[Inhoud]DE BIJAWAKDE BIJAWAKToen ze al vroeg in den volgenden ochtend de draagbaar weer oppakten, ontwaakte Padde en keek verbaasd, met matten oogopslag naar boven. „W-wat zal ik n-nou beleven.….?” stamelde hij.„Padde.….?! Ben je weer beter? Hoe voel je je?”„Best. ’k Heb zoo fijn geslapen. Maar ik voel me nog.…. zoo moe. Dragen jullie me?”„We zullen je later alles vertellen, als je weer heelemaal beter bent! We gaan nou naar zee, Padde! Naar ’t Westen, dan is het niet ver!”Padde glimlachte. „Nou, ik vind het best, zeg! Ik zal blij zijn, als ik de zee weer zie!”En genoegelijk liet hij zich voortdragen. „’t Is me hier ’t zonnetje wel! Ik zal maar een takje boven m’n kop houden, dan heb ik er niet zoo’n last van.” En tegen Harmen: „Nou mag jij wel weer eens een eindje dragen, Harmen! Kijk Hajo eens zweeten op zijn rug!”„Als we je om de tien passen zouden overtakelen, lagen we in een ommezien allemaal op de lij!” meende Harmen.„Om de tien passen!” smaalde Padde. „Hoe lang draag jij nou al wel, Hajo? Toch minstens een uur?”„Ik kan nog best!” gromde Hajo, wrevelig over Padde’s ongewenschte deelneming in zijn lot.„Ja, dat zie ik aan je rug!” hoonde Padde. „’t Lijkt wel of[410]er pas gezwabberd is! Vooruit, Harmen, wees niet zoo kinderachtig! Jij loopt toch maar niks te doen!”„Goeie morrege: niks doen!” gromde Harmen. En, plots grinnikend, voegde hij er aan toe, duidend op het biggetje aan zijn pikolan: „’k Dráág ommers al een varken?”Padde zocht grimmig naar een vlijmscherp antwoord. Hij vond er geen.Maar spoedig was Padde de beleediging weer vergeten. Hij begon zachtjes te fluiten, de oogen dicht tegen de zon. „’k Lig hier fijn!” stelde hij de anderen gerust. „Als in een koets! Jij bent de palfrenier, Rolf! En Harmen is het paard. Hu, paard!” Padde smakte met de tong.Harmen, die nu toch Hajo’s taak had overgenomen, keerde zich om. „Zeg er eens, jij ligt daar zoo’n lawaai te schoppen: kun je nog niet loopen?”Padde keek sip. „’k Zal eens kijken!” zuchtte hij en richtte zich op. Maar alleen die beweging kostte hem al zooveel inspanning, dat hij lijkwit, met gesloten oogen, weer achterover viel. Harmen zag, dat het niet geveinsd was. „Nou, vooruit dan maar weer.….” zuchtte hij.—En Rolf berispte: „Je moet stil blijven, Padde, en ook niet fluiten! Hoe gauwer je beter bent, hoe prettiger het voor ons allemaal is.”„Knap maar.….” prevelde Padde.Onverwachts vertoonde zich voor hun oogen een breede scheur in de rotsen, en, naderende, hoorden ze, dat in de diepte een beekje stroomde, waarschijnlijk hetzelfde als waarover de rotan-brug gelegen had. Ook hier was de kloof onheilspellend diep en van er overheen te komen geen sprake. Nu, als ze het beekje maar volgden, kwamen ze vanzelf aan zee!Uit de diepte steeg een aangename koelte op. Ook het heldere stroompje daarbeneden lokte; de kokosnoten, die ze vooral ter wille van de melk meevoerden, waren bijna op!„’t Zou daar in de schaduw beter zijn dan hierboven”, meende Rolf, terwijl hij over den rand keek. „Misschien kunnen we verderop ergens omlaagklauteren!”„Ja, laten we nog wat doorloopen!” stelde Padde uit zijn draagstoel voor. „Misschien vinden we nog een goeie plek!”Harmen keek hem met grenzelooze verachting aan. „Zeker,[411]Koning Knolraap!” schimpte hij. „Als je voeten er vuil van worden, zal Harmen ze wel schoonlikken!”Padde gromde wat.—Zwijgend, nu en dan een blik in de kloof werpend, gingen de jongens voort. En.….! ze hadden nog geen half uur geloopen, of van deze zijde der kloof daalde een ruwe, door de natuur gevormde trap af! In alle omzichtigheid en vergezeld van honderd waarschuwingen en raadgevingen van Padde, die met zijn hoofd schuin uit zijn draagstoel hing, klauterden de jongens omlaag in de heerlijke koelte. Hun eerste werk was, van hun handen een bekertje te maken en gretig het frissche, heldere bergwater op te slurpen.En toen werd beraadslaagd wat er nu gebeuren moest. Wanneer de jongens door de kloof hun tocht wilden vervolgen, moesten ze door het riviertje waden! Nu, alles beter dan daar boven in de gloeiende zon te tippelen! Hier was ook plantengroei; verderop scheen het zelfs alsof ze zich door de overhangende struiken baan zouden moeten breken. Maar zouden ze een droge plek vinden om den nacht door te brengen?Kom! Ze namen Padde op en vervolgden hun weg, nu door de kloof. Het ging beter dan ze verwacht hadden. Wel lagen in het water steenen, die vervelend drukten in de voetholten, maar ze waren alle door het water afgerond en hadden geen scherpe kanten. Weldadig deed het aan toen de jongens zich door het overhangende groen heenwerkten: er zaten geen stekels aan de twijgen, en de bladeren waren frisch en zacht.Op een grooten, platten bergsteen legden ze Padde een oogenblikje neer en namen een bad. Ook Joppie deed ditmaal mee: hij was toch al kletsnat.Na een uurtje gingen ze weer verder, en zie! hier liep langs het water een paadje! Dat maakte het loopen vrij wat lichter!Langzaam-aan begon het te schemeren, zoodat de jongens naar een plaats moesten uitkijken waar ze den nacht konden doorbrengen.„We zullen maar ergens aan de kant gaan liggen!” zei Harmen.Het was niet erg aanlokkelijk. Aarzelend hielden de anderen stil en keken de nu in de schemering wonderlijk geheimzinnige kloof door. „Als we nog eens door liepen tot aan de bocht?” vroeg Hajo.[412]Zonder veel hoop liepen de jongens nog even door en.…. en geloofden hun oogen niet! Als een gordijn hingen een paar bladerrijke takken neer, en toen ze die terzijde schoven, stonden ze voor een prachtig, zandig plekje, ter zijde van het water. De rotswanden waren hier geheel begroeid; met geurige bloemen overdekte boompjes hingen vertrouwelijk over dit knusse kamertje in de natuur, en daaronder stonden in den wand zachtgroene varens.„Dâ’s andere koek!” riep Harmen.Padde rekte zich den hals uit. „Ga opzij! Ik kan niets zien!”„Jawel, radjah Boendersteel!” zei Harmen. „Kan uwes zoo beter zien?”„Ja.—Wat ligt daar voor een beest?! Een.…. eenkrokodil!”„Wáár.….?!”„Daar, onder die boom met die roode bloemen!”Harmen snelde toe. En zie.…. daar rende, met slangachtige lichaamswendingen, een enorm groote hagedis weg. Het beest schoot, daar hem geen andere uitweg bleef, tusschen Harmen’s beenen door en deed hem door een geduchten zwaai met den staart in het zand ploffen. Nu wilde Hajo het dier den weg versperren, maar het wierp zich op; een geel-witte buik glansde Hajo tegen, en toen onze vriend haastig terzijde sprong, scheerde een zware poot met lange, scherpe nagels hem rakelings langs het gelaat. Met een plons stortte het dier zich in het water, dat hoog opspatte.…. en was verdwenen.De jongens waren beduusd. „Een bijawak.….!” stamelde Dolimah.„Was het geen krokodil?” vroeg Rolf.„Neen”, zij Dolimah, „het was maar een bijawak, maar een heel groote! Hij rooft veel kippen en eieren!”„Laat hem naar de weerlicht loopen!” pruttelde Harmen, die weer overeind gekrabbeld was. „Kom, jongens, ’t is hier fijn, da’s vast!” En de jongens namen het idyllische plekje voor den nacht in bezit. Een bed van varens was gauw gemaakt; Dolimah slaagde er in, een paar droge takjes vuur te doen vatten. Veel dood hout was er niet te vinden, ofschoon genoeg boomen daarboven de kloof overwelfden,—de regen zou het wel hebben[413]weggespoeld. Ze moesten dus maar groen hout branden, dat verbazend knapte, maar tenslotte toch vlam vatte.„Tja!” zei Harmen, „we hebben het niet voor het uitzoeken en van de lucht kunnen we niet leven, dus.…. hou je maar klaar, ouwe jongen!” Harmen had het tegen het biggetje. „Dat je het niet lollig vindt, zie ik zoo wel aan je snoet, maar.…. je moet maar denken: beter goed gebraje, als half gaar gekookt!”„Chrrrrr.….!” knorde het arme diertje.„Geduld!” zei Harmen. En hij begon op een vlakken steen zijn mes te wetten. De krulstaart wachtte met slaperige, halfdichte oogjes,Dolimah vertelde met zachte, trage stem van een bijawak, die in haar dorpje gevangen was en gedood. Droomend luisterden de jongens. Het vuur was gaan smeulen, gaf nauwelijks meer wat glans af. Maanlicht viel nu door de bladeren. Roerloos, als zilveren orgelpijpen, stonden de stralen bundels. In een ervan daalde, zachtkens wiegelend, een dood blad omlaag, wentelend om het steeltje.Harmen’s mes was nu gewet en blonk. „Kom!” zei onze koksmaat, overeind springend en wat hout op het vuur gooiend, zoodat het spoedig weer oplaaide. „Kom jij nou maar eens bij Harremen, ouwe heer, hij zal je niks doen.”„Harmen”, zei Rolf een weinig geprikkeld, „dat dat beestje geslacht moet worden, spreekt vanzelf, maar ik wou, dat je er die redevoeringen nu maar bij achterwege liet. En ga er wat mee op zij, dat Dolimah het niet ziet.”Harmen staarde Rolf met grenzelooze verbazing aan. „Zeker, Majesteit!” stamelde hij toen, want Harmen’s gedachten schenen zich vandaag in vorstelijke kringen te vermeien, „uwes heeft maar te bevelen!—Hier, mormel!” zei hij minder eerbiedig tegen het arme krulstaartje, dat er toch wel het allerminst schuld aan had. „’k Zou anders weleens willen weten, wie zulke zaakjes moest opknappen, als Harmen het niet deed!”„Ik!” zei Rolf kortaf.„’k Hoor het je zeggen!” hoonde Harmen. „Neen, wees maar blij, dat Harremen zich over je ontfermt, stom dier, wantzijzouden je samen liever doodpesten, dan je even een[414]ritsje te geven! Ja, als je uit de kombuis komt! Dan staan ze met hun petje klaar! Ze denken zeker, dat je vanzelf de pan bent ingevlogen.….” En Harmen ging met zijn beschermeling grommend den hoek om.Maar toen hij even later met een reeds gevild biggetje terugkeerde, was hij zijn gramschap vergeten. „Daar heb je mosjeu!” riep hij vergenoegd uit. „We hebben er voor morgen ook nog zat aan. Is ’t geen mooi portretje? Hij zei nog, dat z’n pootjes het lekkerst bennen—nou, geef m’n spies dan maar eens hier, Hajo, dan zullen we eens kijken of hij de waarheid heeft gesproken!”Den rooden weerschijn van de oplaaiende vlammen tegen het naakte bovenlichaam, stond Harmen zijn biggetje te braden; hij scheen een ware duivel, zooals hij grinnikend de speer, met aan het uiteinde de sissende, vetdruipende bout, in de vlammen draaide.Grotesk nabootsend elke beweging, stond zijn schaduw fantastisch-groot tegen den kalen rotswand aan de overzijde.Harmen braadt zijn biggetje.[415]
[Inhoud]DE BIJAWAKDE BIJAWAKToen ze al vroeg in den volgenden ochtend de draagbaar weer oppakten, ontwaakte Padde en keek verbaasd, met matten oogopslag naar boven. „W-wat zal ik n-nou beleven.….?” stamelde hij.„Padde.….?! Ben je weer beter? Hoe voel je je?”„Best. ’k Heb zoo fijn geslapen. Maar ik voel me nog.…. zoo moe. Dragen jullie me?”„We zullen je later alles vertellen, als je weer heelemaal beter bent! We gaan nou naar zee, Padde! Naar ’t Westen, dan is het niet ver!”Padde glimlachte. „Nou, ik vind het best, zeg! Ik zal blij zijn, als ik de zee weer zie!”En genoegelijk liet hij zich voortdragen. „’t Is me hier ’t zonnetje wel! Ik zal maar een takje boven m’n kop houden, dan heb ik er niet zoo’n last van.” En tegen Harmen: „Nou mag jij wel weer eens een eindje dragen, Harmen! Kijk Hajo eens zweeten op zijn rug!”„Als we je om de tien passen zouden overtakelen, lagen we in een ommezien allemaal op de lij!” meende Harmen.„Om de tien passen!” smaalde Padde. „Hoe lang draag jij nou al wel, Hajo? Toch minstens een uur?”„Ik kan nog best!” gromde Hajo, wrevelig over Padde’s ongewenschte deelneming in zijn lot.„Ja, dat zie ik aan je rug!” hoonde Padde. „’t Lijkt wel of[410]er pas gezwabberd is! Vooruit, Harmen, wees niet zoo kinderachtig! Jij loopt toch maar niks te doen!”„Goeie morrege: niks doen!” gromde Harmen. En, plots grinnikend, voegde hij er aan toe, duidend op het biggetje aan zijn pikolan: „’k Dráág ommers al een varken?”Padde zocht grimmig naar een vlijmscherp antwoord. Hij vond er geen.Maar spoedig was Padde de beleediging weer vergeten. Hij begon zachtjes te fluiten, de oogen dicht tegen de zon. „’k Lig hier fijn!” stelde hij de anderen gerust. „Als in een koets! Jij bent de palfrenier, Rolf! En Harmen is het paard. Hu, paard!” Padde smakte met de tong.Harmen, die nu toch Hajo’s taak had overgenomen, keerde zich om. „Zeg er eens, jij ligt daar zoo’n lawaai te schoppen: kun je nog niet loopen?”Padde keek sip. „’k Zal eens kijken!” zuchtte hij en richtte zich op. Maar alleen die beweging kostte hem al zooveel inspanning, dat hij lijkwit, met gesloten oogen, weer achterover viel. Harmen zag, dat het niet geveinsd was. „Nou, vooruit dan maar weer.….” zuchtte hij.—En Rolf berispte: „Je moet stil blijven, Padde, en ook niet fluiten! Hoe gauwer je beter bent, hoe prettiger het voor ons allemaal is.”„Knap maar.….” prevelde Padde.Onverwachts vertoonde zich voor hun oogen een breede scheur in de rotsen, en, naderende, hoorden ze, dat in de diepte een beekje stroomde, waarschijnlijk hetzelfde als waarover de rotan-brug gelegen had. Ook hier was de kloof onheilspellend diep en van er overheen te komen geen sprake. Nu, als ze het beekje maar volgden, kwamen ze vanzelf aan zee!Uit de diepte steeg een aangename koelte op. Ook het heldere stroompje daarbeneden lokte; de kokosnoten, die ze vooral ter wille van de melk meevoerden, waren bijna op!„’t Zou daar in de schaduw beter zijn dan hierboven”, meende Rolf, terwijl hij over den rand keek. „Misschien kunnen we verderop ergens omlaagklauteren!”„Ja, laten we nog wat doorloopen!” stelde Padde uit zijn draagstoel voor. „Misschien vinden we nog een goeie plek!”Harmen keek hem met grenzelooze verachting aan. „Zeker,[411]Koning Knolraap!” schimpte hij. „Als je voeten er vuil van worden, zal Harmen ze wel schoonlikken!”Padde gromde wat.—Zwijgend, nu en dan een blik in de kloof werpend, gingen de jongens voort. En.….! ze hadden nog geen half uur geloopen, of van deze zijde der kloof daalde een ruwe, door de natuur gevormde trap af! In alle omzichtigheid en vergezeld van honderd waarschuwingen en raadgevingen van Padde, die met zijn hoofd schuin uit zijn draagstoel hing, klauterden de jongens omlaag in de heerlijke koelte. Hun eerste werk was, van hun handen een bekertje te maken en gretig het frissche, heldere bergwater op te slurpen.En toen werd beraadslaagd wat er nu gebeuren moest. Wanneer de jongens door de kloof hun tocht wilden vervolgen, moesten ze door het riviertje waden! Nu, alles beter dan daar boven in de gloeiende zon te tippelen! Hier was ook plantengroei; verderop scheen het zelfs alsof ze zich door de overhangende struiken baan zouden moeten breken. Maar zouden ze een droge plek vinden om den nacht door te brengen?Kom! Ze namen Padde op en vervolgden hun weg, nu door de kloof. Het ging beter dan ze verwacht hadden. Wel lagen in het water steenen, die vervelend drukten in de voetholten, maar ze waren alle door het water afgerond en hadden geen scherpe kanten. Weldadig deed het aan toen de jongens zich door het overhangende groen heenwerkten: er zaten geen stekels aan de twijgen, en de bladeren waren frisch en zacht.Op een grooten, platten bergsteen legden ze Padde een oogenblikje neer en namen een bad. Ook Joppie deed ditmaal mee: hij was toch al kletsnat.Na een uurtje gingen ze weer verder, en zie! hier liep langs het water een paadje! Dat maakte het loopen vrij wat lichter!Langzaam-aan begon het te schemeren, zoodat de jongens naar een plaats moesten uitkijken waar ze den nacht konden doorbrengen.„We zullen maar ergens aan de kant gaan liggen!” zei Harmen.Het was niet erg aanlokkelijk. Aarzelend hielden de anderen stil en keken de nu in de schemering wonderlijk geheimzinnige kloof door. „Als we nog eens door liepen tot aan de bocht?” vroeg Hajo.[412]Zonder veel hoop liepen de jongens nog even door en.…. en geloofden hun oogen niet! Als een gordijn hingen een paar bladerrijke takken neer, en toen ze die terzijde schoven, stonden ze voor een prachtig, zandig plekje, ter zijde van het water. De rotswanden waren hier geheel begroeid; met geurige bloemen overdekte boompjes hingen vertrouwelijk over dit knusse kamertje in de natuur, en daaronder stonden in den wand zachtgroene varens.„Dâ’s andere koek!” riep Harmen.Padde rekte zich den hals uit. „Ga opzij! Ik kan niets zien!”„Jawel, radjah Boendersteel!” zei Harmen. „Kan uwes zoo beter zien?”„Ja.—Wat ligt daar voor een beest?! Een.…. eenkrokodil!”„Wáár.….?!”„Daar, onder die boom met die roode bloemen!”Harmen snelde toe. En zie.…. daar rende, met slangachtige lichaamswendingen, een enorm groote hagedis weg. Het beest schoot, daar hem geen andere uitweg bleef, tusschen Harmen’s beenen door en deed hem door een geduchten zwaai met den staart in het zand ploffen. Nu wilde Hajo het dier den weg versperren, maar het wierp zich op; een geel-witte buik glansde Hajo tegen, en toen onze vriend haastig terzijde sprong, scheerde een zware poot met lange, scherpe nagels hem rakelings langs het gelaat. Met een plons stortte het dier zich in het water, dat hoog opspatte.…. en was verdwenen.De jongens waren beduusd. „Een bijawak.….!” stamelde Dolimah.„Was het geen krokodil?” vroeg Rolf.„Neen”, zij Dolimah, „het was maar een bijawak, maar een heel groote! Hij rooft veel kippen en eieren!”„Laat hem naar de weerlicht loopen!” pruttelde Harmen, die weer overeind gekrabbeld was. „Kom, jongens, ’t is hier fijn, da’s vast!” En de jongens namen het idyllische plekje voor den nacht in bezit. Een bed van varens was gauw gemaakt; Dolimah slaagde er in, een paar droge takjes vuur te doen vatten. Veel dood hout was er niet te vinden, ofschoon genoeg boomen daarboven de kloof overwelfden,—de regen zou het wel hebben[413]weggespoeld. Ze moesten dus maar groen hout branden, dat verbazend knapte, maar tenslotte toch vlam vatte.„Tja!” zei Harmen, „we hebben het niet voor het uitzoeken en van de lucht kunnen we niet leven, dus.…. hou je maar klaar, ouwe jongen!” Harmen had het tegen het biggetje. „Dat je het niet lollig vindt, zie ik zoo wel aan je snoet, maar.…. je moet maar denken: beter goed gebraje, als half gaar gekookt!”„Chrrrrr.….!” knorde het arme diertje.„Geduld!” zei Harmen. En hij begon op een vlakken steen zijn mes te wetten. De krulstaart wachtte met slaperige, halfdichte oogjes,Dolimah vertelde met zachte, trage stem van een bijawak, die in haar dorpje gevangen was en gedood. Droomend luisterden de jongens. Het vuur was gaan smeulen, gaf nauwelijks meer wat glans af. Maanlicht viel nu door de bladeren. Roerloos, als zilveren orgelpijpen, stonden de stralen bundels. In een ervan daalde, zachtkens wiegelend, een dood blad omlaag, wentelend om het steeltje.Harmen’s mes was nu gewet en blonk. „Kom!” zei onze koksmaat, overeind springend en wat hout op het vuur gooiend, zoodat het spoedig weer oplaaide. „Kom jij nou maar eens bij Harremen, ouwe heer, hij zal je niks doen.”„Harmen”, zei Rolf een weinig geprikkeld, „dat dat beestje geslacht moet worden, spreekt vanzelf, maar ik wou, dat je er die redevoeringen nu maar bij achterwege liet. En ga er wat mee op zij, dat Dolimah het niet ziet.”Harmen staarde Rolf met grenzelooze verbazing aan. „Zeker, Majesteit!” stamelde hij toen, want Harmen’s gedachten schenen zich vandaag in vorstelijke kringen te vermeien, „uwes heeft maar te bevelen!—Hier, mormel!” zei hij minder eerbiedig tegen het arme krulstaartje, dat er toch wel het allerminst schuld aan had. „’k Zou anders weleens willen weten, wie zulke zaakjes moest opknappen, als Harmen het niet deed!”„Ik!” zei Rolf kortaf.„’k Hoor het je zeggen!” hoonde Harmen. „Neen, wees maar blij, dat Harremen zich over je ontfermt, stom dier, wantzijzouden je samen liever doodpesten, dan je even een[414]ritsje te geven! Ja, als je uit de kombuis komt! Dan staan ze met hun petje klaar! Ze denken zeker, dat je vanzelf de pan bent ingevlogen.….” En Harmen ging met zijn beschermeling grommend den hoek om.Maar toen hij even later met een reeds gevild biggetje terugkeerde, was hij zijn gramschap vergeten. „Daar heb je mosjeu!” riep hij vergenoegd uit. „We hebben er voor morgen ook nog zat aan. Is ’t geen mooi portretje? Hij zei nog, dat z’n pootjes het lekkerst bennen—nou, geef m’n spies dan maar eens hier, Hajo, dan zullen we eens kijken of hij de waarheid heeft gesproken!”Den rooden weerschijn van de oplaaiende vlammen tegen het naakte bovenlichaam, stond Harmen zijn biggetje te braden; hij scheen een ware duivel, zooals hij grinnikend de speer, met aan het uiteinde de sissende, vetdruipende bout, in de vlammen draaide.Grotesk nabootsend elke beweging, stond zijn schaduw fantastisch-groot tegen den kalen rotswand aan de overzijde.Harmen braadt zijn biggetje.[415]
[Inhoud]DE BIJAWAKDE BIJAWAKToen ze al vroeg in den volgenden ochtend de draagbaar weer oppakten, ontwaakte Padde en keek verbaasd, met matten oogopslag naar boven. „W-wat zal ik n-nou beleven.….?” stamelde hij.„Padde.….?! Ben je weer beter? Hoe voel je je?”„Best. ’k Heb zoo fijn geslapen. Maar ik voel me nog.…. zoo moe. Dragen jullie me?”„We zullen je later alles vertellen, als je weer heelemaal beter bent! We gaan nou naar zee, Padde! Naar ’t Westen, dan is het niet ver!”Padde glimlachte. „Nou, ik vind het best, zeg! Ik zal blij zijn, als ik de zee weer zie!”En genoegelijk liet hij zich voortdragen. „’t Is me hier ’t zonnetje wel! Ik zal maar een takje boven m’n kop houden, dan heb ik er niet zoo’n last van.” En tegen Harmen: „Nou mag jij wel weer eens een eindje dragen, Harmen! Kijk Hajo eens zweeten op zijn rug!”„Als we je om de tien passen zouden overtakelen, lagen we in een ommezien allemaal op de lij!” meende Harmen.„Om de tien passen!” smaalde Padde. „Hoe lang draag jij nou al wel, Hajo? Toch minstens een uur?”„Ik kan nog best!” gromde Hajo, wrevelig over Padde’s ongewenschte deelneming in zijn lot.„Ja, dat zie ik aan je rug!” hoonde Padde. „’t Lijkt wel of[410]er pas gezwabberd is! Vooruit, Harmen, wees niet zoo kinderachtig! Jij loopt toch maar niks te doen!”„Goeie morrege: niks doen!” gromde Harmen. En, plots grinnikend, voegde hij er aan toe, duidend op het biggetje aan zijn pikolan: „’k Dráág ommers al een varken?”Padde zocht grimmig naar een vlijmscherp antwoord. Hij vond er geen.Maar spoedig was Padde de beleediging weer vergeten. Hij begon zachtjes te fluiten, de oogen dicht tegen de zon. „’k Lig hier fijn!” stelde hij de anderen gerust. „Als in een koets! Jij bent de palfrenier, Rolf! En Harmen is het paard. Hu, paard!” Padde smakte met de tong.Harmen, die nu toch Hajo’s taak had overgenomen, keerde zich om. „Zeg er eens, jij ligt daar zoo’n lawaai te schoppen: kun je nog niet loopen?”Padde keek sip. „’k Zal eens kijken!” zuchtte hij en richtte zich op. Maar alleen die beweging kostte hem al zooveel inspanning, dat hij lijkwit, met gesloten oogen, weer achterover viel. Harmen zag, dat het niet geveinsd was. „Nou, vooruit dan maar weer.….” zuchtte hij.—En Rolf berispte: „Je moet stil blijven, Padde, en ook niet fluiten! Hoe gauwer je beter bent, hoe prettiger het voor ons allemaal is.”„Knap maar.….” prevelde Padde.Onverwachts vertoonde zich voor hun oogen een breede scheur in de rotsen, en, naderende, hoorden ze, dat in de diepte een beekje stroomde, waarschijnlijk hetzelfde als waarover de rotan-brug gelegen had. Ook hier was de kloof onheilspellend diep en van er overheen te komen geen sprake. Nu, als ze het beekje maar volgden, kwamen ze vanzelf aan zee!Uit de diepte steeg een aangename koelte op. Ook het heldere stroompje daarbeneden lokte; de kokosnoten, die ze vooral ter wille van de melk meevoerden, waren bijna op!„’t Zou daar in de schaduw beter zijn dan hierboven”, meende Rolf, terwijl hij over den rand keek. „Misschien kunnen we verderop ergens omlaagklauteren!”„Ja, laten we nog wat doorloopen!” stelde Padde uit zijn draagstoel voor. „Misschien vinden we nog een goeie plek!”Harmen keek hem met grenzelooze verachting aan. „Zeker,[411]Koning Knolraap!” schimpte hij. „Als je voeten er vuil van worden, zal Harmen ze wel schoonlikken!”Padde gromde wat.—Zwijgend, nu en dan een blik in de kloof werpend, gingen de jongens voort. En.….! ze hadden nog geen half uur geloopen, of van deze zijde der kloof daalde een ruwe, door de natuur gevormde trap af! In alle omzichtigheid en vergezeld van honderd waarschuwingen en raadgevingen van Padde, die met zijn hoofd schuin uit zijn draagstoel hing, klauterden de jongens omlaag in de heerlijke koelte. Hun eerste werk was, van hun handen een bekertje te maken en gretig het frissche, heldere bergwater op te slurpen.En toen werd beraadslaagd wat er nu gebeuren moest. Wanneer de jongens door de kloof hun tocht wilden vervolgen, moesten ze door het riviertje waden! Nu, alles beter dan daar boven in de gloeiende zon te tippelen! Hier was ook plantengroei; verderop scheen het zelfs alsof ze zich door de overhangende struiken baan zouden moeten breken. Maar zouden ze een droge plek vinden om den nacht door te brengen?Kom! Ze namen Padde op en vervolgden hun weg, nu door de kloof. Het ging beter dan ze verwacht hadden. Wel lagen in het water steenen, die vervelend drukten in de voetholten, maar ze waren alle door het water afgerond en hadden geen scherpe kanten. Weldadig deed het aan toen de jongens zich door het overhangende groen heenwerkten: er zaten geen stekels aan de twijgen, en de bladeren waren frisch en zacht.Op een grooten, platten bergsteen legden ze Padde een oogenblikje neer en namen een bad. Ook Joppie deed ditmaal mee: hij was toch al kletsnat.Na een uurtje gingen ze weer verder, en zie! hier liep langs het water een paadje! Dat maakte het loopen vrij wat lichter!Langzaam-aan begon het te schemeren, zoodat de jongens naar een plaats moesten uitkijken waar ze den nacht konden doorbrengen.„We zullen maar ergens aan de kant gaan liggen!” zei Harmen.Het was niet erg aanlokkelijk. Aarzelend hielden de anderen stil en keken de nu in de schemering wonderlijk geheimzinnige kloof door. „Als we nog eens door liepen tot aan de bocht?” vroeg Hajo.[412]Zonder veel hoop liepen de jongens nog even door en.…. en geloofden hun oogen niet! Als een gordijn hingen een paar bladerrijke takken neer, en toen ze die terzijde schoven, stonden ze voor een prachtig, zandig plekje, ter zijde van het water. De rotswanden waren hier geheel begroeid; met geurige bloemen overdekte boompjes hingen vertrouwelijk over dit knusse kamertje in de natuur, en daaronder stonden in den wand zachtgroene varens.„Dâ’s andere koek!” riep Harmen.Padde rekte zich den hals uit. „Ga opzij! Ik kan niets zien!”„Jawel, radjah Boendersteel!” zei Harmen. „Kan uwes zoo beter zien?”„Ja.—Wat ligt daar voor een beest?! Een.…. eenkrokodil!”„Wáár.….?!”„Daar, onder die boom met die roode bloemen!”Harmen snelde toe. En zie.…. daar rende, met slangachtige lichaamswendingen, een enorm groote hagedis weg. Het beest schoot, daar hem geen andere uitweg bleef, tusschen Harmen’s beenen door en deed hem door een geduchten zwaai met den staart in het zand ploffen. Nu wilde Hajo het dier den weg versperren, maar het wierp zich op; een geel-witte buik glansde Hajo tegen, en toen onze vriend haastig terzijde sprong, scheerde een zware poot met lange, scherpe nagels hem rakelings langs het gelaat. Met een plons stortte het dier zich in het water, dat hoog opspatte.…. en was verdwenen.De jongens waren beduusd. „Een bijawak.….!” stamelde Dolimah.„Was het geen krokodil?” vroeg Rolf.„Neen”, zij Dolimah, „het was maar een bijawak, maar een heel groote! Hij rooft veel kippen en eieren!”„Laat hem naar de weerlicht loopen!” pruttelde Harmen, die weer overeind gekrabbeld was. „Kom, jongens, ’t is hier fijn, da’s vast!” En de jongens namen het idyllische plekje voor den nacht in bezit. Een bed van varens was gauw gemaakt; Dolimah slaagde er in, een paar droge takjes vuur te doen vatten. Veel dood hout was er niet te vinden, ofschoon genoeg boomen daarboven de kloof overwelfden,—de regen zou het wel hebben[413]weggespoeld. Ze moesten dus maar groen hout branden, dat verbazend knapte, maar tenslotte toch vlam vatte.„Tja!” zei Harmen, „we hebben het niet voor het uitzoeken en van de lucht kunnen we niet leven, dus.…. hou je maar klaar, ouwe jongen!” Harmen had het tegen het biggetje. „Dat je het niet lollig vindt, zie ik zoo wel aan je snoet, maar.…. je moet maar denken: beter goed gebraje, als half gaar gekookt!”„Chrrrrr.….!” knorde het arme diertje.„Geduld!” zei Harmen. En hij begon op een vlakken steen zijn mes te wetten. De krulstaart wachtte met slaperige, halfdichte oogjes,Dolimah vertelde met zachte, trage stem van een bijawak, die in haar dorpje gevangen was en gedood. Droomend luisterden de jongens. Het vuur was gaan smeulen, gaf nauwelijks meer wat glans af. Maanlicht viel nu door de bladeren. Roerloos, als zilveren orgelpijpen, stonden de stralen bundels. In een ervan daalde, zachtkens wiegelend, een dood blad omlaag, wentelend om het steeltje.Harmen’s mes was nu gewet en blonk. „Kom!” zei onze koksmaat, overeind springend en wat hout op het vuur gooiend, zoodat het spoedig weer oplaaide. „Kom jij nou maar eens bij Harremen, ouwe heer, hij zal je niks doen.”„Harmen”, zei Rolf een weinig geprikkeld, „dat dat beestje geslacht moet worden, spreekt vanzelf, maar ik wou, dat je er die redevoeringen nu maar bij achterwege liet. En ga er wat mee op zij, dat Dolimah het niet ziet.”Harmen staarde Rolf met grenzelooze verbazing aan. „Zeker, Majesteit!” stamelde hij toen, want Harmen’s gedachten schenen zich vandaag in vorstelijke kringen te vermeien, „uwes heeft maar te bevelen!—Hier, mormel!” zei hij minder eerbiedig tegen het arme krulstaartje, dat er toch wel het allerminst schuld aan had. „’k Zou anders weleens willen weten, wie zulke zaakjes moest opknappen, als Harmen het niet deed!”„Ik!” zei Rolf kortaf.„’k Hoor het je zeggen!” hoonde Harmen. „Neen, wees maar blij, dat Harremen zich over je ontfermt, stom dier, wantzijzouden je samen liever doodpesten, dan je even een[414]ritsje te geven! Ja, als je uit de kombuis komt! Dan staan ze met hun petje klaar! Ze denken zeker, dat je vanzelf de pan bent ingevlogen.….” En Harmen ging met zijn beschermeling grommend den hoek om.Maar toen hij even later met een reeds gevild biggetje terugkeerde, was hij zijn gramschap vergeten. „Daar heb je mosjeu!” riep hij vergenoegd uit. „We hebben er voor morgen ook nog zat aan. Is ’t geen mooi portretje? Hij zei nog, dat z’n pootjes het lekkerst bennen—nou, geef m’n spies dan maar eens hier, Hajo, dan zullen we eens kijken of hij de waarheid heeft gesproken!”Den rooden weerschijn van de oplaaiende vlammen tegen het naakte bovenlichaam, stond Harmen zijn biggetje te braden; hij scheen een ware duivel, zooals hij grinnikend de speer, met aan het uiteinde de sissende, vetdruipende bout, in de vlammen draaide.Grotesk nabootsend elke beweging, stond zijn schaduw fantastisch-groot tegen den kalen rotswand aan de overzijde.Harmen braadt zijn biggetje.[415]
DE BIJAWAKDE BIJAWAK
DE BIJAWAK
Toen ze al vroeg in den volgenden ochtend de draagbaar weer oppakten, ontwaakte Padde en keek verbaasd, met matten oogopslag naar boven. „W-wat zal ik n-nou beleven.….?” stamelde hij.„Padde.….?! Ben je weer beter? Hoe voel je je?”„Best. ’k Heb zoo fijn geslapen. Maar ik voel me nog.…. zoo moe. Dragen jullie me?”„We zullen je later alles vertellen, als je weer heelemaal beter bent! We gaan nou naar zee, Padde! Naar ’t Westen, dan is het niet ver!”Padde glimlachte. „Nou, ik vind het best, zeg! Ik zal blij zijn, als ik de zee weer zie!”En genoegelijk liet hij zich voortdragen. „’t Is me hier ’t zonnetje wel! Ik zal maar een takje boven m’n kop houden, dan heb ik er niet zoo’n last van.” En tegen Harmen: „Nou mag jij wel weer eens een eindje dragen, Harmen! Kijk Hajo eens zweeten op zijn rug!”„Als we je om de tien passen zouden overtakelen, lagen we in een ommezien allemaal op de lij!” meende Harmen.„Om de tien passen!” smaalde Padde. „Hoe lang draag jij nou al wel, Hajo? Toch minstens een uur?”„Ik kan nog best!” gromde Hajo, wrevelig over Padde’s ongewenschte deelneming in zijn lot.„Ja, dat zie ik aan je rug!” hoonde Padde. „’t Lijkt wel of[410]er pas gezwabberd is! Vooruit, Harmen, wees niet zoo kinderachtig! Jij loopt toch maar niks te doen!”„Goeie morrege: niks doen!” gromde Harmen. En, plots grinnikend, voegde hij er aan toe, duidend op het biggetje aan zijn pikolan: „’k Dráág ommers al een varken?”Padde zocht grimmig naar een vlijmscherp antwoord. Hij vond er geen.Maar spoedig was Padde de beleediging weer vergeten. Hij begon zachtjes te fluiten, de oogen dicht tegen de zon. „’k Lig hier fijn!” stelde hij de anderen gerust. „Als in een koets! Jij bent de palfrenier, Rolf! En Harmen is het paard. Hu, paard!” Padde smakte met de tong.Harmen, die nu toch Hajo’s taak had overgenomen, keerde zich om. „Zeg er eens, jij ligt daar zoo’n lawaai te schoppen: kun je nog niet loopen?”Padde keek sip. „’k Zal eens kijken!” zuchtte hij en richtte zich op. Maar alleen die beweging kostte hem al zooveel inspanning, dat hij lijkwit, met gesloten oogen, weer achterover viel. Harmen zag, dat het niet geveinsd was. „Nou, vooruit dan maar weer.….” zuchtte hij.—En Rolf berispte: „Je moet stil blijven, Padde, en ook niet fluiten! Hoe gauwer je beter bent, hoe prettiger het voor ons allemaal is.”„Knap maar.….” prevelde Padde.Onverwachts vertoonde zich voor hun oogen een breede scheur in de rotsen, en, naderende, hoorden ze, dat in de diepte een beekje stroomde, waarschijnlijk hetzelfde als waarover de rotan-brug gelegen had. Ook hier was de kloof onheilspellend diep en van er overheen te komen geen sprake. Nu, als ze het beekje maar volgden, kwamen ze vanzelf aan zee!Uit de diepte steeg een aangename koelte op. Ook het heldere stroompje daarbeneden lokte; de kokosnoten, die ze vooral ter wille van de melk meevoerden, waren bijna op!„’t Zou daar in de schaduw beter zijn dan hierboven”, meende Rolf, terwijl hij over den rand keek. „Misschien kunnen we verderop ergens omlaagklauteren!”„Ja, laten we nog wat doorloopen!” stelde Padde uit zijn draagstoel voor. „Misschien vinden we nog een goeie plek!”Harmen keek hem met grenzelooze verachting aan. „Zeker,[411]Koning Knolraap!” schimpte hij. „Als je voeten er vuil van worden, zal Harmen ze wel schoonlikken!”Padde gromde wat.—Zwijgend, nu en dan een blik in de kloof werpend, gingen de jongens voort. En.….! ze hadden nog geen half uur geloopen, of van deze zijde der kloof daalde een ruwe, door de natuur gevormde trap af! In alle omzichtigheid en vergezeld van honderd waarschuwingen en raadgevingen van Padde, die met zijn hoofd schuin uit zijn draagstoel hing, klauterden de jongens omlaag in de heerlijke koelte. Hun eerste werk was, van hun handen een bekertje te maken en gretig het frissche, heldere bergwater op te slurpen.En toen werd beraadslaagd wat er nu gebeuren moest. Wanneer de jongens door de kloof hun tocht wilden vervolgen, moesten ze door het riviertje waden! Nu, alles beter dan daar boven in de gloeiende zon te tippelen! Hier was ook plantengroei; verderop scheen het zelfs alsof ze zich door de overhangende struiken baan zouden moeten breken. Maar zouden ze een droge plek vinden om den nacht door te brengen?Kom! Ze namen Padde op en vervolgden hun weg, nu door de kloof. Het ging beter dan ze verwacht hadden. Wel lagen in het water steenen, die vervelend drukten in de voetholten, maar ze waren alle door het water afgerond en hadden geen scherpe kanten. Weldadig deed het aan toen de jongens zich door het overhangende groen heenwerkten: er zaten geen stekels aan de twijgen, en de bladeren waren frisch en zacht.Op een grooten, platten bergsteen legden ze Padde een oogenblikje neer en namen een bad. Ook Joppie deed ditmaal mee: hij was toch al kletsnat.Na een uurtje gingen ze weer verder, en zie! hier liep langs het water een paadje! Dat maakte het loopen vrij wat lichter!Langzaam-aan begon het te schemeren, zoodat de jongens naar een plaats moesten uitkijken waar ze den nacht konden doorbrengen.„We zullen maar ergens aan de kant gaan liggen!” zei Harmen.Het was niet erg aanlokkelijk. Aarzelend hielden de anderen stil en keken de nu in de schemering wonderlijk geheimzinnige kloof door. „Als we nog eens door liepen tot aan de bocht?” vroeg Hajo.[412]Zonder veel hoop liepen de jongens nog even door en.…. en geloofden hun oogen niet! Als een gordijn hingen een paar bladerrijke takken neer, en toen ze die terzijde schoven, stonden ze voor een prachtig, zandig plekje, ter zijde van het water. De rotswanden waren hier geheel begroeid; met geurige bloemen overdekte boompjes hingen vertrouwelijk over dit knusse kamertje in de natuur, en daaronder stonden in den wand zachtgroene varens.„Dâ’s andere koek!” riep Harmen.Padde rekte zich den hals uit. „Ga opzij! Ik kan niets zien!”„Jawel, radjah Boendersteel!” zei Harmen. „Kan uwes zoo beter zien?”„Ja.—Wat ligt daar voor een beest?! Een.…. eenkrokodil!”„Wáár.….?!”„Daar, onder die boom met die roode bloemen!”Harmen snelde toe. En zie.…. daar rende, met slangachtige lichaamswendingen, een enorm groote hagedis weg. Het beest schoot, daar hem geen andere uitweg bleef, tusschen Harmen’s beenen door en deed hem door een geduchten zwaai met den staart in het zand ploffen. Nu wilde Hajo het dier den weg versperren, maar het wierp zich op; een geel-witte buik glansde Hajo tegen, en toen onze vriend haastig terzijde sprong, scheerde een zware poot met lange, scherpe nagels hem rakelings langs het gelaat. Met een plons stortte het dier zich in het water, dat hoog opspatte.…. en was verdwenen.De jongens waren beduusd. „Een bijawak.….!” stamelde Dolimah.„Was het geen krokodil?” vroeg Rolf.„Neen”, zij Dolimah, „het was maar een bijawak, maar een heel groote! Hij rooft veel kippen en eieren!”„Laat hem naar de weerlicht loopen!” pruttelde Harmen, die weer overeind gekrabbeld was. „Kom, jongens, ’t is hier fijn, da’s vast!” En de jongens namen het idyllische plekje voor den nacht in bezit. Een bed van varens was gauw gemaakt; Dolimah slaagde er in, een paar droge takjes vuur te doen vatten. Veel dood hout was er niet te vinden, ofschoon genoeg boomen daarboven de kloof overwelfden,—de regen zou het wel hebben[413]weggespoeld. Ze moesten dus maar groen hout branden, dat verbazend knapte, maar tenslotte toch vlam vatte.„Tja!” zei Harmen, „we hebben het niet voor het uitzoeken en van de lucht kunnen we niet leven, dus.…. hou je maar klaar, ouwe jongen!” Harmen had het tegen het biggetje. „Dat je het niet lollig vindt, zie ik zoo wel aan je snoet, maar.…. je moet maar denken: beter goed gebraje, als half gaar gekookt!”„Chrrrrr.….!” knorde het arme diertje.„Geduld!” zei Harmen. En hij begon op een vlakken steen zijn mes te wetten. De krulstaart wachtte met slaperige, halfdichte oogjes,Dolimah vertelde met zachte, trage stem van een bijawak, die in haar dorpje gevangen was en gedood. Droomend luisterden de jongens. Het vuur was gaan smeulen, gaf nauwelijks meer wat glans af. Maanlicht viel nu door de bladeren. Roerloos, als zilveren orgelpijpen, stonden de stralen bundels. In een ervan daalde, zachtkens wiegelend, een dood blad omlaag, wentelend om het steeltje.Harmen’s mes was nu gewet en blonk. „Kom!” zei onze koksmaat, overeind springend en wat hout op het vuur gooiend, zoodat het spoedig weer oplaaide. „Kom jij nou maar eens bij Harremen, ouwe heer, hij zal je niks doen.”„Harmen”, zei Rolf een weinig geprikkeld, „dat dat beestje geslacht moet worden, spreekt vanzelf, maar ik wou, dat je er die redevoeringen nu maar bij achterwege liet. En ga er wat mee op zij, dat Dolimah het niet ziet.”Harmen staarde Rolf met grenzelooze verbazing aan. „Zeker, Majesteit!” stamelde hij toen, want Harmen’s gedachten schenen zich vandaag in vorstelijke kringen te vermeien, „uwes heeft maar te bevelen!—Hier, mormel!” zei hij minder eerbiedig tegen het arme krulstaartje, dat er toch wel het allerminst schuld aan had. „’k Zou anders weleens willen weten, wie zulke zaakjes moest opknappen, als Harmen het niet deed!”„Ik!” zei Rolf kortaf.„’k Hoor het je zeggen!” hoonde Harmen. „Neen, wees maar blij, dat Harremen zich over je ontfermt, stom dier, wantzijzouden je samen liever doodpesten, dan je even een[414]ritsje te geven! Ja, als je uit de kombuis komt! Dan staan ze met hun petje klaar! Ze denken zeker, dat je vanzelf de pan bent ingevlogen.….” En Harmen ging met zijn beschermeling grommend den hoek om.Maar toen hij even later met een reeds gevild biggetje terugkeerde, was hij zijn gramschap vergeten. „Daar heb je mosjeu!” riep hij vergenoegd uit. „We hebben er voor morgen ook nog zat aan. Is ’t geen mooi portretje? Hij zei nog, dat z’n pootjes het lekkerst bennen—nou, geef m’n spies dan maar eens hier, Hajo, dan zullen we eens kijken of hij de waarheid heeft gesproken!”Den rooden weerschijn van de oplaaiende vlammen tegen het naakte bovenlichaam, stond Harmen zijn biggetje te braden; hij scheen een ware duivel, zooals hij grinnikend de speer, met aan het uiteinde de sissende, vetdruipende bout, in de vlammen draaide.Grotesk nabootsend elke beweging, stond zijn schaduw fantastisch-groot tegen den kalen rotswand aan de overzijde.Harmen braadt zijn biggetje.[415]
Toen ze al vroeg in den volgenden ochtend de draagbaar weer oppakten, ontwaakte Padde en keek verbaasd, met matten oogopslag naar boven. „W-wat zal ik n-nou beleven.….?” stamelde hij.
„Padde.….?! Ben je weer beter? Hoe voel je je?”
„Best. ’k Heb zoo fijn geslapen. Maar ik voel me nog.…. zoo moe. Dragen jullie me?”
„We zullen je later alles vertellen, als je weer heelemaal beter bent! We gaan nou naar zee, Padde! Naar ’t Westen, dan is het niet ver!”
Padde glimlachte. „Nou, ik vind het best, zeg! Ik zal blij zijn, als ik de zee weer zie!”
En genoegelijk liet hij zich voortdragen. „’t Is me hier ’t zonnetje wel! Ik zal maar een takje boven m’n kop houden, dan heb ik er niet zoo’n last van.” En tegen Harmen: „Nou mag jij wel weer eens een eindje dragen, Harmen! Kijk Hajo eens zweeten op zijn rug!”
„Als we je om de tien passen zouden overtakelen, lagen we in een ommezien allemaal op de lij!” meende Harmen.
„Om de tien passen!” smaalde Padde. „Hoe lang draag jij nou al wel, Hajo? Toch minstens een uur?”
„Ik kan nog best!” gromde Hajo, wrevelig over Padde’s ongewenschte deelneming in zijn lot.
„Ja, dat zie ik aan je rug!” hoonde Padde. „’t Lijkt wel of[410]er pas gezwabberd is! Vooruit, Harmen, wees niet zoo kinderachtig! Jij loopt toch maar niks te doen!”
„Goeie morrege: niks doen!” gromde Harmen. En, plots grinnikend, voegde hij er aan toe, duidend op het biggetje aan zijn pikolan: „’k Dráág ommers al een varken?”
Padde zocht grimmig naar een vlijmscherp antwoord. Hij vond er geen.
Maar spoedig was Padde de beleediging weer vergeten. Hij begon zachtjes te fluiten, de oogen dicht tegen de zon. „’k Lig hier fijn!” stelde hij de anderen gerust. „Als in een koets! Jij bent de palfrenier, Rolf! En Harmen is het paard. Hu, paard!” Padde smakte met de tong.
Harmen, die nu toch Hajo’s taak had overgenomen, keerde zich om. „Zeg er eens, jij ligt daar zoo’n lawaai te schoppen: kun je nog niet loopen?”
Padde keek sip. „’k Zal eens kijken!” zuchtte hij en richtte zich op. Maar alleen die beweging kostte hem al zooveel inspanning, dat hij lijkwit, met gesloten oogen, weer achterover viel. Harmen zag, dat het niet geveinsd was. „Nou, vooruit dan maar weer.….” zuchtte hij.—En Rolf berispte: „Je moet stil blijven, Padde, en ook niet fluiten! Hoe gauwer je beter bent, hoe prettiger het voor ons allemaal is.”
„Knap maar.….” prevelde Padde.
Onverwachts vertoonde zich voor hun oogen een breede scheur in de rotsen, en, naderende, hoorden ze, dat in de diepte een beekje stroomde, waarschijnlijk hetzelfde als waarover de rotan-brug gelegen had. Ook hier was de kloof onheilspellend diep en van er overheen te komen geen sprake. Nu, als ze het beekje maar volgden, kwamen ze vanzelf aan zee!
Uit de diepte steeg een aangename koelte op. Ook het heldere stroompje daarbeneden lokte; de kokosnoten, die ze vooral ter wille van de melk meevoerden, waren bijna op!
„’t Zou daar in de schaduw beter zijn dan hierboven”, meende Rolf, terwijl hij over den rand keek. „Misschien kunnen we verderop ergens omlaagklauteren!”
„Ja, laten we nog wat doorloopen!” stelde Padde uit zijn draagstoel voor. „Misschien vinden we nog een goeie plek!”
Harmen keek hem met grenzelooze verachting aan. „Zeker,[411]Koning Knolraap!” schimpte hij. „Als je voeten er vuil van worden, zal Harmen ze wel schoonlikken!”
Padde gromde wat.—Zwijgend, nu en dan een blik in de kloof werpend, gingen de jongens voort. En.….! ze hadden nog geen half uur geloopen, of van deze zijde der kloof daalde een ruwe, door de natuur gevormde trap af! In alle omzichtigheid en vergezeld van honderd waarschuwingen en raadgevingen van Padde, die met zijn hoofd schuin uit zijn draagstoel hing, klauterden de jongens omlaag in de heerlijke koelte. Hun eerste werk was, van hun handen een bekertje te maken en gretig het frissche, heldere bergwater op te slurpen.
En toen werd beraadslaagd wat er nu gebeuren moest. Wanneer de jongens door de kloof hun tocht wilden vervolgen, moesten ze door het riviertje waden! Nu, alles beter dan daar boven in de gloeiende zon te tippelen! Hier was ook plantengroei; verderop scheen het zelfs alsof ze zich door de overhangende struiken baan zouden moeten breken. Maar zouden ze een droge plek vinden om den nacht door te brengen?
Kom! Ze namen Padde op en vervolgden hun weg, nu door de kloof. Het ging beter dan ze verwacht hadden. Wel lagen in het water steenen, die vervelend drukten in de voetholten, maar ze waren alle door het water afgerond en hadden geen scherpe kanten. Weldadig deed het aan toen de jongens zich door het overhangende groen heenwerkten: er zaten geen stekels aan de twijgen, en de bladeren waren frisch en zacht.
Op een grooten, platten bergsteen legden ze Padde een oogenblikje neer en namen een bad. Ook Joppie deed ditmaal mee: hij was toch al kletsnat.
Na een uurtje gingen ze weer verder, en zie! hier liep langs het water een paadje! Dat maakte het loopen vrij wat lichter!
Langzaam-aan begon het te schemeren, zoodat de jongens naar een plaats moesten uitkijken waar ze den nacht konden doorbrengen.
„We zullen maar ergens aan de kant gaan liggen!” zei Harmen.
Het was niet erg aanlokkelijk. Aarzelend hielden de anderen stil en keken de nu in de schemering wonderlijk geheimzinnige kloof door. „Als we nog eens door liepen tot aan de bocht?” vroeg Hajo.[412]
Zonder veel hoop liepen de jongens nog even door en.…. en geloofden hun oogen niet! Als een gordijn hingen een paar bladerrijke takken neer, en toen ze die terzijde schoven, stonden ze voor een prachtig, zandig plekje, ter zijde van het water. De rotswanden waren hier geheel begroeid; met geurige bloemen overdekte boompjes hingen vertrouwelijk over dit knusse kamertje in de natuur, en daaronder stonden in den wand zachtgroene varens.
„Dâ’s andere koek!” riep Harmen.
Padde rekte zich den hals uit. „Ga opzij! Ik kan niets zien!”
„Jawel, radjah Boendersteel!” zei Harmen. „Kan uwes zoo beter zien?”
„Ja.—Wat ligt daar voor een beest?! Een.…. eenkrokodil!”
„Wáár.….?!”
„Daar, onder die boom met die roode bloemen!”
Harmen snelde toe. En zie.…. daar rende, met slangachtige lichaamswendingen, een enorm groote hagedis weg. Het beest schoot, daar hem geen andere uitweg bleef, tusschen Harmen’s beenen door en deed hem door een geduchten zwaai met den staart in het zand ploffen. Nu wilde Hajo het dier den weg versperren, maar het wierp zich op; een geel-witte buik glansde Hajo tegen, en toen onze vriend haastig terzijde sprong, scheerde een zware poot met lange, scherpe nagels hem rakelings langs het gelaat. Met een plons stortte het dier zich in het water, dat hoog opspatte.…. en was verdwenen.
De jongens waren beduusd. „Een bijawak.….!” stamelde Dolimah.
„Was het geen krokodil?” vroeg Rolf.
„Neen”, zij Dolimah, „het was maar een bijawak, maar een heel groote! Hij rooft veel kippen en eieren!”
„Laat hem naar de weerlicht loopen!” pruttelde Harmen, die weer overeind gekrabbeld was. „Kom, jongens, ’t is hier fijn, da’s vast!” En de jongens namen het idyllische plekje voor den nacht in bezit. Een bed van varens was gauw gemaakt; Dolimah slaagde er in, een paar droge takjes vuur te doen vatten. Veel dood hout was er niet te vinden, ofschoon genoeg boomen daarboven de kloof overwelfden,—de regen zou het wel hebben[413]weggespoeld. Ze moesten dus maar groen hout branden, dat verbazend knapte, maar tenslotte toch vlam vatte.
„Tja!” zei Harmen, „we hebben het niet voor het uitzoeken en van de lucht kunnen we niet leven, dus.…. hou je maar klaar, ouwe jongen!” Harmen had het tegen het biggetje. „Dat je het niet lollig vindt, zie ik zoo wel aan je snoet, maar.…. je moet maar denken: beter goed gebraje, als half gaar gekookt!”
„Chrrrrr.….!” knorde het arme diertje.
„Geduld!” zei Harmen. En hij begon op een vlakken steen zijn mes te wetten. De krulstaart wachtte met slaperige, halfdichte oogjes,
Dolimah vertelde met zachte, trage stem van een bijawak, die in haar dorpje gevangen was en gedood. Droomend luisterden de jongens. Het vuur was gaan smeulen, gaf nauwelijks meer wat glans af. Maanlicht viel nu door de bladeren. Roerloos, als zilveren orgelpijpen, stonden de stralen bundels. In een ervan daalde, zachtkens wiegelend, een dood blad omlaag, wentelend om het steeltje.
Harmen’s mes was nu gewet en blonk. „Kom!” zei onze koksmaat, overeind springend en wat hout op het vuur gooiend, zoodat het spoedig weer oplaaide. „Kom jij nou maar eens bij Harremen, ouwe heer, hij zal je niks doen.”
„Harmen”, zei Rolf een weinig geprikkeld, „dat dat beestje geslacht moet worden, spreekt vanzelf, maar ik wou, dat je er die redevoeringen nu maar bij achterwege liet. En ga er wat mee op zij, dat Dolimah het niet ziet.”
Harmen staarde Rolf met grenzelooze verbazing aan. „Zeker, Majesteit!” stamelde hij toen, want Harmen’s gedachten schenen zich vandaag in vorstelijke kringen te vermeien, „uwes heeft maar te bevelen!—Hier, mormel!” zei hij minder eerbiedig tegen het arme krulstaartje, dat er toch wel het allerminst schuld aan had. „’k Zou anders weleens willen weten, wie zulke zaakjes moest opknappen, als Harmen het niet deed!”
„Ik!” zei Rolf kortaf.
„’k Hoor het je zeggen!” hoonde Harmen. „Neen, wees maar blij, dat Harremen zich over je ontfermt, stom dier, wantzijzouden je samen liever doodpesten, dan je even een[414]ritsje te geven! Ja, als je uit de kombuis komt! Dan staan ze met hun petje klaar! Ze denken zeker, dat je vanzelf de pan bent ingevlogen.….” En Harmen ging met zijn beschermeling grommend den hoek om.
Maar toen hij even later met een reeds gevild biggetje terugkeerde, was hij zijn gramschap vergeten. „Daar heb je mosjeu!” riep hij vergenoegd uit. „We hebben er voor morgen ook nog zat aan. Is ’t geen mooi portretje? Hij zei nog, dat z’n pootjes het lekkerst bennen—nou, geef m’n spies dan maar eens hier, Hajo, dan zullen we eens kijken of hij de waarheid heeft gesproken!”
Den rooden weerschijn van de oplaaiende vlammen tegen het naakte bovenlichaam, stond Harmen zijn biggetje te braden; hij scheen een ware duivel, zooals hij grinnikend de speer, met aan het uiteinde de sissende, vetdruipende bout, in de vlammen draaide.
Grotesk nabootsend elke beweging, stond zijn schaduw fantastisch-groot tegen den kalen rotswand aan de overzijde.
Harmen braadt zijn biggetje.
[415]