BOENG VAN BAPAH-LOLEH

[Inhoud]BOENG VAN BAPAH-LOLEHGezicht dat over rand kijkt.Vol goeden moed was Harmen „uitgezeild”. Hij hield de onderarmen over twee bamboe-stelen, klemde de handen behagelijk ineen. Door de hooge ligging van het dek had hij lucht genoeg. „’t Zal me benieuwen hoe het zaakje afloopt”, zei Harmen.„Gebeuren doet er vast wat, als Joppie z’n falie niet houdt!”Nu, daar leek het weinig op: Joppie jammerde onverdroten voort. „Dat is zeker een hondenliedje!” dacht Harmen. „Zooiets als: varen varen over de baren!—Zouden we het dorp al voorbij zijn?—Wacht, waarom houdt Joppie ineens zijn bek dicht?” Harmen loerde door de spleten van het dek. „Hij staat te kwispelstaarten, dat mormel!” Harmen spitste het oor, ving stemmen op, hoorde het plassen van een spaan; er stootte iets tegen het vlot, en, wip! daar sprong er een jongen op. Spiernaakt! En Joppie, die sallemander, wrong zich in duizend bochten en likte het bruine jog de enkels schoon! Hopla, daar sprong er nog een op het dek. En nog een. In een ommezien stond het vlot vol bruine lichamen. „Nou”, dacht Harmen, „nou zullen we eens kijken wat ze doen, die smerige zeeschuimers! Zouwe ze tegen kietelen kunnen? Als ik m’n vinger maar tusschen die bamboetjes kon doorwurmen, zou ik er eens een onder z’n voeten kriebelen. Dan zou-d-ie raar springen!” En Harmen begon zachtjes te grinniken.Maar zijn vroolijkheid nam een einde, toen allen plots aan den kant kwamen staan waar Harmen lag. Voor onze koksmaat het wist, grinnikte hij, inplaats van lucht, water naar binnen. Dat werd hem te kras. Hij dook onder het vlot weg, klemde zijn handen om het boord, stak zijn druipende haren en zijn hoofd, dat paars van benauwdheid geworden was, uit het water[444]op en brulde, woedend en verdrietig: „Potverrrrblomme!” Het leek Folkert Berentsz. wel!Als aan het dek genageld, staarde de heele bruine compagnie daarboven naar het gruwelijke watermonster. Toen vlogen ze met z’n allen naar den anderen kant van het vlot en plonsden als kikkers het water in.En Harmen dook weer weg naar zijn oude plaatsje, waar thans weer zooveel lucht was als Harmen maar inademen kon.En juist dat plotselinge verdwijnen weer versterkte de bruine gasten in de meening, dat dit vlot van den duivel bezeten was. Ze werkten zich in hun prauwtje—waar Joppie hen vriendelijk ontving—, pakten den satanshond in zijn nek en deden hem met een zwaai weer op het behekste vlot verhuizen, waar hij thuishoorde. Toen pagaaiden ze in allerijl terug naar den wal.Harmen was van zijn woede en schrik bekomen en kon tevreden zijn over den gang van zaken. Na verloop van tijd begon hij zich af te vragen hoe ver hij nu al van het dorp zou zijn, en of de jongens het vlot gevolgd zouden hebben. Hij dook weer even te voorschijn en loerde over het dek. Ja! daar in de verte, bij de huisjes en het blauwe kolommetje rook, stond de heele troep het vlot na te kijken. Joppie zat met den rug naar Harmen gekeerd, staarde weemoedig stroomopwaarts.„Als ik die bocht om ben, zien ze me niet meer”, dacht Harmen. Hij dook weer naar zijn schuilplaats, en toen hij opnieuw te voorschijn kwam, was het dorpje aan het oog onttrokken. Wip! Harmen zat weer op het vlot, werd kwispelstaartend verwelkomd door Joppie en beantwoordde den groet vrij levendig met zijn voet, zoodat Joppie schuw aan de andere zijde ging zitten.„Nou, ik zal nog maar niet aanleggen!” zei Harmen. „Laten de anderen maar een eindje loopen,—daar zullen ze niet van bederven.” En, verbazend over zichzelf tevreden, ging hij zitten en staarde in de bergen van groen aan de oevers. Hoe heerlijk warm was het! Harmen luisterde naar het vogelgerucht, waarvan elk toontje helder afklonk tegen de stilte, en ademde de geuren in, die over het water hingen. Zoo ongeveer moest het er in het paradijs van Adam en Eva nu ook hebben[445]uitgezien,—dacht Harmen. Kijk die reiger daar eens statig staan te visschen! Hoe blank was dat bepluimde lichaam tegen al het donkere groen! Hoe sierlijk die lange, buigzame hals met dat kroontje van veeren! Het dier stond in de schaduw, maar toch straalde het nog licht uit, en in het water sidderde de heldere weerschijn. Harmen deed zijn oogen dicht en droomde. ’t Was hier opSumatranu en dan toch ook wel lollig! Hij zuchtte diep, zette de longen uit om eens een paar schepels vol van die bedwelmend zoet-warme lucht in te ademen.Joppie kwam weer bij hem, en nu was Harmen verteederd,—sloot den hond in zijn armen.Bons! Het vlot stootte tegen den wal. Harmen sprong overeind en legde het vast. Het lag heerlijk in een schaduwrijke plek, te midden van waterlelies. „Nou, ze zullen me wel vinden”, dacht onze vriend. Hij strekte zich languit op het dek neer en sliep.Hajo en Padde waren uit de verte ooggetuige geweest van de uitwerking, die Harmen’s onverwacht opduiken op de bende bruine kapers had. Harmen wist toch niet wat hij maar verzinnen zou om den boel in de war te sturen! Gelukkig was het ditmaal nog weer eens goed gegaan!Toen begonnen onze vrienden hun tocht, zich met moeite een weg banend door het kreupelhout. Wat een leelijke dorens zaten overal! Ze kwamen bij een dwarsweggetje, dat naar de rivier leidde. Na het even te hebben afgespied, staken ze snel over en drongen weer door de struiken voort, op eenigen afstand de rivier volgend. Nu en dan gingen ze naar den oever om naar het vlot uit te zien, en toen ze tenslotte wat rook zagen kringelen, maakten ze op, dat het Harmen’s vuurtje wel zou zijn. Zoo was het dan ook, en het vlot lag aan dezen kant. „Ze vleiden zich naast Harmen neer en wachtten spoedig eveneens slapend op Rolf’s komst. Harmen snurkte, dat het vlot ervan schudde, en de doode bladeren van de boomen vielen. Joppie hielp hem nog een handje.Maar ineens schrokken allen wakker. Wat was dat voor een gegil, daar aan de overzijde.….?![446]Rolf had, na den wonderbaarlijk gelukkigen afloop van Harmen’s zeeschuimers-avontuur, een smal, kronkelig paadje gevonden, dat naar het dorp leidde. In alle voorzichtigheid volgde hij het, van struik tot struik. Zie!—Rolf verborg zich vlug—daar kwam in loggen gang een karbouw den hoek om, en boven op den grijzen kolos troonde een naakt kereltje. Nog een karbouw volgde, den kop met de zware, naar achteren gebogen horens laag geheven en eveneens op zijn breeden rug een „katjong”.„Eh, Simin, weet jij wat Boeng van Bapah-Loleh zegt?” riep de achterste ruiter.„Neen, maar het zal wel een leugen zijn”, antwoordde de ander. „Nu, wat zegt hij?”„Dat hij wil gaan kijken waar het vlot gebleven is.”„Dat durft hij toch niet! Eens zei hij ook, dat hij een badak-gadjah wilde zoeken en hem betooveren. Hij snijdt altijd op.”„Ja, maar nu is hij toch heusch gegaan om het vlot te zoeken! Hij heeft gisteren de huid van eenoelar belanggevonden. Met zoo’ndjimatdurft hij alles—zei hij.”„En waarom is hij dan niet blijven staan, toen die geest uit het water opdook?”De karbouwen gingen een nieuwe bocht om, en de stemmen der knaapjes verdoften.Rolf kwam voorzichtig weer te voorschijn. „Die Boeng van Bapah-Loleh zou nog veel kwaad kunnen stichten met zijn djimat!” dacht hij. „Daar moeten we een stokje voor zien te steken!”Hij stond eensklaps voor een kokostuin. Tusschen de struiken door, zag hij tot zijn verbazing, dat in een der boomen een vrij groote aap bezig was, noten los te draaien en ze omlaag te werpen. Beneden stond een Inlander en verzamelde de noten. „Dat is nog eens makkelijk!” dacht Rolf. „Zoo’n afgerichte aap moesten wij ook hebben!” In een wijden boog sloop de jongen het dorp om. Ergens was een man aan het grassnijden. Een hond lag op een stapeltje hooi. Gelukkig merkten geen van beiden onzen vriend op.„Ze zullen hier wel voornamelijk van de visscherij leven”, dacht Rolf, toen hij weer bij de rivier stond, waar overal netten[447]te drogen hingen. Hij volgde nu weer een smal paadje langs den oever, ontdekte eindelijk het vlot aan de overzijde, wilde zich door de struiken een weg naar den oever banen.….!Daar stond, met den rug naar hem toe, een inlandsche knaap naar het vlot te loeren. De bruine spion had niets hooren aankomen.„Eh, Boeng!” riep Rolf met luide stem, die echode in de stilte.Daar stond, met den rug naar hem toe, een inlandsche knaap naar het vlot te loeren.De jongen zou niet méér geschrokken zijn, indien de bliksem naast hem ware ingeslagen. Hij kromp ineen, wendde zich om en staarde wezenloos den blanke tegenover hem in het gelaat. Toen wilde hij het op een loopen zetten, maar Rolf haalde hem met een paar sprongen in en greep hem stevig vast. Boeng beet, schopte en gilde, dat het een aard had. „Diam! Stil!” morde Rolf. „Je ziet wel, dat tegen de blanken geendjimathelpt, al is het ook eenoelar belang!”„Ampoen! Vergeving!” smeekte Boeng.„Zul je staan blijven en luisteren naar wat ik je zeg?”„Saja, toean!” beloofde Boeng met bevende lippen.„Nu, dan.….” Rolf liet hem los, „dan ga je straks naar Bapah Loleh, en je zegt hem dat jullie kampong in gevaar is. Stroomopwaarts zwerft een bende djahats (roovers). Zeg eens na?”Bevend over al zijn leden, voldeed Boeng aan het verzoek.„Goed zoo. Zeg aan Bapah Loleh, dat de bende uit tachtig man bestaat en goed bewapend is. Zul je het doen?”[448]„Saja, toean.….”„Dan nog iets: is de zee hier ver vandaan?”„Niet ver, heer.….”„Hoe ver?”„Van zonsopgang tot duister, heer.….”„Zijn er nog meer kampongs aan den stroom?”„Nog een, heer. Een groote kampong. Dicht aan de zee.”Op dit oogenblik klonken van den oever de stemmen der andere jongens. En vóór de arme Boeng wist wat er met hem gebeurd was, had Harmen hem een beentje gelicht en de enkels met rotan samengesnoerd. „We nemen hem mee!” zei Harmen. „Als ie in z’n kampong vertelt wat ie gezien heeft, zijn we er bij!”„Wees niet bang”, zei Rolf. „Ik heb hem wijsgemaakt, dat stroopende benden de kampong willen overvallen. Ze hebben nu wel wat beters te doen dan ons na te zetten.”Harmen trok grinnikend den knoop weer los. „Ook goed!”Boeng sprong haastig overeind, keek schuw naar Harmen om en wilde heengaan.„Wacht nog even, Boeng”, zei Rolf. „Heb je wel eens van Java gehoord? En van Bantem?”Boeng knikte. „Ze komen van Bantem met koopwaar hier.”Rolf keek zijn vrienden aan. „Hoor jullie dat?! Jongens, Bantemkanniet ver meer zijn!”„Nou, vooruit dan maar weer!” zei Harmen met een vreugdetrilling in zijn stem.En overmoedig sprongen onze vrienden weer aan boord en stootten af. Boeng maakte zich uit de voeten, rende als een haas, wien de honden op de hielen zitten.De jongens stuurden het vlot naar het midden van den stroom. Naar Bantem! Bantem was niet ver meer!Het was vrij laat geworden, en bij Harmen deed zich de honger geducht voelen. „Zullen we eens aanleggen?” vroeg hij. „’k Heb zoo’n kriebel in m’n maag.”„Laten we wachten tot de zon onder is”, zei Rolf.„Dan ben ik een lijk”, verzekerde Harmen.„Nu, als we gaan visch bakken, word je wel weer levend!” stelde Rolf hem gerust.[449]Zoo was het ook. Toen de jongens tegen schemeren het vlot meerden, en een paar visschen zich lustig knappend in de vlammen wentelden, herleefde Harmen uit zijn hongerdood. De jongens smulden aan de heerlijke vischruggen, en Joppie vond de graten nog lekkerder.Na het eten gingen ze bijeenzitten en staarden in gedachten over het donkere water. Ineens viel er een glans over, doordat de maan zich ontsluierde. Nu was het, alsof de rivier, die daareven roerloos scheen als een vijver, plots te stroomen begon.Het vlot lag diep weg in een duistere kom; de jongens hadden door een zware loofpoort het uitzicht op de rivier, die nu vloeibaar zilver was. Zou een van hen verbaasd zijn geweest, wanneer ze eensklaps een statig Vikinger-schip met blanke, bolle zeilen en wijd uitwaaienden wimpel voorbij zouden zien drijven achter die donkere poort? Of wanneer uit het zilveren water elfjes zouden opstijgen en hand aan hand rondzwierden in wonderlijken dans? Zie! op een lelieblad zat de kikker-koning toe te zien, een gouden kroon op zijn blinkend groenen kop; zijn geelwitte buik glom van de ridderorden. In het midden van den dansenden kring rees nu de elfenkoningin op, in een van haar tengere, statig geheven handjes een witte lelie, in de andere haar gouden sceptertje en op haar roode haren een fijn gesmeed kroontje vol groene steenen. De elfjes dansten; heur ijle gewaden zwierden omhoog en zonken lichtglanzend, gespreid weer neer, en zóó luchtig drukten de kleine, teere voetjes het watervlak, dat er niet meer dan drie pareltjes opspatten.Ineens.…. uit was het sprookje. De elfjes, de kikkerkoning zijn naar hun vochtig rijk teruggekeerd, Harmen stoot zijn makkers aan: een donker ding in het water koerst recht op het vlot af, waarop de jongens zitten. Drie knobbels steken uit; het zwemmend gevaarte houdt nu en dan stil, zoodat de lijnen, die het door het zilveren oppervlak kerft, voorbij schieten en zich kruisen. Dan komt hij weer nader.…. de krokodil! Den adem ingehouden, zien de jongens toe. Geen van hen zegt een woord. Joppie slaapt, geen kwaad vermoedend.De krokodil, aan het uiteinde van het vlot gekomen, is nu[450]even niet te zien, omdat het bamboezen dek vrij hoog boven het water uitsteekt. De knapen, die in spanning, maar eigenlijk zonder een zweem van angst hebben toegezien, voelen nu eensklaps onrust in zich opkomen. Waar is het beest?!Onder het vlot?! Ze willen opspringen.…. Maar daar schuift aan het andere einde een platte monsterkop met groen-gele oogen en naar alle zijden uitstekende, kromme tanden op het dek. En met de twee voorpooten, die hoog naast den rug uitpuilen, tracht de krokodil zich naar boven te werken.Met een sprong staan de jongens overeind, willen hun speren grijpen. Maar de krokodil, die op het vlot een rustig ligplaatsje zocht om naar de dansende elfjes uit te kijken, valt al, doodelijk verschrikt, met een zwaren plons in het water terug. Zie! daarginds zwemt de rakker! Nu verdwijnt hij achter de poort.„We moeten aan land gaan slapen”, zegt Rolf. „Hier op het vlot is het niet veilig.”De jongens nemen Joppie in zijn nekvel, die zich, driekwart slapend, laat vervoeren. Zwijgend treden ze in het stille woud, zoeken een eind van den wal een zacht plekje op. Maar de muskieten beletten het inslapen. ’t Is om er dol van te worden. Hijgend liggen de jongens op den rug, na zich geheel met bladeren te hebben toegedekt. Boven hun hoofd speelt de maan een griezelig spel met takken en twijgen. Hoor.….! Wat klinkt daar in de verte? Ding-dang-dong-ding-kloeng.….Het dorp, waarvan Boeng sprak! Daar moesten ze vannacht nog langs zien te komen!De jongens springen overeind, wrijven de jeukende muskietenbeten. „Kom, Joppie!” zegt Harmen, en, voor de argelooze Joppie het weet, vliegt hij al door de lucht en verhuist naar het vlot. Hij komt op vier pooten terecht, zwikt door op zijn zitvlak, ziet met lodderige oogen rond, tolt dan om.…. en snurkt alweer.„’n Waaksch beestje!” prijst Harmen.Samen gooien ze het vlot los, sturen door de loofpoort heen naar het midden van den stroom. Nu zien ze aan den rechteroever een lichtschijn tusschen de boomen. Ze houden dus links van de rivier.[451]Hier is schaduw. Telkens haakt het vlot in de waterplanten. „Padde, ga jij voor het vuur zitten. En gooi er wat hout uit tot het smeult!”—Padde aarzelt even, onwillig door slaap, dan kruipt hij van de plaats, waar hij al was neergezonken, zuchtend naar het vuurtje. Joppie sleept zich, te lui om op te staan, over het dek voort en legt zich tegen Padde’s dijen.„Gooi er nouallesniet uit!” gromt Harmen tot Padde, die bezig is, het heele vuur overboord te werken. „Wel allemachies! Als je er nou nog één stuk uitgooit, vlieg je er achter aan! Begrepen?”Padde begrijpt, al is hij niet klaar wakker.De jongens doen hun best, met de stuurboomen zoo min mogelijk teplonzen. De klanken van de muziek worden luider; hier op het water buitelen ze van plezier over elkaar. Ding-dong-dang-kloeng-ping-tok-dak-doeng-doeng.….„M’n fiool.….” zucht Harmen. „Van m’n eerste centen koop ik weer een fiool! Bij Roeffies vader, weet je wel: dat zaakje van alles, achter de kerk? Daar heb ik m’n vorige ook gekocht, en dat was een puike, nietwaar, Hajo?”„Sssst!”„Een harde gulden heeft ie me gekost”, zei Harmen, zonder te luisteren. „En de snaren toe.—Pas op met zeewater, zei de vent.” Harmens stem werd bitter. „Pas op met zeewater. Jawel!”„Nou, en mijn mooie koffiemolen dan.….?” vroeg Padde.Hajo en Rolf konden—ondanks het hachelijke van het oogenblik, geen van beiden hun lachen bedwingen.„Ja, lach maar”, gromde Padde. „Maar daarmee is de ellende begonnen! Wie weet: als die koffiemolen niet overboord gevallen was.….” Padde zweeg, zocht naar het verband tusschen zijn koffiemolen, die voor Texel op zoo droevige wijze verongelukt was, en de latere rampen, die deNieuw-Hoorngeteisterd hadden.Harmen had zwijgend geluisterd. „Is er een koffiemolen overboord gevallen?” vroeg hij.„Ja!” zei Padde, ingenomen met Harmens belangstelling. En fluisterend (het vlot was geen honderd ellen van het dorp!) vertelde hij, hoe de vork in den steel zat.[452]Harmen knikte bedachtzaam het hoofd, toen Padde zijn gemoed gelucht had. Daarop zei hij peinzend: „Ik geloof óók, dat het voor ons allemaal het beste was geweest, wanneer jij achter je koffiemolen was aangesprongen.”„Maar ik kan immers haast niet zwemmen!”„Dat weet ik wel”, stelde Harmen hem gerust.Padde dacht even over Harmens woorden na, tot hij den zin ervan gevat had. Toen wendde hij het gelaat af en ging, het hoofd in de armen, naast Joppie liggen.„Daar gaat er een grienen!” hoonde Harmen. „Afijn, ’t is schoon water; als ’t wat anders was, zou ik zeggen: ’t is zonde.”Met een grimmigen kreet sprong Padde op Harmen af. Deze lichtte hem een beentje, zoodat Padde op zijn zitvlak terecht kwam. Hij pakte Harmen woedend bij de beenen, wilde hem omver rukken. Maar Rolf kwam tusschenbeide. „Zijn jullie dol! Hier, nog vlak bij het dorp!”„Wat doet ie te beginnen!” siste Padde met tranen in zijn stem.„Weer wat nieuws!” merkte Harmen droogjes op. „Wie heeft me aangevlogen? Hij heeft me in m’n kuiten gebeten, de smakker! Wacht maar! Ik zal je morgen eens een uurtje te grazen nemen, en dan mag je: dankje, Harmen! zeggen.”„’k Heb je niet gebeten!” snauwde Padde en ging, den rug naar hem toe, bij het vuur zitten.„Welles!” zei Harmen giftig.„Nietes!”„Welles!”Zoo kwamen de jongens wonder boven wonder ongemerkt de kampong voorbij. Nu durfden ze het vlot weer naar het midden van de rivier te sturen, in den maneschijn.Padde’s drift bekoelde, en hij werd benauwd voor den dag van morgen en in het bijzonder voor dat uurtje, waarvoor hij: dankje, Harmen! zou mogen zeggen. Om medelijden te wekken, ging hij weer liggen en snikte voort.En werkelijk werd Harmen hierdoor verteederd. „Kom, lig nou niet meer te janken”, zei hij, terwijl hij zijn vuurtje aanblies. „Help me liever een handje blazen!”Padde, blij, dat zich een gelegenheid tot verzoening voordeed,[453]richtte zich steunend op, snikte nog even na en blies toen door zijn tranen heen.„Je spuugt meer als dat je blaast”, merkte Harmen op. „En alles in m’n gezicht!”„Ik zal van de andere kant blazen”, beloofde Padde.„Alsjeblieft.”—Zoo bliezen ze in eendracht tot de vlammetjes weer dartel speelden.„Nou, afijn”, zei Harmen, opstaande, „zul je dan geen schip meer in brand steken?”Hajo en Rolf lachten, tenslotte Padde ook zoo half en half. Ietwat verlegen nam Harmen zijn stuurboom weer op. „’k Zou er anders niks van zeggen, maar hij hoeft me niet in m’n beenen te bijten. Als ie zegt: Harremen, ik zal je niet meer in je beenen bijten!—zal ik ’m niks doen.”„Ik heb je niet in je beenen gebeten”, zei Padde, die weer moed kreeg nu de anderen lachten.„Je hebt me wèl in m’n beenen gebeten!”„Nietes.”„Wèlles!”„Ssst!” suste Rolf.Harmen zweeg, en Padde voelde zich overwinnaar. Hij nam Joppie in zijn armen, en even later snurkten ze om het hardst.Na een half uur meerden de anderen het vlot in een holte van den oever, geheel tusschen de waterplanten.„Padde! Word wakker! We gaan aan wal!”Geen antwoord. Padde was in diepen slaap.„Hei, Padde!” riep Harmen. „’n Krokodil!”Wip! stond Padde overeind. Ook Joppie krabbelde op z’n vier slaperige pooten. „Waar?!” stamelde Padde.„In m’n neus”, zei Harmen. „Kom mee, we moeten aan land slapen.”En allen gingen aan wal, dekten zich met bladeren toe.De muskieten vierden feest.Krokodil.[454]

[Inhoud]BOENG VAN BAPAH-LOLEHGezicht dat over rand kijkt.Vol goeden moed was Harmen „uitgezeild”. Hij hield de onderarmen over twee bamboe-stelen, klemde de handen behagelijk ineen. Door de hooge ligging van het dek had hij lucht genoeg. „’t Zal me benieuwen hoe het zaakje afloopt”, zei Harmen.„Gebeuren doet er vast wat, als Joppie z’n falie niet houdt!”Nu, daar leek het weinig op: Joppie jammerde onverdroten voort. „Dat is zeker een hondenliedje!” dacht Harmen. „Zooiets als: varen varen over de baren!—Zouden we het dorp al voorbij zijn?—Wacht, waarom houdt Joppie ineens zijn bek dicht?” Harmen loerde door de spleten van het dek. „Hij staat te kwispelstaarten, dat mormel!” Harmen spitste het oor, ving stemmen op, hoorde het plassen van een spaan; er stootte iets tegen het vlot, en, wip! daar sprong er een jongen op. Spiernaakt! En Joppie, die sallemander, wrong zich in duizend bochten en likte het bruine jog de enkels schoon! Hopla, daar sprong er nog een op het dek. En nog een. In een ommezien stond het vlot vol bruine lichamen. „Nou”, dacht Harmen, „nou zullen we eens kijken wat ze doen, die smerige zeeschuimers! Zouwe ze tegen kietelen kunnen? Als ik m’n vinger maar tusschen die bamboetjes kon doorwurmen, zou ik er eens een onder z’n voeten kriebelen. Dan zou-d-ie raar springen!” En Harmen begon zachtjes te grinniken.Maar zijn vroolijkheid nam een einde, toen allen plots aan den kant kwamen staan waar Harmen lag. Voor onze koksmaat het wist, grinnikte hij, inplaats van lucht, water naar binnen. Dat werd hem te kras. Hij dook onder het vlot weg, klemde zijn handen om het boord, stak zijn druipende haren en zijn hoofd, dat paars van benauwdheid geworden was, uit het water[444]op en brulde, woedend en verdrietig: „Potverrrrblomme!” Het leek Folkert Berentsz. wel!Als aan het dek genageld, staarde de heele bruine compagnie daarboven naar het gruwelijke watermonster. Toen vlogen ze met z’n allen naar den anderen kant van het vlot en plonsden als kikkers het water in.En Harmen dook weer weg naar zijn oude plaatsje, waar thans weer zooveel lucht was als Harmen maar inademen kon.En juist dat plotselinge verdwijnen weer versterkte de bruine gasten in de meening, dat dit vlot van den duivel bezeten was. Ze werkten zich in hun prauwtje—waar Joppie hen vriendelijk ontving—, pakten den satanshond in zijn nek en deden hem met een zwaai weer op het behekste vlot verhuizen, waar hij thuishoorde. Toen pagaaiden ze in allerijl terug naar den wal.Harmen was van zijn woede en schrik bekomen en kon tevreden zijn over den gang van zaken. Na verloop van tijd begon hij zich af te vragen hoe ver hij nu al van het dorp zou zijn, en of de jongens het vlot gevolgd zouden hebben. Hij dook weer even te voorschijn en loerde over het dek. Ja! daar in de verte, bij de huisjes en het blauwe kolommetje rook, stond de heele troep het vlot na te kijken. Joppie zat met den rug naar Harmen gekeerd, staarde weemoedig stroomopwaarts.„Als ik die bocht om ben, zien ze me niet meer”, dacht Harmen. Hij dook weer naar zijn schuilplaats, en toen hij opnieuw te voorschijn kwam, was het dorpje aan het oog onttrokken. Wip! Harmen zat weer op het vlot, werd kwispelstaartend verwelkomd door Joppie en beantwoordde den groet vrij levendig met zijn voet, zoodat Joppie schuw aan de andere zijde ging zitten.„Nou, ik zal nog maar niet aanleggen!” zei Harmen. „Laten de anderen maar een eindje loopen,—daar zullen ze niet van bederven.” En, verbazend over zichzelf tevreden, ging hij zitten en staarde in de bergen van groen aan de oevers. Hoe heerlijk warm was het! Harmen luisterde naar het vogelgerucht, waarvan elk toontje helder afklonk tegen de stilte, en ademde de geuren in, die over het water hingen. Zoo ongeveer moest het er in het paradijs van Adam en Eva nu ook hebben[445]uitgezien,—dacht Harmen. Kijk die reiger daar eens statig staan te visschen! Hoe blank was dat bepluimde lichaam tegen al het donkere groen! Hoe sierlijk die lange, buigzame hals met dat kroontje van veeren! Het dier stond in de schaduw, maar toch straalde het nog licht uit, en in het water sidderde de heldere weerschijn. Harmen deed zijn oogen dicht en droomde. ’t Was hier opSumatranu en dan toch ook wel lollig! Hij zuchtte diep, zette de longen uit om eens een paar schepels vol van die bedwelmend zoet-warme lucht in te ademen.Joppie kwam weer bij hem, en nu was Harmen verteederd,—sloot den hond in zijn armen.Bons! Het vlot stootte tegen den wal. Harmen sprong overeind en legde het vast. Het lag heerlijk in een schaduwrijke plek, te midden van waterlelies. „Nou, ze zullen me wel vinden”, dacht onze vriend. Hij strekte zich languit op het dek neer en sliep.Hajo en Padde waren uit de verte ooggetuige geweest van de uitwerking, die Harmen’s onverwacht opduiken op de bende bruine kapers had. Harmen wist toch niet wat hij maar verzinnen zou om den boel in de war te sturen! Gelukkig was het ditmaal nog weer eens goed gegaan!Toen begonnen onze vrienden hun tocht, zich met moeite een weg banend door het kreupelhout. Wat een leelijke dorens zaten overal! Ze kwamen bij een dwarsweggetje, dat naar de rivier leidde. Na het even te hebben afgespied, staken ze snel over en drongen weer door de struiken voort, op eenigen afstand de rivier volgend. Nu en dan gingen ze naar den oever om naar het vlot uit te zien, en toen ze tenslotte wat rook zagen kringelen, maakten ze op, dat het Harmen’s vuurtje wel zou zijn. Zoo was het dan ook, en het vlot lag aan dezen kant. „Ze vleiden zich naast Harmen neer en wachtten spoedig eveneens slapend op Rolf’s komst. Harmen snurkte, dat het vlot ervan schudde, en de doode bladeren van de boomen vielen. Joppie hielp hem nog een handje.Maar ineens schrokken allen wakker. Wat was dat voor een gegil, daar aan de overzijde.….?![446]Rolf had, na den wonderbaarlijk gelukkigen afloop van Harmen’s zeeschuimers-avontuur, een smal, kronkelig paadje gevonden, dat naar het dorp leidde. In alle voorzichtigheid volgde hij het, van struik tot struik. Zie!—Rolf verborg zich vlug—daar kwam in loggen gang een karbouw den hoek om, en boven op den grijzen kolos troonde een naakt kereltje. Nog een karbouw volgde, den kop met de zware, naar achteren gebogen horens laag geheven en eveneens op zijn breeden rug een „katjong”.„Eh, Simin, weet jij wat Boeng van Bapah-Loleh zegt?” riep de achterste ruiter.„Neen, maar het zal wel een leugen zijn”, antwoordde de ander. „Nu, wat zegt hij?”„Dat hij wil gaan kijken waar het vlot gebleven is.”„Dat durft hij toch niet! Eens zei hij ook, dat hij een badak-gadjah wilde zoeken en hem betooveren. Hij snijdt altijd op.”„Ja, maar nu is hij toch heusch gegaan om het vlot te zoeken! Hij heeft gisteren de huid van eenoelar belanggevonden. Met zoo’ndjimatdurft hij alles—zei hij.”„En waarom is hij dan niet blijven staan, toen die geest uit het water opdook?”De karbouwen gingen een nieuwe bocht om, en de stemmen der knaapjes verdoften.Rolf kwam voorzichtig weer te voorschijn. „Die Boeng van Bapah-Loleh zou nog veel kwaad kunnen stichten met zijn djimat!” dacht hij. „Daar moeten we een stokje voor zien te steken!”Hij stond eensklaps voor een kokostuin. Tusschen de struiken door, zag hij tot zijn verbazing, dat in een der boomen een vrij groote aap bezig was, noten los te draaien en ze omlaag te werpen. Beneden stond een Inlander en verzamelde de noten. „Dat is nog eens makkelijk!” dacht Rolf. „Zoo’n afgerichte aap moesten wij ook hebben!” In een wijden boog sloop de jongen het dorp om. Ergens was een man aan het grassnijden. Een hond lag op een stapeltje hooi. Gelukkig merkten geen van beiden onzen vriend op.„Ze zullen hier wel voornamelijk van de visscherij leven”, dacht Rolf, toen hij weer bij de rivier stond, waar overal netten[447]te drogen hingen. Hij volgde nu weer een smal paadje langs den oever, ontdekte eindelijk het vlot aan de overzijde, wilde zich door de struiken een weg naar den oever banen.….!Daar stond, met den rug naar hem toe, een inlandsche knaap naar het vlot te loeren. De bruine spion had niets hooren aankomen.„Eh, Boeng!” riep Rolf met luide stem, die echode in de stilte.Daar stond, met den rug naar hem toe, een inlandsche knaap naar het vlot te loeren.De jongen zou niet méér geschrokken zijn, indien de bliksem naast hem ware ingeslagen. Hij kromp ineen, wendde zich om en staarde wezenloos den blanke tegenover hem in het gelaat. Toen wilde hij het op een loopen zetten, maar Rolf haalde hem met een paar sprongen in en greep hem stevig vast. Boeng beet, schopte en gilde, dat het een aard had. „Diam! Stil!” morde Rolf. „Je ziet wel, dat tegen de blanken geendjimathelpt, al is het ook eenoelar belang!”„Ampoen! Vergeving!” smeekte Boeng.„Zul je staan blijven en luisteren naar wat ik je zeg?”„Saja, toean!” beloofde Boeng met bevende lippen.„Nu, dan.….” Rolf liet hem los, „dan ga je straks naar Bapah Loleh, en je zegt hem dat jullie kampong in gevaar is. Stroomopwaarts zwerft een bende djahats (roovers). Zeg eens na?”Bevend over al zijn leden, voldeed Boeng aan het verzoek.„Goed zoo. Zeg aan Bapah Loleh, dat de bende uit tachtig man bestaat en goed bewapend is. Zul je het doen?”[448]„Saja, toean.….”„Dan nog iets: is de zee hier ver vandaan?”„Niet ver, heer.….”„Hoe ver?”„Van zonsopgang tot duister, heer.….”„Zijn er nog meer kampongs aan den stroom?”„Nog een, heer. Een groote kampong. Dicht aan de zee.”Op dit oogenblik klonken van den oever de stemmen der andere jongens. En vóór de arme Boeng wist wat er met hem gebeurd was, had Harmen hem een beentje gelicht en de enkels met rotan samengesnoerd. „We nemen hem mee!” zei Harmen. „Als ie in z’n kampong vertelt wat ie gezien heeft, zijn we er bij!”„Wees niet bang”, zei Rolf. „Ik heb hem wijsgemaakt, dat stroopende benden de kampong willen overvallen. Ze hebben nu wel wat beters te doen dan ons na te zetten.”Harmen trok grinnikend den knoop weer los. „Ook goed!”Boeng sprong haastig overeind, keek schuw naar Harmen om en wilde heengaan.„Wacht nog even, Boeng”, zei Rolf. „Heb je wel eens van Java gehoord? En van Bantem?”Boeng knikte. „Ze komen van Bantem met koopwaar hier.”Rolf keek zijn vrienden aan. „Hoor jullie dat?! Jongens, Bantemkanniet ver meer zijn!”„Nou, vooruit dan maar weer!” zei Harmen met een vreugdetrilling in zijn stem.En overmoedig sprongen onze vrienden weer aan boord en stootten af. Boeng maakte zich uit de voeten, rende als een haas, wien de honden op de hielen zitten.De jongens stuurden het vlot naar het midden van den stroom. Naar Bantem! Bantem was niet ver meer!Het was vrij laat geworden, en bij Harmen deed zich de honger geducht voelen. „Zullen we eens aanleggen?” vroeg hij. „’k Heb zoo’n kriebel in m’n maag.”„Laten we wachten tot de zon onder is”, zei Rolf.„Dan ben ik een lijk”, verzekerde Harmen.„Nu, als we gaan visch bakken, word je wel weer levend!” stelde Rolf hem gerust.[449]Zoo was het ook. Toen de jongens tegen schemeren het vlot meerden, en een paar visschen zich lustig knappend in de vlammen wentelden, herleefde Harmen uit zijn hongerdood. De jongens smulden aan de heerlijke vischruggen, en Joppie vond de graten nog lekkerder.Na het eten gingen ze bijeenzitten en staarden in gedachten over het donkere water. Ineens viel er een glans over, doordat de maan zich ontsluierde. Nu was het, alsof de rivier, die daareven roerloos scheen als een vijver, plots te stroomen begon.Het vlot lag diep weg in een duistere kom; de jongens hadden door een zware loofpoort het uitzicht op de rivier, die nu vloeibaar zilver was. Zou een van hen verbaasd zijn geweest, wanneer ze eensklaps een statig Vikinger-schip met blanke, bolle zeilen en wijd uitwaaienden wimpel voorbij zouden zien drijven achter die donkere poort? Of wanneer uit het zilveren water elfjes zouden opstijgen en hand aan hand rondzwierden in wonderlijken dans? Zie! op een lelieblad zat de kikker-koning toe te zien, een gouden kroon op zijn blinkend groenen kop; zijn geelwitte buik glom van de ridderorden. In het midden van den dansenden kring rees nu de elfenkoningin op, in een van haar tengere, statig geheven handjes een witte lelie, in de andere haar gouden sceptertje en op haar roode haren een fijn gesmeed kroontje vol groene steenen. De elfjes dansten; heur ijle gewaden zwierden omhoog en zonken lichtglanzend, gespreid weer neer, en zóó luchtig drukten de kleine, teere voetjes het watervlak, dat er niet meer dan drie pareltjes opspatten.Ineens.…. uit was het sprookje. De elfjes, de kikkerkoning zijn naar hun vochtig rijk teruggekeerd, Harmen stoot zijn makkers aan: een donker ding in het water koerst recht op het vlot af, waarop de jongens zitten. Drie knobbels steken uit; het zwemmend gevaarte houdt nu en dan stil, zoodat de lijnen, die het door het zilveren oppervlak kerft, voorbij schieten en zich kruisen. Dan komt hij weer nader.…. de krokodil! Den adem ingehouden, zien de jongens toe. Geen van hen zegt een woord. Joppie slaapt, geen kwaad vermoedend.De krokodil, aan het uiteinde van het vlot gekomen, is nu[450]even niet te zien, omdat het bamboezen dek vrij hoog boven het water uitsteekt. De knapen, die in spanning, maar eigenlijk zonder een zweem van angst hebben toegezien, voelen nu eensklaps onrust in zich opkomen. Waar is het beest?!Onder het vlot?! Ze willen opspringen.…. Maar daar schuift aan het andere einde een platte monsterkop met groen-gele oogen en naar alle zijden uitstekende, kromme tanden op het dek. En met de twee voorpooten, die hoog naast den rug uitpuilen, tracht de krokodil zich naar boven te werken.Met een sprong staan de jongens overeind, willen hun speren grijpen. Maar de krokodil, die op het vlot een rustig ligplaatsje zocht om naar de dansende elfjes uit te kijken, valt al, doodelijk verschrikt, met een zwaren plons in het water terug. Zie! daarginds zwemt de rakker! Nu verdwijnt hij achter de poort.„We moeten aan land gaan slapen”, zegt Rolf. „Hier op het vlot is het niet veilig.”De jongens nemen Joppie in zijn nekvel, die zich, driekwart slapend, laat vervoeren. Zwijgend treden ze in het stille woud, zoeken een eind van den wal een zacht plekje op. Maar de muskieten beletten het inslapen. ’t Is om er dol van te worden. Hijgend liggen de jongens op den rug, na zich geheel met bladeren te hebben toegedekt. Boven hun hoofd speelt de maan een griezelig spel met takken en twijgen. Hoor.….! Wat klinkt daar in de verte? Ding-dang-dong-ding-kloeng.….Het dorp, waarvan Boeng sprak! Daar moesten ze vannacht nog langs zien te komen!De jongens springen overeind, wrijven de jeukende muskietenbeten. „Kom, Joppie!” zegt Harmen, en, voor de argelooze Joppie het weet, vliegt hij al door de lucht en verhuist naar het vlot. Hij komt op vier pooten terecht, zwikt door op zijn zitvlak, ziet met lodderige oogen rond, tolt dan om.…. en snurkt alweer.„’n Waaksch beestje!” prijst Harmen.Samen gooien ze het vlot los, sturen door de loofpoort heen naar het midden van den stroom. Nu zien ze aan den rechteroever een lichtschijn tusschen de boomen. Ze houden dus links van de rivier.[451]Hier is schaduw. Telkens haakt het vlot in de waterplanten. „Padde, ga jij voor het vuur zitten. En gooi er wat hout uit tot het smeult!”—Padde aarzelt even, onwillig door slaap, dan kruipt hij van de plaats, waar hij al was neergezonken, zuchtend naar het vuurtje. Joppie sleept zich, te lui om op te staan, over het dek voort en legt zich tegen Padde’s dijen.„Gooi er nouallesniet uit!” gromt Harmen tot Padde, die bezig is, het heele vuur overboord te werken. „Wel allemachies! Als je er nou nog één stuk uitgooit, vlieg je er achter aan! Begrepen?”Padde begrijpt, al is hij niet klaar wakker.De jongens doen hun best, met de stuurboomen zoo min mogelijk teplonzen. De klanken van de muziek worden luider; hier op het water buitelen ze van plezier over elkaar. Ding-dong-dang-kloeng-ping-tok-dak-doeng-doeng.….„M’n fiool.….” zucht Harmen. „Van m’n eerste centen koop ik weer een fiool! Bij Roeffies vader, weet je wel: dat zaakje van alles, achter de kerk? Daar heb ik m’n vorige ook gekocht, en dat was een puike, nietwaar, Hajo?”„Sssst!”„Een harde gulden heeft ie me gekost”, zei Harmen, zonder te luisteren. „En de snaren toe.—Pas op met zeewater, zei de vent.” Harmens stem werd bitter. „Pas op met zeewater. Jawel!”„Nou, en mijn mooie koffiemolen dan.….?” vroeg Padde.Hajo en Rolf konden—ondanks het hachelijke van het oogenblik, geen van beiden hun lachen bedwingen.„Ja, lach maar”, gromde Padde. „Maar daarmee is de ellende begonnen! Wie weet: als die koffiemolen niet overboord gevallen was.….” Padde zweeg, zocht naar het verband tusschen zijn koffiemolen, die voor Texel op zoo droevige wijze verongelukt was, en de latere rampen, die deNieuw-Hoorngeteisterd hadden.Harmen had zwijgend geluisterd. „Is er een koffiemolen overboord gevallen?” vroeg hij.„Ja!” zei Padde, ingenomen met Harmens belangstelling. En fluisterend (het vlot was geen honderd ellen van het dorp!) vertelde hij, hoe de vork in den steel zat.[452]Harmen knikte bedachtzaam het hoofd, toen Padde zijn gemoed gelucht had. Daarop zei hij peinzend: „Ik geloof óók, dat het voor ons allemaal het beste was geweest, wanneer jij achter je koffiemolen was aangesprongen.”„Maar ik kan immers haast niet zwemmen!”„Dat weet ik wel”, stelde Harmen hem gerust.Padde dacht even over Harmens woorden na, tot hij den zin ervan gevat had. Toen wendde hij het gelaat af en ging, het hoofd in de armen, naast Joppie liggen.„Daar gaat er een grienen!” hoonde Harmen. „Afijn, ’t is schoon water; als ’t wat anders was, zou ik zeggen: ’t is zonde.”Met een grimmigen kreet sprong Padde op Harmen af. Deze lichtte hem een beentje, zoodat Padde op zijn zitvlak terecht kwam. Hij pakte Harmen woedend bij de beenen, wilde hem omver rukken. Maar Rolf kwam tusschenbeide. „Zijn jullie dol! Hier, nog vlak bij het dorp!”„Wat doet ie te beginnen!” siste Padde met tranen in zijn stem.„Weer wat nieuws!” merkte Harmen droogjes op. „Wie heeft me aangevlogen? Hij heeft me in m’n kuiten gebeten, de smakker! Wacht maar! Ik zal je morgen eens een uurtje te grazen nemen, en dan mag je: dankje, Harmen! zeggen.”„’k Heb je niet gebeten!” snauwde Padde en ging, den rug naar hem toe, bij het vuur zitten.„Welles!” zei Harmen giftig.„Nietes!”„Welles!”Zoo kwamen de jongens wonder boven wonder ongemerkt de kampong voorbij. Nu durfden ze het vlot weer naar het midden van de rivier te sturen, in den maneschijn.Padde’s drift bekoelde, en hij werd benauwd voor den dag van morgen en in het bijzonder voor dat uurtje, waarvoor hij: dankje, Harmen! zou mogen zeggen. Om medelijden te wekken, ging hij weer liggen en snikte voort.En werkelijk werd Harmen hierdoor verteederd. „Kom, lig nou niet meer te janken”, zei hij, terwijl hij zijn vuurtje aanblies. „Help me liever een handje blazen!”Padde, blij, dat zich een gelegenheid tot verzoening voordeed,[453]richtte zich steunend op, snikte nog even na en blies toen door zijn tranen heen.„Je spuugt meer als dat je blaast”, merkte Harmen op. „En alles in m’n gezicht!”„Ik zal van de andere kant blazen”, beloofde Padde.„Alsjeblieft.”—Zoo bliezen ze in eendracht tot de vlammetjes weer dartel speelden.„Nou, afijn”, zei Harmen, opstaande, „zul je dan geen schip meer in brand steken?”Hajo en Rolf lachten, tenslotte Padde ook zoo half en half. Ietwat verlegen nam Harmen zijn stuurboom weer op. „’k Zou er anders niks van zeggen, maar hij hoeft me niet in m’n beenen te bijten. Als ie zegt: Harremen, ik zal je niet meer in je beenen bijten!—zal ik ’m niks doen.”„Ik heb je niet in je beenen gebeten”, zei Padde, die weer moed kreeg nu de anderen lachten.„Je hebt me wèl in m’n beenen gebeten!”„Nietes.”„Wèlles!”„Ssst!” suste Rolf.Harmen zweeg, en Padde voelde zich overwinnaar. Hij nam Joppie in zijn armen, en even later snurkten ze om het hardst.Na een half uur meerden de anderen het vlot in een holte van den oever, geheel tusschen de waterplanten.„Padde! Word wakker! We gaan aan wal!”Geen antwoord. Padde was in diepen slaap.„Hei, Padde!” riep Harmen. „’n Krokodil!”Wip! stond Padde overeind. Ook Joppie krabbelde op z’n vier slaperige pooten. „Waar?!” stamelde Padde.„In m’n neus”, zei Harmen. „Kom mee, we moeten aan land slapen.”En allen gingen aan wal, dekten zich met bladeren toe.De muskieten vierden feest.Krokodil.[454]

[Inhoud]BOENG VAN BAPAH-LOLEHGezicht dat over rand kijkt.Vol goeden moed was Harmen „uitgezeild”. Hij hield de onderarmen over twee bamboe-stelen, klemde de handen behagelijk ineen. Door de hooge ligging van het dek had hij lucht genoeg. „’t Zal me benieuwen hoe het zaakje afloopt”, zei Harmen.„Gebeuren doet er vast wat, als Joppie z’n falie niet houdt!”Nu, daar leek het weinig op: Joppie jammerde onverdroten voort. „Dat is zeker een hondenliedje!” dacht Harmen. „Zooiets als: varen varen over de baren!—Zouden we het dorp al voorbij zijn?—Wacht, waarom houdt Joppie ineens zijn bek dicht?” Harmen loerde door de spleten van het dek. „Hij staat te kwispelstaarten, dat mormel!” Harmen spitste het oor, ving stemmen op, hoorde het plassen van een spaan; er stootte iets tegen het vlot, en, wip! daar sprong er een jongen op. Spiernaakt! En Joppie, die sallemander, wrong zich in duizend bochten en likte het bruine jog de enkels schoon! Hopla, daar sprong er nog een op het dek. En nog een. In een ommezien stond het vlot vol bruine lichamen. „Nou”, dacht Harmen, „nou zullen we eens kijken wat ze doen, die smerige zeeschuimers! Zouwe ze tegen kietelen kunnen? Als ik m’n vinger maar tusschen die bamboetjes kon doorwurmen, zou ik er eens een onder z’n voeten kriebelen. Dan zou-d-ie raar springen!” En Harmen begon zachtjes te grinniken.Maar zijn vroolijkheid nam een einde, toen allen plots aan den kant kwamen staan waar Harmen lag. Voor onze koksmaat het wist, grinnikte hij, inplaats van lucht, water naar binnen. Dat werd hem te kras. Hij dook onder het vlot weg, klemde zijn handen om het boord, stak zijn druipende haren en zijn hoofd, dat paars van benauwdheid geworden was, uit het water[444]op en brulde, woedend en verdrietig: „Potverrrrblomme!” Het leek Folkert Berentsz. wel!Als aan het dek genageld, staarde de heele bruine compagnie daarboven naar het gruwelijke watermonster. Toen vlogen ze met z’n allen naar den anderen kant van het vlot en plonsden als kikkers het water in.En Harmen dook weer weg naar zijn oude plaatsje, waar thans weer zooveel lucht was als Harmen maar inademen kon.En juist dat plotselinge verdwijnen weer versterkte de bruine gasten in de meening, dat dit vlot van den duivel bezeten was. Ze werkten zich in hun prauwtje—waar Joppie hen vriendelijk ontving—, pakten den satanshond in zijn nek en deden hem met een zwaai weer op het behekste vlot verhuizen, waar hij thuishoorde. Toen pagaaiden ze in allerijl terug naar den wal.Harmen was van zijn woede en schrik bekomen en kon tevreden zijn over den gang van zaken. Na verloop van tijd begon hij zich af te vragen hoe ver hij nu al van het dorp zou zijn, en of de jongens het vlot gevolgd zouden hebben. Hij dook weer even te voorschijn en loerde over het dek. Ja! daar in de verte, bij de huisjes en het blauwe kolommetje rook, stond de heele troep het vlot na te kijken. Joppie zat met den rug naar Harmen gekeerd, staarde weemoedig stroomopwaarts.„Als ik die bocht om ben, zien ze me niet meer”, dacht Harmen. Hij dook weer naar zijn schuilplaats, en toen hij opnieuw te voorschijn kwam, was het dorpje aan het oog onttrokken. Wip! Harmen zat weer op het vlot, werd kwispelstaartend verwelkomd door Joppie en beantwoordde den groet vrij levendig met zijn voet, zoodat Joppie schuw aan de andere zijde ging zitten.„Nou, ik zal nog maar niet aanleggen!” zei Harmen. „Laten de anderen maar een eindje loopen,—daar zullen ze niet van bederven.” En, verbazend over zichzelf tevreden, ging hij zitten en staarde in de bergen van groen aan de oevers. Hoe heerlijk warm was het! Harmen luisterde naar het vogelgerucht, waarvan elk toontje helder afklonk tegen de stilte, en ademde de geuren in, die over het water hingen. Zoo ongeveer moest het er in het paradijs van Adam en Eva nu ook hebben[445]uitgezien,—dacht Harmen. Kijk die reiger daar eens statig staan te visschen! Hoe blank was dat bepluimde lichaam tegen al het donkere groen! Hoe sierlijk die lange, buigzame hals met dat kroontje van veeren! Het dier stond in de schaduw, maar toch straalde het nog licht uit, en in het water sidderde de heldere weerschijn. Harmen deed zijn oogen dicht en droomde. ’t Was hier opSumatranu en dan toch ook wel lollig! Hij zuchtte diep, zette de longen uit om eens een paar schepels vol van die bedwelmend zoet-warme lucht in te ademen.Joppie kwam weer bij hem, en nu was Harmen verteederd,—sloot den hond in zijn armen.Bons! Het vlot stootte tegen den wal. Harmen sprong overeind en legde het vast. Het lag heerlijk in een schaduwrijke plek, te midden van waterlelies. „Nou, ze zullen me wel vinden”, dacht onze vriend. Hij strekte zich languit op het dek neer en sliep.Hajo en Padde waren uit de verte ooggetuige geweest van de uitwerking, die Harmen’s onverwacht opduiken op de bende bruine kapers had. Harmen wist toch niet wat hij maar verzinnen zou om den boel in de war te sturen! Gelukkig was het ditmaal nog weer eens goed gegaan!Toen begonnen onze vrienden hun tocht, zich met moeite een weg banend door het kreupelhout. Wat een leelijke dorens zaten overal! Ze kwamen bij een dwarsweggetje, dat naar de rivier leidde. Na het even te hebben afgespied, staken ze snel over en drongen weer door de struiken voort, op eenigen afstand de rivier volgend. Nu en dan gingen ze naar den oever om naar het vlot uit te zien, en toen ze tenslotte wat rook zagen kringelen, maakten ze op, dat het Harmen’s vuurtje wel zou zijn. Zoo was het dan ook, en het vlot lag aan dezen kant. „Ze vleiden zich naast Harmen neer en wachtten spoedig eveneens slapend op Rolf’s komst. Harmen snurkte, dat het vlot ervan schudde, en de doode bladeren van de boomen vielen. Joppie hielp hem nog een handje.Maar ineens schrokken allen wakker. Wat was dat voor een gegil, daar aan de overzijde.….?![446]Rolf had, na den wonderbaarlijk gelukkigen afloop van Harmen’s zeeschuimers-avontuur, een smal, kronkelig paadje gevonden, dat naar het dorp leidde. In alle voorzichtigheid volgde hij het, van struik tot struik. Zie!—Rolf verborg zich vlug—daar kwam in loggen gang een karbouw den hoek om, en boven op den grijzen kolos troonde een naakt kereltje. Nog een karbouw volgde, den kop met de zware, naar achteren gebogen horens laag geheven en eveneens op zijn breeden rug een „katjong”.„Eh, Simin, weet jij wat Boeng van Bapah-Loleh zegt?” riep de achterste ruiter.„Neen, maar het zal wel een leugen zijn”, antwoordde de ander. „Nu, wat zegt hij?”„Dat hij wil gaan kijken waar het vlot gebleven is.”„Dat durft hij toch niet! Eens zei hij ook, dat hij een badak-gadjah wilde zoeken en hem betooveren. Hij snijdt altijd op.”„Ja, maar nu is hij toch heusch gegaan om het vlot te zoeken! Hij heeft gisteren de huid van eenoelar belanggevonden. Met zoo’ndjimatdurft hij alles—zei hij.”„En waarom is hij dan niet blijven staan, toen die geest uit het water opdook?”De karbouwen gingen een nieuwe bocht om, en de stemmen der knaapjes verdoften.Rolf kwam voorzichtig weer te voorschijn. „Die Boeng van Bapah-Loleh zou nog veel kwaad kunnen stichten met zijn djimat!” dacht hij. „Daar moeten we een stokje voor zien te steken!”Hij stond eensklaps voor een kokostuin. Tusschen de struiken door, zag hij tot zijn verbazing, dat in een der boomen een vrij groote aap bezig was, noten los te draaien en ze omlaag te werpen. Beneden stond een Inlander en verzamelde de noten. „Dat is nog eens makkelijk!” dacht Rolf. „Zoo’n afgerichte aap moesten wij ook hebben!” In een wijden boog sloop de jongen het dorp om. Ergens was een man aan het grassnijden. Een hond lag op een stapeltje hooi. Gelukkig merkten geen van beiden onzen vriend op.„Ze zullen hier wel voornamelijk van de visscherij leven”, dacht Rolf, toen hij weer bij de rivier stond, waar overal netten[447]te drogen hingen. Hij volgde nu weer een smal paadje langs den oever, ontdekte eindelijk het vlot aan de overzijde, wilde zich door de struiken een weg naar den oever banen.….!Daar stond, met den rug naar hem toe, een inlandsche knaap naar het vlot te loeren. De bruine spion had niets hooren aankomen.„Eh, Boeng!” riep Rolf met luide stem, die echode in de stilte.Daar stond, met den rug naar hem toe, een inlandsche knaap naar het vlot te loeren.De jongen zou niet méér geschrokken zijn, indien de bliksem naast hem ware ingeslagen. Hij kromp ineen, wendde zich om en staarde wezenloos den blanke tegenover hem in het gelaat. Toen wilde hij het op een loopen zetten, maar Rolf haalde hem met een paar sprongen in en greep hem stevig vast. Boeng beet, schopte en gilde, dat het een aard had. „Diam! Stil!” morde Rolf. „Je ziet wel, dat tegen de blanken geendjimathelpt, al is het ook eenoelar belang!”„Ampoen! Vergeving!” smeekte Boeng.„Zul je staan blijven en luisteren naar wat ik je zeg?”„Saja, toean!” beloofde Boeng met bevende lippen.„Nu, dan.….” Rolf liet hem los, „dan ga je straks naar Bapah Loleh, en je zegt hem dat jullie kampong in gevaar is. Stroomopwaarts zwerft een bende djahats (roovers). Zeg eens na?”Bevend over al zijn leden, voldeed Boeng aan het verzoek.„Goed zoo. Zeg aan Bapah Loleh, dat de bende uit tachtig man bestaat en goed bewapend is. Zul je het doen?”[448]„Saja, toean.….”„Dan nog iets: is de zee hier ver vandaan?”„Niet ver, heer.….”„Hoe ver?”„Van zonsopgang tot duister, heer.….”„Zijn er nog meer kampongs aan den stroom?”„Nog een, heer. Een groote kampong. Dicht aan de zee.”Op dit oogenblik klonken van den oever de stemmen der andere jongens. En vóór de arme Boeng wist wat er met hem gebeurd was, had Harmen hem een beentje gelicht en de enkels met rotan samengesnoerd. „We nemen hem mee!” zei Harmen. „Als ie in z’n kampong vertelt wat ie gezien heeft, zijn we er bij!”„Wees niet bang”, zei Rolf. „Ik heb hem wijsgemaakt, dat stroopende benden de kampong willen overvallen. Ze hebben nu wel wat beters te doen dan ons na te zetten.”Harmen trok grinnikend den knoop weer los. „Ook goed!”Boeng sprong haastig overeind, keek schuw naar Harmen om en wilde heengaan.„Wacht nog even, Boeng”, zei Rolf. „Heb je wel eens van Java gehoord? En van Bantem?”Boeng knikte. „Ze komen van Bantem met koopwaar hier.”Rolf keek zijn vrienden aan. „Hoor jullie dat?! Jongens, Bantemkanniet ver meer zijn!”„Nou, vooruit dan maar weer!” zei Harmen met een vreugdetrilling in zijn stem.En overmoedig sprongen onze vrienden weer aan boord en stootten af. Boeng maakte zich uit de voeten, rende als een haas, wien de honden op de hielen zitten.De jongens stuurden het vlot naar het midden van den stroom. Naar Bantem! Bantem was niet ver meer!Het was vrij laat geworden, en bij Harmen deed zich de honger geducht voelen. „Zullen we eens aanleggen?” vroeg hij. „’k Heb zoo’n kriebel in m’n maag.”„Laten we wachten tot de zon onder is”, zei Rolf.„Dan ben ik een lijk”, verzekerde Harmen.„Nu, als we gaan visch bakken, word je wel weer levend!” stelde Rolf hem gerust.[449]Zoo was het ook. Toen de jongens tegen schemeren het vlot meerden, en een paar visschen zich lustig knappend in de vlammen wentelden, herleefde Harmen uit zijn hongerdood. De jongens smulden aan de heerlijke vischruggen, en Joppie vond de graten nog lekkerder.Na het eten gingen ze bijeenzitten en staarden in gedachten over het donkere water. Ineens viel er een glans over, doordat de maan zich ontsluierde. Nu was het, alsof de rivier, die daareven roerloos scheen als een vijver, plots te stroomen begon.Het vlot lag diep weg in een duistere kom; de jongens hadden door een zware loofpoort het uitzicht op de rivier, die nu vloeibaar zilver was. Zou een van hen verbaasd zijn geweest, wanneer ze eensklaps een statig Vikinger-schip met blanke, bolle zeilen en wijd uitwaaienden wimpel voorbij zouden zien drijven achter die donkere poort? Of wanneer uit het zilveren water elfjes zouden opstijgen en hand aan hand rondzwierden in wonderlijken dans? Zie! op een lelieblad zat de kikker-koning toe te zien, een gouden kroon op zijn blinkend groenen kop; zijn geelwitte buik glom van de ridderorden. In het midden van den dansenden kring rees nu de elfenkoningin op, in een van haar tengere, statig geheven handjes een witte lelie, in de andere haar gouden sceptertje en op haar roode haren een fijn gesmeed kroontje vol groene steenen. De elfjes dansten; heur ijle gewaden zwierden omhoog en zonken lichtglanzend, gespreid weer neer, en zóó luchtig drukten de kleine, teere voetjes het watervlak, dat er niet meer dan drie pareltjes opspatten.Ineens.…. uit was het sprookje. De elfjes, de kikkerkoning zijn naar hun vochtig rijk teruggekeerd, Harmen stoot zijn makkers aan: een donker ding in het water koerst recht op het vlot af, waarop de jongens zitten. Drie knobbels steken uit; het zwemmend gevaarte houdt nu en dan stil, zoodat de lijnen, die het door het zilveren oppervlak kerft, voorbij schieten en zich kruisen. Dan komt hij weer nader.…. de krokodil! Den adem ingehouden, zien de jongens toe. Geen van hen zegt een woord. Joppie slaapt, geen kwaad vermoedend.De krokodil, aan het uiteinde van het vlot gekomen, is nu[450]even niet te zien, omdat het bamboezen dek vrij hoog boven het water uitsteekt. De knapen, die in spanning, maar eigenlijk zonder een zweem van angst hebben toegezien, voelen nu eensklaps onrust in zich opkomen. Waar is het beest?!Onder het vlot?! Ze willen opspringen.…. Maar daar schuift aan het andere einde een platte monsterkop met groen-gele oogen en naar alle zijden uitstekende, kromme tanden op het dek. En met de twee voorpooten, die hoog naast den rug uitpuilen, tracht de krokodil zich naar boven te werken.Met een sprong staan de jongens overeind, willen hun speren grijpen. Maar de krokodil, die op het vlot een rustig ligplaatsje zocht om naar de dansende elfjes uit te kijken, valt al, doodelijk verschrikt, met een zwaren plons in het water terug. Zie! daarginds zwemt de rakker! Nu verdwijnt hij achter de poort.„We moeten aan land gaan slapen”, zegt Rolf. „Hier op het vlot is het niet veilig.”De jongens nemen Joppie in zijn nekvel, die zich, driekwart slapend, laat vervoeren. Zwijgend treden ze in het stille woud, zoeken een eind van den wal een zacht plekje op. Maar de muskieten beletten het inslapen. ’t Is om er dol van te worden. Hijgend liggen de jongens op den rug, na zich geheel met bladeren te hebben toegedekt. Boven hun hoofd speelt de maan een griezelig spel met takken en twijgen. Hoor.….! Wat klinkt daar in de verte? Ding-dang-dong-ding-kloeng.….Het dorp, waarvan Boeng sprak! Daar moesten ze vannacht nog langs zien te komen!De jongens springen overeind, wrijven de jeukende muskietenbeten. „Kom, Joppie!” zegt Harmen, en, voor de argelooze Joppie het weet, vliegt hij al door de lucht en verhuist naar het vlot. Hij komt op vier pooten terecht, zwikt door op zijn zitvlak, ziet met lodderige oogen rond, tolt dan om.…. en snurkt alweer.„’n Waaksch beestje!” prijst Harmen.Samen gooien ze het vlot los, sturen door de loofpoort heen naar het midden van den stroom. Nu zien ze aan den rechteroever een lichtschijn tusschen de boomen. Ze houden dus links van de rivier.[451]Hier is schaduw. Telkens haakt het vlot in de waterplanten. „Padde, ga jij voor het vuur zitten. En gooi er wat hout uit tot het smeult!”—Padde aarzelt even, onwillig door slaap, dan kruipt hij van de plaats, waar hij al was neergezonken, zuchtend naar het vuurtje. Joppie sleept zich, te lui om op te staan, over het dek voort en legt zich tegen Padde’s dijen.„Gooi er nouallesniet uit!” gromt Harmen tot Padde, die bezig is, het heele vuur overboord te werken. „Wel allemachies! Als je er nou nog één stuk uitgooit, vlieg je er achter aan! Begrepen?”Padde begrijpt, al is hij niet klaar wakker.De jongens doen hun best, met de stuurboomen zoo min mogelijk teplonzen. De klanken van de muziek worden luider; hier op het water buitelen ze van plezier over elkaar. Ding-dong-dang-kloeng-ping-tok-dak-doeng-doeng.….„M’n fiool.….” zucht Harmen. „Van m’n eerste centen koop ik weer een fiool! Bij Roeffies vader, weet je wel: dat zaakje van alles, achter de kerk? Daar heb ik m’n vorige ook gekocht, en dat was een puike, nietwaar, Hajo?”„Sssst!”„Een harde gulden heeft ie me gekost”, zei Harmen, zonder te luisteren. „En de snaren toe.—Pas op met zeewater, zei de vent.” Harmens stem werd bitter. „Pas op met zeewater. Jawel!”„Nou, en mijn mooie koffiemolen dan.….?” vroeg Padde.Hajo en Rolf konden—ondanks het hachelijke van het oogenblik, geen van beiden hun lachen bedwingen.„Ja, lach maar”, gromde Padde. „Maar daarmee is de ellende begonnen! Wie weet: als die koffiemolen niet overboord gevallen was.….” Padde zweeg, zocht naar het verband tusschen zijn koffiemolen, die voor Texel op zoo droevige wijze verongelukt was, en de latere rampen, die deNieuw-Hoorngeteisterd hadden.Harmen had zwijgend geluisterd. „Is er een koffiemolen overboord gevallen?” vroeg hij.„Ja!” zei Padde, ingenomen met Harmens belangstelling. En fluisterend (het vlot was geen honderd ellen van het dorp!) vertelde hij, hoe de vork in den steel zat.[452]Harmen knikte bedachtzaam het hoofd, toen Padde zijn gemoed gelucht had. Daarop zei hij peinzend: „Ik geloof óók, dat het voor ons allemaal het beste was geweest, wanneer jij achter je koffiemolen was aangesprongen.”„Maar ik kan immers haast niet zwemmen!”„Dat weet ik wel”, stelde Harmen hem gerust.Padde dacht even over Harmens woorden na, tot hij den zin ervan gevat had. Toen wendde hij het gelaat af en ging, het hoofd in de armen, naast Joppie liggen.„Daar gaat er een grienen!” hoonde Harmen. „Afijn, ’t is schoon water; als ’t wat anders was, zou ik zeggen: ’t is zonde.”Met een grimmigen kreet sprong Padde op Harmen af. Deze lichtte hem een beentje, zoodat Padde op zijn zitvlak terecht kwam. Hij pakte Harmen woedend bij de beenen, wilde hem omver rukken. Maar Rolf kwam tusschenbeide. „Zijn jullie dol! Hier, nog vlak bij het dorp!”„Wat doet ie te beginnen!” siste Padde met tranen in zijn stem.„Weer wat nieuws!” merkte Harmen droogjes op. „Wie heeft me aangevlogen? Hij heeft me in m’n kuiten gebeten, de smakker! Wacht maar! Ik zal je morgen eens een uurtje te grazen nemen, en dan mag je: dankje, Harmen! zeggen.”„’k Heb je niet gebeten!” snauwde Padde en ging, den rug naar hem toe, bij het vuur zitten.„Welles!” zei Harmen giftig.„Nietes!”„Welles!”Zoo kwamen de jongens wonder boven wonder ongemerkt de kampong voorbij. Nu durfden ze het vlot weer naar het midden van de rivier te sturen, in den maneschijn.Padde’s drift bekoelde, en hij werd benauwd voor den dag van morgen en in het bijzonder voor dat uurtje, waarvoor hij: dankje, Harmen! zou mogen zeggen. Om medelijden te wekken, ging hij weer liggen en snikte voort.En werkelijk werd Harmen hierdoor verteederd. „Kom, lig nou niet meer te janken”, zei hij, terwijl hij zijn vuurtje aanblies. „Help me liever een handje blazen!”Padde, blij, dat zich een gelegenheid tot verzoening voordeed,[453]richtte zich steunend op, snikte nog even na en blies toen door zijn tranen heen.„Je spuugt meer als dat je blaast”, merkte Harmen op. „En alles in m’n gezicht!”„Ik zal van de andere kant blazen”, beloofde Padde.„Alsjeblieft.”—Zoo bliezen ze in eendracht tot de vlammetjes weer dartel speelden.„Nou, afijn”, zei Harmen, opstaande, „zul je dan geen schip meer in brand steken?”Hajo en Rolf lachten, tenslotte Padde ook zoo half en half. Ietwat verlegen nam Harmen zijn stuurboom weer op. „’k Zou er anders niks van zeggen, maar hij hoeft me niet in m’n beenen te bijten. Als ie zegt: Harremen, ik zal je niet meer in je beenen bijten!—zal ik ’m niks doen.”„Ik heb je niet in je beenen gebeten”, zei Padde, die weer moed kreeg nu de anderen lachten.„Je hebt me wèl in m’n beenen gebeten!”„Nietes.”„Wèlles!”„Ssst!” suste Rolf.Harmen zweeg, en Padde voelde zich overwinnaar. Hij nam Joppie in zijn armen, en even later snurkten ze om het hardst.Na een half uur meerden de anderen het vlot in een holte van den oever, geheel tusschen de waterplanten.„Padde! Word wakker! We gaan aan wal!”Geen antwoord. Padde was in diepen slaap.„Hei, Padde!” riep Harmen. „’n Krokodil!”Wip! stond Padde overeind. Ook Joppie krabbelde op z’n vier slaperige pooten. „Waar?!” stamelde Padde.„In m’n neus”, zei Harmen. „Kom mee, we moeten aan land slapen.”En allen gingen aan wal, dekten zich met bladeren toe.De muskieten vierden feest.Krokodil.[454]

BOENG VAN BAPAH-LOLEH

Gezicht dat over rand kijkt.Vol goeden moed was Harmen „uitgezeild”. Hij hield de onderarmen over twee bamboe-stelen, klemde de handen behagelijk ineen. Door de hooge ligging van het dek had hij lucht genoeg. „’t Zal me benieuwen hoe het zaakje afloopt”, zei Harmen.„Gebeuren doet er vast wat, als Joppie z’n falie niet houdt!”Nu, daar leek het weinig op: Joppie jammerde onverdroten voort. „Dat is zeker een hondenliedje!” dacht Harmen. „Zooiets als: varen varen over de baren!—Zouden we het dorp al voorbij zijn?—Wacht, waarom houdt Joppie ineens zijn bek dicht?” Harmen loerde door de spleten van het dek. „Hij staat te kwispelstaarten, dat mormel!” Harmen spitste het oor, ving stemmen op, hoorde het plassen van een spaan; er stootte iets tegen het vlot, en, wip! daar sprong er een jongen op. Spiernaakt! En Joppie, die sallemander, wrong zich in duizend bochten en likte het bruine jog de enkels schoon! Hopla, daar sprong er nog een op het dek. En nog een. In een ommezien stond het vlot vol bruine lichamen. „Nou”, dacht Harmen, „nou zullen we eens kijken wat ze doen, die smerige zeeschuimers! Zouwe ze tegen kietelen kunnen? Als ik m’n vinger maar tusschen die bamboetjes kon doorwurmen, zou ik er eens een onder z’n voeten kriebelen. Dan zou-d-ie raar springen!” En Harmen begon zachtjes te grinniken.Maar zijn vroolijkheid nam een einde, toen allen plots aan den kant kwamen staan waar Harmen lag. Voor onze koksmaat het wist, grinnikte hij, inplaats van lucht, water naar binnen. Dat werd hem te kras. Hij dook onder het vlot weg, klemde zijn handen om het boord, stak zijn druipende haren en zijn hoofd, dat paars van benauwdheid geworden was, uit het water[444]op en brulde, woedend en verdrietig: „Potverrrrblomme!” Het leek Folkert Berentsz. wel!Als aan het dek genageld, staarde de heele bruine compagnie daarboven naar het gruwelijke watermonster. Toen vlogen ze met z’n allen naar den anderen kant van het vlot en plonsden als kikkers het water in.En Harmen dook weer weg naar zijn oude plaatsje, waar thans weer zooveel lucht was als Harmen maar inademen kon.En juist dat plotselinge verdwijnen weer versterkte de bruine gasten in de meening, dat dit vlot van den duivel bezeten was. Ze werkten zich in hun prauwtje—waar Joppie hen vriendelijk ontving—, pakten den satanshond in zijn nek en deden hem met een zwaai weer op het behekste vlot verhuizen, waar hij thuishoorde. Toen pagaaiden ze in allerijl terug naar den wal.Harmen was van zijn woede en schrik bekomen en kon tevreden zijn over den gang van zaken. Na verloop van tijd begon hij zich af te vragen hoe ver hij nu al van het dorp zou zijn, en of de jongens het vlot gevolgd zouden hebben. Hij dook weer even te voorschijn en loerde over het dek. Ja! daar in de verte, bij de huisjes en het blauwe kolommetje rook, stond de heele troep het vlot na te kijken. Joppie zat met den rug naar Harmen gekeerd, staarde weemoedig stroomopwaarts.„Als ik die bocht om ben, zien ze me niet meer”, dacht Harmen. Hij dook weer naar zijn schuilplaats, en toen hij opnieuw te voorschijn kwam, was het dorpje aan het oog onttrokken. Wip! Harmen zat weer op het vlot, werd kwispelstaartend verwelkomd door Joppie en beantwoordde den groet vrij levendig met zijn voet, zoodat Joppie schuw aan de andere zijde ging zitten.„Nou, ik zal nog maar niet aanleggen!” zei Harmen. „Laten de anderen maar een eindje loopen,—daar zullen ze niet van bederven.” En, verbazend over zichzelf tevreden, ging hij zitten en staarde in de bergen van groen aan de oevers. Hoe heerlijk warm was het! Harmen luisterde naar het vogelgerucht, waarvan elk toontje helder afklonk tegen de stilte, en ademde de geuren in, die over het water hingen. Zoo ongeveer moest het er in het paradijs van Adam en Eva nu ook hebben[445]uitgezien,—dacht Harmen. Kijk die reiger daar eens statig staan te visschen! Hoe blank was dat bepluimde lichaam tegen al het donkere groen! Hoe sierlijk die lange, buigzame hals met dat kroontje van veeren! Het dier stond in de schaduw, maar toch straalde het nog licht uit, en in het water sidderde de heldere weerschijn. Harmen deed zijn oogen dicht en droomde. ’t Was hier opSumatranu en dan toch ook wel lollig! Hij zuchtte diep, zette de longen uit om eens een paar schepels vol van die bedwelmend zoet-warme lucht in te ademen.Joppie kwam weer bij hem, en nu was Harmen verteederd,—sloot den hond in zijn armen.Bons! Het vlot stootte tegen den wal. Harmen sprong overeind en legde het vast. Het lag heerlijk in een schaduwrijke plek, te midden van waterlelies. „Nou, ze zullen me wel vinden”, dacht onze vriend. Hij strekte zich languit op het dek neer en sliep.Hajo en Padde waren uit de verte ooggetuige geweest van de uitwerking, die Harmen’s onverwacht opduiken op de bende bruine kapers had. Harmen wist toch niet wat hij maar verzinnen zou om den boel in de war te sturen! Gelukkig was het ditmaal nog weer eens goed gegaan!Toen begonnen onze vrienden hun tocht, zich met moeite een weg banend door het kreupelhout. Wat een leelijke dorens zaten overal! Ze kwamen bij een dwarsweggetje, dat naar de rivier leidde. Na het even te hebben afgespied, staken ze snel over en drongen weer door de struiken voort, op eenigen afstand de rivier volgend. Nu en dan gingen ze naar den oever om naar het vlot uit te zien, en toen ze tenslotte wat rook zagen kringelen, maakten ze op, dat het Harmen’s vuurtje wel zou zijn. Zoo was het dan ook, en het vlot lag aan dezen kant. „Ze vleiden zich naast Harmen neer en wachtten spoedig eveneens slapend op Rolf’s komst. Harmen snurkte, dat het vlot ervan schudde, en de doode bladeren van de boomen vielen. Joppie hielp hem nog een handje.Maar ineens schrokken allen wakker. Wat was dat voor een gegil, daar aan de overzijde.….?![446]Rolf had, na den wonderbaarlijk gelukkigen afloop van Harmen’s zeeschuimers-avontuur, een smal, kronkelig paadje gevonden, dat naar het dorp leidde. In alle voorzichtigheid volgde hij het, van struik tot struik. Zie!—Rolf verborg zich vlug—daar kwam in loggen gang een karbouw den hoek om, en boven op den grijzen kolos troonde een naakt kereltje. Nog een karbouw volgde, den kop met de zware, naar achteren gebogen horens laag geheven en eveneens op zijn breeden rug een „katjong”.„Eh, Simin, weet jij wat Boeng van Bapah-Loleh zegt?” riep de achterste ruiter.„Neen, maar het zal wel een leugen zijn”, antwoordde de ander. „Nu, wat zegt hij?”„Dat hij wil gaan kijken waar het vlot gebleven is.”„Dat durft hij toch niet! Eens zei hij ook, dat hij een badak-gadjah wilde zoeken en hem betooveren. Hij snijdt altijd op.”„Ja, maar nu is hij toch heusch gegaan om het vlot te zoeken! Hij heeft gisteren de huid van eenoelar belanggevonden. Met zoo’ndjimatdurft hij alles—zei hij.”„En waarom is hij dan niet blijven staan, toen die geest uit het water opdook?”De karbouwen gingen een nieuwe bocht om, en de stemmen der knaapjes verdoften.Rolf kwam voorzichtig weer te voorschijn. „Die Boeng van Bapah-Loleh zou nog veel kwaad kunnen stichten met zijn djimat!” dacht hij. „Daar moeten we een stokje voor zien te steken!”Hij stond eensklaps voor een kokostuin. Tusschen de struiken door, zag hij tot zijn verbazing, dat in een der boomen een vrij groote aap bezig was, noten los te draaien en ze omlaag te werpen. Beneden stond een Inlander en verzamelde de noten. „Dat is nog eens makkelijk!” dacht Rolf. „Zoo’n afgerichte aap moesten wij ook hebben!” In een wijden boog sloop de jongen het dorp om. Ergens was een man aan het grassnijden. Een hond lag op een stapeltje hooi. Gelukkig merkten geen van beiden onzen vriend op.„Ze zullen hier wel voornamelijk van de visscherij leven”, dacht Rolf, toen hij weer bij de rivier stond, waar overal netten[447]te drogen hingen. Hij volgde nu weer een smal paadje langs den oever, ontdekte eindelijk het vlot aan de overzijde, wilde zich door de struiken een weg naar den oever banen.….!Daar stond, met den rug naar hem toe, een inlandsche knaap naar het vlot te loeren. De bruine spion had niets hooren aankomen.„Eh, Boeng!” riep Rolf met luide stem, die echode in de stilte.Daar stond, met den rug naar hem toe, een inlandsche knaap naar het vlot te loeren.De jongen zou niet méér geschrokken zijn, indien de bliksem naast hem ware ingeslagen. Hij kromp ineen, wendde zich om en staarde wezenloos den blanke tegenover hem in het gelaat. Toen wilde hij het op een loopen zetten, maar Rolf haalde hem met een paar sprongen in en greep hem stevig vast. Boeng beet, schopte en gilde, dat het een aard had. „Diam! Stil!” morde Rolf. „Je ziet wel, dat tegen de blanken geendjimathelpt, al is het ook eenoelar belang!”„Ampoen! Vergeving!” smeekte Boeng.„Zul je staan blijven en luisteren naar wat ik je zeg?”„Saja, toean!” beloofde Boeng met bevende lippen.„Nu, dan.….” Rolf liet hem los, „dan ga je straks naar Bapah Loleh, en je zegt hem dat jullie kampong in gevaar is. Stroomopwaarts zwerft een bende djahats (roovers). Zeg eens na?”Bevend over al zijn leden, voldeed Boeng aan het verzoek.„Goed zoo. Zeg aan Bapah Loleh, dat de bende uit tachtig man bestaat en goed bewapend is. Zul je het doen?”[448]„Saja, toean.….”„Dan nog iets: is de zee hier ver vandaan?”„Niet ver, heer.….”„Hoe ver?”„Van zonsopgang tot duister, heer.….”„Zijn er nog meer kampongs aan den stroom?”„Nog een, heer. Een groote kampong. Dicht aan de zee.”Op dit oogenblik klonken van den oever de stemmen der andere jongens. En vóór de arme Boeng wist wat er met hem gebeurd was, had Harmen hem een beentje gelicht en de enkels met rotan samengesnoerd. „We nemen hem mee!” zei Harmen. „Als ie in z’n kampong vertelt wat ie gezien heeft, zijn we er bij!”„Wees niet bang”, zei Rolf. „Ik heb hem wijsgemaakt, dat stroopende benden de kampong willen overvallen. Ze hebben nu wel wat beters te doen dan ons na te zetten.”Harmen trok grinnikend den knoop weer los. „Ook goed!”Boeng sprong haastig overeind, keek schuw naar Harmen om en wilde heengaan.„Wacht nog even, Boeng”, zei Rolf. „Heb je wel eens van Java gehoord? En van Bantem?”Boeng knikte. „Ze komen van Bantem met koopwaar hier.”Rolf keek zijn vrienden aan. „Hoor jullie dat?! Jongens, Bantemkanniet ver meer zijn!”„Nou, vooruit dan maar weer!” zei Harmen met een vreugdetrilling in zijn stem.En overmoedig sprongen onze vrienden weer aan boord en stootten af. Boeng maakte zich uit de voeten, rende als een haas, wien de honden op de hielen zitten.De jongens stuurden het vlot naar het midden van den stroom. Naar Bantem! Bantem was niet ver meer!Het was vrij laat geworden, en bij Harmen deed zich de honger geducht voelen. „Zullen we eens aanleggen?” vroeg hij. „’k Heb zoo’n kriebel in m’n maag.”„Laten we wachten tot de zon onder is”, zei Rolf.„Dan ben ik een lijk”, verzekerde Harmen.„Nu, als we gaan visch bakken, word je wel weer levend!” stelde Rolf hem gerust.[449]Zoo was het ook. Toen de jongens tegen schemeren het vlot meerden, en een paar visschen zich lustig knappend in de vlammen wentelden, herleefde Harmen uit zijn hongerdood. De jongens smulden aan de heerlijke vischruggen, en Joppie vond de graten nog lekkerder.Na het eten gingen ze bijeenzitten en staarden in gedachten over het donkere water. Ineens viel er een glans over, doordat de maan zich ontsluierde. Nu was het, alsof de rivier, die daareven roerloos scheen als een vijver, plots te stroomen begon.Het vlot lag diep weg in een duistere kom; de jongens hadden door een zware loofpoort het uitzicht op de rivier, die nu vloeibaar zilver was. Zou een van hen verbaasd zijn geweest, wanneer ze eensklaps een statig Vikinger-schip met blanke, bolle zeilen en wijd uitwaaienden wimpel voorbij zouden zien drijven achter die donkere poort? Of wanneer uit het zilveren water elfjes zouden opstijgen en hand aan hand rondzwierden in wonderlijken dans? Zie! op een lelieblad zat de kikker-koning toe te zien, een gouden kroon op zijn blinkend groenen kop; zijn geelwitte buik glom van de ridderorden. In het midden van den dansenden kring rees nu de elfenkoningin op, in een van haar tengere, statig geheven handjes een witte lelie, in de andere haar gouden sceptertje en op haar roode haren een fijn gesmeed kroontje vol groene steenen. De elfjes dansten; heur ijle gewaden zwierden omhoog en zonken lichtglanzend, gespreid weer neer, en zóó luchtig drukten de kleine, teere voetjes het watervlak, dat er niet meer dan drie pareltjes opspatten.Ineens.…. uit was het sprookje. De elfjes, de kikkerkoning zijn naar hun vochtig rijk teruggekeerd, Harmen stoot zijn makkers aan: een donker ding in het water koerst recht op het vlot af, waarop de jongens zitten. Drie knobbels steken uit; het zwemmend gevaarte houdt nu en dan stil, zoodat de lijnen, die het door het zilveren oppervlak kerft, voorbij schieten en zich kruisen. Dan komt hij weer nader.…. de krokodil! Den adem ingehouden, zien de jongens toe. Geen van hen zegt een woord. Joppie slaapt, geen kwaad vermoedend.De krokodil, aan het uiteinde van het vlot gekomen, is nu[450]even niet te zien, omdat het bamboezen dek vrij hoog boven het water uitsteekt. De knapen, die in spanning, maar eigenlijk zonder een zweem van angst hebben toegezien, voelen nu eensklaps onrust in zich opkomen. Waar is het beest?!Onder het vlot?! Ze willen opspringen.…. Maar daar schuift aan het andere einde een platte monsterkop met groen-gele oogen en naar alle zijden uitstekende, kromme tanden op het dek. En met de twee voorpooten, die hoog naast den rug uitpuilen, tracht de krokodil zich naar boven te werken.Met een sprong staan de jongens overeind, willen hun speren grijpen. Maar de krokodil, die op het vlot een rustig ligplaatsje zocht om naar de dansende elfjes uit te kijken, valt al, doodelijk verschrikt, met een zwaren plons in het water terug. Zie! daarginds zwemt de rakker! Nu verdwijnt hij achter de poort.„We moeten aan land gaan slapen”, zegt Rolf. „Hier op het vlot is het niet veilig.”De jongens nemen Joppie in zijn nekvel, die zich, driekwart slapend, laat vervoeren. Zwijgend treden ze in het stille woud, zoeken een eind van den wal een zacht plekje op. Maar de muskieten beletten het inslapen. ’t Is om er dol van te worden. Hijgend liggen de jongens op den rug, na zich geheel met bladeren te hebben toegedekt. Boven hun hoofd speelt de maan een griezelig spel met takken en twijgen. Hoor.….! Wat klinkt daar in de verte? Ding-dang-dong-ding-kloeng.….Het dorp, waarvan Boeng sprak! Daar moesten ze vannacht nog langs zien te komen!De jongens springen overeind, wrijven de jeukende muskietenbeten. „Kom, Joppie!” zegt Harmen, en, voor de argelooze Joppie het weet, vliegt hij al door de lucht en verhuist naar het vlot. Hij komt op vier pooten terecht, zwikt door op zijn zitvlak, ziet met lodderige oogen rond, tolt dan om.…. en snurkt alweer.„’n Waaksch beestje!” prijst Harmen.Samen gooien ze het vlot los, sturen door de loofpoort heen naar het midden van den stroom. Nu zien ze aan den rechteroever een lichtschijn tusschen de boomen. Ze houden dus links van de rivier.[451]Hier is schaduw. Telkens haakt het vlot in de waterplanten. „Padde, ga jij voor het vuur zitten. En gooi er wat hout uit tot het smeult!”—Padde aarzelt even, onwillig door slaap, dan kruipt hij van de plaats, waar hij al was neergezonken, zuchtend naar het vuurtje. Joppie sleept zich, te lui om op te staan, over het dek voort en legt zich tegen Padde’s dijen.„Gooi er nouallesniet uit!” gromt Harmen tot Padde, die bezig is, het heele vuur overboord te werken. „Wel allemachies! Als je er nou nog één stuk uitgooit, vlieg je er achter aan! Begrepen?”Padde begrijpt, al is hij niet klaar wakker.De jongens doen hun best, met de stuurboomen zoo min mogelijk teplonzen. De klanken van de muziek worden luider; hier op het water buitelen ze van plezier over elkaar. Ding-dong-dang-kloeng-ping-tok-dak-doeng-doeng.….„M’n fiool.….” zucht Harmen. „Van m’n eerste centen koop ik weer een fiool! Bij Roeffies vader, weet je wel: dat zaakje van alles, achter de kerk? Daar heb ik m’n vorige ook gekocht, en dat was een puike, nietwaar, Hajo?”„Sssst!”„Een harde gulden heeft ie me gekost”, zei Harmen, zonder te luisteren. „En de snaren toe.—Pas op met zeewater, zei de vent.” Harmens stem werd bitter. „Pas op met zeewater. Jawel!”„Nou, en mijn mooie koffiemolen dan.….?” vroeg Padde.Hajo en Rolf konden—ondanks het hachelijke van het oogenblik, geen van beiden hun lachen bedwingen.„Ja, lach maar”, gromde Padde. „Maar daarmee is de ellende begonnen! Wie weet: als die koffiemolen niet overboord gevallen was.….” Padde zweeg, zocht naar het verband tusschen zijn koffiemolen, die voor Texel op zoo droevige wijze verongelukt was, en de latere rampen, die deNieuw-Hoorngeteisterd hadden.Harmen had zwijgend geluisterd. „Is er een koffiemolen overboord gevallen?” vroeg hij.„Ja!” zei Padde, ingenomen met Harmens belangstelling. En fluisterend (het vlot was geen honderd ellen van het dorp!) vertelde hij, hoe de vork in den steel zat.[452]Harmen knikte bedachtzaam het hoofd, toen Padde zijn gemoed gelucht had. Daarop zei hij peinzend: „Ik geloof óók, dat het voor ons allemaal het beste was geweest, wanneer jij achter je koffiemolen was aangesprongen.”„Maar ik kan immers haast niet zwemmen!”„Dat weet ik wel”, stelde Harmen hem gerust.Padde dacht even over Harmens woorden na, tot hij den zin ervan gevat had. Toen wendde hij het gelaat af en ging, het hoofd in de armen, naast Joppie liggen.„Daar gaat er een grienen!” hoonde Harmen. „Afijn, ’t is schoon water; als ’t wat anders was, zou ik zeggen: ’t is zonde.”Met een grimmigen kreet sprong Padde op Harmen af. Deze lichtte hem een beentje, zoodat Padde op zijn zitvlak terecht kwam. Hij pakte Harmen woedend bij de beenen, wilde hem omver rukken. Maar Rolf kwam tusschenbeide. „Zijn jullie dol! Hier, nog vlak bij het dorp!”„Wat doet ie te beginnen!” siste Padde met tranen in zijn stem.„Weer wat nieuws!” merkte Harmen droogjes op. „Wie heeft me aangevlogen? Hij heeft me in m’n kuiten gebeten, de smakker! Wacht maar! Ik zal je morgen eens een uurtje te grazen nemen, en dan mag je: dankje, Harmen! zeggen.”„’k Heb je niet gebeten!” snauwde Padde en ging, den rug naar hem toe, bij het vuur zitten.„Welles!” zei Harmen giftig.„Nietes!”„Welles!”Zoo kwamen de jongens wonder boven wonder ongemerkt de kampong voorbij. Nu durfden ze het vlot weer naar het midden van de rivier te sturen, in den maneschijn.Padde’s drift bekoelde, en hij werd benauwd voor den dag van morgen en in het bijzonder voor dat uurtje, waarvoor hij: dankje, Harmen! zou mogen zeggen. Om medelijden te wekken, ging hij weer liggen en snikte voort.En werkelijk werd Harmen hierdoor verteederd. „Kom, lig nou niet meer te janken”, zei hij, terwijl hij zijn vuurtje aanblies. „Help me liever een handje blazen!”Padde, blij, dat zich een gelegenheid tot verzoening voordeed,[453]richtte zich steunend op, snikte nog even na en blies toen door zijn tranen heen.„Je spuugt meer als dat je blaast”, merkte Harmen op. „En alles in m’n gezicht!”„Ik zal van de andere kant blazen”, beloofde Padde.„Alsjeblieft.”—Zoo bliezen ze in eendracht tot de vlammetjes weer dartel speelden.„Nou, afijn”, zei Harmen, opstaande, „zul je dan geen schip meer in brand steken?”Hajo en Rolf lachten, tenslotte Padde ook zoo half en half. Ietwat verlegen nam Harmen zijn stuurboom weer op. „’k Zou er anders niks van zeggen, maar hij hoeft me niet in m’n beenen te bijten. Als ie zegt: Harremen, ik zal je niet meer in je beenen bijten!—zal ik ’m niks doen.”„Ik heb je niet in je beenen gebeten”, zei Padde, die weer moed kreeg nu de anderen lachten.„Je hebt me wèl in m’n beenen gebeten!”„Nietes.”„Wèlles!”„Ssst!” suste Rolf.Harmen zweeg, en Padde voelde zich overwinnaar. Hij nam Joppie in zijn armen, en even later snurkten ze om het hardst.Na een half uur meerden de anderen het vlot in een holte van den oever, geheel tusschen de waterplanten.„Padde! Word wakker! We gaan aan wal!”Geen antwoord. Padde was in diepen slaap.„Hei, Padde!” riep Harmen. „’n Krokodil!”Wip! stond Padde overeind. Ook Joppie krabbelde op z’n vier slaperige pooten. „Waar?!” stamelde Padde.„In m’n neus”, zei Harmen. „Kom mee, we moeten aan land slapen.”En allen gingen aan wal, dekten zich met bladeren toe.De muskieten vierden feest.Krokodil.[454]

Gezicht dat over rand kijkt.

Vol goeden moed was Harmen „uitgezeild”. Hij hield de onderarmen over twee bamboe-stelen, klemde de handen behagelijk ineen. Door de hooge ligging van het dek had hij lucht genoeg. „’t Zal me benieuwen hoe het zaakje afloopt”, zei Harmen.„Gebeuren doet er vast wat, als Joppie z’n falie niet houdt!”

Nu, daar leek het weinig op: Joppie jammerde onverdroten voort. „Dat is zeker een hondenliedje!” dacht Harmen. „Zooiets als: varen varen over de baren!—Zouden we het dorp al voorbij zijn?—Wacht, waarom houdt Joppie ineens zijn bek dicht?” Harmen loerde door de spleten van het dek. „Hij staat te kwispelstaarten, dat mormel!” Harmen spitste het oor, ving stemmen op, hoorde het plassen van een spaan; er stootte iets tegen het vlot, en, wip! daar sprong er een jongen op. Spiernaakt! En Joppie, die sallemander, wrong zich in duizend bochten en likte het bruine jog de enkels schoon! Hopla, daar sprong er nog een op het dek. En nog een. In een ommezien stond het vlot vol bruine lichamen. „Nou”, dacht Harmen, „nou zullen we eens kijken wat ze doen, die smerige zeeschuimers! Zouwe ze tegen kietelen kunnen? Als ik m’n vinger maar tusschen die bamboetjes kon doorwurmen, zou ik er eens een onder z’n voeten kriebelen. Dan zou-d-ie raar springen!” En Harmen begon zachtjes te grinniken.

Maar zijn vroolijkheid nam een einde, toen allen plots aan den kant kwamen staan waar Harmen lag. Voor onze koksmaat het wist, grinnikte hij, inplaats van lucht, water naar binnen. Dat werd hem te kras. Hij dook onder het vlot weg, klemde zijn handen om het boord, stak zijn druipende haren en zijn hoofd, dat paars van benauwdheid geworden was, uit het water[444]op en brulde, woedend en verdrietig: „Potverrrrblomme!” Het leek Folkert Berentsz. wel!

Als aan het dek genageld, staarde de heele bruine compagnie daarboven naar het gruwelijke watermonster. Toen vlogen ze met z’n allen naar den anderen kant van het vlot en plonsden als kikkers het water in.

En Harmen dook weer weg naar zijn oude plaatsje, waar thans weer zooveel lucht was als Harmen maar inademen kon.

En juist dat plotselinge verdwijnen weer versterkte de bruine gasten in de meening, dat dit vlot van den duivel bezeten was. Ze werkten zich in hun prauwtje—waar Joppie hen vriendelijk ontving—, pakten den satanshond in zijn nek en deden hem met een zwaai weer op het behekste vlot verhuizen, waar hij thuishoorde. Toen pagaaiden ze in allerijl terug naar den wal.

Harmen was van zijn woede en schrik bekomen en kon tevreden zijn over den gang van zaken. Na verloop van tijd begon hij zich af te vragen hoe ver hij nu al van het dorp zou zijn, en of de jongens het vlot gevolgd zouden hebben. Hij dook weer even te voorschijn en loerde over het dek. Ja! daar in de verte, bij de huisjes en het blauwe kolommetje rook, stond de heele troep het vlot na te kijken. Joppie zat met den rug naar Harmen gekeerd, staarde weemoedig stroomopwaarts.„Als ik die bocht om ben, zien ze me niet meer”, dacht Harmen. Hij dook weer naar zijn schuilplaats, en toen hij opnieuw te voorschijn kwam, was het dorpje aan het oog onttrokken. Wip! Harmen zat weer op het vlot, werd kwispelstaartend verwelkomd door Joppie en beantwoordde den groet vrij levendig met zijn voet, zoodat Joppie schuw aan de andere zijde ging zitten.

„Nou, ik zal nog maar niet aanleggen!” zei Harmen. „Laten de anderen maar een eindje loopen,—daar zullen ze niet van bederven.” En, verbazend over zichzelf tevreden, ging hij zitten en staarde in de bergen van groen aan de oevers. Hoe heerlijk warm was het! Harmen luisterde naar het vogelgerucht, waarvan elk toontje helder afklonk tegen de stilte, en ademde de geuren in, die over het water hingen. Zoo ongeveer moest het er in het paradijs van Adam en Eva nu ook hebben[445]uitgezien,—dacht Harmen. Kijk die reiger daar eens statig staan te visschen! Hoe blank was dat bepluimde lichaam tegen al het donkere groen! Hoe sierlijk die lange, buigzame hals met dat kroontje van veeren! Het dier stond in de schaduw, maar toch straalde het nog licht uit, en in het water sidderde de heldere weerschijn. Harmen deed zijn oogen dicht en droomde. ’t Was hier opSumatranu en dan toch ook wel lollig! Hij zuchtte diep, zette de longen uit om eens een paar schepels vol van die bedwelmend zoet-warme lucht in te ademen.

Joppie kwam weer bij hem, en nu was Harmen verteederd,—sloot den hond in zijn armen.

Bons! Het vlot stootte tegen den wal. Harmen sprong overeind en legde het vast. Het lag heerlijk in een schaduwrijke plek, te midden van waterlelies. „Nou, ze zullen me wel vinden”, dacht onze vriend. Hij strekte zich languit op het dek neer en sliep.

Hajo en Padde waren uit de verte ooggetuige geweest van de uitwerking, die Harmen’s onverwacht opduiken op de bende bruine kapers had. Harmen wist toch niet wat hij maar verzinnen zou om den boel in de war te sturen! Gelukkig was het ditmaal nog weer eens goed gegaan!

Toen begonnen onze vrienden hun tocht, zich met moeite een weg banend door het kreupelhout. Wat een leelijke dorens zaten overal! Ze kwamen bij een dwarsweggetje, dat naar de rivier leidde. Na het even te hebben afgespied, staken ze snel over en drongen weer door de struiken voort, op eenigen afstand de rivier volgend. Nu en dan gingen ze naar den oever om naar het vlot uit te zien, en toen ze tenslotte wat rook zagen kringelen, maakten ze op, dat het Harmen’s vuurtje wel zou zijn. Zoo was het dan ook, en het vlot lag aan dezen kant. „Ze vleiden zich naast Harmen neer en wachtten spoedig eveneens slapend op Rolf’s komst. Harmen snurkte, dat het vlot ervan schudde, en de doode bladeren van de boomen vielen. Joppie hielp hem nog een handje.

Maar ineens schrokken allen wakker. Wat was dat voor een gegil, daar aan de overzijde.….?![446]

Rolf had, na den wonderbaarlijk gelukkigen afloop van Harmen’s zeeschuimers-avontuur, een smal, kronkelig paadje gevonden, dat naar het dorp leidde. In alle voorzichtigheid volgde hij het, van struik tot struik. Zie!—Rolf verborg zich vlug—daar kwam in loggen gang een karbouw den hoek om, en boven op den grijzen kolos troonde een naakt kereltje. Nog een karbouw volgde, den kop met de zware, naar achteren gebogen horens laag geheven en eveneens op zijn breeden rug een „katjong”.

„Eh, Simin, weet jij wat Boeng van Bapah-Loleh zegt?” riep de achterste ruiter.

„Neen, maar het zal wel een leugen zijn”, antwoordde de ander. „Nu, wat zegt hij?”

„Dat hij wil gaan kijken waar het vlot gebleven is.”

„Dat durft hij toch niet! Eens zei hij ook, dat hij een badak-gadjah wilde zoeken en hem betooveren. Hij snijdt altijd op.”

„Ja, maar nu is hij toch heusch gegaan om het vlot te zoeken! Hij heeft gisteren de huid van eenoelar belanggevonden. Met zoo’ndjimatdurft hij alles—zei hij.”

„En waarom is hij dan niet blijven staan, toen die geest uit het water opdook?”

De karbouwen gingen een nieuwe bocht om, en de stemmen der knaapjes verdoften.

Rolf kwam voorzichtig weer te voorschijn. „Die Boeng van Bapah-Loleh zou nog veel kwaad kunnen stichten met zijn djimat!” dacht hij. „Daar moeten we een stokje voor zien te steken!”

Hij stond eensklaps voor een kokostuin. Tusschen de struiken door, zag hij tot zijn verbazing, dat in een der boomen een vrij groote aap bezig was, noten los te draaien en ze omlaag te werpen. Beneden stond een Inlander en verzamelde de noten. „Dat is nog eens makkelijk!” dacht Rolf. „Zoo’n afgerichte aap moesten wij ook hebben!” In een wijden boog sloop de jongen het dorp om. Ergens was een man aan het grassnijden. Een hond lag op een stapeltje hooi. Gelukkig merkten geen van beiden onzen vriend op.

„Ze zullen hier wel voornamelijk van de visscherij leven”, dacht Rolf, toen hij weer bij de rivier stond, waar overal netten[447]te drogen hingen. Hij volgde nu weer een smal paadje langs den oever, ontdekte eindelijk het vlot aan de overzijde, wilde zich door de struiken een weg naar den oever banen.….!

Daar stond, met den rug naar hem toe, een inlandsche knaap naar het vlot te loeren. De bruine spion had niets hooren aankomen.

„Eh, Boeng!” riep Rolf met luide stem, die echode in de stilte.

Daar stond, met den rug naar hem toe, een inlandsche knaap naar het vlot te loeren.

De jongen zou niet méér geschrokken zijn, indien de bliksem naast hem ware ingeslagen. Hij kromp ineen, wendde zich om en staarde wezenloos den blanke tegenover hem in het gelaat. Toen wilde hij het op een loopen zetten, maar Rolf haalde hem met een paar sprongen in en greep hem stevig vast. Boeng beet, schopte en gilde, dat het een aard had. „Diam! Stil!” morde Rolf. „Je ziet wel, dat tegen de blanken geendjimathelpt, al is het ook eenoelar belang!”

„Ampoen! Vergeving!” smeekte Boeng.

„Zul je staan blijven en luisteren naar wat ik je zeg?”

„Saja, toean!” beloofde Boeng met bevende lippen.

„Nu, dan.….” Rolf liet hem los, „dan ga je straks naar Bapah Loleh, en je zegt hem dat jullie kampong in gevaar is. Stroomopwaarts zwerft een bende djahats (roovers). Zeg eens na?”

Bevend over al zijn leden, voldeed Boeng aan het verzoek.

„Goed zoo. Zeg aan Bapah Loleh, dat de bende uit tachtig man bestaat en goed bewapend is. Zul je het doen?”[448]

„Saja, toean.….”

„Dan nog iets: is de zee hier ver vandaan?”

„Niet ver, heer.….”

„Hoe ver?”

„Van zonsopgang tot duister, heer.….”

„Zijn er nog meer kampongs aan den stroom?”

„Nog een, heer. Een groote kampong. Dicht aan de zee.”

Op dit oogenblik klonken van den oever de stemmen der andere jongens. En vóór de arme Boeng wist wat er met hem gebeurd was, had Harmen hem een beentje gelicht en de enkels met rotan samengesnoerd. „We nemen hem mee!” zei Harmen. „Als ie in z’n kampong vertelt wat ie gezien heeft, zijn we er bij!”

„Wees niet bang”, zei Rolf. „Ik heb hem wijsgemaakt, dat stroopende benden de kampong willen overvallen. Ze hebben nu wel wat beters te doen dan ons na te zetten.”

Harmen trok grinnikend den knoop weer los. „Ook goed!”

Boeng sprong haastig overeind, keek schuw naar Harmen om en wilde heengaan.

„Wacht nog even, Boeng”, zei Rolf. „Heb je wel eens van Java gehoord? En van Bantem?”

Boeng knikte. „Ze komen van Bantem met koopwaar hier.”

Rolf keek zijn vrienden aan. „Hoor jullie dat?! Jongens, Bantemkanniet ver meer zijn!”

„Nou, vooruit dan maar weer!” zei Harmen met een vreugdetrilling in zijn stem.

En overmoedig sprongen onze vrienden weer aan boord en stootten af. Boeng maakte zich uit de voeten, rende als een haas, wien de honden op de hielen zitten.

De jongens stuurden het vlot naar het midden van den stroom. Naar Bantem! Bantem was niet ver meer!

Het was vrij laat geworden, en bij Harmen deed zich de honger geducht voelen. „Zullen we eens aanleggen?” vroeg hij. „’k Heb zoo’n kriebel in m’n maag.”

„Laten we wachten tot de zon onder is”, zei Rolf.

„Dan ben ik een lijk”, verzekerde Harmen.

„Nu, als we gaan visch bakken, word je wel weer levend!” stelde Rolf hem gerust.[449]

Zoo was het ook. Toen de jongens tegen schemeren het vlot meerden, en een paar visschen zich lustig knappend in de vlammen wentelden, herleefde Harmen uit zijn hongerdood. De jongens smulden aan de heerlijke vischruggen, en Joppie vond de graten nog lekkerder.

Na het eten gingen ze bijeenzitten en staarden in gedachten over het donkere water. Ineens viel er een glans over, doordat de maan zich ontsluierde. Nu was het, alsof de rivier, die daareven roerloos scheen als een vijver, plots te stroomen begon.

Het vlot lag diep weg in een duistere kom; de jongens hadden door een zware loofpoort het uitzicht op de rivier, die nu vloeibaar zilver was. Zou een van hen verbaasd zijn geweest, wanneer ze eensklaps een statig Vikinger-schip met blanke, bolle zeilen en wijd uitwaaienden wimpel voorbij zouden zien drijven achter die donkere poort? Of wanneer uit het zilveren water elfjes zouden opstijgen en hand aan hand rondzwierden in wonderlijken dans? Zie! op een lelieblad zat de kikker-koning toe te zien, een gouden kroon op zijn blinkend groenen kop; zijn geelwitte buik glom van de ridderorden. In het midden van den dansenden kring rees nu de elfenkoningin op, in een van haar tengere, statig geheven handjes een witte lelie, in de andere haar gouden sceptertje en op haar roode haren een fijn gesmeed kroontje vol groene steenen. De elfjes dansten; heur ijle gewaden zwierden omhoog en zonken lichtglanzend, gespreid weer neer, en zóó luchtig drukten de kleine, teere voetjes het watervlak, dat er niet meer dan drie pareltjes opspatten.

Ineens.…. uit was het sprookje. De elfjes, de kikkerkoning zijn naar hun vochtig rijk teruggekeerd, Harmen stoot zijn makkers aan: een donker ding in het water koerst recht op het vlot af, waarop de jongens zitten. Drie knobbels steken uit; het zwemmend gevaarte houdt nu en dan stil, zoodat de lijnen, die het door het zilveren oppervlak kerft, voorbij schieten en zich kruisen. Dan komt hij weer nader.…. de krokodil! Den adem ingehouden, zien de jongens toe. Geen van hen zegt een woord. Joppie slaapt, geen kwaad vermoedend.

De krokodil, aan het uiteinde van het vlot gekomen, is nu[450]even niet te zien, omdat het bamboezen dek vrij hoog boven het water uitsteekt. De knapen, die in spanning, maar eigenlijk zonder een zweem van angst hebben toegezien, voelen nu eensklaps onrust in zich opkomen. Waar is het beest?!

Onder het vlot?! Ze willen opspringen.…. Maar daar schuift aan het andere einde een platte monsterkop met groen-gele oogen en naar alle zijden uitstekende, kromme tanden op het dek. En met de twee voorpooten, die hoog naast den rug uitpuilen, tracht de krokodil zich naar boven te werken.

Met een sprong staan de jongens overeind, willen hun speren grijpen. Maar de krokodil, die op het vlot een rustig ligplaatsje zocht om naar de dansende elfjes uit te kijken, valt al, doodelijk verschrikt, met een zwaren plons in het water terug. Zie! daarginds zwemt de rakker! Nu verdwijnt hij achter de poort.

„We moeten aan land gaan slapen”, zegt Rolf. „Hier op het vlot is het niet veilig.”

De jongens nemen Joppie in zijn nekvel, die zich, driekwart slapend, laat vervoeren. Zwijgend treden ze in het stille woud, zoeken een eind van den wal een zacht plekje op. Maar de muskieten beletten het inslapen. ’t Is om er dol van te worden. Hijgend liggen de jongens op den rug, na zich geheel met bladeren te hebben toegedekt. Boven hun hoofd speelt de maan een griezelig spel met takken en twijgen. Hoor.….! Wat klinkt daar in de verte? Ding-dang-dong-ding-kloeng.….

Het dorp, waarvan Boeng sprak! Daar moesten ze vannacht nog langs zien te komen!

De jongens springen overeind, wrijven de jeukende muskietenbeten. „Kom, Joppie!” zegt Harmen, en, voor de argelooze Joppie het weet, vliegt hij al door de lucht en verhuist naar het vlot. Hij komt op vier pooten terecht, zwikt door op zijn zitvlak, ziet met lodderige oogen rond, tolt dan om.…. en snurkt alweer.

„’n Waaksch beestje!” prijst Harmen.

Samen gooien ze het vlot los, sturen door de loofpoort heen naar het midden van den stroom. Nu zien ze aan den rechteroever een lichtschijn tusschen de boomen. Ze houden dus links van de rivier.[451]

Hier is schaduw. Telkens haakt het vlot in de waterplanten. „Padde, ga jij voor het vuur zitten. En gooi er wat hout uit tot het smeult!”—Padde aarzelt even, onwillig door slaap, dan kruipt hij van de plaats, waar hij al was neergezonken, zuchtend naar het vuurtje. Joppie sleept zich, te lui om op te staan, over het dek voort en legt zich tegen Padde’s dijen.

„Gooi er nouallesniet uit!” gromt Harmen tot Padde, die bezig is, het heele vuur overboord te werken. „Wel allemachies! Als je er nou nog één stuk uitgooit, vlieg je er achter aan! Begrepen?”

Padde begrijpt, al is hij niet klaar wakker.

De jongens doen hun best, met de stuurboomen zoo min mogelijk teplonzen. De klanken van de muziek worden luider; hier op het water buitelen ze van plezier over elkaar. Ding-dong-dang-kloeng-ping-tok-dak-doeng-doeng.….

„M’n fiool.….” zucht Harmen. „Van m’n eerste centen koop ik weer een fiool! Bij Roeffies vader, weet je wel: dat zaakje van alles, achter de kerk? Daar heb ik m’n vorige ook gekocht, en dat was een puike, nietwaar, Hajo?”

„Sssst!”

„Een harde gulden heeft ie me gekost”, zei Harmen, zonder te luisteren. „En de snaren toe.—Pas op met zeewater, zei de vent.” Harmens stem werd bitter. „Pas op met zeewater. Jawel!”

„Nou, en mijn mooie koffiemolen dan.….?” vroeg Padde.

Hajo en Rolf konden—ondanks het hachelijke van het oogenblik, geen van beiden hun lachen bedwingen.

„Ja, lach maar”, gromde Padde. „Maar daarmee is de ellende begonnen! Wie weet: als die koffiemolen niet overboord gevallen was.….” Padde zweeg, zocht naar het verband tusschen zijn koffiemolen, die voor Texel op zoo droevige wijze verongelukt was, en de latere rampen, die deNieuw-Hoorngeteisterd hadden.

Harmen had zwijgend geluisterd. „Is er een koffiemolen overboord gevallen?” vroeg hij.

„Ja!” zei Padde, ingenomen met Harmens belangstelling. En fluisterend (het vlot was geen honderd ellen van het dorp!) vertelde hij, hoe de vork in den steel zat.[452]

Harmen knikte bedachtzaam het hoofd, toen Padde zijn gemoed gelucht had. Daarop zei hij peinzend: „Ik geloof óók, dat het voor ons allemaal het beste was geweest, wanneer jij achter je koffiemolen was aangesprongen.”

„Maar ik kan immers haast niet zwemmen!”

„Dat weet ik wel”, stelde Harmen hem gerust.

Padde dacht even over Harmens woorden na, tot hij den zin ervan gevat had. Toen wendde hij het gelaat af en ging, het hoofd in de armen, naast Joppie liggen.

„Daar gaat er een grienen!” hoonde Harmen. „Afijn, ’t is schoon water; als ’t wat anders was, zou ik zeggen: ’t is zonde.”

Met een grimmigen kreet sprong Padde op Harmen af. Deze lichtte hem een beentje, zoodat Padde op zijn zitvlak terecht kwam. Hij pakte Harmen woedend bij de beenen, wilde hem omver rukken. Maar Rolf kwam tusschenbeide. „Zijn jullie dol! Hier, nog vlak bij het dorp!”

„Wat doet ie te beginnen!” siste Padde met tranen in zijn stem.

„Weer wat nieuws!” merkte Harmen droogjes op. „Wie heeft me aangevlogen? Hij heeft me in m’n kuiten gebeten, de smakker! Wacht maar! Ik zal je morgen eens een uurtje te grazen nemen, en dan mag je: dankje, Harmen! zeggen.”

„’k Heb je niet gebeten!” snauwde Padde en ging, den rug naar hem toe, bij het vuur zitten.

„Welles!” zei Harmen giftig.

„Nietes!”

„Welles!”

Zoo kwamen de jongens wonder boven wonder ongemerkt de kampong voorbij. Nu durfden ze het vlot weer naar het midden van de rivier te sturen, in den maneschijn.

Padde’s drift bekoelde, en hij werd benauwd voor den dag van morgen en in het bijzonder voor dat uurtje, waarvoor hij: dankje, Harmen! zou mogen zeggen. Om medelijden te wekken, ging hij weer liggen en snikte voort.

En werkelijk werd Harmen hierdoor verteederd. „Kom, lig nou niet meer te janken”, zei hij, terwijl hij zijn vuurtje aanblies. „Help me liever een handje blazen!”

Padde, blij, dat zich een gelegenheid tot verzoening voordeed,[453]richtte zich steunend op, snikte nog even na en blies toen door zijn tranen heen.

„Je spuugt meer als dat je blaast”, merkte Harmen op. „En alles in m’n gezicht!”

„Ik zal van de andere kant blazen”, beloofde Padde.

„Alsjeblieft.”—Zoo bliezen ze in eendracht tot de vlammetjes weer dartel speelden.

„Nou, afijn”, zei Harmen, opstaande, „zul je dan geen schip meer in brand steken?”

Hajo en Rolf lachten, tenslotte Padde ook zoo half en half. Ietwat verlegen nam Harmen zijn stuurboom weer op. „’k Zou er anders niks van zeggen, maar hij hoeft me niet in m’n beenen te bijten. Als ie zegt: Harremen, ik zal je niet meer in je beenen bijten!—zal ik ’m niks doen.”

„Ik heb je niet in je beenen gebeten”, zei Padde, die weer moed kreeg nu de anderen lachten.

„Je hebt me wèl in m’n beenen gebeten!”

„Nietes.”

„Wèlles!”

„Ssst!” suste Rolf.

Harmen zweeg, en Padde voelde zich overwinnaar. Hij nam Joppie in zijn armen, en even later snurkten ze om het hardst.

Na een half uur meerden de anderen het vlot in een holte van den oever, geheel tusschen de waterplanten.

„Padde! Word wakker! We gaan aan wal!”

Geen antwoord. Padde was in diepen slaap.

„Hei, Padde!” riep Harmen. „’n Krokodil!”

Wip! stond Padde overeind. Ook Joppie krabbelde op z’n vier slaperige pooten. „Waar?!” stamelde Padde.

„In m’n neus”, zei Harmen. „Kom mee, we moeten aan land slapen.”

En allen gingen aan wal, dekten zich met bladeren toe.

De muskieten vierden feest.

Krokodil.

[454]


Back to IndexNext