IX.

image: 19_vogeltje.jpg

image: 19_vogeltje.jpg

[Illustratie: Ik heb eens een vogeltje gehad, Witte...]

[Illustratie: Ik heb eens een vogeltje gehad, Witte...]

Wou-jij, scheepsjongen van 'de Gouden Leeuw', nu al rebellie plegen tegen een meerdere van je?.... Denk eens aan: tegen een lichtmatroos."

"Spot niet, Hans.... Ik kàn dat niet verdragen!"

Hans troonde hem mee naar een afgezonderd hoekje, waar zij op een hoop oude zeilen plaats namen, en toen zij daar gezeten waren, sprake Hans:

"Ik heb eens een vogeltje gehad, Witte...."

"Wat kan mij dat schelen?"

"Meer dan je denkt.... Even geduld!"

"Geduld?.... Ik heb dat zooveel jaren moeten hebben...."

"Dat er een paar minuutjes nog wel bij kunnen, zou ik zoo denken..."

Het onverstoorbaar goede humeur van Hans miste ten slotte zijn uitwerking niet op den heftigen, onstuimigen knaap.

"Ga dan maar je gang," zei hij met zulk een diepe zucht, dat Hans erom in den lach schoot.

"Je lijkt wel een blaasbalg.... Neen, bedaar!.... Ik zal je geduld niet langer op de proef stellen.... Ik had dan een vogeltje...."

"Dat weet ik al!"

"Maar wat je niet weet, is, dat ik dolveel van het beestje hield. Ik was nog een schoolaapje, en als ik naar huis kwam stuiven, zag het beest me al van verre aankomen en fladderde van blijdschap tegen de tralies van zijn kooi."

Er was iets innigs gekomen over de beweeglijke gelaatstrekken van Hans, maar die van Witte behielden haar ijzige onverschilligheid.

Wat ter wereld kon hèm een vogeltje schelen?

Toch zweeg hij nu, en wachtte met een geduld, dat hem niet dikwijls eigen was, het vervolg van het verhaal af.

"'k Had het gevangen in den winter, toen het nergens eten kon vinden. Door den honger was het in mijn macht gekomen, en daarom zorgde ik er altijd goed voor, dat het te eten kreeg. Pietje wist dat, en keek naar mijn handen om.... Dat stomme dier!"

"Moet dat gezeur nog langer duren?"

"O ja, Witte, je lacht me uit, omdat ik, zeemansjongen, die al heel wat gezworven heb, hoe jong ik nog ben, van een simpel vogeltje heb gehouden? Wacht maar, je zult eens zien, hoe je van den scheepshond gaat houden, en misschien probeer-je wel een aap mee te brengen naar het vaderland. Wij, zeelui, hechten ons altijd erg aan die goejege, stomme dieren, die je zoo kunnen aankijken, net, of ze hulp van je vragen. En die aard zat zeker toen al in me, al had ik nog geen ander scheepje dan dat ik van m'n houten klomp gemaakt had. Dàt weet ik wel, dat ik voor geen geld van de wereld m'n kameraadje had willen missen. Telkens was ik bij zijn kooi, om met hem te praten, en zoo waar als ik leef, het beest verstond me. Zijn baasje mocht alles bij hem doen, zelfs met den vinger over z'n kopje strijken."

"Is het haast uit?"

Nu kwam er als een lichte wolk over het anders zoo opgeruimde gelaat van Hans.

"Gauw genoeg, Witte! Daar heeft dat kleine ondier zelf voor gezorgd."

"Hoe?"

"'k Zal het je vertellen. 't Was al een heel stuk in de lente. Op een vroegen morgen — 'k lag nog in m'n kooi, die bij ons thuis onder de pannen was opgeslagen — hoorde ik m'n vogeltje op een geweldige wijze aangaan. Dàt is een kat! dacht ik, en wip! was ik uit 't bed en stak m'n hoofd door het dakvenster, waarnaast ik het kooitje 's nachts altijd ophing. Toen zag ik, dat ik het heelemaal mis had. M'n kameraadje lette niet eens op mij,maar wipte telkens tegen de tralies, om maar zoo dicht mogelijk bij de vogels te zijn, die druk rondvlogen met strootjes en allerlei ander gedoe voor het bouwen van hun nest."

"En natuurlijk wou je vogel daarbij wezen!"

"Dat wou-ie. En nu kan ik je niet zeggen, Witte, hoe ondankbaar ik dat van hem vond."

"Ben-je wel goed bij je zinnen? Een vogel blijft toch een vogel, en is liever in de wijde wereld dan achter de tralies van een kooi."

"Je hebt volkomen gelijk, Witte. 't Ging met m'n vogeltje.... net als 't met jou gegaan is."

Getroffen zag Witte hem aan. Van nu af was hij een en al gehoor.

Hans zag dat, en al het joviale kwam weer op zijn gelaat terug.

"Nu weet ik, maat, dat je me niet zult uitlachen als ik je verder vertel, wat er gebeurd is. Ik, kleine, domme jongen, kon maar niet gelooven, dat mijn makkertje de wijde wereld, waarin hij haast verhongerd was, liever zou hebben dan zijn baasje. Ik riep hem bij al de naampjes, die een kind aan z'n vogeltje geeft, opende het deurtje om hem met m'n vinger over z'n kopje te strijken.... Wip, daar ontsnapte hij door die opening en vloog weg. Ik werd rood van kwaadheid, en slingerde hem een stuk dakpan, dat in de goot lag, achterna. Tranen met tuiten heb ik erom gehuild. Niemand kon mij over dat verlies troosten. Men wilde mij een ander vogeltje geven. Ik dreigde het den nek om te draaien. Dat is nu al heel wat jaren geleden en nooit dacht ik me over het verlies van m'n speelkameraadje,dat ik van den hongerdood gered had en altijd verpleegde met al de innigheid van een onnoozel kind, heen te kunnen zetten...."

"Is dat toch gebeurd?"

"Door jou."

"Door mij!"

"Ja, Witte.... op het oogenblik zelf, toen je me vertelde, hoe je moeder je den rug toekeerde, toen jij uit je kooitje vloog."

"Daar wil-je mee zeggen, Hans?"

"Dat mijn vogeltje niet anders kòn, Witte."

Tegen het midden der maand Januari van het volgende jaar 1616 was het weder geheel omgeslagen.

Geen nevel meer en geen regen en geen donkere dagen. Al wederom werd de waarheid bevestigd van het oude rijmpje: "Als de dagen lengen, gaan de nachten strengen."

Maar niet alleen des nachts vroor het, dat het kraakte en knapte. Ook op den dag bakte het een aardig koekje.

De landman was met dat alles wel tevreden. "Nu vriest het ongedierte dood," meende hij.

Over het algemeen was men niet op een kwakkelwinter gesteld. "Wakke winters, vette kerkhoven," leeraarde een ander spreekwoord.

De jongens en meisjes gingen op den zolder de schaatsen eens aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpen. Moeder zei wel, dat er eerst "balken onder het ijs" moesten komen, en probeerde haar rakkers een beetje in toom te houden door ook al een spreuk aan te halen, namelijk die van "ijs kost menschenvleisch". Doch vader wist wel uit zijn jonge jaren, dat jong goedje moeilijk aan een touwtje vastgelegdkon worden, al sprak hij nu met moeder mee. Deverkoopers van"heete melk met knapkoek", gingen eens na, welk oud tafeltje nog goed genoeg zou zijn, om op het ijs dienst te doen. De smeden brachten alles in gereedheid tot het schaatsenslijpen. De rollen schaatsenband werden door de broeders van het St. Nicolaasgilde opgeduikeld en aan de luifel gehangen. Alleen de varensman, in zooverre hij de wijde wereld in moest, mocht naar al dat gedoe niet meer omkijken.

En geen wonder! De echte vrieswind waait uit het Oosten en dan is het voor een zeilschip tijd om het wijde water op te zoeken. Hoe gezellig dit anders mocht zijn, bij vorst in het water kon het soms nog een heel getob worden, dat gewoonlijk eindigde met het uitwerpen van het anker, om op een betere gelegenheid te wachten.

Die betere gelegenheid moest men meestal zelf zoo spoedig doenlijk bij den kop zien te vatten. Want in den riviermond kon men niet blijven. Telkens bracht de ebbe van boven een al talrijker wordende massa ijsbrokken aan, weldra van ijsschotsen, op elkaar schuivend en hoe langer hoe geweldiger wordend.

Ook konden, op schier onbegrijpelijke wijze, plotseling kolossale stukken ijs van den bodem oprijzen en ineens van alle kanten de rivier bedekken.

Wel duwde de vloed die massa terug of bracht ze althans in beweging, ze in elk geval opstuwend tegen de oevers, waar ze hoe langer hoe meer op elkaar gestapeld werden. Doch na eenige uren kwam de ebbe weer door, en als eenmaal een gedeelte derrivier vast ging zitten, was er geen denken meer aan, om de vaargeul open te houden.

De schepen, die op stroom lagen, zochten liever de veilige haven op, maar "de Gouden Leeuw" moest eruit, het kostte wat het wilde, moest de vrije zee bereiken, voor en aleer de ijsgang in het Goereesche Gat dit onmogelijk maakte.

Niet alleen, omdat hij voor het eerst de wijde wereld in zou zeilen, heeft de ons bekende scheepsjongen van "de Gouden Leeuw" den 21sten dag van die Januarimaand onthouden en opgeteekend in zijn dagboek, maar niet het minst, omdat het bij die gelegenheid zoo verbazend zwaar toeging. Een ander schip, waarover Heyndrik Buys gezagvoerder was, kon tot een voorbeeld strekken, hoe gevaarlijk het was, met zulk een sterken ijsgang de proef te nemen, om naar buiten te komen. Het "verzeilde", aldus heeft Witte dat aangeteekend.

Dat kon echter kapitein Geen Huyghen Schapenham den moed niet doen verliezen. Het ging erop of eronder, en dat wel naar de getuigenis van denzelfden scheepsjongen "met groot perikel". Ontzaglijk leden de manschappen, die bij die felle koude vele uren lang in het want moesten doorbrengen of op het gladde dek, dan wel in de roeibootjes, als er ankers of allerlei lijnen moesten uitgebracht worden, zonder eenige beschutting overgeleverd aan den tot op het gebeente doordringenden, ijskouden Oostenwind. Krom stonden de vingers van de koude. Tóch moesten knoopen gelegd worden of losgemaakt, tóch het ijzer van anker of spil aangeraakt worden,al voelde dat aan, of de huid aan het metaal bleef vastkleven.

image: 20_perikel.jpg

image: 20_perikel.jpg

[Illustratie: Het ging erop of eronder "met groot perikel".]

[Illustratie: Het ging erop of eronder "met groot perikel".]

Stel u ook niet die matrozen dik gekleed voor! Dat kon niet bij die vlugge bewegingen, dat opvliegen in het want, dat neerstorten in de booten. Ook ging het aan boord meestal op de bloote voeten.

Het is dan ook niet te verwonderen, dat, gelijk al diezelfde scheepsjongen getuigde: "in 't uitzeilen van 't Goedereesche Gat door de vehemente vorst, veel van 't volk haar voeten of teenen afgevroren" waren.

Wonderlijk! Die bezige menschen merkten in die benarde uren daar weinig van. Eerst een maand later, toen zij in de warmere streken der wereld waren aangekomen, begon zich dat te openbaren, en moest men de zieken aan land brengen, waar er tenten voor hen opgericht werden en men hen zoo goed en zoo kwaad dat in dien tijd ging, verpleegde. Maar enkelen van die rappe maats zagen nooit meer het vaderland terug. Zij liggen begraven in Isle de Majo, een der Kaapverdische eilanden....

Het was wel een hard begin geweest voor Witte, die zóó van de kleermakerstafel in het ruwe, onbarmhartige leven van den varensman der 17e eeuw overgeplaatst kwam. Het had ook niet erger gekund, en vrouw Stoffelsen beschouwde het daarom als een straf en het was wèl jammer voor haar, dat zij tijdens die benauwde uren in het Goereesche Zeegat niet aan boord tegenwoordig kon zijn, om haar meening in deze aan den gewezen snijdersleerling zoo nu en dan kenbaar te maken.

Nu moet het gezegd worden, dat zij haar tijdniet verloren had laten gaan. Nauw had Witte zich in dienst begeven van de Oost-Indische Compagnie ter Kamer te Rotterdam — want daarvoor voer "de Gouden Leeuw" uit — of het was haar een lust geweest allerlei sombere profetieën over zijn stuggen kop uit te storten.

Toch was haar dat dienstnemen van den voormaligen leerjongen niet onvoordeelig geweest.

Om een ongunstig getuigschrift of wel een heel gezanik met het Kleermakers- of Sint-Franciscusgilde te voorkomen en te vermijden, had moeder de With, die anders daarvoor wel de minst geëigende persoon was, alles in der minne weten te schikken, en was heel zijn zeemansuitrusting, wat ten minste de kleederen betrof, aan meester Jochum opgedragen, een voordeeltje, waar hij niet zuur om keek. Waarbij kwam, dat hij niet het kleinste muntstukje had uit te betalen aan zijn helper, die, niemand anders dan Witte was.

En voor ditmaal een uitnemende hulp!

Witte had op de kleermakerstafel nooit zulk een ijver betoond als nu. Hij werkte van den vroegen morgen tot den laten avond, en prikte zoodanig naar hartelust, dat vrouw Stoffelsen, die zich zijn luieren en tegenspartelen van nog niet zoo heel lang geleden maar al te goed herinnerde, daar een reden in vond om zich boos te maken en oude koeien uit de sloot te halen.

Die oude koeien zette zij vlak voor Witte neer, en dan begon ze, hoe venijniger hoe liever.

Ze kòn dat eenvoudig niet laten. En om eerlijk de waarheid te zeggen, werd zij nu daarin gestijfddoor Witte zelf, op wiens gelaat bij de beschouwingen van zijn gewezen meesteres, telkens een fijn, tergend lachje te voorschijn kwam, een Judaslachje, gelijk moeder Stoffelsen zich uitdrukte.

"Ja," had ze bij zulk een gelegenheid gezegd, "lach me maar uit, lansje! Je bènt er nog niet. Je hebt twaalf ambachten en dertien ongelukken..."

"Ho, ho, vrouw Stoffelsen... ik ben pas zoowat op het helftje!"

"Dáárom zei ik het ook," grijnsde nu ook zij, waardoor haar nogal geschonden gebit bloot kwam, wat haar er nu juist niet mooier op maakte, "dáárom zei ik het ook. Want je nieuwe ambacht zal je natuurlijk ook niet blijven bevallen, zoowaar ik vrouw Stoffelsen heet."

"Best mogelijk!" sarde Witte.

"Maar daar zit-je vast aan!" triomfeerde zij, "want op zee kun-je niet wegloopen."

"Best, hoor!"

"Neen, monster! Daar zit-je in een notedop op een water, waar nergens een plekje land te zien is."

"We doen toch wel eens een haven aan, vrouw Stoffelsen!"

"Ei, wat.... Zou-je willen deserteeren, jou, galgenaas?"

"Waarom niet? Net zoo goed als van de kleermakerstafel!"

Nu verried het gelaat van de vrouw, hoe vol ze was geworden van inwendige pret.

"Probeer dat eens!"

"Als ik er kans toe zie!" plaagde Witte.

"Je durft niet!... Want als ze je te pakken krijgen...."

"Dàt zit nog, moeder!"

"Zitten?.... Dat zullen ze jou laten doen, vrind, en wat harder dan op de kleermakerstafel, dàt beloof ik je."

"Te deksel, dat zal dan wèl hard zijn, hoor.... Maar ook van die tafel ben ik afgekomen, dus...."

"O ja, uit de gevangenis zul-je ook wel geleid worden, maar naar een plaats, waar je niet meer hoeft te zitten."

"Moet ik dan staan?"

"Ja, voor mijn part voegen ze er tot verzwaring van je straf nog bij, dat ze je een paar uur te pronk stellen met een bord voor je lijf."

"En dan, vrouw Stoffelsen?"

"Dan hangen ze je op!"

Nu barstte Witte in een luiden lach uit.

"Wat zul-je daar een spijt van hebben, vrouw Stoffelsen!"

Het gelaat van de eerbare vrouw trok schijnheilig samen.

"Dat zal ik zeker," betuigde zij.

"Ja, maar ik bedoel niet van dat ophangen."

"Waarvan dan?"

"Dat je er niet bij zal kunnen zijn!"

Vrouw Stoffelsen zwol op. Graag had ze haar slof uitgetrokken, om er dien onbeschaamden rekel mee om de ooren te geven, maar nu hij niet meer de leerjongen van haar goeden man was, ging dat niet langer.

Die goede man kwam nu tusschen beiden.

Tot nu toe had hij het die twee maar met elkaar laten uitvechten. Zoolang zijn vrouw op voet van oorlog met een ander was, had hij vrede, en hij wàs een man des vredes.

Nu kwam hij wel niet met een vaderlijke redeneering of een wijze spreuk voor den dag. Om eerlijk de waarheid te zeggen, vond hij zooiets ten opzichte van zijn wederhelft als het werpen van paarlen voor de zwijnen. Maar hij vond de zoo noodige afleiding door de meening te kennen te te geven, dat er "volk" in de taveerne was.

Dat werkte altijd uitstekend op zijn wederhelft. Want mocht het blijken, dat hij zich zoowaar vergist had, dan kon dat "volk" er toch wel geweest zijn, maar zich weer verwijderd hebben, hetgeen vrouw Stoffelsen tot de zekere proef zou leiden om de voordeur te openen en de straat langs te zien.

Bijna altijd werd dan wel een buurvrouw ontdekt, met wie eenige meer of minder vriendschappelijke woorden over de vele gebreken der menschheid te wisselen viel.

Na al het voorgaande, kan men zich wel voorstellen, dat het afscheid van dit echtpaar voor onzen Witte wel om te overkomen was geweest, en, hoe weinig lachebek hij van nature ook mocht zijn, toch had het weinig gescheeld, of hij had door zijn gegrinnik al de goede zedelessen, welke hem vrouw Stoffelsen op zijn verdere levensreis medegaf, in even zooveel voorspellingen, als dat hij voor galg en rad opgroeide, doen omslaan. Het was de baas met zijn knipbeenen, die, door zijn jarenlangeervaring hoe men met zijn wijfje moest omgaan, ook ditmaal uitkomst gaf.

Het afscheid van zijn moeder was koel en strak geweest.

Alles wat er voor hem te doen viel, had zij gedaan.

image: 21_volk.jpg

image: 21_volk.jpg

[Illustratie: Dat er "volk" in de taveerne was.]

[Illustratie: Dat er "volk" in de taveerne was.]

Aan zijn uitrusting ontbrak niets. Ja toch iets: de hartelijkheid, het medeleven van de laatste uren, die haar zoon in het ouderlijke huis doorbracht.

Toen het zoo ontzettend koud werd, en zij haarjongen in den breeden riviermond wist, zonder eenige beschutting voorden huilenden Noord-Ooster, trok haar gelaat wel pijnlijk samen, maar geen woord kwam daarover tot een ander, hetwelk een kijkje had kunnen geven in haar hart.

Een moeder vergeet haar kind nooit; maar wat deze leed en deze bad, bleef een geheim tusschen haar en den Hemelschen Vader, den eenigen, aan wien zij haar zoon opdroeg.

Wat Witte betrof, ook hij liet zich niet uit over dat afscheid, en mocht het toch wel eenigen indruk op hem gemaakt hebben, dan was de herinnering daaraan niet van dien aard, dat zij hem voor langen tijd tot neerslachtigheid zou gestemd hebben. Want telkens kwam als een luchtstroom van geluk het gevoel over hem, dat hij eindelijk zijn levensdoel bereikt had.

Dàt jubelde maar door hem heen. Elk stuk van zijn uitrusting was bij het gereedkomen een tastbaar bewijs, dat het dan toch heusch waar was en geen droom, die heerlijke verzekerdheid van naar zee te mogen gaan.

Wat konden hem kou en ongemak deren!

Een warm gevoel van geluk overstroomde hem, deed zijn hart kloppen en zijn polsen jagen. Keken de matrozen een beetje zuinig naar dien strakken winterhemel, hij vond dien even stralend als zijn toekomst. En toen hij op een vroegen morgen afscheid nam van Marie — het vroor dat het kraakte en de lucht leek wel vervuld van prikkelende ijsnaaldjes — zag hij in het ochtendlicht den Brielschen toren, met die groene plekjes van de korstmossen erover gefluweeld, als omhangen met een rose kleed: het lichtrood van zijn toekomst!

Het lag nu ook op zijn wangen, zijn heldere kijkers straalden van opgewektheid.

"Als ik terugkom, Marie.... over jaren...."

"Véél jaren, Witte?"

Hij knikte.

"Voor jou zullen ze gauw genoeg voorbij zijn," klaagde zij, "maar voor mij...."

Hij zag weer op tot den Brielschen toren, den geweldigen Heerscher aan den Mond der Maas.

Toen stak hij zijn hand uit.

"Zul-je dikwijls aan me denken, Marie?"

Zij knikte.

"Ik zal je niet vergeten, Witte."

Nu zagen zijn felle oogen haar aan, zooals slechts hij iemand, hetzij dan vriend of vijand, kon aanzien.

"Daar zullen er wel meer aan me blijven denken... aan den jongen van wien toch niemendal terecht zal komen.... Neen, stil, Marie, ik weet van jou wel beter! Maar het zal ze tegenvallen. Want wat ik eenmaal wil, geef ik niet op, Marie!"

Hij zweeg even.

Toen voegde hij erbij:

"Als het God belieft, Marie!"

Zij boog het hoofd. Iets vochtigs kwam in haar oogen.

Dàt kon hij niet aanzien. Nog een handdruk en hij ging ervan door.

Dit afscheid en dat van zijn moeder was hem zeker niet licht gevallen. Met voordicht vermijdenwij het gebruik van het woordje "zwaar". Dáárvoor was hij door heel zijn innerlijk heen eigenlijk veel te gelukkig. En in dat geluk werd hij bevestigd bij zijn overige afscheidsbezoeken.

Zoo was ds. Leo van Nieuwenhoorn haast net zoo blij als zijn doopkind.

Hij had altijd wat in den jongen gezien, het bejammerd, dat zulk een karakter in een niet geliefd ambacht werd opgesloten en was er nu zeker van, dat er uit den knaap voor den dag zou komen, wat hij er altijd in gezocht had. Hij gaf hem nog heel wat goede lessen mede op zijn verdere levensreis en met meer aandacht dan men van zulk een stuggen knaap verwacht zou hebben, luisterde deze daarnaar, ze opnemende in zijn hart.

Van het oogenblik af, dat Witte op zijn schip gekomen was, leek het wel, alsof er een geheele verandering met hem had plaats gehad. Geen ijveriger, vlugger, welwillender en oppassender jongen dan hij. Welk werk, hoe lastig, vervelend of onaangenaam, hem ook opgedragen mocht worden, voor hem kwam er het gezellige en aantrekkelijke van zijn huidige opgeruimdheid over.

Het was er verre vandaan, dat hij de luchtigheid van Hans zou getoond hebben. Hij was en bleef rustiger en koeler. Maar het leek wel, alsof er iets triomfantelijks over heel zijn doen en laten gekomen was, of juister gezegd: een volkomen zekerheid, dat hij al zijn best zou doen, wàt hem ook bevolen werd en dat zijn werk goed zou zijn.

Van de vreeselijke koude in het Goereesche Zeegat heeft hij geen kwade gevolgen ondervonden.

Nu is het waar, dat hij een stevige jongen was, die zich nooit ontzien had; maar de overgangvan het thuis zittend leventot het zich bewegen in de open lucht bij een temperatuur van verscheiden graden onder het nulpunt, moest hem toch wel aanpakken.

image: 22_lessen.jpg

image: 22_lessen.jpg

[Illustratie: Hij gaf hem nog heel wat goede lessen mede.]

[Illustratie: Hij gaf hem nog heel wat goede lessen mede.]

Gelukkig voor hem behoefde hij nog niet veel diensten te verrichten in die tallooze touwen en touwtjes, welke een zeeschip uit die dagen van het dek tot het topje van den grooten mast als een web van spinnedraden omgaven. Als dienaar van den scheepskapitein was hij meer aangewezenop een verblijf in de kajuit of op het dek. Wat niet wegnam, dat hij niet bij het fornuis een dutje kon gaan doen, en dat een schip, bestemd voor een reis naar Oost-Indië, meer op het doorstaan van een tropische hitte dan voor de ongemakken van een Poolreis was ingericht. Ten minste ten opzichte van de brandstoffen en gelegenheden tot verwarming. Want wat de dompigheid en de ongeriefelijkheid der menschelijke verblijfplaatsen betrof, gaven die twee in het tijdperk onzer ontdekkingstochten elkaar niet veel toe.

Welk een getob, ja, welk een ellende die ijsgang in het Goereesche Zeegat ook aan de equipage van "de Gouden Leeuw" gegeven mocht hebben, het bleek ook bij deze gelegenheid, dat het Engelsche spreekwoord "Waar er een wil is, is ook een weg", door de Hollandsche Jantjes met glorie in toepassing gebracht kon worden. Hoe meer men de zee naderde, hoe meer zich het ijs bros en voos ging toonen, en eindelijk, daar lag de groote plas voor het oog van den nieuwen scheepsjongen, de Noordzee, in haar kilheid van dezen strengen winter lichtgroen afstekend tegen den wolkeloozen vrieshemel. En prachtig was het om te zien, hoe door dat lichtgroen boven de zandplaten telkens glinsterend witte, in de zon fonkelende, breede witte ruggen opribden.

Onze scheepsjongen kòn het niet nalaten even zijn werk in den steek te laten, en niemand nam het hem op dat pas kwalijk. Van allen, die er op dit oogenblik gelegenheid toe hadden, gingen de blikken dáárheen.

Even nog omgezien naar de duinen en de daarachter oprijzende torens van het vaderland.

Toen weer vooruit.

Want dáár lag de toekomst.

En het was meer in de toekomst dan in het verleden, dat de Jantjes uit ons Heldentijdperk geleefd hebben....

Door de onvermijdelijke zeeziekte-periode was Witte vrij spoedig heengerold.

Was hij een groote meneer geweest met een half dozijn bedienden om hem bij te staan, hardop te beklagen en stilletjes uit te lachen, ja, dan zou die krankheid niet alleen een kop en een lang lichaam, maar ook een heel langen staart gehad hebben.

Met een scheepsjongen werd echter een klein beetje anders omgesprongen! Dien stuurde men met een bakje vet het want in, en dan moest hij maar zien, hoe hij het daar hoog in de lucht met de veel-vermaarde zee-bezoeking op een accoordje kon gooien. Zachte meesters maken stinkende wonden, zeiden onze voorouders, en de zeevader van een kajuitsjongen kon moeilijk onder het zoetsappig menschensoortje gerekend worden. Zelf was zoo'n opvoeder het zeemansleven eer ingeschopt dan ingeleid, en omdat hij er flink en gezond en robuust bij geworden was, paste hij met de noodige aanspraken, die, hoewel niet veel van loftuitingen weghebbend, in elk geval de verdienste bezaten van zeer kort en zeer pakkend te zijn, diezelfdeopvoedingsmethode op alweer een nieuw geslacht toe. Witte heeft er geen woord van opgeschreven, hoe dat met hem en de zeeziekte gesteld is geweest. Zeker echter is het, dat hij tien dagen na de uitvaart, dus op den 31 Januari 1616, al heelemaal met zijn hersenen bij de zeezaken kon zijn en niet meer als een kabeljauw uit zijn oogen zag.

Men bevond zich toen pas aan het einde — of van den Oceaan af gerekend aan het begin — van het Kanaal, waaruit we kunnen opmaken, dat men bar-veel met tegenwind had moeten worstelen, want als men dat eindje op de kaart nagaat, moet men eerlijk bekennen, dat "de Gouden Leeuw" niet veel was opgeschoten in die tien dagen tijds.

Op die plaats dan trof men vier Hollandsche schepen aan, die ook naar Oostinje op weg waren en voor dezelfde Compagnie voeren. Het waren "de Eendracht" en "de Trouwe" van Amsterdam, "de Banthem" van Enkhuizen en "de Westvriesland" van Hoorn.

Het was geen toeval dat die schepen elkaar "bejegenden". Kapitein Schapenham was er natuurlijk van onderricht.

In deze tijden toch was het beter om er met z'n vijfjes goedgewapende oorlogsschepen op uit te zeilen, dan op z'n eigen houtje den tocht naar Oostinje te ondernemen.

Wel hadden wij met Spanje een wapenstilstand voor den tijd van twaalf jaren gesloten, maar dat strekte zich niet uit tot de Indiën.

Bovendien was juist door het Bestand de zeerooverij bijzonder toegenomen, gelijk we straksnader zullen hooren. En verder.... onze buren van over de zee, de Engelschen, volgden ons als onze schaduw naar de Indiën, in welk geweldig eilandenrijk beide Europeesche buurtjes er niet al te zeer tegen op zagen elkaar af en toe in de haren te vliegen of de inlandsche vorsten tegen elkaar en niet minder tegen de andere blanken op te stoken. Ja, die bleekgezichten hebben heel wat wonderlijke noten op hun zang gehad!

Welke noot onze joviale vriend Hans opzijnzang had, weten we al: dolgraag zou hij op "de Westvriesland" overgeplaatst zijn, en daarom was het een hard gelag voor hem, toen hij het schip van zijn geboortestad Hoorn vlak voor zijn kluisgaten kreeg.

"Daar had ik nu als matroos den banjer op kunnen spelen," gromde — in zooverre dat den immer opgeruimden knaap kon afgaan — hij tegen Witte, aan wien hij, uit het want, de verschillende zeekasteelen aanduidde.

"Kom, Hans wie weet, wat er nog gebeuren kan!"

"Wel, heb ik van m'n leven! Sedert jij net als een slang je huid — nou ja, je kleermakershuid dan! — hebt afgestroopt, zie-jij nergens meer bezwaren in."

"Die zullen wel weer komen," glimlachte Witte. "Alles op z'n tijd, maat! Maar voorloopig ben ik veel te blij, dat ik uit al dat gezanik ben. O, wat een geluk, zeeman te zijn!"

"Jij?.... Wat een verbeelding!.... Zeeman van een blauwen Maandag, hoor! Je komt pas kijken.... weet op z'n best, hoe je een dweil in je knuisten moet houden, en al wist-je dat, dan doe-jehet nog verkeerd, sukkel! De eene bootsman trapt je links, en de andere rechts, en dat wou nu al gaan praten van zeeman?"

image: 23_zeekastelen.jpg

image: 23_zeekastelen.jpg

[Illustratie: De verschillende zeekasteelen aanduidde.]

[Illustratie: De verschillende zeekasteelen aanduidde.]

"Ben-je haast klaar?" vroeg Witte.

"Klaar?.... Ik begin pas!"

"Wacht dan even, want ik wou het even over dat trappen hebben. Laat ik me dat doen, Hans?"

Hans keek hem aan, zooals hij daar, blootshoofds, zijn rood-baaien trui los om den naaktenhals, de mouwen hoog opgestroopt, in het want hing. Neen, die branie met zijn vurige oogen en zijn norsch gezicht, zag er niet naar uit, om zich door den eersten den besten in een hoekje te laten duwen.

"Nou?" vroeg Witte, die best snapte, wat die onderzoekende blik van zijn maat voor een beteekenis had en nu wel graag eens een goedkeurend en aanmoedigend woordje hoorde, waarmee hij trouwens nooit verwend was geworden in zijn leven aan wal.

Maar Hans snapte dat ook, en begon hem daarom ongenadig te plagen.

Daar kon Witte nog niet te best tegen, en terugplagen ging hem heelemaal nog niet goed af. Gelukkig, dat de drukte, veroorzaakt door het bij elkaar komen der schepen, of juister van de bevelhebbers, die nu heel wat met elkaar te bespreken kregen, genoeg bezigheid aan het scheepsvolk en daardoor voldoende afleiding zoowel aan Hans als aan Witte gaf, om hun gedachten een andere richting heen te voeren.

Toch nam Hans zich stellig voor om bij gelegenheid eens een balletje op te gooien, bijvoorbeeld wanneer hij eens op het achterdek geroepen werd, waar de plaats der officieren was, om op "de Westvriesland" overgeplaatst te worden. Licht viel daar door ongesteldheid of sterfgeval een matroos uit, en dan was het niet kwaad, als men zijn naam alvast in de gedachten had.

Nu, dat was niet dom geredeneerd van onzen Hans.

Alleen vergat hij, dat zulk een open plaats zich door dezelfde omstandigheden ook aan boord van"de Gouden Leeuw" kon voordoen. En, ach en wee voor onzen vriend, hij was al heelemaal vergeten, hoeveel de equipage daarvan bij die koude in het Goereesche Zeegat geleden had.

We hebben al verteld, hoe de gevolgen daarvan zich pas in de warmere streken begonnen te openbaren. En als ik daar het woordje "pas" gebruikte, wil dat nu niet zeggen, dat men ook al zulk een geruimen tijd over de reis moest doen als in het begin. Neen, men bevond zich reeds den 21sten Februari bij de Kaapverdische eilanden, en, gelijk wij reeds weten, werd een daarvan, namelijk het eiland Maio of wel Isle de Majo, uitgekozen tot herstellingsoord voor de zieken van "de Gouden Leeuw".

Men bleef daar tot den 3den Maart, waarna de overlevenden ingescheept werden, maar het spreekt vanzelf, dat die vooreerst nog geen zwaren dienst konden doen. En nu men er ook op dat eiland had moeten begraven, ligt het voor de hand, dat er aan boord van dit schip eer krachten noodig waren, dan dat er, gelijk Hans zoo vurig gehoopt had, gemist konden worden.

Gevolgelijk was het kapitein Schapenham, die aan zijn vriend, den gezagvoerder van "de Westvriesland", het verzoek richtte om hem eenige zijner onderhebbenden in bruikleen te geven. Daarvan telde de equipage 360 koppen, waaronder 60 jongens van Hoorn. Maar van die laatsten stond de gezagvoerder er niet een af.

"Op hen kan ik in alle omstandigheden rekenen," verklaarde hij eerlijk en openhartig aan kapitein Schapenham.

Die knipoogde eens.

"De rest is dus maar zoo.... zoo?.... En dáárvan krijg ik zeker nog het uitschot?" De gezagvoerder van "de Westvriesland" werd om deze opmerking niet boos, want hij zag wel, dat kapitein Schapenham hem een beetje plaagde.

"Wat zal ik je zeggen, Schapenham? Die rest —zooals je maar eventjes niet minder dan driehonderd man gelieft te noemen — bestaat uit voortreffelijke zeelui, en daaronder veel van den Zaankant vandaan maar ze zijn eigenlijk van alles door elkaar."

"Ja, ja.... 't Is bij mij ook zoo! Door het Bestand zijn een massa oorlogsmatrozen ontslagen en die zoeken hun heil in de koopvaardij, in de Indiënvaart...."

"En in de zeerooverij!" viel zijn collega hem met een veelzeggend glimlachje in de rede.

"Juist wat ik zeggen wou," bekende kapitein Schapenham.

De gezagvoerder van "de Westvriesland" knikte.

"'t Zijn tegenwoordig rare streken, die onze zeelui op hun kompas gekregen hebben, Schapenham! Je bent ouder dan ik, en wie ouder is en niet met gesloten oogen geleefd heeft, is vanzelf ook wijzer. Maar of je in dit opzicht zulk een wonderlijken tijd beleefd hebt, kan ik haast niet gelooven."

"Och, vriend," gaf hierop onze kapitein ten antwoord, "ik geloof wel, dat het niet zoo heel erg is, als sommige schippers er sprookjes van vertellen. Je weet, die veel gereisd heeft en vooral die van verre komt, kan je veel verhaaltjes op de mouw spelden. Maar waar is het, dat de jongensonder mekaar er niet over uitgepraat komen, hoeveel er bij de vrije vaart te winnen valt."

"Te verliezen toch ook.... al was het maar hun leven. En als ik 'maar' zeg, is dat enkel bij wijze van spreken. Want 't is toch het kostelijkste, wat zoo'n jongen in zijn matrozenbaaitje heeft steken."

"Daar denkt zoo'n jonge losbol al evenmin aan als aan zijn onsterfelijke ziel!" voegde kapitein Schapenham er ernstig bij. "Er moet maar een slecht element aan boord zijn, een zwalker, die eigenlijk niets meer heeft te verliezen. Die begint de jongens, als ze des nachts op wacht zijn, of met mooi weer wat kunnen luieren, aan hun hoofd te praten van al de schatten, die met de vrije vaart te verdienen zijn. Hoe Simon de Danser, en wie heb-je tegenwoordig al niet meer, op eenzaam gelegen eilanden of bij de Ongeloovigen aan de Noordkust van Afrika, prachtige buitenverblijven hebben en verder al wat een jong zeemanshart bekoren kan. De jongens worden zoo gek op zulk een vrij, bandeloos zeerooversleven, dat ze in staat zouden zijn hun officieren te vermoorden en over boord te smijten, zich meester te maken van het schip en zoowaar ook al op zeeroof te gaan."

"Daarom," voegde de gezagvoerder van "de Westvriesland" hierbij, "ben ik zoo in mijn schik ten minste een vaste kern van vertrouwbare personen bij mij aan boord te hebben. Ik ken die Hoornsche jongens zoo goed als allemaal, en kan tot in den dood op hen rekenen."

"Dat kan ik op mijn equipage ook. En bovendien ik houd een oog in 't zeil. Daarom zal ik op hetstelletje, dat je me op den hals schuift, extra goed, letten."

De kapitein van "de Westvriesland" lachte.

"Wie weet, of ik ze nog niet als brave borsten van je terugkrijg."

"Laat dat maar aan mij over, hoor! Ik zet er nog al den duim op, moet-je weten."

Nu, dat deed zijn collega werkelijk niet minder. Er heerschte in die dagen een strenge tucht aan boord van de oorlogsschepen, en wel een tucht, die aan ons onmenschelijk lijkt. Er werd geslagen, gegeeseld, van de ra geworpen, gekielhaald en wat al niet meer.

Geen wonder, dat als het te erg werd, er wel eens zoo'n geteisterde equipage in opstand kwam, de officieren gevangen nam, op een eenzaam eiland aan wal zette, indien men er al niet dadelijk een eind aan gemaakt had, of ze in een roeibootje de wijde, onbegrensde zee op stuurde.

Na zoo'n oproer was de equipage vogelvrij, kon tenminste nooit meer in een vaderlandsche haven komen, zonder met den strop kennis te maken. Welnu, dan sneed men alle banden met de beschaafde maatschappij door en was er een zeerooversschip meer op den oceaan.

Het is dan ook de onvergankelijke eer van een Maerten Harpertszoon Tromp geweest, om aan het ruwe volkje van de zee — want ruw wàs het! — een meer menschwaardig bestaan te verschaffen. In vergelding daarvoor gaf het hem deneerenaam van "bestevaêr", en bleef hem trouw, ook onder de moeilijkste omstandigheden.

Doch wat de toekomst nog zou brengen, kon aan de beide gezagvoerders, wier onderhoud we bijwoonden, nog niet bekend zijn. Zij moesten roeien met de riemen, die zij hadden, dat wil zeggen: op een langdurige reis en door gevaarlijke streken en bezwaarlijke omstandigheden heen, den wind bij hun ondergeschikten, die lang niet van de gemakkelijksten waren, eronder houden.

En voor onze reizigers kwam er weldra een moeilijke tijd. Men naderde de linie, en daar kon het wel eens een getob van tegenwind, of, wat nog erger was, van windstilte geven.

Tot nu toe was de vaart, behalve in het Kanaal, vrij voorspoedig gegaan. Nu echter liep alles tegen, en niet minder dan drie-en-een-halve maand was men genoodzaakt om en bij de linie te blijven, wijl bijna voortdurend de wind uit den Zuidelijken hoek woei.

De eenige afwisseling in dit wanhopig eentonige leven was de ontmoeting met twee Portugeesche schepen. Men maakte er zich meester van en bevond, dat zij in hoofdzaak met wijn bevracht waren. Die vaten en alle verdere koopmanschappen bracht men over aan eigen boord en liet de Portugeezen vrij, al dan niet hun reis naar Brazilië te vervolgen.

Ook had, bij het passeeren der linie, het gewone inwijdingsfeest plaats voor de nieuwelingen. Neptunis kwam voor den dag met zijn vrouw en zijn "zeuntje"; de luidjes, die ingewijd werden, kregen hun stortbad, nadat zij ingezeept en met het blikken mes geschoren waren. Daarna behoorden zij tot de echte zeerobben, tot de bazen, die er voortaanzijn mochten. "Hij is de linie gepasseerd," zegt men nog van iemand, wien men geen knollen voor citroenen kan verkoopen.

Ook Witte, welk een lastig heer hij mocht zijn, was voor Neptunis heel kleintjes en nederigjes geweest, maar toen zijn doop achter den rug was, gevoelde hij zich als een echt zeeman, die wat te vertellen had aan de landkrabben, wanneer hij die na jaar en dag wederom ontmoeten zou.

Uitgenomen deze twee voorvallen, was het aan boord van de Oostinjevaarders een leven, dat men zoowaar niet aan zijn ergsten vijand gegund zou hebben.

Stel u voor: altijd een zwoele, vochtige warmte, waaraan men nacht noch dag ontkomen kon. En in die benauwde hitte.... altijd maar eten van gezouten vleesch of spek, van boonen en erwten en gort, terwijl al wat men dronk, zoowel het water dat naar het vat smaakte, als het scheepsbier, alle frischheid miste.

"Wat begint ons spek er geel uit te zien!" zei Witte op een van die drukkende, benauwde dagen tot Hans.

Deze glimlachte eens.

"Dukaten-goud!" schertste hij.

Witte, van eigen natuur prikkelbaar, was dit onder die voortdurende hitte en dat vervelende leven van maar afwachten en allerlei werkjes opzoeken om toch maar wat te doen te hebben, nog een haartje erger geworden.

"Jij steekt overal den gek mee!" gromde hij.

"Ik?.... Wel, als een mensch dàt onder de linie niet doet, zou hij tureluursch worden."

"Dat word ik van de kakkerlakken," ging Witte al maar voort te grommen.

"Vergeet toch alsjeblieft die lieve insecten in je beschuit niet," plaagde Hans.


Back to IndexNext