Zeven-en-twintigste Hoofdstuk.

De Veerman aan de Lek.Jan Carels zit aan het LekkerveerEn vaart met zijn pontje al heen en weer:En wie aan Jan Carels geen tol betaalt,Hij wordt met zijn pontje niet overgehaald.Daar roept hem een monnik, een man van verstand:“Ei spoedig! gij veerman! naar d’ overkant!”“Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:“Maar heb je nu al in de beurs getast?”—“De monniken dragen geen beurs op zij.”“Dan spreek je mij straks van mijn zonden vrij.De pater zijn tol met een aflaat betaalt,Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald!”—Daar roept hem een kook’ler, een geestige kwant:“Ei, spoedig! gij veerman! naar d’ overkant!”—“Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:“Maar heb je nu al in de beurs getast?”—“Mijn aapje is kaal en zijn baas is als hij!”“Welaan dan: zoo doe hij drie sprongen voor mij;De kook’ler zijn tol met een kunstje betaalt,Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald!”—Daar roept hem een meistreel, de veêl in de hand:“Ei spoedig! gij veerman! naar d’ overkant!”—“Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:“Maar heb je nu al in de beurs getast?”—“De meistreel is arm, geloof mij vrij.”“Welaan dan: zoo zingt gij een deuntje voor mij.De meistreel zijn tol met een liedje betaalt,Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald.”—Daar roept hem een meisje, een bloem in de hand:“Ei spoedig: gij veerman! naar d’ overkant!”—“Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:“Maar heb je nu al in de beurs getast?”—“Och, veerman, zoo waar, ’k heb geen penning bij mij.”—“Zoo schenk mij uw bloem en een kusje daarbij.”Het meisje haar tol met een kusje betaalt,Of zij wordt door Jan Carels niet overgehaald.”—Daar roept hem een Heer, rijk in goed en in land:“Ei spoedig! gij veerman! naar d’ overkant!”—“Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:“Maar heb je nu al in de beurs getast?”—“Neen lomperd, van veergeld is de adeldom vrij.”—“Dan blijf je maar, vriendje, aan de overzij;Want wie aan Jan Carels geen tol betaalt,Die wordt met zijn pontje niet overgehaald.”Hij had zijn lied geëindigd, toen zich reeds eenige wapenknechten, die hier aan de voorposten stonden, en deels op hun strijdkolven, zeisen of bogen leunende, deels langs den weg nederzittende, zijn gezang beluisterden, met een vroolijk gelach, hetwelk aan Madzy toteen goed voorteeken verstrekte, onze reizigers kwamen omringen.“Welzoo, meester hansworst! alweer terug?” riep een der soldaten hem toe: “en nogal wel met uw aap?—Begon het u in Utrecht al te vervelen?”“Men heeft er een al te schralen pot,” antwoordde Daamke, “voor lieden, die houden van volop te schransen, gelijk meester Cezar en ik.”“Ik geloof het wel,” hernam de krijgsman: “en wat mij het meest verwondert, is dat men er u beiden niet aan ’t spit gestoken heeft, en uw ezel er bij. Maar, bij mijn zolen! uw gezelschap is verdubbeld sedert hedenmorgen.”“Bij Sint-Julfus!” zeide Daamke: “dat is buit, dien ik gemaakt heb: gevangenen van mijn zotskolf, die ik uit de mijterstad medebreng. Plaats! plaats! ruimbaan voor Daamke den alwillensdwaas en zijn gevangenen.” En hij deed deze woorden vergezeld gaan door eens dapper met zijn zotskolf in de rondte te zwaaien.“Hou! hou! dat gaat zoo gauw niet,” zeide de krijgsknecht: “wij moeten eerst uw gevangenen eens bekijken: of denkt gij, dat wij die jonge meid, die daar met u trekt, op een paard, dat een Ridder zou passen, tolvrij zullen laten doorgaan? en dien monnik, zonder dat hij een veer zou laten?—Neen man! gij hebt het zelf gezongen; een kusje van de deerne; en de pater zal onsabsolutiegeven voor al de zonden, die wij bedreven hebben of nog voornemens zijn te bedrijven.”Madzy ontstelde eenigszins op het hooren van deze redenen; vooral toen zij de onbeschaamde blikken bespeurde, welke sommigen uit de bende op haar wierpen, en de grove uitdrukkingen hoorde, waarvan zich deze en gene onder hen bediende.“Waar is uw aanvoerder?” vroeg Feiko, vooruitrijdende: “Jonker Zweder heeft ons hedenmorgen uit diens naam veroorloofd ongehinderd te gaan en terug te keeren.”“Tut! tut!” zeide een van de bende: “hij zou wel dwaas zijn, die hem roepen ging. Elk zijn beurt, vriendje! De kans is nu voor ons, en niet één zal er door zonder tol te betalen.”“Ik heb er niets tegen om u een klein rantsoen te betalen,” zeide Madzy: “noem uw eisch; maar bedenk, dat wij arme reizigers zijn.”“Arm of niet,” zeide de soldaat, Madzy naderende, en de beweging makende, alsof hij haar van het paard wilde helpen: “een mooi meisje, dat haar rantsoen met kusjes betalen kan, is altijd rijk genoeg.”Madzy gaf een flauwen kreet van angst; maar Feiko, in gramschap ontstoken over de onbeschaamdheid des lansknechts, dreef zijn paard met zulk een geweld tegen dezen aan, dat hij achterover tuimelde. Op hetzelfde oogenblik waren twintig strijdbijlen en kolven opgeheven en bedreigden den getrouwen Fries, die, zich evenmin door het aantal latende afschrikken, als hij zulks te Haarlem gedaan had, zijn knuppel met beide handen rondzwaaide en op de hoofden der aanvallers deed nederkomen.“Wij zijn op de flesch!” riep de hansworst, wiens dapperheid, gelijkons vroeger gebleken is, niet van de schitterendste was: en meteen vierde hij de teugels van zijn ezel. Het dier holde met een snelheid voort, alsof het in Navarre, dat vaderland der beste grauwtjes, geboren ware geweest. Wel zonden hem de boogschutters eenige pijlen achterna; maar de tooverkast, die den nar op den rug danste, verstrekte hem tot een schild: en in weinige oogenblikken was hij uit het gezicht.Wat Madzy betrof, op hetzelfde tijdstip, waarin de kloeke daad van Feiko de aandacht der bende op hem had gevestigd, was de cistenser monnik haar op zijde gekomen.“Vlucht!” zeide hij: en meteen den teugel van haar paard grijpende, zette hij het zijne in galop; maar, om de pijlen te vermijden, volgde hij niet de groote heirbaan zelve, doch stuurde de beide rossen een zijlaan in, die evenwijdig met den landweg liep, van welken zij door een rij berkeboomen was afgescheiden.Madzy, onmachtig de snelle vaart te bedwingen, welke de monnik aan haar paard gegeven had, reed een wijl hijgende en schier sprakeloos naast hem: nauwelijks waren zij echter een honderd roeden verder, of zij greep den monnik angstig bij den arm: “Om Gods wil!” riep zij: “laten wij niet verder gaan! Zij zullen den armen Feiko vermoorden!”Maar de monnik scheen òf weinig over het lot van den dienaar bekommerd te zijn, mits het hem slechts gelukte, de meesteres in veiligheid te brengen, òf te beseffen, dat zij, door terug te keeren, slechts zich zelven in gevaar zouden brengen, zonder Feiko van eenigen dienst te kunnen wezen: terwijl juist diens achterblijven een afleiding ten hunnen voordeele verwekte. Hij gaf dan ook geen antwoord; maar moedigde, met het korte zweepje, dat hij in de hand had, het paard van Madzy aan om met des te meer snelheid voort te rennen.Het gevaar was echter slechts tijdelijk voorbij; want zij waren nog maar een voorpost doorgekomen en mochten dus met recht weldra een nieuw oponthoud verwachten. Dit deed zich zelfs spoediger op dan zij dachten. Eenige roeden verder maakte de weg een bocht, en bevonden zij zich eensklaps op een open pleintje, waar zij een schouwspel zagen, wel geschikt om hun bezorgdheid gaande te maken.De plaats, waar zij gekomen waren, was omtrent cirkelvormig en met een dubbele rij stevige rasters omringd, welker punten naar hen waren toegekeerd. De ingang was nauw en werd ’s nachts door een valboom gesloten, welke nu echter was opgehaald. Links stonden eenige tenten, onderscheiden in vorm en grootte: op sommige prijkten banderollen, welke den rang en adeldom der bewoners aankondigden. Tegenover de tenten zag men karren en ander voer- en oorlogstuig. Krijgsknechten van onderscheiden wapen wandelden heen en weer of waren bezig met het polijsten en opscherpen hunner bijlen en seizen: enkelen ook met het spel: timmerlieden waren werkzaam aan het vervaardigen of bruikbaar maken van allerlei storm werktuigen:—in ’t kort, het was een tooneel vol gewoel;—maar op het oogenblik, dat Madzy en haarreisgenoot aan den ingang kwamen, scheen de aandacht van al de aanwezigen op eenmaal te worden afgetrokken door zeker voorwerp, dat zich midden op den weg bevond, en waar omheen zich allen ras verzamelden. Wat het echter ware, kon noch de Jonkvrouw, noch de monnik ontdekken, daar de toevloed der omstanders gedurig aangroeide en zulks verhinderde.De monnik had voor den ingang de beide paarden doen halthouden en van onder zijn kap eenige donkere blikken om zich heen geslagen, ten einde te ontdekken, of er geen mogelijkheid ware, zijn weg te vervolgen, zonder de gevreesde omheining binnen te rijden; maar hij zag spoedig, dat hiertoe geene mogelijkheid bestond: en terwijl hij dus besluiteloos rondzag, reed Madzy, die inmiddels haar tegenwoordigheid van geest herkregen had, onvervaard het poortje binnen.“Verzoek uw hopman hier te komen,” zeide zij, zich met waardigheid tot een ouden krijgsknecht wendende, die met een speer op den schouder kwam zien, wat dit bezoek te beduiden had.“Wat duivel! komt gij uit de lucht vallen?” vroeg de speerman, over deze toespraak en nog meer over hun onverwachte verschijning verwonderd: “slapen zij op de voorposten? Ziedaar een dronken hansworst, een monnik en een jonge deerne, die zij doorlaten en ons zonder geleide op ons dak sturen, alsof het kamp een kroeg ware, waar elke leeglooper onverhinderd insnijdt.”Madzy achtte het onnoodig den nieuwsgierigen krijgsman te antwoorden, dat men aan de voorposten waakzaam genoeg was. “Ga!” zeide zij: “en haast u, bevel aan de voorposten te zenden, om den man, met wien zij bezig zijn, geen leed te doen, maar onverhinderd hier te brengen.”“Wat hamer!” zeide lachende een uit den hoop (want inmiddels waren ettelijke krijgslieden naar dit nieuwe voorwerp hunner nieuwsgierigheid komen aan wandelen): “zijn wij onder ’t spinrokken vervallen, dat wij bevelen ontvangen van een jonge meid?”“Gij kunt vrij lachen,” zeide de speerman, die het eerst gesproken had, en wien een grijze baard en een verbrand, met een paar breede litteekens versierd gelaat als een ouden gediende leerde kennen: “er moet iets aan de voorposten gebeurd zijn: en ik geloof, dat ik wel zal doen, te handelen juist zooals die deerne het mij verzocht.”“Zie dien ouden snoeshaan,” hernam de andere soldaat: “altijd hoffelijk, als ware hij een Ridder, die zijn meisje dient.”“Eene zeer juiste aanmerking,” zeide de veteraan: “waarvoor gij, Gilles Adriaansz! het voorrecht zult hebben met uw vijf man naar den voorpost te gaan en te zien of alles rustig is.—Zoo er lieden aangehouden zijn, breng ze hier. Ik zal zelf naar den hopman gaan.”Dit gezegd hebbende, richtte hij zijn schreden naar eene der tenten, terwijl Gilles Adriaansz, weinig tevreden met den hem opgedragen last, waartegen hij zich echter niet dorst te verzetten, de vijf man, welke onder zijn bevel stonden, bijeenriep en met hen naar den voorpost wandelde.“Wat wilt gij?” vroeg de monnik met een fluisterende stem aan Madzy.“Mijn oogmerk is, bij den hopman op een vrijgeleide aan te dringen: zoo hij mij weigert, welaan! dan zal ik mij bekend maken en den uitslag afwachten. Hetzij dan een klooster in ’s Hemels naam.”De monnik scheen te willen antwoorden: maar hij weerhield zich: en een doffe zucht was het eenige blijk van verwondering of ontevredenheid dat hem ontsnapte.In dit oogenblik werd Madzy’s aandacht door een ander schouwspel gewekt. De hoop, die het midden van het plein vervulde, was gedund en gedeeltelijk uiteengegaan, en liet haar den armen hansworst zien, die, van zijn ezel gevallen zijnde, met zijn kast, waarin eenige pijlen staken, op den rug, niet kwalijk op een stekelvarken geleek, en langs den grond kroop, onder het aanheffen van droevige weeklachten.De goede Madzy, wanende dat de arme Daamke een wond had bekomen, stuurde haar ros naar hem toe en vroeg hem met deelneming of hij gekwetst ware.“Gave de goede God,” zeide de hansworst, “dat de pijl mij getroffen had, en niet mijn trouwen vriend en makker.”“Hoe!” vroeg Madzy: “wie dan? wie is gewond?”“Zijn broertje is gewond,” riepen verscheidenen onder de omstanders lachende uit.Nu eerst zag Madzy, dat het voorwerp van Daamke’s bittere smart geen minder persoon was, dan de behendige meester Cezar, die, terwijl de hansworst voor de op hem afgeschoten pijlen vluchtte, het gewaagd had, eens over de kast heen te kijken en in dat noodlottig oogenblik een pijl door den kop gekregen had. Het arme dier lag levenloos in den arm zijns meesters, die het met de teekenen der diepste droefheid aan zijn hart drukte en met heete tranen bevochtigde.“Lacht vrij, steenen harten!” kreet hij: “lacht vrij: er zullen nimmer zoovelen om zijn dood lachen, als hij bij zijn leven lachen deed; maar uw arme meester zal niet meer lachen, nu gij hem ontnomen zijt, mijn lief en aardig snaakje! Ach! hoe netjes kon hij op ’t commando een buiging maken voor ’t gezelschap, en doodliggen, net zooals nu!—maar nu zal hij niet weer opstaan, en het is over met al zijn grapjes, over voor altijd! Och! wat hebben wij al samen doorgebracht! en lief en leed, zoet en zuur altijd gedeeld! en dat ik u nu zoo moet verliezen! och! och! ik ben alles kwijt:—mijn meester; die zelfs de beste kokelers van Gaskonje in bekwaamheid overtrof! en mijn Cezar, die hooger sprong dan een springer van Poitou! Och! ik heb alles verloren!”Ofschoon Madzy juist niet veel verplichting aan den overledene gehad had, gevoelde zij zich niettemin geroerd door den toon van innigen rouw, waarmede de hansworst zijn verlies betreurde. Het was duidelijk te zien, dat zijn smart bij den dood van zijn ruigen metgezel niet daaruit ontsproot, dat hij met hem de bron van zijn winsten en bestaan verloor, en dat hij hem ook niet beklaagde, gelijk een kind zijn vogel of een oude huishoudster haar mopshond betreurt, uit eenig kinderachtig zwak voor het beest; maar dat zijn gevoelsproot uit een oprechte, teedere verknochtheid, die het gevolg van een langdurigen, schier broederlijken omgang was, en van alle denkbeelden van baatzucht afgescheiden.Onze heldin had echter niet lang tijd om haar meewarigheid te toonen; de oude speerman keerde terug met een jeugdigen schildknaap, die haar de boodschap bracht, dat zijn meester haar wachtende was, en haar tegelijk de hand bood om haar van ’t paard te helpen. Terwijl zij, afstijgende, den knaap bedankte, zag zij hem in ’t gezicht, en het kwam haar voor, als had zij hem voordezen nog eens ontmoet. De spotachtige glimlach, die op zijn lippen zweefde, scheen deze meening te bevestigen.De monnik steeg insgelijks af, als met het oogmerk om zijne reisgenoote te vergezellen; maar de veteraan verhinderde dit: “de Ridder heeft nog onlangs gebiecht,” zeide hij: “hij heeft nu alleen van de deerne gesproken:—misschien,” voegde hij er bij, lachende om zijn eigene geestigheid, “zal hij een priester noodig hebben als het meisje van hem af is.”De monnik trilde van toorn; maar hij hield zich in; en tegen zijn paard leunende, bleef hij staan, als in diep gepeins verzonken, terwijl de naastbijstaande knechten meenden hem in zich zelven te hooren mompelen: “ja! ’t is misschien beter, dat zij alleen gaat.... wie zou haar kunnen weerstaan?” Sommigen echter merkten op, dat hij gedurende Madzy’s afwezigheid blijken gaf van innerlijke onrust en dat hij meer dan eens met de hand krampachtige bewegingen maakte en onder zijn kleed voelde, alsof hij een wapen zocht om zich tegen een onverwachten aanval te verdedigen.Ondertusschen was Madzy haar jeugdigen leidsman gevolgd, die haar, tusschen twee rijen tenten door, geleidde naar die des bevelhebbers.“Onze goede Heer van Beaumont is thans niet in het kamp,” zeide de schildknaap, haar op een prachtig paviljoen wijzende, dat gesloten en waar de banier van afgenomen was: “hij is den Graaf gaan bezoeken, die een wond aan den voet bekomen heeft. Daarom breng ik u bij mijn meester, die in zijn afwezigheid over dezen post bevel voert.”“En wie is uw meester, goede schildknaap?” vroeg Madzy.“Ho! Jonkvrouw!.... dat zult gij ras bespeuren.... iemand, wien de schoone Madzy niet vergeefs om een gunst zal vragen, dat beloof ik u.”“Gij kent mij?” zeide zij verbaasd:.... “maar nu ik mij wel herinner, ik heb u ook gezien, in een anderen dos!—zijt gij niet de neef van die vriendelijke Jonkvrouw van Naaldwijk, welke mij op den Vogelesang met zooveel hartelijkheid behandelde?”“Juist geraden, schoone Jonkvrouw! Ik ben Zweder van Naaldwijk, en heb de muts van den page voor den stormhoed verwisseld, om de edele wapenkunst te leeren bij den braven Ridder, voor wiens tent wij ons thans bevinden.”Dit zeggende hield hij stil voor een paviljoen, dat wel niet zwierig of prachtig, maar toch ruimer scheen dan de overige. Eenschildknaap, ouder dan Zweder, stond voor den ingang bezig met een klein hamertje de bulten en blutsen uit zijns meesters harnas te kloppen.Na aangediend te zijn, trad Madzy de tent binnen. Het eerste voorwerp, waar haar oog op viel, was een sluier, met zilveren lieren geborduurd en afhangende over een wapenrusting, die midden in de tent prijkte. Haar tweede blik viel op den bewoner der tent: en zij had moeite om zich staande te houden, toen zij in dezen de onvergeetbare trekken bespeurde van hem, wiens beeltenis haar zoo vaak voor oogen zweefde, van Deodaat van Verona.De verrassing van den Ridder was groot: echter minder dan de hare; want Zweder had hem reeds gemeld, dat hij Feiko verlof gegeven had om binnen Utrecht te gaan; maar weinig had hij durven hopen, dat die trouwe dienaar zoo voorspoedig in zijn onderneming geslaagd zou zijn, om denzelfden dag nog, en wel met Madzy terug te keeren.Een vroolijke glimlach helderde het gelaat des Ridders op: hij gaf Zweder een wenk om zich te verwijderen en, de eenige zitbank opnemende, welke zich in de tent bevond, zette hij die voor Madzy neder, terwijl hij intusschen geene andere woorden vinden kon om zijn blijdschap te schetsen, dan: “is het mogelijk? welk een gezegend toeval vergunt mij dit genoegen? ’t Is meer dan ik had kunnen hopen of verwachten!”“God zij geprezen! gij leeft dan nog,” was alles wat Madzy uit kon brengen: haar gemoed was zoo vol, de verrassing zoo volkomen, en haar blijdschap zoo groot, dat zij zich op het punt gevoelde van in flauwte te vallen. Terwijl zij wankelende een steun zocht, onderving haar de arm van Deodaat. Zij zonk met het hoofd tegen zijn schouder en weende.O! welk een vloed van zoete, van hemelsche aandoeningen doorstroomde het gemoed des jongelings. Zij, welke hij zoo onuitsprekelijk teeder beminde, zij, welke hij gevreesd had nimmer terug te zullen zien, zij lag vertrouwelijk in zijn arm: haar adem beroerde zijn wang en hare tranen getuigden, dat het weerzien haar niet onverschillig was. Met welk een onstuimige vreugde sloeg hem het harte, toen hij het hare daartegen voelde kloppen! Maar wat wagen wij, het gevoel te malen, dat zijne ziel vervulde? Al wie, gelijk hij, eenmaal het geluk heeft gesmaakt, van het geliefde voorwerp na een scheiding, die men eeuwig dacht, terug te zien, zal die gewaarwordingen gevoelen; voor anderen zouden wij die vruchteloos beschrijven.Weldra echter vervloog als een zalige droom de zoete vreugde, welke ook Madzy in deze omarming smaakte, en vertoonde zich het wezenlijke van haar toestand voor haar oogen. Zij schaamde zich, aan hare zwakheid te hebben toegegeven. Zachtjes maakte zij zich uit de armen van Deodaat los, eer deze nog de stoutheid had durven gebruiken, om het gunstige oogenblik waar te nemen en op den mond, wiens adem hij voelde, een vurigen kus te drukken: zij zette zich op de zitbank neer en zag bedeesd voor zich.“Madzy! aangebeden Jonkvrouw!” stamelde Deodaat, terwijl hijvoor haar nederknielde, en hare handen met eerbiedige liefde aan hart en lippen drukte.“Ridder! dit moet zoo niet zijn,” zeide Madzy: “ons laatste onderhoud heeft al reeds genoeg gekost: ik verheug mij hartelijk, u weder hersteld te zien.”“De wond is spoedig geheeld geweest,” zeide Deodaat: “en zou ik die niet zegenen, nu zij mij het genoegen verschaft van een woord van belangstelling uit uwen mond te vernemen!”“Ridder!” zeide Madzy, weemoedig het hoofd schuddende: “waartoe dient het, een ongelukkig meisje, dat al genoeg geleden heeft, met ijdele plichtplegingen te overladen! De oogenblikken zijn te kostbaar en het zal toch de laatste reis zijn, dat wij elkander zien.”“IJdele plichtplegingen!” riep Deodaat: “ach! kunt gij dit ernstig zeggen?—maar gij hebt gelijk:—ik herinner mij ter goeder ure, dat gij de verloofde bruid van Seerp Van Adeelen zijt.”“Seerp Van Adeelen zal nimmer mijn echtgenoot worden; hij zelf, hij heeft mijn hand afgeslagen.”“Mijn God!” riep Deodaat: “waar kan de man bestaan, die zulk een prijs weigert?”“Veroordeel hem niet,” zeide Madzy, blozende en verward: “hij moest denken dat ons gesprek op den Vogelesang een.... het gevolg van een afspraak was.... en dat ik u.... dat mijn hart.... in ’t kort, hij beschouwde mijn gehouden gedrag uit een ongunstig oogpunt.... en misschien had hij niet geheel ongelijk.... ik had u nooit moeten aanhooren.”“Gij zijt wederom vrij!” riep Deodaat, wiens oogen van vreugde fonkelden: “en waarom zou dan mij de hoop worden afgesneden?”“Helaas!” zeide Madzy, terwijl haar blauwe oogen, door tranen bewolkt, hem aanzagen met een onbeschrijfelijke uitdrukking van teederheid en weemoed: “waarom schept gij er behagen in, mij en u zelven te kwellen, door een vooruitzicht te willen voeden, dat nimmer kan verwezenlijkt worden?”“En waarom, vraag ik op mijne beurt,” zeide de Ridder, “waarom zoudt gij, uit wier lieve oogen slechts zachtheid en welwillendheid spreken, zoo wreed zijn, om mij de laatste troosteres des menschdoms, de hoop, te ontzeggen? Zal een teedere, belangelooze liefde niet in staat zijn uw hart voor mijn smeekingen gevoelig te maken? O! verschuif het tijdstip zooverre gij wilt; maar ontzeg mij het uitzicht niet, van u eenmaal de mijne te mogen noemen.”“Ridder!” hernam Madzy, op een minzamen, doch vasten toon: “ik wil u oprecht antwoorden. Indien ik in deze streken geboren ware, of gij een Fries waart, zou mij misschien het aanbod uwer liefde niet onverschillig zijn. Ik heb achting voor u,.... en mijn hart had u wellicht boven anderen verkozen.... neen!—spaar uwe betuigingen en antwoord mij nog niet: ik heb niet uitgesproken.—Gij zijt geen Fries, Ridder! en mijn landaard, altijd afkeerig van vreemden, zou thans meer dan ooit de dochter van Friesland verachten, die hare bezittingen in de handen van uitlanders deed overgaan. Haat en vervolging zouden mijn loon zijn, indien ik totzulk een stap besloot: en daarin zoudt gij deelen:—wij zouden het land mijner vaderen moeten verlaten:.... ook dat, zult gij zeggen, ware slechts een geringe opoffering voor al, wie zulks met het beminde voorwerp doet; en het kan zijn, dat geene bezittingen opwegen tegen armoede met den lieveling van ons hart;—maar!—ik zou een grooter schat verliezen en dien wil ik niet opofferen:—mijn goede naam ware onherstelbaar verloren.”“Uw goede naam!” herhaalde Deodaat, verbaasd, ja eenigszins gevoelig: “’t is waar, mijn geboorte is nog duister; maar mijn eer is onbevlekt.”“Gij misduidt mijne woorden. Oordeel zelf: Adeelen verdenkt mij: door u te huwen, zou ik zijn vermoedens niet alleen bevestigen, maar geheel Friesland zou in den waan geraken, dat ik mijn bruidegom verraden had om eenen anderen mijn min te schenken.”“Adeelen verdenkt u!” herhaalde Deodaat, zich voor ’t hoofd slaande: “ik dwaas! en ik ben de oorzaak van uw verdriet. Helaas! ik gevoel het: gij behoordet mij te haten; maar ik zweer het u, zoodra mijn plicht het gedoogt, zal ik den trotschen stijfkop in Friesland komen opzoeken: en wee hem! zoo hij zich een woord durft laten ontvallen, dat beleedigend voor uwe eer mocht zijn.”“Een dergelijke onvoorzichtigheid zou slechts verkeerde uitwerkselen hebben,” zeide Madzy: “mijn land is niet als Frankrijk, waar de eer van een vrouw aan de punt van ’t zwaard hangt.”“Gij hebt misschien gelijk,” zeide Deodaat: “en toch behoort er iets gedaan te worden. Madzy! op mijn woord, op welken hoogen prijs ik uw bezit zoude stellen, toch zag ik u nog liever de gade eens anderen, dan dat de minste vlek op uw naam kleefde, die ik er af kon wasschen.”“Wel!” hernam de Jonkvrouw: “laat ons dan beginnen met voor het tegenwoordige te zorgen. Een langer onderhoud met u zou juist geschikt zijn, om stof te geven aan de opspraak, die gij voorkomen wilt. God weet het: het is mij lief, u wèl gezien te hebben; maar had ik geweten, dat men mij tot u voerde, ik had mij wel gewacht dit onderhoud te vragen.”“Hoe!” zeide de Ridder: “gij wist niet.... en wien zoekt gij dan?”Madzy was juist begonnen hem een kort verslag te geven van haar oogmerk om naar Friesland te trekken, toen de gedachte, dat Feiko misschien het offer van zijn trouw geweest was, haar op eens als een dolksteek door ’t hart kwam, en zij zich zelve bitter verweet, om hare dwaze liefde, dien braven dienaar een oogenblik te hebben vergeten.“Om Gods wil, Ridder!” zeide zij, “mijn trouwe Feiko!.... hij is aan de voorposten slaags geweest met uw volk! ik ben doodelijk bekommerd over hem.”“Wij zullen naar hem laten vernemen,” zeide Deodaat: “Zweder!”De jonge schildknaap trad binnen.“Ga eens vernemen wat er van den man geworden is, die aan de voorposten gevochten heeft.”“Ik ben zooeven naar het wagenplein geweest,” zeide de knaap:”de man is er afgekomen met eenige builen: zij hebben hem wel gebonden en wachten op uw bevel omtrent hem.”“God zij geloofd!” zeide Madzy: “waarlijk, de goede Feiko was misschien wat haastig; maar hij wilde mij verdedigen tegen....”“Hoe!” riep Deodaat! “men heeft u aan de voorposten durven beleedigen?”“Ik bid u,” antwoordde Madzy, reeds vreezende te veel gezegd te hebben: “laat dit geval niet nader onderzocht worden. Ik wil niet, dat er om mijnentwil iemand leed geschiede.”“Zooals gij verkiest is het wel! Zweder! ga, en zeg dat men den man ontboeie.—En nu, Jonkvrouw! verschoon mij, gij waart op het punt van mij te gaan verhalen....”Madzy voldeed aan zijn verzoek en deelde hem mede, hoe zij van Utrecht naar de zeekust reizen wilde, om aldaar een gelegenheid te zoeken, ten einde naar Friesland over te steken, en vrijgeleide voor haar en de haren verzocht. Zij verzweeg al wat tot hare gevangenschap betrekking had, ten einde de gelofte van geheimhouding niet te breken, die zij den Bisschop gedaan had. Zij besloot, met aan Deodaat te verklaren, dat, indien hij door zijn plicht gehouden was haar aan den Graaf over te leveren, zij zich te dien opzichte aan zijn bescheidenheid overliet, en niet begeerde, dat hij om harentwil zijn krijgsmanstrouw te kort zou doen.“Ik heb betreffende u geene bevelen van mijn Graaf ontvangen,” zeide Deodaat: “ook geloof ik, dat het bevel om u in een klooster te plaatsen slechts het gevolg eener overijlde drift was, en hem sedert lang ontgaan is. Maar al had hij mij een zoodanigen last gegeven, dan nog zou mijn ridderplicht, die mij heiliger is dan mijn plicht als ’s Graven dienaar, mij hebben voorgeschreven, dien ronduit af te slaan. En hij zelf zou mij in een bedaard oogenblik hebben dank geweten, dat ik hem een dwaze daad bespaard had.”“Ridder!” zeide Madzy, hem haar hand toereikende: “gij zijt een edel mensch! en waar ik mij ook moge bevinden, ik zal u mijn leven lang met een dankbaar hart gedenken.—Maar nu.... o! bedenk wat ik zeide: wij moeten scheiden.”“Ach,” riep Deodaat: “hoe kunt gij tevens zoo goed en zoo wreed zijn? Gij zijt als de Engelen, die (gelijk mij wel verhaald is) aan den Heiligen Mozes het beloofde land toonden, maar hem niet toelieten, daar binnen te gaan. En toch, zoo zoet zijn mij uwe woorden, dat ik de ellende, waarin een hulpelooze liefde mij stoot, tegen geen geluk ter wereld zou willen verruilen.—Dan genoeg!—Hier scheiden wij!—Ik durf mij zelfs het genoegen met vergunnen, u tot buiten de deur te geleiden: een uwer dienaars mocht mij herkennen: en ons onderhoud, hoe kort het ook geweest zij, zou argwaan kunnen wekken indien ik u vergezelde.—Zweder! Zit terstond op en neem zes ruiters met u!—geleid deze.... dit meisje met al wie tot haar gezelschap behooren tot aan de poorten van Amersfoort. Noch aan haar, noch aan iemand der haren mag het minste leed gedaan worden, of ik zal het gestreng straffen. En laat Boudewijn intusschen het paard van de.... van dit meisje hier brengen. Gij hebt mij verstaan.”“Volkomen, Heer Ridder! ik zal voor de Jonkvrouw zorgen als ware zij mijn liefste,” zeide Zweder, met een kluchtige deftigheid.“Hoe nu, knaap! weet gij....?”“Uwe Edelheid weet zoowel als ik,” antwoordde Zweder, “dat men Jonkvrouw Madzy Dekama niet miskennen zal, wanneer men haar eens gezien heeft. Maar Uwe Edelheid kan op mij staat maken. Ik kan hooren, zien en zwijgen;—daarvoor ben ik page geweest.”Met deze woorden verwijderde de schalk zich uit de oogen zijns meesters, wiens voorhoofd zich reeds begon te fronselen. Want als men verliefd, en hopeloos verliefd is, is men weinig geneigd om jokkernij te verdragen.Slechts enkele woorden wisselden de beide gelieven na het vertrek van Zweder. Echte liefde en weemoed zijn niet spraakzaam: en wat zouden zij elkander meer gezegd hebben, dat zij niet reeds wisten of gevoelden? Ja zelfs schenen beiden, als het ware, verlichting te ontvangen, toen het hoefgetrappel en het gebriesch der paarden het uur van scheiden aankondigde.Deodaat deed een schrede voorwaarts, en de hand van Madzy vattende, drukte hij die met drift aan zijn mond en stamelde een gesmoord vaarwel. Zij beantwoordde zijn handdruk, zag hem met een blik vol teederheid aan, en haalde toen haar kaper over ’t gezicht. Zij traden de tent uit en zagen Zweder met zijn ruiters in den zadel gezeten, en Boudewijn, des Ridders anderen schildknaap, die het paard van Madzy gereed hield. Stilzwijgende besteeg zij het moedige dier.“Een wakker beestje!” zeide Boudewijn: “maar wat hamer, heer Ridder! het gelijkt, als ’t eene ei op ’t andere, naar den vos, die u ontstolen is.”“Inderdaad!” zeide Deodaat, verwonderd van zijn paard te herkennen: “maar des te beter!”Madzy, die het gesprek slechts half gehoord had, wenkte Deodaat vriendelijk met de hand toe en vertrok, door de knapen vergezeld. Op het plein teruggekomen, vond zij er den monnik nog in dezelfde houding bij zijn paard staan, den hansworst nog altijd treurende over den dood van zijn aap, en haar getrouwen Feiko, die er niet weinig gezwollen en verhit uitzag, en vrij kwalijk ging, ’t geen hem niet belette Madzy met de luidruchtigste blijdschap te gemoet te komen, en te betuigen, dat hij er gaarne eens zoo slecht ware afgekomen, nu alles zoo gelukkig was afgeloopen.Onze vier reizigers gingen nu weder onverhinderd op weg, onder geleide van Zweder, die hen ingevolge het bevel zijns meesters tot Amersfoort vergezelde, van waar zij de Eem afzakten en een visscherspink afhuurden ten einde hen naar Friesland over te voeren. Wij zullen hen intusschen vooruitreizen, en daar dit Hoofdstuk reeds lang genoeg is geweest, in een volgend onderzoeken hoedanig de staat in Friesland gesteld was.Zeven-en-twintigste Hoofdstuk.....Die zich inbeeldt, door het bukken,Te vinden ’t einde van den nood,Is van gesond verstand ontbloot.’t Moet er heel door, of wel aan stukken.Anon, bij Scheltema. Mengelw. II, 11, 129.Wij verzoeken alsnu aan onze bescheidene lezers zich met ons in Friesland te willen verplaatsen, en wel op den vroegen morgen van den dag, volgende op dien, waarop de in ons vorige Hoofdstuk vermelde voorvallen hadden plaats gehad. Langs al de wegen, welke naar een geestelijk gesticht, een adellijke state of een stad geleidden, zag men lieden aankomen, onderscheiden in rang, gewaad en uitrusting, doch die allen, door den ernst, die op hun gelaat te lezen was, door den aard der gesprekken, met welke zij zich onderweg bezighielden, en door den spoed, waarmede zij hun weg vervolgden, zonder zich langer aan de herbergen op te houden, dan noodig was om zonder af te stijgen zich zelven en hunne paarden te verfrisschen, die allen, zeggen wij, te kennen gaven, dat hun doel gewichtig en zij van het belang daarvan doordrongen waren. Onder deze reizigers waren de Stamhoofden licht te onderscheiden aan de vurige rossen, die zij bereden, aan de Oostersche pracht hunner kleederen en aan den stoet van volgers, die hun vergezelde: ’t zij uit loutere staatsie, ’t zij uit voorzorg tegen aanranding en hinderlagen, welke, bij de menigvuldige veeten en geschillen tusschen de onderscheidene geslachten, geene ongewone verschijnselen waren. De geestelijke heeren waren reeds van verre kenbaar aan het lang en effenkleurig gewaad hunner orde, aan den telgang der rijpaarden, en aan den sleep der monniken en conversen, dien zij met zich voerden. De afgevaardigden uit de steden, meestal deftige burgers met welgeronde buiken, waren in vergelijking van de overige leden der samenkomst slechts gering in aantal; want slechts enkele steden hadden als zoodanig stem in de landsvergaderingen, en de meeste stonden nog onder het tijdelijk of erfelijk bestuur van dezen of genen veelvermogenden Edelman, die er zijn state had, en die aan de burgers zijn bescherming verleende.Al deze verschillende reizigers richtten hun weg naar het boschachtig oord aan de zuiderkust van Friesland gelegen, dat de plaats bevatte, welke ditmaal tot het houden van een algemeenen landdag, werf of weerstal bestemd was. Men had met opzet deze plaats verkozen boven den Upstalboom nabij Aurich, waar anders de groote landsvergaderingen gehouden werden, eensdeels omdat men zich aan de overzijde van de Lauwers minder over de voornemens van den Hollandschen Graaf bekreunde: anderdeels, omdat de Friezen der beide Gouwen en van de Sevenwolden zich op een tijdstip, datmen een landing der Hollanders vreesde, niet van de westelijke grenzen wilden verwijderen.Naarmate zij het bestemmingsoord genaakten, lieten de meesten hun paarden, welke tot nog toe over de harde kleiwegen met vlugheid hadden doorgedraafd, een meer bedaarden tred aannemen, zoowel om niet al te verhit aan te komen, als omdat de aard van den grond niet toeliet, met reeds vermoeide rossen spoedig te vorderen. Immers, het Gaasterland, hetwelk zij nu bereikt hadden, is in zooverre van het overige Friesland onderscheiden, dat het uit een zandigen heidegrond bestaat, volkomen gelijk aan dien van het Gooiland en Muiderberg, waarmede het waarschijnlijk in vroeger tijden, evenals met Urk, vereenigd was, eer nog de aandrang des waters den dam, door de natuur om het Zuidermeer gevormd, verbroken en dien plas met de Noordzee vereenigd had. Slechts op enkele plaatsen, voornamelijk langs de kust zelve, was die grond bebouwd geworden; maar voor ’t overige leverde hij weinig anders op, dan ruige, steenachtige heiden, hier en daar met bosschen en struiken begroeid, en doorsneden met hobbelige en schier ongebaande wegen, waar men dikwijls gevaar liep geen uittocht aan te treffen en altijd te kampen had met de oneffenheid van den grond, de over het pad kruipende doornestruiken en heesters en overal verspreide keisteenen, zoodat men aanhoudende oplettendheid en overleg noodig had om niet van het goede spoor te geraken. Ofschoon vermoeiend, had echter dit gedeelte der reis zijn bekoorlijke zijde. Op een schilderachtige wijze verlichtte de morgenzon de bruine dennestammen of kleurde zij het versche Augustusloof der eikestruiken met vuurroode glansen, welke heerlijk afstaken tegen het donkere groen daarachter, het purper der tallooze heidebloemen of het bontkleurig gebloemte der kamperfoelie, welke zich in onbeperkte weelderigheid om alle struiken heenslingerde en de lucht met liefelijke geuren vervulde. Nu eens werd de weg door hoog geboomte overschaduwd, en reed men onder een gewelf van takken en gebladerte, waar schier geen lichtstraal door kon breken: dan weder ontmoette men een herberg of hoeve, met haar akker, tuin of boomgaard, aangenaam gelegen in den hoek, door twee kruiswegen gevormd, en voor wier deurpost de huisgenooten het ochtendmaal gebruikten, en een tafereel opleverden, het penseel des schilders waardig: wat verder zag men op een groene terp een oude stins, wier grijsachtige muren, door de zon beschenen, schitterend uitblonken tegen de boomen daaromheen geplant: dan weder werd het oog op het onverwachtst verrast door een ruim en prachtig uitzicht, waar de heuvel zeewaarts nederglooide, en de afdalende zijweg zich als in de golven scheen te verliezen, terwijl het landschap een bekoorlijk tooneel opleverde van golvende graanvelden, hier en daar afgewisseld door welig hakhout, heldere meertjes en bloeiende heidevelden, met de zee in ’t verschiet, en daarover de West-Friesche kust, welke den gezichteinder sloot. Het romantische van dit oord maakte echter weinig indruk op de meerderheid der bezoekers, en zoo het schouwspel der hen omringende natuur al eenig gevoel in hun boezem deed ontstaan,het was dat van medelijden met een landstreek, welke, zoo ’t hun voorkwam, stiefmoederlijk bedeeld was, als zijnde geheel onbruikbaar voor goede weiden en slechts gedeeltelijk geschikt voor den graanbouw, die nog daar te boven niet dan schrale oogsten scheen op te leveren.Het was, gelijk reeds gezegd is, in ’t midden van dit oord, dat zich de plaats bevond, tot den weerstal bestemd. En inderdaad, moeilijk had men een betere gelegenheid tot een zoodanig oogmerk kunnen aantreffen. Het was een onbebouwd stuk gronds van ongeveer honderd vijftig schreden lang en nagenoeg even breed, waarop twee hoofdwegen uitliepen, en dat bijna aan alle zijden door geboomte was ingesloten. Het gewone gebruik, dat van dit kamp gemaakt werd, was om er de rechtsdagen te houden van Westergoo, tot welk gewest het Gaasterland alstoen nog behoorde: later werd het een marktplaats, waar, bij sommige feestelijke gelegenheden, de reizende kooplieden uit de omliggende gewesten hun waren kwamen uitventen: welke laatste bestemming het nog ten huidigen dage onder den naam van dewilde merktbehouden heeft.Over dit geheele veld henen waren van afstand tot afstand kleine aarden wallen in den vorm van zitbanken verspreid, die aan de oppervlakte van den grond de gedaante gaven van een roskam, en waarvan nog enkele in wezen zijn, schoon meerendeels in een vervallen staat. Deze zitplaatsen waren reeds vroeg in den morgen bezet geweest door een talrijken drom verkoopers van drank en eetwaren, welke zich derwaarts hadden begeven in de blijde verwachting, dat zij een goede winst zouden doen door aan de hongerige magen der aankomenden de gelegenheid te verschaffen, zich, na de moeite der reis, met eenige ververschingen te laven. Slechts korten tijd echter werd hun het bezit van den grond vergund en weldra werden zij van de door hen ingenomene plaatsen afgedreven door de conversen van het Sint-Odulfs-klooster, aan welke de goede orde was opgedragen. De alzoo verjaagde en verstooten kooplieden vonden geen ander middel om hun voordeel te betrachten, dan dat van zich aan de uitgangen der landwegen te plaatsen, en aldaar de aankomst der afgevaardigden af te wachten: en het duurde ook niet lang of dezen vertoonden zich, zooals het gemeenlijk gaat, eerst bij tusschenpoozen en in geringen getale, en vervolgens in groote menigte te gelijk: terwijl eindelijk sommigen, die van verre plaatsen aankwamen of tegenspoed op reis gehad hadden, geheel alleen verschenen. Zij betraden echter den weerstal niet dan te voet, hebbende zij hun paarden met hun gevolg aan de naastbijgelegene herbergen achtergelaten of derwaarts teruggezonden.Het was geen onbelangrijk schouwspel, de leden der vergadering gade te slaan, zooals zij voor den aanvang der beraadslagingen over het veld verspreid waren, onder het gebruiken der ververschingen, hun door de kramers verschaft. Hier zag men de geestelijke heeren in gesprek, hun onderlinge ijverzucht onder den uiterlijken vorm van beleefdheid verbergende: wat verder een paar oude wapenbroeders, die elkander in langen tijd niet ontmoet hadden, elkander meteen blijden groet de hand drukken: ginds wandelden eenige rijke Vetkoopers te zamen, en onderhielden zich over nieuwe plannen tot het verbeteren van gronden, het droogmaken van plassen of het oprichten van fabrieken, om, kon het zijn, den Groningers de loef af te steken; terwijl zij met een schamperen blik van verachting werden aangezien door dezen of genen Schieringer Edelman, die van geene takken van welvaart hooren wilde dan van jacht en vischvangst vooreerst, en daarna een weinig vetweiderij. Eindelijk kon men nog, aan de donkere blikken en norsche antwoorden van anderen, de verwijderingen opmerken, door meer bijzondere veeten verwekt: welke, voor ’t oogenblik en om de heiligheid der plaatse gesmoord, slechts op een gelegenheid wachtten om weder uit te barsten.Het was eerst op den middag, en toen men begreep, dat de aanwezigen genoeg uitgerust waren en de ontbrekende leden niet komen zouden, dat men een aanvang maakte met de beraadslaging. De driftige Adeelen, die van de eersten verschenen was, was ook de eerste die het sein daartoe gaf, door met zijn staf eenige helderklinkende slagen te geven op een zwaar schild, dat midden op het plein boven de zitplaats des voorzitters aan een ouden dwergachtigen eikeboom was opgehangen en waarop het wapen van Friesland was afgebeeld, zijnde een man, die in volle wapenrusting onder een boom stond, in de eene hand een lans en in de andere een ontbloot, naar den schouder gekeerd zwaard vasthoudende.Nu begaven zich langzamerhand de aanwezigen naar de hun wachtende zitplaatsen. De vaste rangschikking, welke in andere landen op dergelijke bijeenkomsten de orde van zitting bepaalde, werd hier niet, of althans niet rechtens in acht genomen, dan alleen voor zooverre de kloostervoogden betrof, aan wie op de landdagen altijd de eerste plaats werd toegekend: terwijl de wereldlijken zonder onderscheid van rang of geboorte door elkander zaten. Wel duldde men oogluikend, dat de machtigste en voornaamste Edelen, of de Grietluiden, de beste plaatsen innamen (zijnde die welke zich dichtst aan den zetel des voorzitters bevonden); maar menig afgevaardigde uit de steden zette zich zonder plichtplegingen onder hen, en de algemeene regel scheen te zijn, de eereplaatsen aan de oudsten en achtbaarsten in te ruimen. Ik bedrieg mij: er was nog eene rangschikking; maar van een geheel anderen aard, en deze bestond daarin, dat, evenals in de wetgevende lichamen van latere dagen, ieder zich voegde bij de partij waartoe hij behoorde, waarvan het gevolg was, dat aan de eene zijde enkel Schieringers, en aan de andere Vetkoopers gezeten waren; evenals twee legers, welke met moeite door de overmacht in bedwang gehouden en belet werden elkander aan te vallen en de vergadering in een krijgsveld te veranderen.Eindelijk hadden allen plaats genomen; in rijen achter elkander; maar zoodanig, dat ieder het gelaat naar het midden gekeerd had, waar de Heer van Aylva, aan wien het beleid van de vergadering was opgedragen, aan den voet des eikebooms gezeten was, hebbendenevens zich een monnik van Sint-Odulf en een van Luidinga-kerke, om aanteekening te houden van het getal der aanwezigen en van het besluit der vergadering.Zooras de wakers zich verzekerd hadden, dat geene onbescheidene nieuwsgierigen zich in den omtrek van het plein bevonden, en dat al de daar tegenwoordige personen werkelijk stemgerechtigden waren, en toen de woeling, die een oogenblik te voren geheerscht had, voor een diepe stilte had plaatsgemaakt, nam Aylva het woord en bepaalde de vergadering bij het oogmerk der bijeenkomst: zijnde namelijk om een besluit te nemen, hoedanig men handelen zoude, ten einde vriendschap en vrede met Holland te bewaren, zonder de onafhankelijkheid van Friesland in de waagschaal te stellen. Hij deed daarbij nogmaals verslag van het wedervaren der afgevaardigden te Haarlem: hij verhaalde, hoe zij eerst met groote onderscheiding behandeld, maar later op een beleedigende wijze waren weggezonden; hoe een vrijgeborene Friesche Jonkvrouw door dwang in ’s Graven macht was gehouden, en hoe diezelfde Graaf een onderwerping geëischt had, welke zij, zoo aan iemand, dan alleen aan den Keizer verschuldigd waren. Hij ontveinsde niet, dat er van de zijde van Friesland aanleiding was gegeven tot de handelwijze des Graven; en dat men dezen door eenige rekkelijkheid te betoonen en door een tijdige toenadering, te vriend had kunnen houden; maar hij voegde er bij, dat het thans de tijd niet meer was, om het gebeurde angstig te onderzoeken, en dat de blik alleen naar de toekomst diende gewend te worden. Hij besloot zijn rede met het verzoek, dat al wie iets ten nutte van het algemeen mocht weten zijn gevoelen rond en onbewimpeld verklaren zoude.De rede van Aylva werd door eenige oogenblikken stilte opgevolgd. Hoe vreemd het na al het vroeger verhandelde ook klinke, de gemoederen in Friesland waren in ’t algemeen tot den vrede geneigd. Na lange en noodlottige oorlogen, welke veel manschappen en schats gekost hadden, na gedurige stroop- en plundertochten van West-Friezen en Nooren ondergaan te hebben, had men gedurende eenige jaren een vrede mogen smaken, die niet verstoord werd dan door de binnenlandsche twisten, welke echter toen nog de trap van woede niet bereikt hadden, waartoe zij later geraakten. Vooral de Vetkoopers, die, het meest gegoed zijnde, ook het meeste te verliezen hadden, waren, en niet zonder grond, beducht voor dien machtigen Graaf, die honderd krijgslieden stellen kon tegen éénen Fries. Men wenschte, ja, de onafhankelijkheid des lands te bewaren, maar men schroomde, die van ’t zwaard te doen afhangen: en de meerderheid was dus, als Aylva, niet ongeneigd den Graaf een schaduw van heerschappij toe te kennen, mits hij slechts de daad zelve niet uitoefende. Een toestemmend hoofdgeknik en een streelend gemurmel was derhalve de uitwerking, welke de toespraak des Oldermans bij de meerderheid teweegbracht: en men zag elkander met goedkeurende oogen aan, als wilde men te kennen geven, dat een ieder zich gerustelijk bij het gehoorde kon voegen en dat men slechts te overleggen had, op welke wijze het voorgestelde doel best bereikt konworden. Maar er was ook in de vergadering een machtige partij, wier hart naar het strijden haakte, wier afkeer tegen Holland onoverwinbaar was, en die geen vrede of verzoening met den Graaf, tot welken prijs ook, begeerde: en deze partij bestond niet slechts uit afgevaardigden van Oostergoo, die veelal door hunne belangen aan Holland vijandig waren; maar zelfs menig inwoner van Westergoo (dat anders, door zijn betrekkingen met de overzijde, voor Hollandschgezind gehouden werd) had zich aan haar aangesloten, vooral sedert de onbuigzame Seerp Van Adeelen hun het voorbeeld had gegeven, die, zich daardoor ook in Oostergoo wel gezien makende, van lieverlede als de ziel en het hoofd der oorlogzuchtige partij werd aangemerkt. Hij had dan ook Aylva’s taal onverduldig aangehoord: en zoo hij eenige oogenblikken aarzelde het woord op te vatten, het was omdat hij hoopte, dat iemand van meer leeftijd en gewicht zou opstaan en den indruk wegnemen van hetgeen de Olderman had gezegd. Maar toen zijn fonkelende oogen zich vruchteloos nu her- dan derwaarts hadden gewend, en hij nergens iemand ontdekte, vaardig om het woord te nemen, rees hij op en drukte zijn meening in de navolgende bewoordingen uit:“Friezen! ik doe, met u, hulde aan de voortreffelijke wijze, waarop de edele Aylva den toestand van ons vaderland heeft geschilderd: hij heeft ons onthaal bij dien trotschen Graaf en de beleedigingen, daar ondervonden, en het leed, dat ons nog te wachten staat, in heldere trekken afgemaald;—maar indien ik, indien gij geroepen zijt, om hier alleen te beslissen, hoe men ’s Graven vriendschap en den vrede zal kunnen bewaren, en te gelijk onze onafhankelijkheid, dat kostbaar erfdeel onzer vaderen,—dan verklaar ik ronduit, dat men ons evengoed had kunnen verzamelen om de vraag op te lossen, hoe wij zonder dijk of dam den springvloed zouden kunnen beteugelen. Zijne vriendschap! de vriendschap van een Graaf van Holland! van hem, welken en geboorte en stand en geneigdheid van de wieg af tot onzen doodvijand, en kan ’t zijn, tot onzen dwingeland maken! van hem, die ons volk als een hoop dorpers beschouwt, onwaardig om het stof af te likken, dat aan de schoenen zijner laagste dienaars kleeft! van hem, die niet aflaat, wanneer hij kan, te gewagen, hoezeer hij ons veracht en versmaadt!—Vrede met Holland! met Holland, dat sinds eeuwen her onzen handel met nijdige oogen aanziet, dat Oost- en Noordzee met zijn schepen bedekt en ons den toegang weigert, dat op ons vlamt om onze akkers te verwoesten, onze weiden te blakeren, onze landen braak te leggen, den rooden haan in onze huizen te steken en onze landgenooten in slavernij te brengen!—En denkt gij, dat het met een schaduw van onderwerping zal tevreden zijn? Zal de wolf, die de schaapskooi beloert, zich vergenoegen met den plas ledig te drinken, waarin zich de kudde spiegelt, en den schijn voor het wezen nemen?—Neen! zoo hij er kans toe ziet, hij zal de kooi bespringen, en, al is zijn honger geboet, hij zal uitmoorden, zoolang hem de tanden niet verstompt zijn.—Gelooft mij: elke poging, aangewend om onze natuurlijke vijanden te winnen en voor ons in te nemen, zal slechtsstrekken om hen nog roofzuchtiger, nog opgeblazener te maken, om hunne vorderingen te vermeerderen en het juk, dat ons drukt, te verzwaren. Ik stem voor alles; maar niet voor het bevestigen onzer eigene schande. Neen! laten wij allen tot den laatsten toe in een eerlijken krijg vallen door het zwaard onzer vijanden; maar niet zelven den strop om de halzen slaan en het einde daarvan nederig aanbieden aan wie ons wurgen wil. Het is niet door onderwerping, dat wij de trotsche ziel van Willem zullen buigen. Voorkomen wij hem: dan eerst zal hij aarzelen, en zich tweemalen bedenken, eer hij ons aanvalt. De bulhond vervolgt den vluchtenden lafaard, doch deinst terug voor hem die standhoudt en hem onder de oogen durft zien. Lang genoeg hebben wij lafhartig geduld, dat Hollandsche huurbenden op onzen bodem rondwaarden; dat Hollandsche ambtslieden het recht spraken in onze steden: dat het wapen eens vreemden Graafs aan onze raadhuizen werd aangeslagen. Hij beschouwt ons als zijne lijfeigenen: en dit, Friezen! dit voegt het ons te toonen dat wij niet zijn. Hij beproeve het, en ondervinde hij, die zich in ijdelen waan, laatdunkend, den Heer aller Koningen en den meester aller soldaten noemt, dat hier een vrij en onafhankelijk volk woont, hetwelk zijne bedreigingen weet te verachten, zijn geweld te trotseeren, en wellicht zijn overmoed te fnuiken.—Ik heb uitgesproken.”Een stille en effen rivier, welke kalm tusschen gelijke boorden vloeit, brengt overal rust en vrede aan de landstreek, die zij besproeit; maar een zware en hollende sneeuwval, die onweerstaanbaar van de bergen nederschiet, laat achter zich niets dan onrust en verwarring. Zoo ontstond ook bij de vergadering, die na de taal van Aylva bedaard gebleven was, een driftig en ongedurig gewoel en gemompel, toen Adeelen zijne rede geëindigd had. Verschillend echter waren die bewegingen, naarmate de meeningen en bedoelingen verschillend waren; maar zij waren daarom niet minder bij allen te bespeuren. Diegenen, welke het met Adeelen hielden, poogden door luidruchtige toejuichingen klem aan zijn woorden te geven: de vredelievenden daarentegen, die zijn taal als dwaas en onvoorzichtig beschouwden, konden hun wrevel niet bedwingen, en sommigen zelfs riepen, dat men hem het zwijgen behoorde op te leggen als zijnde hij verder gegaan, dan het doel medebracht, waartoe de landdag beschreven was. Niet dan met veel moeite gelukte het aan Aylva, de vergadering te bewegen om tot rust te keeren en aan te hooren wat ook andere sprekers mochten in ’t midden brengen. Er trad er dan ook meer dan een op, zoo om de macht des Graven op te vijzelen en de ijdelheid van allen wederstand te betoogen, als om de woorden van Adeelen te ondersteunen; langzamerhand begonnen de uitdrukkingen minder bezadigd te worden; partijzucht mengde zich in de adviezen: men verweet elkander bijoogmerken: de gramschap begon in menig oog te fonkelen, en menige blik van uitdaging werd geslagen op hem door wien men zich beleedigd achtte. Dan toen Worp Ropta van Metslavier zwoer, dat hij nimmer het lemmer zou ontblooten in een zaak, welke door een Helbada werdvoorgestaan, en deze laatste, over zulk een hoon vergramd, de hand aan ’t zwaard sloeg, en de gemoederen zoo verhit waren, dat men het doel der samenkomst geheel uit het oog begon te verliezen, om alleen aan onderlinge veeten te denken; terwijl Aylva vruchteloos het zwijgen poogde op te leggen, was het Adeelen, die de beide partijen tot stilte wist te brengen. Met vastberadenheid sprong hij van zijn zitplaats op, en tusschen beiden:“Zwijgt! zwijgt allen!” riep hij met een donderende stem: “wordt het hier een kinderspel?—Wat zijt gij, gij allen, tot wie ik spreek?—Vetkoopers en Schieringers?—IJdele dwaasheid! ziet op het schild.—Wat staat daarop afgebeeld?—Is het het merk der Vetkoopers?—Is het een vette koe?—Past maar op! de Hollanders zullen haar melken.—Is het een schieraal, de leus der Schieringers?—Draagt zorg, dat de Hollanders uwe meren niet leegvisschen.—Neen Friezen! het is het wapen van Friesland: een gewapend man!—Wapent u dan!—Zorgt, dat niemand in staat zij uwe onafhankelijkheid te belagen:—en dan, twist met elkaar als gij het niet laten kunt!—ik heb ook getwist,—met onzen braven abt van Lidlum, die daar zit;—maar wij hebben vriendschap gemaakt:—want de Hollanders lachten in hun vuist.—Spreekt bedaard!—want bij den hemel! den eersten, die zijnen landgenoot weer een verwijt durft doen, smijt ik de vergadering uit!”Deze toespraak, met horten en stooten, doch met klem en in een gepast oogenblik voortgebracht, maakte meer indruk op de aanwezigen dan de meest welsprekende en sierlijke taal had kunnen teweegbrengen. De opgewondene afgevaardigden kwamen tot rust; maar niet tot eenig besluit: en het scheen onzeker hoe lang de beraadslagingen nog hadden kunnen duren, toen een onverwacht rumoer op den landweg gehoord werd en een nieuwe wending aan heur loop kwam geven. De Abt van Sint-Odulf, die juist aan ’t woord en bezig was der vergadering te verhalen dat broeder Syard, die nu God wist waar was, hem wel verteld had, hoe de wolven in Brabant, bij winterweer, zelfs de herders aanvielen, en dat Adeelen, die misschien nooit een wolf gezien had, over die beesten maar liever niet had moeten spreken; de Abt, zeggen wij, zich onverhoeds in zijn rede gestoord ziende, zweeg bot-stil en zag met een open mond naar de plaats, waar het gerucht vandaan kwam. Aylva wilde iemand derwaarts zenden, om te onderzoeken wat het ware, toen men de wachters terug zag treden met een besluitelooze houding, als wisten zij niet, of zij volgens hun plicht aan den nieuwaangekomene den toegang moesten vrijlaten of ontzeggen:—en nu vertoonde zich, zweetende en blazende, met de hem eigene verwaandheid en zelfvoldoening op het vuurrood gelaat, aan de verwonderde oogen der aanschouwere, het klein en onbeduidend figuurtje van meester Claes Gerritsz, den voormaligen Marktschrijver van Haarlem.Maar hij bekleedde nu een andere waardigheid. Zijn bedilzucht en neuswijsheid hadden hem ondraaglijk gemaakt aan zijn stadgenooten, maar vooral aan het bestuur. Om zich van hem te ontslaan, had men geen beter middel weten te vinden, dan om hem bij den Graaf aante bevelen, toen deze naar een geschikten persoon omzag ten einde hem te vertegenwoordigen op de rechtsdagen in Westergoo, en tevens eenige kleine eigendommen des Graven te bestieren, in dat gewest gelegen: welke betrekking tot dien tijd aan een Fries vertrouwd was geweest, maar welke de Graaf nu in zijn ontevredenheid aan een Hollander wilde opdragen. De eigenliefde van den Marktschrijver was te groot om hem zulk een post te doen afslaan, met welk gevaar die ook scheen verzeld, en hij had zich dan ook voorgesteld, zich bij de Friezen eens recht te doen gelden en hun te leeren, welk ontzag zij den Grave schuldig waren. Ofschoon hij met vrij wat gemompel en stugheid ontvangen was geworden, had hij zich daaraan weinig gestoord; maar was onverschrokken den hem eigen toon blijven voeren: en daar hij buiten dat geene ware redenen tot klachten gegeven had, en zijn mederechters, vooral die van Stavoren, Hollandschgezind waren, had hij tot nog toe geene dadelijke weerstreving aan zijn bevelen gevonden. Maar nu was hem op eens in de ooren gewaaid, dat er in Gaasterland een landdag zou gehouden worden: hij wist, dat zulke vergaderingen meermalen hadden plaats gehad en door de Graven oogluikend geduld waren geworden; maar hij was tevens van meening, dat men niet mocht verzuimen, des Graven ambtenaar daarop te noodigen: en toen die noodiging, welke hij zoolang vruchteloos gewacht had, niet tot hem kwam, begreep hij ook ongenoodigd derwaarts te moeten gaan, ten einde te zorgen, dat ’s Graven persoon aldaar behoorlijk werd vertegenwoordigd en er niets plaats vond, strijdig met de hem verschuldigde eer. Met dit moedig voornemen had hij Stavoren, zijn woonplaats, verlaten, en was te voet, daar alle paarden en vervoermiddelen genomen waren, naar den weerstal gekuierd, waar hij nu, ofschoon wat laat, kwam opdagen.Zijn onverwachte verschijning maakte op de aanwezige menigte nagenoeg een gelijken indruk als die, welke in onze tijden zoude veroorzaakt worden door de komst van een deurwaarder of gerechtsbode op een beurs, in een academiezaal, in een leesgezelschap of in elke dergelijke vergadering, welke men gewoon is als een vrijplaats aan te merken. Ieder zag den ongeroepen gast met verbazing, sommigen met toorn, anderen met verachting, velen met een bedenkelijk hoofdschudden aan; doch niemand week van zijn plaats en elk wachtte af, wat de uitslag van dit tooneel zou zijn. Zonder van zijn stuk te geraken, stapte de wakkere ambtenaar voort, groette hier en ginds een bekende met een beschermenden hoofdknik, zette de borst hoog op en keek, toen hij zich eindelijk midden in den kring bevond, rechts en links aan de zijden des voorzitters naar een plaats uit, hoedanig hij begreep dat met zijne waardigheid zou overeenkomen. Maar alles was bezet en niemand scheen genegen hem tot zijn buurman te dulden, veelmin voor hem plaats te maken. Integendeel gaven de norsche en dreigende blikken, welke hij van alle zijden ontmoette, hem genoegzaam te kennen, dat het dwaasheid zou wezen, hier zijn vermeend recht te doen gelden. Weinig gesticht over dat onthaal en bemerkende dat zijn persoon hier omtrent denzelfden indrukmaakte als een bunsingstaart zou doen in een duivenhok, bleef hij eenige oogenblikken staan: en men kon aan den scheeven trek van zijn gelaat bespeuren, dat de vrijmoedigheid, welke hem bij zijn opkomen bezield had, langzamerhand begon plaats te maken voor verlegenheid, en dat hij den stillen wensch voedde, liever die fraaie reis niet te hebben ondernomen. Eenig half gesmoord gelach en een suizend gemompel begonnen zich reeds aan alle kanten te doen hooren, toen Aylva, wenschende een uitbarsting te voorkomen, den nieuwaangekomene toesprak:“Wie zijt gij? En wat komt gij hier zoeken?”“Verheugd, u te zien, mijn waarde Heer van Aylva!” zeide Claes Gerritsz, de hand aan den voorzitter toestekende, welke zich echter hield als bemerkte hij zulks niet: “ik dacht weinig, toen wij malkaar laatst binnen Haarlem zagen, u zoo spoedig weer en dat wel hier te zullen ontmoeten. Maar, als het spreekwoord zegt: bergen ontmoeten zich niet, maar....”“Maar kort en goed,” viel Aylva in: “wat is het doel uwer komst?”“Lieve Hemel! Is het hier geen landdag?—Ik kom een weinig laat, ’t is waar: maar daar was geen ezelspoot in Stavoren te krijgen....”“En daarom zijt gij maar op de uwe gekomen,” riep Adeelen, lachende.“Maar, gij hebt geene noodiging ontvangen,” hernam Aylva.“Zeker een verzuim; want moest ik, als gemachtigde, en ik durf zeggen als vertegenwoordiger van den Graaf, zoo op den rechtsdag van Oostergoo als opzichtens Kempenesse, Aldenum en Hofland, niet zitting op uwe landdagen hebben, ten einde mijne stem te kunnen uitbrengen in het belang der Heerlijkheid?”“Ziedaar wat iedereen u niet even gaaf zal toestemmen,” zeide Aylva: “hadt gij mij vroeger deswege geraadpleegd, ik zou u een dergelijken stap hebben afgeraden: en,” vervolgde hij halfluid, “ik rade u thans nog in goeden ernst: maak u uit de voeten; want ik zie hier menig gelaat, dat u weinig goeds belooft.”“Hoe!” zeide de Ambtman, onthutst om zich heen ziende: “ik wil niet hopen, dat men mij mijn recht van zitting zou betwisten. Bij het Privilege, in 1299 door Graaf Jan I geschonken aan....”“Wat wil hij?—wat vraagt hij? weg met den onbeschaamde!” riepen nu verscheidene stemmen, terwijl de woorden van den Ambtman, die de naastbijzittenden alleen vernamen, als een loopend vuurtje bij de vergadering rondgingen.“Welnu!” riep Adeelen: “Friezen! zou een uwer nog aarzelen? gij ziet het!—op onze landdagen zelve durft die onbeschaamde Graaf zijn verspieders zenden.”“Men moet den zot aan den paal hangen en het alarm op zijn buik trommelen!” riep Helbada.“Zijt bedaard, vrienden!”—riep Aylva: “laat mij hem ondervragen. Vriend!—Ik vraag u nogmaals, volhardt gij bij uw opzet om hier zitting te nemen?”“Volgens art. VII van het Privilege van Graaf Floris V,” hernam Claes Gerritsz, die nu te verre gegaan was om terug te keeren, “zullen ter plaatse, waar de Graaf zich niet in persoon bevindt, alle Schouten, Schepenen, of in zijnen naam aangestelde personen....”Hier werd hij in de onmogelijkheid gebracht om zijn rede te vervolgen door de geweldige kreten, die van alle zijden omgingen.“Hij verlangt zitting onder ons,” riep Aylva met luider stemme: “Hij vordert die als vertegenwoordiger des Graven.”“Aan den paal moge hij hem vertegenwoordigen!” schreeuwde Helbada.“Wij willen geen verspieder van Graaf Willem!” riepen anderen: “wij zijn vrije Friezen en dulden geen vreemdeling op onzen weerstal.—Is er geen water in de buurt?—Het ware niet kwaad hem een dooping te geven!”En reeds drong menigeen op den Ambtman aan, om door daden klem aan zijn woorden te geven.“Ik stel u verantwoordelijk voor de gevolgen,” kraaide Claes Gerritsz zijn schrille stem tot den hoogsten toon verheffende welken zij bereiken kon; “denkt om het artikel: al zoo wie een Schout, Schepen ofte anderen ’s Graven Ambtman, door woorden, bedreigingen ofte daden zal beleedigd hebben....”“Toon ons uw lastbrief om hier te verschijnen, of verwijder u,” zeide Aylva, op een gestrengen toon: “de gemoederen zijn verhit: en ik sta niet in voor hetgeen u kan overkomen.”“Hier is de opene brief,” zeide Claes Gerritsz, een perkament voor den dag halende, “waarmede mij onze doorluchtige Graaf en Heer heeft aangesteld tot....”“Wij zullen u het lezen besparen,” zeide Adeelen, die, inmiddels genaderd zijnde, het perkament hem uit de handen rukte en over de hoofden heen in het bosch smeet, waar het bij het zegel aan een boomtak hangen bleef.“Ben ik hier in een vergadering van oproermakers?” vroeg de Ambtman, zich met drift tot Aylva wendende, die, onbeweeglijk op zijn zitplaats blijvende, beurtelings hem en Adeelen met een afkeurenden blik beschouwde.“Gij ziet uw kaarteblad hangen,” vervolgde Adeelen: “welnu! zoo gij geen lust hebt, om daarnevens te waaien, pak u dan van hier; want, bij het zwaard van mijn stamvader, Koning Adegild, ik geef u ter prooi aan de roofvogels, zoo gij een oogenblik langer vertoeft.”“Geene onberadenheid, Seerp Van Adeelen!” riep Aylva, op een strengen toon: “dat een ieder zijn plaats herneme; en gij, Hollander! wie gij wezen moogt, zie uw aanstelling te krijgen en verwijder u. Zoolang Friesland bestaat, hebben zijn zonen nimmer een vreemdeling op hunne landdagen gedoogd.”Adeelen begaf zich naar zijn zitplaats terug: en ofschoon hij in zijn hart den vreemdeling een goede waterdooping beloofde bij de eerste gelegenheid de beste, oordeelde hij echter, dat hij hem voor dezen dag met rust kon laten, en verheugde zich innerlijk over een voorval, dat hem aanleiding geven kon tot nieuwe en krachtigevertoogen ter aanprijzing van den krijg met Holland. De vergadering volgde zijn voorbeeld en schikte zich weder tot orde: en de Ambtman, het perkament, dat een der wapenknechten hem half verscheurd had toegebracht, weder toevouwende, maakte zich gereed om te vertrekken, toen er een nieuw gedruis op den landweg ontstond; maar ditmaal van de zijde van de Lemmer: hoefgetrappel deed zich hooren: een viertal personen steeg aan den ingang af, en de wakkere Feiko kwam juichende het plein oploopen.“Daar is zij! daar is freule Madzy weer,” riep hij, springende, en zijn muts in de hoogte werpende.En inderdaad, men zag Madzy optreden, door den monnik en den alwillensdwaas gevolgd. Den avond te voren aan de Lemmer geland, hadden zij aldaar vernacht, en vernemende, dat zij Aylva op den weerstal zouden vinden, waren zij ’s morgens derwaarts gereden.“Mijn dochter!” riep Aylva, haar te gemoet komende en haar met teederheid omarmende: “zijt gij het waarlijk?”

De Veerman aan de Lek.Jan Carels zit aan het LekkerveerEn vaart met zijn pontje al heen en weer:En wie aan Jan Carels geen tol betaalt,Hij wordt met zijn pontje niet overgehaald.

De Veerman aan de Lek.Jan Carels zit aan het LekkerveerEn vaart met zijn pontje al heen en weer:En wie aan Jan Carels geen tol betaalt,Hij wordt met zijn pontje niet overgehaald.

Jan Carels zit aan het Lekkerveer

En vaart met zijn pontje al heen en weer:

En wie aan Jan Carels geen tol betaalt,

Hij wordt met zijn pontje niet overgehaald.

Daar roept hem een monnik, een man van verstand:“Ei spoedig! gij veerman! naar d’ overkant!”“Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:“Maar heb je nu al in de beurs getast?”—“De monniken dragen geen beurs op zij.”“Dan spreek je mij straks van mijn zonden vrij.De pater zijn tol met een aflaat betaalt,Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald!”—

Daar roept hem een monnik, een man van verstand:“Ei spoedig! gij veerman! naar d’ overkant!”“Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:“Maar heb je nu al in de beurs getast?”—“De monniken dragen geen beurs op zij.”“Dan spreek je mij straks van mijn zonden vrij.De pater zijn tol met een aflaat betaalt,Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald!”—

Daar roept hem een monnik, een man van verstand:

“Ei spoedig! gij veerman! naar d’ overkant!”

“Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:

“Maar heb je nu al in de beurs getast?”—

“De monniken dragen geen beurs op zij.”

“Dan spreek je mij straks van mijn zonden vrij.

De pater zijn tol met een aflaat betaalt,

Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald!”—

Daar roept hem een kook’ler, een geestige kwant:“Ei, spoedig! gij veerman! naar d’ overkant!”—“Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:“Maar heb je nu al in de beurs getast?”—“Mijn aapje is kaal en zijn baas is als hij!”“Welaan dan: zoo doe hij drie sprongen voor mij;De kook’ler zijn tol met een kunstje betaalt,Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald!”—

Daar roept hem een kook’ler, een geestige kwant:“Ei, spoedig! gij veerman! naar d’ overkant!”—“Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:“Maar heb je nu al in de beurs getast?”—“Mijn aapje is kaal en zijn baas is als hij!”“Welaan dan: zoo doe hij drie sprongen voor mij;De kook’ler zijn tol met een kunstje betaalt,Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald!”—

Daar roept hem een kook’ler, een geestige kwant:

“Ei, spoedig! gij veerman! naar d’ overkant!”—

“Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:

“Maar heb je nu al in de beurs getast?”—

“Mijn aapje is kaal en zijn baas is als hij!”

“Welaan dan: zoo doe hij drie sprongen voor mij;

De kook’ler zijn tol met een kunstje betaalt,

Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald!”—

Daar roept hem een meistreel, de veêl in de hand:“Ei spoedig! gij veerman! naar d’ overkant!”—“Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:“Maar heb je nu al in de beurs getast?”—“De meistreel is arm, geloof mij vrij.”“Welaan dan: zoo zingt gij een deuntje voor mij.De meistreel zijn tol met een liedje betaalt,Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald.”—

Daar roept hem een meistreel, de veêl in de hand:“Ei spoedig! gij veerman! naar d’ overkant!”—“Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:“Maar heb je nu al in de beurs getast?”—“De meistreel is arm, geloof mij vrij.”“Welaan dan: zoo zingt gij een deuntje voor mij.De meistreel zijn tol met een liedje betaalt,Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald.”—

Daar roept hem een meistreel, de veêl in de hand:

“Ei spoedig! gij veerman! naar d’ overkant!”—

“Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:

“Maar heb je nu al in de beurs getast?”—

“De meistreel is arm, geloof mij vrij.”

“Welaan dan: zoo zingt gij een deuntje voor mij.

De meistreel zijn tol met een liedje betaalt,

Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald.”—

Daar roept hem een meisje, een bloem in de hand:“Ei spoedig: gij veerman! naar d’ overkant!”—“Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:“Maar heb je nu al in de beurs getast?”—“Och, veerman, zoo waar, ’k heb geen penning bij mij.”—“Zoo schenk mij uw bloem en een kusje daarbij.”Het meisje haar tol met een kusje betaalt,Of zij wordt door Jan Carels niet overgehaald.”—

Daar roept hem een meisje, een bloem in de hand:“Ei spoedig: gij veerman! naar d’ overkant!”—“Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:“Maar heb je nu al in de beurs getast?”—“Och, veerman, zoo waar, ’k heb geen penning bij mij.”—“Zoo schenk mij uw bloem en een kusje daarbij.”Het meisje haar tol met een kusje betaalt,Of zij wordt door Jan Carels niet overgehaald.”—

Daar roept hem een meisje, een bloem in de hand:

“Ei spoedig: gij veerman! naar d’ overkant!”—

“Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:

“Maar heb je nu al in de beurs getast?”—

“Och, veerman, zoo waar, ’k heb geen penning bij mij.”—

“Zoo schenk mij uw bloem en een kusje daarbij.”

Het meisje haar tol met een kusje betaalt,

Of zij wordt door Jan Carels niet overgehaald.”—

Daar roept hem een Heer, rijk in goed en in land:“Ei spoedig! gij veerman! naar d’ overkant!”—“Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:“Maar heb je nu al in de beurs getast?”—“Neen lomperd, van veergeld is de adeldom vrij.”—“Dan blijf je maar, vriendje, aan de overzij;Want wie aan Jan Carels geen tol betaalt,Die wordt met zijn pontje niet overgehaald.”

Daar roept hem een Heer, rijk in goed en in land:“Ei spoedig! gij veerman! naar d’ overkant!”—“Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:“Maar heb je nu al in de beurs getast?”—“Neen lomperd, van veergeld is de adeldom vrij.”—“Dan blijf je maar, vriendje, aan de overzij;Want wie aan Jan Carels geen tol betaalt,Die wordt met zijn pontje niet overgehaald.”

Daar roept hem een Heer, rijk in goed en in land:

“Ei spoedig! gij veerman! naar d’ overkant!”—

“Mijn pontje is klaar,” zegt de vroolijke gast:

“Maar heb je nu al in de beurs getast?”—

“Neen lomperd, van veergeld is de adeldom vrij.”—

“Dan blijf je maar, vriendje, aan de overzij;

Want wie aan Jan Carels geen tol betaalt,

Die wordt met zijn pontje niet overgehaald.”

Hij had zijn lied geëindigd, toen zich reeds eenige wapenknechten, die hier aan de voorposten stonden, en deels op hun strijdkolven, zeisen of bogen leunende, deels langs den weg nederzittende, zijn gezang beluisterden, met een vroolijk gelach, hetwelk aan Madzy toteen goed voorteeken verstrekte, onze reizigers kwamen omringen.

“Welzoo, meester hansworst! alweer terug?” riep een der soldaten hem toe: “en nogal wel met uw aap?—Begon het u in Utrecht al te vervelen?”

“Men heeft er een al te schralen pot,” antwoordde Daamke, “voor lieden, die houden van volop te schransen, gelijk meester Cezar en ik.”

“Ik geloof het wel,” hernam de krijgsman: “en wat mij het meest verwondert, is dat men er u beiden niet aan ’t spit gestoken heeft, en uw ezel er bij. Maar, bij mijn zolen! uw gezelschap is verdubbeld sedert hedenmorgen.”

“Bij Sint-Julfus!” zeide Daamke: “dat is buit, dien ik gemaakt heb: gevangenen van mijn zotskolf, die ik uit de mijterstad medebreng. Plaats! plaats! ruimbaan voor Daamke den alwillensdwaas en zijn gevangenen.” En hij deed deze woorden vergezeld gaan door eens dapper met zijn zotskolf in de rondte te zwaaien.

“Hou! hou! dat gaat zoo gauw niet,” zeide de krijgsknecht: “wij moeten eerst uw gevangenen eens bekijken: of denkt gij, dat wij die jonge meid, die daar met u trekt, op een paard, dat een Ridder zou passen, tolvrij zullen laten doorgaan? en dien monnik, zonder dat hij een veer zou laten?—Neen man! gij hebt het zelf gezongen; een kusje van de deerne; en de pater zal onsabsolutiegeven voor al de zonden, die wij bedreven hebben of nog voornemens zijn te bedrijven.”

Madzy ontstelde eenigszins op het hooren van deze redenen; vooral toen zij de onbeschaamde blikken bespeurde, welke sommigen uit de bende op haar wierpen, en de grove uitdrukkingen hoorde, waarvan zich deze en gene onder hen bediende.

“Waar is uw aanvoerder?” vroeg Feiko, vooruitrijdende: “Jonker Zweder heeft ons hedenmorgen uit diens naam veroorloofd ongehinderd te gaan en terug te keeren.”

“Tut! tut!” zeide een van de bende: “hij zou wel dwaas zijn, die hem roepen ging. Elk zijn beurt, vriendje! De kans is nu voor ons, en niet één zal er door zonder tol te betalen.”

“Ik heb er niets tegen om u een klein rantsoen te betalen,” zeide Madzy: “noem uw eisch; maar bedenk, dat wij arme reizigers zijn.”

“Arm of niet,” zeide de soldaat, Madzy naderende, en de beweging makende, alsof hij haar van het paard wilde helpen: “een mooi meisje, dat haar rantsoen met kusjes betalen kan, is altijd rijk genoeg.”

Madzy gaf een flauwen kreet van angst; maar Feiko, in gramschap ontstoken over de onbeschaamdheid des lansknechts, dreef zijn paard met zulk een geweld tegen dezen aan, dat hij achterover tuimelde. Op hetzelfde oogenblik waren twintig strijdbijlen en kolven opgeheven en bedreigden den getrouwen Fries, die, zich evenmin door het aantal latende afschrikken, als hij zulks te Haarlem gedaan had, zijn knuppel met beide handen rondzwaaide en op de hoofden der aanvallers deed nederkomen.

“Wij zijn op de flesch!” riep de hansworst, wiens dapperheid, gelijkons vroeger gebleken is, niet van de schitterendste was: en meteen vierde hij de teugels van zijn ezel. Het dier holde met een snelheid voort, alsof het in Navarre, dat vaderland der beste grauwtjes, geboren ware geweest. Wel zonden hem de boogschutters eenige pijlen achterna; maar de tooverkast, die den nar op den rug danste, verstrekte hem tot een schild: en in weinige oogenblikken was hij uit het gezicht.

Wat Madzy betrof, op hetzelfde tijdstip, waarin de kloeke daad van Feiko de aandacht der bende op hem had gevestigd, was de cistenser monnik haar op zijde gekomen.

“Vlucht!” zeide hij: en meteen den teugel van haar paard grijpende, zette hij het zijne in galop; maar, om de pijlen te vermijden, volgde hij niet de groote heirbaan zelve, doch stuurde de beide rossen een zijlaan in, die evenwijdig met den landweg liep, van welken zij door een rij berkeboomen was afgescheiden.

Madzy, onmachtig de snelle vaart te bedwingen, welke de monnik aan haar paard gegeven had, reed een wijl hijgende en schier sprakeloos naast hem: nauwelijks waren zij echter een honderd roeden verder, of zij greep den monnik angstig bij den arm: “Om Gods wil!” riep zij: “laten wij niet verder gaan! Zij zullen den armen Feiko vermoorden!”

Maar de monnik scheen òf weinig over het lot van den dienaar bekommerd te zijn, mits het hem slechts gelukte, de meesteres in veiligheid te brengen, òf te beseffen, dat zij, door terug te keeren, slechts zich zelven in gevaar zouden brengen, zonder Feiko van eenigen dienst te kunnen wezen: terwijl juist diens achterblijven een afleiding ten hunnen voordeele verwekte. Hij gaf dan ook geen antwoord; maar moedigde, met het korte zweepje, dat hij in de hand had, het paard van Madzy aan om met des te meer snelheid voort te rennen.

Het gevaar was echter slechts tijdelijk voorbij; want zij waren nog maar een voorpost doorgekomen en mochten dus met recht weldra een nieuw oponthoud verwachten. Dit deed zich zelfs spoediger op dan zij dachten. Eenige roeden verder maakte de weg een bocht, en bevonden zij zich eensklaps op een open pleintje, waar zij een schouwspel zagen, wel geschikt om hun bezorgdheid gaande te maken.

De plaats, waar zij gekomen waren, was omtrent cirkelvormig en met een dubbele rij stevige rasters omringd, welker punten naar hen waren toegekeerd. De ingang was nauw en werd ’s nachts door een valboom gesloten, welke nu echter was opgehaald. Links stonden eenige tenten, onderscheiden in vorm en grootte: op sommige prijkten banderollen, welke den rang en adeldom der bewoners aankondigden. Tegenover de tenten zag men karren en ander voer- en oorlogstuig. Krijgsknechten van onderscheiden wapen wandelden heen en weer of waren bezig met het polijsten en opscherpen hunner bijlen en seizen: enkelen ook met het spel: timmerlieden waren werkzaam aan het vervaardigen of bruikbaar maken van allerlei storm werktuigen:—in ’t kort, het was een tooneel vol gewoel;—maar op het oogenblik, dat Madzy en haarreisgenoot aan den ingang kwamen, scheen de aandacht van al de aanwezigen op eenmaal te worden afgetrokken door zeker voorwerp, dat zich midden op den weg bevond, en waar omheen zich allen ras verzamelden. Wat het echter ware, kon noch de Jonkvrouw, noch de monnik ontdekken, daar de toevloed der omstanders gedurig aangroeide en zulks verhinderde.

De monnik had voor den ingang de beide paarden doen halthouden en van onder zijn kap eenige donkere blikken om zich heen geslagen, ten einde te ontdekken, of er geen mogelijkheid ware, zijn weg te vervolgen, zonder de gevreesde omheining binnen te rijden; maar hij zag spoedig, dat hiertoe geene mogelijkheid bestond: en terwijl hij dus besluiteloos rondzag, reed Madzy, die inmiddels haar tegenwoordigheid van geest herkregen had, onvervaard het poortje binnen.

“Verzoek uw hopman hier te komen,” zeide zij, zich met waardigheid tot een ouden krijgsknecht wendende, die met een speer op den schouder kwam zien, wat dit bezoek te beduiden had.

“Wat duivel! komt gij uit de lucht vallen?” vroeg de speerman, over deze toespraak en nog meer over hun onverwachte verschijning verwonderd: “slapen zij op de voorposten? Ziedaar een dronken hansworst, een monnik en een jonge deerne, die zij doorlaten en ons zonder geleide op ons dak sturen, alsof het kamp een kroeg ware, waar elke leeglooper onverhinderd insnijdt.”

Madzy achtte het onnoodig den nieuwsgierigen krijgsman te antwoorden, dat men aan de voorposten waakzaam genoeg was. “Ga!” zeide zij: “en haast u, bevel aan de voorposten te zenden, om den man, met wien zij bezig zijn, geen leed te doen, maar onverhinderd hier te brengen.”

“Wat hamer!” zeide lachende een uit den hoop (want inmiddels waren ettelijke krijgslieden naar dit nieuwe voorwerp hunner nieuwsgierigheid komen aan wandelen): “zijn wij onder ’t spinrokken vervallen, dat wij bevelen ontvangen van een jonge meid?”

“Gij kunt vrij lachen,” zeide de speerman, die het eerst gesproken had, en wien een grijze baard en een verbrand, met een paar breede litteekens versierd gelaat als een ouden gediende leerde kennen: “er moet iets aan de voorposten gebeurd zijn: en ik geloof, dat ik wel zal doen, te handelen juist zooals die deerne het mij verzocht.”

“Zie dien ouden snoeshaan,” hernam de andere soldaat: “altijd hoffelijk, als ware hij een Ridder, die zijn meisje dient.”

“Eene zeer juiste aanmerking,” zeide de veteraan: “waarvoor gij, Gilles Adriaansz! het voorrecht zult hebben met uw vijf man naar den voorpost te gaan en te zien of alles rustig is.—Zoo er lieden aangehouden zijn, breng ze hier. Ik zal zelf naar den hopman gaan.”

Dit gezegd hebbende, richtte hij zijn schreden naar eene der tenten, terwijl Gilles Adriaansz, weinig tevreden met den hem opgedragen last, waartegen hij zich echter niet dorst te verzetten, de vijf man, welke onder zijn bevel stonden, bijeenriep en met hen naar den voorpost wandelde.

“Wat wilt gij?” vroeg de monnik met een fluisterende stem aan Madzy.

“Mijn oogmerk is, bij den hopman op een vrijgeleide aan te dringen: zoo hij mij weigert, welaan! dan zal ik mij bekend maken en den uitslag afwachten. Hetzij dan een klooster in ’s Hemels naam.”

De monnik scheen te willen antwoorden: maar hij weerhield zich: en een doffe zucht was het eenige blijk van verwondering of ontevredenheid dat hem ontsnapte.

In dit oogenblik werd Madzy’s aandacht door een ander schouwspel gewekt. De hoop, die het midden van het plein vervulde, was gedund en gedeeltelijk uiteengegaan, en liet haar den armen hansworst zien, die, van zijn ezel gevallen zijnde, met zijn kast, waarin eenige pijlen staken, op den rug, niet kwalijk op een stekelvarken geleek, en langs den grond kroop, onder het aanheffen van droevige weeklachten.

De goede Madzy, wanende dat de arme Daamke een wond had bekomen, stuurde haar ros naar hem toe en vroeg hem met deelneming of hij gekwetst ware.

“Gave de goede God,” zeide de hansworst, “dat de pijl mij getroffen had, en niet mijn trouwen vriend en makker.”

“Hoe!” vroeg Madzy: “wie dan? wie is gewond?”

“Zijn broertje is gewond,” riepen verscheidenen onder de omstanders lachende uit.

Nu eerst zag Madzy, dat het voorwerp van Daamke’s bittere smart geen minder persoon was, dan de behendige meester Cezar, die, terwijl de hansworst voor de op hem afgeschoten pijlen vluchtte, het gewaagd had, eens over de kast heen te kijken en in dat noodlottig oogenblik een pijl door den kop gekregen had. Het arme dier lag levenloos in den arm zijns meesters, die het met de teekenen der diepste droefheid aan zijn hart drukte en met heete tranen bevochtigde.

“Lacht vrij, steenen harten!” kreet hij: “lacht vrij: er zullen nimmer zoovelen om zijn dood lachen, als hij bij zijn leven lachen deed; maar uw arme meester zal niet meer lachen, nu gij hem ontnomen zijt, mijn lief en aardig snaakje! Ach! hoe netjes kon hij op ’t commando een buiging maken voor ’t gezelschap, en doodliggen, net zooals nu!—maar nu zal hij niet weer opstaan, en het is over met al zijn grapjes, over voor altijd! Och! wat hebben wij al samen doorgebracht! en lief en leed, zoet en zuur altijd gedeeld! en dat ik u nu zoo moet verliezen! och! och! ik ben alles kwijt:—mijn meester; die zelfs de beste kokelers van Gaskonje in bekwaamheid overtrof! en mijn Cezar, die hooger sprong dan een springer van Poitou! Och! ik heb alles verloren!”

Ofschoon Madzy juist niet veel verplichting aan den overledene gehad had, gevoelde zij zich niettemin geroerd door den toon van innigen rouw, waarmede de hansworst zijn verlies betreurde. Het was duidelijk te zien, dat zijn smart bij den dood van zijn ruigen metgezel niet daaruit ontsproot, dat hij met hem de bron van zijn winsten en bestaan verloor, en dat hij hem ook niet beklaagde, gelijk een kind zijn vogel of een oude huishoudster haar mopshond betreurt, uit eenig kinderachtig zwak voor het beest; maar dat zijn gevoelsproot uit een oprechte, teedere verknochtheid, die het gevolg van een langdurigen, schier broederlijken omgang was, en van alle denkbeelden van baatzucht afgescheiden.

Onze heldin had echter niet lang tijd om haar meewarigheid te toonen; de oude speerman keerde terug met een jeugdigen schildknaap, die haar de boodschap bracht, dat zijn meester haar wachtende was, en haar tegelijk de hand bood om haar van ’t paard te helpen. Terwijl zij, afstijgende, den knaap bedankte, zag zij hem in ’t gezicht, en het kwam haar voor, als had zij hem voordezen nog eens ontmoet. De spotachtige glimlach, die op zijn lippen zweefde, scheen deze meening te bevestigen.

De monnik steeg insgelijks af, als met het oogmerk om zijne reisgenoote te vergezellen; maar de veteraan verhinderde dit: “de Ridder heeft nog onlangs gebiecht,” zeide hij: “hij heeft nu alleen van de deerne gesproken:—misschien,” voegde hij er bij, lachende om zijn eigene geestigheid, “zal hij een priester noodig hebben als het meisje van hem af is.”

De monnik trilde van toorn; maar hij hield zich in; en tegen zijn paard leunende, bleef hij staan, als in diep gepeins verzonken, terwijl de naastbijstaande knechten meenden hem in zich zelven te hooren mompelen: “ja! ’t is misschien beter, dat zij alleen gaat.... wie zou haar kunnen weerstaan?” Sommigen echter merkten op, dat hij gedurende Madzy’s afwezigheid blijken gaf van innerlijke onrust en dat hij meer dan eens met de hand krampachtige bewegingen maakte en onder zijn kleed voelde, alsof hij een wapen zocht om zich tegen een onverwachten aanval te verdedigen.

Ondertusschen was Madzy haar jeugdigen leidsman gevolgd, die haar, tusschen twee rijen tenten door, geleidde naar die des bevelhebbers.

“Onze goede Heer van Beaumont is thans niet in het kamp,” zeide de schildknaap, haar op een prachtig paviljoen wijzende, dat gesloten en waar de banier van afgenomen was: “hij is den Graaf gaan bezoeken, die een wond aan den voet bekomen heeft. Daarom breng ik u bij mijn meester, die in zijn afwezigheid over dezen post bevel voert.”

“En wie is uw meester, goede schildknaap?” vroeg Madzy.

“Ho! Jonkvrouw!.... dat zult gij ras bespeuren.... iemand, wien de schoone Madzy niet vergeefs om een gunst zal vragen, dat beloof ik u.”

“Gij kent mij?” zeide zij verbaasd:.... “maar nu ik mij wel herinner, ik heb u ook gezien, in een anderen dos!—zijt gij niet de neef van die vriendelijke Jonkvrouw van Naaldwijk, welke mij op den Vogelesang met zooveel hartelijkheid behandelde?”

“Juist geraden, schoone Jonkvrouw! Ik ben Zweder van Naaldwijk, en heb de muts van den page voor den stormhoed verwisseld, om de edele wapenkunst te leeren bij den braven Ridder, voor wiens tent wij ons thans bevinden.”

Dit zeggende hield hij stil voor een paviljoen, dat wel niet zwierig of prachtig, maar toch ruimer scheen dan de overige. Eenschildknaap, ouder dan Zweder, stond voor den ingang bezig met een klein hamertje de bulten en blutsen uit zijns meesters harnas te kloppen.

Na aangediend te zijn, trad Madzy de tent binnen. Het eerste voorwerp, waar haar oog op viel, was een sluier, met zilveren lieren geborduurd en afhangende over een wapenrusting, die midden in de tent prijkte. Haar tweede blik viel op den bewoner der tent: en zij had moeite om zich staande te houden, toen zij in dezen de onvergeetbare trekken bespeurde van hem, wiens beeltenis haar zoo vaak voor oogen zweefde, van Deodaat van Verona.

De verrassing van den Ridder was groot: echter minder dan de hare; want Zweder had hem reeds gemeld, dat hij Feiko verlof gegeven had om binnen Utrecht te gaan; maar weinig had hij durven hopen, dat die trouwe dienaar zoo voorspoedig in zijn onderneming geslaagd zou zijn, om denzelfden dag nog, en wel met Madzy terug te keeren.

Een vroolijke glimlach helderde het gelaat des Ridders op: hij gaf Zweder een wenk om zich te verwijderen en, de eenige zitbank opnemende, welke zich in de tent bevond, zette hij die voor Madzy neder, terwijl hij intusschen geene andere woorden vinden kon om zijn blijdschap te schetsen, dan: “is het mogelijk? welk een gezegend toeval vergunt mij dit genoegen? ’t Is meer dan ik had kunnen hopen of verwachten!”

“God zij geprezen! gij leeft dan nog,” was alles wat Madzy uit kon brengen: haar gemoed was zoo vol, de verrassing zoo volkomen, en haar blijdschap zoo groot, dat zij zich op het punt gevoelde van in flauwte te vallen. Terwijl zij wankelende een steun zocht, onderving haar de arm van Deodaat. Zij zonk met het hoofd tegen zijn schouder en weende.

O! welk een vloed van zoete, van hemelsche aandoeningen doorstroomde het gemoed des jongelings. Zij, welke hij zoo onuitsprekelijk teeder beminde, zij, welke hij gevreesd had nimmer terug te zullen zien, zij lag vertrouwelijk in zijn arm: haar adem beroerde zijn wang en hare tranen getuigden, dat het weerzien haar niet onverschillig was. Met welk een onstuimige vreugde sloeg hem het harte, toen hij het hare daartegen voelde kloppen! Maar wat wagen wij, het gevoel te malen, dat zijne ziel vervulde? Al wie, gelijk hij, eenmaal het geluk heeft gesmaakt, van het geliefde voorwerp na een scheiding, die men eeuwig dacht, terug te zien, zal die gewaarwordingen gevoelen; voor anderen zouden wij die vruchteloos beschrijven.

Weldra echter vervloog als een zalige droom de zoete vreugde, welke ook Madzy in deze omarming smaakte, en vertoonde zich het wezenlijke van haar toestand voor haar oogen. Zij schaamde zich, aan hare zwakheid te hebben toegegeven. Zachtjes maakte zij zich uit de armen van Deodaat los, eer deze nog de stoutheid had durven gebruiken, om het gunstige oogenblik waar te nemen en op den mond, wiens adem hij voelde, een vurigen kus te drukken: zij zette zich op de zitbank neer en zag bedeesd voor zich.

“Madzy! aangebeden Jonkvrouw!” stamelde Deodaat, terwijl hijvoor haar nederknielde, en hare handen met eerbiedige liefde aan hart en lippen drukte.

“Ridder! dit moet zoo niet zijn,” zeide Madzy: “ons laatste onderhoud heeft al reeds genoeg gekost: ik verheug mij hartelijk, u weder hersteld te zien.”

“De wond is spoedig geheeld geweest,” zeide Deodaat: “en zou ik die niet zegenen, nu zij mij het genoegen verschaft van een woord van belangstelling uit uwen mond te vernemen!”

“Ridder!” zeide Madzy, weemoedig het hoofd schuddende: “waartoe dient het, een ongelukkig meisje, dat al genoeg geleden heeft, met ijdele plichtplegingen te overladen! De oogenblikken zijn te kostbaar en het zal toch de laatste reis zijn, dat wij elkander zien.”

“IJdele plichtplegingen!” riep Deodaat: “ach! kunt gij dit ernstig zeggen?—maar gij hebt gelijk:—ik herinner mij ter goeder ure, dat gij de verloofde bruid van Seerp Van Adeelen zijt.”

“Seerp Van Adeelen zal nimmer mijn echtgenoot worden; hij zelf, hij heeft mijn hand afgeslagen.”

“Mijn God!” riep Deodaat: “waar kan de man bestaan, die zulk een prijs weigert?”

“Veroordeel hem niet,” zeide Madzy, blozende en verward: “hij moest denken dat ons gesprek op den Vogelesang een.... het gevolg van een afspraak was.... en dat ik u.... dat mijn hart.... in ’t kort, hij beschouwde mijn gehouden gedrag uit een ongunstig oogpunt.... en misschien had hij niet geheel ongelijk.... ik had u nooit moeten aanhooren.”

“Gij zijt wederom vrij!” riep Deodaat, wiens oogen van vreugde fonkelden: “en waarom zou dan mij de hoop worden afgesneden?”

“Helaas!” zeide Madzy, terwijl haar blauwe oogen, door tranen bewolkt, hem aanzagen met een onbeschrijfelijke uitdrukking van teederheid en weemoed: “waarom schept gij er behagen in, mij en u zelven te kwellen, door een vooruitzicht te willen voeden, dat nimmer kan verwezenlijkt worden?”

“En waarom, vraag ik op mijne beurt,” zeide de Ridder, “waarom zoudt gij, uit wier lieve oogen slechts zachtheid en welwillendheid spreken, zoo wreed zijn, om mij de laatste troosteres des menschdoms, de hoop, te ontzeggen? Zal een teedere, belangelooze liefde niet in staat zijn uw hart voor mijn smeekingen gevoelig te maken? O! verschuif het tijdstip zooverre gij wilt; maar ontzeg mij het uitzicht niet, van u eenmaal de mijne te mogen noemen.”

“Ridder!” hernam Madzy, op een minzamen, doch vasten toon: “ik wil u oprecht antwoorden. Indien ik in deze streken geboren ware, of gij een Fries waart, zou mij misschien het aanbod uwer liefde niet onverschillig zijn. Ik heb achting voor u,.... en mijn hart had u wellicht boven anderen verkozen.... neen!—spaar uwe betuigingen en antwoord mij nog niet: ik heb niet uitgesproken.—Gij zijt geen Fries, Ridder! en mijn landaard, altijd afkeerig van vreemden, zou thans meer dan ooit de dochter van Friesland verachten, die hare bezittingen in de handen van uitlanders deed overgaan. Haat en vervolging zouden mijn loon zijn, indien ik totzulk een stap besloot: en daarin zoudt gij deelen:—wij zouden het land mijner vaderen moeten verlaten:.... ook dat, zult gij zeggen, ware slechts een geringe opoffering voor al, wie zulks met het beminde voorwerp doet; en het kan zijn, dat geene bezittingen opwegen tegen armoede met den lieveling van ons hart;—maar!—ik zou een grooter schat verliezen en dien wil ik niet opofferen:—mijn goede naam ware onherstelbaar verloren.”

“Uw goede naam!” herhaalde Deodaat, verbaasd, ja eenigszins gevoelig: “’t is waar, mijn geboorte is nog duister; maar mijn eer is onbevlekt.”

“Gij misduidt mijne woorden. Oordeel zelf: Adeelen verdenkt mij: door u te huwen, zou ik zijn vermoedens niet alleen bevestigen, maar geheel Friesland zou in den waan geraken, dat ik mijn bruidegom verraden had om eenen anderen mijn min te schenken.”

“Adeelen verdenkt u!” herhaalde Deodaat, zich voor ’t hoofd slaande: “ik dwaas! en ik ben de oorzaak van uw verdriet. Helaas! ik gevoel het: gij behoordet mij te haten; maar ik zweer het u, zoodra mijn plicht het gedoogt, zal ik den trotschen stijfkop in Friesland komen opzoeken: en wee hem! zoo hij zich een woord durft laten ontvallen, dat beleedigend voor uwe eer mocht zijn.”

“Een dergelijke onvoorzichtigheid zou slechts verkeerde uitwerkselen hebben,” zeide Madzy: “mijn land is niet als Frankrijk, waar de eer van een vrouw aan de punt van ’t zwaard hangt.”

“Gij hebt misschien gelijk,” zeide Deodaat: “en toch behoort er iets gedaan te worden. Madzy! op mijn woord, op welken hoogen prijs ik uw bezit zoude stellen, toch zag ik u nog liever de gade eens anderen, dan dat de minste vlek op uw naam kleefde, die ik er af kon wasschen.”

“Wel!” hernam de Jonkvrouw: “laat ons dan beginnen met voor het tegenwoordige te zorgen. Een langer onderhoud met u zou juist geschikt zijn, om stof te geven aan de opspraak, die gij voorkomen wilt. God weet het: het is mij lief, u wèl gezien te hebben; maar had ik geweten, dat men mij tot u voerde, ik had mij wel gewacht dit onderhoud te vragen.”

“Hoe!” zeide de Ridder: “gij wist niet.... en wien zoekt gij dan?”

Madzy was juist begonnen hem een kort verslag te geven van haar oogmerk om naar Friesland te trekken, toen de gedachte, dat Feiko misschien het offer van zijn trouw geweest was, haar op eens als een dolksteek door ’t hart kwam, en zij zich zelve bitter verweet, om hare dwaze liefde, dien braven dienaar een oogenblik te hebben vergeten.

“Om Gods wil, Ridder!” zeide zij, “mijn trouwe Feiko!.... hij is aan de voorposten slaags geweest met uw volk! ik ben doodelijk bekommerd over hem.”

“Wij zullen naar hem laten vernemen,” zeide Deodaat: “Zweder!”

De jonge schildknaap trad binnen.

“Ga eens vernemen wat er van den man geworden is, die aan de voorposten gevochten heeft.”

“Ik ben zooeven naar het wagenplein geweest,” zeide de knaap:”de man is er afgekomen met eenige builen: zij hebben hem wel gebonden en wachten op uw bevel omtrent hem.”

“God zij geloofd!” zeide Madzy: “waarlijk, de goede Feiko was misschien wat haastig; maar hij wilde mij verdedigen tegen....”

“Hoe!” riep Deodaat! “men heeft u aan de voorposten durven beleedigen?”

“Ik bid u,” antwoordde Madzy, reeds vreezende te veel gezegd te hebben: “laat dit geval niet nader onderzocht worden. Ik wil niet, dat er om mijnentwil iemand leed geschiede.”

“Zooals gij verkiest is het wel! Zweder! ga, en zeg dat men den man ontboeie.—En nu, Jonkvrouw! verschoon mij, gij waart op het punt van mij te gaan verhalen....”

Madzy voldeed aan zijn verzoek en deelde hem mede, hoe zij van Utrecht naar de zeekust reizen wilde, om aldaar een gelegenheid te zoeken, ten einde naar Friesland over te steken, en vrijgeleide voor haar en de haren verzocht. Zij verzweeg al wat tot hare gevangenschap betrekking had, ten einde de gelofte van geheimhouding niet te breken, die zij den Bisschop gedaan had. Zij besloot, met aan Deodaat te verklaren, dat, indien hij door zijn plicht gehouden was haar aan den Graaf over te leveren, zij zich te dien opzichte aan zijn bescheidenheid overliet, en niet begeerde, dat hij om harentwil zijn krijgsmanstrouw te kort zou doen.

“Ik heb betreffende u geene bevelen van mijn Graaf ontvangen,” zeide Deodaat: “ook geloof ik, dat het bevel om u in een klooster te plaatsen slechts het gevolg eener overijlde drift was, en hem sedert lang ontgaan is. Maar al had hij mij een zoodanigen last gegeven, dan nog zou mijn ridderplicht, die mij heiliger is dan mijn plicht als ’s Graven dienaar, mij hebben voorgeschreven, dien ronduit af te slaan. En hij zelf zou mij in een bedaard oogenblik hebben dank geweten, dat ik hem een dwaze daad bespaard had.”

“Ridder!” zeide Madzy, hem haar hand toereikende: “gij zijt een edel mensch! en waar ik mij ook moge bevinden, ik zal u mijn leven lang met een dankbaar hart gedenken.—Maar nu.... o! bedenk wat ik zeide: wij moeten scheiden.”

“Ach,” riep Deodaat: “hoe kunt gij tevens zoo goed en zoo wreed zijn? Gij zijt als de Engelen, die (gelijk mij wel verhaald is) aan den Heiligen Mozes het beloofde land toonden, maar hem niet toelieten, daar binnen te gaan. En toch, zoo zoet zijn mij uwe woorden, dat ik de ellende, waarin een hulpelooze liefde mij stoot, tegen geen geluk ter wereld zou willen verruilen.—Dan genoeg!—Hier scheiden wij!—Ik durf mij zelfs het genoegen met vergunnen, u tot buiten de deur te geleiden: een uwer dienaars mocht mij herkennen: en ons onderhoud, hoe kort het ook geweest zij, zou argwaan kunnen wekken indien ik u vergezelde.—Zweder! Zit terstond op en neem zes ruiters met u!—geleid deze.... dit meisje met al wie tot haar gezelschap behooren tot aan de poorten van Amersfoort. Noch aan haar, noch aan iemand der haren mag het minste leed gedaan worden, of ik zal het gestreng straffen. En laat Boudewijn intusschen het paard van de.... van dit meisje hier brengen. Gij hebt mij verstaan.”

“Volkomen, Heer Ridder! ik zal voor de Jonkvrouw zorgen als ware zij mijn liefste,” zeide Zweder, met een kluchtige deftigheid.

“Hoe nu, knaap! weet gij....?”

“Uwe Edelheid weet zoowel als ik,” antwoordde Zweder, “dat men Jonkvrouw Madzy Dekama niet miskennen zal, wanneer men haar eens gezien heeft. Maar Uwe Edelheid kan op mij staat maken. Ik kan hooren, zien en zwijgen;—daarvoor ben ik page geweest.”

Met deze woorden verwijderde de schalk zich uit de oogen zijns meesters, wiens voorhoofd zich reeds begon te fronselen. Want als men verliefd, en hopeloos verliefd is, is men weinig geneigd om jokkernij te verdragen.

Slechts enkele woorden wisselden de beide gelieven na het vertrek van Zweder. Echte liefde en weemoed zijn niet spraakzaam: en wat zouden zij elkander meer gezegd hebben, dat zij niet reeds wisten of gevoelden? Ja zelfs schenen beiden, als het ware, verlichting te ontvangen, toen het hoefgetrappel en het gebriesch der paarden het uur van scheiden aankondigde.

Deodaat deed een schrede voorwaarts, en de hand van Madzy vattende, drukte hij die met drift aan zijn mond en stamelde een gesmoord vaarwel. Zij beantwoordde zijn handdruk, zag hem met een blik vol teederheid aan, en haalde toen haar kaper over ’t gezicht. Zij traden de tent uit en zagen Zweder met zijn ruiters in den zadel gezeten, en Boudewijn, des Ridders anderen schildknaap, die het paard van Madzy gereed hield. Stilzwijgende besteeg zij het moedige dier.

“Een wakker beestje!” zeide Boudewijn: “maar wat hamer, heer Ridder! het gelijkt, als ’t eene ei op ’t andere, naar den vos, die u ontstolen is.”

“Inderdaad!” zeide Deodaat, verwonderd van zijn paard te herkennen: “maar des te beter!”

Madzy, die het gesprek slechts half gehoord had, wenkte Deodaat vriendelijk met de hand toe en vertrok, door de knapen vergezeld. Op het plein teruggekomen, vond zij er den monnik nog in dezelfde houding bij zijn paard staan, den hansworst nog altijd treurende over den dood van zijn aap, en haar getrouwen Feiko, die er niet weinig gezwollen en verhit uitzag, en vrij kwalijk ging, ’t geen hem niet belette Madzy met de luidruchtigste blijdschap te gemoet te komen, en te betuigen, dat hij er gaarne eens zoo slecht ware afgekomen, nu alles zoo gelukkig was afgeloopen.

Onze vier reizigers gingen nu weder onverhinderd op weg, onder geleide van Zweder, die hen ingevolge het bevel zijns meesters tot Amersfoort vergezelde, van waar zij de Eem afzakten en een visscherspink afhuurden ten einde hen naar Friesland over te voeren. Wij zullen hen intusschen vooruitreizen, en daar dit Hoofdstuk reeds lang genoeg is geweest, in een volgend onderzoeken hoedanig de staat in Friesland gesteld was.

....Die zich inbeeldt, door het bukken,Te vinden ’t einde van den nood,Is van gesond verstand ontbloot.’t Moet er heel door, of wel aan stukken.Anon, bij Scheltema. Mengelw. II, 11, 129.

....Die zich inbeeldt, door het bukken,Te vinden ’t einde van den nood,Is van gesond verstand ontbloot.’t Moet er heel door, of wel aan stukken.

....Die zich inbeeldt, door het bukken,Te vinden ’t einde van den nood,Is van gesond verstand ontbloot.’t Moet er heel door, of wel aan stukken.

....Die zich inbeeldt, door het bukken,

Te vinden ’t einde van den nood,

Is van gesond verstand ontbloot.

’t Moet er heel door, of wel aan stukken.

Anon, bij Scheltema. Mengelw. II, 11, 129.

Wij verzoeken alsnu aan onze bescheidene lezers zich met ons in Friesland te willen verplaatsen, en wel op den vroegen morgen van den dag, volgende op dien, waarop de in ons vorige Hoofdstuk vermelde voorvallen hadden plaats gehad. Langs al de wegen, welke naar een geestelijk gesticht, een adellijke state of een stad geleidden, zag men lieden aankomen, onderscheiden in rang, gewaad en uitrusting, doch die allen, door den ernst, die op hun gelaat te lezen was, door den aard der gesprekken, met welke zij zich onderweg bezighielden, en door den spoed, waarmede zij hun weg vervolgden, zonder zich langer aan de herbergen op te houden, dan noodig was om zonder af te stijgen zich zelven en hunne paarden te verfrisschen, die allen, zeggen wij, te kennen gaven, dat hun doel gewichtig en zij van het belang daarvan doordrongen waren. Onder deze reizigers waren de Stamhoofden licht te onderscheiden aan de vurige rossen, die zij bereden, aan de Oostersche pracht hunner kleederen en aan den stoet van volgers, die hun vergezelde: ’t zij uit loutere staatsie, ’t zij uit voorzorg tegen aanranding en hinderlagen, welke, bij de menigvuldige veeten en geschillen tusschen de onderscheidene geslachten, geene ongewone verschijnselen waren. De geestelijke heeren waren reeds van verre kenbaar aan het lang en effenkleurig gewaad hunner orde, aan den telgang der rijpaarden, en aan den sleep der monniken en conversen, dien zij met zich voerden. De afgevaardigden uit de steden, meestal deftige burgers met welgeronde buiken, waren in vergelijking van de overige leden der samenkomst slechts gering in aantal; want slechts enkele steden hadden als zoodanig stem in de landsvergaderingen, en de meeste stonden nog onder het tijdelijk of erfelijk bestuur van dezen of genen veelvermogenden Edelman, die er zijn state had, en die aan de burgers zijn bescherming verleende.

Al deze verschillende reizigers richtten hun weg naar het boschachtig oord aan de zuiderkust van Friesland gelegen, dat de plaats bevatte, welke ditmaal tot het houden van een algemeenen landdag, werf of weerstal bestemd was. Men had met opzet deze plaats verkozen boven den Upstalboom nabij Aurich, waar anders de groote landsvergaderingen gehouden werden, eensdeels omdat men zich aan de overzijde van de Lauwers minder over de voornemens van den Hollandschen Graaf bekreunde: anderdeels, omdat de Friezen der beide Gouwen en van de Sevenwolden zich op een tijdstip, datmen een landing der Hollanders vreesde, niet van de westelijke grenzen wilden verwijderen.

Naarmate zij het bestemmingsoord genaakten, lieten de meesten hun paarden, welke tot nog toe over de harde kleiwegen met vlugheid hadden doorgedraafd, een meer bedaarden tred aannemen, zoowel om niet al te verhit aan te komen, als omdat de aard van den grond niet toeliet, met reeds vermoeide rossen spoedig te vorderen. Immers, het Gaasterland, hetwelk zij nu bereikt hadden, is in zooverre van het overige Friesland onderscheiden, dat het uit een zandigen heidegrond bestaat, volkomen gelijk aan dien van het Gooiland en Muiderberg, waarmede het waarschijnlijk in vroeger tijden, evenals met Urk, vereenigd was, eer nog de aandrang des waters den dam, door de natuur om het Zuidermeer gevormd, verbroken en dien plas met de Noordzee vereenigd had. Slechts op enkele plaatsen, voornamelijk langs de kust zelve, was die grond bebouwd geworden; maar voor ’t overige leverde hij weinig anders op, dan ruige, steenachtige heiden, hier en daar met bosschen en struiken begroeid, en doorsneden met hobbelige en schier ongebaande wegen, waar men dikwijls gevaar liep geen uittocht aan te treffen en altijd te kampen had met de oneffenheid van den grond, de over het pad kruipende doornestruiken en heesters en overal verspreide keisteenen, zoodat men aanhoudende oplettendheid en overleg noodig had om niet van het goede spoor te geraken. Ofschoon vermoeiend, had echter dit gedeelte der reis zijn bekoorlijke zijde. Op een schilderachtige wijze verlichtte de morgenzon de bruine dennestammen of kleurde zij het versche Augustusloof der eikestruiken met vuurroode glansen, welke heerlijk afstaken tegen het donkere groen daarachter, het purper der tallooze heidebloemen of het bontkleurig gebloemte der kamperfoelie, welke zich in onbeperkte weelderigheid om alle struiken heenslingerde en de lucht met liefelijke geuren vervulde. Nu eens werd de weg door hoog geboomte overschaduwd, en reed men onder een gewelf van takken en gebladerte, waar schier geen lichtstraal door kon breken: dan weder ontmoette men een herberg of hoeve, met haar akker, tuin of boomgaard, aangenaam gelegen in den hoek, door twee kruiswegen gevormd, en voor wier deurpost de huisgenooten het ochtendmaal gebruikten, en een tafereel opleverden, het penseel des schilders waardig: wat verder zag men op een groene terp een oude stins, wier grijsachtige muren, door de zon beschenen, schitterend uitblonken tegen de boomen daaromheen geplant: dan weder werd het oog op het onverwachtst verrast door een ruim en prachtig uitzicht, waar de heuvel zeewaarts nederglooide, en de afdalende zijweg zich als in de golven scheen te verliezen, terwijl het landschap een bekoorlijk tooneel opleverde van golvende graanvelden, hier en daar afgewisseld door welig hakhout, heldere meertjes en bloeiende heidevelden, met de zee in ’t verschiet, en daarover de West-Friesche kust, welke den gezichteinder sloot. Het romantische van dit oord maakte echter weinig indruk op de meerderheid der bezoekers, en zoo het schouwspel der hen omringende natuur al eenig gevoel in hun boezem deed ontstaan,het was dat van medelijden met een landstreek, welke, zoo ’t hun voorkwam, stiefmoederlijk bedeeld was, als zijnde geheel onbruikbaar voor goede weiden en slechts gedeeltelijk geschikt voor den graanbouw, die nog daar te boven niet dan schrale oogsten scheen op te leveren.

Het was, gelijk reeds gezegd is, in ’t midden van dit oord, dat zich de plaats bevond, tot den weerstal bestemd. En inderdaad, moeilijk had men een betere gelegenheid tot een zoodanig oogmerk kunnen aantreffen. Het was een onbebouwd stuk gronds van ongeveer honderd vijftig schreden lang en nagenoeg even breed, waarop twee hoofdwegen uitliepen, en dat bijna aan alle zijden door geboomte was ingesloten. Het gewone gebruik, dat van dit kamp gemaakt werd, was om er de rechtsdagen te houden van Westergoo, tot welk gewest het Gaasterland alstoen nog behoorde: later werd het een marktplaats, waar, bij sommige feestelijke gelegenheden, de reizende kooplieden uit de omliggende gewesten hun waren kwamen uitventen: welke laatste bestemming het nog ten huidigen dage onder den naam van dewilde merktbehouden heeft.

Over dit geheele veld henen waren van afstand tot afstand kleine aarden wallen in den vorm van zitbanken verspreid, die aan de oppervlakte van den grond de gedaante gaven van een roskam, en waarvan nog enkele in wezen zijn, schoon meerendeels in een vervallen staat. Deze zitplaatsen waren reeds vroeg in den morgen bezet geweest door een talrijken drom verkoopers van drank en eetwaren, welke zich derwaarts hadden begeven in de blijde verwachting, dat zij een goede winst zouden doen door aan de hongerige magen der aankomenden de gelegenheid te verschaffen, zich, na de moeite der reis, met eenige ververschingen te laven. Slechts korten tijd echter werd hun het bezit van den grond vergund en weldra werden zij van de door hen ingenomene plaatsen afgedreven door de conversen van het Sint-Odulfs-klooster, aan welke de goede orde was opgedragen. De alzoo verjaagde en verstooten kooplieden vonden geen ander middel om hun voordeel te betrachten, dan dat van zich aan de uitgangen der landwegen te plaatsen, en aldaar de aankomst der afgevaardigden af te wachten: en het duurde ook niet lang of dezen vertoonden zich, zooals het gemeenlijk gaat, eerst bij tusschenpoozen en in geringen getale, en vervolgens in groote menigte te gelijk: terwijl eindelijk sommigen, die van verre plaatsen aankwamen of tegenspoed op reis gehad hadden, geheel alleen verschenen. Zij betraden echter den weerstal niet dan te voet, hebbende zij hun paarden met hun gevolg aan de naastbijgelegene herbergen achtergelaten of derwaarts teruggezonden.

Het was geen onbelangrijk schouwspel, de leden der vergadering gade te slaan, zooals zij voor den aanvang der beraadslagingen over het veld verspreid waren, onder het gebruiken der ververschingen, hun door de kramers verschaft. Hier zag men de geestelijke heeren in gesprek, hun onderlinge ijverzucht onder den uiterlijken vorm van beleefdheid verbergende: wat verder een paar oude wapenbroeders, die elkander in langen tijd niet ontmoet hadden, elkander meteen blijden groet de hand drukken: ginds wandelden eenige rijke Vetkoopers te zamen, en onderhielden zich over nieuwe plannen tot het verbeteren van gronden, het droogmaken van plassen of het oprichten van fabrieken, om, kon het zijn, den Groningers de loef af te steken; terwijl zij met een schamperen blik van verachting werden aangezien door dezen of genen Schieringer Edelman, die van geene takken van welvaart hooren wilde dan van jacht en vischvangst vooreerst, en daarna een weinig vetweiderij. Eindelijk kon men nog, aan de donkere blikken en norsche antwoorden van anderen, de verwijderingen opmerken, door meer bijzondere veeten verwekt: welke, voor ’t oogenblik en om de heiligheid der plaatse gesmoord, slechts op een gelegenheid wachtten om weder uit te barsten.

Het was eerst op den middag, en toen men begreep, dat de aanwezigen genoeg uitgerust waren en de ontbrekende leden niet komen zouden, dat men een aanvang maakte met de beraadslaging. De driftige Adeelen, die van de eersten verschenen was, was ook de eerste die het sein daartoe gaf, door met zijn staf eenige helderklinkende slagen te geven op een zwaar schild, dat midden op het plein boven de zitplaats des voorzitters aan een ouden dwergachtigen eikeboom was opgehangen en waarop het wapen van Friesland was afgebeeld, zijnde een man, die in volle wapenrusting onder een boom stond, in de eene hand een lans en in de andere een ontbloot, naar den schouder gekeerd zwaard vasthoudende.

Nu begaven zich langzamerhand de aanwezigen naar de hun wachtende zitplaatsen. De vaste rangschikking, welke in andere landen op dergelijke bijeenkomsten de orde van zitting bepaalde, werd hier niet, of althans niet rechtens in acht genomen, dan alleen voor zooverre de kloostervoogden betrof, aan wie op de landdagen altijd de eerste plaats werd toegekend: terwijl de wereldlijken zonder onderscheid van rang of geboorte door elkander zaten. Wel duldde men oogluikend, dat de machtigste en voornaamste Edelen, of de Grietluiden, de beste plaatsen innamen (zijnde die welke zich dichtst aan den zetel des voorzitters bevonden); maar menig afgevaardigde uit de steden zette zich zonder plichtplegingen onder hen, en de algemeene regel scheen te zijn, de eereplaatsen aan de oudsten en achtbaarsten in te ruimen. Ik bedrieg mij: er was nog eene rangschikking; maar van een geheel anderen aard, en deze bestond daarin, dat, evenals in de wetgevende lichamen van latere dagen, ieder zich voegde bij de partij waartoe hij behoorde, waarvan het gevolg was, dat aan de eene zijde enkel Schieringers, en aan de andere Vetkoopers gezeten waren; evenals twee legers, welke met moeite door de overmacht in bedwang gehouden en belet werden elkander aan te vallen en de vergadering in een krijgsveld te veranderen.

Eindelijk hadden allen plaats genomen; in rijen achter elkander; maar zoodanig, dat ieder het gelaat naar het midden gekeerd had, waar de Heer van Aylva, aan wien het beleid van de vergadering was opgedragen, aan den voet des eikebooms gezeten was, hebbendenevens zich een monnik van Sint-Odulf en een van Luidinga-kerke, om aanteekening te houden van het getal der aanwezigen en van het besluit der vergadering.

Zooras de wakers zich verzekerd hadden, dat geene onbescheidene nieuwsgierigen zich in den omtrek van het plein bevonden, en dat al de daar tegenwoordige personen werkelijk stemgerechtigden waren, en toen de woeling, die een oogenblik te voren geheerscht had, voor een diepe stilte had plaatsgemaakt, nam Aylva het woord en bepaalde de vergadering bij het oogmerk der bijeenkomst: zijnde namelijk om een besluit te nemen, hoedanig men handelen zoude, ten einde vriendschap en vrede met Holland te bewaren, zonder de onafhankelijkheid van Friesland in de waagschaal te stellen. Hij deed daarbij nogmaals verslag van het wedervaren der afgevaardigden te Haarlem: hij verhaalde, hoe zij eerst met groote onderscheiding behandeld, maar later op een beleedigende wijze waren weggezonden; hoe een vrijgeborene Friesche Jonkvrouw door dwang in ’s Graven macht was gehouden, en hoe diezelfde Graaf een onderwerping geëischt had, welke zij, zoo aan iemand, dan alleen aan den Keizer verschuldigd waren. Hij ontveinsde niet, dat er van de zijde van Friesland aanleiding was gegeven tot de handelwijze des Graven; en dat men dezen door eenige rekkelijkheid te betoonen en door een tijdige toenadering, te vriend had kunnen houden; maar hij voegde er bij, dat het thans de tijd niet meer was, om het gebeurde angstig te onderzoeken, en dat de blik alleen naar de toekomst diende gewend te worden. Hij besloot zijn rede met het verzoek, dat al wie iets ten nutte van het algemeen mocht weten zijn gevoelen rond en onbewimpeld verklaren zoude.

De rede van Aylva werd door eenige oogenblikken stilte opgevolgd. Hoe vreemd het na al het vroeger verhandelde ook klinke, de gemoederen in Friesland waren in ’t algemeen tot den vrede geneigd. Na lange en noodlottige oorlogen, welke veel manschappen en schats gekost hadden, na gedurige stroop- en plundertochten van West-Friezen en Nooren ondergaan te hebben, had men gedurende eenige jaren een vrede mogen smaken, die niet verstoord werd dan door de binnenlandsche twisten, welke echter toen nog de trap van woede niet bereikt hadden, waartoe zij later geraakten. Vooral de Vetkoopers, die, het meest gegoed zijnde, ook het meeste te verliezen hadden, waren, en niet zonder grond, beducht voor dien machtigen Graaf, die honderd krijgslieden stellen kon tegen éénen Fries. Men wenschte, ja, de onafhankelijkheid des lands te bewaren, maar men schroomde, die van ’t zwaard te doen afhangen: en de meerderheid was dus, als Aylva, niet ongeneigd den Graaf een schaduw van heerschappij toe te kennen, mits hij slechts de daad zelve niet uitoefende. Een toestemmend hoofdgeknik en een streelend gemurmel was derhalve de uitwerking, welke de toespraak des Oldermans bij de meerderheid teweegbracht: en men zag elkander met goedkeurende oogen aan, als wilde men te kennen geven, dat een ieder zich gerustelijk bij het gehoorde kon voegen en dat men slechts te overleggen had, op welke wijze het voorgestelde doel best bereikt konworden. Maar er was ook in de vergadering een machtige partij, wier hart naar het strijden haakte, wier afkeer tegen Holland onoverwinbaar was, en die geen vrede of verzoening met den Graaf, tot welken prijs ook, begeerde: en deze partij bestond niet slechts uit afgevaardigden van Oostergoo, die veelal door hunne belangen aan Holland vijandig waren; maar zelfs menig inwoner van Westergoo (dat anders, door zijn betrekkingen met de overzijde, voor Hollandschgezind gehouden werd) had zich aan haar aangesloten, vooral sedert de onbuigzame Seerp Van Adeelen hun het voorbeeld had gegeven, die, zich daardoor ook in Oostergoo wel gezien makende, van lieverlede als de ziel en het hoofd der oorlogzuchtige partij werd aangemerkt. Hij had dan ook Aylva’s taal onverduldig aangehoord: en zoo hij eenige oogenblikken aarzelde het woord op te vatten, het was omdat hij hoopte, dat iemand van meer leeftijd en gewicht zou opstaan en den indruk wegnemen van hetgeen de Olderman had gezegd. Maar toen zijn fonkelende oogen zich vruchteloos nu her- dan derwaarts hadden gewend, en hij nergens iemand ontdekte, vaardig om het woord te nemen, rees hij op en drukte zijn meening in de navolgende bewoordingen uit:

“Friezen! ik doe, met u, hulde aan de voortreffelijke wijze, waarop de edele Aylva den toestand van ons vaderland heeft geschilderd: hij heeft ons onthaal bij dien trotschen Graaf en de beleedigingen, daar ondervonden, en het leed, dat ons nog te wachten staat, in heldere trekken afgemaald;—maar indien ik, indien gij geroepen zijt, om hier alleen te beslissen, hoe men ’s Graven vriendschap en den vrede zal kunnen bewaren, en te gelijk onze onafhankelijkheid, dat kostbaar erfdeel onzer vaderen,—dan verklaar ik ronduit, dat men ons evengoed had kunnen verzamelen om de vraag op te lossen, hoe wij zonder dijk of dam den springvloed zouden kunnen beteugelen. Zijne vriendschap! de vriendschap van een Graaf van Holland! van hem, welken en geboorte en stand en geneigdheid van de wieg af tot onzen doodvijand, en kan ’t zijn, tot onzen dwingeland maken! van hem, die ons volk als een hoop dorpers beschouwt, onwaardig om het stof af te likken, dat aan de schoenen zijner laagste dienaars kleeft! van hem, die niet aflaat, wanneer hij kan, te gewagen, hoezeer hij ons veracht en versmaadt!—Vrede met Holland! met Holland, dat sinds eeuwen her onzen handel met nijdige oogen aanziet, dat Oost- en Noordzee met zijn schepen bedekt en ons den toegang weigert, dat op ons vlamt om onze akkers te verwoesten, onze weiden te blakeren, onze landen braak te leggen, den rooden haan in onze huizen te steken en onze landgenooten in slavernij te brengen!—En denkt gij, dat het met een schaduw van onderwerping zal tevreden zijn? Zal de wolf, die de schaapskooi beloert, zich vergenoegen met den plas ledig te drinken, waarin zich de kudde spiegelt, en den schijn voor het wezen nemen?—Neen! zoo hij er kans toe ziet, hij zal de kooi bespringen, en, al is zijn honger geboet, hij zal uitmoorden, zoolang hem de tanden niet verstompt zijn.—Gelooft mij: elke poging, aangewend om onze natuurlijke vijanden te winnen en voor ons in te nemen, zal slechtsstrekken om hen nog roofzuchtiger, nog opgeblazener te maken, om hunne vorderingen te vermeerderen en het juk, dat ons drukt, te verzwaren. Ik stem voor alles; maar niet voor het bevestigen onzer eigene schande. Neen! laten wij allen tot den laatsten toe in een eerlijken krijg vallen door het zwaard onzer vijanden; maar niet zelven den strop om de halzen slaan en het einde daarvan nederig aanbieden aan wie ons wurgen wil. Het is niet door onderwerping, dat wij de trotsche ziel van Willem zullen buigen. Voorkomen wij hem: dan eerst zal hij aarzelen, en zich tweemalen bedenken, eer hij ons aanvalt. De bulhond vervolgt den vluchtenden lafaard, doch deinst terug voor hem die standhoudt en hem onder de oogen durft zien. Lang genoeg hebben wij lafhartig geduld, dat Hollandsche huurbenden op onzen bodem rondwaarden; dat Hollandsche ambtslieden het recht spraken in onze steden: dat het wapen eens vreemden Graafs aan onze raadhuizen werd aangeslagen. Hij beschouwt ons als zijne lijfeigenen: en dit, Friezen! dit voegt het ons te toonen dat wij niet zijn. Hij beproeve het, en ondervinde hij, die zich in ijdelen waan, laatdunkend, den Heer aller Koningen en den meester aller soldaten noemt, dat hier een vrij en onafhankelijk volk woont, hetwelk zijne bedreigingen weet te verachten, zijn geweld te trotseeren, en wellicht zijn overmoed te fnuiken.—Ik heb uitgesproken.”

Een stille en effen rivier, welke kalm tusschen gelijke boorden vloeit, brengt overal rust en vrede aan de landstreek, die zij besproeit; maar een zware en hollende sneeuwval, die onweerstaanbaar van de bergen nederschiet, laat achter zich niets dan onrust en verwarring. Zoo ontstond ook bij de vergadering, die na de taal van Aylva bedaard gebleven was, een driftig en ongedurig gewoel en gemompel, toen Adeelen zijne rede geëindigd had. Verschillend echter waren die bewegingen, naarmate de meeningen en bedoelingen verschillend waren; maar zij waren daarom niet minder bij allen te bespeuren. Diegenen, welke het met Adeelen hielden, poogden door luidruchtige toejuichingen klem aan zijn woorden te geven: de vredelievenden daarentegen, die zijn taal als dwaas en onvoorzichtig beschouwden, konden hun wrevel niet bedwingen, en sommigen zelfs riepen, dat men hem het zwijgen behoorde op te leggen als zijnde hij verder gegaan, dan het doel medebracht, waartoe de landdag beschreven was. Niet dan met veel moeite gelukte het aan Aylva, de vergadering te bewegen om tot rust te keeren en aan te hooren wat ook andere sprekers mochten in ’t midden brengen. Er trad er dan ook meer dan een op, zoo om de macht des Graven op te vijzelen en de ijdelheid van allen wederstand te betoogen, als om de woorden van Adeelen te ondersteunen; langzamerhand begonnen de uitdrukkingen minder bezadigd te worden; partijzucht mengde zich in de adviezen: men verweet elkander bijoogmerken: de gramschap begon in menig oog te fonkelen, en menige blik van uitdaging werd geslagen op hem door wien men zich beleedigd achtte. Dan toen Worp Ropta van Metslavier zwoer, dat hij nimmer het lemmer zou ontblooten in een zaak, welke door een Helbada werdvoorgestaan, en deze laatste, over zulk een hoon vergramd, de hand aan ’t zwaard sloeg, en de gemoederen zoo verhit waren, dat men het doel der samenkomst geheel uit het oog begon te verliezen, om alleen aan onderlinge veeten te denken; terwijl Aylva vruchteloos het zwijgen poogde op te leggen, was het Adeelen, die de beide partijen tot stilte wist te brengen. Met vastberadenheid sprong hij van zijn zitplaats op, en tusschen beiden:

“Zwijgt! zwijgt allen!” riep hij met een donderende stem: “wordt het hier een kinderspel?—Wat zijt gij, gij allen, tot wie ik spreek?—Vetkoopers en Schieringers?—IJdele dwaasheid! ziet op het schild.—Wat staat daarop afgebeeld?—Is het het merk der Vetkoopers?—Is het een vette koe?—Past maar op! de Hollanders zullen haar melken.—Is het een schieraal, de leus der Schieringers?—Draagt zorg, dat de Hollanders uwe meren niet leegvisschen.—Neen Friezen! het is het wapen van Friesland: een gewapend man!—Wapent u dan!—Zorgt, dat niemand in staat zij uwe onafhankelijkheid te belagen:—en dan, twist met elkaar als gij het niet laten kunt!—ik heb ook getwist,—met onzen braven abt van Lidlum, die daar zit;—maar wij hebben vriendschap gemaakt:—want de Hollanders lachten in hun vuist.—Spreekt bedaard!—want bij den hemel! den eersten, die zijnen landgenoot weer een verwijt durft doen, smijt ik de vergadering uit!”

Deze toespraak, met horten en stooten, doch met klem en in een gepast oogenblik voortgebracht, maakte meer indruk op de aanwezigen dan de meest welsprekende en sierlijke taal had kunnen teweegbrengen. De opgewondene afgevaardigden kwamen tot rust; maar niet tot eenig besluit: en het scheen onzeker hoe lang de beraadslagingen nog hadden kunnen duren, toen een onverwacht rumoer op den landweg gehoord werd en een nieuwe wending aan heur loop kwam geven. De Abt van Sint-Odulf, die juist aan ’t woord en bezig was der vergadering te verhalen dat broeder Syard, die nu God wist waar was, hem wel verteld had, hoe de wolven in Brabant, bij winterweer, zelfs de herders aanvielen, en dat Adeelen, die misschien nooit een wolf gezien had, over die beesten maar liever niet had moeten spreken; de Abt, zeggen wij, zich onverhoeds in zijn rede gestoord ziende, zweeg bot-stil en zag met een open mond naar de plaats, waar het gerucht vandaan kwam. Aylva wilde iemand derwaarts zenden, om te onderzoeken wat het ware, toen men de wachters terug zag treden met een besluitelooze houding, als wisten zij niet, of zij volgens hun plicht aan den nieuwaangekomene den toegang moesten vrijlaten of ontzeggen:—en nu vertoonde zich, zweetende en blazende, met de hem eigene verwaandheid en zelfvoldoening op het vuurrood gelaat, aan de verwonderde oogen der aanschouwere, het klein en onbeduidend figuurtje van meester Claes Gerritsz, den voormaligen Marktschrijver van Haarlem.

Maar hij bekleedde nu een andere waardigheid. Zijn bedilzucht en neuswijsheid hadden hem ondraaglijk gemaakt aan zijn stadgenooten, maar vooral aan het bestuur. Om zich van hem te ontslaan, had men geen beter middel weten te vinden, dan om hem bij den Graaf aante bevelen, toen deze naar een geschikten persoon omzag ten einde hem te vertegenwoordigen op de rechtsdagen in Westergoo, en tevens eenige kleine eigendommen des Graven te bestieren, in dat gewest gelegen: welke betrekking tot dien tijd aan een Fries vertrouwd was geweest, maar welke de Graaf nu in zijn ontevredenheid aan een Hollander wilde opdragen. De eigenliefde van den Marktschrijver was te groot om hem zulk een post te doen afslaan, met welk gevaar die ook scheen verzeld, en hij had zich dan ook voorgesteld, zich bij de Friezen eens recht te doen gelden en hun te leeren, welk ontzag zij den Grave schuldig waren. Ofschoon hij met vrij wat gemompel en stugheid ontvangen was geworden, had hij zich daaraan weinig gestoord; maar was onverschrokken den hem eigen toon blijven voeren: en daar hij buiten dat geene ware redenen tot klachten gegeven had, en zijn mederechters, vooral die van Stavoren, Hollandschgezind waren, had hij tot nog toe geene dadelijke weerstreving aan zijn bevelen gevonden. Maar nu was hem op eens in de ooren gewaaid, dat er in Gaasterland een landdag zou gehouden worden: hij wist, dat zulke vergaderingen meermalen hadden plaats gehad en door de Graven oogluikend geduld waren geworden; maar hij was tevens van meening, dat men niet mocht verzuimen, des Graven ambtenaar daarop te noodigen: en toen die noodiging, welke hij zoolang vruchteloos gewacht had, niet tot hem kwam, begreep hij ook ongenoodigd derwaarts te moeten gaan, ten einde te zorgen, dat ’s Graven persoon aldaar behoorlijk werd vertegenwoordigd en er niets plaats vond, strijdig met de hem verschuldigde eer. Met dit moedig voornemen had hij Stavoren, zijn woonplaats, verlaten, en was te voet, daar alle paarden en vervoermiddelen genomen waren, naar den weerstal gekuierd, waar hij nu, ofschoon wat laat, kwam opdagen.

Zijn onverwachte verschijning maakte op de aanwezige menigte nagenoeg een gelijken indruk als die, welke in onze tijden zoude veroorzaakt worden door de komst van een deurwaarder of gerechtsbode op een beurs, in een academiezaal, in een leesgezelschap of in elke dergelijke vergadering, welke men gewoon is als een vrijplaats aan te merken. Ieder zag den ongeroepen gast met verbazing, sommigen met toorn, anderen met verachting, velen met een bedenkelijk hoofdschudden aan; doch niemand week van zijn plaats en elk wachtte af, wat de uitslag van dit tooneel zou zijn. Zonder van zijn stuk te geraken, stapte de wakkere ambtenaar voort, groette hier en ginds een bekende met een beschermenden hoofdknik, zette de borst hoog op en keek, toen hij zich eindelijk midden in den kring bevond, rechts en links aan de zijden des voorzitters naar een plaats uit, hoedanig hij begreep dat met zijne waardigheid zou overeenkomen. Maar alles was bezet en niemand scheen genegen hem tot zijn buurman te dulden, veelmin voor hem plaats te maken. Integendeel gaven de norsche en dreigende blikken, welke hij van alle zijden ontmoette, hem genoegzaam te kennen, dat het dwaasheid zou wezen, hier zijn vermeend recht te doen gelden. Weinig gesticht over dat onthaal en bemerkende dat zijn persoon hier omtrent denzelfden indrukmaakte als een bunsingstaart zou doen in een duivenhok, bleef hij eenige oogenblikken staan: en men kon aan den scheeven trek van zijn gelaat bespeuren, dat de vrijmoedigheid, welke hem bij zijn opkomen bezield had, langzamerhand begon plaats te maken voor verlegenheid, en dat hij den stillen wensch voedde, liever die fraaie reis niet te hebben ondernomen. Eenig half gesmoord gelach en een suizend gemompel begonnen zich reeds aan alle kanten te doen hooren, toen Aylva, wenschende een uitbarsting te voorkomen, den nieuwaangekomene toesprak:

“Wie zijt gij? En wat komt gij hier zoeken?”

“Verheugd, u te zien, mijn waarde Heer van Aylva!” zeide Claes Gerritsz, de hand aan den voorzitter toestekende, welke zich echter hield als bemerkte hij zulks niet: “ik dacht weinig, toen wij malkaar laatst binnen Haarlem zagen, u zoo spoedig weer en dat wel hier te zullen ontmoeten. Maar, als het spreekwoord zegt: bergen ontmoeten zich niet, maar....”

“Maar kort en goed,” viel Aylva in: “wat is het doel uwer komst?”

“Lieve Hemel! Is het hier geen landdag?—Ik kom een weinig laat, ’t is waar: maar daar was geen ezelspoot in Stavoren te krijgen....”

“En daarom zijt gij maar op de uwe gekomen,” riep Adeelen, lachende.

“Maar, gij hebt geene noodiging ontvangen,” hernam Aylva.

“Zeker een verzuim; want moest ik, als gemachtigde, en ik durf zeggen als vertegenwoordiger van den Graaf, zoo op den rechtsdag van Oostergoo als opzichtens Kempenesse, Aldenum en Hofland, niet zitting op uwe landdagen hebben, ten einde mijne stem te kunnen uitbrengen in het belang der Heerlijkheid?”

“Ziedaar wat iedereen u niet even gaaf zal toestemmen,” zeide Aylva: “hadt gij mij vroeger deswege geraadpleegd, ik zou u een dergelijken stap hebben afgeraden: en,” vervolgde hij halfluid, “ik rade u thans nog in goeden ernst: maak u uit de voeten; want ik zie hier menig gelaat, dat u weinig goeds belooft.”

“Hoe!” zeide de Ambtman, onthutst om zich heen ziende: “ik wil niet hopen, dat men mij mijn recht van zitting zou betwisten. Bij het Privilege, in 1299 door Graaf Jan I geschonken aan....”

“Wat wil hij?—wat vraagt hij? weg met den onbeschaamde!” riepen nu verscheidene stemmen, terwijl de woorden van den Ambtman, die de naastbijzittenden alleen vernamen, als een loopend vuurtje bij de vergadering rondgingen.

“Welnu!” riep Adeelen: “Friezen! zou een uwer nog aarzelen? gij ziet het!—op onze landdagen zelve durft die onbeschaamde Graaf zijn verspieders zenden.”

“Men moet den zot aan den paal hangen en het alarm op zijn buik trommelen!” riep Helbada.

“Zijt bedaard, vrienden!”—riep Aylva: “laat mij hem ondervragen. Vriend!—Ik vraag u nogmaals, volhardt gij bij uw opzet om hier zitting te nemen?”

“Volgens art. VII van het Privilege van Graaf Floris V,” hernam Claes Gerritsz, die nu te verre gegaan was om terug te keeren, “zullen ter plaatse, waar de Graaf zich niet in persoon bevindt, alle Schouten, Schepenen, of in zijnen naam aangestelde personen....”

Hier werd hij in de onmogelijkheid gebracht om zijn rede te vervolgen door de geweldige kreten, die van alle zijden omgingen.

“Hij verlangt zitting onder ons,” riep Aylva met luider stemme: “Hij vordert die als vertegenwoordiger des Graven.”

“Aan den paal moge hij hem vertegenwoordigen!” schreeuwde Helbada.

“Wij willen geen verspieder van Graaf Willem!” riepen anderen: “wij zijn vrije Friezen en dulden geen vreemdeling op onzen weerstal.—Is er geen water in de buurt?—Het ware niet kwaad hem een dooping te geven!”

En reeds drong menigeen op den Ambtman aan, om door daden klem aan zijn woorden te geven.

“Ik stel u verantwoordelijk voor de gevolgen,” kraaide Claes Gerritsz zijn schrille stem tot den hoogsten toon verheffende welken zij bereiken kon; “denkt om het artikel: al zoo wie een Schout, Schepen ofte anderen ’s Graven Ambtman, door woorden, bedreigingen ofte daden zal beleedigd hebben....”

“Toon ons uw lastbrief om hier te verschijnen, of verwijder u,” zeide Aylva, op een gestrengen toon: “de gemoederen zijn verhit: en ik sta niet in voor hetgeen u kan overkomen.”

“Hier is de opene brief,” zeide Claes Gerritsz, een perkament voor den dag halende, “waarmede mij onze doorluchtige Graaf en Heer heeft aangesteld tot....”

“Wij zullen u het lezen besparen,” zeide Adeelen, die, inmiddels genaderd zijnde, het perkament hem uit de handen rukte en over de hoofden heen in het bosch smeet, waar het bij het zegel aan een boomtak hangen bleef.

“Ben ik hier in een vergadering van oproermakers?” vroeg de Ambtman, zich met drift tot Aylva wendende, die, onbeweeglijk op zijn zitplaats blijvende, beurtelings hem en Adeelen met een afkeurenden blik beschouwde.

“Gij ziet uw kaarteblad hangen,” vervolgde Adeelen: “welnu! zoo gij geen lust hebt, om daarnevens te waaien, pak u dan van hier; want, bij het zwaard van mijn stamvader, Koning Adegild, ik geef u ter prooi aan de roofvogels, zoo gij een oogenblik langer vertoeft.”

“Geene onberadenheid, Seerp Van Adeelen!” riep Aylva, op een strengen toon: “dat een ieder zijn plaats herneme; en gij, Hollander! wie gij wezen moogt, zie uw aanstelling te krijgen en verwijder u. Zoolang Friesland bestaat, hebben zijn zonen nimmer een vreemdeling op hunne landdagen gedoogd.”

Adeelen begaf zich naar zijn zitplaats terug: en ofschoon hij in zijn hart den vreemdeling een goede waterdooping beloofde bij de eerste gelegenheid de beste, oordeelde hij echter, dat hij hem voor dezen dag met rust kon laten, en verheugde zich innerlijk over een voorval, dat hem aanleiding geven kon tot nieuwe en krachtigevertoogen ter aanprijzing van den krijg met Holland. De vergadering volgde zijn voorbeeld en schikte zich weder tot orde: en de Ambtman, het perkament, dat een der wapenknechten hem half verscheurd had toegebracht, weder toevouwende, maakte zich gereed om te vertrekken, toen er een nieuw gedruis op den landweg ontstond; maar ditmaal van de zijde van de Lemmer: hoefgetrappel deed zich hooren: een viertal personen steeg aan den ingang af, en de wakkere Feiko kwam juichende het plein oploopen.

“Daar is zij! daar is freule Madzy weer,” riep hij, springende, en zijn muts in de hoogte werpende.

En inderdaad, men zag Madzy optreden, door den monnik en den alwillensdwaas gevolgd. Den avond te voren aan de Lemmer geland, hadden zij aldaar vernacht, en vernemende, dat zij Aylva op den weerstal zouden vinden, waren zij ’s morgens derwaarts gereden.

“Mijn dochter!” riep Aylva, haar te gemoet komende en haar met teederheid omarmende: “zijt gij het waarlijk?”


Back to IndexNext