DE HOREN DES OVERVLOEDS

[Inhoud]DE HOREN DES OVERVLOEDSDE HOREN DES OVERVLOEDSDat werd een feest! Je hoefde de handen maar uit te steken, en je hadt wildbraad zooveel je maar wilde, jongens! Zes man gingen er met den zegen op uit en trokken dien door het brakke binnenwater. In een ommezien hadden ze het net vol.Harmen, Rolf en Hajo gingen naar het riviertje, waarin het van vette paling wemelde. Voorzichtig liep Hajo het water in om ze te grijpen, maar de dieren glipten hem tusschen de vingers door.„Ik weet beter!” zei Harmen. „We trekken onze hemden door het water!” Hij trok z’n hemd uit, legde er een stevigen knoop in.„Je mag er nog wel een paar knoopen in leggen”, meende Rolf.„Vanwege die paar scheurtjes?” vroeg Harmen geringschattend en stekelig. „Geef me jouw hemd ook, Hajo. Dan doen we er dat overheen!”Bereidwillig stond Hajo zijn hemd af. Toen was er geen doorgang meer voor het kleinste palinkje. En met veel succes werd het „net” door het beekje getrokken. Harmen had de pijpen van zijn broek om z’n kuiten dichtgebonden, ten einde dit nuttige kleedingsstuk als bewaarplaats voor de palingen te kunnen aanwenden. „Ze bijten niet!” stelde hij zijn makkers gerust, terwijl hij de kronkelende, glibberige dieren weg[175]liet glijden. Eindelijk spande de broek aan alle zijden en deinde geheimzinnig op en neer. „’n Rot gevoel!” bekende Harmen.Andere maats waren ter duivenvangst getogen. De mooie, grijsblauwe vogels werden zonder de geringste moeite bij dozijnen buitgemaakt. Het was hartroerend te zien, hoe de makkers der arme gevangenen hun leven waagden om ze te bevrijden. Ook de papegaaien en de parkieten kwamen dapper voor hun soortgenooten op, vlogen krijschend om de hoofden der mannen heen, die een kromsnavel hadden weten te bemachtigen. Een enkele oome werd dan ook wel eens benauwd en liet zijn prooi weer los. Ze konden zoo gemeen bijten!Padde was te opgewonden om zich tot een enkel ding te kunnen bepalen. Hij verscheen overal ten tooneele waar zijn hulp niet verlangd werd, liep boos weg, wanneer hem daarop gewezen werd, kwam weer terug en bepaalde zich overigens tot aanmerkingen maken op wat anderen deden. Intusschen bleef hij voorzichtig als een ekster, steeds gereed in een boom te springen, wanneer zijn ongelukkig gesternte hem in de buurt van een leeuw of koningstijger zou voeren, en hij ontweek elken stam, waarachter zich een menscheneter verdekt zou kunnen hebben opgesteld,„Wat doen jullie daar?” vroeg hij aan de maats, die de opdracht hadden om de leege watertonnen uit het riviertje te vullen.„Water innemen! Om de tanden te poesse! Help maar ’n handje!”„Nemen jullienoual water in?? We gaan toch nog lang niet weg!”„De bootsman heeft ’t gezegd. Voor de rest hebben wij d’r niks mee te maken.”„De bootsman is stapelgek”, verzekerde Padde.De oomes keken bij die vermetele woorden uit den mond van dat botteliersmaatje, dat nauwelijks droog achter de ooren was, verbaasd op. Padde stak de borst vooruit om te laten zien, dat hij er de vent niet naar was, een eens gesproken woord terug te nemen.„Zeg dat eens waar de bootsman bij staat? Ik heb je nog nooit zien aframmelen.”[176]„Je hebt de bootsman zeker óók nog nooit zien aframmelen?” vroeg Padde. Toen draaide hij zich hooghartig om. Met open mond keken de oomes hem na.Padde toog naar het strand, waar een stelletje maats bezig was met het vangen van schildpadden, een weinig spannende jacht, daar de logge reuzen niet de geringste poging tot vluchten deden, er zich toe bepaalden kop en pooten in de hoornen vesting onder te brengen. Men keerde ze met stokken om en sleepte ze weg naar de plaats waar Bolle de kombuis had opgeslagen.Padde besloot om op z’n eentje aan het werk te tijgen. Maar terwijl hij het zware dier, dat hij zich als slachtoffer had uitgezocht, trachtte om te wentelen, ontdekte Padde onder den schildpad een gat in het zand, en in dat gat lagen tallooze kogelronde eitjes, zoo groot als die van een duif. Onze botteliersmaat begon te schreeuwen als een mager varken. „Kom eens hier! Kom eens kijken!!”De maats renden toe en waren even verbaasd als Padde. Maar Gerretje, een oome met een langen hals en daarop een rond hoofd als een kegelbal, had al tweemaal Bantam en Sumatra gezien, griste zonder veel omhaal van woorden de eieren uit het gat en borg ze in zijn muts.„Geef hier!” riep Padde. „Die eieren zijn van mij!”„Blijf er nog maar wat bij wachten,” ried Gerretje hem aan. „Hij legt er nog wel net zooveel bij!” Gerretje’s bewering klonk wat kras, en ze was het ook.Padde geloofde er geen duit van. En om dat te bewijzen gaf hij Gerretje, die zich juist grinnikend boog over het laatste handje-vol eieren, een fermen slag op de volle muts. Toen spoedde hij zich haastig voort, terwijl Gerretje raasde en tierde en zich de klodders eierstruis uit nek, ooren en oogen trachtte te werken. Boos en verdrietig was Padde. Hij nam zich voor, bij den schipper zijn beklag te doen.Maar terwijl de arme jongen nog overal naar Bontekoe zocht en op behoorlijke zeemansmanier door de oomes van het kastje naar den muur werd gestuurd, zag hij schuin tegen een boom een pot staan. Er waren kerven in den stam aangebracht en daaruit droop een dik, wit vocht omlaag, juist in den pot. Het zag er niet onsmakelijk uit. Padde rook eerst eens, doopte toen[177]vol vertrouwen duim en wijsvinger in den pot en likte ze af. Het vertrouwen werd beloond: Padde stelde vast, dat de witte, dikke vloeistof erg zoet was, en daar Padde alles wat zoet was lekker vond, doopte hij nogmaals zijn vingers in den pot en, al likkende en slikkende, groeide in hem onwrikbaar het plan, om niet te rusten, vóór de bodem van den pot aan het daglicht onthuld was.„Beroerde kerel, dat je bent!”„Beroerde kerel, dat je bent!”[178]Maar onverwachts regende het harde noten op zijn hoofd en schouders, en uit de hoogte, van onder de lange, gevederde bladeren van den gekerfden suikerpalm, schreeuwde de Neus: „Beroerde kerel, dat je bent!”Padde blikte, star van schrik, omhoog. Eerst toen hij zeker wist, dat het slechts de Neus en geen menscheneter was, die zich daar onder het bladerdak verscholen had, vond hij zijn kalmte terug. „D’r is voor geen duit smaak aan!” verklaarde hij.„Blijf er dan af met je gap-jatten!”„Als je nog een woord zegt, trap ik de heele boel om!” verzekerde Padde. En om te bewijzen, dat hij niet gauw in zijn schulp kroop, stak Padde pardoes zijn heele vuist in den pot.„Wel sapperloot.….!” was al wat de Neus er nog kon uitbrengen.Padde ging, al likkend, zijns weegs. Ja, zoozeer was hij in dien zoeten arbeid verdiept, dat hij niet eens merkte, hoe een groote wesp, eveneens aangetrokken door den geur van het palmvocht, zich onder tegen zijn hand zette. Maar plotseling voelde Padde een hevigen steek; hij slingerde het gevleugelde monster van zich af, schreeuwde, of hij vermoord werd, en stak bijkans zijn hand in den mond om de pijn weg te zuigen. Maar het gekwetste lichaamsdeel zwol op als een varkensblaasje.Padde’s stemming daalde tot levensmoeheid. Ten slotte zocht en vond hij vergetelheid in het bergstroompje. Hij vulde zijn mond met water, ging toen op zijn rug drijven en speelde walvisch door zijn vingers op de lippen te leggen en het water door een spleetje omhoog te spuiten. Hij wilde ook duiken, sprong van een overhangenden tak het water in, maar kwam onzacht neer op zijn maag. Daarom gaf hij het zwemmen op.Een half uur later kon men hem met een paal zien sjouwen met een bordje er aan, waarin letters waren gegrift. „Lees dat eens, Vader Langjas!” zei hij, terwijl hij den barbier, die kruiden aan het zoeken was, het bordje onder den neus duwde.De barbier zette, verrast, zijn bril op. „Ick, Adriaen Maertsz. Block, commandeur van.….!—Dat zullen we de schipper eens laten zien! Hoe kom je er aan, Padde?”„Gevonden!” zei Padde. „Ik dacht wel, dat het letters waren; daar heb je een pee, zie je wel? Nou, wat staat er nou op?”[179]„Wel, vrindje, hier staat.….”—en Vader Langjas zette zijn bril recht—„hier staat, dat Adriaen Maertsz. Block in het jaar onzes Heeren 1612 met dertien schepen op dit zelfde eiland is geweest. Hij heeft op de kust eenige manschappen verloren, doordat een paar sloepen in de branding zijn stukgeslagen. Je hebt natuurlijk wel van Adriaen Maertsz. Block gehoord?”„Jawel”, zei Padde. „De schipper van deHoornsche Zonheet Blok.”„Zoo.….” weifelde Vader Langjas. „’t Is een admiraal, weet je? Op de Afrikaansche kust heeft hij met dezelfde dertien schepen, waarvan hij hier spreekt, een Spaansche vloot verslagen.”„Merakel!” verklaarde Padde. „En dan te bedenken, dat hij nou met z’n smerige tjalk als beurtschipper vaart op Stavoren!”- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Gevogelte aan het spit.Men hield dien middag een feestmaaltijd. Duiven en ganzen werden aan het spit gebraden en daarbij met schildpadvet bedropen, zoodat ze glommen en mooie bruine korstjes kregen. Bolle bereidde voor zichzelf een flamingo, waarvan hij alleen de dikke vleezige tong, die den ganschen ondersnavel vult, verorberde. Naar Bolle’s gezicht en zijn genoegelijk smakken en vinger aflikken te oordeelen, moest een flamingo-tong een bijzondere lekkernij zijn; veel maats namen zich voor, om den volgenden dag ook eens zoo’n rood gepluimden gast bij den staart te pakken. Palingen en andere visschen zwommen eerst in sissend, pruttelend vet en daarna in de hongerige magen der avonturiers. Een berg van heerlijke vruchten lag opgestapeld om er den maaltijd mee te besluiten, en bovendien had Harmen een geweldige pudding gemaakt van meel, met schijfjes ananas, kokosmelk en bessensaus.Tijdens den maaltijd, die driemaal langer duurde dan anders, viel de schemering in. Het licht der lustig dansende vlammen der spitvuren werd als een feestelijke oproep verstaan door een leger gevleugelde insecten: uit hoeken en gaten kwamen ze[180]aansnorren, en ze zoemden zoo lang boven de vlammen, tot ze er met verschroeide vlerkjes in tuimelden.Men sloeg tenten op voor den nacht. Hajo, Rolf en Padde hadden samen ook een stuk zeildoek weten te veroveren, spreidden dekens uit op den grond, verhoogden het hoofdeinde van hun leger met zacht gras en voelden zich in een paleis.De oomes, die hun tent klaarhadden, staken een pijpje op en keken naar de sterren. Harmen haalde zijn „fiool” en speelde om beurten met Hajo, en de oomes wisten haast niet, wie mooier speelde.Zoo kwam de nacht. Hier en daar verdwenen er al in hun tent; het lachen en praten verstomde; Hajo en Padde, die bij mekaar waren gekropen, hoorden niets meer dan het tsjirpen van tallooze krekels, het snorren van een nachtvlinder, een enkel krijsch-geluid daar ver weg in het bosch, verstervend in duizend echo’s.….Rolf had uit een stukje blik, een tinnen kroes, wat schildpadvet en een wollen draad uit zijn sok een lamp samengesteld en bestudeerde bij het walmende lichtje de torren, kevers en vlindertjes, die hij in den loop van den middag voor dat doel gevangen had.Hajo kauwde op een grashalmpje, de handen onder het hoofd gesteund, de oogen gesloten. Padde lag op zijn rug naar de maan te turen.„Hajo?” vroeg Padde zacht. „Hoelang zijn we nou al uit Hoorn weg?”„Hoelang? Een.…. een half jaar zoowat.”„’n Half jaar.….!” zuchtte Padde. „Ik zie me nog op Gerrits kooi op den steiger zitten! Waar is Gerrit nou?”„Daar, vlakbij; ik heb hem op de onderste tak van die boom gezet.—Gerrit!”„Ka!” schreeuwde Gerrit verschrikt en slaapdronken. Hij maakte even een beweging, als wilde hij van den tak fladderen, waarop hij zat, bedacht zich toen wijselijk, keek zijn meester weemoedig aan, slikte iets weg en borg resoluut zijn zwarten kop weer tusschen de veeren.„Wel te rusten”, zei Hajo.Padde staarde afwezig voor zich uit. „Ik zie me nog op Gerrits[181]kooi zitten”, herhaalde hij. „’t Was zoowat bij de twintigste paal van de hoofdtoren af.—Zeg, Hajo, zou jij de weg nog op een prik kennen, als we terugkomen?”„Stel je voor! In ’t pikkedonker nog wel! Padde.….! Willen we eens een wandeling.…. door Hoorn maken? Hè?”Padde begon te grinniken. „Mij best! Hoe gaan we? Van de Appelhaven uit?”„Neen, we zijn in de Bagijnesteeg! ’t Is avond; we hebben al gegeten en jij bent het zoldervenster uitgeklommen, de goot door, toen over het kippenhok en door het hofje naar buiten.”„Wat gaan we doen?” vroeg Padde opgewonden.„Appels rapen? In ’t Sinte-Clarens?”„Ja! We gaan eerst het Gerritsland af!”„Daar heb ik nog vijf knikkerkuiltjes!” zei Padde. „Daar spelen de anderen nu mooi weer mee! De knikkertijd is net begonnen.”„Nou, laat ze maar knikkeren, hè Padde? Die tijd hebben wij gehad.”„Natuurlijk!” zei Padde. „Hoogstens tollen, dat zou ik nog weleens willen doen.”„Ja. Tollen is leuk”, gaf Hajo toe.—„Nou, we loopen om de Groote Kerk. Zouden de steigers er nog staan?”„Vast! De Groote Kerk, da’s net als met de toren van Babel,—die komt nooit af.”„Nou, zouden we dan liever niet wat in de steigers klimmen, in plaats van naar ’t Sinte-Clarens? Sproeten-Harm klimt je toch niet na!”„’k Heb juist zoo’n trek in appels!” zei Padde, die een afkeer van klimmen had.„Vooruit dan maar! Zou de poffertjeskraam van Geert Oliekoek en Mietje Majoorske nog bij de kerk staan?”Hajo bootste een krijschende vrouwenstem na: „’n Duit ’n oliekoek, jongens! Geert heit ze zelf gebakken!”„Hè-hè-hè!” grinnikte Padde, terwijl hij z’n dik buikje vasthield. „Hè-hè-hè!”„Ach, ’t is toch ’n arm, zwak menschje”, zei Hajo. „Ik had vaak met haar te doen!”[182]„Dat dacht je maar, dat ze niet sterk is!” meende Padde. „Vraag Geert maar eens; die loopt altijd met builen!” Padde trok z’n beenen in, sloeg er de handen omheen en zei: „Vrouwen zijn tangen.”„Wat een onzin!”„Onzin? Denk maar eens aan Wouters vrouw, die lieve Leentje!”„Goed”, moest Hajo toegeven. „Maar als je nou weer m’n moeder neemt.….!”„De goeien niet te na gesproken!” zei Padde. „Mijnmoeder is ook een beste, hoor!”„Nou juist! En mijn zusjes zeker niet! Antje! En Maartje! En Truitje! En Sijtje!”„Meisjes zijn altijd lief”, verzekerde Padde. „Maar later worden ze tangen. Ik ken d’r maar eentje, die haar leven lang ’n beste meid zal blijven!”„Wie dan? Truitje Cannegieter?”„Die?! Die wordt een helleveeg.”„Als jij maar geen helleveeg wordt! Wie bedoel je dan? Lotje Scheelzwam?”„Praat me dáár niet van”, zei Padde. „Als die eenmaal getrouwd is, kun je ze met een tang in het vuur houden, onder water stoppen, weer uitwringen en op de bleek over een lijntje te drogen hangen, en dan zal ze nog haar groote mond niet houden! Raai maar niet, want je weet toch niet, wie ik bedoel.”Maar Hajo gaf het niet op. „Jansje Bezem dan soms? Uit de Hanekamsteeg?”Padde werd vuurrood. „Laten we maar weer doorloopen!” stotterde hij. „We moeten nou de Botermarkt over!”„Ik heb je in de gaten”, meende Hajo.Padde blies als een kalkoensche haan. „Gaan we nou, nee of ja!”„Goed”, zei Hajo lachend. „En dan de Gouw en de Turfhaven langs.—Nou, dan zijn we bij het klooster. Kijk jij eens, of er een nachtwacht in de buurt is?”„Wel neen! Je hoort Joris op een kwartier afstands al aankomen. Hij zal wel ergens maffen!”„Nou, ga dan maar op m’n rug staan! Kun je?”„Ik zit al”, zei Padde. „Ziezoo, nou zit ik op het muurtje[183]en spring de tuin in. Verdikte, wat zijn de appels dit jaar groot! En vol, dat de boomen zitten!”„Ik ben al bij je, Padde! Ziezoo, nou maar voorzichtig-aan.”„Mmm! Wat zijn ze lekker!” Padde smakte met de lippen.„Eten kunnen we ze straks wel, Padde! Hoeveel heb je er al?”„Mijn zakken zijn al stampvol.”„De mijne ook! Ga maar weer op m’n rug staan, dan piepen we ’m!”„Ik zit al weer op het muurtje. Allemachies, daar komen Joris en Kale Dries aan!”„Verjoppie! Zoo, hoepla, ik ben er ook al overheen. Loopen, Padde! Loopen!” En de beide jongens stampten met de voeten op den grond, om aan te duiden hoe hard ze vluchtten. „Loopen! Ze krijgen ons nooit! Hoor je Kale Dries razen en schelden?—Ziezoo, nou geven ze het op.”„Was me dat sjouwen.….” zuchtte Padde. „Wat doe je nou met je appels, Hajo?”„Ik bewaar er een paar voor Doris en m’n zusjes.”„Dat doe ik ook. Ze krijgen er allemaal twee. ’t Moeilijke is voor mij om de appels in huis te smokkelen zonder dat m’n moeder het merkt! Ze zit natuurlijk nog te naaien, hè?”„Ja”, zei Hajo in nadenken. „Zeg, Padde.…. wat breng jij voor je moeder mee?”„Ikke? Een kleedje voor Zondags op tafel; het onze is op de hoeken zoo gesleten,—je zult het ook wel gezien hebben. En een koperen test wil ik koopen, zoo een als we vroeger in de stoof hadden vóór vader ’m.….! Denk je, dat ik voor m’n vader wat meebreng? Nog geen knoop voor z’n broek. Maar Margje en Annetje moeten een nieuw schort hebben, en m’n moeder ook, want ze heeft vreeselijk het land aan die gestopte Rommel. ’k Zal zien of ik er een met ’n randje kan krijgen, net als vrouw Schimmel uitDe Gouden Gaperdraagt. Nou, en een voetenzak heeft m’n moeder ook noodig, als ze ’s winters zit te naaien. Ze zal er voor zichzelf nooit een maken, weet je? En drie jaar geleden heeft ze het slotje van haar bloedkoralen kettinkje, dat ze altijd voor de kerk omhad, verloren. ’t Was echt zilver! Ik weet niet of ik genoeg zal hebben voor een nieuw slotje. Ik mag het lijden! Nou, en dan zijn[184]de gordijnen zoo gerafeld, weet je, ’t is een schande voor de buren, en in de mooie kast zitten wormen. Zou je ze niet, de sallemanders?—Wat koop jij voor je moeder?”„’t Mooiste, wat ik zie! Misschien wel een nikkelen olifant om aan de lamp te hangen! Of een glazen bol met een landschap of een zeegezicht er in. Voor Doris breng ik een flamingo en een aap mee!”„Nutteloos goed”, meende Padde. „Weet je wat je moeder hoognoodig heeft? ’n Doordeweeksche rok!”„Natuurlijk”, haastte Hajo zich te verklaren, „’n rok neem ik ook mee. Liefst een met zilverdraad bestikt, zooals die dame, weet je wel, uit dat paardenspel? Zeg, Padde, ik zie ons samen al weer in Hoorn terugkomen! Jij met je zilveren slotje en ik met m’n olifantje voor de lamp en m’n apen en m’n flamingo! Ik ga regelrecht naar huis! En jij?”„Ik zeker niet?!” En Padde zuchtte diep.Er heerschte lang stilzwijgen. Plotseling viel het Hajo op, dat Rolf gedurende hun heele gesprek gezwegen had. Hij schoof wat naar hem toe. „Laat eens kijken je torretjes, Rolf?”Rolf knikte zwijgend. Maar plotseling keek hij met verschrikte oogen naar de insecten, die hij vóór zich op zijn helder witten zakdoek had neergezet, en bedekte ze snel met de handen.Te laat: Hajo had reeds gezien. Op den zakdoek lagen niets dan uitgetrokken pootjes en vlerkjes en mismaakte, in een kringetje rondkruipende lichaams-stompjes. „Waarom heb je dat gedaan, Rolf?” vroeg Hajo zacht en verbaasd.Rolf was bloedrood geworden. „Ik heb het.…. gedachteloos gedaan.….” stotterde hij. „Ik heb naar jullie geluisterd en.….” Rolf keek met opeengeperste lippen een anderen kant uit; een groote traan blonk in zijn oogen.Toen bekroop Hajo een warm gevoel van medelijden. Hij legde zijn arm om Rolfs schouder en zocht naar woorden om zijn makker van het smartelijk eenzaamheidsgevoel te bevrijden, waaronder hij leed.Maar Padde had de verminkte diertjes nu ook gezien.„Neen maar!” zei hij verontwaardigd. „Die arme beestjes de vleugels uit te trekken! Ze moestenjoueens zoo te grazen nemen!”[185]„Laat me!” siste Rolf. Hij duwde Padde heftig en ruw ter zijde, sprong op, schudde zijn zakdoek met een gebaar van afschuw uit en verdween met groote schreden tusschen de boomen.Padde vond zijn spraak terug, na Rolf even verbouwereerd te hebben nagekeken. „Leelijke dierenbeul!” schold hij. En toen tot Hajo: „Eerst die beestjes martelen en dan mij een stomp geven! ’n Mooie vrind heb jij! Kom, laten we maar gaan slapen!”„Ga jij maar”, zei Hajo. „Ik blijf nog even op.”„Wou je soms nog op ’m wachten ook?!”„Ga nou maar, Padde.”Padde werd nijdig als een spin. „Besjoer!” zei hij vinnig. En hij verdween in de tent.Hajo wachtte. Duizend dingen spookten hem door het hoofd. Nu, in dezen geheimzinnigen tropennacht vol sterrenglans en krekelzang, geloofde Hajo voor het eerst in zijn leven den vollen omvang van zijn geluk te beseffen. Hij beloofde zichzelf, zijn moeder nooit weer verdriet te berokkenen. En voor Rolf wilde hij altijd een goed kameraad zijn.Toen een tak kraakte, schrikte hij uit zijn overpeinzingen op. Hij zag tot zijn verwondering, dat allen reeds in hun tenten waren verdwenen en de kampvuurtjes nog slechts smeulden. Daar stapte Rolf uit het groen te voorschijn, wilde zich met gebukt hoofd naar de tent begeven.„Rolf!” riep Hajo zachtkens en sprong overeind.Rolf hield zijn schreden in, zag Hajo met groote, verbaasde oogen aan. „Ben je nog niet gaan slapen?”„Ik heb op jou gewacht.”Rolf bleef roerloos staan. Zijn in het maanlicht toch al bleek glanzend gelaat scheen nog bleeker te worden. Hij kwam op Hajo toe, drukte hem zwijgend de hand.„Kom”, zei hij toen. „’t Is al laat.”Zeemeeuw.[186]

[Inhoud]DE HOREN DES OVERVLOEDSDE HOREN DES OVERVLOEDSDat werd een feest! Je hoefde de handen maar uit te steken, en je hadt wildbraad zooveel je maar wilde, jongens! Zes man gingen er met den zegen op uit en trokken dien door het brakke binnenwater. In een ommezien hadden ze het net vol.Harmen, Rolf en Hajo gingen naar het riviertje, waarin het van vette paling wemelde. Voorzichtig liep Hajo het water in om ze te grijpen, maar de dieren glipten hem tusschen de vingers door.„Ik weet beter!” zei Harmen. „We trekken onze hemden door het water!” Hij trok z’n hemd uit, legde er een stevigen knoop in.„Je mag er nog wel een paar knoopen in leggen”, meende Rolf.„Vanwege die paar scheurtjes?” vroeg Harmen geringschattend en stekelig. „Geef me jouw hemd ook, Hajo. Dan doen we er dat overheen!”Bereidwillig stond Hajo zijn hemd af. Toen was er geen doorgang meer voor het kleinste palinkje. En met veel succes werd het „net” door het beekje getrokken. Harmen had de pijpen van zijn broek om z’n kuiten dichtgebonden, ten einde dit nuttige kleedingsstuk als bewaarplaats voor de palingen te kunnen aanwenden. „Ze bijten niet!” stelde hij zijn makkers gerust, terwijl hij de kronkelende, glibberige dieren weg[175]liet glijden. Eindelijk spande de broek aan alle zijden en deinde geheimzinnig op en neer. „’n Rot gevoel!” bekende Harmen.Andere maats waren ter duivenvangst getogen. De mooie, grijsblauwe vogels werden zonder de geringste moeite bij dozijnen buitgemaakt. Het was hartroerend te zien, hoe de makkers der arme gevangenen hun leven waagden om ze te bevrijden. Ook de papegaaien en de parkieten kwamen dapper voor hun soortgenooten op, vlogen krijschend om de hoofden der mannen heen, die een kromsnavel hadden weten te bemachtigen. Een enkele oome werd dan ook wel eens benauwd en liet zijn prooi weer los. Ze konden zoo gemeen bijten!Padde was te opgewonden om zich tot een enkel ding te kunnen bepalen. Hij verscheen overal ten tooneele waar zijn hulp niet verlangd werd, liep boos weg, wanneer hem daarop gewezen werd, kwam weer terug en bepaalde zich overigens tot aanmerkingen maken op wat anderen deden. Intusschen bleef hij voorzichtig als een ekster, steeds gereed in een boom te springen, wanneer zijn ongelukkig gesternte hem in de buurt van een leeuw of koningstijger zou voeren, en hij ontweek elken stam, waarachter zich een menscheneter verdekt zou kunnen hebben opgesteld,„Wat doen jullie daar?” vroeg hij aan de maats, die de opdracht hadden om de leege watertonnen uit het riviertje te vullen.„Water innemen! Om de tanden te poesse! Help maar ’n handje!”„Nemen jullienoual water in?? We gaan toch nog lang niet weg!”„De bootsman heeft ’t gezegd. Voor de rest hebben wij d’r niks mee te maken.”„De bootsman is stapelgek”, verzekerde Padde.De oomes keken bij die vermetele woorden uit den mond van dat botteliersmaatje, dat nauwelijks droog achter de ooren was, verbaasd op. Padde stak de borst vooruit om te laten zien, dat hij er de vent niet naar was, een eens gesproken woord terug te nemen.„Zeg dat eens waar de bootsman bij staat? Ik heb je nog nooit zien aframmelen.”[176]„Je hebt de bootsman zeker óók nog nooit zien aframmelen?” vroeg Padde. Toen draaide hij zich hooghartig om. Met open mond keken de oomes hem na.Padde toog naar het strand, waar een stelletje maats bezig was met het vangen van schildpadden, een weinig spannende jacht, daar de logge reuzen niet de geringste poging tot vluchten deden, er zich toe bepaalden kop en pooten in de hoornen vesting onder te brengen. Men keerde ze met stokken om en sleepte ze weg naar de plaats waar Bolle de kombuis had opgeslagen.Padde besloot om op z’n eentje aan het werk te tijgen. Maar terwijl hij het zware dier, dat hij zich als slachtoffer had uitgezocht, trachtte om te wentelen, ontdekte Padde onder den schildpad een gat in het zand, en in dat gat lagen tallooze kogelronde eitjes, zoo groot als die van een duif. Onze botteliersmaat begon te schreeuwen als een mager varken. „Kom eens hier! Kom eens kijken!!”De maats renden toe en waren even verbaasd als Padde. Maar Gerretje, een oome met een langen hals en daarop een rond hoofd als een kegelbal, had al tweemaal Bantam en Sumatra gezien, griste zonder veel omhaal van woorden de eieren uit het gat en borg ze in zijn muts.„Geef hier!” riep Padde. „Die eieren zijn van mij!”„Blijf er nog maar wat bij wachten,” ried Gerretje hem aan. „Hij legt er nog wel net zooveel bij!” Gerretje’s bewering klonk wat kras, en ze was het ook.Padde geloofde er geen duit van. En om dat te bewijzen gaf hij Gerretje, die zich juist grinnikend boog over het laatste handje-vol eieren, een fermen slag op de volle muts. Toen spoedde hij zich haastig voort, terwijl Gerretje raasde en tierde en zich de klodders eierstruis uit nek, ooren en oogen trachtte te werken. Boos en verdrietig was Padde. Hij nam zich voor, bij den schipper zijn beklag te doen.Maar terwijl de arme jongen nog overal naar Bontekoe zocht en op behoorlijke zeemansmanier door de oomes van het kastje naar den muur werd gestuurd, zag hij schuin tegen een boom een pot staan. Er waren kerven in den stam aangebracht en daaruit droop een dik, wit vocht omlaag, juist in den pot. Het zag er niet onsmakelijk uit. Padde rook eerst eens, doopte toen[177]vol vertrouwen duim en wijsvinger in den pot en likte ze af. Het vertrouwen werd beloond: Padde stelde vast, dat de witte, dikke vloeistof erg zoet was, en daar Padde alles wat zoet was lekker vond, doopte hij nogmaals zijn vingers in den pot en, al likkende en slikkende, groeide in hem onwrikbaar het plan, om niet te rusten, vóór de bodem van den pot aan het daglicht onthuld was.„Beroerde kerel, dat je bent!”„Beroerde kerel, dat je bent!”[178]Maar onverwachts regende het harde noten op zijn hoofd en schouders, en uit de hoogte, van onder de lange, gevederde bladeren van den gekerfden suikerpalm, schreeuwde de Neus: „Beroerde kerel, dat je bent!”Padde blikte, star van schrik, omhoog. Eerst toen hij zeker wist, dat het slechts de Neus en geen menscheneter was, die zich daar onder het bladerdak verscholen had, vond hij zijn kalmte terug. „D’r is voor geen duit smaak aan!” verklaarde hij.„Blijf er dan af met je gap-jatten!”„Als je nog een woord zegt, trap ik de heele boel om!” verzekerde Padde. En om te bewijzen, dat hij niet gauw in zijn schulp kroop, stak Padde pardoes zijn heele vuist in den pot.„Wel sapperloot.….!” was al wat de Neus er nog kon uitbrengen.Padde ging, al likkend, zijns weegs. Ja, zoozeer was hij in dien zoeten arbeid verdiept, dat hij niet eens merkte, hoe een groote wesp, eveneens aangetrokken door den geur van het palmvocht, zich onder tegen zijn hand zette. Maar plotseling voelde Padde een hevigen steek; hij slingerde het gevleugelde monster van zich af, schreeuwde, of hij vermoord werd, en stak bijkans zijn hand in den mond om de pijn weg te zuigen. Maar het gekwetste lichaamsdeel zwol op als een varkensblaasje.Padde’s stemming daalde tot levensmoeheid. Ten slotte zocht en vond hij vergetelheid in het bergstroompje. Hij vulde zijn mond met water, ging toen op zijn rug drijven en speelde walvisch door zijn vingers op de lippen te leggen en het water door een spleetje omhoog te spuiten. Hij wilde ook duiken, sprong van een overhangenden tak het water in, maar kwam onzacht neer op zijn maag. Daarom gaf hij het zwemmen op.Een half uur later kon men hem met een paal zien sjouwen met een bordje er aan, waarin letters waren gegrift. „Lees dat eens, Vader Langjas!” zei hij, terwijl hij den barbier, die kruiden aan het zoeken was, het bordje onder den neus duwde.De barbier zette, verrast, zijn bril op. „Ick, Adriaen Maertsz. Block, commandeur van.….!—Dat zullen we de schipper eens laten zien! Hoe kom je er aan, Padde?”„Gevonden!” zei Padde. „Ik dacht wel, dat het letters waren; daar heb je een pee, zie je wel? Nou, wat staat er nou op?”[179]„Wel, vrindje, hier staat.….”—en Vader Langjas zette zijn bril recht—„hier staat, dat Adriaen Maertsz. Block in het jaar onzes Heeren 1612 met dertien schepen op dit zelfde eiland is geweest. Hij heeft op de kust eenige manschappen verloren, doordat een paar sloepen in de branding zijn stukgeslagen. Je hebt natuurlijk wel van Adriaen Maertsz. Block gehoord?”„Jawel”, zei Padde. „De schipper van deHoornsche Zonheet Blok.”„Zoo.….” weifelde Vader Langjas. „’t Is een admiraal, weet je? Op de Afrikaansche kust heeft hij met dezelfde dertien schepen, waarvan hij hier spreekt, een Spaansche vloot verslagen.”„Merakel!” verklaarde Padde. „En dan te bedenken, dat hij nou met z’n smerige tjalk als beurtschipper vaart op Stavoren!”- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Gevogelte aan het spit.Men hield dien middag een feestmaaltijd. Duiven en ganzen werden aan het spit gebraden en daarbij met schildpadvet bedropen, zoodat ze glommen en mooie bruine korstjes kregen. Bolle bereidde voor zichzelf een flamingo, waarvan hij alleen de dikke vleezige tong, die den ganschen ondersnavel vult, verorberde. Naar Bolle’s gezicht en zijn genoegelijk smakken en vinger aflikken te oordeelen, moest een flamingo-tong een bijzondere lekkernij zijn; veel maats namen zich voor, om den volgenden dag ook eens zoo’n rood gepluimden gast bij den staart te pakken. Palingen en andere visschen zwommen eerst in sissend, pruttelend vet en daarna in de hongerige magen der avonturiers. Een berg van heerlijke vruchten lag opgestapeld om er den maaltijd mee te besluiten, en bovendien had Harmen een geweldige pudding gemaakt van meel, met schijfjes ananas, kokosmelk en bessensaus.Tijdens den maaltijd, die driemaal langer duurde dan anders, viel de schemering in. Het licht der lustig dansende vlammen der spitvuren werd als een feestelijke oproep verstaan door een leger gevleugelde insecten: uit hoeken en gaten kwamen ze[180]aansnorren, en ze zoemden zoo lang boven de vlammen, tot ze er met verschroeide vlerkjes in tuimelden.Men sloeg tenten op voor den nacht. Hajo, Rolf en Padde hadden samen ook een stuk zeildoek weten te veroveren, spreidden dekens uit op den grond, verhoogden het hoofdeinde van hun leger met zacht gras en voelden zich in een paleis.De oomes, die hun tent klaarhadden, staken een pijpje op en keken naar de sterren. Harmen haalde zijn „fiool” en speelde om beurten met Hajo, en de oomes wisten haast niet, wie mooier speelde.Zoo kwam de nacht. Hier en daar verdwenen er al in hun tent; het lachen en praten verstomde; Hajo en Padde, die bij mekaar waren gekropen, hoorden niets meer dan het tsjirpen van tallooze krekels, het snorren van een nachtvlinder, een enkel krijsch-geluid daar ver weg in het bosch, verstervend in duizend echo’s.….Rolf had uit een stukje blik, een tinnen kroes, wat schildpadvet en een wollen draad uit zijn sok een lamp samengesteld en bestudeerde bij het walmende lichtje de torren, kevers en vlindertjes, die hij in den loop van den middag voor dat doel gevangen had.Hajo kauwde op een grashalmpje, de handen onder het hoofd gesteund, de oogen gesloten. Padde lag op zijn rug naar de maan te turen.„Hajo?” vroeg Padde zacht. „Hoelang zijn we nou al uit Hoorn weg?”„Hoelang? Een.…. een half jaar zoowat.”„’n Half jaar.….!” zuchtte Padde. „Ik zie me nog op Gerrits kooi op den steiger zitten! Waar is Gerrit nou?”„Daar, vlakbij; ik heb hem op de onderste tak van die boom gezet.—Gerrit!”„Ka!” schreeuwde Gerrit verschrikt en slaapdronken. Hij maakte even een beweging, als wilde hij van den tak fladderen, waarop hij zat, bedacht zich toen wijselijk, keek zijn meester weemoedig aan, slikte iets weg en borg resoluut zijn zwarten kop weer tusschen de veeren.„Wel te rusten”, zei Hajo.Padde staarde afwezig voor zich uit. „Ik zie me nog op Gerrits[181]kooi zitten”, herhaalde hij. „’t Was zoowat bij de twintigste paal van de hoofdtoren af.—Zeg, Hajo, zou jij de weg nog op een prik kennen, als we terugkomen?”„Stel je voor! In ’t pikkedonker nog wel! Padde.….! Willen we eens een wandeling.…. door Hoorn maken? Hè?”Padde begon te grinniken. „Mij best! Hoe gaan we? Van de Appelhaven uit?”„Neen, we zijn in de Bagijnesteeg! ’t Is avond; we hebben al gegeten en jij bent het zoldervenster uitgeklommen, de goot door, toen over het kippenhok en door het hofje naar buiten.”„Wat gaan we doen?” vroeg Padde opgewonden.„Appels rapen? In ’t Sinte-Clarens?”„Ja! We gaan eerst het Gerritsland af!”„Daar heb ik nog vijf knikkerkuiltjes!” zei Padde. „Daar spelen de anderen nu mooi weer mee! De knikkertijd is net begonnen.”„Nou, laat ze maar knikkeren, hè Padde? Die tijd hebben wij gehad.”„Natuurlijk!” zei Padde. „Hoogstens tollen, dat zou ik nog weleens willen doen.”„Ja. Tollen is leuk”, gaf Hajo toe.—„Nou, we loopen om de Groote Kerk. Zouden de steigers er nog staan?”„Vast! De Groote Kerk, da’s net als met de toren van Babel,—die komt nooit af.”„Nou, zouden we dan liever niet wat in de steigers klimmen, in plaats van naar ’t Sinte-Clarens? Sproeten-Harm klimt je toch niet na!”„’k Heb juist zoo’n trek in appels!” zei Padde, die een afkeer van klimmen had.„Vooruit dan maar! Zou de poffertjeskraam van Geert Oliekoek en Mietje Majoorske nog bij de kerk staan?”Hajo bootste een krijschende vrouwenstem na: „’n Duit ’n oliekoek, jongens! Geert heit ze zelf gebakken!”„Hè-hè-hè!” grinnikte Padde, terwijl hij z’n dik buikje vasthield. „Hè-hè-hè!”„Ach, ’t is toch ’n arm, zwak menschje”, zei Hajo. „Ik had vaak met haar te doen!”[182]„Dat dacht je maar, dat ze niet sterk is!” meende Padde. „Vraag Geert maar eens; die loopt altijd met builen!” Padde trok z’n beenen in, sloeg er de handen omheen en zei: „Vrouwen zijn tangen.”„Wat een onzin!”„Onzin? Denk maar eens aan Wouters vrouw, die lieve Leentje!”„Goed”, moest Hajo toegeven. „Maar als je nou weer m’n moeder neemt.….!”„De goeien niet te na gesproken!” zei Padde. „Mijnmoeder is ook een beste, hoor!”„Nou juist! En mijn zusjes zeker niet! Antje! En Maartje! En Truitje! En Sijtje!”„Meisjes zijn altijd lief”, verzekerde Padde. „Maar later worden ze tangen. Ik ken d’r maar eentje, die haar leven lang ’n beste meid zal blijven!”„Wie dan? Truitje Cannegieter?”„Die?! Die wordt een helleveeg.”„Als jij maar geen helleveeg wordt! Wie bedoel je dan? Lotje Scheelzwam?”„Praat me dáár niet van”, zei Padde. „Als die eenmaal getrouwd is, kun je ze met een tang in het vuur houden, onder water stoppen, weer uitwringen en op de bleek over een lijntje te drogen hangen, en dan zal ze nog haar groote mond niet houden! Raai maar niet, want je weet toch niet, wie ik bedoel.”Maar Hajo gaf het niet op. „Jansje Bezem dan soms? Uit de Hanekamsteeg?”Padde werd vuurrood. „Laten we maar weer doorloopen!” stotterde hij. „We moeten nou de Botermarkt over!”„Ik heb je in de gaten”, meende Hajo.Padde blies als een kalkoensche haan. „Gaan we nou, nee of ja!”„Goed”, zei Hajo lachend. „En dan de Gouw en de Turfhaven langs.—Nou, dan zijn we bij het klooster. Kijk jij eens, of er een nachtwacht in de buurt is?”„Wel neen! Je hoort Joris op een kwartier afstands al aankomen. Hij zal wel ergens maffen!”„Nou, ga dan maar op m’n rug staan! Kun je?”„Ik zit al”, zei Padde. „Ziezoo, nou zit ik op het muurtje[183]en spring de tuin in. Verdikte, wat zijn de appels dit jaar groot! En vol, dat de boomen zitten!”„Ik ben al bij je, Padde! Ziezoo, nou maar voorzichtig-aan.”„Mmm! Wat zijn ze lekker!” Padde smakte met de lippen.„Eten kunnen we ze straks wel, Padde! Hoeveel heb je er al?”„Mijn zakken zijn al stampvol.”„De mijne ook! Ga maar weer op m’n rug staan, dan piepen we ’m!”„Ik zit al weer op het muurtje. Allemachies, daar komen Joris en Kale Dries aan!”„Verjoppie! Zoo, hoepla, ik ben er ook al overheen. Loopen, Padde! Loopen!” En de beide jongens stampten met de voeten op den grond, om aan te duiden hoe hard ze vluchtten. „Loopen! Ze krijgen ons nooit! Hoor je Kale Dries razen en schelden?—Ziezoo, nou geven ze het op.”„Was me dat sjouwen.….” zuchtte Padde. „Wat doe je nou met je appels, Hajo?”„Ik bewaar er een paar voor Doris en m’n zusjes.”„Dat doe ik ook. Ze krijgen er allemaal twee. ’t Moeilijke is voor mij om de appels in huis te smokkelen zonder dat m’n moeder het merkt! Ze zit natuurlijk nog te naaien, hè?”„Ja”, zei Hajo in nadenken. „Zeg, Padde.…. wat breng jij voor je moeder mee?”„Ikke? Een kleedje voor Zondags op tafel; het onze is op de hoeken zoo gesleten,—je zult het ook wel gezien hebben. En een koperen test wil ik koopen, zoo een als we vroeger in de stoof hadden vóór vader ’m.….! Denk je, dat ik voor m’n vader wat meebreng? Nog geen knoop voor z’n broek. Maar Margje en Annetje moeten een nieuw schort hebben, en m’n moeder ook, want ze heeft vreeselijk het land aan die gestopte Rommel. ’k Zal zien of ik er een met ’n randje kan krijgen, net als vrouw Schimmel uitDe Gouden Gaperdraagt. Nou, en een voetenzak heeft m’n moeder ook noodig, als ze ’s winters zit te naaien. Ze zal er voor zichzelf nooit een maken, weet je? En drie jaar geleden heeft ze het slotje van haar bloedkoralen kettinkje, dat ze altijd voor de kerk omhad, verloren. ’t Was echt zilver! Ik weet niet of ik genoeg zal hebben voor een nieuw slotje. Ik mag het lijden! Nou, en dan zijn[184]de gordijnen zoo gerafeld, weet je, ’t is een schande voor de buren, en in de mooie kast zitten wormen. Zou je ze niet, de sallemanders?—Wat koop jij voor je moeder?”„’t Mooiste, wat ik zie! Misschien wel een nikkelen olifant om aan de lamp te hangen! Of een glazen bol met een landschap of een zeegezicht er in. Voor Doris breng ik een flamingo en een aap mee!”„Nutteloos goed”, meende Padde. „Weet je wat je moeder hoognoodig heeft? ’n Doordeweeksche rok!”„Natuurlijk”, haastte Hajo zich te verklaren, „’n rok neem ik ook mee. Liefst een met zilverdraad bestikt, zooals die dame, weet je wel, uit dat paardenspel? Zeg, Padde, ik zie ons samen al weer in Hoorn terugkomen! Jij met je zilveren slotje en ik met m’n olifantje voor de lamp en m’n apen en m’n flamingo! Ik ga regelrecht naar huis! En jij?”„Ik zeker niet?!” En Padde zuchtte diep.Er heerschte lang stilzwijgen. Plotseling viel het Hajo op, dat Rolf gedurende hun heele gesprek gezwegen had. Hij schoof wat naar hem toe. „Laat eens kijken je torretjes, Rolf?”Rolf knikte zwijgend. Maar plotseling keek hij met verschrikte oogen naar de insecten, die hij vóór zich op zijn helder witten zakdoek had neergezet, en bedekte ze snel met de handen.Te laat: Hajo had reeds gezien. Op den zakdoek lagen niets dan uitgetrokken pootjes en vlerkjes en mismaakte, in een kringetje rondkruipende lichaams-stompjes. „Waarom heb je dat gedaan, Rolf?” vroeg Hajo zacht en verbaasd.Rolf was bloedrood geworden. „Ik heb het.…. gedachteloos gedaan.….” stotterde hij. „Ik heb naar jullie geluisterd en.….” Rolf keek met opeengeperste lippen een anderen kant uit; een groote traan blonk in zijn oogen.Toen bekroop Hajo een warm gevoel van medelijden. Hij legde zijn arm om Rolfs schouder en zocht naar woorden om zijn makker van het smartelijk eenzaamheidsgevoel te bevrijden, waaronder hij leed.Maar Padde had de verminkte diertjes nu ook gezien.„Neen maar!” zei hij verontwaardigd. „Die arme beestjes de vleugels uit te trekken! Ze moestenjoueens zoo te grazen nemen!”[185]„Laat me!” siste Rolf. Hij duwde Padde heftig en ruw ter zijde, sprong op, schudde zijn zakdoek met een gebaar van afschuw uit en verdween met groote schreden tusschen de boomen.Padde vond zijn spraak terug, na Rolf even verbouwereerd te hebben nagekeken. „Leelijke dierenbeul!” schold hij. En toen tot Hajo: „Eerst die beestjes martelen en dan mij een stomp geven! ’n Mooie vrind heb jij! Kom, laten we maar gaan slapen!”„Ga jij maar”, zei Hajo. „Ik blijf nog even op.”„Wou je soms nog op ’m wachten ook?!”„Ga nou maar, Padde.”Padde werd nijdig als een spin. „Besjoer!” zei hij vinnig. En hij verdween in de tent.Hajo wachtte. Duizend dingen spookten hem door het hoofd. Nu, in dezen geheimzinnigen tropennacht vol sterrenglans en krekelzang, geloofde Hajo voor het eerst in zijn leven den vollen omvang van zijn geluk te beseffen. Hij beloofde zichzelf, zijn moeder nooit weer verdriet te berokkenen. En voor Rolf wilde hij altijd een goed kameraad zijn.Toen een tak kraakte, schrikte hij uit zijn overpeinzingen op. Hij zag tot zijn verwondering, dat allen reeds in hun tenten waren verdwenen en de kampvuurtjes nog slechts smeulden. Daar stapte Rolf uit het groen te voorschijn, wilde zich met gebukt hoofd naar de tent begeven.„Rolf!” riep Hajo zachtkens en sprong overeind.Rolf hield zijn schreden in, zag Hajo met groote, verbaasde oogen aan. „Ben je nog niet gaan slapen?”„Ik heb op jou gewacht.”Rolf bleef roerloos staan. Zijn in het maanlicht toch al bleek glanzend gelaat scheen nog bleeker te worden. Hij kwam op Hajo toe, drukte hem zwijgend de hand.„Kom”, zei hij toen. „’t Is al laat.”Zeemeeuw.[186]

[Inhoud]DE HOREN DES OVERVLOEDSDE HOREN DES OVERVLOEDSDat werd een feest! Je hoefde de handen maar uit te steken, en je hadt wildbraad zooveel je maar wilde, jongens! Zes man gingen er met den zegen op uit en trokken dien door het brakke binnenwater. In een ommezien hadden ze het net vol.Harmen, Rolf en Hajo gingen naar het riviertje, waarin het van vette paling wemelde. Voorzichtig liep Hajo het water in om ze te grijpen, maar de dieren glipten hem tusschen de vingers door.„Ik weet beter!” zei Harmen. „We trekken onze hemden door het water!” Hij trok z’n hemd uit, legde er een stevigen knoop in.„Je mag er nog wel een paar knoopen in leggen”, meende Rolf.„Vanwege die paar scheurtjes?” vroeg Harmen geringschattend en stekelig. „Geef me jouw hemd ook, Hajo. Dan doen we er dat overheen!”Bereidwillig stond Hajo zijn hemd af. Toen was er geen doorgang meer voor het kleinste palinkje. En met veel succes werd het „net” door het beekje getrokken. Harmen had de pijpen van zijn broek om z’n kuiten dichtgebonden, ten einde dit nuttige kleedingsstuk als bewaarplaats voor de palingen te kunnen aanwenden. „Ze bijten niet!” stelde hij zijn makkers gerust, terwijl hij de kronkelende, glibberige dieren weg[175]liet glijden. Eindelijk spande de broek aan alle zijden en deinde geheimzinnig op en neer. „’n Rot gevoel!” bekende Harmen.Andere maats waren ter duivenvangst getogen. De mooie, grijsblauwe vogels werden zonder de geringste moeite bij dozijnen buitgemaakt. Het was hartroerend te zien, hoe de makkers der arme gevangenen hun leven waagden om ze te bevrijden. Ook de papegaaien en de parkieten kwamen dapper voor hun soortgenooten op, vlogen krijschend om de hoofden der mannen heen, die een kromsnavel hadden weten te bemachtigen. Een enkele oome werd dan ook wel eens benauwd en liet zijn prooi weer los. Ze konden zoo gemeen bijten!Padde was te opgewonden om zich tot een enkel ding te kunnen bepalen. Hij verscheen overal ten tooneele waar zijn hulp niet verlangd werd, liep boos weg, wanneer hem daarop gewezen werd, kwam weer terug en bepaalde zich overigens tot aanmerkingen maken op wat anderen deden. Intusschen bleef hij voorzichtig als een ekster, steeds gereed in een boom te springen, wanneer zijn ongelukkig gesternte hem in de buurt van een leeuw of koningstijger zou voeren, en hij ontweek elken stam, waarachter zich een menscheneter verdekt zou kunnen hebben opgesteld,„Wat doen jullie daar?” vroeg hij aan de maats, die de opdracht hadden om de leege watertonnen uit het riviertje te vullen.„Water innemen! Om de tanden te poesse! Help maar ’n handje!”„Nemen jullienoual water in?? We gaan toch nog lang niet weg!”„De bootsman heeft ’t gezegd. Voor de rest hebben wij d’r niks mee te maken.”„De bootsman is stapelgek”, verzekerde Padde.De oomes keken bij die vermetele woorden uit den mond van dat botteliersmaatje, dat nauwelijks droog achter de ooren was, verbaasd op. Padde stak de borst vooruit om te laten zien, dat hij er de vent niet naar was, een eens gesproken woord terug te nemen.„Zeg dat eens waar de bootsman bij staat? Ik heb je nog nooit zien aframmelen.”[176]„Je hebt de bootsman zeker óók nog nooit zien aframmelen?” vroeg Padde. Toen draaide hij zich hooghartig om. Met open mond keken de oomes hem na.Padde toog naar het strand, waar een stelletje maats bezig was met het vangen van schildpadden, een weinig spannende jacht, daar de logge reuzen niet de geringste poging tot vluchten deden, er zich toe bepaalden kop en pooten in de hoornen vesting onder te brengen. Men keerde ze met stokken om en sleepte ze weg naar de plaats waar Bolle de kombuis had opgeslagen.Padde besloot om op z’n eentje aan het werk te tijgen. Maar terwijl hij het zware dier, dat hij zich als slachtoffer had uitgezocht, trachtte om te wentelen, ontdekte Padde onder den schildpad een gat in het zand, en in dat gat lagen tallooze kogelronde eitjes, zoo groot als die van een duif. Onze botteliersmaat begon te schreeuwen als een mager varken. „Kom eens hier! Kom eens kijken!!”De maats renden toe en waren even verbaasd als Padde. Maar Gerretje, een oome met een langen hals en daarop een rond hoofd als een kegelbal, had al tweemaal Bantam en Sumatra gezien, griste zonder veel omhaal van woorden de eieren uit het gat en borg ze in zijn muts.„Geef hier!” riep Padde. „Die eieren zijn van mij!”„Blijf er nog maar wat bij wachten,” ried Gerretje hem aan. „Hij legt er nog wel net zooveel bij!” Gerretje’s bewering klonk wat kras, en ze was het ook.Padde geloofde er geen duit van. En om dat te bewijzen gaf hij Gerretje, die zich juist grinnikend boog over het laatste handje-vol eieren, een fermen slag op de volle muts. Toen spoedde hij zich haastig voort, terwijl Gerretje raasde en tierde en zich de klodders eierstruis uit nek, ooren en oogen trachtte te werken. Boos en verdrietig was Padde. Hij nam zich voor, bij den schipper zijn beklag te doen.Maar terwijl de arme jongen nog overal naar Bontekoe zocht en op behoorlijke zeemansmanier door de oomes van het kastje naar den muur werd gestuurd, zag hij schuin tegen een boom een pot staan. Er waren kerven in den stam aangebracht en daaruit droop een dik, wit vocht omlaag, juist in den pot. Het zag er niet onsmakelijk uit. Padde rook eerst eens, doopte toen[177]vol vertrouwen duim en wijsvinger in den pot en likte ze af. Het vertrouwen werd beloond: Padde stelde vast, dat de witte, dikke vloeistof erg zoet was, en daar Padde alles wat zoet was lekker vond, doopte hij nogmaals zijn vingers in den pot en, al likkende en slikkende, groeide in hem onwrikbaar het plan, om niet te rusten, vóór de bodem van den pot aan het daglicht onthuld was.„Beroerde kerel, dat je bent!”„Beroerde kerel, dat je bent!”[178]Maar onverwachts regende het harde noten op zijn hoofd en schouders, en uit de hoogte, van onder de lange, gevederde bladeren van den gekerfden suikerpalm, schreeuwde de Neus: „Beroerde kerel, dat je bent!”Padde blikte, star van schrik, omhoog. Eerst toen hij zeker wist, dat het slechts de Neus en geen menscheneter was, die zich daar onder het bladerdak verscholen had, vond hij zijn kalmte terug. „D’r is voor geen duit smaak aan!” verklaarde hij.„Blijf er dan af met je gap-jatten!”„Als je nog een woord zegt, trap ik de heele boel om!” verzekerde Padde. En om te bewijzen, dat hij niet gauw in zijn schulp kroop, stak Padde pardoes zijn heele vuist in den pot.„Wel sapperloot.….!” was al wat de Neus er nog kon uitbrengen.Padde ging, al likkend, zijns weegs. Ja, zoozeer was hij in dien zoeten arbeid verdiept, dat hij niet eens merkte, hoe een groote wesp, eveneens aangetrokken door den geur van het palmvocht, zich onder tegen zijn hand zette. Maar plotseling voelde Padde een hevigen steek; hij slingerde het gevleugelde monster van zich af, schreeuwde, of hij vermoord werd, en stak bijkans zijn hand in den mond om de pijn weg te zuigen. Maar het gekwetste lichaamsdeel zwol op als een varkensblaasje.Padde’s stemming daalde tot levensmoeheid. Ten slotte zocht en vond hij vergetelheid in het bergstroompje. Hij vulde zijn mond met water, ging toen op zijn rug drijven en speelde walvisch door zijn vingers op de lippen te leggen en het water door een spleetje omhoog te spuiten. Hij wilde ook duiken, sprong van een overhangenden tak het water in, maar kwam onzacht neer op zijn maag. Daarom gaf hij het zwemmen op.Een half uur later kon men hem met een paal zien sjouwen met een bordje er aan, waarin letters waren gegrift. „Lees dat eens, Vader Langjas!” zei hij, terwijl hij den barbier, die kruiden aan het zoeken was, het bordje onder den neus duwde.De barbier zette, verrast, zijn bril op. „Ick, Adriaen Maertsz. Block, commandeur van.….!—Dat zullen we de schipper eens laten zien! Hoe kom je er aan, Padde?”„Gevonden!” zei Padde. „Ik dacht wel, dat het letters waren; daar heb je een pee, zie je wel? Nou, wat staat er nou op?”[179]„Wel, vrindje, hier staat.….”—en Vader Langjas zette zijn bril recht—„hier staat, dat Adriaen Maertsz. Block in het jaar onzes Heeren 1612 met dertien schepen op dit zelfde eiland is geweest. Hij heeft op de kust eenige manschappen verloren, doordat een paar sloepen in de branding zijn stukgeslagen. Je hebt natuurlijk wel van Adriaen Maertsz. Block gehoord?”„Jawel”, zei Padde. „De schipper van deHoornsche Zonheet Blok.”„Zoo.….” weifelde Vader Langjas. „’t Is een admiraal, weet je? Op de Afrikaansche kust heeft hij met dezelfde dertien schepen, waarvan hij hier spreekt, een Spaansche vloot verslagen.”„Merakel!” verklaarde Padde. „En dan te bedenken, dat hij nou met z’n smerige tjalk als beurtschipper vaart op Stavoren!”- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Gevogelte aan het spit.Men hield dien middag een feestmaaltijd. Duiven en ganzen werden aan het spit gebraden en daarbij met schildpadvet bedropen, zoodat ze glommen en mooie bruine korstjes kregen. Bolle bereidde voor zichzelf een flamingo, waarvan hij alleen de dikke vleezige tong, die den ganschen ondersnavel vult, verorberde. Naar Bolle’s gezicht en zijn genoegelijk smakken en vinger aflikken te oordeelen, moest een flamingo-tong een bijzondere lekkernij zijn; veel maats namen zich voor, om den volgenden dag ook eens zoo’n rood gepluimden gast bij den staart te pakken. Palingen en andere visschen zwommen eerst in sissend, pruttelend vet en daarna in de hongerige magen der avonturiers. Een berg van heerlijke vruchten lag opgestapeld om er den maaltijd mee te besluiten, en bovendien had Harmen een geweldige pudding gemaakt van meel, met schijfjes ananas, kokosmelk en bessensaus.Tijdens den maaltijd, die driemaal langer duurde dan anders, viel de schemering in. Het licht der lustig dansende vlammen der spitvuren werd als een feestelijke oproep verstaan door een leger gevleugelde insecten: uit hoeken en gaten kwamen ze[180]aansnorren, en ze zoemden zoo lang boven de vlammen, tot ze er met verschroeide vlerkjes in tuimelden.Men sloeg tenten op voor den nacht. Hajo, Rolf en Padde hadden samen ook een stuk zeildoek weten te veroveren, spreidden dekens uit op den grond, verhoogden het hoofdeinde van hun leger met zacht gras en voelden zich in een paleis.De oomes, die hun tent klaarhadden, staken een pijpje op en keken naar de sterren. Harmen haalde zijn „fiool” en speelde om beurten met Hajo, en de oomes wisten haast niet, wie mooier speelde.Zoo kwam de nacht. Hier en daar verdwenen er al in hun tent; het lachen en praten verstomde; Hajo en Padde, die bij mekaar waren gekropen, hoorden niets meer dan het tsjirpen van tallooze krekels, het snorren van een nachtvlinder, een enkel krijsch-geluid daar ver weg in het bosch, verstervend in duizend echo’s.….Rolf had uit een stukje blik, een tinnen kroes, wat schildpadvet en een wollen draad uit zijn sok een lamp samengesteld en bestudeerde bij het walmende lichtje de torren, kevers en vlindertjes, die hij in den loop van den middag voor dat doel gevangen had.Hajo kauwde op een grashalmpje, de handen onder het hoofd gesteund, de oogen gesloten. Padde lag op zijn rug naar de maan te turen.„Hajo?” vroeg Padde zacht. „Hoelang zijn we nou al uit Hoorn weg?”„Hoelang? Een.…. een half jaar zoowat.”„’n Half jaar.….!” zuchtte Padde. „Ik zie me nog op Gerrits kooi op den steiger zitten! Waar is Gerrit nou?”„Daar, vlakbij; ik heb hem op de onderste tak van die boom gezet.—Gerrit!”„Ka!” schreeuwde Gerrit verschrikt en slaapdronken. Hij maakte even een beweging, als wilde hij van den tak fladderen, waarop hij zat, bedacht zich toen wijselijk, keek zijn meester weemoedig aan, slikte iets weg en borg resoluut zijn zwarten kop weer tusschen de veeren.„Wel te rusten”, zei Hajo.Padde staarde afwezig voor zich uit. „Ik zie me nog op Gerrits[181]kooi zitten”, herhaalde hij. „’t Was zoowat bij de twintigste paal van de hoofdtoren af.—Zeg, Hajo, zou jij de weg nog op een prik kennen, als we terugkomen?”„Stel je voor! In ’t pikkedonker nog wel! Padde.….! Willen we eens een wandeling.…. door Hoorn maken? Hè?”Padde begon te grinniken. „Mij best! Hoe gaan we? Van de Appelhaven uit?”„Neen, we zijn in de Bagijnesteeg! ’t Is avond; we hebben al gegeten en jij bent het zoldervenster uitgeklommen, de goot door, toen over het kippenhok en door het hofje naar buiten.”„Wat gaan we doen?” vroeg Padde opgewonden.„Appels rapen? In ’t Sinte-Clarens?”„Ja! We gaan eerst het Gerritsland af!”„Daar heb ik nog vijf knikkerkuiltjes!” zei Padde. „Daar spelen de anderen nu mooi weer mee! De knikkertijd is net begonnen.”„Nou, laat ze maar knikkeren, hè Padde? Die tijd hebben wij gehad.”„Natuurlijk!” zei Padde. „Hoogstens tollen, dat zou ik nog weleens willen doen.”„Ja. Tollen is leuk”, gaf Hajo toe.—„Nou, we loopen om de Groote Kerk. Zouden de steigers er nog staan?”„Vast! De Groote Kerk, da’s net als met de toren van Babel,—die komt nooit af.”„Nou, zouden we dan liever niet wat in de steigers klimmen, in plaats van naar ’t Sinte-Clarens? Sproeten-Harm klimt je toch niet na!”„’k Heb juist zoo’n trek in appels!” zei Padde, die een afkeer van klimmen had.„Vooruit dan maar! Zou de poffertjeskraam van Geert Oliekoek en Mietje Majoorske nog bij de kerk staan?”Hajo bootste een krijschende vrouwenstem na: „’n Duit ’n oliekoek, jongens! Geert heit ze zelf gebakken!”„Hè-hè-hè!” grinnikte Padde, terwijl hij z’n dik buikje vasthield. „Hè-hè-hè!”„Ach, ’t is toch ’n arm, zwak menschje”, zei Hajo. „Ik had vaak met haar te doen!”[182]„Dat dacht je maar, dat ze niet sterk is!” meende Padde. „Vraag Geert maar eens; die loopt altijd met builen!” Padde trok z’n beenen in, sloeg er de handen omheen en zei: „Vrouwen zijn tangen.”„Wat een onzin!”„Onzin? Denk maar eens aan Wouters vrouw, die lieve Leentje!”„Goed”, moest Hajo toegeven. „Maar als je nou weer m’n moeder neemt.….!”„De goeien niet te na gesproken!” zei Padde. „Mijnmoeder is ook een beste, hoor!”„Nou juist! En mijn zusjes zeker niet! Antje! En Maartje! En Truitje! En Sijtje!”„Meisjes zijn altijd lief”, verzekerde Padde. „Maar later worden ze tangen. Ik ken d’r maar eentje, die haar leven lang ’n beste meid zal blijven!”„Wie dan? Truitje Cannegieter?”„Die?! Die wordt een helleveeg.”„Als jij maar geen helleveeg wordt! Wie bedoel je dan? Lotje Scheelzwam?”„Praat me dáár niet van”, zei Padde. „Als die eenmaal getrouwd is, kun je ze met een tang in het vuur houden, onder water stoppen, weer uitwringen en op de bleek over een lijntje te drogen hangen, en dan zal ze nog haar groote mond niet houden! Raai maar niet, want je weet toch niet, wie ik bedoel.”Maar Hajo gaf het niet op. „Jansje Bezem dan soms? Uit de Hanekamsteeg?”Padde werd vuurrood. „Laten we maar weer doorloopen!” stotterde hij. „We moeten nou de Botermarkt over!”„Ik heb je in de gaten”, meende Hajo.Padde blies als een kalkoensche haan. „Gaan we nou, nee of ja!”„Goed”, zei Hajo lachend. „En dan de Gouw en de Turfhaven langs.—Nou, dan zijn we bij het klooster. Kijk jij eens, of er een nachtwacht in de buurt is?”„Wel neen! Je hoort Joris op een kwartier afstands al aankomen. Hij zal wel ergens maffen!”„Nou, ga dan maar op m’n rug staan! Kun je?”„Ik zit al”, zei Padde. „Ziezoo, nou zit ik op het muurtje[183]en spring de tuin in. Verdikte, wat zijn de appels dit jaar groot! En vol, dat de boomen zitten!”„Ik ben al bij je, Padde! Ziezoo, nou maar voorzichtig-aan.”„Mmm! Wat zijn ze lekker!” Padde smakte met de lippen.„Eten kunnen we ze straks wel, Padde! Hoeveel heb je er al?”„Mijn zakken zijn al stampvol.”„De mijne ook! Ga maar weer op m’n rug staan, dan piepen we ’m!”„Ik zit al weer op het muurtje. Allemachies, daar komen Joris en Kale Dries aan!”„Verjoppie! Zoo, hoepla, ik ben er ook al overheen. Loopen, Padde! Loopen!” En de beide jongens stampten met de voeten op den grond, om aan te duiden hoe hard ze vluchtten. „Loopen! Ze krijgen ons nooit! Hoor je Kale Dries razen en schelden?—Ziezoo, nou geven ze het op.”„Was me dat sjouwen.….” zuchtte Padde. „Wat doe je nou met je appels, Hajo?”„Ik bewaar er een paar voor Doris en m’n zusjes.”„Dat doe ik ook. Ze krijgen er allemaal twee. ’t Moeilijke is voor mij om de appels in huis te smokkelen zonder dat m’n moeder het merkt! Ze zit natuurlijk nog te naaien, hè?”„Ja”, zei Hajo in nadenken. „Zeg, Padde.…. wat breng jij voor je moeder mee?”„Ikke? Een kleedje voor Zondags op tafel; het onze is op de hoeken zoo gesleten,—je zult het ook wel gezien hebben. En een koperen test wil ik koopen, zoo een als we vroeger in de stoof hadden vóór vader ’m.….! Denk je, dat ik voor m’n vader wat meebreng? Nog geen knoop voor z’n broek. Maar Margje en Annetje moeten een nieuw schort hebben, en m’n moeder ook, want ze heeft vreeselijk het land aan die gestopte Rommel. ’k Zal zien of ik er een met ’n randje kan krijgen, net als vrouw Schimmel uitDe Gouden Gaperdraagt. Nou, en een voetenzak heeft m’n moeder ook noodig, als ze ’s winters zit te naaien. Ze zal er voor zichzelf nooit een maken, weet je? En drie jaar geleden heeft ze het slotje van haar bloedkoralen kettinkje, dat ze altijd voor de kerk omhad, verloren. ’t Was echt zilver! Ik weet niet of ik genoeg zal hebben voor een nieuw slotje. Ik mag het lijden! Nou, en dan zijn[184]de gordijnen zoo gerafeld, weet je, ’t is een schande voor de buren, en in de mooie kast zitten wormen. Zou je ze niet, de sallemanders?—Wat koop jij voor je moeder?”„’t Mooiste, wat ik zie! Misschien wel een nikkelen olifant om aan de lamp te hangen! Of een glazen bol met een landschap of een zeegezicht er in. Voor Doris breng ik een flamingo en een aap mee!”„Nutteloos goed”, meende Padde. „Weet je wat je moeder hoognoodig heeft? ’n Doordeweeksche rok!”„Natuurlijk”, haastte Hajo zich te verklaren, „’n rok neem ik ook mee. Liefst een met zilverdraad bestikt, zooals die dame, weet je wel, uit dat paardenspel? Zeg, Padde, ik zie ons samen al weer in Hoorn terugkomen! Jij met je zilveren slotje en ik met m’n olifantje voor de lamp en m’n apen en m’n flamingo! Ik ga regelrecht naar huis! En jij?”„Ik zeker niet?!” En Padde zuchtte diep.Er heerschte lang stilzwijgen. Plotseling viel het Hajo op, dat Rolf gedurende hun heele gesprek gezwegen had. Hij schoof wat naar hem toe. „Laat eens kijken je torretjes, Rolf?”Rolf knikte zwijgend. Maar plotseling keek hij met verschrikte oogen naar de insecten, die hij vóór zich op zijn helder witten zakdoek had neergezet, en bedekte ze snel met de handen.Te laat: Hajo had reeds gezien. Op den zakdoek lagen niets dan uitgetrokken pootjes en vlerkjes en mismaakte, in een kringetje rondkruipende lichaams-stompjes. „Waarom heb je dat gedaan, Rolf?” vroeg Hajo zacht en verbaasd.Rolf was bloedrood geworden. „Ik heb het.…. gedachteloos gedaan.….” stotterde hij. „Ik heb naar jullie geluisterd en.….” Rolf keek met opeengeperste lippen een anderen kant uit; een groote traan blonk in zijn oogen.Toen bekroop Hajo een warm gevoel van medelijden. Hij legde zijn arm om Rolfs schouder en zocht naar woorden om zijn makker van het smartelijk eenzaamheidsgevoel te bevrijden, waaronder hij leed.Maar Padde had de verminkte diertjes nu ook gezien.„Neen maar!” zei hij verontwaardigd. „Die arme beestjes de vleugels uit te trekken! Ze moestenjoueens zoo te grazen nemen!”[185]„Laat me!” siste Rolf. Hij duwde Padde heftig en ruw ter zijde, sprong op, schudde zijn zakdoek met een gebaar van afschuw uit en verdween met groote schreden tusschen de boomen.Padde vond zijn spraak terug, na Rolf even verbouwereerd te hebben nagekeken. „Leelijke dierenbeul!” schold hij. En toen tot Hajo: „Eerst die beestjes martelen en dan mij een stomp geven! ’n Mooie vrind heb jij! Kom, laten we maar gaan slapen!”„Ga jij maar”, zei Hajo. „Ik blijf nog even op.”„Wou je soms nog op ’m wachten ook?!”„Ga nou maar, Padde.”Padde werd nijdig als een spin. „Besjoer!” zei hij vinnig. En hij verdween in de tent.Hajo wachtte. Duizend dingen spookten hem door het hoofd. Nu, in dezen geheimzinnigen tropennacht vol sterrenglans en krekelzang, geloofde Hajo voor het eerst in zijn leven den vollen omvang van zijn geluk te beseffen. Hij beloofde zichzelf, zijn moeder nooit weer verdriet te berokkenen. En voor Rolf wilde hij altijd een goed kameraad zijn.Toen een tak kraakte, schrikte hij uit zijn overpeinzingen op. Hij zag tot zijn verwondering, dat allen reeds in hun tenten waren verdwenen en de kampvuurtjes nog slechts smeulden. Daar stapte Rolf uit het groen te voorschijn, wilde zich met gebukt hoofd naar de tent begeven.„Rolf!” riep Hajo zachtkens en sprong overeind.Rolf hield zijn schreden in, zag Hajo met groote, verbaasde oogen aan. „Ben je nog niet gaan slapen?”„Ik heb op jou gewacht.”Rolf bleef roerloos staan. Zijn in het maanlicht toch al bleek glanzend gelaat scheen nog bleeker te worden. Hij kwam op Hajo toe, drukte hem zwijgend de hand.„Kom”, zei hij toen. „’t Is al laat.”Zeemeeuw.[186]

DE HOREN DES OVERVLOEDSDE HOREN DES OVERVLOEDS

DE HOREN DES OVERVLOEDS

Dat werd een feest! Je hoefde de handen maar uit te steken, en je hadt wildbraad zooveel je maar wilde, jongens! Zes man gingen er met den zegen op uit en trokken dien door het brakke binnenwater. In een ommezien hadden ze het net vol.Harmen, Rolf en Hajo gingen naar het riviertje, waarin het van vette paling wemelde. Voorzichtig liep Hajo het water in om ze te grijpen, maar de dieren glipten hem tusschen de vingers door.„Ik weet beter!” zei Harmen. „We trekken onze hemden door het water!” Hij trok z’n hemd uit, legde er een stevigen knoop in.„Je mag er nog wel een paar knoopen in leggen”, meende Rolf.„Vanwege die paar scheurtjes?” vroeg Harmen geringschattend en stekelig. „Geef me jouw hemd ook, Hajo. Dan doen we er dat overheen!”Bereidwillig stond Hajo zijn hemd af. Toen was er geen doorgang meer voor het kleinste palinkje. En met veel succes werd het „net” door het beekje getrokken. Harmen had de pijpen van zijn broek om z’n kuiten dichtgebonden, ten einde dit nuttige kleedingsstuk als bewaarplaats voor de palingen te kunnen aanwenden. „Ze bijten niet!” stelde hij zijn makkers gerust, terwijl hij de kronkelende, glibberige dieren weg[175]liet glijden. Eindelijk spande de broek aan alle zijden en deinde geheimzinnig op en neer. „’n Rot gevoel!” bekende Harmen.Andere maats waren ter duivenvangst getogen. De mooie, grijsblauwe vogels werden zonder de geringste moeite bij dozijnen buitgemaakt. Het was hartroerend te zien, hoe de makkers der arme gevangenen hun leven waagden om ze te bevrijden. Ook de papegaaien en de parkieten kwamen dapper voor hun soortgenooten op, vlogen krijschend om de hoofden der mannen heen, die een kromsnavel hadden weten te bemachtigen. Een enkele oome werd dan ook wel eens benauwd en liet zijn prooi weer los. Ze konden zoo gemeen bijten!Padde was te opgewonden om zich tot een enkel ding te kunnen bepalen. Hij verscheen overal ten tooneele waar zijn hulp niet verlangd werd, liep boos weg, wanneer hem daarop gewezen werd, kwam weer terug en bepaalde zich overigens tot aanmerkingen maken op wat anderen deden. Intusschen bleef hij voorzichtig als een ekster, steeds gereed in een boom te springen, wanneer zijn ongelukkig gesternte hem in de buurt van een leeuw of koningstijger zou voeren, en hij ontweek elken stam, waarachter zich een menscheneter verdekt zou kunnen hebben opgesteld,„Wat doen jullie daar?” vroeg hij aan de maats, die de opdracht hadden om de leege watertonnen uit het riviertje te vullen.„Water innemen! Om de tanden te poesse! Help maar ’n handje!”„Nemen jullienoual water in?? We gaan toch nog lang niet weg!”„De bootsman heeft ’t gezegd. Voor de rest hebben wij d’r niks mee te maken.”„De bootsman is stapelgek”, verzekerde Padde.De oomes keken bij die vermetele woorden uit den mond van dat botteliersmaatje, dat nauwelijks droog achter de ooren was, verbaasd op. Padde stak de borst vooruit om te laten zien, dat hij er de vent niet naar was, een eens gesproken woord terug te nemen.„Zeg dat eens waar de bootsman bij staat? Ik heb je nog nooit zien aframmelen.”[176]„Je hebt de bootsman zeker óók nog nooit zien aframmelen?” vroeg Padde. Toen draaide hij zich hooghartig om. Met open mond keken de oomes hem na.Padde toog naar het strand, waar een stelletje maats bezig was met het vangen van schildpadden, een weinig spannende jacht, daar de logge reuzen niet de geringste poging tot vluchten deden, er zich toe bepaalden kop en pooten in de hoornen vesting onder te brengen. Men keerde ze met stokken om en sleepte ze weg naar de plaats waar Bolle de kombuis had opgeslagen.Padde besloot om op z’n eentje aan het werk te tijgen. Maar terwijl hij het zware dier, dat hij zich als slachtoffer had uitgezocht, trachtte om te wentelen, ontdekte Padde onder den schildpad een gat in het zand, en in dat gat lagen tallooze kogelronde eitjes, zoo groot als die van een duif. Onze botteliersmaat begon te schreeuwen als een mager varken. „Kom eens hier! Kom eens kijken!!”De maats renden toe en waren even verbaasd als Padde. Maar Gerretje, een oome met een langen hals en daarop een rond hoofd als een kegelbal, had al tweemaal Bantam en Sumatra gezien, griste zonder veel omhaal van woorden de eieren uit het gat en borg ze in zijn muts.„Geef hier!” riep Padde. „Die eieren zijn van mij!”„Blijf er nog maar wat bij wachten,” ried Gerretje hem aan. „Hij legt er nog wel net zooveel bij!” Gerretje’s bewering klonk wat kras, en ze was het ook.Padde geloofde er geen duit van. En om dat te bewijzen gaf hij Gerretje, die zich juist grinnikend boog over het laatste handje-vol eieren, een fermen slag op de volle muts. Toen spoedde hij zich haastig voort, terwijl Gerretje raasde en tierde en zich de klodders eierstruis uit nek, ooren en oogen trachtte te werken. Boos en verdrietig was Padde. Hij nam zich voor, bij den schipper zijn beklag te doen.Maar terwijl de arme jongen nog overal naar Bontekoe zocht en op behoorlijke zeemansmanier door de oomes van het kastje naar den muur werd gestuurd, zag hij schuin tegen een boom een pot staan. Er waren kerven in den stam aangebracht en daaruit droop een dik, wit vocht omlaag, juist in den pot. Het zag er niet onsmakelijk uit. Padde rook eerst eens, doopte toen[177]vol vertrouwen duim en wijsvinger in den pot en likte ze af. Het vertrouwen werd beloond: Padde stelde vast, dat de witte, dikke vloeistof erg zoet was, en daar Padde alles wat zoet was lekker vond, doopte hij nogmaals zijn vingers in den pot en, al likkende en slikkende, groeide in hem onwrikbaar het plan, om niet te rusten, vóór de bodem van den pot aan het daglicht onthuld was.„Beroerde kerel, dat je bent!”„Beroerde kerel, dat je bent!”[178]Maar onverwachts regende het harde noten op zijn hoofd en schouders, en uit de hoogte, van onder de lange, gevederde bladeren van den gekerfden suikerpalm, schreeuwde de Neus: „Beroerde kerel, dat je bent!”Padde blikte, star van schrik, omhoog. Eerst toen hij zeker wist, dat het slechts de Neus en geen menscheneter was, die zich daar onder het bladerdak verscholen had, vond hij zijn kalmte terug. „D’r is voor geen duit smaak aan!” verklaarde hij.„Blijf er dan af met je gap-jatten!”„Als je nog een woord zegt, trap ik de heele boel om!” verzekerde Padde. En om te bewijzen, dat hij niet gauw in zijn schulp kroop, stak Padde pardoes zijn heele vuist in den pot.„Wel sapperloot.….!” was al wat de Neus er nog kon uitbrengen.Padde ging, al likkend, zijns weegs. Ja, zoozeer was hij in dien zoeten arbeid verdiept, dat hij niet eens merkte, hoe een groote wesp, eveneens aangetrokken door den geur van het palmvocht, zich onder tegen zijn hand zette. Maar plotseling voelde Padde een hevigen steek; hij slingerde het gevleugelde monster van zich af, schreeuwde, of hij vermoord werd, en stak bijkans zijn hand in den mond om de pijn weg te zuigen. Maar het gekwetste lichaamsdeel zwol op als een varkensblaasje.Padde’s stemming daalde tot levensmoeheid. Ten slotte zocht en vond hij vergetelheid in het bergstroompje. Hij vulde zijn mond met water, ging toen op zijn rug drijven en speelde walvisch door zijn vingers op de lippen te leggen en het water door een spleetje omhoog te spuiten. Hij wilde ook duiken, sprong van een overhangenden tak het water in, maar kwam onzacht neer op zijn maag. Daarom gaf hij het zwemmen op.Een half uur later kon men hem met een paal zien sjouwen met een bordje er aan, waarin letters waren gegrift. „Lees dat eens, Vader Langjas!” zei hij, terwijl hij den barbier, die kruiden aan het zoeken was, het bordje onder den neus duwde.De barbier zette, verrast, zijn bril op. „Ick, Adriaen Maertsz. Block, commandeur van.….!—Dat zullen we de schipper eens laten zien! Hoe kom je er aan, Padde?”„Gevonden!” zei Padde. „Ik dacht wel, dat het letters waren; daar heb je een pee, zie je wel? Nou, wat staat er nou op?”[179]„Wel, vrindje, hier staat.….”—en Vader Langjas zette zijn bril recht—„hier staat, dat Adriaen Maertsz. Block in het jaar onzes Heeren 1612 met dertien schepen op dit zelfde eiland is geweest. Hij heeft op de kust eenige manschappen verloren, doordat een paar sloepen in de branding zijn stukgeslagen. Je hebt natuurlijk wel van Adriaen Maertsz. Block gehoord?”„Jawel”, zei Padde. „De schipper van deHoornsche Zonheet Blok.”„Zoo.….” weifelde Vader Langjas. „’t Is een admiraal, weet je? Op de Afrikaansche kust heeft hij met dezelfde dertien schepen, waarvan hij hier spreekt, een Spaansche vloot verslagen.”„Merakel!” verklaarde Padde. „En dan te bedenken, dat hij nou met z’n smerige tjalk als beurtschipper vaart op Stavoren!”- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Gevogelte aan het spit.Men hield dien middag een feestmaaltijd. Duiven en ganzen werden aan het spit gebraden en daarbij met schildpadvet bedropen, zoodat ze glommen en mooie bruine korstjes kregen. Bolle bereidde voor zichzelf een flamingo, waarvan hij alleen de dikke vleezige tong, die den ganschen ondersnavel vult, verorberde. Naar Bolle’s gezicht en zijn genoegelijk smakken en vinger aflikken te oordeelen, moest een flamingo-tong een bijzondere lekkernij zijn; veel maats namen zich voor, om den volgenden dag ook eens zoo’n rood gepluimden gast bij den staart te pakken. Palingen en andere visschen zwommen eerst in sissend, pruttelend vet en daarna in de hongerige magen der avonturiers. Een berg van heerlijke vruchten lag opgestapeld om er den maaltijd mee te besluiten, en bovendien had Harmen een geweldige pudding gemaakt van meel, met schijfjes ananas, kokosmelk en bessensaus.Tijdens den maaltijd, die driemaal langer duurde dan anders, viel de schemering in. Het licht der lustig dansende vlammen der spitvuren werd als een feestelijke oproep verstaan door een leger gevleugelde insecten: uit hoeken en gaten kwamen ze[180]aansnorren, en ze zoemden zoo lang boven de vlammen, tot ze er met verschroeide vlerkjes in tuimelden.Men sloeg tenten op voor den nacht. Hajo, Rolf en Padde hadden samen ook een stuk zeildoek weten te veroveren, spreidden dekens uit op den grond, verhoogden het hoofdeinde van hun leger met zacht gras en voelden zich in een paleis.De oomes, die hun tent klaarhadden, staken een pijpje op en keken naar de sterren. Harmen haalde zijn „fiool” en speelde om beurten met Hajo, en de oomes wisten haast niet, wie mooier speelde.Zoo kwam de nacht. Hier en daar verdwenen er al in hun tent; het lachen en praten verstomde; Hajo en Padde, die bij mekaar waren gekropen, hoorden niets meer dan het tsjirpen van tallooze krekels, het snorren van een nachtvlinder, een enkel krijsch-geluid daar ver weg in het bosch, verstervend in duizend echo’s.….Rolf had uit een stukje blik, een tinnen kroes, wat schildpadvet en een wollen draad uit zijn sok een lamp samengesteld en bestudeerde bij het walmende lichtje de torren, kevers en vlindertjes, die hij in den loop van den middag voor dat doel gevangen had.Hajo kauwde op een grashalmpje, de handen onder het hoofd gesteund, de oogen gesloten. Padde lag op zijn rug naar de maan te turen.„Hajo?” vroeg Padde zacht. „Hoelang zijn we nou al uit Hoorn weg?”„Hoelang? Een.…. een half jaar zoowat.”„’n Half jaar.….!” zuchtte Padde. „Ik zie me nog op Gerrits kooi op den steiger zitten! Waar is Gerrit nou?”„Daar, vlakbij; ik heb hem op de onderste tak van die boom gezet.—Gerrit!”„Ka!” schreeuwde Gerrit verschrikt en slaapdronken. Hij maakte even een beweging, als wilde hij van den tak fladderen, waarop hij zat, bedacht zich toen wijselijk, keek zijn meester weemoedig aan, slikte iets weg en borg resoluut zijn zwarten kop weer tusschen de veeren.„Wel te rusten”, zei Hajo.Padde staarde afwezig voor zich uit. „Ik zie me nog op Gerrits[181]kooi zitten”, herhaalde hij. „’t Was zoowat bij de twintigste paal van de hoofdtoren af.—Zeg, Hajo, zou jij de weg nog op een prik kennen, als we terugkomen?”„Stel je voor! In ’t pikkedonker nog wel! Padde.….! Willen we eens een wandeling.…. door Hoorn maken? Hè?”Padde begon te grinniken. „Mij best! Hoe gaan we? Van de Appelhaven uit?”„Neen, we zijn in de Bagijnesteeg! ’t Is avond; we hebben al gegeten en jij bent het zoldervenster uitgeklommen, de goot door, toen over het kippenhok en door het hofje naar buiten.”„Wat gaan we doen?” vroeg Padde opgewonden.„Appels rapen? In ’t Sinte-Clarens?”„Ja! We gaan eerst het Gerritsland af!”„Daar heb ik nog vijf knikkerkuiltjes!” zei Padde. „Daar spelen de anderen nu mooi weer mee! De knikkertijd is net begonnen.”„Nou, laat ze maar knikkeren, hè Padde? Die tijd hebben wij gehad.”„Natuurlijk!” zei Padde. „Hoogstens tollen, dat zou ik nog weleens willen doen.”„Ja. Tollen is leuk”, gaf Hajo toe.—„Nou, we loopen om de Groote Kerk. Zouden de steigers er nog staan?”„Vast! De Groote Kerk, da’s net als met de toren van Babel,—die komt nooit af.”„Nou, zouden we dan liever niet wat in de steigers klimmen, in plaats van naar ’t Sinte-Clarens? Sproeten-Harm klimt je toch niet na!”„’k Heb juist zoo’n trek in appels!” zei Padde, die een afkeer van klimmen had.„Vooruit dan maar! Zou de poffertjeskraam van Geert Oliekoek en Mietje Majoorske nog bij de kerk staan?”Hajo bootste een krijschende vrouwenstem na: „’n Duit ’n oliekoek, jongens! Geert heit ze zelf gebakken!”„Hè-hè-hè!” grinnikte Padde, terwijl hij z’n dik buikje vasthield. „Hè-hè-hè!”„Ach, ’t is toch ’n arm, zwak menschje”, zei Hajo. „Ik had vaak met haar te doen!”[182]„Dat dacht je maar, dat ze niet sterk is!” meende Padde. „Vraag Geert maar eens; die loopt altijd met builen!” Padde trok z’n beenen in, sloeg er de handen omheen en zei: „Vrouwen zijn tangen.”„Wat een onzin!”„Onzin? Denk maar eens aan Wouters vrouw, die lieve Leentje!”„Goed”, moest Hajo toegeven. „Maar als je nou weer m’n moeder neemt.….!”„De goeien niet te na gesproken!” zei Padde. „Mijnmoeder is ook een beste, hoor!”„Nou juist! En mijn zusjes zeker niet! Antje! En Maartje! En Truitje! En Sijtje!”„Meisjes zijn altijd lief”, verzekerde Padde. „Maar later worden ze tangen. Ik ken d’r maar eentje, die haar leven lang ’n beste meid zal blijven!”„Wie dan? Truitje Cannegieter?”„Die?! Die wordt een helleveeg.”„Als jij maar geen helleveeg wordt! Wie bedoel je dan? Lotje Scheelzwam?”„Praat me dáár niet van”, zei Padde. „Als die eenmaal getrouwd is, kun je ze met een tang in het vuur houden, onder water stoppen, weer uitwringen en op de bleek over een lijntje te drogen hangen, en dan zal ze nog haar groote mond niet houden! Raai maar niet, want je weet toch niet, wie ik bedoel.”Maar Hajo gaf het niet op. „Jansje Bezem dan soms? Uit de Hanekamsteeg?”Padde werd vuurrood. „Laten we maar weer doorloopen!” stotterde hij. „We moeten nou de Botermarkt over!”„Ik heb je in de gaten”, meende Hajo.Padde blies als een kalkoensche haan. „Gaan we nou, nee of ja!”„Goed”, zei Hajo lachend. „En dan de Gouw en de Turfhaven langs.—Nou, dan zijn we bij het klooster. Kijk jij eens, of er een nachtwacht in de buurt is?”„Wel neen! Je hoort Joris op een kwartier afstands al aankomen. Hij zal wel ergens maffen!”„Nou, ga dan maar op m’n rug staan! Kun je?”„Ik zit al”, zei Padde. „Ziezoo, nou zit ik op het muurtje[183]en spring de tuin in. Verdikte, wat zijn de appels dit jaar groot! En vol, dat de boomen zitten!”„Ik ben al bij je, Padde! Ziezoo, nou maar voorzichtig-aan.”„Mmm! Wat zijn ze lekker!” Padde smakte met de lippen.„Eten kunnen we ze straks wel, Padde! Hoeveel heb je er al?”„Mijn zakken zijn al stampvol.”„De mijne ook! Ga maar weer op m’n rug staan, dan piepen we ’m!”„Ik zit al weer op het muurtje. Allemachies, daar komen Joris en Kale Dries aan!”„Verjoppie! Zoo, hoepla, ik ben er ook al overheen. Loopen, Padde! Loopen!” En de beide jongens stampten met de voeten op den grond, om aan te duiden hoe hard ze vluchtten. „Loopen! Ze krijgen ons nooit! Hoor je Kale Dries razen en schelden?—Ziezoo, nou geven ze het op.”„Was me dat sjouwen.….” zuchtte Padde. „Wat doe je nou met je appels, Hajo?”„Ik bewaar er een paar voor Doris en m’n zusjes.”„Dat doe ik ook. Ze krijgen er allemaal twee. ’t Moeilijke is voor mij om de appels in huis te smokkelen zonder dat m’n moeder het merkt! Ze zit natuurlijk nog te naaien, hè?”„Ja”, zei Hajo in nadenken. „Zeg, Padde.…. wat breng jij voor je moeder mee?”„Ikke? Een kleedje voor Zondags op tafel; het onze is op de hoeken zoo gesleten,—je zult het ook wel gezien hebben. En een koperen test wil ik koopen, zoo een als we vroeger in de stoof hadden vóór vader ’m.….! Denk je, dat ik voor m’n vader wat meebreng? Nog geen knoop voor z’n broek. Maar Margje en Annetje moeten een nieuw schort hebben, en m’n moeder ook, want ze heeft vreeselijk het land aan die gestopte Rommel. ’k Zal zien of ik er een met ’n randje kan krijgen, net als vrouw Schimmel uitDe Gouden Gaperdraagt. Nou, en een voetenzak heeft m’n moeder ook noodig, als ze ’s winters zit te naaien. Ze zal er voor zichzelf nooit een maken, weet je? En drie jaar geleden heeft ze het slotje van haar bloedkoralen kettinkje, dat ze altijd voor de kerk omhad, verloren. ’t Was echt zilver! Ik weet niet of ik genoeg zal hebben voor een nieuw slotje. Ik mag het lijden! Nou, en dan zijn[184]de gordijnen zoo gerafeld, weet je, ’t is een schande voor de buren, en in de mooie kast zitten wormen. Zou je ze niet, de sallemanders?—Wat koop jij voor je moeder?”„’t Mooiste, wat ik zie! Misschien wel een nikkelen olifant om aan de lamp te hangen! Of een glazen bol met een landschap of een zeegezicht er in. Voor Doris breng ik een flamingo en een aap mee!”„Nutteloos goed”, meende Padde. „Weet je wat je moeder hoognoodig heeft? ’n Doordeweeksche rok!”„Natuurlijk”, haastte Hajo zich te verklaren, „’n rok neem ik ook mee. Liefst een met zilverdraad bestikt, zooals die dame, weet je wel, uit dat paardenspel? Zeg, Padde, ik zie ons samen al weer in Hoorn terugkomen! Jij met je zilveren slotje en ik met m’n olifantje voor de lamp en m’n apen en m’n flamingo! Ik ga regelrecht naar huis! En jij?”„Ik zeker niet?!” En Padde zuchtte diep.Er heerschte lang stilzwijgen. Plotseling viel het Hajo op, dat Rolf gedurende hun heele gesprek gezwegen had. Hij schoof wat naar hem toe. „Laat eens kijken je torretjes, Rolf?”Rolf knikte zwijgend. Maar plotseling keek hij met verschrikte oogen naar de insecten, die hij vóór zich op zijn helder witten zakdoek had neergezet, en bedekte ze snel met de handen.Te laat: Hajo had reeds gezien. Op den zakdoek lagen niets dan uitgetrokken pootjes en vlerkjes en mismaakte, in een kringetje rondkruipende lichaams-stompjes. „Waarom heb je dat gedaan, Rolf?” vroeg Hajo zacht en verbaasd.Rolf was bloedrood geworden. „Ik heb het.…. gedachteloos gedaan.….” stotterde hij. „Ik heb naar jullie geluisterd en.….” Rolf keek met opeengeperste lippen een anderen kant uit; een groote traan blonk in zijn oogen.Toen bekroop Hajo een warm gevoel van medelijden. Hij legde zijn arm om Rolfs schouder en zocht naar woorden om zijn makker van het smartelijk eenzaamheidsgevoel te bevrijden, waaronder hij leed.Maar Padde had de verminkte diertjes nu ook gezien.„Neen maar!” zei hij verontwaardigd. „Die arme beestjes de vleugels uit te trekken! Ze moestenjoueens zoo te grazen nemen!”[185]„Laat me!” siste Rolf. Hij duwde Padde heftig en ruw ter zijde, sprong op, schudde zijn zakdoek met een gebaar van afschuw uit en verdween met groote schreden tusschen de boomen.Padde vond zijn spraak terug, na Rolf even verbouwereerd te hebben nagekeken. „Leelijke dierenbeul!” schold hij. En toen tot Hajo: „Eerst die beestjes martelen en dan mij een stomp geven! ’n Mooie vrind heb jij! Kom, laten we maar gaan slapen!”„Ga jij maar”, zei Hajo. „Ik blijf nog even op.”„Wou je soms nog op ’m wachten ook?!”„Ga nou maar, Padde.”Padde werd nijdig als een spin. „Besjoer!” zei hij vinnig. En hij verdween in de tent.Hajo wachtte. Duizend dingen spookten hem door het hoofd. Nu, in dezen geheimzinnigen tropennacht vol sterrenglans en krekelzang, geloofde Hajo voor het eerst in zijn leven den vollen omvang van zijn geluk te beseffen. Hij beloofde zichzelf, zijn moeder nooit weer verdriet te berokkenen. En voor Rolf wilde hij altijd een goed kameraad zijn.Toen een tak kraakte, schrikte hij uit zijn overpeinzingen op. Hij zag tot zijn verwondering, dat allen reeds in hun tenten waren verdwenen en de kampvuurtjes nog slechts smeulden. Daar stapte Rolf uit het groen te voorschijn, wilde zich met gebukt hoofd naar de tent begeven.„Rolf!” riep Hajo zachtkens en sprong overeind.Rolf hield zijn schreden in, zag Hajo met groote, verbaasde oogen aan. „Ben je nog niet gaan slapen?”„Ik heb op jou gewacht.”Rolf bleef roerloos staan. Zijn in het maanlicht toch al bleek glanzend gelaat scheen nog bleeker te worden. Hij kwam op Hajo toe, drukte hem zwijgend de hand.„Kom”, zei hij toen. „’t Is al laat.”Zeemeeuw.[186]

Dat werd een feest! Je hoefde de handen maar uit te steken, en je hadt wildbraad zooveel je maar wilde, jongens! Zes man gingen er met den zegen op uit en trokken dien door het brakke binnenwater. In een ommezien hadden ze het net vol.

Harmen, Rolf en Hajo gingen naar het riviertje, waarin het van vette paling wemelde. Voorzichtig liep Hajo het water in om ze te grijpen, maar de dieren glipten hem tusschen de vingers door.

„Ik weet beter!” zei Harmen. „We trekken onze hemden door het water!” Hij trok z’n hemd uit, legde er een stevigen knoop in.

„Je mag er nog wel een paar knoopen in leggen”, meende Rolf.

„Vanwege die paar scheurtjes?” vroeg Harmen geringschattend en stekelig. „Geef me jouw hemd ook, Hajo. Dan doen we er dat overheen!”

Bereidwillig stond Hajo zijn hemd af. Toen was er geen doorgang meer voor het kleinste palinkje. En met veel succes werd het „net” door het beekje getrokken. Harmen had de pijpen van zijn broek om z’n kuiten dichtgebonden, ten einde dit nuttige kleedingsstuk als bewaarplaats voor de palingen te kunnen aanwenden. „Ze bijten niet!” stelde hij zijn makkers gerust, terwijl hij de kronkelende, glibberige dieren weg[175]liet glijden. Eindelijk spande de broek aan alle zijden en deinde geheimzinnig op en neer. „’n Rot gevoel!” bekende Harmen.

Andere maats waren ter duivenvangst getogen. De mooie, grijsblauwe vogels werden zonder de geringste moeite bij dozijnen buitgemaakt. Het was hartroerend te zien, hoe de makkers der arme gevangenen hun leven waagden om ze te bevrijden. Ook de papegaaien en de parkieten kwamen dapper voor hun soortgenooten op, vlogen krijschend om de hoofden der mannen heen, die een kromsnavel hadden weten te bemachtigen. Een enkele oome werd dan ook wel eens benauwd en liet zijn prooi weer los. Ze konden zoo gemeen bijten!

Padde was te opgewonden om zich tot een enkel ding te kunnen bepalen. Hij verscheen overal ten tooneele waar zijn hulp niet verlangd werd, liep boos weg, wanneer hem daarop gewezen werd, kwam weer terug en bepaalde zich overigens tot aanmerkingen maken op wat anderen deden. Intusschen bleef hij voorzichtig als een ekster, steeds gereed in een boom te springen, wanneer zijn ongelukkig gesternte hem in de buurt van een leeuw of koningstijger zou voeren, en hij ontweek elken stam, waarachter zich een menscheneter verdekt zou kunnen hebben opgesteld,

„Wat doen jullie daar?” vroeg hij aan de maats, die de opdracht hadden om de leege watertonnen uit het riviertje te vullen.

„Water innemen! Om de tanden te poesse! Help maar ’n handje!”

„Nemen jullienoual water in?? We gaan toch nog lang niet weg!”

„De bootsman heeft ’t gezegd. Voor de rest hebben wij d’r niks mee te maken.”

„De bootsman is stapelgek”, verzekerde Padde.

De oomes keken bij die vermetele woorden uit den mond van dat botteliersmaatje, dat nauwelijks droog achter de ooren was, verbaasd op. Padde stak de borst vooruit om te laten zien, dat hij er de vent niet naar was, een eens gesproken woord terug te nemen.

„Zeg dat eens waar de bootsman bij staat? Ik heb je nog nooit zien aframmelen.”[176]

„Je hebt de bootsman zeker óók nog nooit zien aframmelen?” vroeg Padde. Toen draaide hij zich hooghartig om. Met open mond keken de oomes hem na.

Padde toog naar het strand, waar een stelletje maats bezig was met het vangen van schildpadden, een weinig spannende jacht, daar de logge reuzen niet de geringste poging tot vluchten deden, er zich toe bepaalden kop en pooten in de hoornen vesting onder te brengen. Men keerde ze met stokken om en sleepte ze weg naar de plaats waar Bolle de kombuis had opgeslagen.

Padde besloot om op z’n eentje aan het werk te tijgen. Maar terwijl hij het zware dier, dat hij zich als slachtoffer had uitgezocht, trachtte om te wentelen, ontdekte Padde onder den schildpad een gat in het zand, en in dat gat lagen tallooze kogelronde eitjes, zoo groot als die van een duif. Onze botteliersmaat begon te schreeuwen als een mager varken. „Kom eens hier! Kom eens kijken!!”

De maats renden toe en waren even verbaasd als Padde. Maar Gerretje, een oome met een langen hals en daarop een rond hoofd als een kegelbal, had al tweemaal Bantam en Sumatra gezien, griste zonder veel omhaal van woorden de eieren uit het gat en borg ze in zijn muts.

„Geef hier!” riep Padde. „Die eieren zijn van mij!”

„Blijf er nog maar wat bij wachten,” ried Gerretje hem aan. „Hij legt er nog wel net zooveel bij!” Gerretje’s bewering klonk wat kras, en ze was het ook.

Padde geloofde er geen duit van. En om dat te bewijzen gaf hij Gerretje, die zich juist grinnikend boog over het laatste handje-vol eieren, een fermen slag op de volle muts. Toen spoedde hij zich haastig voort, terwijl Gerretje raasde en tierde en zich de klodders eierstruis uit nek, ooren en oogen trachtte te werken. Boos en verdrietig was Padde. Hij nam zich voor, bij den schipper zijn beklag te doen.

Maar terwijl de arme jongen nog overal naar Bontekoe zocht en op behoorlijke zeemansmanier door de oomes van het kastje naar den muur werd gestuurd, zag hij schuin tegen een boom een pot staan. Er waren kerven in den stam aangebracht en daaruit droop een dik, wit vocht omlaag, juist in den pot. Het zag er niet onsmakelijk uit. Padde rook eerst eens, doopte toen[177]vol vertrouwen duim en wijsvinger in den pot en likte ze af. Het vertrouwen werd beloond: Padde stelde vast, dat de witte, dikke vloeistof erg zoet was, en daar Padde alles wat zoet was lekker vond, doopte hij nogmaals zijn vingers in den pot en, al likkende en slikkende, groeide in hem onwrikbaar het plan, om niet te rusten, vóór de bodem van den pot aan het daglicht onthuld was.

„Beroerde kerel, dat je bent!”„Beroerde kerel, dat je bent!”

„Beroerde kerel, dat je bent!”

[178]

Maar onverwachts regende het harde noten op zijn hoofd en schouders, en uit de hoogte, van onder de lange, gevederde bladeren van den gekerfden suikerpalm, schreeuwde de Neus: „Beroerde kerel, dat je bent!”

Padde blikte, star van schrik, omhoog. Eerst toen hij zeker wist, dat het slechts de Neus en geen menscheneter was, die zich daar onder het bladerdak verscholen had, vond hij zijn kalmte terug. „D’r is voor geen duit smaak aan!” verklaarde hij.

„Blijf er dan af met je gap-jatten!”

„Als je nog een woord zegt, trap ik de heele boel om!” verzekerde Padde. En om te bewijzen, dat hij niet gauw in zijn schulp kroop, stak Padde pardoes zijn heele vuist in den pot.

„Wel sapperloot.….!” was al wat de Neus er nog kon uitbrengen.

Padde ging, al likkend, zijns weegs. Ja, zoozeer was hij in dien zoeten arbeid verdiept, dat hij niet eens merkte, hoe een groote wesp, eveneens aangetrokken door den geur van het palmvocht, zich onder tegen zijn hand zette. Maar plotseling voelde Padde een hevigen steek; hij slingerde het gevleugelde monster van zich af, schreeuwde, of hij vermoord werd, en stak bijkans zijn hand in den mond om de pijn weg te zuigen. Maar het gekwetste lichaamsdeel zwol op als een varkensblaasje.

Padde’s stemming daalde tot levensmoeheid. Ten slotte zocht en vond hij vergetelheid in het bergstroompje. Hij vulde zijn mond met water, ging toen op zijn rug drijven en speelde walvisch door zijn vingers op de lippen te leggen en het water door een spleetje omhoog te spuiten. Hij wilde ook duiken, sprong van een overhangenden tak het water in, maar kwam onzacht neer op zijn maag. Daarom gaf hij het zwemmen op.

Een half uur later kon men hem met een paal zien sjouwen met een bordje er aan, waarin letters waren gegrift. „Lees dat eens, Vader Langjas!” zei hij, terwijl hij den barbier, die kruiden aan het zoeken was, het bordje onder den neus duwde.

De barbier zette, verrast, zijn bril op. „Ick, Adriaen Maertsz. Block, commandeur van.….!—Dat zullen we de schipper eens laten zien! Hoe kom je er aan, Padde?”

„Gevonden!” zei Padde. „Ik dacht wel, dat het letters waren; daar heb je een pee, zie je wel? Nou, wat staat er nou op?”[179]

„Wel, vrindje, hier staat.….”—en Vader Langjas zette zijn bril recht—„hier staat, dat Adriaen Maertsz. Block in het jaar onzes Heeren 1612 met dertien schepen op dit zelfde eiland is geweest. Hij heeft op de kust eenige manschappen verloren, doordat een paar sloepen in de branding zijn stukgeslagen. Je hebt natuurlijk wel van Adriaen Maertsz. Block gehoord?”

„Jawel”, zei Padde. „De schipper van deHoornsche Zonheet Blok.”

„Zoo.….” weifelde Vader Langjas. „’t Is een admiraal, weet je? Op de Afrikaansche kust heeft hij met dezelfde dertien schepen, waarvan hij hier spreekt, een Spaansche vloot verslagen.”

„Merakel!” verklaarde Padde. „En dan te bedenken, dat hij nou met z’n smerige tjalk als beurtschipper vaart op Stavoren!”

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Gevogelte aan het spit.

Men hield dien middag een feestmaaltijd. Duiven en ganzen werden aan het spit gebraden en daarbij met schildpadvet bedropen, zoodat ze glommen en mooie bruine korstjes kregen. Bolle bereidde voor zichzelf een flamingo, waarvan hij alleen de dikke vleezige tong, die den ganschen ondersnavel vult, verorberde. Naar Bolle’s gezicht en zijn genoegelijk smakken en vinger aflikken te oordeelen, moest een flamingo-tong een bijzondere lekkernij zijn; veel maats namen zich voor, om den volgenden dag ook eens zoo’n rood gepluimden gast bij den staart te pakken. Palingen en andere visschen zwommen eerst in sissend, pruttelend vet en daarna in de hongerige magen der avonturiers. Een berg van heerlijke vruchten lag opgestapeld om er den maaltijd mee te besluiten, en bovendien had Harmen een geweldige pudding gemaakt van meel, met schijfjes ananas, kokosmelk en bessensaus.

Tijdens den maaltijd, die driemaal langer duurde dan anders, viel de schemering in. Het licht der lustig dansende vlammen der spitvuren werd als een feestelijke oproep verstaan door een leger gevleugelde insecten: uit hoeken en gaten kwamen ze[180]aansnorren, en ze zoemden zoo lang boven de vlammen, tot ze er met verschroeide vlerkjes in tuimelden.

Men sloeg tenten op voor den nacht. Hajo, Rolf en Padde hadden samen ook een stuk zeildoek weten te veroveren, spreidden dekens uit op den grond, verhoogden het hoofdeinde van hun leger met zacht gras en voelden zich in een paleis.

De oomes, die hun tent klaarhadden, staken een pijpje op en keken naar de sterren. Harmen haalde zijn „fiool” en speelde om beurten met Hajo, en de oomes wisten haast niet, wie mooier speelde.

Zoo kwam de nacht. Hier en daar verdwenen er al in hun tent; het lachen en praten verstomde; Hajo en Padde, die bij mekaar waren gekropen, hoorden niets meer dan het tsjirpen van tallooze krekels, het snorren van een nachtvlinder, een enkel krijsch-geluid daar ver weg in het bosch, verstervend in duizend echo’s.….

Rolf had uit een stukje blik, een tinnen kroes, wat schildpadvet en een wollen draad uit zijn sok een lamp samengesteld en bestudeerde bij het walmende lichtje de torren, kevers en vlindertjes, die hij in den loop van den middag voor dat doel gevangen had.

Hajo kauwde op een grashalmpje, de handen onder het hoofd gesteund, de oogen gesloten. Padde lag op zijn rug naar de maan te turen.

„Hajo?” vroeg Padde zacht. „Hoelang zijn we nou al uit Hoorn weg?”

„Hoelang? Een.…. een half jaar zoowat.”

„’n Half jaar.….!” zuchtte Padde. „Ik zie me nog op Gerrits kooi op den steiger zitten! Waar is Gerrit nou?”

„Daar, vlakbij; ik heb hem op de onderste tak van die boom gezet.—Gerrit!”

„Ka!” schreeuwde Gerrit verschrikt en slaapdronken. Hij maakte even een beweging, als wilde hij van den tak fladderen, waarop hij zat, bedacht zich toen wijselijk, keek zijn meester weemoedig aan, slikte iets weg en borg resoluut zijn zwarten kop weer tusschen de veeren.

„Wel te rusten”, zei Hajo.

Padde staarde afwezig voor zich uit. „Ik zie me nog op Gerrits[181]kooi zitten”, herhaalde hij. „’t Was zoowat bij de twintigste paal van de hoofdtoren af.—Zeg, Hajo, zou jij de weg nog op een prik kennen, als we terugkomen?”

„Stel je voor! In ’t pikkedonker nog wel! Padde.….! Willen we eens een wandeling.…. door Hoorn maken? Hè?”

Padde begon te grinniken. „Mij best! Hoe gaan we? Van de Appelhaven uit?”

„Neen, we zijn in de Bagijnesteeg! ’t Is avond; we hebben al gegeten en jij bent het zoldervenster uitgeklommen, de goot door, toen over het kippenhok en door het hofje naar buiten.”

„Wat gaan we doen?” vroeg Padde opgewonden.„Appels rapen? In ’t Sinte-Clarens?”

„Ja! We gaan eerst het Gerritsland af!”

„Daar heb ik nog vijf knikkerkuiltjes!” zei Padde. „Daar spelen de anderen nu mooi weer mee! De knikkertijd is net begonnen.”

„Nou, laat ze maar knikkeren, hè Padde? Die tijd hebben wij gehad.”

„Natuurlijk!” zei Padde. „Hoogstens tollen, dat zou ik nog weleens willen doen.”

„Ja. Tollen is leuk”, gaf Hajo toe.—„Nou, we loopen om de Groote Kerk. Zouden de steigers er nog staan?”

„Vast! De Groote Kerk, da’s net als met de toren van Babel,—die komt nooit af.”

„Nou, zouden we dan liever niet wat in de steigers klimmen, in plaats van naar ’t Sinte-Clarens? Sproeten-Harm klimt je toch niet na!”

„’k Heb juist zoo’n trek in appels!” zei Padde, die een afkeer van klimmen had.

„Vooruit dan maar! Zou de poffertjeskraam van Geert Oliekoek en Mietje Majoorske nog bij de kerk staan?”

Hajo bootste een krijschende vrouwenstem na: „’n Duit ’n oliekoek, jongens! Geert heit ze zelf gebakken!”

„Hè-hè-hè!” grinnikte Padde, terwijl hij z’n dik buikje vasthield. „Hè-hè-hè!”

„Ach, ’t is toch ’n arm, zwak menschje”, zei Hajo. „Ik had vaak met haar te doen!”[182]

„Dat dacht je maar, dat ze niet sterk is!” meende Padde. „Vraag Geert maar eens; die loopt altijd met builen!” Padde trok z’n beenen in, sloeg er de handen omheen en zei: „Vrouwen zijn tangen.”

„Wat een onzin!”

„Onzin? Denk maar eens aan Wouters vrouw, die lieve Leentje!”

„Goed”, moest Hajo toegeven. „Maar als je nou weer m’n moeder neemt.….!”

„De goeien niet te na gesproken!” zei Padde. „Mijnmoeder is ook een beste, hoor!”

„Nou juist! En mijn zusjes zeker niet! Antje! En Maartje! En Truitje! En Sijtje!”

„Meisjes zijn altijd lief”, verzekerde Padde. „Maar later worden ze tangen. Ik ken d’r maar eentje, die haar leven lang ’n beste meid zal blijven!”

„Wie dan? Truitje Cannegieter?”

„Die?! Die wordt een helleveeg.”

„Als jij maar geen helleveeg wordt! Wie bedoel je dan? Lotje Scheelzwam?”

„Praat me dáár niet van”, zei Padde. „Als die eenmaal getrouwd is, kun je ze met een tang in het vuur houden, onder water stoppen, weer uitwringen en op de bleek over een lijntje te drogen hangen, en dan zal ze nog haar groote mond niet houden! Raai maar niet, want je weet toch niet, wie ik bedoel.”

Maar Hajo gaf het niet op. „Jansje Bezem dan soms? Uit de Hanekamsteeg?”

Padde werd vuurrood. „Laten we maar weer doorloopen!” stotterde hij. „We moeten nou de Botermarkt over!”

„Ik heb je in de gaten”, meende Hajo.

Padde blies als een kalkoensche haan. „Gaan we nou, nee of ja!”

„Goed”, zei Hajo lachend. „En dan de Gouw en de Turfhaven langs.—Nou, dan zijn we bij het klooster. Kijk jij eens, of er een nachtwacht in de buurt is?”

„Wel neen! Je hoort Joris op een kwartier afstands al aankomen. Hij zal wel ergens maffen!”

„Nou, ga dan maar op m’n rug staan! Kun je?”

„Ik zit al”, zei Padde. „Ziezoo, nou zit ik op het muurtje[183]en spring de tuin in. Verdikte, wat zijn de appels dit jaar groot! En vol, dat de boomen zitten!”

„Ik ben al bij je, Padde! Ziezoo, nou maar voorzichtig-aan.”

„Mmm! Wat zijn ze lekker!” Padde smakte met de lippen.

„Eten kunnen we ze straks wel, Padde! Hoeveel heb je er al?”

„Mijn zakken zijn al stampvol.”

„De mijne ook! Ga maar weer op m’n rug staan, dan piepen we ’m!”

„Ik zit al weer op het muurtje. Allemachies, daar komen Joris en Kale Dries aan!”

„Verjoppie! Zoo, hoepla, ik ben er ook al overheen. Loopen, Padde! Loopen!” En de beide jongens stampten met de voeten op den grond, om aan te duiden hoe hard ze vluchtten. „Loopen! Ze krijgen ons nooit! Hoor je Kale Dries razen en schelden?—Ziezoo, nou geven ze het op.”

„Was me dat sjouwen.….” zuchtte Padde. „Wat doe je nou met je appels, Hajo?”

„Ik bewaar er een paar voor Doris en m’n zusjes.”

„Dat doe ik ook. Ze krijgen er allemaal twee. ’t Moeilijke is voor mij om de appels in huis te smokkelen zonder dat m’n moeder het merkt! Ze zit natuurlijk nog te naaien, hè?”

„Ja”, zei Hajo in nadenken. „Zeg, Padde.…. wat breng jij voor je moeder mee?”

„Ikke? Een kleedje voor Zondags op tafel; het onze is op de hoeken zoo gesleten,—je zult het ook wel gezien hebben. En een koperen test wil ik koopen, zoo een als we vroeger in de stoof hadden vóór vader ’m.….! Denk je, dat ik voor m’n vader wat meebreng? Nog geen knoop voor z’n broek. Maar Margje en Annetje moeten een nieuw schort hebben, en m’n moeder ook, want ze heeft vreeselijk het land aan die gestopte Rommel. ’k Zal zien of ik er een met ’n randje kan krijgen, net als vrouw Schimmel uitDe Gouden Gaperdraagt. Nou, en een voetenzak heeft m’n moeder ook noodig, als ze ’s winters zit te naaien. Ze zal er voor zichzelf nooit een maken, weet je? En drie jaar geleden heeft ze het slotje van haar bloedkoralen kettinkje, dat ze altijd voor de kerk omhad, verloren. ’t Was echt zilver! Ik weet niet of ik genoeg zal hebben voor een nieuw slotje. Ik mag het lijden! Nou, en dan zijn[184]de gordijnen zoo gerafeld, weet je, ’t is een schande voor de buren, en in de mooie kast zitten wormen. Zou je ze niet, de sallemanders?—Wat koop jij voor je moeder?”

„’t Mooiste, wat ik zie! Misschien wel een nikkelen olifant om aan de lamp te hangen! Of een glazen bol met een landschap of een zeegezicht er in. Voor Doris breng ik een flamingo en een aap mee!”

„Nutteloos goed”, meende Padde. „Weet je wat je moeder hoognoodig heeft? ’n Doordeweeksche rok!”

„Natuurlijk”, haastte Hajo zich te verklaren, „’n rok neem ik ook mee. Liefst een met zilverdraad bestikt, zooals die dame, weet je wel, uit dat paardenspel? Zeg, Padde, ik zie ons samen al weer in Hoorn terugkomen! Jij met je zilveren slotje en ik met m’n olifantje voor de lamp en m’n apen en m’n flamingo! Ik ga regelrecht naar huis! En jij?”

„Ik zeker niet?!” En Padde zuchtte diep.

Er heerschte lang stilzwijgen. Plotseling viel het Hajo op, dat Rolf gedurende hun heele gesprek gezwegen had. Hij schoof wat naar hem toe. „Laat eens kijken je torretjes, Rolf?”

Rolf knikte zwijgend. Maar plotseling keek hij met verschrikte oogen naar de insecten, die hij vóór zich op zijn helder witten zakdoek had neergezet, en bedekte ze snel met de handen.

Te laat: Hajo had reeds gezien. Op den zakdoek lagen niets dan uitgetrokken pootjes en vlerkjes en mismaakte, in een kringetje rondkruipende lichaams-stompjes. „Waarom heb je dat gedaan, Rolf?” vroeg Hajo zacht en verbaasd.

Rolf was bloedrood geworden. „Ik heb het.…. gedachteloos gedaan.….” stotterde hij. „Ik heb naar jullie geluisterd en.….” Rolf keek met opeengeperste lippen een anderen kant uit; een groote traan blonk in zijn oogen.

Toen bekroop Hajo een warm gevoel van medelijden. Hij legde zijn arm om Rolfs schouder en zocht naar woorden om zijn makker van het smartelijk eenzaamheidsgevoel te bevrijden, waaronder hij leed.

Maar Padde had de verminkte diertjes nu ook gezien.

„Neen maar!” zei hij verontwaardigd. „Die arme beestjes de vleugels uit te trekken! Ze moestenjoueens zoo te grazen nemen!”[185]

„Laat me!” siste Rolf. Hij duwde Padde heftig en ruw ter zijde, sprong op, schudde zijn zakdoek met een gebaar van afschuw uit en verdween met groote schreden tusschen de boomen.

Padde vond zijn spraak terug, na Rolf even verbouwereerd te hebben nagekeken. „Leelijke dierenbeul!” schold hij. En toen tot Hajo: „Eerst die beestjes martelen en dan mij een stomp geven! ’n Mooie vrind heb jij! Kom, laten we maar gaan slapen!”

„Ga jij maar”, zei Hajo. „Ik blijf nog even op.”

„Wou je soms nog op ’m wachten ook?!”

„Ga nou maar, Padde.”

Padde werd nijdig als een spin. „Besjoer!” zei hij vinnig. En hij verdween in de tent.

Hajo wachtte. Duizend dingen spookten hem door het hoofd. Nu, in dezen geheimzinnigen tropennacht vol sterrenglans en krekelzang, geloofde Hajo voor het eerst in zijn leven den vollen omvang van zijn geluk te beseffen. Hij beloofde zichzelf, zijn moeder nooit weer verdriet te berokkenen. En voor Rolf wilde hij altijd een goed kameraad zijn.

Toen een tak kraakte, schrikte hij uit zijn overpeinzingen op. Hij zag tot zijn verwondering, dat allen reeds in hun tenten waren verdwenen en de kampvuurtjes nog slechts smeulden. Daar stapte Rolf uit het groen te voorschijn, wilde zich met gebukt hoofd naar de tent begeven.

„Rolf!” riep Hajo zachtkens en sprong overeind.

Rolf hield zijn schreden in, zag Hajo met groote, verbaasde oogen aan. „Ben je nog niet gaan slapen?”

„Ik heb op jou gewacht.”

Rolf bleef roerloos staan. Zijn in het maanlicht toch al bleek glanzend gelaat scheen nog bleeker te worden. Hij kwam op Hajo toe, drukte hem zwijgend de hand.

„Kom”, zei hij toen. „’t Is al laat.”

Zeemeeuw.

[186]


Back to IndexNext