Abt van Lidlum, wiens strijdkolf de zwaarden aan spaanders sloeg en de helmen verbrijzelde of zij van glas waren geweest. Maarook Spangen en de zijnen deden wonderen van dapperheid: en, daar de ruimte van het binnenplein betrekkelijk klein was, deed zulks den strijd minder ongelijk zijn, dan die buiten op het open veld was geweest. Intusschen nam de brand al meer en meer de overhand, en kwam de eene zolder voor, de andere na, met een oorverdoovend gekraak en gedruisch naar beneden. Soms stortte er een lange balk, een gedeelte van het dak, of een brok van den muur op de binnenplaats, die dan Hollanders en Friezen met éénen slag verpletterde en de strijdenden uit elkander deed stuiven, maar slechts om dadelijk het gevecht met eene dubbele woede te hernieuwen. Het was een schouwspel zonder wedergade, om van den toren af op die menschen neder te zien, die zoo nietig en onbeduidend schenen, en die als helsche duivels door de vlammen en den rook heenwaarden en zich onderling vermoordden bij het schijnsel van den brand: het was een akelig geluid, dat noodgeschrei der gekwetsten, dat triomfgebrul der overwinnaars, dat gehuil van den wind, dat gerammel der wapenen en dat sissen en kraken van den brand, dooreengemengeld te hooren!—Eindelijk dreef het geweld der vlam nu den eenen, dan den anderen drom van het strijdperk af; en, evenals ware de dood door het staal verkieslijker boven dien door het vuur, drong men zich al vechtende weder naar de hoofdpoort, of vlood als met onderling goedvinden derwaarts, om, buiten gekomen, het gevecht te hervatten. Weldra zagen de jongelingen niets meer, dan den zwarten rook, die alles gelijk als met een mantel omhulde; en na weinige oogenblikken stortten de beide vleugels en eindelijk ook de kerk in puin en asch naar beneden.De nacht was voorbij: en de zon begon zich alreeds aan den gezichteinder te vertoonen, maar nog was de woede van den strijd niet verminderd. Van het geheele gebouw, dat weinige uren te voren zoo stevig daar neder stond, was bijna niets meer overig gebleven. Alleen de toren stond nog in zijn geheel, die, zwart geblakerd van onder en met zijn door de eerste zonnestralen vergulden koepel op een Afrikaanschen reus geleek, wiens hoofd met een schitterenden helm versierd ware. Ook de vier muren, die, met den toren mede, den noordwestelijken hoek van het gebouw uitmaakten, waren nog gedeeltelijk, hoewel zwaar beschadigd, blijven staan; maar al het overige vertoonde een onkenbaren en verwarden klomp van steen en hout en asch, waarbinnen de vlam smeulde en waaruit hier en daar dwalmende rookwolken naar boven stegen.Het overschot der Hollandsche bende, die buiten het klooster voor de overmacht had moeten zwichten, was wederom binnen den omtrek van het ingestorte puin zijn toevlucht komen zoeken en bood daar een hardnekkigen, maar, helaas! vruchteloozen wederstand. Vergeefs had Aylva, wiens medelijdende ziel niet stemmen kon in den moord van zoovele dapperen, alle pogingen in ’t werk gesteld om hen te bewegen, de wapens neder te leggen; zijn stem was niet vernomen geworden door de Hollandsche krijgsknechten: en de Friezen luisterden niet naar hem, wanneer hij hen wilde aanmanen, den overwonnenen lijfsgenade te schenken; maar sloegen alles doodwat hun voorkwam. Geen deelgenoot van die gruwelen willende zijn, en buiten staat die te beletten, was de Olderman teruggetreden, met het voornemen om te gaan zien hoe het met Beaumont en de zijnen afliep, toen hem vader Syard op zijde kwam, met den angst op het gelaat geschilderd.“Om Gods wil!” zeide de monnik: “mijn Heer van Aylva! hebt gij Ridder Deodaat ook ergens in ’t gedrang opgemerkt?”“Deodaat!” herhaalde de Olderman, verbleekende: “neen! ’t Is waar ook! hij was hier in ’t klooster!—Dat ik hem een oogenblik vergeten kon!”“Hij zal toch, hoop ik, den brand bemerkt en zich naar beneden begeven hebben.”“Dat zou moeilijk geweest zijn,” zeide de vader Guardiaan, die kort daarbij met den Abt gezeten was op een brok steens, waar zij van hun heldendaden uitbliezen: “ik beloof u, ik heb hem wel deftig achter dubbele grendels gesloten: en, al is hij zijn kamerdeur uitgekomen, de trapdeur heeft hij zonder hulp niet kunnen openbreken.”“Hij zal.... wel.... daaronder liggen,” merkte de Abt aan, terwijl hij hijgende op den muur naast den toren wees.“Ongetwijfeld!” hervatte de andere monnik: “de brand is aan de kerkdeur begonnen, die vlak bij de trap is, welke naar de cellen geleidt. Hij zal dus geroost zijn als een braadspiering.”“Maar welk overgroot belang.... hoe! wanneer zal ik mijn adem terugkrijgen?.... welk belang stelt gij toch in dien Deodaat?” vroeg de Abt, zijn onbeteekenende oogen wijd opspalkende en vader Syard aanziende: “ehugh! ehugh!—die vervloekte rook!.... Er zijn er zoovelen gevallen, die zoo goed, ja beter waren dan hij.”“Ik had voor hem moeten zorgen,” zeide de monnik, zonder op de vraag van vader Volkert acht te slaan: “ik heb hem schandelijk vergeten toen het tijd was. O! dat hij nog kon ontkomen zijn.”“En al is hij den brand ontkomen,” zeide Aylva, het hoofd schuddende: “dan heeft hij zich zeker bij zijn wapenbroeders gevoegd en hij is met hen omgekomen: want die vreeselijke jubelkreet achter ons verkondigt mij dat de slachting volbracht is.””’t Is uit!” riep de Lidlummer, die zich op dat zelfde oogenblik op een der puinhoopen vertoonde, waar hij met zijn met bloed en asch besmeerde armen en half verzengd gewaad en aangezicht den genius der vernieling had kunnen voorstellen: “’t Is uit! de laatste man is gevallen. Hoezee voor Friesland!”“Hoezee!” riep al het volk.“Hoezee!” riep een ruiter, die in vollen ren kwam aansnellen. “Martena en de Bloemkampers hebben de zege! Beaumont alleen is het ontkomen, met behulp van den schelm, die zich Aylva’s zoon noemde; maar die een verrader was.”“Met behulp van Reinout!” riep Aylva, de handen wringende.“Hij deed zich zelven recht,” zeide vader Syard: “hij moest een verrader worden.”“Hoe!” vroeg de Olderman, verbaasd opziende: “en wat beweegt u, zulks te vermoeden?”“Ik heb geen vermoedens meer,” zeide de monnik; maar te gelijk wendde hij zich af, bemerkende dat hij te veel ging zeggen; want nu het hem bijna zeker toescheen, dat Deodaat was omgekomen, achtte hij het noodeloos den Olderman het geheim van ’s jongelings geboorte mede te deelen, ten einde hem niet des te meer te bedroeven, indien hij hoorde dat de vermiste zijn zoon ware.“Welke raadsels spreekt gij toch?” vervolgde Aylva; maar voor de monnik kon antwoorden, deed een nieuw geroep van: “kijk die twee! daarboven!” hen beiden het hoofd naar den toren wenden.“Wat duivel zijt gij, Hollanders of Friezen?” riep de Abt van Lidlum aan de beide jongelingen toe: “antwoordt gij niet? nu dan behoeven wij niet verder te vragen.”“Maar hoe komen zij daar?” vroeg vader Volkert: “de toegang tot den toren was immers afgebroken? En wie kunnen het zijn?”Niemand wist deze vraag te beantwoorden; want de afstand belette aan een iegelijk, Deodaat te herkennen, van wien bovendien alleen het bovenste gedeelte van het gelaat zichtbaar was.“Komt dan af, mannen!” riepen de Friezen beneden: “dan zullen wij u vertellen, hoe het met uwe makkers gegaan is.”“Wacht!” riep er een uit den hoop: “wij zullen hen wel doen schreeuwen, indien zij niet spreken willen!” en te gelijk zijn boog spannende, legde hij op het venster aan.“Jawel! zij zullen uwe pijlen afwachten,” zeide de andere: “of zij gek waren! Wat doken zij spoedig weer in den toren terug, toen zij u naar een pijl zagen grijpen.”“Wij zullen hen van daar moeten ontnestelen,” hernam de eerste.“Ja! laat ons in den toren klimmen!” zeide de derde: “een ladder! een ladder! en dan zullen wij hen dwingen, van boven neder te springen.”En dadelijk snelden eenigen binnen de muren der afgebrande kerk, ruimden zooveel zij konden de nog brandende binten en balken uit den weg en kwamen eindelijk, niet zonder moeite, onder den toren, terwijl anderen ladders haalden en die aaneenbonden.“Om Godswil!” zeide Aylva, wien opeens het denkbeeld voor den geest was gekomen, of ook Deodaat wellicht een dier beide personen in den toren wezen kon, en die hierop den woesten hoop gevolgd was: “wat wilt gij doen, vrienden? haalt die lieden van boven; maar doet hun geen leed. Gij hebt u als helden gedragen; gedraagt u als menschen na de overwinning.”Maar niemand sloeg acht op zijn smeekingen: integendeel waren er sommigen, die hem vrij ruw bescheid gaven, en hem vroegen of hij evengoed gezind was als zijn zoon, en de Hollanders verkoos te sparen: ja, het liep zooverre, dat Feiko, die zijn meester niet verlaten had, zich genoodzaakt zag hem bijna met geweld van daar te halen.De toestand van onze beide vrienden in den toren was intusschen alles behalve vermakelijk. Zij hadden het gerucht beneden gehoord, en op de tweede zoldering afgedaald zijnde, bespeurden zij al spoedig dat men zich gereedmaakte, hen in hun hooge schuilplaats te komen bestoken.“Dat begint er slecht voor ons uit te zien,” zeide Zweder, die nu en dan met de noodige voorzorgen naar beneden keek.“Er blijft ons niets over dan om ons ter dood te bereiden,” zeide Deodaat: “en ons leven zoo duur te verkoopen als het ons eenigszins mogelijk is. Wij kunnen althans uit onze hooge standplaats nog eenigen tijd met voordeel het hoofd bieden.”“Dat zal ons weinig baten,” zeide Zweder: “want om hen te bevechten, moeten wij ons vertoonen: en dan staan wij voor hun pijlen bloot. Kom! het is gedaan. Wij overleven de grap niet: en ik zal ons slot van Naaldwijk en mijn lieve moei Ottilia nimmer terugzien. Die goede ziel! zij heeft mij voor mijn vertrek nog een geborduurden hanger vereerd voor mijn dolk. Wat zal zij treuren, als zij hoort dat haar neefje, dat haar altijd zoo plaagde, zoo jammerlijk aan zijn eind is gekomen.”“Arme jongen!” zuchtte Deodaat:—“maar helaas! gij zijt nog gelukkiger dan ik:—want niemand—neen niemand zal mijnen dood beweenen.—Wat zeg ik?—Reinout wellicht.... en misschien ook....”“Ja, welzeker zal zij u ook beweenen,” zeide Zweder, de gedachte van Deodaat aanvullende: “maar wat hamer! laten wij niet dwaas zijn en als kinderen schreien, terwijl er misschien nog redding mogelijk is. Zoolang er leven is, is er nog hoop. Gij noemdet uw vriend Reinout; dat doet mij ergens aan denken. Is hij niet, althans volgens uwe meening, op een dolk naar beneden gereden?”“Hoogstwaarschijnlijk! Maar dat kan ons hier niet baten; want dan vallen wij des te eerder in de handen onzer bespringers.”“Alles moet beproefd worden,” zeide Zweder: en tevens zag hij de opening uit, door welke zij in den toren gekomen waren. Het trapje, de gang en al de zolders aan deze zijde waren ingestort; maar de drie muren van den vleugel waren, gelijk hierboven gezegd is, blijven staan, en verhinderden, dat iemand hen van beneden zien kon. Zweder keek naar beneden; maar de oneffenheden van den muur en de hier en daar vooruitspringende brokken van boog- en muurwerk, die nog aan den toren vast waren blijven zitten, beletteden hier de uitvoering van het ontkomingsmiddel, door Reinout gebezigd. Ook had alleen Zweder een dolk, die door zijn vorm weinig geschikt was om dat middel te beproeven.“Maar gij hebt een touw,” zeide Deodaat.—“Er ware nog mogelijkheid....”“Ik heb het,” riep Zweder, verheugd: “ik heb het.... Wacht! Eerst moeten wij zorg dragen, dat zij ons niet verrassen. Het wordt tijd; want ik geloof waarlijk, dat zij al aan ’t klimmen zijn.”En onder het spreken dezer woorden keerde hij zich om en zag in den toren naar beneden, waar de Friezen reeds een paar aaneengebonden ladders tegen de eerste zoldering aangezet hadden, en zich gereedmaakten, die te bestijgen. Haastig greep nu Zweder de middelste trapladder bij de bovenste sport, rukte die met de kracht der wanhoop uit de krammen, trok haar vervolgens met behulp van Deodaat van haar steunpunt los, hield haar een oogenblik boven den openenkoker verheven en liet toen de handen los. Het lang en zwaar gevaarte stortte naar beneden, verbrijzelde de ladders der Friezen, deed een aantal van hen bloedende en vloekende op den vloer nedertuimelen en sprong zelf tegen de zerken tot spaanders.“Ziezoo!” riep Zweder: “nu zullen zij ons vooreerst met vrede laten. Wat ons betreft, wij moeten denzelfden weg uit, dien wij gekomen zijn. Het smeult en rookt nog wel wat beneden; maar des te beter; zooveel te minder zullen zij ons komen hinderen.”En nu, met spoed het touw losgewonden hebbende, dat hem om het lijf zat, sloeg hij het dubbel om een plank, die hij uit den vloer losbrak, liet de beide einden de opening uithangen en plaatste de plank dwars daarvoor: waarna hij zich naar buiten liet afglijden. Toen hij niet lager kon, en bemerkte dat hij nog ruim twintig voet boven den grond of liever boven het ingestorte puin was, slingerde hij zich op een tegen den muur in een nis gemetseld voetstuk, en klemde zich aan de nog heete krammen vast, welke gediend hadden om een standbeeld tegen te houden, dat half verteerd beneden lag. Deodaat volgde zijn voorbeeld, liet zich insgelijks aan het touw af glijden en stond weldra aan zijn zijde; waarna zij dadelijk het touw naar zich toe trokken en het aan een vooruitspringenden boog nevens hen vastmaakten. Zij daalden hierop lager af, zich nu eens van Zweders strijdbijl, welke zij over de steenbrokken vasthaakten, dan weder van den dolk, dien zij tusschen de openingen staken, bedienende, om de reis naar beneden gemakkelijk te maken.Zij stonden eindelijk boven het rookende puin en door het vierkant der muren voor aller oog verborgen; maar het was er verre af, dat zij zich nu buiten gevaar konden achten. Integendeel, zij hadden slechts het eene met het andere verwisseld. Want vooreerst stond hun elk oogenblik een bezoek der conversen te schromen, die wellicht spoedig zouden komen om den brand te blusschen en te redden wat nog redbaar was: en ten anderen verkondigde hun de onverdraaglijke hette van het brok steens, waarop zij stonden, dat het vuur nog onder hun voeten blaakte en dat zij kans liepen bij een nieuwe ineenstorting van het puin in den gloed te vallen en jammerlijk om te komen. Al trippelende en met verschroeide ledematen sprongen zij van den eenen hout- of steenhoop op den anderen, nu eens op den rechtervoet staande, dan weder, wanneer zij de pijn niet langer verduren konden op den linker rustende: ja somtijds omvatteden zij een over de bouwvallen liggenden en half verzengden balk met beide armen en lieten de beenen hangen, om die een oogenblik rust te gunnen. Opeens deed Zweder een ontdekking, welke hem met blijdschap vervulde. Hij zag namelijk onder zich een donker gat, hetwelk hem toescheen, naar een gewelf te geleiden.“Daarheen!” fluisterde hij, den Ridder aanstootende: en, zich van een omgestorte plank latende afglijden, waren beiden weldra, schoon met deerlijk gebrande handen, nabij de opening.“Hier is de kelder van de vrome vaders,” zeide Zweder: “of ik bedrieg mij grootelijks. Laat ons den ingang onzichtbaar maken, dan houd ik het er voor, dat wij vooreerst gered zijn.”En, de handen aan ’t werk slaande, stapelden zij, hoe pijnlijk hun deze verrichting ook viel, met allen spoed een menigte brokken steens en gezengde balken en planken tegen de opening, alleen zooveel ruimte overlatende, dat zij er op handen en voeten konden binnenkruipen. Een treurige gewaarwording overviel hen, toen zij, bij het opruimen van het puin, op eenmaal twee verzengde lijken, waarschijnlijk van hun makkers, ontdekten.“Die arme halzen!” zeide Zweder: “zij trokken nog kort geleden zoo wakker met mij de kerkramen door.—Maar wacht! zij kunnen ons nog na hun dood van dienst zijn!”—En meteen zich van zijn kuras ontdoende, gespte hij het om een der lijken; terwijl Deodaat, zijn oogmerk radende, zijn pij uittrok en daarmede het andere omhing, waarna zij de twee lichamen aan den voet des torens sleurden en vervolgens in hun schuilplaats kropen.“Ongelukkig,” zeide Zweder, in de duisternis rondtastende, “dat al de wijnvaten hier vandaan zijn gehaald. Mijn keel is even verschroeid als mijn voetzolen en ik gaf het halve erfdeel mijns vaders voor een frisschen dronk, al was het dan ook maar koud water.”“Een krijgsman moet honger en dorst kunnen lijden, mijn goede Zweder!” zeide Deodaat: “en bovendien moet gij u niet te zeer beklagen, dat de wijnvaten weg zijn: wij hebben nu te minder kans, door de dorstige monniken bezocht te worden.”“Dat is waar!” zeide Zweder, terwijl hij zich op den vloer uitstrekte en het heete gelaat tegen den vochtigen grond verkoelde: “want waar iemand zijn schat heeft, daar is ook zijn hart.”Zes-en-dertigste Hoofdstuk.En na veel droefheydt komt een heuchelyck verblydenDoor ’t wercken van de tydt, die alles openbaerdt,Waer door verburghen waerheyts lichte wordt verklaert.Rodenburg, Melibea.Ruim tien dagen waren verloopen, sedert de merkwaardige geschiedenissen hadden plaats gehad, in de vorige Hoofdstukken vermeld. De eerste vervoering van uitbundige blijdschap, door de zegepraal der Friezen verwekt, was voorbij en had plaats gemaakt voor een diepe en plechtige kalmte, gelijk aan die, welke men in de natuur gewoonlijk ziet volgen op het woeden van den storm. Ja het scheen, alsof het gewicht zelf hunner overwinning, die meer volkomen en beslissend geweest was dan de hoogst gespannen verwachting zich had durven beloven, de gemoederen der Friezen vervaarde en ter nederdrukte. Bij verreweg de meesten had het vuur des ijvers, dat na den afloop van den slag in aller oogen fonkelde,en de glans van opgewonden vreugde, welke ieder gelaat deed schitteren, plaats gemaakt voor nedergeslagen blikken, die als het ware vreesden elkander te ontmoeten: en op veler wezenstrekken was angstige bezorgdheid voor de toekomst te lezen. De onversaagde helden, die zoo moedig hun onafhankelijkheid bevochten hadden, geleken thans op vreesachtige schoolknapen, die, na in een opstand hun leermeesters en opzieners verdreven, en zich in hun schoolgebouw achter versperringen verschanst te hebben, van hun wilde verbijstering teruggekomen, met schrik de gevolgen overdenken, waarop hun vermetelheid hun eenmaal zal te staan komen, en gaarne de verkregene lauweren zouden willen afstaan voor de zekerheid van weder in genade te worden aangenomen.Een schouwspel, hetwelk, op den elfden dag na de overwinning, aan Friesland gegeven werd, bracht niet weinig bij, om de algemeene somberheid te vermeerderen. Het was een dier stille en plechtige najaarsochtenden, waarin de sterveling tot ernst gemaand wordt door den aanblik der natuur, aan een grijsaard gelijk, die de dagen zijner jonkheid schijnt te betreuren en zich in het lijkgewaad te hullen, als om den naderenden doodsslaap te verbeiden. De zonnestralen waren aan het gezicht onttrokken door een dichten neveldamp, die als een sluiergaas over het groene veld lag heen gespreid. Treurig en naakt, verhieven hier en ginds enkele slecht opgegroeide boomen hun bladerlooze kruin: geen enkel zuchtje beroerde de oppervlakte der binnenwateren, noch roerde de gerimpelde bladeren aan, die op enkele plaatsen hof en weg als met een goudgelen mantel bedekten. Geen vroolijk gevogelte trok in dit anders zoo levendige jaargetijde door de lucht; alleen brak hier en ginds een raaf, op een staak of boomtronk gezeten, de stilte af met zijn krassend geschreeuw. Een talrijke optocht, voor den dageraad van uit de omstreken van Stavoren vertrokken, en die meer uit beweegbare beelden dan uit levende menschen scheen te bestaan, volgde met langzamen tred den landweg, die langs het vischrijke meer van Parrega, van Workum naar Bolsward geleidt. De visscher, die, in zijn boot staande, bezig was met het ophalen zijner vangst, liet, als de trein voorbijging, zijn net weder vallen, en afvragende, of het ook een legioen van booze geesten ware, dat zoo twijfelachtig door den nevel voorttrok, ontdekte hij zich de kruin en zeide eenpaterop. De doggen, die voor stulp of hoeve waakten, schenen hun anders zoo woeste geaardheid te verliezen en kropen met ingetrokken staart en hangende ooren achter hun meester, die, zelf op zijn erf nederknielende, de gebeden voor de afgestorvenen opzeide en niet opstond, voordat de laatste man van dien talrijken sleep voorbij was. Slechts enkelen wierpen op het treurige schouwspel een blik van zegepraal en hoogmoed; maar weldra gleed een medelijden, waarvan zij zich nauwelijks rekenschap wisten te geven, hun boezem in, en keerden zij huiswaarts, nadenkende over het onbestendige en wisselvallige der ondermaansche zaken.En wel was die optocht geschikt om de zielen tot nadenken te bewegen; want hij was uitgetrokken om een lijkbaar naar de grafplaatste brengen: en in die lijkbaar was het half vergaan en ellendig overschot vervat van Willem, Grave van Henegouwen, van Holland en Zeeland. Wat bleef er van hem, den bedwinger van Utrecht, die, weinige dagen te voren, toen hij het glansrijkste leger ter wisse zege meende te voeren, zich, met een in hem verschoonbaren hoogmoed, den machtigsten aller Heeren, den meester aller soldaten, den evenman der Koningen noemde? Helaas! niets dan een onkenbaar rif, waaraan niet dan met moeite een graf verleend werd. En welke was de vrucht geweest van zijn wakkere oorlogsfeiten, met wier roem hij de wereld vervuld had?—Geen andere, dan dat hij een schatkist achterliet, berooid en uitgeput door de ondernemingen, waartoe hem zijn staatzucht vervoerd had, en een erfgoed, over welks bezit een twist stond uit te barsten, die eeuwen lang na hem zou blijven woeden, en Holland tot een eindelooze bron van bloed en tranen verstrekken moest.De trein, die het lijk vergezelde, was tot Workum toe voorafgegaan door de geestelijken van Sint-Odulf, wier parochiaal toezicht aldaar een einde nam. Daar ter plaatse waren zij in de achterhoede teruggevallen, hun plaats overlatende aan de monniken van Bloemkamp of Oldeklooster, die, door de banier- en kruisdragers voorafgegaan, en het hoofd met hun kappen bedekt, langzaam vooruittraden. Een vreemdeling, die hun deemoedige, eerbiedige houding en hun naar den grond geslagene blikken aanschouwd had, zou zich niet hebben kunnen voorstellen, die zelfde lieden te zien, welke kort te voren, met de wapens in de hand, bij trompetgeschal ter slachting trokken en met onmenschelijke woede hun weerloozan vijand ontzielden, ja nog na zijn dood mishandelden, die zelfden, die wellicht eenen dag daarna opnieuw naar het moordtuig zouden grijpen, om hun wapenbroeders van de vorige maand met een binnenlandschen krijg te bezoeken.Na hen kwam, gevolgd van een deel zijner Ridders, de Commandeur der Sint-Jans-Ridders te Haarlem, Heer Hugo van Koukerk. Hij was het, die, zoodra de ontzettende maar der nederlaag Holland in rouw was komen dompelen, zich naar Friesland begeven had, om voor de in den strijd gevallene helden een eerlijke begrafenis te verzoeken. En, wat vreemder scheen, hij was het, die aan de overwinnaars de eerste tijding bracht, dat de Graaf zelf zich onder de gesneuvelden bevond; want niemand had zich aldaar over den rang of de hoedanigheid der omgebrachte vijanden bekommerd, die door het woedende gepeupel eerst naakt waren uitgeschud en vervolgens op hoopen gestapeld, om op het slagveld te blijven rotten:—een wreedaardig gebruik, waarmede de Friezen, evenals vroeger de Germanen, zoozeer gehecht aan lijkplechtigheden wanneer het hunne eigene dooden betrof, gewoon waren hun verachting voor hun vijanden uit te drukken.Het was dan ook alleen het lijk des Graven, hetwelk de Friezen, op het smeeken des Commandeurs en op de voorbede van een nog hoogeren persoon (dien wij straks terug zullen vinden) besloten aan een gewijde aarde te schenken: en nog zelfs te dezen opzichte konde Haarlemmer zijn wensch slechts ten deele bereiken: want men wilde hem niet toestaan, het overschot zijns meesters met zich te voeren, en men bepaalde, dat het als een blijvend pand en gedenkteeken der overwinning, in een der Friesche kloosters, en wel in dat van Bloemkamp, zou begraven worden. Lang duurde het, eer men het misvormde lijk van onder den stapel der half bedorven lichamen had teruggevonden: en de oogen der vriendschap konden hun tranen niet bedwingen, toen het Koukerk eindelijk te beurt viel, zijn voormaligen meester aan de lange, golvende haarvlechten, welke hem aan den bloedigen schedel kleefden, te herkennen.Achter de lijkbaar, welke met een effen zwart kleed overdekt, en zonder eenig praalteeken, op eenige overdwars geplaatste lansen rustte en door een twaalftal knapen werd gedragen, volgden eenige lieden, zoo te paard als te voet, allen bedekt met rouwkappen, welke hun gelaat aan ieders oog onttrokken. De meesten van hen waren Friesche Edelen, die of, gelijk Aylva, Martena en anderen, grootmoedig genoeg waren om aan hun vijand de laatste eer te willen bewijzen, of die door het bijwonen der lijkplechtigheid hun eigenliefde en hoogmoed gestreeld vonden. Maar er bevonden zich ook enkele Hollanders bij, die ter liefde van hun Graaf waren overgekomen en, na vrijgeleide bekomen te hebben, door hun Friesche bekenden met de meest voorkomende gastvrijheid waren ontvangen. Er was onder hen een grijsaard, gelijk men aan gang en houding bespeuren kon, maar die nog meer door het verdriet dan door het gewicht der jaren leed: de oude Paypaert, de Wapenkoning van Holland. Het was niet slechts de dood zijns meesters, welke hem zoozeer bedroefde; want hij had reeds te veel Heeren naar hunne laatste stede begeleid, dan dat hem de dood van dezen zoo diep zoude treffen, neen! zoo hij in sprakelooze wanhoop voorttrad, het was omdat hij geheel vruchteloos was overgekomen, omdat hij, aan wien bij de begrafenis van zoovele vorsten altijd het opperbestier was opgedragen geweest, zijn aanspraak op dat recht door de Friezen had zien tegenspreken of verachten, en gedwongen was een lijdelijk aanschouwer te zijn van de in zijne oogen onbetamelijke, ja schandelijke wijze, waarop men een Vorst als Graaf Willem naar het graf voerde. Zoolang echter de plechtigheid duurde, gaven alleen zijn somber gelaat en neergeslagene oogen het ongenoegen en de smart te kennen, die hem vervulden; want het druischte natuurlijk tegen al zijn beginselen aan, gedurende een lijkdienst te spreken; maar toen hij de reize huiswaarts aannam, en zich niet langer behoefde te bedwingen, liet hij niet af van zich bij zijn reisgenooten te beklagen: en toen hij zelf kort daarna (waarschijnlijk aan de gevolgen van verkropte gramschap) overleed, waren zijn laatste woorden, dat het land te gronde ging, nu men had kunnen dulden, dat de laatste Vorst als een gewone dorper was onder den grond gestopt.De monniken van Sint-Odulf sloten, gelijk wij reeds boven hebben aangemerkt, den trein, die bovendien vergezeld werd door een bende welgewapende ruiters, ten einde te verhoeden, dat niet het grauw in blinde woede zijn wraak nog aan het overblijfsel desGraven koelde, of op een andere wijze de plechtigheid stoorde. Deze voorzorg bleek echter onnut te zijn; want alles liep rustig en betamelijk af.Het begon reeds avond te worden, toen de stoet den eindpaal van zijn tocht bereikte, zijnde het Oldeklooster, dat, gelijk bekend is, in de nabijheid van het oude dorp Hartwert, een uur gaans ten noordoosten van Bolsward aan den oever der Middelzee gelegen was. Daar wachtte een groote schaar van toeschouwers buiten het erf, en de Abt Meikulfus met zijn geestelijken op den dorpel, het lijk des Graven af, dat terstond binnen de kerk gedragen werd, alwaar de lijkmis gevierd moest worden. Hij, die het bestier dezer plechtigheid zou voeren, en in zijn plechtgewaad uitgedost achter het outer stond, was geen minder persoon dan de Bisschop van Utrecht zelf. Sierlijk staken de fraaie houding en edele gelaatstrekken des gemijterden jongelings af tegen de grove gestalte en het plompe uitzicht van den Abt van Lidlum, tegen de logge gedaante van Vader Volkert, tegen de onbeduidende, boersche figuren der kloostervoogden van Luidinga-kerke, Mariëngaarde, of andere gestichten, die hem omringden, en tegen het ineengedrongen, onbeschofte voorkomen des Bloemkampers, die tegenover hem met het lijk aankwam. Jan van Arkel had, een paar dagen na den slag bij Stavoren, en zoodra hij vernam dat Friesland rustig was, van uit de Kuinder, waar hij (gelijk wij hierboven vermeld hebben) zijn intrek genomen had, eenige geestelijken aan de overwinnaars gezonden om hun zijn gelukwenschingen over te brengen en tevens voor ’s Graven lijk een eerlijke rustplaats te verzoeken: terwijl hij zelf kort daarna in Friesland verscheen, en aldaar de kloosters met menig voorrecht begiftigde. Hoewel het bijna aan niemand onbekend was, dat hij den Graaf op zijn tocht vergezeld en hem hulp toegezegd had, was er echter niemand, die hem dienaangaande eenig verwijt dorst te doen; want eensdeels had hij iets zoo gulhartigs en oprechts in zijn voorkomen, dat men, hem hoorende spreken, zich tegen beter weten aan gedwongen gevoelde, zijn betuigingen voor goede munt aan te nemen: en ten anderen waren, zooals vroeger gezegd is, de Friezen over hun overwinning versuft: de Stellingwervers en het Oversticht waren gewapend: en men wilde Jan van Arkel liever tot vriend dan tot vijand hebben.Welke waren de gevoelens, die het hart des Bisschops vervulden, toen hij het gewijde nat over de doodbaar en het graf zijns vijands sproeide, of toen hij, nedergeknield, den plechtigen lijkdienst voor de rust van Willems ziel bestuurde? Het is aan niemand gegeven, des menschen boezem te peilen; maar zoo andere gemoedsbewegingen, dan die met het heilige werk, dat hij verrichtte, overeenstemden, de ziel van Arkel bewoonden, de kalme en in zich zelf gekeerde uitdrukking van zijn gelaat verraadde die niet. Hij scheen tot het einde toe doordrongen te blijven van het gewicht zijner bediening en van het plechtige des oogenbliks. Niemand intusschen kon hem van huichelarij betichten: want er vloeide geen valsche traan langs zijn wangen; en toen hij na afloop van den dienst en aan het daaropvolgend lijkmaal, over den afgestorvene eenige woorden sprak, weidde hij niet over ’sGraven hoedanigheden uit; maar vergenoegde zich, op een ernstige en gepaste wijze zijn toehoorders over het nietige van alle aardsche grootheid te onderhouden.Terwijl dit binnen de muren van Oldeklooster voorviel, was het verdrag van Utrecht verbroken, en liepen ’s Bisschops dienstmannen Holland af, zich weder van de veroverde plaatsen meester makende en het land brandschattende.Wij moeten ons thans verplaatsen in de groote stins van Aylva bij Scadaert in Wonseradeel, waarheen zich Madzy kort na den slag bij Stavoren begeven had, ten einde de besmetting te ontwijken, welke men vreesde, dat de verpestende lucht der rottende lijken in den omtrek van genoemde stad zou teweegbrengen. Van dit nieuwe verblijf der Jonkvrouw waren wij voornemens een uitgebreide en ongetwijfeld hoogst belangrijke beschrijving te geven, waartoe de bouwstoffen reeds gereed lagen; maar de vrees, dat onze bescheidene lezer (bemerkende dat hem slechts weinige bladzijden meer ter inzage overschieten, en zoo al niet naar de ontknooping, dan althans naar het einde verlangende) met die beschrijving een weinig vrijer zou kunnen omgaan, dan voor onze eigenliefde streelend ware, namelijk: dat hij die geheel mocht overslaan, heeft ons doen besluiten omtrent deze stins van Aylva niets anders te zeggen, dan dat het een oud, ruim, hecht en weldoortimmerd Huis was, met zijn torens, ophaalbrug en gracht, naar den Saksischen trant gebouwd, en, de tijden in aanmerking genomen, van binnen met smaak en pracht gemeubileerd. Voor ’t overige was het, uithoofde eener oude gehechtheid, Aylva’s geliefkoosd verblijf, ofschoon deze eigenlijk, gelijk wij hoogerop verhaald hebben, zijn meeste goederen en betrekkingen in Oostergoo had, waar hij insgelijks een paar kleiner stinsen bezat.Op den morgen dan na de hierboven beschrevene plechtigheid, was Madzy met vader Syard in de gewone huiskamer van gemelde stins gezeten. Zij scheen door eene diepe smart ter neergedrukt en slechts onwillige ooren te leenen aan de woorden van vertroosting, welke de monnik tot haar sprak. En waarlijk, haar droefheid was van dien aard, dat alleen een sterk gestel haar in staat kon stellen die te verduren zonder tot ijlhoofdigheid te vervallen; want de tijding, welke die veroorzaakt had, zoowel als de omstandigheden, waarmede die gepaard ging, waren treffend en hartverscheurend. Wij hebben vroeger verhaald, hoe Daamke van Reinout last bekomen had, om het geschrift, dat op een zoo zonderlinge wijze uit zijn tooverkast was te voorschijn gekomen, aan Aylva te bezorgen. De moed van den goeden hansworst was intusschen niet verheven genoeg, om hem aan te drijven den Olderman te Stavoren of te Sint-Odulf te gaan opzoeken, en alzoo nieuwe tooneelen van moord in den mond te loopen, waarvan Daamke uit zijn aard afkeerig was. Hij koos dus liever een omweg, en alle aanraking met krijgslieden vermijdende, reed hij bedaard heen naar Awert-State, waar hij voornemens was Aylva af te wachten. Madzy, die aldaar reeds bezigwas met het verplegen van eenige derwaarts gebrachte gewonden, had zoodra de komst van Reinouts dienaar niet vernomen, of zij liet hem voor zich verschijnen, ten einde eenig bericht aangaande den slag te ontvangen: en misschien ook wel, om hem te ondervragen betreffende hetgeen haar door vader Syard was medegedeeld. Nauwelijks had Daamke haar het verlangde verslag gedaan, en haar, onder vele betuigingen van verbazing over Reinouts gedrag, hetwelk hij aan ijlhoofdigheid toeschreef, bericht gegeven van zijn boodschap aan den Olderman, of zij verlangde den brief te zien; en, hoewel den inhoud, die in de Italiaansche taal geschreven was, niet verstaande, bemerkte zij dadelijk aan de onderteekening, dat dit stuk hetzelfde moest zijn, waarvan de monnik met haar gesproken had. Ontzet over het gevaar, dat Deodaat boven het hoofd hing (want zij had van verre Sint-Odulf zien branden) en het hart door het pijnlijkste voorgevoel beklemd, gaf zij last aan Daamke, zich onmiddellijk naar Stavoren te begeven, den Heer van Aylva op te zoeken en hem den brief ter hand te stellen; maar op dit zelfde oogenblik kwam haar voogd terug, die, zooals wij gezien hebben, zijns ondanks door Feiko was overgehaald Sint-Odulf te verlaten, en haar, terwijl zij nog bij zich zelve overdacht hoe zij het aan zou vangen om hem den brief mede te deelen, het treurige bericht gaf, dat Deodaat naar alle waarschijnlijkheid in den brand van Sint-Odulf was omgekomen. Hoe verplet over deze maar, welke al de zoete uitzichten van geluk, die een oogenblik te voren haar voor den geest gezweefd hadden, ter neder wierp, behield Madzy echter kracht van ziel genoeg om te beseffen, dat in deze omstandigheden het reeds zoozeer geschokt gestel van haar voogd voor nieuwe ijselijkheden gespaard moest blijven: ja, dat het hem wellicht een instorting en het leven kosten zoude, indien hij thans vernam, dat die Deodaat, wiens dood hij betreurde, geen vreemdeling, maar zijn zoon was geweest. Zij zweeg dan en legde aan Daamke (die buitendien niets wist) het stilzwijgen op: zij bedwong, zooveel dit in haar vermogen was, de aandoeningen harer ziel, terwijl de tranen die zij stortte, door Aylva niet ten onrechte aan haar liefde voor den overledene werden toegeschreven en met welwillendheid verschoond; hij toch kon zich die te beter verklaren, daar hij zelf, zonder de reden daarvan te beseffen, meer leed gevoelde over het lot van Deodaat, dan over het gedrag van Reinout. Dit laatste werd, als te denken valt, door de overige Friezen met den naam van afschuwelijk verraad bestempeld; maar Aylva verschoonde het, uithoofde van ’s jongelings vroegere betrekking met Beaumont: ja zelfs beurde hem het denkbeeld eenigszins op, dat de jongeling, wien hij zich nog niet had kunnen gewennen als zoon lief te hebben, hem voor altijd verlaten had: en Madzy’s eenige troost in al haar lijden was de zekerheid, dat zij de aanzoeken van dien minnaar niet meer te vreezen had: terwijl het haar voorts eenigszins welkom was, dat de Olderman, ten gevolge der landsaangelegenheden, meest van huis was, en zij in eenzaamheid aan haar droefheid den vrijen loop kon laten.Vader Syard was de eenige, die van het vreeselijke geheim bewustwas en den toestand kende van Madzy’s hart. Hij was op den avond na de slachting te Sint-Odulf op Awert-State gekomen en had aldaar Madzy’s voornemen, om het geheim voor Aylva te verzwijgen, vernomen en goedgekeurd. De aanleiding zijner tegenwoordige komst op Aylva-stins was, om haar mede te deelen, dat het, na vele nasporingen, aan de arbeiders eindelijk gelukt was, het lijk van Deodaat terug te vinden, en dat wel aan den voet des torens, waaruit het hem, vader Syard, thans vermoedelijk voorkwam, dat de jongeling zich had nedergestort: dat men hem herkend had aan de koopmanspij, welke hij aanhad bij zijn komst te Stavoren; doch dat het gelaat onkenbaar was geworden door het vuur: dat wijders op het erf zelf van het klooster op last van den Abt een diepe kuil gegraven was, waar al de binnen den grond van Sint-Odulf gesneuvelden een rustplaats zouden hebben, en dus, hetgeen Madzy zeker tot vertroosting zijn zou, in gewijden grond. De vrome man beloofde daarenboven aan de bedroefde Jonkvrouw, dat hij, ingevolge hare bede, zorg zoude dragen, dat er zielmissen voor den overledene gelezen werden, ter vergelding waarvan zij hem een aanzienlijk geschenk toezeide ter opbouw van het klooster. Tevens gaf hij haar zijn verwondering te kennen, dat de Heer van Aylva, wien hij nu en dan ontmoet had in de te Stavoren en elders gehouden bijeenkomsten, zich niet meer over Deodaat had uitgelaten, dan eens, wanneer hij den monnik had te kennen gegeven, dat, hoe bejammerenswaardig een dood de jongeling gestorven ware, het lot van dezen toch niet verbeterd zoude geweest zijn, al ware hij voor de vlammen gespaard gebleven; vermits hij dan voorzeker een slachtoffer van de volkswoede geworden ware.Terwijl zij aldus te zamen den droevigen loop bejammerden, welken de gebeurtenis genomen had, verkondigde het gerucht van paarden op de slotbrug de terugkomst des Burchtheers van het lijkfeest; en weldra trad deze binnen met den Abt van Sint-Odulf.“Gij wachttet den ouden Heer zoo spoedig niet te huis, mijn kind!” zeide vader Volkert, naar Madzy toetredende en haar onder de kin streelende: “wij hebben ook niet lang getafeld. Slechts even twaalf uren: ’t Is waarlijk de moeite niet waard, om er voor aan te zitten:—nu, ’t was ook slechts voor een Hollander; en dan met een Bisschop tot voorzitter, die geen Fries is, en niet met de gebruiken bekend. Hij weet zijn gasten niet aan den gang te houden. ’t Is anders een hupsche borst onze Hoogwaardigste.... Sint-Odulf vergeve mij dat ik zoo van hem spreke; maar hij is vriendelijk en innemend:—ofschoon ik hem net zooveel vertrouwen zoude als een kat in een bontwerkerswinkel:—maar van een lijkmaal te bestieren, daar heeft hij nog geen verstand van. Dan ging het anders, toen Seerp Van Adeelen begraven werd: dat duurde drie dagen: en van de honderd personen, die er onthaald werden, gingen er geen vijf op hun beenen naar huis.—Zoo! en broeder Syard ook hier! ’t Is of gij het geraden hadt, Broeder! dat ik herwaarts komen zou.”“Uw Eerwaarde had mij gelast, rond te reizen, ten einde giften in te zamelen bij geloovigen, ter herbouwing van ons gesticht,”zeide de monnik: “en het is mij aangenaam u te kunnen mededeelen, dat ik hier, wel niet buiten, maar toch boven verwachting geslaagd ben.”“Zeer goed! daar twijfel ik niet aan,” zeide vader Volkert, zich nederzettende: “liefdadigheid is altijd een deugd van ons lief Dekamaasch Roosje geweest. Maar komaan, mijn engeltje!” vervolgde hij op een vroolijken toon (want de wijn van het lijkmaal, al had dit te kort naar zijn zin geduurd, was echter goed genoeg geweest om hem in een vroolijke luim te brengen): “gij moet u wat opbeuren; indien gij zoo droevig kijkt, en uw wangen zoo bleek blijven zien, zouden wij genoodzaakt zijn u in ’t vervolg de Lelie van Dekama te noemen: en dat ware jammer;.... hoewel misschien meer naar den aard; want gij voert toch een lelie in uw wapen.”“Bevindt gij u ongesteld?” vroeg Aylva, Madzy met deelneming naderende en haar de hand drukkende.“Wel, zou dat wonder wezen?” zeide de Abt: “’t is ook wat erg, zoo twee vrijers op éénen dag te verliezen. ’t Is waar, uw zoon kan nog terugkomen, ofschoon ik hem tegenwoordig niet raden zoude, zulks te beproeven; want hij heeft het hier leelijk laten liggen (met verlof gezegd, en zonder u te beleedigen); maar Seerp Van Adeelen is dood en blijft dood. ’t Is jammer, hij was in den grond een goede vent, en een echte Fries, maar koppig als een stier; daar weten wij best van te spreken, mijn vriend Aylva en ik: hij was lastig genoeg op reis; maar dat alles daargelaten, kindlief, gij moet u wat opvroolijken, zooals ik zeide: denk maar aan de oude profetie: het is immers alles uitgekomen, en volgens de laatste woorden, moet het u nu weer goed gaan; want de plunje des Graven is de roof der Friezen geworden.”“Helaas!” zeide Madzy, terwijl zij het hoofd weemoedig schudde en haar bleek gelaat treffend afstak bij de karmozijnkleur, die op de wangen des kloostervoogds prijkte: “ik vrees, dat het laatste gedeelte der voorspelling alleen onvervuld zal blijven.”“Toch niet, mijn hartje! toch niet.—Maar van wat anders: gij moet mij eenige windsels bezorgen en wat boter, eierdooren, nieuwe was en saffraan, tot een zalf voor twee onzer monniken, die beneden zitten en zich bijna niet kunnen verroeren van de blaren aan handen en voeten, ten gevolge van den brand van Sint-Odulf.”“Ik zal dadelijk aan uw verlangen voldoen,” zeide Madzy, zich gereedmakende om te vertrekken.“Een oogenblik, mijn kind!” zeide Aylva, haar terughoudende; “het is onnoodig, dat gij u daarmede bezighoudt. Ik heb reeds aan Feiko en aan Sytsken gelast, daarvoor te zorgen.”“Hoe, mijn waarde voogd?” zeide Madzy, verbaasd stilstaande, want het was de eerste reize, dat de Olderman haar beletten wilde, een liefdewerk in persoon te verrichten.“Hoe!” herhaalde de Abt: “maar ’t is waar ook, ik dacht er niet aan, dat de twee gebrande broeders nog gezond van harte zijn, en dat, zoo de Jonkvrouw zelve hen ging verbinden, de wondheelster wellicht nog meer nadeel zoude doen dan de wond.Ne nos inducas....’t Is waar ook, maar één ding moet ik toch bij deze gelegenheid zeggen, Heer Olderman! dat gij namelijk dien schurk van een lapzalver (Daamke, geloof ik, is zijn naam) uit uw dienst moet jagen; of dat wij het geestelijk zwaard tegen hem zullen uittrekken.”“Tegen Daamke!” herhaalde Aylva: “en wat heeft die arme duivel bedreven?”“Met recht noemt gij hem een duivel; althans hij is van degenen, die den satan, den verleider, dienen en hulp van hem afbidden om kwalen en ziekten te genezen, verwerpende de middelen, die van God gezegend zijn en in ons klooster (of nu, och arm! buiten ons klooster) worden bereid ten dienste van kranksn en gewonden. Heeft hij zich niet onderstaan, de verworpene die hij is, twee van mijn conversen, waarvan de eene een balk op zijn schouder gekregen en de andere zijn dij deerlijk gebrand had, te herstellen met een Italiaansche tooverzalf, die zeker in de apotheek van den kwaden vijand is klaar gemaakt?”“Ik heb het middel onderzocht,” zeide broeder Syard: “het komt mij voor, niets anders geweest te zijn, dan wat spek en laurierbladen.”“Wie had u opgedragen, u met dat onderzoek te belasten?” vroeg de Abt eenigszins ontevreden: “om ’t even wat men u vertoond heeft: ik zeg alsnog: er zijn duivelsche ingrediënten bij. Denken wij altijd:libera nos a diabolo: verlos ons van den Booze.—Maar, om van dien verwaten mensch af te stappen: gij zijt altijd netjes en keurig als een serafijntje, Freule! maar heden toch zullen de beste pronksieraden uit de kas dienen voor den dag te komen; want het is geen gewoon bezoek, dat op Aylva-stins verwacht wordt.”“Geen gewoon bezoek!” herhaalde Madzy: “en wie kan er dan komen voor wien ik mij meer zou moeten opschikken, dan voor uw Eerwaardigheid?”“Het is zooals de vrome vader zegt,” zeide Aylva: “de Bisschop van Utrecht zal onze nederige woning met een bezoek vereeren, en wij zullen dus eenige schotels meer aan den disch moeten hebben.”“De Bisschop!” herhaalde Madzy, verbleekende: “de Bisschop van Utrecht!”“Nu ja!” zeide de Abt: “gij behoeft daar niet zoo voor te schrikken: ’t is geen oude weerwolf, die u aan zal zien alsof hij u wilde verslinden; maar een aardig, beleefd jonkman, die zijn woord wel weet te doen:—’t zou mij niet verwonderen, zoo hij dames medebracht; want er is heden een heel troepje vrouwlui te Bolsward aangekomen; en zoo ik hoor, vroegen zij naar den Bisschop.”“Hij zal zijn bijzitten toch niet hier brengen!” mompelde Aylva binnensmonds:—“maar neen; dat kan niet zijn. Een Arkel heeft daartoe te veel gevoel van betamelijkheid.—Nu Madzy!” vervolgde hij overluid: “doe uw best, mijn kind! want ik verzeker u, de Bisschop is een kenner aan tafel en weet over pastijen en taarten te redeneeren als de beste kok.”“Ik zal.... ik zal uwe bevelen volgen....” stamelde Madzy:“maar ik vrees.... zoo slechts de tijd mij niet ontbreekt.... Heilige Maagd! wie kon dat verwachten?”“Wat verwachten?” vroeg Aylva, verwonderd; maar dadelijk voegde hij er met minzaamheid bij: “’t is of gij angst hebt voor de komst van iemand, die u geheel onbekend is. De Bisschop weet, dat gij onvoorbereid zijt: hij zal het eenvoudige voor lief nemen. Maar hoor! men blaast aan de slotbrug: daar is hij zelf.”“En een half dozijn vrouwspersonen met hem,” zeide de Abt, uit het venster ziende: “wat heb ik u gezegd?”“Waarlijk?” riep Aylva misnoegd uit: “dat had ik niet van hem verwacht.”“En dit is de man, die tucht in onze kloosters zou brengen,” zuchtte vader Syard.Eenige oogenblikken gingen voorbij, waarin elk der aanwezigen een diep stilzwijgen bewaarde. Aylva stond midden in de zaal, in de houding van iemand, die gasten ontvangen gaat, welke hem slechts half welkom zijn; maar ten opzichte waarvan hij de vereischte beleefdheid dient in acht te nemen: de Abt was bezig om zijn gewaad, hetwelk nog bestoven was van de reis, met een schuiertje op te knappen. Madzy stond als aan den grond genageld, onzeker of zij gaan of blijven zoude: en vader Syard was in een donkeren hoek teruggetreden, nieuwsgierig om te zien, welke houding Arkel zoude aannemen, maar toch gereed om, zoodra hij zulks gevoeglijk doen kon, het vertrek te verlaten.Eindelijk gingen de dubbele zaaldeuren open en de Bisschop trad binnen; maar zonder eenig gevolg. Hij groette Aylva met wellevendheid, schudde den Abt op een gulle wijze de hand, en zich vervolgens tot Madzy wendende, boog hij het hoofd, zonder dat een enkele trek op zijn gelaat verried, dat hij haar vroeger gekend had.“Deze is ongetwijfeld de erfdochter van Dekama,” zeide hij, met een vriendelijken blik tot den Olderman: “voorwaar! wie haar aanziet, kan gemakkelijk besluiten, dat zij niet langer onder uwe voogdij zal behoeven te blijven, dan zij zelve verkiezen zal.—God zegene u, mijn dochter!”Madzy boog zich, zonder nauwelijks het oog te durven opslaan: zij kon bijna niet gelooven, dat de man, die voor haar stond, in geestelijk gewaad gedost, en die op een zoo minzamen en bedaarden toon tot naar sprak, dezelfde opbruisende jongeling ware, die te Utrecht aan haar voeten had gelegen. Eindelijk waagde zij het, naar hem op te zien: inderdaad, zij kon Arkel bijna niet herkennen, zoo geheel veranderde hem zijn tegenwoordige kleeding, bestaande uit een reismantel en kap van best Haarlemsch linnen, dat in breede, niet onbevallige plooien om zijn welgevormde leden hing: en waaronder hij, in weerwil van de verbodswetten en kerkelijke verordeningen, een zijden kleed droeg, rijkelijk met bont geboord, en van voren met een juweelen gesp gesloten. Een oogenblik nog twijfelde zij, of haar Stichtsche minnaar zich wellicht een waardigheid had toegekend, welke hij niet bezat; maar toen hij, om haar verlegenheid en op het zien van de gebaren van vader Volkert (die, achter Aylva om, nietophield van haar wenken te geven, dat zij voor den Bisschop knielen en zijn zegen af moest smeeken), den glimlach niet bedwingen kon, die op zijn lippen zweefde, toen hield alle twijfel bij haar op.
1Zie bl.65.
1Zie bl.65.
Dit, leider! was een nacht vol ramps, vol ongevals.Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.
Dit, leider! was een nacht vol ramps, vol ongevals.
Dit, leider! was een nacht vol ramps, vol ongevals.
Dit, leider! was een nacht vol ramps, vol ongevals.
Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.
Het ware moeilijk, een juiste beschrijving te geven van de gewaarwordingen, welke Deodaat bezielden gedurende de eerste uren, die hij doorbracht in de eenzame cel, waarin men hem had opgesloten. Het waren beurtelings, wrevel over het mislukken zijner onderneming, hetwelk hij zich zelven toeschreef: blijdschap over zijn verzoening met Reinout: ongerustheid over het lot der vloot, welke hij begreep dat het met den storm, die den kerktoren schudden deed, erg genoeg moest hebben: angstige zucht om te weten, of zijn eeuwig dierbare Madzy en haar achtingswaardige voogd ook aan eenig gevaar zouden blootgesteld zijn: dankbaarheid aan zijn Beschermheilige, die hem het leven gered had: in één woord, een mengeling der meest tegenstrijdige gevoelens. De storm echter, die nog zonder ophouden woedde, nam eindelijk zijn aandacht geheel in: en vurig zoude hij gewenscht hebben, het natuurtooneel te beschouwen, dat zich buiten liet zien; maar deze wensch was ijdel; want de cel, waarin hij gezeten was, had geen ander uitzicht dan op een nauwe binnenplaats, rondom door zulke hooge muren omgeven, dat men niets van de lucht gewaar kon worden en alleen het gekletter der buien hooren, die daar binnenvielen.
Later, toen het weer eenigszins begon te bedaren, troffen de psalmen, die in de kerk werden aangeheven, zijn oor; doch zoo nauw, dat hij zich vruchteloos inspande om de wijs te vernemen: vermoeid en afgemat strekte hij zich eindelijk uit op de houten legerstede, daar hij tot nu toe op gezeten had, en poogde te slapen; maar nauwelijks was hij even ingesluimerd, of een nieuw gedruisch wekte hem. Hij luisterde: men liep de gangen en vertrekken van het klooster op en neder: onder, boven hem, aan alle kanten dreunden de stappen der monniken door de gewelven, met meer drift, dan men zulks van stille kloosterbroeders zoude verwacht hebben. Dit deed hem met reden oordeelen, dat er iets buitengewoons moest plaats hebben:—en weldra zag hij zijn vermoeden bevestigd, toen hij trompetgeschal vernam, en kort daarna bespeurde, dat men bezig was het klooster te beleggen. O! hoe onverduurbaar werd toen de toestand van denwakkeren Ridder. Daar buiten, dit wist hij, daar streden zijn wapenbroeders! En hij, hij moest werkeloos in zijn cel blijven en mocht niet in hun gevaren deelen! Ja, zijn gegeven woord verbood hem, de deur open te trappen en zich met de strijdende drommen te vereenigen! Dit denkbeeld ontvlamde zijn spijt: en stampvoetende liep hij als een zinnelooze het enge verblijf, dat hem besloot, op en neder.
Lang reeds had hij in een staat van opgewondenheid verkeerd, die aan verbijstering grensde, toen hem opeens door het tralieraam een brandlucht tegenwoei, die weldra gevolgd werd door geheele rookwolken, die voorbij het venster opstegen. Nu ijsde hij: het klooster was wellicht in brand gestoken!—En hij zoude het weerlooze slachtoffer worden! Hij zou een dood zonder eer, zonder glorie sterven! Dit denkbeeld was hem onverdraaglijk. De iederen sterveling ingeschapen zucht tot zelfbehoud deed hem terstond besluiten zich uit dezen toestand te verlossen, en zijn cel, het mocht kosten wat het wilde, onmiddellijk te verlaten. Hij had wel zijn woord van eer gegeven niet te zullen ontvluchten; maar hij had geenszins beloofd in de hem aangewezen kamer te zullen blijven, vooral wanneer hij kans had daar levend geroost te worden. Al zijn krachten dus inspannende, trapte hij zoo lang op de deur, welke hem den uittocht belette, tot het paneel aan stukken sprong en hij zich er door kon werken. Nu stond hij in de gang, en ijlde naar de deur, die aan het einde geplaatst was: helaas! deze was gesloten: en al de pogingen, die hij aanwendde, toonden hem slechts zijn onmacht aan, om die te verwrikken. Hij keerde terug om een anderen uittocht te vinden: links van hem was niets dan een blinde muur; rechts cellen, gelijk die welke hij verlaten had, waaruit de deuren waren weggenomen, en die in stede van ramen slechts met hooge luchtgaten voorzien waren. Aan het andere einde van de gang was, ja, een venster, maar met dikke bouten er voor, welke alle denkbeeld van ontkoming wegnamen. Hij plaatste zich echter daarvoor, ten einde te ontdekken, wat er gaande was en of er een wezenlijk gevaar voor hem bestond;—want hoewel nog opgesloten, zijn ongerustheid was eenigszins verminderd, sedert hij zich in een grootere ruimte bewegen kon. Hij werkte zich dan met behulp der ijzeren bouten tegen het hooge venster op, en poogde zoogoed hij kon naar buiten te zien; maar de duisternis liet hem niets anders bespeuren, dan den kloostermuur aan de overzijde der groote plaats, waarop het venster uitzag, en de lucht daarboven. Het krijgsgedruisch vermeerderde intusschen: en weldra zag hij een schouwspel, dat hem met ijzing vervulde. De muur tegenover hem en het dak daarboven werden door een rooden, flikkerenden vuurgloed verlicht: wolken rooks stegen dwarrelend van uit de binnenplaats naar boven: en door dien rook henen bewogen zich in de dakgoten eenige strijders, als zoovele fantastische schimmen. Het waren gedaanten van monniken, waaronder hij nu en dan de welgevulde gestalte van vader Volkert meende te herkennen: het waren krijgslieden in ’t harnas en met vlammen op het hoofd en in de hand (want de weerkaatsing van den brand verwekte dit optisch bedrog), die als in de lucht handgemeen waren: en die gedaanten streden envluchtten voor elkander, en bewogen zich heen en weder op de smalle kampplaats, waar voor en onder hen de dood hen aangrijnsde; en Deodaat zou misschien gewaand hebben, dat het slechts ijdele spoken en luchtbeelden waren, zoo niet het daverend krijgsalarm en de brandlucht en het geluid van den smak, die nu en dan zich hooren deed, wanneer deze of gene krijger van het dak op de binnenplaats stortte, hem overtuigd hadden dat hij waakte en dat hetgene hij voor oogen had schrikkelijke waarheid was. En inderdaad: ondanks al de dapperheid, door de geestelijken betoond, was het aan een gedeelte der krijgsknechten eindelijk gelukt, de kerk te beklimmen, en zich van daar over verschillende daken te verspreiden, waar zij nu de monniken en conversen bevochten.
Zoo geheel was Deodaat door dit schouwspel geboeid, dat hij zijn eigen toestand vergeten was, toen een gekraak onder zijn voeten opeens een gedachte bij hem levendig deed worden, welke hem met ijzing vervulde. Hij zag de vlam zelve niet; maar haar weerschijn tegen den muur aan de overzijde;—de brand was dus aan zijnen kant:—was juist onder hem: en het gekraak, dat hij hoorde, klonk in zijn ooren als een voorspelling, dat weldra de geheele zoldering zou instorten. Rillende liet hij zich weder van het venster afvallen; hij snelde terug naar ’t einde van de gang en matte zich nogmaals af in vruchtelooze pogingen om de deur te openen: hij zocht een plank om die open te loopen:—al wat tilbaar was had men uit de cellen genomen om de borstwering voor de benedenpoort te maken. Hij keerde dan in zijn eigen verblijf: nam de planken uit de bedstede en bezigde die om de deur te rammen; maar zij werden in zijn handen tot spaanders gebroken en hij vorderde niet. Dan op het oogenblik, dat hij den vloer onder zijn voeten reeds heet voelde worden en de wanhoop hem een hulpgeschreeuw aanheffen deed, hoorde hij voetstappen van buiten en te gelijk een welbekende stem, die hem antwoord gaf.
“Hier vrienden! hakt deze deur open! Hier is de Ridder, dien wij zoeken!”—De deur vloog onder eenige bijlslagen open en Deodaat bevond zich in de armen van zijn getrouwen Zweder van Naaldwijk. Deze had, gelijk wij vroeger verhaald hebben, de deur van gemeenschap tusschen de kerk en het klooster in brand gestoken en zich nu daarbinnen een toegang verschaft, bijna op hetzelfde tijdperk, dat de Heer van Spangen de voorpoort overweldigd had.
“Ik wist het wel, Ridder!” zeide Zweder, “dat wij u eindelijk zouden vinden: het klooster is ons! althans ik denk niet, dat die vrome paters zich lang meer zullen verweren:—hier, geeft den Ridder een zwaard ... een bijl ... wat het eerste bij de hand is ... en nu haastig naar beneden; eer de trap afbrandt:—ik heb u nog juist bijtijds gehoord.”
Neen! de goede schildknaap had zijn meester niet bijtijds gehoord; dit werd hij te ras en op een schrikkelijke wijze gewaar. Hij was bij het opklimmen de voorste geweest: en bij het terugkeeren bevond hij zich dus met Deodaat achteraan: slechts deze omstandigheid redde beider leven:—want nauwelijks bevonden de gewapendenzich op de trap, of deze stortte in met een oorverdoovend gekraak, en de beide aanvoerders stonden alleen op het portaal, voor een muur van vlammen en van rook, die uit het puin naar boven sloeg.
“Ik ellendeling! wat heb ik gedaan!” kreet Zweder, zich voor het hoofd slaande: “ik, die u redden wilde, moet de oorzaak van uw verderf zijn!—Uit zucht om de eerste binnen te wezen stak ik de kerkdeur in brand, en nu heeft zich de vlam aan het gansche gebouw medegedeeld!”
“Die ongelukkigen!” zeide Deodaat, terwijl hij een treurigen blik wierp op de rampzalige wapenknechten, die gillende en kermende beneden lagen;—“maar kom!” vervolgde hij: “wij moeten alle hoop op lijfsbehoud niet opgeven. Hier is een trap, die naar boven leidt; waarschijnlijk vinden wij een uitweg, die naar een ander gedeelte van het gebouw voert.”
Zoo gezegd, zoo gedaan. Beiden snelden met spoed de trap op; want reeds vervolgde hen de vlam. Zij kwamen nu op een korte, smalle en overwelfde gang uit, zonder deur noch venster, maar met een vierkant gat aan het einde, welk gat eenige voeten boven den vloer verheven en in de dikte van den muur uitgehouwen, en waartegen een klein trapje geplaatst was.
“Bij Sint-Japik!” zeide Zweder: “ik geloof, dat dit de weg naar den toren is: zoo ik wel bereken, zijn wij hier boven de kerk.”
“Hoogstwaarschijnlijk!” zeide Deodaat: “maar om ’t even! Wanneer wij daar eens zijn, hebben wij vooreerst geen gevaar en kunnen nader overleggen, hoe wij verder komen.”
De schildknaap had wel geraden; want zoodra hij de opening binnen- en onder eenige dwarsbalken doorgekropen was (niet zonder zijn hoofd eenige keeren geducht te stooten), bemerkte hij, dat hij zich in den toren bevond. Het was echter meer door den tocht, die hem tegen woei, dat hij zulks gewaarwerd, dan door de scherpte van zijn gezicht: want het was hier bijster donker: en geen wonder, daar zij zich op een middelzoldering bevonden, waar van geene zijde eenig licht kon doordringen, dan alleen de flauwe terugkaatsing der vlam, die tegen de wanden scheen van de gang, die zij uit waren gekomen.
De toren, waarin zij zich nu op twee derden der hoogte bevonden, was een oud en hoog gebouw, dat wellicht reeds gestaan had, vóór de oprichting van het klooster, waarvan het nu den noordwestelijken hoek uitmaakte, en het woonhuis met de kerk vereenigde. Het was achthoekig van gedaante en van zwaren, grauwachtigen steen opgetrokken tot op een hoogte van ongeveer negentig voet: de muren, dik genoeg om geen schade van brand en bestorming te vreezen, waren slechts hier en daar met een enkel kijkgat voorzien, en verder geheel ontbloot van allen zweem van versiering; zoo men den koepel uitzondert, die later, toen men de Oostersche bouworde in Friesland begon na te bootsen, op den top was nedergezet, en waarboven een kruis prijkte, dat, evenals de platen, welke den koepel dekten, van koper was. Deze koepel was, gelijk wij vroeger gezegd hebben, peervormig; doch had, evenals de toren zelf, acht zijden,van onderen met een breeden metalen band omsloten en zich van daar tot op den torentrans uitspreidende, evenals de voet van een ouderwetsch kelkje, of als de neergekrulde halve schil van een chinaasappel. In dien omgeslagen benedenrand waren twee vooruitspringende venstertjes, met luiken en een leien dakje voorzien: het eene, waaruit de seinlantarens staken, naar den zeekant uitziende: het andere, dat thans gesloten was, over het kloostergebouw heen, naar de oost- of landzijde. Van binnen was de toren volkomen vierkant, niet ruimer dan ongeveer tien voet in de doorsnede, en van onder tot boven volkomen hol. Om den top te bereiken waren, op elke dertig voet hoogte, houten zolderingen bijgebracht, van welke de niet overal veilige planken op dwarsbalken rustten, en in wier midden een opening gelaten was, welke men bereikte door middel van een trapladder, die van onderen tegen den muur vaststond en van boven met een paar ijzeren krammen voor het wiggelen bewaard werd. Er waren dus in ’t geheel drie van deze ladders; of liever: er behoorden er drie te zijn; want de onderste was, gelijk wij hierboven verhaald hebben, op last van vader Syard weggenomen. Verder had, als ons gebleken is, de toren ook nog een zijdelingsche gemeenschap met het kloostergebouw: en onze beide zwervers, die daarvan gebruik hadden gemaakt, bevonden zich nu op twee derden der hoogte, boven de tweede, en aan den voet van de hoogste ladder.
“Ziezoo!” zeide Zweder: “hier zitten wij hoog en droog: wisten wij nu slechts een middeltje te bedenken om hier vandaan te geraken.”
“Mij dunkt,” zeide Deodaat, naar beneden ziende, waar hem de flauwe schemering, die uit de kerk voortkwam, de ladder ontdekken deed: “wij kunnen hier afdalen.”
“Om ons de hersens op de zerken tot gruis te slaan?” viel Zweder in: “ik dank u, heer Ridder. De onderste trap is weggehaald. Die vervloekte monniken wisten wel wat zij deden. Bovendien, de kerk zelve staat in lichterlaaie.”
“Kunnen wij ons niet aan de klokketouwen aflaten?”
“Die gebruiken zij niet. Zij luiden hier door middel van groote hamers, die Belialskinderen!—en bovendien geloof ik niet dat er hier een klok in den toren is:—die zwelgers hebben alleen een etensbel noodig: en die hangt boven de bakkerij.”
“Welaan!” zeide Deodaat: “dan moeten wij nog hooger onze fortuin beproeven, en zoeken of er ook een raam in den toren is, ten einde eens uit te kijken, of wij hulp of verderf te wachten, hebben.”
Dit zeggende klom hij, van Zweder gevolgd, de hoogste ladder op, die hen in den voet van den koepel bracht. Dadelijk staken beiden het hoofd door het opene venster: en, ofschoon er zonder vleugels aan geene ontkoming te denken viel, ondervonden echter zoowel Deodaat als zijn schildknaap een gewaarwording van verkwikking en genoegen, toen de frissche wind hun in ’t gelaat woei en zij weder in Gods vrije schepping mochten rondzien. Het onweerwas bedaard: slechts enkele dunne, waterlooze wolkjes dreven als sneeuwvlokken door het blauwe zwerk. De oppervlakte der zee was stil geworden; maar het dof gegons der wateren verkondigde nog, hoezeer zij door het geweld van den storm was beroerd geweest. De natuur was kalm en liefelijk: en had niet het oorverdoovend geweld van den strijd, die aan de andere zijde woedde, alle gedachten aan rustige genieting verbannen, Deodaat zou nog lang met wellust op den heerlijken sterrenhemel en op die sombere zee daaronder zijn blijven staren. Maar zijn ziel was te bezig met den kamp, die in het klooster gevoerd werd, dan dat hij zich den tijd kon gunnen, langer naar deze zijde uit te kijken.
“Spoedig, Zweder!” zeide hij, “laat ons zoeken, of er geen ander venster is, waaruit wij iets van het gevecht kunnen bespeuren.”
“Een oogenblik!” zeide de knaap, terwijl hij de lantarens binnenhaalde: “hier is iets, dat ons misschien zal kunnen dienen: men moet in onze omstandigheden niets verzuimen.”—Dit zeggende, maakte hij een eind touw los, dat aan de lantarens vastzat, en door een katrol liep, welke aan het einde van den uitgestoken staak hing, en bond het zich om het lijf.
“Ziezoo!” zeide hij, “nu hebben wij licht, en een touw; dat zijn reeds twee zaken, welke, wanneer men hoog en in ’t donker zit, van dienst kunnen wezen. Laat ons nu dezen kant uitzien.”
Dit zeggende, opende hij het luik van het andere venster: en beiden zagen uit.—Welk een geheel onderscheiden tooneel deed zich hier aan hun oogen voor! Aan de andere zijde de aanblik der stille natuur: aan deze, die van den oorlog in zijn schrikkelijkste gedaante.
In de eerste oogenblikken was het echter voor Deodaat en Zweder, die met uitgestrekte halzen buiten het raam lagen, moeilijk iets met juistheid te onderscheiden. De kerk zoowel als de drie overige zijden van het gebouw stonden in lichterlaaie: en de rook, die van alle kanten in breede wolken opsteeg, bedekte al wat beneden was met een dikken nevel. Het scheen beiden toe, als zagen zij in een ziedenden ketel, of liever in den gapenden krater van een vlammenspuwenden berg. Maar toen de wind, die van den zeekant woei, de rookwolken voor een oogenblik van een scheidde en als uitgerolde wimpels over de landtong heen deed zwaaien, ontdekten zij de kloosterlingen, die in een breeden kring op het binnenplein bijeenverzameld stonden en zich met een hardnekkigen moed verweerden tegen de krijgsknechten, die hen van alle zijden bestookten. In het midden van de jongere broeders en conversen, stonden de grijsaards en zwakken, met schorre kelen doch met een prijzenswaardige gelatenheid den psalm zingende:quare fremuerunt gentes; ofschoon de rook, die hun in de keel vloog, hen nu en dan dwong, het lied te staken en met een benauwd gekuch te verwisselen.
“Mij dunkt,”zeide Deodaat, “die monniken vechten als leeuwen: gij hadt gezegd, zij zouden zich niet lang meer verdedigen; maar, naar het mij voorkomt, staat de kans vrij ongelijk en kunnen zij blijvenvechten tot de gansche boel ineenstort en vrienden en vijanden samen verplet.”
“Inderdaad,” zeide Zweder, peinzende: “het getal onzer manschappen komt mij voor, geringer te zijn, dan het behoorde te wezen. Ik zie den Heer van Beaumont niet; noch ook den Heer van Spangen. Wij waren straks ruim zoo talrijk. Zouden er zoo velen door de handen dier papen zijn gevallen? Of is de rest vertrokken en heeft men gedacht, dat er manschappen genoeg bleven om het klooster te winnen.”
“Het komt mij voor, als ware men buiten ook nog aan het strijden,” zeide Deodaat: “althans ik hoor een luidruchtig alarm aan de landzijde. Indien slechts die satansche rook het uitzicht over de landtong niet belette.”
Terwijl beiden, onbewust van de redenen, die Beaumont genoodzaakt hadden het klooster te verlaten, zich in gissingen verdiepten, trad de Heer van Spangen, door een der zijgangen, welke alsnog door het vuur gespaard was gebleven, de binnenplaats op.
“Geeft u over, vervloekte papen!” riep hij: “uw klooster staat in brand en het is immers al gewonnen.”
“Neen! nog niet gewonnen!” klonk een stem, die het gansche gebouw scheen te doen daveren: en van uit de deur van het voorportaal vertoonde zich, tusschen een dicht ineengedrongen drom van strijdende Hollanders en Friezen, de reusachtige gestalte van den Abt van Lidlum, niet geharnast als zijn ambtgenoot van Oldeklooster; maar in de dracht zijner orde, blootshoofds en met opgestroopte mouwen, een zware strijdkolf omhoogheffende. “Houd u goed, vader Volkert!” riep hij: “houd u goed. Daar zijn wij al, klaar om u te helpen. Ter helle met de Hollanders! slaat dood! slaat dood!”
“Bij Sint-Japik!” zeide Zweder: “de kans is verkeken: zooeven wezen ons de steenen twee vijven aan: maar nu heeft de vijand twee zessen geworpen.”
“En wij moeten hier als bloote toeschouwers zitten!” zuchtte Deodaat: “o! waarom schenkt God mij de gunst niet, naast mijn dappere spitsbroeders te strijden?”
“Al wat wij doen kunnen, is hen aan te moedigen met woorden,” zeide Zweder; en terstond begon hij met luider stemme te schreeuwen: “Holland! Holland! Beaumontà la rescousse! Spangen! Ligny! Naaldwijk!” en alle andere namen, die hem voor den geest kwamen, totdat een nieuwe rookkolom hem zoowel het zien als het geluidgeven belette.
De rol der Hollandsche benden was nu geheel omgekeerd: en van aanvallers waren zij verweerders geworden. Van alle kanten rukten versche benden van Friezen het plein op: en Deodaat herkende weldra onder hen den Heer van Aylva, die zijn ziekte in de hitte van het gevecht scheen vergeten te hebben, en aan wiens zijde de wakkere Feiko streed, zijn meester nergens verlatende en elken slag, die op dezen gemunt was, van zijn hoofd afkeerende. Vreeselijk woedde de Abt van Lidlum, wiens strijdkolf de zwaarden aan spaanders sloeg en de helmen verbrijzelde of zij van glas waren geweest. Maarook Spangen en de zijnen deden wonderen van dapperheid: en, daar de ruimte van het binnenplein betrekkelijk klein was, deed zulks den strijd minder ongelijk zijn, dan die buiten op het open veld was geweest. Intusschen nam de brand al meer en meer de overhand, en kwam de eene zolder voor, de andere na, met een oorverdoovend gekraak en gedruisch naar beneden. Soms stortte er een lange balk, een gedeelte van het dak, of een brok van den muur op de binnenplaats, die dan Hollanders en Friezen met éénen slag verpletterde en de strijdenden uit elkander deed stuiven, maar slechts om dadelijk het gevecht met eene dubbele woede te hernieuwen. Het was een schouwspel zonder wedergade, om van den toren af op die menschen neder te zien, die zoo nietig en onbeduidend schenen, en die als helsche duivels door de vlammen en den rook heenwaarden en zich onderling vermoordden bij het schijnsel van den brand: het was een akelig geluid, dat noodgeschrei der gekwetsten, dat triomfgebrul der overwinnaars, dat gehuil van den wind, dat gerammel der wapenen en dat sissen en kraken van den brand, dooreengemengeld te hooren!—Eindelijk dreef het geweld der vlam nu den eenen, dan den anderen drom van het strijdperk af; en, evenals ware de dood door het staal verkieslijker boven dien door het vuur, drong men zich al vechtende weder naar de hoofdpoort, of vlood als met onderling goedvinden derwaarts, om, buiten gekomen, het gevecht te hervatten. Weldra zagen de jongelingen niets meer, dan den zwarten rook, die alles gelijk als met een mantel omhulde; en na weinige oogenblikken stortten de beide vleugels en eindelijk ook de kerk in puin en asch naar beneden.
De nacht was voorbij: en de zon begon zich alreeds aan den gezichteinder te vertoonen, maar nog was de woede van den strijd niet verminderd. Van het geheele gebouw, dat weinige uren te voren zoo stevig daar neder stond, was bijna niets meer overig gebleven. Alleen de toren stond nog in zijn geheel, die, zwart geblakerd van onder en met zijn door de eerste zonnestralen vergulden koepel op een Afrikaanschen reus geleek, wiens hoofd met een schitterenden helm versierd ware. Ook de vier muren, die, met den toren mede, den noordwestelijken hoek van het gebouw uitmaakten, waren nog gedeeltelijk, hoewel zwaar beschadigd, blijven staan; maar al het overige vertoonde een onkenbaren en verwarden klomp van steen en hout en asch, waarbinnen de vlam smeulde en waaruit hier en daar dwalmende rookwolken naar boven stegen.
Het overschot der Hollandsche bende, die buiten het klooster voor de overmacht had moeten zwichten, was wederom binnen den omtrek van het ingestorte puin zijn toevlucht komen zoeken en bood daar een hardnekkigen, maar, helaas! vruchteloozen wederstand. Vergeefs had Aylva, wiens medelijdende ziel niet stemmen kon in den moord van zoovele dapperen, alle pogingen in ’t werk gesteld om hen te bewegen, de wapens neder te leggen; zijn stem was niet vernomen geworden door de Hollandsche krijgsknechten: en de Friezen luisterden niet naar hem, wanneer hij hen wilde aanmanen, den overwonnenen lijfsgenade te schenken; maar sloegen alles doodwat hun voorkwam. Geen deelgenoot van die gruwelen willende zijn, en buiten staat die te beletten, was de Olderman teruggetreden, met het voornemen om te gaan zien hoe het met Beaumont en de zijnen afliep, toen hem vader Syard op zijde kwam, met den angst op het gelaat geschilderd.
“Om Gods wil!” zeide de monnik: “mijn Heer van Aylva! hebt gij Ridder Deodaat ook ergens in ’t gedrang opgemerkt?”
“Deodaat!” herhaalde de Olderman, verbleekende: “neen! ’t Is waar ook! hij was hier in ’t klooster!—Dat ik hem een oogenblik vergeten kon!”
“Hij zal toch, hoop ik, den brand bemerkt en zich naar beneden begeven hebben.”
“Dat zou moeilijk geweest zijn,” zeide de vader Guardiaan, die kort daarbij met den Abt gezeten was op een brok steens, waar zij van hun heldendaden uitbliezen: “ik beloof u, ik heb hem wel deftig achter dubbele grendels gesloten: en, al is hij zijn kamerdeur uitgekomen, de trapdeur heeft hij zonder hulp niet kunnen openbreken.”
“Hij zal.... wel.... daaronder liggen,” merkte de Abt aan, terwijl hij hijgende op den muur naast den toren wees.
“Ongetwijfeld!” hervatte de andere monnik: “de brand is aan de kerkdeur begonnen, die vlak bij de trap is, welke naar de cellen geleidt. Hij zal dus geroost zijn als een braadspiering.”
“Maar welk overgroot belang.... hoe! wanneer zal ik mijn adem terugkrijgen?.... welk belang stelt gij toch in dien Deodaat?” vroeg de Abt, zijn onbeteekenende oogen wijd opspalkende en vader Syard aanziende: “ehugh! ehugh!—die vervloekte rook!.... Er zijn er zoovelen gevallen, die zoo goed, ja beter waren dan hij.”
“Ik had voor hem moeten zorgen,” zeide de monnik, zonder op de vraag van vader Volkert acht te slaan: “ik heb hem schandelijk vergeten toen het tijd was. O! dat hij nog kon ontkomen zijn.”
“En al is hij den brand ontkomen,” zeide Aylva, het hoofd schuddende: “dan heeft hij zich zeker bij zijn wapenbroeders gevoegd en hij is met hen omgekomen: want die vreeselijke jubelkreet achter ons verkondigt mij dat de slachting volbracht is.”
”’t Is uit!” riep de Lidlummer, die zich op dat zelfde oogenblik op een der puinhoopen vertoonde, waar hij met zijn met bloed en asch besmeerde armen en half verzengd gewaad en aangezicht den genius der vernieling had kunnen voorstellen: “’t Is uit! de laatste man is gevallen. Hoezee voor Friesland!”
“Hoezee!” riep al het volk.
“Hoezee!” riep een ruiter, die in vollen ren kwam aansnellen. “Martena en de Bloemkampers hebben de zege! Beaumont alleen is het ontkomen, met behulp van den schelm, die zich Aylva’s zoon noemde; maar die een verrader was.”
“Met behulp van Reinout!” riep Aylva, de handen wringende.
“Hij deed zich zelven recht,” zeide vader Syard: “hij moest een verrader worden.”
“Hoe!” vroeg de Olderman, verbaasd opziende: “en wat beweegt u, zulks te vermoeden?”
“Ik heb geen vermoedens meer,” zeide de monnik; maar te gelijk wendde hij zich af, bemerkende dat hij te veel ging zeggen; want nu het hem bijna zeker toescheen, dat Deodaat was omgekomen, achtte hij het noodeloos den Olderman het geheim van ’s jongelings geboorte mede te deelen, ten einde hem niet des te meer te bedroeven, indien hij hoorde dat de vermiste zijn zoon ware.
“Welke raadsels spreekt gij toch?” vervolgde Aylva; maar voor de monnik kon antwoorden, deed een nieuw geroep van: “kijk die twee! daarboven!” hen beiden het hoofd naar den toren wenden.
“Wat duivel zijt gij, Hollanders of Friezen?” riep de Abt van Lidlum aan de beide jongelingen toe: “antwoordt gij niet? nu dan behoeven wij niet verder te vragen.”
“Maar hoe komen zij daar?” vroeg vader Volkert: “de toegang tot den toren was immers afgebroken? En wie kunnen het zijn?”
Niemand wist deze vraag te beantwoorden; want de afstand belette aan een iegelijk, Deodaat te herkennen, van wien bovendien alleen het bovenste gedeelte van het gelaat zichtbaar was.
“Komt dan af, mannen!” riepen de Friezen beneden: “dan zullen wij u vertellen, hoe het met uwe makkers gegaan is.”
“Wacht!” riep er een uit den hoop: “wij zullen hen wel doen schreeuwen, indien zij niet spreken willen!” en te gelijk zijn boog spannende, legde hij op het venster aan.
“Jawel! zij zullen uwe pijlen afwachten,” zeide de andere: “of zij gek waren! Wat doken zij spoedig weer in den toren terug, toen zij u naar een pijl zagen grijpen.”
“Wij zullen hen van daar moeten ontnestelen,” hernam de eerste.
“Ja! laat ons in den toren klimmen!” zeide de derde: “een ladder! een ladder! en dan zullen wij hen dwingen, van boven neder te springen.”
En dadelijk snelden eenigen binnen de muren der afgebrande kerk, ruimden zooveel zij konden de nog brandende binten en balken uit den weg en kwamen eindelijk, niet zonder moeite, onder den toren, terwijl anderen ladders haalden en die aaneenbonden.
“Om Godswil!” zeide Aylva, wien opeens het denkbeeld voor den geest was gekomen, of ook Deodaat wellicht een dier beide personen in den toren wezen kon, en die hierop den woesten hoop gevolgd was: “wat wilt gij doen, vrienden? haalt die lieden van boven; maar doet hun geen leed. Gij hebt u als helden gedragen; gedraagt u als menschen na de overwinning.”
Maar niemand sloeg acht op zijn smeekingen: integendeel waren er sommigen, die hem vrij ruw bescheid gaven, en hem vroegen of hij evengoed gezind was als zijn zoon, en de Hollanders verkoos te sparen: ja, het liep zooverre, dat Feiko, die zijn meester niet verlaten had, zich genoodzaakt zag hem bijna met geweld van daar te halen.
De toestand van onze beide vrienden in den toren was intusschen alles behalve vermakelijk. Zij hadden het gerucht beneden gehoord, en op de tweede zoldering afgedaald zijnde, bespeurden zij al spoedig dat men zich gereedmaakte, hen in hun hooge schuilplaats te komen bestoken.
“Dat begint er slecht voor ons uit te zien,” zeide Zweder, die nu en dan met de noodige voorzorgen naar beneden keek.
“Er blijft ons niets over dan om ons ter dood te bereiden,” zeide Deodaat: “en ons leven zoo duur te verkoopen als het ons eenigszins mogelijk is. Wij kunnen althans uit onze hooge standplaats nog eenigen tijd met voordeel het hoofd bieden.”
“Dat zal ons weinig baten,” zeide Zweder: “want om hen te bevechten, moeten wij ons vertoonen: en dan staan wij voor hun pijlen bloot. Kom! het is gedaan. Wij overleven de grap niet: en ik zal ons slot van Naaldwijk en mijn lieve moei Ottilia nimmer terugzien. Die goede ziel! zij heeft mij voor mijn vertrek nog een geborduurden hanger vereerd voor mijn dolk. Wat zal zij treuren, als zij hoort dat haar neefje, dat haar altijd zoo plaagde, zoo jammerlijk aan zijn eind is gekomen.”
“Arme jongen!” zuchtte Deodaat:—“maar helaas! gij zijt nog gelukkiger dan ik:—want niemand—neen niemand zal mijnen dood beweenen.—Wat zeg ik?—Reinout wellicht.... en misschien ook....”
“Ja, welzeker zal zij u ook beweenen,” zeide Zweder, de gedachte van Deodaat aanvullende: “maar wat hamer! laten wij niet dwaas zijn en als kinderen schreien, terwijl er misschien nog redding mogelijk is. Zoolang er leven is, is er nog hoop. Gij noemdet uw vriend Reinout; dat doet mij ergens aan denken. Is hij niet, althans volgens uwe meening, op een dolk naar beneden gereden?”
“Hoogstwaarschijnlijk! Maar dat kan ons hier niet baten; want dan vallen wij des te eerder in de handen onzer bespringers.”
“Alles moet beproefd worden,” zeide Zweder: en tevens zag hij de opening uit, door welke zij in den toren gekomen waren. Het trapje, de gang en al de zolders aan deze zijde waren ingestort; maar de drie muren van den vleugel waren, gelijk hierboven gezegd is, blijven staan, en verhinderden, dat iemand hen van beneden zien kon. Zweder keek naar beneden; maar de oneffenheden van den muur en de hier en daar vooruitspringende brokken van boog- en muurwerk, die nog aan den toren vast waren blijven zitten, beletteden hier de uitvoering van het ontkomingsmiddel, door Reinout gebezigd. Ook had alleen Zweder een dolk, die door zijn vorm weinig geschikt was om dat middel te beproeven.
“Maar gij hebt een touw,” zeide Deodaat.—“Er ware nog mogelijkheid....”
“Ik heb het,” riep Zweder, verheugd: “ik heb het.... Wacht! Eerst moeten wij zorg dragen, dat zij ons niet verrassen. Het wordt tijd; want ik geloof waarlijk, dat zij al aan ’t klimmen zijn.”
En onder het spreken dezer woorden keerde hij zich om en zag in den toren naar beneden, waar de Friezen reeds een paar aaneengebonden ladders tegen de eerste zoldering aangezet hadden, en zich gereedmaakten, die te bestijgen. Haastig greep nu Zweder de middelste trapladder bij de bovenste sport, rukte die met de kracht der wanhoop uit de krammen, trok haar vervolgens met behulp van Deodaat van haar steunpunt los, hield haar een oogenblik boven den openenkoker verheven en liet toen de handen los. Het lang en zwaar gevaarte stortte naar beneden, verbrijzelde de ladders der Friezen, deed een aantal van hen bloedende en vloekende op den vloer nedertuimelen en sprong zelf tegen de zerken tot spaanders.
“Ziezoo!” riep Zweder: “nu zullen zij ons vooreerst met vrede laten. Wat ons betreft, wij moeten denzelfden weg uit, dien wij gekomen zijn. Het smeult en rookt nog wel wat beneden; maar des te beter; zooveel te minder zullen zij ons komen hinderen.”
En nu, met spoed het touw losgewonden hebbende, dat hem om het lijf zat, sloeg hij het dubbel om een plank, die hij uit den vloer losbrak, liet de beide einden de opening uithangen en plaatste de plank dwars daarvoor: waarna hij zich naar buiten liet afglijden. Toen hij niet lager kon, en bemerkte dat hij nog ruim twintig voet boven den grond of liever boven het ingestorte puin was, slingerde hij zich op een tegen den muur in een nis gemetseld voetstuk, en klemde zich aan de nog heete krammen vast, welke gediend hadden om een standbeeld tegen te houden, dat half verteerd beneden lag. Deodaat volgde zijn voorbeeld, liet zich insgelijks aan het touw af glijden en stond weldra aan zijn zijde; waarna zij dadelijk het touw naar zich toe trokken en het aan een vooruitspringenden boog nevens hen vastmaakten. Zij daalden hierop lager af, zich nu eens van Zweders strijdbijl, welke zij over de steenbrokken vasthaakten, dan weder van den dolk, dien zij tusschen de openingen staken, bedienende, om de reis naar beneden gemakkelijk te maken.
Zij stonden eindelijk boven het rookende puin en door het vierkant der muren voor aller oog verborgen; maar het was er verre af, dat zij zich nu buiten gevaar konden achten. Integendeel, zij hadden slechts het eene met het andere verwisseld. Want vooreerst stond hun elk oogenblik een bezoek der conversen te schromen, die wellicht spoedig zouden komen om den brand te blusschen en te redden wat nog redbaar was: en ten anderen verkondigde hun de onverdraaglijke hette van het brok steens, waarop zij stonden, dat het vuur nog onder hun voeten blaakte en dat zij kans liepen bij een nieuwe ineenstorting van het puin in den gloed te vallen en jammerlijk om te komen. Al trippelende en met verschroeide ledematen sprongen zij van den eenen hout- of steenhoop op den anderen, nu eens op den rechtervoet staande, dan weder, wanneer zij de pijn niet langer verduren konden op den linker rustende: ja somtijds omvatteden zij een over de bouwvallen liggenden en half verzengden balk met beide armen en lieten de beenen hangen, om die een oogenblik rust te gunnen. Opeens deed Zweder een ontdekking, welke hem met blijdschap vervulde. Hij zag namelijk onder zich een donker gat, hetwelk hem toescheen, naar een gewelf te geleiden.
“Daarheen!” fluisterde hij, den Ridder aanstootende: en, zich van een omgestorte plank latende afglijden, waren beiden weldra, schoon met deerlijk gebrande handen, nabij de opening.
“Hier is de kelder van de vrome vaders,” zeide Zweder: “of ik bedrieg mij grootelijks. Laat ons den ingang onzichtbaar maken, dan houd ik het er voor, dat wij vooreerst gered zijn.”
En, de handen aan ’t werk slaande, stapelden zij, hoe pijnlijk hun deze verrichting ook viel, met allen spoed een menigte brokken steens en gezengde balken en planken tegen de opening, alleen zooveel ruimte overlatende, dat zij er op handen en voeten konden binnenkruipen. Een treurige gewaarwording overviel hen, toen zij, bij het opruimen van het puin, op eenmaal twee verzengde lijken, waarschijnlijk van hun makkers, ontdekten.
“Die arme halzen!” zeide Zweder: “zij trokken nog kort geleden zoo wakker met mij de kerkramen door.—Maar wacht! zij kunnen ons nog na hun dood van dienst zijn!”—En meteen zich van zijn kuras ontdoende, gespte hij het om een der lijken; terwijl Deodaat, zijn oogmerk radende, zijn pij uittrok en daarmede het andere omhing, waarna zij de twee lichamen aan den voet des torens sleurden en vervolgens in hun schuilplaats kropen.
“Ongelukkig,” zeide Zweder, in de duisternis rondtastende, “dat al de wijnvaten hier vandaan zijn gehaald. Mijn keel is even verschroeid als mijn voetzolen en ik gaf het halve erfdeel mijns vaders voor een frisschen dronk, al was het dan ook maar koud water.”
“Een krijgsman moet honger en dorst kunnen lijden, mijn goede Zweder!” zeide Deodaat: “en bovendien moet gij u niet te zeer beklagen, dat de wijnvaten weg zijn: wij hebben nu te minder kans, door de dorstige monniken bezocht te worden.”
“Dat is waar!” zeide Zweder, terwijl hij zich op den vloer uitstrekte en het heete gelaat tegen den vochtigen grond verkoelde: “want waar iemand zijn schat heeft, daar is ook zijn hart.”
En na veel droefheydt komt een heuchelyck verblydenDoor ’t wercken van de tydt, die alles openbaerdt,Waer door verburghen waerheyts lichte wordt verklaert.Rodenburg, Melibea.
En na veel droefheydt komt een heuchelyck verblydenDoor ’t wercken van de tydt, die alles openbaerdt,Waer door verburghen waerheyts lichte wordt verklaert.
En na veel droefheydt komt een heuchelyck verblydenDoor ’t wercken van de tydt, die alles openbaerdt,Waer door verburghen waerheyts lichte wordt verklaert.
En na veel droefheydt komt een heuchelyck verblyden
Door ’t wercken van de tydt, die alles openbaerdt,
Waer door verburghen waerheyts lichte wordt verklaert.
Rodenburg, Melibea.
Ruim tien dagen waren verloopen, sedert de merkwaardige geschiedenissen hadden plaats gehad, in de vorige Hoofdstukken vermeld. De eerste vervoering van uitbundige blijdschap, door de zegepraal der Friezen verwekt, was voorbij en had plaats gemaakt voor een diepe en plechtige kalmte, gelijk aan die, welke men in de natuur gewoonlijk ziet volgen op het woeden van den storm. Ja het scheen, alsof het gewicht zelf hunner overwinning, die meer volkomen en beslissend geweest was dan de hoogst gespannen verwachting zich had durven beloven, de gemoederen der Friezen vervaarde en ter nederdrukte. Bij verreweg de meesten had het vuur des ijvers, dat na den afloop van den slag in aller oogen fonkelde,en de glans van opgewonden vreugde, welke ieder gelaat deed schitteren, plaats gemaakt voor nedergeslagen blikken, die als het ware vreesden elkander te ontmoeten: en op veler wezenstrekken was angstige bezorgdheid voor de toekomst te lezen. De onversaagde helden, die zoo moedig hun onafhankelijkheid bevochten hadden, geleken thans op vreesachtige schoolknapen, die, na in een opstand hun leermeesters en opzieners verdreven, en zich in hun schoolgebouw achter versperringen verschanst te hebben, van hun wilde verbijstering teruggekomen, met schrik de gevolgen overdenken, waarop hun vermetelheid hun eenmaal zal te staan komen, en gaarne de verkregene lauweren zouden willen afstaan voor de zekerheid van weder in genade te worden aangenomen.
Een schouwspel, hetwelk, op den elfden dag na de overwinning, aan Friesland gegeven werd, bracht niet weinig bij, om de algemeene somberheid te vermeerderen. Het was een dier stille en plechtige najaarsochtenden, waarin de sterveling tot ernst gemaand wordt door den aanblik der natuur, aan een grijsaard gelijk, die de dagen zijner jonkheid schijnt te betreuren en zich in het lijkgewaad te hullen, als om den naderenden doodsslaap te verbeiden. De zonnestralen waren aan het gezicht onttrokken door een dichten neveldamp, die als een sluiergaas over het groene veld lag heen gespreid. Treurig en naakt, verhieven hier en ginds enkele slecht opgegroeide boomen hun bladerlooze kruin: geen enkel zuchtje beroerde de oppervlakte der binnenwateren, noch roerde de gerimpelde bladeren aan, die op enkele plaatsen hof en weg als met een goudgelen mantel bedekten. Geen vroolijk gevogelte trok in dit anders zoo levendige jaargetijde door de lucht; alleen brak hier en ginds een raaf, op een staak of boomtronk gezeten, de stilte af met zijn krassend geschreeuw. Een talrijke optocht, voor den dageraad van uit de omstreken van Stavoren vertrokken, en die meer uit beweegbare beelden dan uit levende menschen scheen te bestaan, volgde met langzamen tred den landweg, die langs het vischrijke meer van Parrega, van Workum naar Bolsward geleidt. De visscher, die, in zijn boot staande, bezig was met het ophalen zijner vangst, liet, als de trein voorbijging, zijn net weder vallen, en afvragende, of het ook een legioen van booze geesten ware, dat zoo twijfelachtig door den nevel voorttrok, ontdekte hij zich de kruin en zeide eenpaterop. De doggen, die voor stulp of hoeve waakten, schenen hun anders zoo woeste geaardheid te verliezen en kropen met ingetrokken staart en hangende ooren achter hun meester, die, zelf op zijn erf nederknielende, de gebeden voor de afgestorvenen opzeide en niet opstond, voordat de laatste man van dien talrijken sleep voorbij was. Slechts enkelen wierpen op het treurige schouwspel een blik van zegepraal en hoogmoed; maar weldra gleed een medelijden, waarvan zij zich nauwelijks rekenschap wisten te geven, hun boezem in, en keerden zij huiswaarts, nadenkende over het onbestendige en wisselvallige der ondermaansche zaken.
En wel was die optocht geschikt om de zielen tot nadenken te bewegen; want hij was uitgetrokken om een lijkbaar naar de grafplaatste brengen: en in die lijkbaar was het half vergaan en ellendig overschot vervat van Willem, Grave van Henegouwen, van Holland en Zeeland. Wat bleef er van hem, den bedwinger van Utrecht, die, weinige dagen te voren, toen hij het glansrijkste leger ter wisse zege meende te voeren, zich, met een in hem verschoonbaren hoogmoed, den machtigsten aller Heeren, den meester aller soldaten, den evenman der Koningen noemde? Helaas! niets dan een onkenbaar rif, waaraan niet dan met moeite een graf verleend werd. En welke was de vrucht geweest van zijn wakkere oorlogsfeiten, met wier roem hij de wereld vervuld had?—Geen andere, dan dat hij een schatkist achterliet, berooid en uitgeput door de ondernemingen, waartoe hem zijn staatzucht vervoerd had, en een erfgoed, over welks bezit een twist stond uit te barsten, die eeuwen lang na hem zou blijven woeden, en Holland tot een eindelooze bron van bloed en tranen verstrekken moest.
De trein, die het lijk vergezelde, was tot Workum toe voorafgegaan door de geestelijken van Sint-Odulf, wier parochiaal toezicht aldaar een einde nam. Daar ter plaatse waren zij in de achterhoede teruggevallen, hun plaats overlatende aan de monniken van Bloemkamp of Oldeklooster, die, door de banier- en kruisdragers voorafgegaan, en het hoofd met hun kappen bedekt, langzaam vooruittraden. Een vreemdeling, die hun deemoedige, eerbiedige houding en hun naar den grond geslagene blikken aanschouwd had, zou zich niet hebben kunnen voorstellen, die zelfde lieden te zien, welke kort te voren, met de wapens in de hand, bij trompetgeschal ter slachting trokken en met onmenschelijke woede hun weerloozan vijand ontzielden, ja nog na zijn dood mishandelden, die zelfden, die wellicht eenen dag daarna opnieuw naar het moordtuig zouden grijpen, om hun wapenbroeders van de vorige maand met een binnenlandschen krijg te bezoeken.
Na hen kwam, gevolgd van een deel zijner Ridders, de Commandeur der Sint-Jans-Ridders te Haarlem, Heer Hugo van Koukerk. Hij was het, die, zoodra de ontzettende maar der nederlaag Holland in rouw was komen dompelen, zich naar Friesland begeven had, om voor de in den strijd gevallene helden een eerlijke begrafenis te verzoeken. En, wat vreemder scheen, hij was het, die aan de overwinnaars de eerste tijding bracht, dat de Graaf zelf zich onder de gesneuvelden bevond; want niemand had zich aldaar over den rang of de hoedanigheid der omgebrachte vijanden bekommerd, die door het woedende gepeupel eerst naakt waren uitgeschud en vervolgens op hoopen gestapeld, om op het slagveld te blijven rotten:—een wreedaardig gebruik, waarmede de Friezen, evenals vroeger de Germanen, zoozeer gehecht aan lijkplechtigheden wanneer het hunne eigene dooden betrof, gewoon waren hun verachting voor hun vijanden uit te drukken.
Het was dan ook alleen het lijk des Graven, hetwelk de Friezen, op het smeeken des Commandeurs en op de voorbede van een nog hoogeren persoon (dien wij straks terug zullen vinden) besloten aan een gewijde aarde te schenken: en nog zelfs te dezen opzichte konde Haarlemmer zijn wensch slechts ten deele bereiken: want men wilde hem niet toestaan, het overschot zijns meesters met zich te voeren, en men bepaalde, dat het als een blijvend pand en gedenkteeken der overwinning, in een der Friesche kloosters, en wel in dat van Bloemkamp, zou begraven worden. Lang duurde het, eer men het misvormde lijk van onder den stapel der half bedorven lichamen had teruggevonden: en de oogen der vriendschap konden hun tranen niet bedwingen, toen het Koukerk eindelijk te beurt viel, zijn voormaligen meester aan de lange, golvende haarvlechten, welke hem aan den bloedigen schedel kleefden, te herkennen.
Achter de lijkbaar, welke met een effen zwart kleed overdekt, en zonder eenig praalteeken, op eenige overdwars geplaatste lansen rustte en door een twaalftal knapen werd gedragen, volgden eenige lieden, zoo te paard als te voet, allen bedekt met rouwkappen, welke hun gelaat aan ieders oog onttrokken. De meesten van hen waren Friesche Edelen, die of, gelijk Aylva, Martena en anderen, grootmoedig genoeg waren om aan hun vijand de laatste eer te willen bewijzen, of die door het bijwonen der lijkplechtigheid hun eigenliefde en hoogmoed gestreeld vonden. Maar er bevonden zich ook enkele Hollanders bij, die ter liefde van hun Graaf waren overgekomen en, na vrijgeleide bekomen te hebben, door hun Friesche bekenden met de meest voorkomende gastvrijheid waren ontvangen. Er was onder hen een grijsaard, gelijk men aan gang en houding bespeuren kon, maar die nog meer door het verdriet dan door het gewicht der jaren leed: de oude Paypaert, de Wapenkoning van Holland. Het was niet slechts de dood zijns meesters, welke hem zoozeer bedroefde; want hij had reeds te veel Heeren naar hunne laatste stede begeleid, dan dat hem de dood van dezen zoo diep zoude treffen, neen! zoo hij in sprakelooze wanhoop voorttrad, het was omdat hij geheel vruchteloos was overgekomen, omdat hij, aan wien bij de begrafenis van zoovele vorsten altijd het opperbestier was opgedragen geweest, zijn aanspraak op dat recht door de Friezen had zien tegenspreken of verachten, en gedwongen was een lijdelijk aanschouwer te zijn van de in zijne oogen onbetamelijke, ja schandelijke wijze, waarop men een Vorst als Graaf Willem naar het graf voerde. Zoolang echter de plechtigheid duurde, gaven alleen zijn somber gelaat en neergeslagene oogen het ongenoegen en de smart te kennen, die hem vervulden; want het druischte natuurlijk tegen al zijn beginselen aan, gedurende een lijkdienst te spreken; maar toen hij de reize huiswaarts aannam, en zich niet langer behoefde te bedwingen, liet hij niet af van zich bij zijn reisgenooten te beklagen: en toen hij zelf kort daarna (waarschijnlijk aan de gevolgen van verkropte gramschap) overleed, waren zijn laatste woorden, dat het land te gronde ging, nu men had kunnen dulden, dat de laatste Vorst als een gewone dorper was onder den grond gestopt.
De monniken van Sint-Odulf sloten, gelijk wij reeds boven hebben aangemerkt, den trein, die bovendien vergezeld werd door een bende welgewapende ruiters, ten einde te verhoeden, dat niet het grauw in blinde woede zijn wraak nog aan het overblijfsel desGraven koelde, of op een andere wijze de plechtigheid stoorde. Deze voorzorg bleek echter onnut te zijn; want alles liep rustig en betamelijk af.
Het begon reeds avond te worden, toen de stoet den eindpaal van zijn tocht bereikte, zijnde het Oldeklooster, dat, gelijk bekend is, in de nabijheid van het oude dorp Hartwert, een uur gaans ten noordoosten van Bolsward aan den oever der Middelzee gelegen was. Daar wachtte een groote schaar van toeschouwers buiten het erf, en de Abt Meikulfus met zijn geestelijken op den dorpel, het lijk des Graven af, dat terstond binnen de kerk gedragen werd, alwaar de lijkmis gevierd moest worden. Hij, die het bestier dezer plechtigheid zou voeren, en in zijn plechtgewaad uitgedost achter het outer stond, was geen minder persoon dan de Bisschop van Utrecht zelf. Sierlijk staken de fraaie houding en edele gelaatstrekken des gemijterden jongelings af tegen de grove gestalte en het plompe uitzicht van den Abt van Lidlum, tegen de logge gedaante van Vader Volkert, tegen de onbeduidende, boersche figuren der kloostervoogden van Luidinga-kerke, Mariëngaarde, of andere gestichten, die hem omringden, en tegen het ineengedrongen, onbeschofte voorkomen des Bloemkampers, die tegenover hem met het lijk aankwam. Jan van Arkel had, een paar dagen na den slag bij Stavoren, en zoodra hij vernam dat Friesland rustig was, van uit de Kuinder, waar hij (gelijk wij hierboven vermeld hebben) zijn intrek genomen had, eenige geestelijken aan de overwinnaars gezonden om hun zijn gelukwenschingen over te brengen en tevens voor ’s Graven lijk een eerlijke rustplaats te verzoeken: terwijl hij zelf kort daarna in Friesland verscheen, en aldaar de kloosters met menig voorrecht begiftigde. Hoewel het bijna aan niemand onbekend was, dat hij den Graaf op zijn tocht vergezeld en hem hulp toegezegd had, was er echter niemand, die hem dienaangaande eenig verwijt dorst te doen; want eensdeels had hij iets zoo gulhartigs en oprechts in zijn voorkomen, dat men, hem hoorende spreken, zich tegen beter weten aan gedwongen gevoelde, zijn betuigingen voor goede munt aan te nemen: en ten anderen waren, zooals vroeger gezegd is, de Friezen over hun overwinning versuft: de Stellingwervers en het Oversticht waren gewapend: en men wilde Jan van Arkel liever tot vriend dan tot vijand hebben.
Welke waren de gevoelens, die het hart des Bisschops vervulden, toen hij het gewijde nat over de doodbaar en het graf zijns vijands sproeide, of toen hij, nedergeknield, den plechtigen lijkdienst voor de rust van Willems ziel bestuurde? Het is aan niemand gegeven, des menschen boezem te peilen; maar zoo andere gemoedsbewegingen, dan die met het heilige werk, dat hij verrichtte, overeenstemden, de ziel van Arkel bewoonden, de kalme en in zich zelf gekeerde uitdrukking van zijn gelaat verraadde die niet. Hij scheen tot het einde toe doordrongen te blijven van het gewicht zijner bediening en van het plechtige des oogenbliks. Niemand intusschen kon hem van huichelarij betichten: want er vloeide geen valsche traan langs zijn wangen; en toen hij na afloop van den dienst en aan het daaropvolgend lijkmaal, over den afgestorvene eenige woorden sprak, weidde hij niet over ’sGraven hoedanigheden uit; maar vergenoegde zich, op een ernstige en gepaste wijze zijn toehoorders over het nietige van alle aardsche grootheid te onderhouden.
Terwijl dit binnen de muren van Oldeklooster voorviel, was het verdrag van Utrecht verbroken, en liepen ’s Bisschops dienstmannen Holland af, zich weder van de veroverde plaatsen meester makende en het land brandschattende.
Wij moeten ons thans verplaatsen in de groote stins van Aylva bij Scadaert in Wonseradeel, waarheen zich Madzy kort na den slag bij Stavoren begeven had, ten einde de besmetting te ontwijken, welke men vreesde, dat de verpestende lucht der rottende lijken in den omtrek van genoemde stad zou teweegbrengen. Van dit nieuwe verblijf der Jonkvrouw waren wij voornemens een uitgebreide en ongetwijfeld hoogst belangrijke beschrijving te geven, waartoe de bouwstoffen reeds gereed lagen; maar de vrees, dat onze bescheidene lezer (bemerkende dat hem slechts weinige bladzijden meer ter inzage overschieten, en zoo al niet naar de ontknooping, dan althans naar het einde verlangende) met die beschrijving een weinig vrijer zou kunnen omgaan, dan voor onze eigenliefde streelend ware, namelijk: dat hij die geheel mocht overslaan, heeft ons doen besluiten omtrent deze stins van Aylva niets anders te zeggen, dan dat het een oud, ruim, hecht en weldoortimmerd Huis was, met zijn torens, ophaalbrug en gracht, naar den Saksischen trant gebouwd, en, de tijden in aanmerking genomen, van binnen met smaak en pracht gemeubileerd. Voor ’t overige was het, uithoofde eener oude gehechtheid, Aylva’s geliefkoosd verblijf, ofschoon deze eigenlijk, gelijk wij hoogerop verhaald hebben, zijn meeste goederen en betrekkingen in Oostergoo had, waar hij insgelijks een paar kleiner stinsen bezat.
Op den morgen dan na de hierboven beschrevene plechtigheid, was Madzy met vader Syard in de gewone huiskamer van gemelde stins gezeten. Zij scheen door eene diepe smart ter neergedrukt en slechts onwillige ooren te leenen aan de woorden van vertroosting, welke de monnik tot haar sprak. En waarlijk, haar droefheid was van dien aard, dat alleen een sterk gestel haar in staat kon stellen die te verduren zonder tot ijlhoofdigheid te vervallen; want de tijding, welke die veroorzaakt had, zoowel als de omstandigheden, waarmede die gepaard ging, waren treffend en hartverscheurend. Wij hebben vroeger verhaald, hoe Daamke van Reinout last bekomen had, om het geschrift, dat op een zoo zonderlinge wijze uit zijn tooverkast was te voorschijn gekomen, aan Aylva te bezorgen. De moed van den goeden hansworst was intusschen niet verheven genoeg, om hem aan te drijven den Olderman te Stavoren of te Sint-Odulf te gaan opzoeken, en alzoo nieuwe tooneelen van moord in den mond te loopen, waarvan Daamke uit zijn aard afkeerig was. Hij koos dus liever een omweg, en alle aanraking met krijgslieden vermijdende, reed hij bedaard heen naar Awert-State, waar hij voornemens was Aylva af te wachten. Madzy, die aldaar reeds bezigwas met het verplegen van eenige derwaarts gebrachte gewonden, had zoodra de komst van Reinouts dienaar niet vernomen, of zij liet hem voor zich verschijnen, ten einde eenig bericht aangaande den slag te ontvangen: en misschien ook wel, om hem te ondervragen betreffende hetgeen haar door vader Syard was medegedeeld. Nauwelijks had Daamke haar het verlangde verslag gedaan, en haar, onder vele betuigingen van verbazing over Reinouts gedrag, hetwelk hij aan ijlhoofdigheid toeschreef, bericht gegeven van zijn boodschap aan den Olderman, of zij verlangde den brief te zien; en, hoewel den inhoud, die in de Italiaansche taal geschreven was, niet verstaande, bemerkte zij dadelijk aan de onderteekening, dat dit stuk hetzelfde moest zijn, waarvan de monnik met haar gesproken had. Ontzet over het gevaar, dat Deodaat boven het hoofd hing (want zij had van verre Sint-Odulf zien branden) en het hart door het pijnlijkste voorgevoel beklemd, gaf zij last aan Daamke, zich onmiddellijk naar Stavoren te begeven, den Heer van Aylva op te zoeken en hem den brief ter hand te stellen; maar op dit zelfde oogenblik kwam haar voogd terug, die, zooals wij gezien hebben, zijns ondanks door Feiko was overgehaald Sint-Odulf te verlaten, en haar, terwijl zij nog bij zich zelve overdacht hoe zij het aan zou vangen om hem den brief mede te deelen, het treurige bericht gaf, dat Deodaat naar alle waarschijnlijkheid in den brand van Sint-Odulf was omgekomen. Hoe verplet over deze maar, welke al de zoete uitzichten van geluk, die een oogenblik te voren haar voor den geest gezweefd hadden, ter neder wierp, behield Madzy echter kracht van ziel genoeg om te beseffen, dat in deze omstandigheden het reeds zoozeer geschokt gestel van haar voogd voor nieuwe ijselijkheden gespaard moest blijven: ja, dat het hem wellicht een instorting en het leven kosten zoude, indien hij thans vernam, dat die Deodaat, wiens dood hij betreurde, geen vreemdeling, maar zijn zoon was geweest. Zij zweeg dan en legde aan Daamke (die buitendien niets wist) het stilzwijgen op: zij bedwong, zooveel dit in haar vermogen was, de aandoeningen harer ziel, terwijl de tranen die zij stortte, door Aylva niet ten onrechte aan haar liefde voor den overledene werden toegeschreven en met welwillendheid verschoond; hij toch kon zich die te beter verklaren, daar hij zelf, zonder de reden daarvan te beseffen, meer leed gevoelde over het lot van Deodaat, dan over het gedrag van Reinout. Dit laatste werd, als te denken valt, door de overige Friezen met den naam van afschuwelijk verraad bestempeld; maar Aylva verschoonde het, uithoofde van ’s jongelings vroegere betrekking met Beaumont: ja zelfs beurde hem het denkbeeld eenigszins op, dat de jongeling, wien hij zich nog niet had kunnen gewennen als zoon lief te hebben, hem voor altijd verlaten had: en Madzy’s eenige troost in al haar lijden was de zekerheid, dat zij de aanzoeken van dien minnaar niet meer te vreezen had: terwijl het haar voorts eenigszins welkom was, dat de Olderman, ten gevolge der landsaangelegenheden, meest van huis was, en zij in eenzaamheid aan haar droefheid den vrijen loop kon laten.
Vader Syard was de eenige, die van het vreeselijke geheim bewustwas en den toestand kende van Madzy’s hart. Hij was op den avond na de slachting te Sint-Odulf op Awert-State gekomen en had aldaar Madzy’s voornemen, om het geheim voor Aylva te verzwijgen, vernomen en goedgekeurd. De aanleiding zijner tegenwoordige komst op Aylva-stins was, om haar mede te deelen, dat het, na vele nasporingen, aan de arbeiders eindelijk gelukt was, het lijk van Deodaat terug te vinden, en dat wel aan den voet des torens, waaruit het hem, vader Syard, thans vermoedelijk voorkwam, dat de jongeling zich had nedergestort: dat men hem herkend had aan de koopmanspij, welke hij aanhad bij zijn komst te Stavoren; doch dat het gelaat onkenbaar was geworden door het vuur: dat wijders op het erf zelf van het klooster op last van den Abt een diepe kuil gegraven was, waar al de binnen den grond van Sint-Odulf gesneuvelden een rustplaats zouden hebben, en dus, hetgeen Madzy zeker tot vertroosting zijn zou, in gewijden grond. De vrome man beloofde daarenboven aan de bedroefde Jonkvrouw, dat hij, ingevolge hare bede, zorg zoude dragen, dat er zielmissen voor den overledene gelezen werden, ter vergelding waarvan zij hem een aanzienlijk geschenk toezeide ter opbouw van het klooster. Tevens gaf hij haar zijn verwondering te kennen, dat de Heer van Aylva, wien hij nu en dan ontmoet had in de te Stavoren en elders gehouden bijeenkomsten, zich niet meer over Deodaat had uitgelaten, dan eens, wanneer hij den monnik had te kennen gegeven, dat, hoe bejammerenswaardig een dood de jongeling gestorven ware, het lot van dezen toch niet verbeterd zoude geweest zijn, al ware hij voor de vlammen gespaard gebleven; vermits hij dan voorzeker een slachtoffer van de volkswoede geworden ware.
Terwijl zij aldus te zamen den droevigen loop bejammerden, welken de gebeurtenis genomen had, verkondigde het gerucht van paarden op de slotbrug de terugkomst des Burchtheers van het lijkfeest; en weldra trad deze binnen met den Abt van Sint-Odulf.
“Gij wachttet den ouden Heer zoo spoedig niet te huis, mijn kind!” zeide vader Volkert, naar Madzy toetredende en haar onder de kin streelende: “wij hebben ook niet lang getafeld. Slechts even twaalf uren: ’t Is waarlijk de moeite niet waard, om er voor aan te zitten:—nu, ’t was ook slechts voor een Hollander; en dan met een Bisschop tot voorzitter, die geen Fries is, en niet met de gebruiken bekend. Hij weet zijn gasten niet aan den gang te houden. ’t Is anders een hupsche borst onze Hoogwaardigste.... Sint-Odulf vergeve mij dat ik zoo van hem spreke; maar hij is vriendelijk en innemend:—ofschoon ik hem net zooveel vertrouwen zoude als een kat in een bontwerkerswinkel:—maar van een lijkmaal te bestieren, daar heeft hij nog geen verstand van. Dan ging het anders, toen Seerp Van Adeelen begraven werd: dat duurde drie dagen: en van de honderd personen, die er onthaald werden, gingen er geen vijf op hun beenen naar huis.—Zoo! en broeder Syard ook hier! ’t Is of gij het geraden hadt, Broeder! dat ik herwaarts komen zou.”
“Uw Eerwaarde had mij gelast, rond te reizen, ten einde giften in te zamelen bij geloovigen, ter herbouwing van ons gesticht,”zeide de monnik: “en het is mij aangenaam u te kunnen mededeelen, dat ik hier, wel niet buiten, maar toch boven verwachting geslaagd ben.”
“Zeer goed! daar twijfel ik niet aan,” zeide vader Volkert, zich nederzettende: “liefdadigheid is altijd een deugd van ons lief Dekamaasch Roosje geweest. Maar komaan, mijn engeltje!” vervolgde hij op een vroolijken toon (want de wijn van het lijkmaal, al had dit te kort naar zijn zin geduurd, was echter goed genoeg geweest om hem in een vroolijke luim te brengen): “gij moet u wat opbeuren; indien gij zoo droevig kijkt, en uw wangen zoo bleek blijven zien, zouden wij genoodzaakt zijn u in ’t vervolg de Lelie van Dekama te noemen: en dat ware jammer;.... hoewel misschien meer naar den aard; want gij voert toch een lelie in uw wapen.”
“Bevindt gij u ongesteld?” vroeg Aylva, Madzy met deelneming naderende en haar de hand drukkende.
“Wel, zou dat wonder wezen?” zeide de Abt: “’t is ook wat erg, zoo twee vrijers op éénen dag te verliezen. ’t Is waar, uw zoon kan nog terugkomen, ofschoon ik hem tegenwoordig niet raden zoude, zulks te beproeven; want hij heeft het hier leelijk laten liggen (met verlof gezegd, en zonder u te beleedigen); maar Seerp Van Adeelen is dood en blijft dood. ’t Is jammer, hij was in den grond een goede vent, en een echte Fries, maar koppig als een stier; daar weten wij best van te spreken, mijn vriend Aylva en ik: hij was lastig genoeg op reis; maar dat alles daargelaten, kindlief, gij moet u wat opvroolijken, zooals ik zeide: denk maar aan de oude profetie: het is immers alles uitgekomen, en volgens de laatste woorden, moet het u nu weer goed gaan; want de plunje des Graven is de roof der Friezen geworden.”
“Helaas!” zeide Madzy, terwijl zij het hoofd weemoedig schudde en haar bleek gelaat treffend afstak bij de karmozijnkleur, die op de wangen des kloostervoogds prijkte: “ik vrees, dat het laatste gedeelte der voorspelling alleen onvervuld zal blijven.”
“Toch niet, mijn hartje! toch niet.—Maar van wat anders: gij moet mij eenige windsels bezorgen en wat boter, eierdooren, nieuwe was en saffraan, tot een zalf voor twee onzer monniken, die beneden zitten en zich bijna niet kunnen verroeren van de blaren aan handen en voeten, ten gevolge van den brand van Sint-Odulf.”
“Ik zal dadelijk aan uw verlangen voldoen,” zeide Madzy, zich gereedmakende om te vertrekken.
“Een oogenblik, mijn kind!” zeide Aylva, haar terughoudende; “het is onnoodig, dat gij u daarmede bezighoudt. Ik heb reeds aan Feiko en aan Sytsken gelast, daarvoor te zorgen.”
“Hoe, mijn waarde voogd?” zeide Madzy, verbaasd stilstaande, want het was de eerste reize, dat de Olderman haar beletten wilde, een liefdewerk in persoon te verrichten.
“Hoe!” herhaalde de Abt: “maar ’t is waar ook, ik dacht er niet aan, dat de twee gebrande broeders nog gezond van harte zijn, en dat, zoo de Jonkvrouw zelve hen ging verbinden, de wondheelster wellicht nog meer nadeel zoude doen dan de wond.Ne nos inducas....’t Is waar ook, maar één ding moet ik toch bij deze gelegenheid zeggen, Heer Olderman! dat gij namelijk dien schurk van een lapzalver (Daamke, geloof ik, is zijn naam) uit uw dienst moet jagen; of dat wij het geestelijk zwaard tegen hem zullen uittrekken.”
“Tegen Daamke!” herhaalde Aylva: “en wat heeft die arme duivel bedreven?”
“Met recht noemt gij hem een duivel; althans hij is van degenen, die den satan, den verleider, dienen en hulp van hem afbidden om kwalen en ziekten te genezen, verwerpende de middelen, die van God gezegend zijn en in ons klooster (of nu, och arm! buiten ons klooster) worden bereid ten dienste van kranksn en gewonden. Heeft hij zich niet onderstaan, de verworpene die hij is, twee van mijn conversen, waarvan de eene een balk op zijn schouder gekregen en de andere zijn dij deerlijk gebrand had, te herstellen met een Italiaansche tooverzalf, die zeker in de apotheek van den kwaden vijand is klaar gemaakt?”
“Ik heb het middel onderzocht,” zeide broeder Syard: “het komt mij voor, niets anders geweest te zijn, dan wat spek en laurierbladen.”
“Wie had u opgedragen, u met dat onderzoek te belasten?” vroeg de Abt eenigszins ontevreden: “om ’t even wat men u vertoond heeft: ik zeg alsnog: er zijn duivelsche ingrediënten bij. Denken wij altijd:libera nos a diabolo: verlos ons van den Booze.—Maar, om van dien verwaten mensch af te stappen: gij zijt altijd netjes en keurig als een serafijntje, Freule! maar heden toch zullen de beste pronksieraden uit de kas dienen voor den dag te komen; want het is geen gewoon bezoek, dat op Aylva-stins verwacht wordt.”
“Geen gewoon bezoek!” herhaalde Madzy: “en wie kan er dan komen voor wien ik mij meer zou moeten opschikken, dan voor uw Eerwaardigheid?”
“Het is zooals de vrome vader zegt,” zeide Aylva: “de Bisschop van Utrecht zal onze nederige woning met een bezoek vereeren, en wij zullen dus eenige schotels meer aan den disch moeten hebben.”
“De Bisschop!” herhaalde Madzy, verbleekende: “de Bisschop van Utrecht!”
“Nu ja!” zeide de Abt: “gij behoeft daar niet zoo voor te schrikken: ’t is geen oude weerwolf, die u aan zal zien alsof hij u wilde verslinden; maar een aardig, beleefd jonkman, die zijn woord wel weet te doen:—’t zou mij niet verwonderen, zoo hij dames medebracht; want er is heden een heel troepje vrouwlui te Bolsward aangekomen; en zoo ik hoor, vroegen zij naar den Bisschop.”
“Hij zal zijn bijzitten toch niet hier brengen!” mompelde Aylva binnensmonds:—“maar neen; dat kan niet zijn. Een Arkel heeft daartoe te veel gevoel van betamelijkheid.—Nu Madzy!” vervolgde hij overluid: “doe uw best, mijn kind! want ik verzeker u, de Bisschop is een kenner aan tafel en weet over pastijen en taarten te redeneeren als de beste kok.”
“Ik zal.... ik zal uwe bevelen volgen....” stamelde Madzy:“maar ik vrees.... zoo slechts de tijd mij niet ontbreekt.... Heilige Maagd! wie kon dat verwachten?”
“Wat verwachten?” vroeg Aylva, verwonderd; maar dadelijk voegde hij er met minzaamheid bij: “’t is of gij angst hebt voor de komst van iemand, die u geheel onbekend is. De Bisschop weet, dat gij onvoorbereid zijt: hij zal het eenvoudige voor lief nemen. Maar hoor! men blaast aan de slotbrug: daar is hij zelf.”
“En een half dozijn vrouwspersonen met hem,” zeide de Abt, uit het venster ziende: “wat heb ik u gezegd?”
“Waarlijk?” riep Aylva misnoegd uit: “dat had ik niet van hem verwacht.”
“En dit is de man, die tucht in onze kloosters zou brengen,” zuchtte vader Syard.
Eenige oogenblikken gingen voorbij, waarin elk der aanwezigen een diep stilzwijgen bewaarde. Aylva stond midden in de zaal, in de houding van iemand, die gasten ontvangen gaat, welke hem slechts half welkom zijn; maar ten opzichte waarvan hij de vereischte beleefdheid dient in acht te nemen: de Abt was bezig om zijn gewaad, hetwelk nog bestoven was van de reis, met een schuiertje op te knappen. Madzy stond als aan den grond genageld, onzeker of zij gaan of blijven zoude: en vader Syard was in een donkeren hoek teruggetreden, nieuwsgierig om te zien, welke houding Arkel zoude aannemen, maar toch gereed om, zoodra hij zulks gevoeglijk doen kon, het vertrek te verlaten.
Eindelijk gingen de dubbele zaaldeuren open en de Bisschop trad binnen; maar zonder eenig gevolg. Hij groette Aylva met wellevendheid, schudde den Abt op een gulle wijze de hand, en zich vervolgens tot Madzy wendende, boog hij het hoofd, zonder dat een enkele trek op zijn gelaat verried, dat hij haar vroeger gekend had.
“Deze is ongetwijfeld de erfdochter van Dekama,” zeide hij, met een vriendelijken blik tot den Olderman: “voorwaar! wie haar aanziet, kan gemakkelijk besluiten, dat zij niet langer onder uwe voogdij zal behoeven te blijven, dan zij zelve verkiezen zal.—God zegene u, mijn dochter!”
Madzy boog zich, zonder nauwelijks het oog te durven opslaan: zij kon bijna niet gelooven, dat de man, die voor haar stond, in geestelijk gewaad gedost, en die op een zoo minzamen en bedaarden toon tot naar sprak, dezelfde opbruisende jongeling ware, die te Utrecht aan haar voeten had gelegen. Eindelijk waagde zij het, naar hem op te zien: inderdaad, zij kon Arkel bijna niet herkennen, zoo geheel veranderde hem zijn tegenwoordige kleeding, bestaande uit een reismantel en kap van best Haarlemsch linnen, dat in breede, niet onbevallige plooien om zijn welgevormde leden hing: en waaronder hij, in weerwil van de verbodswetten en kerkelijke verordeningen, een zijden kleed droeg, rijkelijk met bont geboord, en van voren met een juweelen gesp gesloten. Een oogenblik nog twijfelde zij, of haar Stichtsche minnaar zich wellicht een waardigheid had toegekend, welke hij niet bezat; maar toen hij, om haar verlegenheid en op het zien van de gebaren van vader Volkert (die, achter Aylva om, nietophield van haar wenken te geven, dat zij voor den Bisschop knielen en zijn zegen af moest smeeken), den glimlach niet bedwingen kon, die op zijn lippen zweefde, toen hield alle twijfel bij haar op.