[Inhoud]DEN DANS ONTSPRONGENAap op tak.Al vroeg in den volgenden ochtend werden de zwervers wakker door het verwoed gekrijsch van een paar dozijn kleine apen, die den rotswand aan de overzijde op en af snelden, met handen en voeten zich klemmend aan de steenpunten. Ook in de boomen daarboven krioelde het. Onze vrienden schenen midden in een apenkolonie te zijn verzeild.De zon was er nog niet. Tegen den licht-grauwen hemel gloeiden een paar roodgrijze wolkjes. In het Zuiden trokken kalongs voorbij in de richting van de kust. Traag, nog trager dan ’s avonds, wanneer ze op plundertocht uitgaan, vlogen de reusachtige vleermuizen, nu verzadigd, achter elkaar aan naar hun dag-slaapplaatsen terug. De vlucht verbreedde zich: nu streken er ook recht over de hoofden der knapen heen. Maar eindelijk sloten ze minder dicht aaneen. Nog een paar achtergebleven schrok-ops, die van de vruchten niet konden scheiden!—voorbij was de stoet.Nu kwamen van het Westen, in tegenovergestelde richting, zwarte wolken aandrijven. Onheilspellend doemden ze achter den rotswand aan de overzijde op, maar, recht boven de kloof gekomen, gingen de koppen gloeien, en het was, als aarzelden ze verder te gaan. Van achteren echter stuwden de anderen op, en zoo schoof allengs een zware, zwarte wand over de kloof, die nu iets van een langen, griezeligen grafkelder kreeg.De jongens lagen achterover op hun bed van varens en staarden half wakker naar boven. Alles was duister en geheimzinnig: die zwarte lijkdoek hoog boven de kloof, de grijze rotswand voor hen, waartegen nu en dan een licht buikje van een aap[416]glansde, die donkere boomen daar heel in de hoogte.…. Het schuimende water schitterde hel op uit al die donkerte, en het geruisch scheen sterker te worden, naarmate de druk in de natuur de andere geluiden verstommen deed. De aapjes krijschten nu niet meer, sprongen zwijgend, haastig op en neer, soms vanaf een rotspunt als boosaardige duiveltjes de jongens aanloerend met vinnige oogen, of den bek opensperrend, dat de hoektanden geheel bloot kwamen.Geheel onverwachts, alsof er plots een reusachtigedievenlantarengeopend werd, sloeg een valsch goud licht van onderen tegen de zwarte wolken op. En het werd nog stiller. Het ruischen van het water kreeg zoo’n macht over de jongens, dat het hun toescheen, of ze nooit iets anders gehoord hadden en zij ook nooit meer iets anders hooren zouden; in den ban daarvan lagen ze futloos neer, en hun gedachten konden zich niet boven het ruischen uitwerken.Maar daar begon het uit den hemel te lekken. Warme regendroppels vielen hun op het lichaam en wekten hen uit hun versuft luisteren. Terwijl het apenvolkje met haastige sprongen naar hun nesten hoog in de boomen vluchtte, richtte Rolf zich eensklaps op en keek den anderen verschrikt aan. „Jongens! Het gaatregenen! En de rivier.…. zal volloopen!!”Harmen, Hajo en Joppie waren in één sprong overeind. Ze moesten hier weg, dat begrepen allen, en hals over kop werd alles bijeengepakt. De overgebleven varkensbout was spoorloos verdwenen,—Harmen vond nog juist even tijd den bijawak van den roof te verdenken en in het algemeen zijn meening over bijawaks uiteen te zetten. Toen werd Padde opgenomen, en voort ging het.….!„’t Zou niks lollig zijn als we verdronken!” meende Harmen. „Alle moeite en kosten voor niks geweest, hè?”Uit de vallende droppen werd een regen. Langs beide rotswanden vloeide het water omlaag.Na een half uur was het riviertje zooveel breeder geworden, dat het pad aan den kant onder water stond.Joppie plaste met groote sprongen door het water, dat hem al bijna tot aan de borst reikte. En plots dreef hij af, trachtte vergeefs tegen den snellen stroom in te zwemmen, werd meegesleurd[417]tot hij zich op een hoogen steen in veiligheid wist te brengen. Met verschrikte oogen, zacht jankend, wachtte hij de jongens op.„Als het water blijft stijgen, staat ons hetzelfde te wachten”, zei Rolf bezorgd.„Waren we maar nooit in die smerige kloof gegaan!” jammerde Padde. „Ik had al zoo iets gedacht!”De anderen luisterden niet naar Padde’s wijsheid achteraf. „Kom dan maar hier, mormel!” zei Harmen en nam Joppie onder den arm. „Jij bent ook een mensch!” Joppie begon Harmen’s gezicht met de tong schoon te wasschen,—waartegen Harmen zich niet anders dan door een reeks verwenschingen kon verweren, want hij had beide armen vol.Dolimah waadde zwijgend tusschen de anderen voort, nu en en dan angstig omziend.De hemel werd minder donker; de regen nam in hevigheid af. Maar het water steeg, steeg tergend zeker. Het reikte hun al boven de knieën, en Padde’s draagstoel dompelde telkens onder, wanneer Hajo of Rolf in een kuil trapte. Dan stak Padde vlug zijn hoofd op, om althans dat boven water te houden. Gewoonlijk deed hij het te laat.Het ging er om spannen! Nog altijd rezen de meedoogenlooze steenen wanden even steil en onbeklimbaar omhoog, en het water begon tot aan den buik te reiken, zoodat Padde rechtop moest gaan zitten.„’k Heb zoo’n honger.….” klaagde Harmen. Geen der anderen leed in deze hachelijke oogenblikken aan honger.Ze kwamen aan stroomversnellingen. Dat werd lastig.Onstuimigdanste het water tusschen de steenen voort. Terwijl ze voorzichtig trachtten, Padde over de gevaarlijke plaats heen te helpen, gleed Rolf uit; daardoor ontglipte de draagstoel aan Hajo’s vingers, en Padde ging samen met Rolf kopje-onder. Ze kwamen weer boven, tolden in het water voort. Rolf tornde tegen een grooten steen op, wist zich er op te werken en zag verward naar de anderen rond. Padde dreef door, ploeterend met armen en beenen.….!—Maar in hetzelfde oogen blik had Hajo zich voorover in het water geworpen en zwom nu achter Padde aan, met krachtige armslagen. Hij[418]won terrein, kreeg den spartelenden Padde bij zijn beenen te pakken, trok hem al zwemmende naar links, waar het water het ondiepst was, kwam daar overeind te staan en hielp Padde ook op de been. Hulpeloos en verschrikt, zich nog moeilijk staande houdend, klemde Padde zich aan zijn makker vast.„Pak ons maar bij den arm, Padde!” zei Rolf, die hijgend kwam aan waden. „Het loopt niet moeilijk met de stroom mee. De draagstoel is weggedreven.”De angst in het hart, vervolgden de jongens hun tocht, Padde strompelend en vallend, maar de anderen hielden hem stevig vast, al liepen ze zelf ook al met knikkende knieën.….Ze kwamen een bocht om, en Harmen stootte een kreet uit.…. de kloof sloot zich van boven; het water stroomde een donkere grot in. Wat te doen?! De jongens staakten ontzet hun loop. Nergens konden ze naar boven; er was maar één uitweg.…. „De grot in!” beval Rolf.„Ik durf niet.….!” snikte Padde.„Kom mee!” zei Rolf onverbiddelijk.En de jongens liepen de grot in. Dolimah aarzelde even; toen stuwde de stroom haar vanzelf de grot in. Ook Joppie in Harmen’s armen was benauwd.—„Ja, nou moet jij nog gaan gillen ook!” mopperde Harmen. „Dan ga je meteen overboord, begrepen?”Joppie begreep.De boven- en zijwanden van de grot waren glinsterend-zwart van het water, dat er langs neer vloeide, en hier en daar was de grot zoo laag, dat de jongens er slechts met gebukt hoofd konden loopen. Overigens scheen ze als vergaderzaal voor vleermuizen gebezigd te worden, die rumoerig piepten bij het onverwachte bezoek. Maar de jongens merkten ze nauwelijks op, schrikten hoogstens even, wanneer er hun een langs het gelaat fladderde. Voort! Gejaagd, nu en dan het hoofd stootend in de duisternis, strompelden ze door het water, den blik star vooruit, of nog geen lichtschemering het einde der grot zou aankondigen. Padde kon zich niet meer op den been houden, werd half gedragen. En Harmen was te bewonderen om den leeuwenmoed waarmee hij Joppie nog torste, die toch op den duur zeker geen vrachtje was waarmee[419]te spotten viel. Werd de kloof nog donkerder.….? Padde snikte, leunde zijn hoofd op Hajo’s schouder en verzette nauwelijks meer zijn beenen, toen.….!„Licht!” riep Hajo. „Het wordt weer licht!!”Dat staalde de spieren. Hijgend, met opgetrokken schouders, als drukte de duisternis op hen, ontvluchtten de jongens de griezelige, angstwekkende grot met haar muffe lucht en haar vleermuizen. Ja! daar was het einde! Daar was het daglicht weer, heerlijk daglicht!Ze kwamen de grot uitwaden, zagen om zich heen en haalden diep adem van verlichting. De rotswanden waren spoorloos verdwenen, als weggetooverd door een goede fee, en aan beide vlakke oevers stonden boomen. In een plotselinge opwelling, met een vreugdesnik, wierpen de jongens zich voorover, Rolf en Hajo met Padde aan de hand, en Harmen, die Joppie in zijn nekvel voor zich uit hield, en zwommen naar den wal.Ze kropen aan den oever, hielpen Dolimah op den kant. Toen liepen ze een eindje terug, wankelden tegen de helling der grot op, zochten een zacht plekje en ploften neer.„Hè, Joppie, morremel, zou je nou niet eens: dankje, Harmen zeggen?”Joppie lag met den kop op de voorpooten. Hij zuchtte diep, krabbelde naderbij en legde zich tegen Harmen’s dampende lichaam.Oververmoeid sliepen de jongens in.De regen plaste.Zeemeeuw.[420]
[Inhoud]DEN DANS ONTSPRONGENAap op tak.Al vroeg in den volgenden ochtend werden de zwervers wakker door het verwoed gekrijsch van een paar dozijn kleine apen, die den rotswand aan de overzijde op en af snelden, met handen en voeten zich klemmend aan de steenpunten. Ook in de boomen daarboven krioelde het. Onze vrienden schenen midden in een apenkolonie te zijn verzeild.De zon was er nog niet. Tegen den licht-grauwen hemel gloeiden een paar roodgrijze wolkjes. In het Zuiden trokken kalongs voorbij in de richting van de kust. Traag, nog trager dan ’s avonds, wanneer ze op plundertocht uitgaan, vlogen de reusachtige vleermuizen, nu verzadigd, achter elkaar aan naar hun dag-slaapplaatsen terug. De vlucht verbreedde zich: nu streken er ook recht over de hoofden der knapen heen. Maar eindelijk sloten ze minder dicht aaneen. Nog een paar achtergebleven schrok-ops, die van de vruchten niet konden scheiden!—voorbij was de stoet.Nu kwamen van het Westen, in tegenovergestelde richting, zwarte wolken aandrijven. Onheilspellend doemden ze achter den rotswand aan de overzijde op, maar, recht boven de kloof gekomen, gingen de koppen gloeien, en het was, als aarzelden ze verder te gaan. Van achteren echter stuwden de anderen op, en zoo schoof allengs een zware, zwarte wand over de kloof, die nu iets van een langen, griezeligen grafkelder kreeg.De jongens lagen achterover op hun bed van varens en staarden half wakker naar boven. Alles was duister en geheimzinnig: die zwarte lijkdoek hoog boven de kloof, de grijze rotswand voor hen, waartegen nu en dan een licht buikje van een aap[416]glansde, die donkere boomen daar heel in de hoogte.…. Het schuimende water schitterde hel op uit al die donkerte, en het geruisch scheen sterker te worden, naarmate de druk in de natuur de andere geluiden verstommen deed. De aapjes krijschten nu niet meer, sprongen zwijgend, haastig op en neer, soms vanaf een rotspunt als boosaardige duiveltjes de jongens aanloerend met vinnige oogen, of den bek opensperrend, dat de hoektanden geheel bloot kwamen.Geheel onverwachts, alsof er plots een reusachtigedievenlantarengeopend werd, sloeg een valsch goud licht van onderen tegen de zwarte wolken op. En het werd nog stiller. Het ruischen van het water kreeg zoo’n macht over de jongens, dat het hun toescheen, of ze nooit iets anders gehoord hadden en zij ook nooit meer iets anders hooren zouden; in den ban daarvan lagen ze futloos neer, en hun gedachten konden zich niet boven het ruischen uitwerken.Maar daar begon het uit den hemel te lekken. Warme regendroppels vielen hun op het lichaam en wekten hen uit hun versuft luisteren. Terwijl het apenvolkje met haastige sprongen naar hun nesten hoog in de boomen vluchtte, richtte Rolf zich eensklaps op en keek den anderen verschrikt aan. „Jongens! Het gaatregenen! En de rivier.…. zal volloopen!!”Harmen, Hajo en Joppie waren in één sprong overeind. Ze moesten hier weg, dat begrepen allen, en hals over kop werd alles bijeengepakt. De overgebleven varkensbout was spoorloos verdwenen,—Harmen vond nog juist even tijd den bijawak van den roof te verdenken en in het algemeen zijn meening over bijawaks uiteen te zetten. Toen werd Padde opgenomen, en voort ging het.….!„’t Zou niks lollig zijn als we verdronken!” meende Harmen. „Alle moeite en kosten voor niks geweest, hè?”Uit de vallende droppen werd een regen. Langs beide rotswanden vloeide het water omlaag.Na een half uur was het riviertje zooveel breeder geworden, dat het pad aan den kant onder water stond.Joppie plaste met groote sprongen door het water, dat hem al bijna tot aan de borst reikte. En plots dreef hij af, trachtte vergeefs tegen den snellen stroom in te zwemmen, werd meegesleurd[417]tot hij zich op een hoogen steen in veiligheid wist te brengen. Met verschrikte oogen, zacht jankend, wachtte hij de jongens op.„Als het water blijft stijgen, staat ons hetzelfde te wachten”, zei Rolf bezorgd.„Waren we maar nooit in die smerige kloof gegaan!” jammerde Padde. „Ik had al zoo iets gedacht!”De anderen luisterden niet naar Padde’s wijsheid achteraf. „Kom dan maar hier, mormel!” zei Harmen en nam Joppie onder den arm. „Jij bent ook een mensch!” Joppie begon Harmen’s gezicht met de tong schoon te wasschen,—waartegen Harmen zich niet anders dan door een reeks verwenschingen kon verweren, want hij had beide armen vol.Dolimah waadde zwijgend tusschen de anderen voort, nu en en dan angstig omziend.De hemel werd minder donker; de regen nam in hevigheid af. Maar het water steeg, steeg tergend zeker. Het reikte hun al boven de knieën, en Padde’s draagstoel dompelde telkens onder, wanneer Hajo of Rolf in een kuil trapte. Dan stak Padde vlug zijn hoofd op, om althans dat boven water te houden. Gewoonlijk deed hij het te laat.Het ging er om spannen! Nog altijd rezen de meedoogenlooze steenen wanden even steil en onbeklimbaar omhoog, en het water begon tot aan den buik te reiken, zoodat Padde rechtop moest gaan zitten.„’k Heb zoo’n honger.….” klaagde Harmen. Geen der anderen leed in deze hachelijke oogenblikken aan honger.Ze kwamen aan stroomversnellingen. Dat werd lastig.Onstuimigdanste het water tusschen de steenen voort. Terwijl ze voorzichtig trachtten, Padde over de gevaarlijke plaats heen te helpen, gleed Rolf uit; daardoor ontglipte de draagstoel aan Hajo’s vingers, en Padde ging samen met Rolf kopje-onder. Ze kwamen weer boven, tolden in het water voort. Rolf tornde tegen een grooten steen op, wist zich er op te werken en zag verward naar de anderen rond. Padde dreef door, ploeterend met armen en beenen.….!—Maar in hetzelfde oogen blik had Hajo zich voorover in het water geworpen en zwom nu achter Padde aan, met krachtige armslagen. Hij[418]won terrein, kreeg den spartelenden Padde bij zijn beenen te pakken, trok hem al zwemmende naar links, waar het water het ondiepst was, kwam daar overeind te staan en hielp Padde ook op de been. Hulpeloos en verschrikt, zich nog moeilijk staande houdend, klemde Padde zich aan zijn makker vast.„Pak ons maar bij den arm, Padde!” zei Rolf, die hijgend kwam aan waden. „Het loopt niet moeilijk met de stroom mee. De draagstoel is weggedreven.”De angst in het hart, vervolgden de jongens hun tocht, Padde strompelend en vallend, maar de anderen hielden hem stevig vast, al liepen ze zelf ook al met knikkende knieën.….Ze kwamen een bocht om, en Harmen stootte een kreet uit.…. de kloof sloot zich van boven; het water stroomde een donkere grot in. Wat te doen?! De jongens staakten ontzet hun loop. Nergens konden ze naar boven; er was maar één uitweg.…. „De grot in!” beval Rolf.„Ik durf niet.….!” snikte Padde.„Kom mee!” zei Rolf onverbiddelijk.En de jongens liepen de grot in. Dolimah aarzelde even; toen stuwde de stroom haar vanzelf de grot in. Ook Joppie in Harmen’s armen was benauwd.—„Ja, nou moet jij nog gaan gillen ook!” mopperde Harmen. „Dan ga je meteen overboord, begrepen?”Joppie begreep.De boven- en zijwanden van de grot waren glinsterend-zwart van het water, dat er langs neer vloeide, en hier en daar was de grot zoo laag, dat de jongens er slechts met gebukt hoofd konden loopen. Overigens scheen ze als vergaderzaal voor vleermuizen gebezigd te worden, die rumoerig piepten bij het onverwachte bezoek. Maar de jongens merkten ze nauwelijks op, schrikten hoogstens even, wanneer er hun een langs het gelaat fladderde. Voort! Gejaagd, nu en dan het hoofd stootend in de duisternis, strompelden ze door het water, den blik star vooruit, of nog geen lichtschemering het einde der grot zou aankondigen. Padde kon zich niet meer op den been houden, werd half gedragen. En Harmen was te bewonderen om den leeuwenmoed waarmee hij Joppie nog torste, die toch op den duur zeker geen vrachtje was waarmee[419]te spotten viel. Werd de kloof nog donkerder.….? Padde snikte, leunde zijn hoofd op Hajo’s schouder en verzette nauwelijks meer zijn beenen, toen.….!„Licht!” riep Hajo. „Het wordt weer licht!!”Dat staalde de spieren. Hijgend, met opgetrokken schouders, als drukte de duisternis op hen, ontvluchtten de jongens de griezelige, angstwekkende grot met haar muffe lucht en haar vleermuizen. Ja! daar was het einde! Daar was het daglicht weer, heerlijk daglicht!Ze kwamen de grot uitwaden, zagen om zich heen en haalden diep adem van verlichting. De rotswanden waren spoorloos verdwenen, als weggetooverd door een goede fee, en aan beide vlakke oevers stonden boomen. In een plotselinge opwelling, met een vreugdesnik, wierpen de jongens zich voorover, Rolf en Hajo met Padde aan de hand, en Harmen, die Joppie in zijn nekvel voor zich uit hield, en zwommen naar den wal.Ze kropen aan den oever, hielpen Dolimah op den kant. Toen liepen ze een eindje terug, wankelden tegen de helling der grot op, zochten een zacht plekje en ploften neer.„Hè, Joppie, morremel, zou je nou niet eens: dankje, Harmen zeggen?”Joppie lag met den kop op de voorpooten. Hij zuchtte diep, krabbelde naderbij en legde zich tegen Harmen’s dampende lichaam.Oververmoeid sliepen de jongens in.De regen plaste.Zeemeeuw.[420]
[Inhoud]DEN DANS ONTSPRONGENAap op tak.Al vroeg in den volgenden ochtend werden de zwervers wakker door het verwoed gekrijsch van een paar dozijn kleine apen, die den rotswand aan de overzijde op en af snelden, met handen en voeten zich klemmend aan de steenpunten. Ook in de boomen daarboven krioelde het. Onze vrienden schenen midden in een apenkolonie te zijn verzeild.De zon was er nog niet. Tegen den licht-grauwen hemel gloeiden een paar roodgrijze wolkjes. In het Zuiden trokken kalongs voorbij in de richting van de kust. Traag, nog trager dan ’s avonds, wanneer ze op plundertocht uitgaan, vlogen de reusachtige vleermuizen, nu verzadigd, achter elkaar aan naar hun dag-slaapplaatsen terug. De vlucht verbreedde zich: nu streken er ook recht over de hoofden der knapen heen. Maar eindelijk sloten ze minder dicht aaneen. Nog een paar achtergebleven schrok-ops, die van de vruchten niet konden scheiden!—voorbij was de stoet.Nu kwamen van het Westen, in tegenovergestelde richting, zwarte wolken aandrijven. Onheilspellend doemden ze achter den rotswand aan de overzijde op, maar, recht boven de kloof gekomen, gingen de koppen gloeien, en het was, als aarzelden ze verder te gaan. Van achteren echter stuwden de anderen op, en zoo schoof allengs een zware, zwarte wand over de kloof, die nu iets van een langen, griezeligen grafkelder kreeg.De jongens lagen achterover op hun bed van varens en staarden half wakker naar boven. Alles was duister en geheimzinnig: die zwarte lijkdoek hoog boven de kloof, de grijze rotswand voor hen, waartegen nu en dan een licht buikje van een aap[416]glansde, die donkere boomen daar heel in de hoogte.…. Het schuimende water schitterde hel op uit al die donkerte, en het geruisch scheen sterker te worden, naarmate de druk in de natuur de andere geluiden verstommen deed. De aapjes krijschten nu niet meer, sprongen zwijgend, haastig op en neer, soms vanaf een rotspunt als boosaardige duiveltjes de jongens aanloerend met vinnige oogen, of den bek opensperrend, dat de hoektanden geheel bloot kwamen.Geheel onverwachts, alsof er plots een reusachtigedievenlantarengeopend werd, sloeg een valsch goud licht van onderen tegen de zwarte wolken op. En het werd nog stiller. Het ruischen van het water kreeg zoo’n macht over de jongens, dat het hun toescheen, of ze nooit iets anders gehoord hadden en zij ook nooit meer iets anders hooren zouden; in den ban daarvan lagen ze futloos neer, en hun gedachten konden zich niet boven het ruischen uitwerken.Maar daar begon het uit den hemel te lekken. Warme regendroppels vielen hun op het lichaam en wekten hen uit hun versuft luisteren. Terwijl het apenvolkje met haastige sprongen naar hun nesten hoog in de boomen vluchtte, richtte Rolf zich eensklaps op en keek den anderen verschrikt aan. „Jongens! Het gaatregenen! En de rivier.…. zal volloopen!!”Harmen, Hajo en Joppie waren in één sprong overeind. Ze moesten hier weg, dat begrepen allen, en hals over kop werd alles bijeengepakt. De overgebleven varkensbout was spoorloos verdwenen,—Harmen vond nog juist even tijd den bijawak van den roof te verdenken en in het algemeen zijn meening over bijawaks uiteen te zetten. Toen werd Padde opgenomen, en voort ging het.….!„’t Zou niks lollig zijn als we verdronken!” meende Harmen. „Alle moeite en kosten voor niks geweest, hè?”Uit de vallende droppen werd een regen. Langs beide rotswanden vloeide het water omlaag.Na een half uur was het riviertje zooveel breeder geworden, dat het pad aan den kant onder water stond.Joppie plaste met groote sprongen door het water, dat hem al bijna tot aan de borst reikte. En plots dreef hij af, trachtte vergeefs tegen den snellen stroom in te zwemmen, werd meegesleurd[417]tot hij zich op een hoogen steen in veiligheid wist te brengen. Met verschrikte oogen, zacht jankend, wachtte hij de jongens op.„Als het water blijft stijgen, staat ons hetzelfde te wachten”, zei Rolf bezorgd.„Waren we maar nooit in die smerige kloof gegaan!” jammerde Padde. „Ik had al zoo iets gedacht!”De anderen luisterden niet naar Padde’s wijsheid achteraf. „Kom dan maar hier, mormel!” zei Harmen en nam Joppie onder den arm. „Jij bent ook een mensch!” Joppie begon Harmen’s gezicht met de tong schoon te wasschen,—waartegen Harmen zich niet anders dan door een reeks verwenschingen kon verweren, want hij had beide armen vol.Dolimah waadde zwijgend tusschen de anderen voort, nu en en dan angstig omziend.De hemel werd minder donker; de regen nam in hevigheid af. Maar het water steeg, steeg tergend zeker. Het reikte hun al boven de knieën, en Padde’s draagstoel dompelde telkens onder, wanneer Hajo of Rolf in een kuil trapte. Dan stak Padde vlug zijn hoofd op, om althans dat boven water te houden. Gewoonlijk deed hij het te laat.Het ging er om spannen! Nog altijd rezen de meedoogenlooze steenen wanden even steil en onbeklimbaar omhoog, en het water begon tot aan den buik te reiken, zoodat Padde rechtop moest gaan zitten.„’k Heb zoo’n honger.….” klaagde Harmen. Geen der anderen leed in deze hachelijke oogenblikken aan honger.Ze kwamen aan stroomversnellingen. Dat werd lastig.Onstuimigdanste het water tusschen de steenen voort. Terwijl ze voorzichtig trachtten, Padde over de gevaarlijke plaats heen te helpen, gleed Rolf uit; daardoor ontglipte de draagstoel aan Hajo’s vingers, en Padde ging samen met Rolf kopje-onder. Ze kwamen weer boven, tolden in het water voort. Rolf tornde tegen een grooten steen op, wist zich er op te werken en zag verward naar de anderen rond. Padde dreef door, ploeterend met armen en beenen.….!—Maar in hetzelfde oogen blik had Hajo zich voorover in het water geworpen en zwom nu achter Padde aan, met krachtige armslagen. Hij[418]won terrein, kreeg den spartelenden Padde bij zijn beenen te pakken, trok hem al zwemmende naar links, waar het water het ondiepst was, kwam daar overeind te staan en hielp Padde ook op de been. Hulpeloos en verschrikt, zich nog moeilijk staande houdend, klemde Padde zich aan zijn makker vast.„Pak ons maar bij den arm, Padde!” zei Rolf, die hijgend kwam aan waden. „Het loopt niet moeilijk met de stroom mee. De draagstoel is weggedreven.”De angst in het hart, vervolgden de jongens hun tocht, Padde strompelend en vallend, maar de anderen hielden hem stevig vast, al liepen ze zelf ook al met knikkende knieën.….Ze kwamen een bocht om, en Harmen stootte een kreet uit.…. de kloof sloot zich van boven; het water stroomde een donkere grot in. Wat te doen?! De jongens staakten ontzet hun loop. Nergens konden ze naar boven; er was maar één uitweg.…. „De grot in!” beval Rolf.„Ik durf niet.….!” snikte Padde.„Kom mee!” zei Rolf onverbiddelijk.En de jongens liepen de grot in. Dolimah aarzelde even; toen stuwde de stroom haar vanzelf de grot in. Ook Joppie in Harmen’s armen was benauwd.—„Ja, nou moet jij nog gaan gillen ook!” mopperde Harmen. „Dan ga je meteen overboord, begrepen?”Joppie begreep.De boven- en zijwanden van de grot waren glinsterend-zwart van het water, dat er langs neer vloeide, en hier en daar was de grot zoo laag, dat de jongens er slechts met gebukt hoofd konden loopen. Overigens scheen ze als vergaderzaal voor vleermuizen gebezigd te worden, die rumoerig piepten bij het onverwachte bezoek. Maar de jongens merkten ze nauwelijks op, schrikten hoogstens even, wanneer er hun een langs het gelaat fladderde. Voort! Gejaagd, nu en dan het hoofd stootend in de duisternis, strompelden ze door het water, den blik star vooruit, of nog geen lichtschemering het einde der grot zou aankondigen. Padde kon zich niet meer op den been houden, werd half gedragen. En Harmen was te bewonderen om den leeuwenmoed waarmee hij Joppie nog torste, die toch op den duur zeker geen vrachtje was waarmee[419]te spotten viel. Werd de kloof nog donkerder.….? Padde snikte, leunde zijn hoofd op Hajo’s schouder en verzette nauwelijks meer zijn beenen, toen.….!„Licht!” riep Hajo. „Het wordt weer licht!!”Dat staalde de spieren. Hijgend, met opgetrokken schouders, als drukte de duisternis op hen, ontvluchtten de jongens de griezelige, angstwekkende grot met haar muffe lucht en haar vleermuizen. Ja! daar was het einde! Daar was het daglicht weer, heerlijk daglicht!Ze kwamen de grot uitwaden, zagen om zich heen en haalden diep adem van verlichting. De rotswanden waren spoorloos verdwenen, als weggetooverd door een goede fee, en aan beide vlakke oevers stonden boomen. In een plotselinge opwelling, met een vreugdesnik, wierpen de jongens zich voorover, Rolf en Hajo met Padde aan de hand, en Harmen, die Joppie in zijn nekvel voor zich uit hield, en zwommen naar den wal.Ze kropen aan den oever, hielpen Dolimah op den kant. Toen liepen ze een eindje terug, wankelden tegen de helling der grot op, zochten een zacht plekje en ploften neer.„Hè, Joppie, morremel, zou je nou niet eens: dankje, Harmen zeggen?”Joppie lag met den kop op de voorpooten. Hij zuchtte diep, krabbelde naderbij en legde zich tegen Harmen’s dampende lichaam.Oververmoeid sliepen de jongens in.De regen plaste.Zeemeeuw.[420]
DEN DANS ONTSPRONGEN
Aap op tak.Al vroeg in den volgenden ochtend werden de zwervers wakker door het verwoed gekrijsch van een paar dozijn kleine apen, die den rotswand aan de overzijde op en af snelden, met handen en voeten zich klemmend aan de steenpunten. Ook in de boomen daarboven krioelde het. Onze vrienden schenen midden in een apenkolonie te zijn verzeild.De zon was er nog niet. Tegen den licht-grauwen hemel gloeiden een paar roodgrijze wolkjes. In het Zuiden trokken kalongs voorbij in de richting van de kust. Traag, nog trager dan ’s avonds, wanneer ze op plundertocht uitgaan, vlogen de reusachtige vleermuizen, nu verzadigd, achter elkaar aan naar hun dag-slaapplaatsen terug. De vlucht verbreedde zich: nu streken er ook recht over de hoofden der knapen heen. Maar eindelijk sloten ze minder dicht aaneen. Nog een paar achtergebleven schrok-ops, die van de vruchten niet konden scheiden!—voorbij was de stoet.Nu kwamen van het Westen, in tegenovergestelde richting, zwarte wolken aandrijven. Onheilspellend doemden ze achter den rotswand aan de overzijde op, maar, recht boven de kloof gekomen, gingen de koppen gloeien, en het was, als aarzelden ze verder te gaan. Van achteren echter stuwden de anderen op, en zoo schoof allengs een zware, zwarte wand over de kloof, die nu iets van een langen, griezeligen grafkelder kreeg.De jongens lagen achterover op hun bed van varens en staarden half wakker naar boven. Alles was duister en geheimzinnig: die zwarte lijkdoek hoog boven de kloof, de grijze rotswand voor hen, waartegen nu en dan een licht buikje van een aap[416]glansde, die donkere boomen daar heel in de hoogte.…. Het schuimende water schitterde hel op uit al die donkerte, en het geruisch scheen sterker te worden, naarmate de druk in de natuur de andere geluiden verstommen deed. De aapjes krijschten nu niet meer, sprongen zwijgend, haastig op en neer, soms vanaf een rotspunt als boosaardige duiveltjes de jongens aanloerend met vinnige oogen, of den bek opensperrend, dat de hoektanden geheel bloot kwamen.Geheel onverwachts, alsof er plots een reusachtigedievenlantarengeopend werd, sloeg een valsch goud licht van onderen tegen de zwarte wolken op. En het werd nog stiller. Het ruischen van het water kreeg zoo’n macht over de jongens, dat het hun toescheen, of ze nooit iets anders gehoord hadden en zij ook nooit meer iets anders hooren zouden; in den ban daarvan lagen ze futloos neer, en hun gedachten konden zich niet boven het ruischen uitwerken.Maar daar begon het uit den hemel te lekken. Warme regendroppels vielen hun op het lichaam en wekten hen uit hun versuft luisteren. Terwijl het apenvolkje met haastige sprongen naar hun nesten hoog in de boomen vluchtte, richtte Rolf zich eensklaps op en keek den anderen verschrikt aan. „Jongens! Het gaatregenen! En de rivier.…. zal volloopen!!”Harmen, Hajo en Joppie waren in één sprong overeind. Ze moesten hier weg, dat begrepen allen, en hals over kop werd alles bijeengepakt. De overgebleven varkensbout was spoorloos verdwenen,—Harmen vond nog juist even tijd den bijawak van den roof te verdenken en in het algemeen zijn meening over bijawaks uiteen te zetten. Toen werd Padde opgenomen, en voort ging het.….!„’t Zou niks lollig zijn als we verdronken!” meende Harmen. „Alle moeite en kosten voor niks geweest, hè?”Uit de vallende droppen werd een regen. Langs beide rotswanden vloeide het water omlaag.Na een half uur was het riviertje zooveel breeder geworden, dat het pad aan den kant onder water stond.Joppie plaste met groote sprongen door het water, dat hem al bijna tot aan de borst reikte. En plots dreef hij af, trachtte vergeefs tegen den snellen stroom in te zwemmen, werd meegesleurd[417]tot hij zich op een hoogen steen in veiligheid wist te brengen. Met verschrikte oogen, zacht jankend, wachtte hij de jongens op.„Als het water blijft stijgen, staat ons hetzelfde te wachten”, zei Rolf bezorgd.„Waren we maar nooit in die smerige kloof gegaan!” jammerde Padde. „Ik had al zoo iets gedacht!”De anderen luisterden niet naar Padde’s wijsheid achteraf. „Kom dan maar hier, mormel!” zei Harmen en nam Joppie onder den arm. „Jij bent ook een mensch!” Joppie begon Harmen’s gezicht met de tong schoon te wasschen,—waartegen Harmen zich niet anders dan door een reeks verwenschingen kon verweren, want hij had beide armen vol.Dolimah waadde zwijgend tusschen de anderen voort, nu en en dan angstig omziend.De hemel werd minder donker; de regen nam in hevigheid af. Maar het water steeg, steeg tergend zeker. Het reikte hun al boven de knieën, en Padde’s draagstoel dompelde telkens onder, wanneer Hajo of Rolf in een kuil trapte. Dan stak Padde vlug zijn hoofd op, om althans dat boven water te houden. Gewoonlijk deed hij het te laat.Het ging er om spannen! Nog altijd rezen de meedoogenlooze steenen wanden even steil en onbeklimbaar omhoog, en het water begon tot aan den buik te reiken, zoodat Padde rechtop moest gaan zitten.„’k Heb zoo’n honger.….” klaagde Harmen. Geen der anderen leed in deze hachelijke oogenblikken aan honger.Ze kwamen aan stroomversnellingen. Dat werd lastig.Onstuimigdanste het water tusschen de steenen voort. Terwijl ze voorzichtig trachtten, Padde over de gevaarlijke plaats heen te helpen, gleed Rolf uit; daardoor ontglipte de draagstoel aan Hajo’s vingers, en Padde ging samen met Rolf kopje-onder. Ze kwamen weer boven, tolden in het water voort. Rolf tornde tegen een grooten steen op, wist zich er op te werken en zag verward naar de anderen rond. Padde dreef door, ploeterend met armen en beenen.….!—Maar in hetzelfde oogen blik had Hajo zich voorover in het water geworpen en zwom nu achter Padde aan, met krachtige armslagen. Hij[418]won terrein, kreeg den spartelenden Padde bij zijn beenen te pakken, trok hem al zwemmende naar links, waar het water het ondiepst was, kwam daar overeind te staan en hielp Padde ook op de been. Hulpeloos en verschrikt, zich nog moeilijk staande houdend, klemde Padde zich aan zijn makker vast.„Pak ons maar bij den arm, Padde!” zei Rolf, die hijgend kwam aan waden. „Het loopt niet moeilijk met de stroom mee. De draagstoel is weggedreven.”De angst in het hart, vervolgden de jongens hun tocht, Padde strompelend en vallend, maar de anderen hielden hem stevig vast, al liepen ze zelf ook al met knikkende knieën.….Ze kwamen een bocht om, en Harmen stootte een kreet uit.…. de kloof sloot zich van boven; het water stroomde een donkere grot in. Wat te doen?! De jongens staakten ontzet hun loop. Nergens konden ze naar boven; er was maar één uitweg.…. „De grot in!” beval Rolf.„Ik durf niet.….!” snikte Padde.„Kom mee!” zei Rolf onverbiddelijk.En de jongens liepen de grot in. Dolimah aarzelde even; toen stuwde de stroom haar vanzelf de grot in. Ook Joppie in Harmen’s armen was benauwd.—„Ja, nou moet jij nog gaan gillen ook!” mopperde Harmen. „Dan ga je meteen overboord, begrepen?”Joppie begreep.De boven- en zijwanden van de grot waren glinsterend-zwart van het water, dat er langs neer vloeide, en hier en daar was de grot zoo laag, dat de jongens er slechts met gebukt hoofd konden loopen. Overigens scheen ze als vergaderzaal voor vleermuizen gebezigd te worden, die rumoerig piepten bij het onverwachte bezoek. Maar de jongens merkten ze nauwelijks op, schrikten hoogstens even, wanneer er hun een langs het gelaat fladderde. Voort! Gejaagd, nu en dan het hoofd stootend in de duisternis, strompelden ze door het water, den blik star vooruit, of nog geen lichtschemering het einde der grot zou aankondigen. Padde kon zich niet meer op den been houden, werd half gedragen. En Harmen was te bewonderen om den leeuwenmoed waarmee hij Joppie nog torste, die toch op den duur zeker geen vrachtje was waarmee[419]te spotten viel. Werd de kloof nog donkerder.….? Padde snikte, leunde zijn hoofd op Hajo’s schouder en verzette nauwelijks meer zijn beenen, toen.….!„Licht!” riep Hajo. „Het wordt weer licht!!”Dat staalde de spieren. Hijgend, met opgetrokken schouders, als drukte de duisternis op hen, ontvluchtten de jongens de griezelige, angstwekkende grot met haar muffe lucht en haar vleermuizen. Ja! daar was het einde! Daar was het daglicht weer, heerlijk daglicht!Ze kwamen de grot uitwaden, zagen om zich heen en haalden diep adem van verlichting. De rotswanden waren spoorloos verdwenen, als weggetooverd door een goede fee, en aan beide vlakke oevers stonden boomen. In een plotselinge opwelling, met een vreugdesnik, wierpen de jongens zich voorover, Rolf en Hajo met Padde aan de hand, en Harmen, die Joppie in zijn nekvel voor zich uit hield, en zwommen naar den wal.Ze kropen aan den oever, hielpen Dolimah op den kant. Toen liepen ze een eindje terug, wankelden tegen de helling der grot op, zochten een zacht plekje en ploften neer.„Hè, Joppie, morremel, zou je nou niet eens: dankje, Harmen zeggen?”Joppie lag met den kop op de voorpooten. Hij zuchtte diep, krabbelde naderbij en legde zich tegen Harmen’s dampende lichaam.Oververmoeid sliepen de jongens in.De regen plaste.Zeemeeuw.[420]
Aap op tak.
Al vroeg in den volgenden ochtend werden de zwervers wakker door het verwoed gekrijsch van een paar dozijn kleine apen, die den rotswand aan de overzijde op en af snelden, met handen en voeten zich klemmend aan de steenpunten. Ook in de boomen daarboven krioelde het. Onze vrienden schenen midden in een apenkolonie te zijn verzeild.
De zon was er nog niet. Tegen den licht-grauwen hemel gloeiden een paar roodgrijze wolkjes. In het Zuiden trokken kalongs voorbij in de richting van de kust. Traag, nog trager dan ’s avonds, wanneer ze op plundertocht uitgaan, vlogen de reusachtige vleermuizen, nu verzadigd, achter elkaar aan naar hun dag-slaapplaatsen terug. De vlucht verbreedde zich: nu streken er ook recht over de hoofden der knapen heen. Maar eindelijk sloten ze minder dicht aaneen. Nog een paar achtergebleven schrok-ops, die van de vruchten niet konden scheiden!—voorbij was de stoet.
Nu kwamen van het Westen, in tegenovergestelde richting, zwarte wolken aandrijven. Onheilspellend doemden ze achter den rotswand aan de overzijde op, maar, recht boven de kloof gekomen, gingen de koppen gloeien, en het was, als aarzelden ze verder te gaan. Van achteren echter stuwden de anderen op, en zoo schoof allengs een zware, zwarte wand over de kloof, die nu iets van een langen, griezeligen grafkelder kreeg.
De jongens lagen achterover op hun bed van varens en staarden half wakker naar boven. Alles was duister en geheimzinnig: die zwarte lijkdoek hoog boven de kloof, de grijze rotswand voor hen, waartegen nu en dan een licht buikje van een aap[416]glansde, die donkere boomen daar heel in de hoogte.…. Het schuimende water schitterde hel op uit al die donkerte, en het geruisch scheen sterker te worden, naarmate de druk in de natuur de andere geluiden verstommen deed. De aapjes krijschten nu niet meer, sprongen zwijgend, haastig op en neer, soms vanaf een rotspunt als boosaardige duiveltjes de jongens aanloerend met vinnige oogen, of den bek opensperrend, dat de hoektanden geheel bloot kwamen.
Geheel onverwachts, alsof er plots een reusachtigedievenlantarengeopend werd, sloeg een valsch goud licht van onderen tegen de zwarte wolken op. En het werd nog stiller. Het ruischen van het water kreeg zoo’n macht over de jongens, dat het hun toescheen, of ze nooit iets anders gehoord hadden en zij ook nooit meer iets anders hooren zouden; in den ban daarvan lagen ze futloos neer, en hun gedachten konden zich niet boven het ruischen uitwerken.
Maar daar begon het uit den hemel te lekken. Warme regendroppels vielen hun op het lichaam en wekten hen uit hun versuft luisteren. Terwijl het apenvolkje met haastige sprongen naar hun nesten hoog in de boomen vluchtte, richtte Rolf zich eensklaps op en keek den anderen verschrikt aan. „Jongens! Het gaatregenen! En de rivier.…. zal volloopen!!”
Harmen, Hajo en Joppie waren in één sprong overeind. Ze moesten hier weg, dat begrepen allen, en hals over kop werd alles bijeengepakt. De overgebleven varkensbout was spoorloos verdwenen,—Harmen vond nog juist even tijd den bijawak van den roof te verdenken en in het algemeen zijn meening over bijawaks uiteen te zetten. Toen werd Padde opgenomen, en voort ging het.….!
„’t Zou niks lollig zijn als we verdronken!” meende Harmen. „Alle moeite en kosten voor niks geweest, hè?”
Uit de vallende droppen werd een regen. Langs beide rotswanden vloeide het water omlaag.
Na een half uur was het riviertje zooveel breeder geworden, dat het pad aan den kant onder water stond.
Joppie plaste met groote sprongen door het water, dat hem al bijna tot aan de borst reikte. En plots dreef hij af, trachtte vergeefs tegen den snellen stroom in te zwemmen, werd meegesleurd[417]tot hij zich op een hoogen steen in veiligheid wist te brengen. Met verschrikte oogen, zacht jankend, wachtte hij de jongens op.
„Als het water blijft stijgen, staat ons hetzelfde te wachten”, zei Rolf bezorgd.
„Waren we maar nooit in die smerige kloof gegaan!” jammerde Padde. „Ik had al zoo iets gedacht!”
De anderen luisterden niet naar Padde’s wijsheid achteraf. „Kom dan maar hier, mormel!” zei Harmen en nam Joppie onder den arm. „Jij bent ook een mensch!” Joppie begon Harmen’s gezicht met de tong schoon te wasschen,—waartegen Harmen zich niet anders dan door een reeks verwenschingen kon verweren, want hij had beide armen vol.
Dolimah waadde zwijgend tusschen de anderen voort, nu en en dan angstig omziend.
De hemel werd minder donker; de regen nam in hevigheid af. Maar het water steeg, steeg tergend zeker. Het reikte hun al boven de knieën, en Padde’s draagstoel dompelde telkens onder, wanneer Hajo of Rolf in een kuil trapte. Dan stak Padde vlug zijn hoofd op, om althans dat boven water te houden. Gewoonlijk deed hij het te laat.
Het ging er om spannen! Nog altijd rezen de meedoogenlooze steenen wanden even steil en onbeklimbaar omhoog, en het water begon tot aan den buik te reiken, zoodat Padde rechtop moest gaan zitten.
„’k Heb zoo’n honger.….” klaagde Harmen. Geen der anderen leed in deze hachelijke oogenblikken aan honger.
Ze kwamen aan stroomversnellingen. Dat werd lastig.Onstuimigdanste het water tusschen de steenen voort. Terwijl ze voorzichtig trachtten, Padde over de gevaarlijke plaats heen te helpen, gleed Rolf uit; daardoor ontglipte de draagstoel aan Hajo’s vingers, en Padde ging samen met Rolf kopje-onder. Ze kwamen weer boven, tolden in het water voort. Rolf tornde tegen een grooten steen op, wist zich er op te werken en zag verward naar de anderen rond. Padde dreef door, ploeterend met armen en beenen.….!—Maar in hetzelfde oogen blik had Hajo zich voorover in het water geworpen en zwom nu achter Padde aan, met krachtige armslagen. Hij[418]won terrein, kreeg den spartelenden Padde bij zijn beenen te pakken, trok hem al zwemmende naar links, waar het water het ondiepst was, kwam daar overeind te staan en hielp Padde ook op de been. Hulpeloos en verschrikt, zich nog moeilijk staande houdend, klemde Padde zich aan zijn makker vast.
„Pak ons maar bij den arm, Padde!” zei Rolf, die hijgend kwam aan waden. „Het loopt niet moeilijk met de stroom mee. De draagstoel is weggedreven.”
De angst in het hart, vervolgden de jongens hun tocht, Padde strompelend en vallend, maar de anderen hielden hem stevig vast, al liepen ze zelf ook al met knikkende knieën.….
Ze kwamen een bocht om, en Harmen stootte een kreet uit.…. de kloof sloot zich van boven; het water stroomde een donkere grot in. Wat te doen?! De jongens staakten ontzet hun loop. Nergens konden ze naar boven; er was maar één uitweg.…. „De grot in!” beval Rolf.
„Ik durf niet.….!” snikte Padde.
„Kom mee!” zei Rolf onverbiddelijk.
En de jongens liepen de grot in. Dolimah aarzelde even; toen stuwde de stroom haar vanzelf de grot in. Ook Joppie in Harmen’s armen was benauwd.—„Ja, nou moet jij nog gaan gillen ook!” mopperde Harmen. „Dan ga je meteen overboord, begrepen?”
Joppie begreep.
De boven- en zijwanden van de grot waren glinsterend-zwart van het water, dat er langs neer vloeide, en hier en daar was de grot zoo laag, dat de jongens er slechts met gebukt hoofd konden loopen. Overigens scheen ze als vergaderzaal voor vleermuizen gebezigd te worden, die rumoerig piepten bij het onverwachte bezoek. Maar de jongens merkten ze nauwelijks op, schrikten hoogstens even, wanneer er hun een langs het gelaat fladderde. Voort! Gejaagd, nu en dan het hoofd stootend in de duisternis, strompelden ze door het water, den blik star vooruit, of nog geen lichtschemering het einde der grot zou aankondigen. Padde kon zich niet meer op den been houden, werd half gedragen. En Harmen was te bewonderen om den leeuwenmoed waarmee hij Joppie nog torste, die toch op den duur zeker geen vrachtje was waarmee[419]te spotten viel. Werd de kloof nog donkerder.….? Padde snikte, leunde zijn hoofd op Hajo’s schouder en verzette nauwelijks meer zijn beenen, toen.….!
„Licht!” riep Hajo. „Het wordt weer licht!!”
Dat staalde de spieren. Hijgend, met opgetrokken schouders, als drukte de duisternis op hen, ontvluchtten de jongens de griezelige, angstwekkende grot met haar muffe lucht en haar vleermuizen. Ja! daar was het einde! Daar was het daglicht weer, heerlijk daglicht!
Ze kwamen de grot uitwaden, zagen om zich heen en haalden diep adem van verlichting. De rotswanden waren spoorloos verdwenen, als weggetooverd door een goede fee, en aan beide vlakke oevers stonden boomen. In een plotselinge opwelling, met een vreugdesnik, wierpen de jongens zich voorover, Rolf en Hajo met Padde aan de hand, en Harmen, die Joppie in zijn nekvel voor zich uit hield, en zwommen naar den wal.
Ze kropen aan den oever, hielpen Dolimah op den kant. Toen liepen ze een eindje terug, wankelden tegen de helling der grot op, zochten een zacht plekje en ploften neer.
„Hè, Joppie, morremel, zou je nou niet eens: dankje, Harmen zeggen?”
Joppie lag met den kop op de voorpooten. Hij zuchtte diep, krabbelde naderbij en legde zich tegen Harmen’s dampende lichaam.
Oververmoeid sliepen de jongens in.
De regen plaste.
Zeemeeuw.
[420]