[Inhoud]JOPPIE DOET EEN ONTDEKKINGHond aan het water.Toen Joppie den volgenden morgen een paar teugen van het frissche rivierwater naar binnen wilde slobberen, spuwde hij alles weer uit, duidelijk gebarend een innigen afkeer. „Wat zou hij hebben?” vroegen de jongens zich af. Maar Harmen vloog overeind, wierp zich op het dek van het vlot en stak de lippen in het water. „’t Isbrak!” De vreugde trilde door zijn schreeuw.De anderen snelden toe en dronken. En terwijl ze het slecht smakende water weer uitspuwden, keken ze elkaar stralend van blijdschap aan. „’t Isbrak, jongens! We zijn bij dezee!”—Hajo wierp het vlot al los, en Harmen pakte een boom om af te stooten, toen Rolf hen tegenhield. „Jongens, laten we niets hals over kop doen! We moeten eerst zelf weten wat we willen.”„Nou, dat weten we toch, pennelikker!” schold Harmen. „We willen naar zee!”„Zonder zeilen? Zonder proviand?”„Wat.….? Wou jij dan somsmet dit vlot in zeesteken??”„Dat wou ik. Ik maak me sterk, dat we, bij niet al te slecht weer, wel zee kunnen houden.”„Toe maar.….!” stamelde Harmen.—Maar het avontuur kittelde hem. Rolf was toch zoo’n pennelikker niet als hij gedacht had.„En als er nou storm komt?” vroeg Padde.[455]„Er komt geen storm”, zei Harmen opgewonden.„Zullen we dan maar dadelijk aan het werk gaan?” vroeg Hajo, wiens oogen straalden.„Laten we eerst eens gaan kijken hoe ver we nog van de zee zijn”, stelde Rolf voor. „Misschien vinden we ook nog wel een betere ligplaats voor het vlot: we liggen hier zoo in ’t zicht! Laten we er voorloopig maar vast wat takken op gooien!”Zoo deden de knapen, en toen het vlot goed aan het oog onttrokken was, kapten ze zich een weg langs den oever om aan zee te komen.„We moeten het vlot nog flink wat versterken en verhoogen!” zei Rolf. „Een mast is makkelijk te krijgen. Maar een zeil?”„Ik zal er een gappen!” beloofde Harmen. „Daar, in die kampong!”Hajo trok een bedenkelijk gezicht. „’t Is stelen, Harmen.”„Ja, ik steel ook niet graag, als de hond los is en de boer met een knuppel achter het huis staat”, zei Harmen. „Maar de prauwen liggen buiten het dorp, aan het water, en de zeilen hangen er los bij; ik heb ze maar mee te nemen.—Kijk eens, jongens! Is dit geen mooi plekkie voor het vlot?” De jongens stonden voor een aardig kreekje. Rondom groeide bamboe,—dat trof dus ook mooi.„Zoodra het donker is, brengen we het vlot hier!” zei Rolf. „Dit gedeelte van de rivier zal te druk bevaren worden om het er bij klaarlichten dag op te kunnen wagen.”„Luister eens!” zei Hajo eensklaps. „Ik hoor.…. dezee!”Toen baanden allen zich als dollen een weg tusschen het dichte gewas, schramden zich, dat het bloed hun op de huid parelde, stonden eensklaps hijgend stil en staarden.….Daar lag wijd en blauw de oceaan! Diep ademend snoven ze den frisschen, zouten wind in; bedwelmend werkte op hen de zoetruischende muziek der blinkende, schuimende branding.Zie, hoe de golven kwamen aanrollen! Ze braken in scherven, maar vloeiden weer terug in de armen der zee, die nieuwe krachten schonk. En bruischend, stoeiend rolden ze weer achter hun makkers aan, voerden bonte steentjes en schelpen mee en legden ze als een offer op het blanke zand.Lang stonden de jongens stil en lieten ontroerd hun blik[456]weiden over hun grooten, vertrouwden vriend. Hij zou hen op zijn sterke armen veilig dragen. Hij zou hen naar Bantem en dan weer naar Holland voeren.….—Ze liepen de branding in, zuchtten van diepgevoeld geluk. Hoe vrij voelden ze zich weer met de wijde zee voor zich!„We zijn hier in een baai”, stelde Rolf vast. „Zoover je zien kunt, loopt het strand in een boog. En dat kan ook heel goed: aan den Zuidkant van Sumatra liggen twee groote baaien.”„En wanneer zouden we in Bantem kunnen zijn?” vroeg Hajo, Rolf in spanning aanziend.„Als we de wind mee hebben.…. misschien in een week.”De jongens moesten het even verwerken. In een week.….! In een week zouden ze Bontekoe misschien de hand weer drukken?! Dat Bontekoe met z’nzestigwakkere mannen allang in Bantem was aangekomen, stond wel voor hen vast. „Maar.…. dan mogen we toch wel voor twee weken proviand mee nemen, Rolf!”„We zullen meenemen wat we maar machtig worden. Kijk eens om: kokosboomen bij de vleet. Kom, jongens, aan het werk! We hebben den heelen dag nog voor ons!”„Ik ga visschen!” beloofde Padde.„Leg een paar zethaken uit”, raadde Harmen. „Dan vang je nog paling ook!”„Ik weet nog beter”, zei Padde. „Ik loop de holletjes aan de kant eens af. Daar zitten ze. Als je je handen er maar van beide kanten insteekt: dan kunnen ze hem niet smeren.”„’t Is anders zoo dom niet, ook een paar zethaken uit te leggen”, meende Rolf.„Dat is zeker zoo dom nog niet!” beaamde Harmen. „Maar als je tegen Padde: erwtesoep zegt, dan zeit Padde: rooie kool, En zeg je: rooie kool, dan zegt Padde: boonen met spek.”Hajo was een kokosboom ingeklauterd en begon noten los te draaien.„We zullen onze opslagplaats maken bij het kreekje!” zei Rolf. „Hajo en ik zorgen voor noten. Padde gaat visschen, en jij, Harmen, zou hout kunnen kappen om het vlot te versterken,—dan schieten we flink op.”„Ja”, zei Harmen. „Ik zal dikke stelen uitzoeken! Zou[457]Hajo nog niet wat kunnen schieten? Dan hebben we nog wat anders dan visch en kokosnoten.”„Best”, zei Rolf. „Dan zorg ik wel alleen voor de noten.”Zoo scheidden de vrienden.Rolf klauterde den eenen boom na den anderen in, wierp de noten omlaag en liet ze voorloopig maar liggen. Tenslotte dwongen hitte en vermoeidheid hem, op te houden. Hij bond de noten bijeen en sleepte ze naar de kreek.Harmen wilde juist met hakken beginnen. „Ik heb drie zethaakjes uitgezet”, zei hij. „Vette pieren, dat hier in de grond zitten! Allemaal blauwkoppen en nooit van die gele, uitgerokken dooie dienders als bij ons achter de bleek, waar geen visch in bijt.”„Hak eens een jonge noot open?” vroeg Rolf. „Ik verga van dorst.”Harmen hakte met een fermen slag het bovenstuk van een bast af, zoodat Rolf met de vingers de weeke plek onder den steel kon induwen en de koele, flauw-zoete melk in zijn keel laten klokken.Harmen bediende zich zelf ook. „Lekker!” Hij smakte met de lippen, begon toen opeens te grinniken.„Wat heb je?” vroeg Rolf, al half vroolijk.„Daarstraks stond ik me hier ziek te lachen!” lichtte Harmen toe. „Padde was daarginds de holletjes aan ’t afzoeken. Hap! Had ie een krabbetje aan z’n vinger hangen! Hij wou niet schreeuwen, omdat ie bang was, dat ik er dan bij zou komen. Maar hij stond te dansen, en niet van plezier!”Samen gingen de jongens naar Padde, die geduldig zat te visschen. „Al wat gevangen, Padde?”„Al twee. Ze liggen daar in het gras.”„’t Is haast zonde van die mooie wurmen, als je er zulke pietertjes aan vangt”, zei Harmen. „Zoek liever eens in de holletjes, Padde, daar zitten groote.”„Och.….” meende Padde, „zoo krijg ik ze ook wel.”„Als je maar lang genoeg wacht”, zei Harmen. En, zich tot Rolf wendend: „Zouden er hier in het water krabbetjes zitten, Rolf?”Padde verschikte een eindje en schraapte zijn keel.[458]„Ja, ’k zou het anders niet vragen”, legde Harmen uit, „maar als Padde de holletjes nog wil afzoeken, moet ie wat oppassen met die mormels! Ze bijten gemeen!”Padde kleurde, keek grimmig naar zijn dobber.„Je hebt tuk!” zei Harmen.—Inderdaad: er zat leven in den dobber. Padde sloeg op; een vischje ter lengte van een vinger spartelde aan den haak. „Wallevisch!” stelde Harmen vast.„’k Wou, dat je nou maar ophoepelde!” schimpte Padde.„Geheel naar uwes bevelen”, verzekerde Harmen. En terwijl hij met Rolf weer terugslenterde, stond Padde verdrietig op en legde een eindje verder weer in.„’k Zal eerst maar van die dikke, gele stelen kappen”, zei Harmen. „Die zijn het beste.”„Ja, daarvan zullen we er ook een paar nemen om ze met water te vullen! Kom, ik ga maar weer eens een vrachtje noten halen.”Tegen middagtijd kwamen de jongens weer bijeen. Er lag al een geduchte stapel noten; Padde had acht groote en twaalf kleinere visschen gevangen, waarvan er een paar gebraden werden. Hajo kwam met twee duiven terug.„Dat zet geen zoden aan de dijk”, meende Harmen.„Dan kan je vanmiddag beter gaan visschen. En dan hangen we ze straks te drogen,—de jasjes open, dat de wind er in blaast.”Rolf stond op. „Snijden jullie nog wat rotan voor de masttouwen en zoo?”„Zekers, bootsman”, zei Harmen beleefd.En de arbeid werd voortgezet. Harmen zocht een mooie bamboe uit om dien als mast te gebruiken, hakte een gaffel en een boom voor het zeil, dat nog gekaapt moest worden.Toen ging hij de visschen schoonmaken, sneed ze open, spalkte er een stokje tusschen, hing ze zoo, „met open jasjes”, aan een lijntje op en legde daaronder een langwerpig vuurtje aan, zoodat de visch rondtolde in den rook.Toen kwam Hajo aanhollen. „Trap dat vuur uit! Vlug!”„Ja, goeie morrege!” zei Harmen.„Vlug, Harmen! Er komt een prauw aan! Zoometeen zien ze de rook!” En Hajo trapte het vuur uiteen, waarbij hij zich[459]leelijk de voeten brandde. „Heb je nu ooit, daar zit Padde nog te visschen!—Padde!”„Ssst! Ik heb tuk!” fluisterde Padde.Harmen snelde toe, pakte den ijverigen visscher in zijn nek en sleurde hem mee. Een prauw kwam den stroom afzakken. Het was een klein hulkje met een hoog, gelapt zeil er op. Voorin zat, met den rug naar den boeg, een Inlander een net te ontwarren; in het midden lag iemand van wien alleen de beenen te zien waren, hoog tegen den mast opgestrekt. De derde Maleier zat aan het roer half te knikkebollen.Een eentonig, neuriënd gezang steeg uit de prauw op.„Als we ze eens aan de wal lokten en ze dan het zeil afkaapten?” vroeg Harmen. „Wil ik eens fluiten?”„Harmen.….?!”„Nou, laat ik het maar niet doen ook”, zei Harmen. „’t Is een rotzeil, dat zie ik van hier wel.”Hajo zuchtte verlicht op, oogde het schuitje na. „Ze gaan naar zee. ’t Zijn visschers, zie je wel?”„Nou, ik zal maar weer op hetzelfde plekkie ingooien!” zei Padde. „’t Is doodzonde van m’n tuk!”„Doe net, of je niet bent weggeloopen!” raadde Harmen. Hij stak zijn vuurtje weer aan, en Hajo en Padde vischten. Ze hadden nu een gunstig plaatsje gevonden, bij den ingang van de kreek. De eene visch na den anderen liet zich door een „fijne” blauwkop verleiden, en er waren kerels bij van wel een voet lengte, die de jongens slechts met veel overleg aan wal kregen.Toen de schemering inviel, hadden ze voor langen tijd proviand: meer dan honderd kokosnoten, stevig aaneengebonden in partijtjes van twaalf stuks, en ruim zestig ferme visschen. Er waren kokers voor het drinkwater, stapels rotan en bamboe voor de versterking van het vlot en voor „het want”.….En nu maakten de jongens zich op om het vlot hier naar de kreek te brengen. Ze namen de bamboekokers mee om ze hoogerop met zoet water te vullen, en in optocht ging het langs het pad, dat ze zich dien morgen hadden gebaand, weer naar het vlot. In een ommezien waren de takken opgeruimd, en Harmen en Hajo stootten van wal. De lucht was vanavond[460]bewolkt,—dat kwam hun van pas! In het midden van de rivier vulden ze de bamboekokers met water; ze konden de zware dingen nauwelijks meer optillen. Een kwartier later koersten ze de kreek binnen.„Nou”, zei Harmen, „als jullie nou aan het vlot werken, ga ik even op m’n zeiltje uit.”„Zul je geen rare dingen doen?”„Dat kan ik niet beloven”, zei Harmen. „Maar als jullie me weer zien, heb ik een zeiltje bij me,—of ik zal pluimen krijgen en eieren leggen.”„Nou, kras dan maar op!” lachte Rolf.En Harmen kraste op.Zwaaiende jongen.[461]
[Inhoud]JOPPIE DOET EEN ONTDEKKINGHond aan het water.Toen Joppie den volgenden morgen een paar teugen van het frissche rivierwater naar binnen wilde slobberen, spuwde hij alles weer uit, duidelijk gebarend een innigen afkeer. „Wat zou hij hebben?” vroegen de jongens zich af. Maar Harmen vloog overeind, wierp zich op het dek van het vlot en stak de lippen in het water. „’t Isbrak!” De vreugde trilde door zijn schreeuw.De anderen snelden toe en dronken. En terwijl ze het slecht smakende water weer uitspuwden, keken ze elkaar stralend van blijdschap aan. „’t Isbrak, jongens! We zijn bij dezee!”—Hajo wierp het vlot al los, en Harmen pakte een boom om af te stooten, toen Rolf hen tegenhield. „Jongens, laten we niets hals over kop doen! We moeten eerst zelf weten wat we willen.”„Nou, dat weten we toch, pennelikker!” schold Harmen. „We willen naar zee!”„Zonder zeilen? Zonder proviand?”„Wat.….? Wou jij dan somsmet dit vlot in zeesteken??”„Dat wou ik. Ik maak me sterk, dat we, bij niet al te slecht weer, wel zee kunnen houden.”„Toe maar.….!” stamelde Harmen.—Maar het avontuur kittelde hem. Rolf was toch zoo’n pennelikker niet als hij gedacht had.„En als er nou storm komt?” vroeg Padde.[455]„Er komt geen storm”, zei Harmen opgewonden.„Zullen we dan maar dadelijk aan het werk gaan?” vroeg Hajo, wiens oogen straalden.„Laten we eerst eens gaan kijken hoe ver we nog van de zee zijn”, stelde Rolf voor. „Misschien vinden we ook nog wel een betere ligplaats voor het vlot: we liggen hier zoo in ’t zicht! Laten we er voorloopig maar vast wat takken op gooien!”Zoo deden de knapen, en toen het vlot goed aan het oog onttrokken was, kapten ze zich een weg langs den oever om aan zee te komen.„We moeten het vlot nog flink wat versterken en verhoogen!” zei Rolf. „Een mast is makkelijk te krijgen. Maar een zeil?”„Ik zal er een gappen!” beloofde Harmen. „Daar, in die kampong!”Hajo trok een bedenkelijk gezicht. „’t Is stelen, Harmen.”„Ja, ik steel ook niet graag, als de hond los is en de boer met een knuppel achter het huis staat”, zei Harmen. „Maar de prauwen liggen buiten het dorp, aan het water, en de zeilen hangen er los bij; ik heb ze maar mee te nemen.—Kijk eens, jongens! Is dit geen mooi plekkie voor het vlot?” De jongens stonden voor een aardig kreekje. Rondom groeide bamboe,—dat trof dus ook mooi.„Zoodra het donker is, brengen we het vlot hier!” zei Rolf. „Dit gedeelte van de rivier zal te druk bevaren worden om het er bij klaarlichten dag op te kunnen wagen.”„Luister eens!” zei Hajo eensklaps. „Ik hoor.…. dezee!”Toen baanden allen zich als dollen een weg tusschen het dichte gewas, schramden zich, dat het bloed hun op de huid parelde, stonden eensklaps hijgend stil en staarden.….Daar lag wijd en blauw de oceaan! Diep ademend snoven ze den frisschen, zouten wind in; bedwelmend werkte op hen de zoetruischende muziek der blinkende, schuimende branding.Zie, hoe de golven kwamen aanrollen! Ze braken in scherven, maar vloeiden weer terug in de armen der zee, die nieuwe krachten schonk. En bruischend, stoeiend rolden ze weer achter hun makkers aan, voerden bonte steentjes en schelpen mee en legden ze als een offer op het blanke zand.Lang stonden de jongens stil en lieten ontroerd hun blik[456]weiden over hun grooten, vertrouwden vriend. Hij zou hen op zijn sterke armen veilig dragen. Hij zou hen naar Bantem en dan weer naar Holland voeren.….—Ze liepen de branding in, zuchtten van diepgevoeld geluk. Hoe vrij voelden ze zich weer met de wijde zee voor zich!„We zijn hier in een baai”, stelde Rolf vast. „Zoover je zien kunt, loopt het strand in een boog. En dat kan ook heel goed: aan den Zuidkant van Sumatra liggen twee groote baaien.”„En wanneer zouden we in Bantem kunnen zijn?” vroeg Hajo, Rolf in spanning aanziend.„Als we de wind mee hebben.…. misschien in een week.”De jongens moesten het even verwerken. In een week.….! In een week zouden ze Bontekoe misschien de hand weer drukken?! Dat Bontekoe met z’nzestigwakkere mannen allang in Bantem was aangekomen, stond wel voor hen vast. „Maar.…. dan mogen we toch wel voor twee weken proviand mee nemen, Rolf!”„We zullen meenemen wat we maar machtig worden. Kijk eens om: kokosboomen bij de vleet. Kom, jongens, aan het werk! We hebben den heelen dag nog voor ons!”„Ik ga visschen!” beloofde Padde.„Leg een paar zethaken uit”, raadde Harmen. „Dan vang je nog paling ook!”„Ik weet nog beter”, zei Padde. „Ik loop de holletjes aan de kant eens af. Daar zitten ze. Als je je handen er maar van beide kanten insteekt: dan kunnen ze hem niet smeren.”„’t Is anders zoo dom niet, ook een paar zethaken uit te leggen”, meende Rolf.„Dat is zeker zoo dom nog niet!” beaamde Harmen. „Maar als je tegen Padde: erwtesoep zegt, dan zeit Padde: rooie kool, En zeg je: rooie kool, dan zegt Padde: boonen met spek.”Hajo was een kokosboom ingeklauterd en begon noten los te draaien.„We zullen onze opslagplaats maken bij het kreekje!” zei Rolf. „Hajo en ik zorgen voor noten. Padde gaat visschen, en jij, Harmen, zou hout kunnen kappen om het vlot te versterken,—dan schieten we flink op.”„Ja”, zei Harmen. „Ik zal dikke stelen uitzoeken! Zou[457]Hajo nog niet wat kunnen schieten? Dan hebben we nog wat anders dan visch en kokosnoten.”„Best”, zei Rolf. „Dan zorg ik wel alleen voor de noten.”Zoo scheidden de vrienden.Rolf klauterde den eenen boom na den anderen in, wierp de noten omlaag en liet ze voorloopig maar liggen. Tenslotte dwongen hitte en vermoeidheid hem, op te houden. Hij bond de noten bijeen en sleepte ze naar de kreek.Harmen wilde juist met hakken beginnen. „Ik heb drie zethaakjes uitgezet”, zei hij. „Vette pieren, dat hier in de grond zitten! Allemaal blauwkoppen en nooit van die gele, uitgerokken dooie dienders als bij ons achter de bleek, waar geen visch in bijt.”„Hak eens een jonge noot open?” vroeg Rolf. „Ik verga van dorst.”Harmen hakte met een fermen slag het bovenstuk van een bast af, zoodat Rolf met de vingers de weeke plek onder den steel kon induwen en de koele, flauw-zoete melk in zijn keel laten klokken.Harmen bediende zich zelf ook. „Lekker!” Hij smakte met de lippen, begon toen opeens te grinniken.„Wat heb je?” vroeg Rolf, al half vroolijk.„Daarstraks stond ik me hier ziek te lachen!” lichtte Harmen toe. „Padde was daarginds de holletjes aan ’t afzoeken. Hap! Had ie een krabbetje aan z’n vinger hangen! Hij wou niet schreeuwen, omdat ie bang was, dat ik er dan bij zou komen. Maar hij stond te dansen, en niet van plezier!”Samen gingen de jongens naar Padde, die geduldig zat te visschen. „Al wat gevangen, Padde?”„Al twee. Ze liggen daar in het gras.”„’t Is haast zonde van die mooie wurmen, als je er zulke pietertjes aan vangt”, zei Harmen. „Zoek liever eens in de holletjes, Padde, daar zitten groote.”„Och.….” meende Padde, „zoo krijg ik ze ook wel.”„Als je maar lang genoeg wacht”, zei Harmen. En, zich tot Rolf wendend: „Zouden er hier in het water krabbetjes zitten, Rolf?”Padde verschikte een eindje en schraapte zijn keel.[458]„Ja, ’k zou het anders niet vragen”, legde Harmen uit, „maar als Padde de holletjes nog wil afzoeken, moet ie wat oppassen met die mormels! Ze bijten gemeen!”Padde kleurde, keek grimmig naar zijn dobber.„Je hebt tuk!” zei Harmen.—Inderdaad: er zat leven in den dobber. Padde sloeg op; een vischje ter lengte van een vinger spartelde aan den haak. „Wallevisch!” stelde Harmen vast.„’k Wou, dat je nou maar ophoepelde!” schimpte Padde.„Geheel naar uwes bevelen”, verzekerde Harmen. En terwijl hij met Rolf weer terugslenterde, stond Padde verdrietig op en legde een eindje verder weer in.„’k Zal eerst maar van die dikke, gele stelen kappen”, zei Harmen. „Die zijn het beste.”„Ja, daarvan zullen we er ook een paar nemen om ze met water te vullen! Kom, ik ga maar weer eens een vrachtje noten halen.”Tegen middagtijd kwamen de jongens weer bijeen. Er lag al een geduchte stapel noten; Padde had acht groote en twaalf kleinere visschen gevangen, waarvan er een paar gebraden werden. Hajo kwam met twee duiven terug.„Dat zet geen zoden aan de dijk”, meende Harmen.„Dan kan je vanmiddag beter gaan visschen. En dan hangen we ze straks te drogen,—de jasjes open, dat de wind er in blaast.”Rolf stond op. „Snijden jullie nog wat rotan voor de masttouwen en zoo?”„Zekers, bootsman”, zei Harmen beleefd.En de arbeid werd voortgezet. Harmen zocht een mooie bamboe uit om dien als mast te gebruiken, hakte een gaffel en een boom voor het zeil, dat nog gekaapt moest worden.Toen ging hij de visschen schoonmaken, sneed ze open, spalkte er een stokje tusschen, hing ze zoo, „met open jasjes”, aan een lijntje op en legde daaronder een langwerpig vuurtje aan, zoodat de visch rondtolde in den rook.Toen kwam Hajo aanhollen. „Trap dat vuur uit! Vlug!”„Ja, goeie morrege!” zei Harmen.„Vlug, Harmen! Er komt een prauw aan! Zoometeen zien ze de rook!” En Hajo trapte het vuur uiteen, waarbij hij zich[459]leelijk de voeten brandde. „Heb je nu ooit, daar zit Padde nog te visschen!—Padde!”„Ssst! Ik heb tuk!” fluisterde Padde.Harmen snelde toe, pakte den ijverigen visscher in zijn nek en sleurde hem mee. Een prauw kwam den stroom afzakken. Het was een klein hulkje met een hoog, gelapt zeil er op. Voorin zat, met den rug naar den boeg, een Inlander een net te ontwarren; in het midden lag iemand van wien alleen de beenen te zien waren, hoog tegen den mast opgestrekt. De derde Maleier zat aan het roer half te knikkebollen.Een eentonig, neuriënd gezang steeg uit de prauw op.„Als we ze eens aan de wal lokten en ze dan het zeil afkaapten?” vroeg Harmen. „Wil ik eens fluiten?”„Harmen.….?!”„Nou, laat ik het maar niet doen ook”, zei Harmen. „’t Is een rotzeil, dat zie ik van hier wel.”Hajo zuchtte verlicht op, oogde het schuitje na. „Ze gaan naar zee. ’t Zijn visschers, zie je wel?”„Nou, ik zal maar weer op hetzelfde plekkie ingooien!” zei Padde. „’t Is doodzonde van m’n tuk!”„Doe net, of je niet bent weggeloopen!” raadde Harmen. Hij stak zijn vuurtje weer aan, en Hajo en Padde vischten. Ze hadden nu een gunstig plaatsje gevonden, bij den ingang van de kreek. De eene visch na den anderen liet zich door een „fijne” blauwkop verleiden, en er waren kerels bij van wel een voet lengte, die de jongens slechts met veel overleg aan wal kregen.Toen de schemering inviel, hadden ze voor langen tijd proviand: meer dan honderd kokosnoten, stevig aaneengebonden in partijtjes van twaalf stuks, en ruim zestig ferme visschen. Er waren kokers voor het drinkwater, stapels rotan en bamboe voor de versterking van het vlot en voor „het want”.….En nu maakten de jongens zich op om het vlot hier naar de kreek te brengen. Ze namen de bamboekokers mee om ze hoogerop met zoet water te vullen, en in optocht ging het langs het pad, dat ze zich dien morgen hadden gebaand, weer naar het vlot. In een ommezien waren de takken opgeruimd, en Harmen en Hajo stootten van wal. De lucht was vanavond[460]bewolkt,—dat kwam hun van pas! In het midden van de rivier vulden ze de bamboekokers met water; ze konden de zware dingen nauwelijks meer optillen. Een kwartier later koersten ze de kreek binnen.„Nou”, zei Harmen, „als jullie nou aan het vlot werken, ga ik even op m’n zeiltje uit.”„Zul je geen rare dingen doen?”„Dat kan ik niet beloven”, zei Harmen. „Maar als jullie me weer zien, heb ik een zeiltje bij me,—of ik zal pluimen krijgen en eieren leggen.”„Nou, kras dan maar op!” lachte Rolf.En Harmen kraste op.Zwaaiende jongen.[461]
[Inhoud]JOPPIE DOET EEN ONTDEKKINGHond aan het water.Toen Joppie den volgenden morgen een paar teugen van het frissche rivierwater naar binnen wilde slobberen, spuwde hij alles weer uit, duidelijk gebarend een innigen afkeer. „Wat zou hij hebben?” vroegen de jongens zich af. Maar Harmen vloog overeind, wierp zich op het dek van het vlot en stak de lippen in het water. „’t Isbrak!” De vreugde trilde door zijn schreeuw.De anderen snelden toe en dronken. En terwijl ze het slecht smakende water weer uitspuwden, keken ze elkaar stralend van blijdschap aan. „’t Isbrak, jongens! We zijn bij dezee!”—Hajo wierp het vlot al los, en Harmen pakte een boom om af te stooten, toen Rolf hen tegenhield. „Jongens, laten we niets hals over kop doen! We moeten eerst zelf weten wat we willen.”„Nou, dat weten we toch, pennelikker!” schold Harmen. „We willen naar zee!”„Zonder zeilen? Zonder proviand?”„Wat.….? Wou jij dan somsmet dit vlot in zeesteken??”„Dat wou ik. Ik maak me sterk, dat we, bij niet al te slecht weer, wel zee kunnen houden.”„Toe maar.….!” stamelde Harmen.—Maar het avontuur kittelde hem. Rolf was toch zoo’n pennelikker niet als hij gedacht had.„En als er nou storm komt?” vroeg Padde.[455]„Er komt geen storm”, zei Harmen opgewonden.„Zullen we dan maar dadelijk aan het werk gaan?” vroeg Hajo, wiens oogen straalden.„Laten we eerst eens gaan kijken hoe ver we nog van de zee zijn”, stelde Rolf voor. „Misschien vinden we ook nog wel een betere ligplaats voor het vlot: we liggen hier zoo in ’t zicht! Laten we er voorloopig maar vast wat takken op gooien!”Zoo deden de knapen, en toen het vlot goed aan het oog onttrokken was, kapten ze zich een weg langs den oever om aan zee te komen.„We moeten het vlot nog flink wat versterken en verhoogen!” zei Rolf. „Een mast is makkelijk te krijgen. Maar een zeil?”„Ik zal er een gappen!” beloofde Harmen. „Daar, in die kampong!”Hajo trok een bedenkelijk gezicht. „’t Is stelen, Harmen.”„Ja, ik steel ook niet graag, als de hond los is en de boer met een knuppel achter het huis staat”, zei Harmen. „Maar de prauwen liggen buiten het dorp, aan het water, en de zeilen hangen er los bij; ik heb ze maar mee te nemen.—Kijk eens, jongens! Is dit geen mooi plekkie voor het vlot?” De jongens stonden voor een aardig kreekje. Rondom groeide bamboe,—dat trof dus ook mooi.„Zoodra het donker is, brengen we het vlot hier!” zei Rolf. „Dit gedeelte van de rivier zal te druk bevaren worden om het er bij klaarlichten dag op te kunnen wagen.”„Luister eens!” zei Hajo eensklaps. „Ik hoor.…. dezee!”Toen baanden allen zich als dollen een weg tusschen het dichte gewas, schramden zich, dat het bloed hun op de huid parelde, stonden eensklaps hijgend stil en staarden.….Daar lag wijd en blauw de oceaan! Diep ademend snoven ze den frisschen, zouten wind in; bedwelmend werkte op hen de zoetruischende muziek der blinkende, schuimende branding.Zie, hoe de golven kwamen aanrollen! Ze braken in scherven, maar vloeiden weer terug in de armen der zee, die nieuwe krachten schonk. En bruischend, stoeiend rolden ze weer achter hun makkers aan, voerden bonte steentjes en schelpen mee en legden ze als een offer op het blanke zand.Lang stonden de jongens stil en lieten ontroerd hun blik[456]weiden over hun grooten, vertrouwden vriend. Hij zou hen op zijn sterke armen veilig dragen. Hij zou hen naar Bantem en dan weer naar Holland voeren.….—Ze liepen de branding in, zuchtten van diepgevoeld geluk. Hoe vrij voelden ze zich weer met de wijde zee voor zich!„We zijn hier in een baai”, stelde Rolf vast. „Zoover je zien kunt, loopt het strand in een boog. En dat kan ook heel goed: aan den Zuidkant van Sumatra liggen twee groote baaien.”„En wanneer zouden we in Bantem kunnen zijn?” vroeg Hajo, Rolf in spanning aanziend.„Als we de wind mee hebben.…. misschien in een week.”De jongens moesten het even verwerken. In een week.….! In een week zouden ze Bontekoe misschien de hand weer drukken?! Dat Bontekoe met z’nzestigwakkere mannen allang in Bantem was aangekomen, stond wel voor hen vast. „Maar.…. dan mogen we toch wel voor twee weken proviand mee nemen, Rolf!”„We zullen meenemen wat we maar machtig worden. Kijk eens om: kokosboomen bij de vleet. Kom, jongens, aan het werk! We hebben den heelen dag nog voor ons!”„Ik ga visschen!” beloofde Padde.„Leg een paar zethaken uit”, raadde Harmen. „Dan vang je nog paling ook!”„Ik weet nog beter”, zei Padde. „Ik loop de holletjes aan de kant eens af. Daar zitten ze. Als je je handen er maar van beide kanten insteekt: dan kunnen ze hem niet smeren.”„’t Is anders zoo dom niet, ook een paar zethaken uit te leggen”, meende Rolf.„Dat is zeker zoo dom nog niet!” beaamde Harmen. „Maar als je tegen Padde: erwtesoep zegt, dan zeit Padde: rooie kool, En zeg je: rooie kool, dan zegt Padde: boonen met spek.”Hajo was een kokosboom ingeklauterd en begon noten los te draaien.„We zullen onze opslagplaats maken bij het kreekje!” zei Rolf. „Hajo en ik zorgen voor noten. Padde gaat visschen, en jij, Harmen, zou hout kunnen kappen om het vlot te versterken,—dan schieten we flink op.”„Ja”, zei Harmen. „Ik zal dikke stelen uitzoeken! Zou[457]Hajo nog niet wat kunnen schieten? Dan hebben we nog wat anders dan visch en kokosnoten.”„Best”, zei Rolf. „Dan zorg ik wel alleen voor de noten.”Zoo scheidden de vrienden.Rolf klauterde den eenen boom na den anderen in, wierp de noten omlaag en liet ze voorloopig maar liggen. Tenslotte dwongen hitte en vermoeidheid hem, op te houden. Hij bond de noten bijeen en sleepte ze naar de kreek.Harmen wilde juist met hakken beginnen. „Ik heb drie zethaakjes uitgezet”, zei hij. „Vette pieren, dat hier in de grond zitten! Allemaal blauwkoppen en nooit van die gele, uitgerokken dooie dienders als bij ons achter de bleek, waar geen visch in bijt.”„Hak eens een jonge noot open?” vroeg Rolf. „Ik verga van dorst.”Harmen hakte met een fermen slag het bovenstuk van een bast af, zoodat Rolf met de vingers de weeke plek onder den steel kon induwen en de koele, flauw-zoete melk in zijn keel laten klokken.Harmen bediende zich zelf ook. „Lekker!” Hij smakte met de lippen, begon toen opeens te grinniken.„Wat heb je?” vroeg Rolf, al half vroolijk.„Daarstraks stond ik me hier ziek te lachen!” lichtte Harmen toe. „Padde was daarginds de holletjes aan ’t afzoeken. Hap! Had ie een krabbetje aan z’n vinger hangen! Hij wou niet schreeuwen, omdat ie bang was, dat ik er dan bij zou komen. Maar hij stond te dansen, en niet van plezier!”Samen gingen de jongens naar Padde, die geduldig zat te visschen. „Al wat gevangen, Padde?”„Al twee. Ze liggen daar in het gras.”„’t Is haast zonde van die mooie wurmen, als je er zulke pietertjes aan vangt”, zei Harmen. „Zoek liever eens in de holletjes, Padde, daar zitten groote.”„Och.….” meende Padde, „zoo krijg ik ze ook wel.”„Als je maar lang genoeg wacht”, zei Harmen. En, zich tot Rolf wendend: „Zouden er hier in het water krabbetjes zitten, Rolf?”Padde verschikte een eindje en schraapte zijn keel.[458]„Ja, ’k zou het anders niet vragen”, legde Harmen uit, „maar als Padde de holletjes nog wil afzoeken, moet ie wat oppassen met die mormels! Ze bijten gemeen!”Padde kleurde, keek grimmig naar zijn dobber.„Je hebt tuk!” zei Harmen.—Inderdaad: er zat leven in den dobber. Padde sloeg op; een vischje ter lengte van een vinger spartelde aan den haak. „Wallevisch!” stelde Harmen vast.„’k Wou, dat je nou maar ophoepelde!” schimpte Padde.„Geheel naar uwes bevelen”, verzekerde Harmen. En terwijl hij met Rolf weer terugslenterde, stond Padde verdrietig op en legde een eindje verder weer in.„’k Zal eerst maar van die dikke, gele stelen kappen”, zei Harmen. „Die zijn het beste.”„Ja, daarvan zullen we er ook een paar nemen om ze met water te vullen! Kom, ik ga maar weer eens een vrachtje noten halen.”Tegen middagtijd kwamen de jongens weer bijeen. Er lag al een geduchte stapel noten; Padde had acht groote en twaalf kleinere visschen gevangen, waarvan er een paar gebraden werden. Hajo kwam met twee duiven terug.„Dat zet geen zoden aan de dijk”, meende Harmen.„Dan kan je vanmiddag beter gaan visschen. En dan hangen we ze straks te drogen,—de jasjes open, dat de wind er in blaast.”Rolf stond op. „Snijden jullie nog wat rotan voor de masttouwen en zoo?”„Zekers, bootsman”, zei Harmen beleefd.En de arbeid werd voortgezet. Harmen zocht een mooie bamboe uit om dien als mast te gebruiken, hakte een gaffel en een boom voor het zeil, dat nog gekaapt moest worden.Toen ging hij de visschen schoonmaken, sneed ze open, spalkte er een stokje tusschen, hing ze zoo, „met open jasjes”, aan een lijntje op en legde daaronder een langwerpig vuurtje aan, zoodat de visch rondtolde in den rook.Toen kwam Hajo aanhollen. „Trap dat vuur uit! Vlug!”„Ja, goeie morrege!” zei Harmen.„Vlug, Harmen! Er komt een prauw aan! Zoometeen zien ze de rook!” En Hajo trapte het vuur uiteen, waarbij hij zich[459]leelijk de voeten brandde. „Heb je nu ooit, daar zit Padde nog te visschen!—Padde!”„Ssst! Ik heb tuk!” fluisterde Padde.Harmen snelde toe, pakte den ijverigen visscher in zijn nek en sleurde hem mee. Een prauw kwam den stroom afzakken. Het was een klein hulkje met een hoog, gelapt zeil er op. Voorin zat, met den rug naar den boeg, een Inlander een net te ontwarren; in het midden lag iemand van wien alleen de beenen te zien waren, hoog tegen den mast opgestrekt. De derde Maleier zat aan het roer half te knikkebollen.Een eentonig, neuriënd gezang steeg uit de prauw op.„Als we ze eens aan de wal lokten en ze dan het zeil afkaapten?” vroeg Harmen. „Wil ik eens fluiten?”„Harmen.….?!”„Nou, laat ik het maar niet doen ook”, zei Harmen. „’t Is een rotzeil, dat zie ik van hier wel.”Hajo zuchtte verlicht op, oogde het schuitje na. „Ze gaan naar zee. ’t Zijn visschers, zie je wel?”„Nou, ik zal maar weer op hetzelfde plekkie ingooien!” zei Padde. „’t Is doodzonde van m’n tuk!”„Doe net, of je niet bent weggeloopen!” raadde Harmen. Hij stak zijn vuurtje weer aan, en Hajo en Padde vischten. Ze hadden nu een gunstig plaatsje gevonden, bij den ingang van de kreek. De eene visch na den anderen liet zich door een „fijne” blauwkop verleiden, en er waren kerels bij van wel een voet lengte, die de jongens slechts met veel overleg aan wal kregen.Toen de schemering inviel, hadden ze voor langen tijd proviand: meer dan honderd kokosnoten, stevig aaneengebonden in partijtjes van twaalf stuks, en ruim zestig ferme visschen. Er waren kokers voor het drinkwater, stapels rotan en bamboe voor de versterking van het vlot en voor „het want”.….En nu maakten de jongens zich op om het vlot hier naar de kreek te brengen. Ze namen de bamboekokers mee om ze hoogerop met zoet water te vullen, en in optocht ging het langs het pad, dat ze zich dien morgen hadden gebaand, weer naar het vlot. In een ommezien waren de takken opgeruimd, en Harmen en Hajo stootten van wal. De lucht was vanavond[460]bewolkt,—dat kwam hun van pas! In het midden van de rivier vulden ze de bamboekokers met water; ze konden de zware dingen nauwelijks meer optillen. Een kwartier later koersten ze de kreek binnen.„Nou”, zei Harmen, „als jullie nou aan het vlot werken, ga ik even op m’n zeiltje uit.”„Zul je geen rare dingen doen?”„Dat kan ik niet beloven”, zei Harmen. „Maar als jullie me weer zien, heb ik een zeiltje bij me,—of ik zal pluimen krijgen en eieren leggen.”„Nou, kras dan maar op!” lachte Rolf.En Harmen kraste op.Zwaaiende jongen.[461]
JOPPIE DOET EEN ONTDEKKING
Hond aan het water.Toen Joppie den volgenden morgen een paar teugen van het frissche rivierwater naar binnen wilde slobberen, spuwde hij alles weer uit, duidelijk gebarend een innigen afkeer. „Wat zou hij hebben?” vroegen de jongens zich af. Maar Harmen vloog overeind, wierp zich op het dek van het vlot en stak de lippen in het water. „’t Isbrak!” De vreugde trilde door zijn schreeuw.De anderen snelden toe en dronken. En terwijl ze het slecht smakende water weer uitspuwden, keken ze elkaar stralend van blijdschap aan. „’t Isbrak, jongens! We zijn bij dezee!”—Hajo wierp het vlot al los, en Harmen pakte een boom om af te stooten, toen Rolf hen tegenhield. „Jongens, laten we niets hals over kop doen! We moeten eerst zelf weten wat we willen.”„Nou, dat weten we toch, pennelikker!” schold Harmen. „We willen naar zee!”„Zonder zeilen? Zonder proviand?”„Wat.….? Wou jij dan somsmet dit vlot in zeesteken??”„Dat wou ik. Ik maak me sterk, dat we, bij niet al te slecht weer, wel zee kunnen houden.”„Toe maar.….!” stamelde Harmen.—Maar het avontuur kittelde hem. Rolf was toch zoo’n pennelikker niet als hij gedacht had.„En als er nou storm komt?” vroeg Padde.[455]„Er komt geen storm”, zei Harmen opgewonden.„Zullen we dan maar dadelijk aan het werk gaan?” vroeg Hajo, wiens oogen straalden.„Laten we eerst eens gaan kijken hoe ver we nog van de zee zijn”, stelde Rolf voor. „Misschien vinden we ook nog wel een betere ligplaats voor het vlot: we liggen hier zoo in ’t zicht! Laten we er voorloopig maar vast wat takken op gooien!”Zoo deden de knapen, en toen het vlot goed aan het oog onttrokken was, kapten ze zich een weg langs den oever om aan zee te komen.„We moeten het vlot nog flink wat versterken en verhoogen!” zei Rolf. „Een mast is makkelijk te krijgen. Maar een zeil?”„Ik zal er een gappen!” beloofde Harmen. „Daar, in die kampong!”Hajo trok een bedenkelijk gezicht. „’t Is stelen, Harmen.”„Ja, ik steel ook niet graag, als de hond los is en de boer met een knuppel achter het huis staat”, zei Harmen. „Maar de prauwen liggen buiten het dorp, aan het water, en de zeilen hangen er los bij; ik heb ze maar mee te nemen.—Kijk eens, jongens! Is dit geen mooi plekkie voor het vlot?” De jongens stonden voor een aardig kreekje. Rondom groeide bamboe,—dat trof dus ook mooi.„Zoodra het donker is, brengen we het vlot hier!” zei Rolf. „Dit gedeelte van de rivier zal te druk bevaren worden om het er bij klaarlichten dag op te kunnen wagen.”„Luister eens!” zei Hajo eensklaps. „Ik hoor.…. dezee!”Toen baanden allen zich als dollen een weg tusschen het dichte gewas, schramden zich, dat het bloed hun op de huid parelde, stonden eensklaps hijgend stil en staarden.….Daar lag wijd en blauw de oceaan! Diep ademend snoven ze den frisschen, zouten wind in; bedwelmend werkte op hen de zoetruischende muziek der blinkende, schuimende branding.Zie, hoe de golven kwamen aanrollen! Ze braken in scherven, maar vloeiden weer terug in de armen der zee, die nieuwe krachten schonk. En bruischend, stoeiend rolden ze weer achter hun makkers aan, voerden bonte steentjes en schelpen mee en legden ze als een offer op het blanke zand.Lang stonden de jongens stil en lieten ontroerd hun blik[456]weiden over hun grooten, vertrouwden vriend. Hij zou hen op zijn sterke armen veilig dragen. Hij zou hen naar Bantem en dan weer naar Holland voeren.….—Ze liepen de branding in, zuchtten van diepgevoeld geluk. Hoe vrij voelden ze zich weer met de wijde zee voor zich!„We zijn hier in een baai”, stelde Rolf vast. „Zoover je zien kunt, loopt het strand in een boog. En dat kan ook heel goed: aan den Zuidkant van Sumatra liggen twee groote baaien.”„En wanneer zouden we in Bantem kunnen zijn?” vroeg Hajo, Rolf in spanning aanziend.„Als we de wind mee hebben.…. misschien in een week.”De jongens moesten het even verwerken. In een week.….! In een week zouden ze Bontekoe misschien de hand weer drukken?! Dat Bontekoe met z’nzestigwakkere mannen allang in Bantem was aangekomen, stond wel voor hen vast. „Maar.…. dan mogen we toch wel voor twee weken proviand mee nemen, Rolf!”„We zullen meenemen wat we maar machtig worden. Kijk eens om: kokosboomen bij de vleet. Kom, jongens, aan het werk! We hebben den heelen dag nog voor ons!”„Ik ga visschen!” beloofde Padde.„Leg een paar zethaken uit”, raadde Harmen. „Dan vang je nog paling ook!”„Ik weet nog beter”, zei Padde. „Ik loop de holletjes aan de kant eens af. Daar zitten ze. Als je je handen er maar van beide kanten insteekt: dan kunnen ze hem niet smeren.”„’t Is anders zoo dom niet, ook een paar zethaken uit te leggen”, meende Rolf.„Dat is zeker zoo dom nog niet!” beaamde Harmen. „Maar als je tegen Padde: erwtesoep zegt, dan zeit Padde: rooie kool, En zeg je: rooie kool, dan zegt Padde: boonen met spek.”Hajo was een kokosboom ingeklauterd en begon noten los te draaien.„We zullen onze opslagplaats maken bij het kreekje!” zei Rolf. „Hajo en ik zorgen voor noten. Padde gaat visschen, en jij, Harmen, zou hout kunnen kappen om het vlot te versterken,—dan schieten we flink op.”„Ja”, zei Harmen. „Ik zal dikke stelen uitzoeken! Zou[457]Hajo nog niet wat kunnen schieten? Dan hebben we nog wat anders dan visch en kokosnoten.”„Best”, zei Rolf. „Dan zorg ik wel alleen voor de noten.”Zoo scheidden de vrienden.Rolf klauterde den eenen boom na den anderen in, wierp de noten omlaag en liet ze voorloopig maar liggen. Tenslotte dwongen hitte en vermoeidheid hem, op te houden. Hij bond de noten bijeen en sleepte ze naar de kreek.Harmen wilde juist met hakken beginnen. „Ik heb drie zethaakjes uitgezet”, zei hij. „Vette pieren, dat hier in de grond zitten! Allemaal blauwkoppen en nooit van die gele, uitgerokken dooie dienders als bij ons achter de bleek, waar geen visch in bijt.”„Hak eens een jonge noot open?” vroeg Rolf. „Ik verga van dorst.”Harmen hakte met een fermen slag het bovenstuk van een bast af, zoodat Rolf met de vingers de weeke plek onder den steel kon induwen en de koele, flauw-zoete melk in zijn keel laten klokken.Harmen bediende zich zelf ook. „Lekker!” Hij smakte met de lippen, begon toen opeens te grinniken.„Wat heb je?” vroeg Rolf, al half vroolijk.„Daarstraks stond ik me hier ziek te lachen!” lichtte Harmen toe. „Padde was daarginds de holletjes aan ’t afzoeken. Hap! Had ie een krabbetje aan z’n vinger hangen! Hij wou niet schreeuwen, omdat ie bang was, dat ik er dan bij zou komen. Maar hij stond te dansen, en niet van plezier!”Samen gingen de jongens naar Padde, die geduldig zat te visschen. „Al wat gevangen, Padde?”„Al twee. Ze liggen daar in het gras.”„’t Is haast zonde van die mooie wurmen, als je er zulke pietertjes aan vangt”, zei Harmen. „Zoek liever eens in de holletjes, Padde, daar zitten groote.”„Och.….” meende Padde, „zoo krijg ik ze ook wel.”„Als je maar lang genoeg wacht”, zei Harmen. En, zich tot Rolf wendend: „Zouden er hier in het water krabbetjes zitten, Rolf?”Padde verschikte een eindje en schraapte zijn keel.[458]„Ja, ’k zou het anders niet vragen”, legde Harmen uit, „maar als Padde de holletjes nog wil afzoeken, moet ie wat oppassen met die mormels! Ze bijten gemeen!”Padde kleurde, keek grimmig naar zijn dobber.„Je hebt tuk!” zei Harmen.—Inderdaad: er zat leven in den dobber. Padde sloeg op; een vischje ter lengte van een vinger spartelde aan den haak. „Wallevisch!” stelde Harmen vast.„’k Wou, dat je nou maar ophoepelde!” schimpte Padde.„Geheel naar uwes bevelen”, verzekerde Harmen. En terwijl hij met Rolf weer terugslenterde, stond Padde verdrietig op en legde een eindje verder weer in.„’k Zal eerst maar van die dikke, gele stelen kappen”, zei Harmen. „Die zijn het beste.”„Ja, daarvan zullen we er ook een paar nemen om ze met water te vullen! Kom, ik ga maar weer eens een vrachtje noten halen.”Tegen middagtijd kwamen de jongens weer bijeen. Er lag al een geduchte stapel noten; Padde had acht groote en twaalf kleinere visschen gevangen, waarvan er een paar gebraden werden. Hajo kwam met twee duiven terug.„Dat zet geen zoden aan de dijk”, meende Harmen.„Dan kan je vanmiddag beter gaan visschen. En dan hangen we ze straks te drogen,—de jasjes open, dat de wind er in blaast.”Rolf stond op. „Snijden jullie nog wat rotan voor de masttouwen en zoo?”„Zekers, bootsman”, zei Harmen beleefd.En de arbeid werd voortgezet. Harmen zocht een mooie bamboe uit om dien als mast te gebruiken, hakte een gaffel en een boom voor het zeil, dat nog gekaapt moest worden.Toen ging hij de visschen schoonmaken, sneed ze open, spalkte er een stokje tusschen, hing ze zoo, „met open jasjes”, aan een lijntje op en legde daaronder een langwerpig vuurtje aan, zoodat de visch rondtolde in den rook.Toen kwam Hajo aanhollen. „Trap dat vuur uit! Vlug!”„Ja, goeie morrege!” zei Harmen.„Vlug, Harmen! Er komt een prauw aan! Zoometeen zien ze de rook!” En Hajo trapte het vuur uiteen, waarbij hij zich[459]leelijk de voeten brandde. „Heb je nu ooit, daar zit Padde nog te visschen!—Padde!”„Ssst! Ik heb tuk!” fluisterde Padde.Harmen snelde toe, pakte den ijverigen visscher in zijn nek en sleurde hem mee. Een prauw kwam den stroom afzakken. Het was een klein hulkje met een hoog, gelapt zeil er op. Voorin zat, met den rug naar den boeg, een Inlander een net te ontwarren; in het midden lag iemand van wien alleen de beenen te zien waren, hoog tegen den mast opgestrekt. De derde Maleier zat aan het roer half te knikkebollen.Een eentonig, neuriënd gezang steeg uit de prauw op.„Als we ze eens aan de wal lokten en ze dan het zeil afkaapten?” vroeg Harmen. „Wil ik eens fluiten?”„Harmen.….?!”„Nou, laat ik het maar niet doen ook”, zei Harmen. „’t Is een rotzeil, dat zie ik van hier wel.”Hajo zuchtte verlicht op, oogde het schuitje na. „Ze gaan naar zee. ’t Zijn visschers, zie je wel?”„Nou, ik zal maar weer op hetzelfde plekkie ingooien!” zei Padde. „’t Is doodzonde van m’n tuk!”„Doe net, of je niet bent weggeloopen!” raadde Harmen. Hij stak zijn vuurtje weer aan, en Hajo en Padde vischten. Ze hadden nu een gunstig plaatsje gevonden, bij den ingang van de kreek. De eene visch na den anderen liet zich door een „fijne” blauwkop verleiden, en er waren kerels bij van wel een voet lengte, die de jongens slechts met veel overleg aan wal kregen.Toen de schemering inviel, hadden ze voor langen tijd proviand: meer dan honderd kokosnoten, stevig aaneengebonden in partijtjes van twaalf stuks, en ruim zestig ferme visschen. Er waren kokers voor het drinkwater, stapels rotan en bamboe voor de versterking van het vlot en voor „het want”.….En nu maakten de jongens zich op om het vlot hier naar de kreek te brengen. Ze namen de bamboekokers mee om ze hoogerop met zoet water te vullen, en in optocht ging het langs het pad, dat ze zich dien morgen hadden gebaand, weer naar het vlot. In een ommezien waren de takken opgeruimd, en Harmen en Hajo stootten van wal. De lucht was vanavond[460]bewolkt,—dat kwam hun van pas! In het midden van de rivier vulden ze de bamboekokers met water; ze konden de zware dingen nauwelijks meer optillen. Een kwartier later koersten ze de kreek binnen.„Nou”, zei Harmen, „als jullie nou aan het vlot werken, ga ik even op m’n zeiltje uit.”„Zul je geen rare dingen doen?”„Dat kan ik niet beloven”, zei Harmen. „Maar als jullie me weer zien, heb ik een zeiltje bij me,—of ik zal pluimen krijgen en eieren leggen.”„Nou, kras dan maar op!” lachte Rolf.En Harmen kraste op.Zwaaiende jongen.[461]
Hond aan het water.
Toen Joppie den volgenden morgen een paar teugen van het frissche rivierwater naar binnen wilde slobberen, spuwde hij alles weer uit, duidelijk gebarend een innigen afkeer. „Wat zou hij hebben?” vroegen de jongens zich af. Maar Harmen vloog overeind, wierp zich op het dek van het vlot en stak de lippen in het water. „’t Isbrak!” De vreugde trilde door zijn schreeuw.
De anderen snelden toe en dronken. En terwijl ze het slecht smakende water weer uitspuwden, keken ze elkaar stralend van blijdschap aan. „’t Isbrak, jongens! We zijn bij dezee!”—Hajo wierp het vlot al los, en Harmen pakte een boom om af te stooten, toen Rolf hen tegenhield. „Jongens, laten we niets hals over kop doen! We moeten eerst zelf weten wat we willen.”
„Nou, dat weten we toch, pennelikker!” schold Harmen. „We willen naar zee!”
„Zonder zeilen? Zonder proviand?”
„Wat.….? Wou jij dan somsmet dit vlot in zeesteken??”
„Dat wou ik. Ik maak me sterk, dat we, bij niet al te slecht weer, wel zee kunnen houden.”
„Toe maar.….!” stamelde Harmen.—Maar het avontuur kittelde hem. Rolf was toch zoo’n pennelikker niet als hij gedacht had.
„En als er nou storm komt?” vroeg Padde.[455]
„Er komt geen storm”, zei Harmen opgewonden.
„Zullen we dan maar dadelijk aan het werk gaan?” vroeg Hajo, wiens oogen straalden.
„Laten we eerst eens gaan kijken hoe ver we nog van de zee zijn”, stelde Rolf voor. „Misschien vinden we ook nog wel een betere ligplaats voor het vlot: we liggen hier zoo in ’t zicht! Laten we er voorloopig maar vast wat takken op gooien!”
Zoo deden de knapen, en toen het vlot goed aan het oog onttrokken was, kapten ze zich een weg langs den oever om aan zee te komen.
„We moeten het vlot nog flink wat versterken en verhoogen!” zei Rolf. „Een mast is makkelijk te krijgen. Maar een zeil?”
„Ik zal er een gappen!” beloofde Harmen. „Daar, in die kampong!”
Hajo trok een bedenkelijk gezicht. „’t Is stelen, Harmen.”
„Ja, ik steel ook niet graag, als de hond los is en de boer met een knuppel achter het huis staat”, zei Harmen. „Maar de prauwen liggen buiten het dorp, aan het water, en de zeilen hangen er los bij; ik heb ze maar mee te nemen.—Kijk eens, jongens! Is dit geen mooi plekkie voor het vlot?” De jongens stonden voor een aardig kreekje. Rondom groeide bamboe,—dat trof dus ook mooi.
„Zoodra het donker is, brengen we het vlot hier!” zei Rolf. „Dit gedeelte van de rivier zal te druk bevaren worden om het er bij klaarlichten dag op te kunnen wagen.”
„Luister eens!” zei Hajo eensklaps. „Ik hoor.…. dezee!”
Toen baanden allen zich als dollen een weg tusschen het dichte gewas, schramden zich, dat het bloed hun op de huid parelde, stonden eensklaps hijgend stil en staarden.….
Daar lag wijd en blauw de oceaan! Diep ademend snoven ze den frisschen, zouten wind in; bedwelmend werkte op hen de zoetruischende muziek der blinkende, schuimende branding.
Zie, hoe de golven kwamen aanrollen! Ze braken in scherven, maar vloeiden weer terug in de armen der zee, die nieuwe krachten schonk. En bruischend, stoeiend rolden ze weer achter hun makkers aan, voerden bonte steentjes en schelpen mee en legden ze als een offer op het blanke zand.
Lang stonden de jongens stil en lieten ontroerd hun blik[456]weiden over hun grooten, vertrouwden vriend. Hij zou hen op zijn sterke armen veilig dragen. Hij zou hen naar Bantem en dan weer naar Holland voeren.….—Ze liepen de branding in, zuchtten van diepgevoeld geluk. Hoe vrij voelden ze zich weer met de wijde zee voor zich!
„We zijn hier in een baai”, stelde Rolf vast. „Zoover je zien kunt, loopt het strand in een boog. En dat kan ook heel goed: aan den Zuidkant van Sumatra liggen twee groote baaien.”
„En wanneer zouden we in Bantem kunnen zijn?” vroeg Hajo, Rolf in spanning aanziend.
„Als we de wind mee hebben.…. misschien in een week.”
De jongens moesten het even verwerken. In een week.….! In een week zouden ze Bontekoe misschien de hand weer drukken?! Dat Bontekoe met z’nzestigwakkere mannen allang in Bantem was aangekomen, stond wel voor hen vast. „Maar.…. dan mogen we toch wel voor twee weken proviand mee nemen, Rolf!”
„We zullen meenemen wat we maar machtig worden. Kijk eens om: kokosboomen bij de vleet. Kom, jongens, aan het werk! We hebben den heelen dag nog voor ons!”
„Ik ga visschen!” beloofde Padde.
„Leg een paar zethaken uit”, raadde Harmen. „Dan vang je nog paling ook!”
„Ik weet nog beter”, zei Padde. „Ik loop de holletjes aan de kant eens af. Daar zitten ze. Als je je handen er maar van beide kanten insteekt: dan kunnen ze hem niet smeren.”
„’t Is anders zoo dom niet, ook een paar zethaken uit te leggen”, meende Rolf.
„Dat is zeker zoo dom nog niet!” beaamde Harmen. „Maar als je tegen Padde: erwtesoep zegt, dan zeit Padde: rooie kool, En zeg je: rooie kool, dan zegt Padde: boonen met spek.”
Hajo was een kokosboom ingeklauterd en begon noten los te draaien.
„We zullen onze opslagplaats maken bij het kreekje!” zei Rolf. „Hajo en ik zorgen voor noten. Padde gaat visschen, en jij, Harmen, zou hout kunnen kappen om het vlot te versterken,—dan schieten we flink op.”
„Ja”, zei Harmen. „Ik zal dikke stelen uitzoeken! Zou[457]Hajo nog niet wat kunnen schieten? Dan hebben we nog wat anders dan visch en kokosnoten.”
„Best”, zei Rolf. „Dan zorg ik wel alleen voor de noten.”
Zoo scheidden de vrienden.
Rolf klauterde den eenen boom na den anderen in, wierp de noten omlaag en liet ze voorloopig maar liggen. Tenslotte dwongen hitte en vermoeidheid hem, op te houden. Hij bond de noten bijeen en sleepte ze naar de kreek.
Harmen wilde juist met hakken beginnen. „Ik heb drie zethaakjes uitgezet”, zei hij. „Vette pieren, dat hier in de grond zitten! Allemaal blauwkoppen en nooit van die gele, uitgerokken dooie dienders als bij ons achter de bleek, waar geen visch in bijt.”
„Hak eens een jonge noot open?” vroeg Rolf. „Ik verga van dorst.”
Harmen hakte met een fermen slag het bovenstuk van een bast af, zoodat Rolf met de vingers de weeke plek onder den steel kon induwen en de koele, flauw-zoete melk in zijn keel laten klokken.
Harmen bediende zich zelf ook. „Lekker!” Hij smakte met de lippen, begon toen opeens te grinniken.
„Wat heb je?” vroeg Rolf, al half vroolijk.
„Daarstraks stond ik me hier ziek te lachen!” lichtte Harmen toe. „Padde was daarginds de holletjes aan ’t afzoeken. Hap! Had ie een krabbetje aan z’n vinger hangen! Hij wou niet schreeuwen, omdat ie bang was, dat ik er dan bij zou komen. Maar hij stond te dansen, en niet van plezier!”
Samen gingen de jongens naar Padde, die geduldig zat te visschen. „Al wat gevangen, Padde?”
„Al twee. Ze liggen daar in het gras.”
„’t Is haast zonde van die mooie wurmen, als je er zulke pietertjes aan vangt”, zei Harmen. „Zoek liever eens in de holletjes, Padde, daar zitten groote.”
„Och.….” meende Padde, „zoo krijg ik ze ook wel.”
„Als je maar lang genoeg wacht”, zei Harmen. En, zich tot Rolf wendend: „Zouden er hier in het water krabbetjes zitten, Rolf?”
Padde verschikte een eindje en schraapte zijn keel.[458]
„Ja, ’k zou het anders niet vragen”, legde Harmen uit, „maar als Padde de holletjes nog wil afzoeken, moet ie wat oppassen met die mormels! Ze bijten gemeen!”
Padde kleurde, keek grimmig naar zijn dobber.
„Je hebt tuk!” zei Harmen.—Inderdaad: er zat leven in den dobber. Padde sloeg op; een vischje ter lengte van een vinger spartelde aan den haak. „Wallevisch!” stelde Harmen vast.
„’k Wou, dat je nou maar ophoepelde!” schimpte Padde.
„Geheel naar uwes bevelen”, verzekerde Harmen. En terwijl hij met Rolf weer terugslenterde, stond Padde verdrietig op en legde een eindje verder weer in.
„’k Zal eerst maar van die dikke, gele stelen kappen”, zei Harmen. „Die zijn het beste.”
„Ja, daarvan zullen we er ook een paar nemen om ze met water te vullen! Kom, ik ga maar weer eens een vrachtje noten halen.”
Tegen middagtijd kwamen de jongens weer bijeen. Er lag al een geduchte stapel noten; Padde had acht groote en twaalf kleinere visschen gevangen, waarvan er een paar gebraden werden. Hajo kwam met twee duiven terug.
„Dat zet geen zoden aan de dijk”, meende Harmen.„Dan kan je vanmiddag beter gaan visschen. En dan hangen we ze straks te drogen,—de jasjes open, dat de wind er in blaast.”
Rolf stond op. „Snijden jullie nog wat rotan voor de masttouwen en zoo?”
„Zekers, bootsman”, zei Harmen beleefd.
En de arbeid werd voortgezet. Harmen zocht een mooie bamboe uit om dien als mast te gebruiken, hakte een gaffel en een boom voor het zeil, dat nog gekaapt moest worden.
Toen ging hij de visschen schoonmaken, sneed ze open, spalkte er een stokje tusschen, hing ze zoo, „met open jasjes”, aan een lijntje op en legde daaronder een langwerpig vuurtje aan, zoodat de visch rondtolde in den rook.
Toen kwam Hajo aanhollen. „Trap dat vuur uit! Vlug!”
„Ja, goeie morrege!” zei Harmen.
„Vlug, Harmen! Er komt een prauw aan! Zoometeen zien ze de rook!” En Hajo trapte het vuur uiteen, waarbij hij zich[459]leelijk de voeten brandde. „Heb je nu ooit, daar zit Padde nog te visschen!—Padde!”
„Ssst! Ik heb tuk!” fluisterde Padde.
Harmen snelde toe, pakte den ijverigen visscher in zijn nek en sleurde hem mee. Een prauw kwam den stroom afzakken. Het was een klein hulkje met een hoog, gelapt zeil er op. Voorin zat, met den rug naar den boeg, een Inlander een net te ontwarren; in het midden lag iemand van wien alleen de beenen te zien waren, hoog tegen den mast opgestrekt. De derde Maleier zat aan het roer half te knikkebollen.
Een eentonig, neuriënd gezang steeg uit de prauw op.
„Als we ze eens aan de wal lokten en ze dan het zeil afkaapten?” vroeg Harmen. „Wil ik eens fluiten?”
„Harmen.….?!”
„Nou, laat ik het maar niet doen ook”, zei Harmen. „’t Is een rotzeil, dat zie ik van hier wel.”
Hajo zuchtte verlicht op, oogde het schuitje na. „Ze gaan naar zee. ’t Zijn visschers, zie je wel?”
„Nou, ik zal maar weer op hetzelfde plekkie ingooien!” zei Padde. „’t Is doodzonde van m’n tuk!”
„Doe net, of je niet bent weggeloopen!” raadde Harmen. Hij stak zijn vuurtje weer aan, en Hajo en Padde vischten. Ze hadden nu een gunstig plaatsje gevonden, bij den ingang van de kreek. De eene visch na den anderen liet zich door een „fijne” blauwkop verleiden, en er waren kerels bij van wel een voet lengte, die de jongens slechts met veel overleg aan wal kregen.
Toen de schemering inviel, hadden ze voor langen tijd proviand: meer dan honderd kokosnoten, stevig aaneengebonden in partijtjes van twaalf stuks, en ruim zestig ferme visschen. Er waren kokers voor het drinkwater, stapels rotan en bamboe voor de versterking van het vlot en voor „het want”.….
En nu maakten de jongens zich op om het vlot hier naar de kreek te brengen. Ze namen de bamboekokers mee om ze hoogerop met zoet water te vullen, en in optocht ging het langs het pad, dat ze zich dien morgen hadden gebaand, weer naar het vlot. In een ommezien waren de takken opgeruimd, en Harmen en Hajo stootten van wal. De lucht was vanavond[460]bewolkt,—dat kwam hun van pas! In het midden van de rivier vulden ze de bamboekokers met water; ze konden de zware dingen nauwelijks meer optillen. Een kwartier later koersten ze de kreek binnen.
„Nou”, zei Harmen, „als jullie nou aan het vlot werken, ga ik even op m’n zeiltje uit.”
„Zul je geen rare dingen doen?”
„Dat kan ik niet beloven”, zei Harmen. „Maar als jullie me weer zien, heb ik een zeiltje bij me,—of ik zal pluimen krijgen en eieren leggen.”
„Nou, kras dan maar op!” lachte Rolf.
En Harmen kraste op.
Zwaaiende jongen.
[461]