VREEMDE BEESTEN

[Inhoud]VREEMDE BEESTENVREEMDE BEESTENDe volgende dag bracht tal van avonturen.’s Morgens namen onze vrienden een heerlijk verfrisschend zeebad. Poedelnaakt dansten ze de zware rollers te gemoet, die in forsche wenteling tegen het strand opliepen, wierpen zich in de holte van zoo’n ombollende golf, schoten er fiksch onderdoor en kwamen met druipende haren weer boven, als ze nog juist den tijd hadden, adem te scheppen voor het onderduiken in een nieuwe golf, die met hoog opgerichten kop, als een menner, de voorgaande voor zich heen joeg.En toen de knapen uitgeplast en uitgedanst waren, ploften ze in het mulle zand neer, lieten zich door de zon drogen en bruinbakken en maakten berekeningen omtrent den duur van de verdere reis. „Over een half jaar zijn we er”, schatte Hajo.„Over drie maanden”, meende Rolf.Padde echter sprong onverwachts overeind en staarde Hajo en Rolf met groote oogen aan. „’n Aardbeving!” stamelde hij.„’n Wat??”„’n Aardbeving! Ik heb duidelijk gevoeld, dat de grond onder me bewoog!”„’t Zal wel verbeelding zijn geweest, Padde.”„Dan is m’n neus ook verbeelding!” Alles behalve overtuigd vleide Padde zich weer neer. „Hoelang de reis nog duurt?” vroeg hij na eenig zwijgen. „Ik denk.….” Maar wederom wipte hij, zoo mogelijk nog sneller dan daareven, overeind, en staarde met groote oogen naar de plek, waar hij gelegen had. Daar vond iets allermerkwaardigst plaats: het zand spleet, brokkelde en.…. een klein, vaalzwart kopje kwam om een hoekje kijken! Een paar zwarte, stompe liliputterpootjes werkten het zand verder op zij en daarna vertoonde zich.….[187]„’n Jonge zeeschildpad!” riep Rolf.Het was een alleraardigst beestje: niet veel grooter dan een okkernoot, en het schildje was nog geheel week. Hulpeloos zwaaiend met de logge, kleine zwempootjes, draaide het al maar het stompe kopje met de twee glinsterende, wereldwijze kraal-oogjes en het gerimpelde, magere, leerachtige oudemannetjeshalsje, als wilde het dat van het lichaampje afschroeven.Kijk, daar kwam nog een kopje uit het zand gluren! En nòg een! De jongens wierpen het nest (wat zou het anders zijn?) open. Neen maar, hetkrioeldevan die beestjes!„Ik neem er ’n paar mee naar Holland!” riep Hajo.„Laten we ze eens tellen”, stelde Rolf voor. Zoo deden de knapen en kwamen tot honderd-en-dertig eieren en acht-en-twintig jonge schildpadjes, half of geheel uit het ei. „Je hadt nog wat moeten blijven zitten, Padde!” vond Rolf. „De helft is nog niet uitgebroed!”„Ja-ha!” grinnikte Padde. „Maar als ik nou later in Holland vertel, dat ik schildpadden heb uitgebroeid, moet je niet denken, dat iemand er een woord van gelooft!”„Dat is dan ook niet heelemaal waar”, zei Rolf. „Je hebt de zon alleen maar wat geholpen.”Padde keek verbaasd op. „De zon?!”„Wie dacht je dan, dat ze zou uitbroeden? De ouden laten zich aan de eieren niets gelegen liggen! Ze graven een gat, leggen daar de eieren in, krabben het dan dicht en verdwijnen weer in het water. De zon moet de rest maar doen!”„Hela! Wat gaan daar voor beesten!” riep Hajo uit, terwijl hij op een viertal lompe, grauw-grijze vogels duidde, die zich log in de schaduw der boomen voortbewogen. Ze hadden kleine vleugeltjes, waarmee ze zich onmogelijk van den grond zouden kunnen verheffen, en zulke korte pootjes, dat hun vette buik haast over het zand sleepte. De jongens sprongen op en snelden er heen. Zonder veel moeite vingen ze er een; de andere vogels maakten zich schommelend uit de voeten. Hajo omklemde met beide handen den ongemeen zwaren en krachtigen snavel, waarmee het dier hoogstwaarschijnlijk geducht zou kunnen hakken.[188]„’n Zwaan!” meende Padde.„Dat kan niet”, zei Rolf. „Dit dier heeft geen zwemvliezen.”„’n Zwaan zeker wèl!” merkte Padde op.„Ja, natuurlijk!” lachte Rolf.Het dier werd nauwlettend bekeken. Het lichaam was belangrijk grooter dan dat van een zwaan, dik en rond en getooid met een onnoozel klein staartje, dat, evenals de hulpelooze vleugels, een geelgrijze kleur had. De bovensnavel was voor een groot deel met een gerimpelde huid overtrokken en eindigde in een haakvormige punt. De korte, sterke pooten liepen in vier teenen uit; het dier had een krop, en het merkwaardigste was wel een groote huidplooi om den kop, waarin het bijkans den heelen snavel kon terugtrekken.1„We gaan er mee naar de barbier!” besliste Rolf. En met vereende krachten en de noodige voorzichtigheid (vanwege den geduchten snavel!) werd de zware vogel opgetild en vervoerd.„’n Dodo”, zei Vader Langjas.En toen stelde Rolf een vraag, welke Padde in hoogste verbazing bracht: „Tot welkefamiliezou hij behooren?”Dodo.„Ik ken ’n achternichie van hem!” grinnikte Padde. „De lamme houtduif van Geert Oliekoek! Die heeft óók een krop!”2Een paar maats waren naderbij gekomen. Zij kenden slechts twee families in de dierenwereld. De eerste familie was die welke je opeten kon, de tweede die, „waar geen smaak aan was”, en des dodo’s ongelukkig gesternte deelde hem bij de eerste familie in.[189]Een paar uur later draaide hij, geplukt en schoongemaakt, aan het spit.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -De helft der maats trok dien morgen op onderzoekingstochten uit. En ook onze vrienden besloten, het land wat verder binnen te dringen. De zonnewijzer, die den vorigen dag op het strand was aangebracht, wees nog geen acht uur, toen het wakkere drietal er op uit toog. Ze besloten het riviertje stroomopwaarts te volgen, liepen mannetje na mannetje langs den smallen oever. Het lage gewas aan den oever ging over in hooge en dichte bamboebosschen; steeds weelderiger werd het woud en steeds donkerder; lianen, tot onuitwarbare netten verstrikt, versperden veelal den weg; de onderste einden slierden in het snel stroomende water.Eenmaal gingen de knapen door een lange loofpoort.De lucht was er heet en vochtig en ademde den zoeten geur vanduizendenorchideeën, welker stille pracht bedwelmde. Zwijgend gingen de jongens een oogenblik zitten. Het water dampte. Als een eeuwenoud vertelsel, nog door geen menschelijk oor opgevangen, klonk het plassen van het water tegen de groote, blauw-grijze bergsteenen; een enkele maal schoot het er ruischend overheen; dan was het, alsof de koning uit het verhaaltje zijn stem deed hooren. De planten, de boomen en bloemen luisterden er naar, bogen zich ver over tot het stroompje, om elk gefluisterd woord op te vangen. Waterplanten lieten zich mijmerend wiegen; hun groote, witte bloemen glansden als het gelaat van bleeke, booze prinsessen.….Verder maar weer! De knapen wrongen zich door lianen, waadden plassend in het heldere water. Stil werd het woud, beangstigend stil, als dat behekste woud, dat duizend jaar lang zwijgen moest, omdat een doode tak in ’t vallen de koningin der elfen had verpletterd. „Hier ben ik!” zong het stroompje forsch en jubelend van overmoed, nu het zijn stem zoo luid en klaar weergalmen hoorde in de stilte. „Wie dorstig is, hij kome en lave zich aan mij! Ik kom van ver, ik ga naar ver, ik heb geen rust, geen rust.…. Weg, domme steenen, die uit ijverzucht, dat jullie niet onsterfelijk bent en vrij als ik, mijn weg versperren wilt! Och, arme, goede boomen, die gedoemd bent om te[190]sterven, waar je bent ontstaan, och, hoe beklaag ik jullie!—Vriendelijk-stille bladeren, en jullie, reine, smettelooze bloemen, die met open kelken luistert naar mijn avonturen, kom, stort je in mijn armen! Ik zal je voeren ver van hier, heel ver.….”Hajo voelde, hoe het bloed hem sneller door de aderen joeg. Een teugellooze drang tot trekken en avonturen ontwaakte in hem.Een enkele maal kwamen de jongens bij een open plek; dan lichtte hun een ongekende bloemenweelde tegen. Kleurige vlinders ter grootte van een hand en tallooze bonte vogeltjes fladderden in en om de verlokkende kelken. En vóór hen schemerden, tusschen het geboomte door, diep-paarse bergen.De knapen voelden het aan hun beenen, dat ze den ganschen weg gestegen hadden. Bij een dwarsbeekje gekomen, besloten ze dat te volgen. Ze kropen tusschen stammen en boomvarens,—stonden onverwachts voor een grooten vijver, waarboven een dichte damp hing.„’n Heete bron!” riep Rolf uit.„Heet??” vroegen Hajo en Padde en staken hun hand in het water. Maar terstond trokken ze hun vingers er weer uit. „Het is kokend!”„Komt dat zoo maar uit de grond?” vroeg Padde wantrouwend.„Dat moet wel”, zei Hajo. „Nergens stroomt iets binnen, en daar aan de overkant voert de vijver tòch water af.”„De bodem is hier vulkanisch”, verklaarde Rolf. „Daarom is het water zoo heet.”„Vulkanisch?? Wat beteekent dat?”„Dat beteekent, dat, als je hier graaft, je ten slotte op vuur zou stuiten.”Padde werd wit om zijn neus. „Maar dan staan we hier.…. boven de hel!!”„Ja”, zei Rolf, „pas maar op, dat je er niet in valt.”„Dan ben je in een ommezientje gekookte kreeft!” verzekerde Hajo met een vroolijkheid, die hij alleen aan Rolfs kalmte ontleende.„Zullen we hier maar liever niet weer weggaan?” vroeg Padde.[191]„Laten we eerst eens wat eieren zien machtig te worden!” stelde Rolf voor. „Ik val om van den honger. Jullie niet? En nesten zullen hier genoeg zijn.”In eens voelde Padde ook zijn maag. Zuchtend gaf hij toe.De jongens liepen den vijver eens rond, en al spoedig ontdekte Hajo’s jagersoog enkele duivennesten. Hij klom er bij en keerde, na driemaal op een nest met jongen te zijn gestuit, terug met twee witte eitjes, die tegen het licht bekeken en versch bevonden werden.Hajo zat alweer in een anderen boom. Ditmaal was hij nog gelukkiger. In drie nesten lagen schoone eieren; hij vond bovendien nog een vierde nest, waarvan hij de eieren liet liggen, omdat ze, toen hij ze in de half gesloten hand tegen het licht hield, bebroed bleken. De schoone borg hij op—in iederen zak een, en vier in z’n mond—en kwam met bolle wangen beneden aan. Intusschen had ook Rolf een paar nesten ontdekt en ontpopte zich nu als een goed klauteraar. Padde bood aan, de wacht bij de eieren te houden, terwijl Hajo en Rolf zochten.„Natuurlijk! Laat Padde maar op de eieren passen!” riep Rolf van boven. „Maar ga er niet op zitten, Padde, anders krioelt het straks van jonge duifjes, net als bij die schildpadjes vanmorgen!”Toen enkele oogenblikken later Rolf en Hajo met hun buit op den grond belandden, zagen ze Padde een eindje verder met den rug naar hen toe door het loof gluren, zich voorzichtig omwenden en de vingers op de lippen leggen. Ze slopen naar hem toe en ontdekten, na eenig vergeefsch turen in de door Padde aangeduide richting, een merkwaardig, hagedisachtig beest, dat zijn ronden, dikken staart stevig om een tak gekneld hield en door zijn donkergroene kleur bijkans niet van zijn omgeving te onderscheiden was. De groote, kantige kop hing met een scherpen hoek, als ware het een helm, over een dunnen, verschrompelden hals. Een blauwe, met donkerbruine puntjes bespikkelde keelzak hing als een baard onder kin en hals. Langs het krachtige lichaam, dat door een hoogen, gekartelden kam iets draakachtigs had, liep een band van roodbruine vlekken. De oogen van dit armlange beest puilden sterk uit, waren[192]geheel, op de pupil na, overtrokken met een prachtig rood en groen ooglid, en loerden, ganschelijk en onafhankelijk van elkaar, rusteloos rond. Voor op den neus prijkten twee hoorn-achtige knobbels.Doodstilzat het dier. Behalve de oogen was er niets, dat bewoog.„Wacht maar eens!” fluisterde Padde. „Dan zul je lachen!”En de vrienden wachtten met haast evenveel geduld als het kameleon—want dat was het dier natuurlijk, dat Padde’s belangstelling had gaande gemaakt.Daar kwam een kleine kever aanzoemen. Zwart, met gele sterretjes op de schilden. Hij danste lustig snorrend in het rond, kietelde Hajo eens onder de kin, bracht daarna een bezoek aan het kameleon. Dat wil zeggen: hij zag het heele kameleon niet; noch merkte hij er iets van, hoe twee boosaardige, rooflustige oogen al zijn bewegingen bespiedden. Heel de belangstelling van den vroolijken, geelgespikkelden bezoeker ging uit naar een groote, roode bloem, vier handpalmen vóór den knobbelneus van den onbeweeglijken, groenen draak. De laatste draaide beide oogen zoo ver naar voren, dat ze uit den kop dreigden te zullen rollen, mat den afstand, opende langzaam, heel langzaam den bek.…. Padde stootte zijn vrienden aan; zijn oogen puilden haast even ver uit als die van het kameleon.….!—Het was al geschied. Een tong, haast half zoo lang als het geheele lichaam, schoot bliksemsnel naar het argelooze torretje, vloog weer terug, alsof het aan een veertje zat; toen een korte beweging van de kaak.…. Spoorloos verdwenen was de geel-zwarte bloemenvriend.Het kameleon had zich bij dat alles doodstil gehouden. En terwijl Hajo en Rolf nog verrast naar de bloem keken, waarop het torretje gezeten had, dwaalden de kleine oogjes van den geheimzinnigen sluipmoordenaar al weer rond, belust op nieuwen buit.Padde grinnikte zacht en kneep Hajo blauwe plekken.Weer een torretje! Ditmaal een goudgroen, wispelturig torretje. Het stelt zich aan, alsof het een verbazende haast heeft, vliegt van links naar rechts, strijkt overal neer—zelfs op een der knobbels op den kop van het kameleon, vliegt terstond weer[193]op, bedenkt zich, gaat weer elders zitten, vliegt toch maar weer weg. Een goed torrenkenner zal al begrepen hebben, dat het goud-glanzend heertje bij al z’n schijnbare drukte een nietsnut en een leeglooper is. Floep! Daar dwarrelt het weer rond.Geen enkel beweginkje ontgaat aan den spiedenden blik van het kameleon. Het torretje schijnt van plan, een oogenblikje te verwijlen op een zonbeschenen blad. Het tilt de dekschildjes op, spreidt de dunne vleugeltjes, die er onder zitten, een oogenblik in het zonnetje, dat er allerlei kleuren in toovert; klapt dan de dekschilden weer toe en wandelt als een deftige meneer met jaspanden in een kringetje het blad rond. Het kameleon loert. Het blad is laag, de afstand groot. Daarom heel voorzichtig een pasje terug! De lange, typische pootjes, die in slechts twee vingers uitloopen, worden een voor een omlaaggebracht. Ook de staart wordt iets verlaagd, maar oogenblikkelijk weer vastgeklemd. Ziezoo, nu schijnt de hoogte goed te zijn! De bek opent zich.…. Hoepla! De jaspanden vliegen los; het torretje snort haastig een oogenblik rond, zet zich een el hooger op een ander blad en kijkt in diepzinnige overpeinzingen naar een gaatje, door een ander torretje in het blad geboord. Het kameleon bijt zijn teleurstelling weg: een rechtschapen kameleon geeft den moed nimmer op. Getuigt zijn gansche, stilzittend bestaan niet van een rotsvast vertrouwen op zijn goed gesternte? Daarom: voorzichtig een pasje naar boven! Nog een pasje! Nog een! Het torretje bestudeert het bladopeningetje aan alle zijden, schijnt er maar half mee ingenomen, maar steekt geen hand uit om er iets aan te veranderen. Het kameleon slikt van opwinding. Zoo zou de afstand wel goed zijn! Langzaam den bek open.…. Hoepla! Het torretje besluit zich niet langer te ergeren over het slechte werk van anderen en danst weer in het rond om twee el lager opnieuw te belanden. Flits! Des kameleons oogen richten zich in de diepte. Komaan, dan maar weer naar beneden! Pasje voor pasje. Is zoo de afstand goed? Me dunkt van wel. En dus.…. In een onberispelijke spiraal zwiert het torretje, over het hoofd van het kameleon heen, tusschen de boomen weg.Grimmig, maar zonder door een enkele beweging zijn teleurstelling lucht te geven, blijft de groene roofridder zitten.[194]Aha! Daar kiemt nieuwe hoop in zijn kameleonnehart! Uit een groote bloem komt log en traag een roodzwart kevertje kruipen, zet af en snort pardoes, zonder de allergeringste gratie, in een andere bloem, geen vier duim van zijn belager af. Deze wacht met half geopenden bek op het oogenblik, dat de zespootige lummel weer voor den dag zal komen. Te drommel, dat duurt lang: hij schijnt daar in dat bloemenhart heel wat te doen te hebben!Wie zou er met meer spanning op de komst van den bloemenvorscher hebben gewacht: de jongens of het kameleon? Eindelijk, eindelijk kwam de langverbeide, likte zich de gepantserde pootjes schoon en krabbelde bedachtzaam naar buiten, ten einde een goed afzetpunt te vinden. Het kameleon maakte zijn aanstalten.….Toen zweefde langzaam een jongenshemd door de lucht en bewoog zich in de richting van ’s kameleons hals. En in hetzelfde oogenblik, dat de lange tong uitschoot en het torretje gevankelijk wegvoerde, omsloten Rolfs vingers den bandiet vlak achter den driehoekigen kop. Het dier stiet een schor geluid uit. En, tot Padde en Hajo’s grenzelooze verbazing.…. veranderde het van kleur! De blauwbruine vlekkenband langs de zijden van het lichaam verbleekte tot een blauwig wit; de blauwe keelzak en de mondranden werden citroengeel!Maar Rolf liet zich niet afschrikken. Hij had met de linkerhand het achterlichaam gepakt en trachtte het dier van den tak te lichten. „Drommels”, zei Rolf, „hij houdt zich stevig vast! We zullen hem met tak en al moeten meenemen!”Hajo wierp zich op de knieën en sneed met zijn zakmes den tak af.„Prachtig!” zei Rolf. „Maar hoe krijgen we hem nu op het schip?”„Hier!” zei Padde ijverig. En hij trok zijn hemd uit. „Daar stoppen we hem in!”„Hij moet mee naar Holland!” riep Hajo opgewonden. „Dan kan hij vliegen vangen; daar zit de kamer bij ons ’s zomers vol van!”„We zullen hem straks eerst eens aan Vader Langjas laten[195]zien”, zei Rolf vroolijk. „’t Is een kameleon, maar ik ben benieuwd wat voor een soort!”„Wou je z’n heele familie weer weten?” vroeg Padde.Rolf lachte. „Heb je ’m zien verkleuren, toen ik hem pakte?”„Ja!” zei Hajo. „Hoe kwam dat?”„Als jij me het zegt, weet ik het ook! Kom, laten we onze eieren maar eens gaan oppeuzelen! We hebben er twee dozijn. Eerst gaan we ze koken. In de heete bron!”„Ja!”Hajo vlocht met zijn handige vingers een netje uit ’n paar lange, smalle bladeren, deed er de eieren in, knoopte het netje boven dicht, liet het in ’t water zakken en stak onder den knoop een takje, dat hij in den wal vastduwde. Ziezoo, nu maar afwachten.In den tijd, dat Rolf en Padde aan den oever lagen, in afwachting dat de eieren hard zouden worden, had Hajo een nieuw avontuur. Terwijl hij, onvermoeid speurder als hij was, zoekend in de boomen loerde, viel zijn blik op een witte streep vuil, hoog tegen een stam. Onze vriend zou Peter Hajo niet zijn, als hij niet terstond begrepen had, dat zich daarboven een nest moest bevinden. Daar ontdekte hij het al: een meer dan vuist-groote holte in den stam. Een spechtennest kon het niet zijn; daar was het gat te groot voor. Zie! daar verscheen voor de opening een kop met krommen snavel; een papegaai kroop naar buiten en vloog weg.Twee papegaaienkuikens.Tien tellen later zat Hajo in den boom en loerde vol spanning in de holte. Daar doken in het halfdonker broederlijk bijeen twee zeldzaam leelijke mormels, de zwarte kop en snavel onevenredig groot tegenover het droevig-kale lichaampje. Zonder aarzelen pakte Hajo er een beet, waarbij zijn vingers in vrij onzachte aanraking kwamen met den snavel; hij trok zijn gevangene naar het daglicht en daalde er mee omlaag. „Die zullen we eens netjes grootbrengen, jongens!”De knapen uitten hun verbazing over een zóó leelijken jongen vogel. „Zou hij al voedsel nemen?”[196]„Voedsel nemen? M’n duim er bij, als ik niet oppas!—Kom maar eens hier, ouwe jongen!” En met paaien en zoete woordjes wist Hajo den naakten kromsnavel een stuk banaan in den bek te duwen.„Wat zal Gerrit blij zijn met z’n gezelschap!” meende Hajo.„En ik zal hem wel leeren praten!” beloofde Padde.Rolf vischte de eieren op. Ze waren nog wel niet geheel gekookt, maar smaakten best. Alleen het zout ontbrak.Het werd tijd om terug te gaan. Zoo togen de jongens weer op weg, plasten opgewonden babbelend plannen smedend voor de opvoeding van hun papegaai, langs het heldere riviertje. Tegen de schemering kwamen ze weer bij het kamp. Men was druk aan het braden en bakken.„Waar is Vader Langjas?” vroeg Rolf.„Blommetjes plukken! Allemachies, moet dat een papegaai worden? Hein, kom eens kijken! Wat een rare, kale sallemander! Wat zit er in dat hemd?”„’n Beest met zóó’n tong!” grinnikte Padde. „Als je hem knijpt, wordt ie geel van sagrijn!”„Laat kijken?”„Op je gezicht”, zei Padde. „Als hij wegloopt, zijn we hem kwijt.”Vader Langjas was bezig met het onderzoeken van plantjes en bloemetjes. Hij had de gewoonte om in elk vreemd land uit onbekende kruiden drankjes te brouwen, die hij met ware doodsverachting het eerst aan eigen lijf beproefde: als hij zich een enkele maal ziek voelde, beschouwde hij het als een eerezaak om uitsluitend door middel van nieuwe, zelfbedachte medicijnen te genezen. Daardoor was hij gewoonlijk tweemaal zoo lang ziek als een ander, maar dat had hij voor de goede zaak over: Vader Langjas koesterde de stille hoop, nog eens wereldberoemd te zullen worden door het ontdekken van een drankje, dat alle kwalen kon genezen. Edoch, groote geleerden vinden zelden het vertrouwen, dat ze verdienen: als onze ijverige barbier van zijn onderzoekingen weer aan boord terugkeerde, toonden de maats zich huiverig de medicijnen te slikken, die Vader Langjas hun met een stortvloed van aanbevelingen ter hand stelde. „Ik heb het immers zèlf geprobeerd!” klaagde[197]Vader Langjas, verdrietig onder het weinige vertrouwen, dat hij ontmoette. En dan dronken de maats uit medelijden het fleschje maar leeg.„Wel, vriendjes”, zei Vader Langjas, terwijl hij zich oprichtte en zijn bril recht zette, „jullie komt juist gelegen! Ben je bang voor spinnen?”„Wie is er nou bang voor een spinnetje?” vroeg Padde.„Kom dan eens mee!” noodigde de barbier uit. „Och, wat heb je daar een aardig beestje, Hajo. Zeker ’n grijze roodstaart?”„’t Stomme dier heeft nog geen veer op z’n lijf!” smaalde Padde.„Maar hebben jullie de ouden dan niet gezien?”„De eenepapegaaiis groen, en de andere rood, net naar ’t uitvalt!” verzekerde Padde. „Onze buren—weet je wel, Hajo?—hebben een witte poes, en de jongen ervan, van de poes, zijn rood met zwarte vlekken. En de keeshond van Dobbes, de slager? Z’n vader was een bullenbijter en z’n jonkies zijn pukkies met dassenpooten. Waar, Hajo?”„Ja, ’t is waar”, gaf Hajo aarzelend toe.Vader Langjas schudde het hoofd over Padde’s beweringen, die hij niet kon weerleggen. „Dat is heel wat anders”, meende hij.„Neen, dat is precies hetzelfde”, zei Padde.„Kom!” stelde Hajo voor, „laten we nou eens naar de spin gaan kijken.”„Ga maar mee”, zuchtte de barbier. „Ik heb er mijn hoed voorloopig even op gelegd, want ik wilde hem liever door een van jullie laten pakken. Ik wil wel bekennen, dat ik er wat huiverig voor was. ’t Is een groote, hoor! Denk er om!”„Ik durf een hooiwagen over m’n tong te laten loopen!” blufte Padde.„Nu, je moet het zelf weten”, zei de barbier. „Hier zit hij, onder m’n hoed.”—Vader Langjas’ hoofddeksel was rondom met steenen bezwaard; de barbier scheen zijn gevangene voor een gevaarlijk uitbreker te houden!Padde legde de steenen terzijde. „Ik zal hem maar met m’n linkerhand pakken”, zei hij, „want m’n rechter is nog altijd dik van die smerige wesp!”[198]„Doe dat, kereltje. Maar denk er om, hoor: voorzichtig!”Padde lichtte een tipje van den hoed op, schoof er bedachtzaam zijn hand onder, tastte rond in den bol. Maar plotseling kregen zijn oogen een uitdrukking van hoogste ontzetting, en met een hartverscheurenden kreet trok Padde zijn hand terug. Aan zijn pink bengelde een harig monster met een rossig lichaam, zoo groot als een kippen-ei. Vol afschuw slingerde Padde het beest van zijn pink en stak toen haastig dit lichaamsdeel in zijn mond.„Ja-ja”, zei Vader Langjas verschrikt, „daar vreesde ik al voor! Die vogelspinnen hebben leelijke wapens! Ga mee, dan zullen we er een zalfje op smeren.”„Knap jij met je spinnen en je zalfjes!” voer Padde uit, verachtend alle wetten van tucht.„Maar kereltje”, zei de deftige barbier, verlegen zijn bril recht zettend, „ik heb je toch te voren gezegd, dat het een groote spin was? Ik vond haar, terwijl ze bezig was, dit arme vogeltje te dooden.” Vader Langjas tilde zijn hoed op en toonde een mooi, blauw vogeltje, dat met uitgestrekte pootjes en bebloed borstje in het gras lag.Een paar maats waren op Padde’s gegil komen aanloopen. „Wat is er?”„Ze hebben m’n pink afgebeten!” jammerde Padde. „Dat heeft hij me gelapt!”De maats keken verbaasd naar Vader Langjas, die bleek en rood tegelijk werd en met zijn bedeesde houding weinig van een menscheneter had. „Laat kijken je pink?” vroegen ze Padde, die het „afgebeten” lichaamsdeel nog altijd in z’n mond hield.„Die pink is van mij!” zei Padde. „En niet van jou.”„De pink is niet afgebeten!” stamelde Vader Langjas. „Het is een onschuldige beet. De spin is niet giftig; het is er een van de familie.….”„Knap jij met je heele familie, pillendraaier!” schreeuwde Padde. En hij ging heen, met sprakelooze verbazing nagekeken door de oomes. Tien pas verder vond Padde het noodig, zich nog eens om te draaien, de borst in de lucht, en te schreeuwen: „Akelige giftmenger! Ik zal je nog wel er eens vinden! Denk[199]er maar om, dat ik jou ditmaal óók van te voren gewaarschuwd heb!” En Padde verdween tusschen het geboomte.„’n Zonderling karakter”, stamelde Vader Langjas.Rolf kon zijn vroolijkheid niet onderdrukken. „Laat hem maar loopen, Vader Langjas! En kijkt u maar liever eens wat ik hier heb!” Rolf knoopte behoedzaam het hemd los.De barbier boog zich en gluurde door de opening. Wat hij zag, deed hem al zijn zorgen weer vergeten. Blij als een kind, riep hij uit: „’n Panterkameleon! We zullen hem op brandewijn zetten!”De maats sloegen bijkans tegen den grond. „Groote Griebus!” verzuchtte een kleine, magere maat met een neus, die meer van een biet dan van een waskaars had. „Op brandewijn?! Ik wou, dat ik óók een kammelejon was!”Chameleon.[200]1Geen der drie jongens vermoedde, dat ze een vogel hadden gevangen waarover eeuwen later de geleerden elkaar nog in de haren zouden vliegen. Het was de zoogenaamde „dodo”, die alleen op Réunion voorkwam en thans geheel is uitgestorven,—dank zij het feit, dat de oomes, die in den loop der jaren op Réunion landden, al deze „zwanen” met stokken hebben doodgeslagen en toen opgepeuzeld.….↑2Met dit antwoord was Padde allen geleerden meer dan twee eeuwen voor. Want eerst in de tweede helft der negentiende eeuw bewees de groote Londensche natuurvorscher Sir Richard Owen in een beroemd geworden skelet-onderzoek, dat de dodo tot de familie der duiven behoorde.↑

[Inhoud]VREEMDE BEESTENVREEMDE BEESTENDe volgende dag bracht tal van avonturen.’s Morgens namen onze vrienden een heerlijk verfrisschend zeebad. Poedelnaakt dansten ze de zware rollers te gemoet, die in forsche wenteling tegen het strand opliepen, wierpen zich in de holte van zoo’n ombollende golf, schoten er fiksch onderdoor en kwamen met druipende haren weer boven, als ze nog juist den tijd hadden, adem te scheppen voor het onderduiken in een nieuwe golf, die met hoog opgerichten kop, als een menner, de voorgaande voor zich heen joeg.En toen de knapen uitgeplast en uitgedanst waren, ploften ze in het mulle zand neer, lieten zich door de zon drogen en bruinbakken en maakten berekeningen omtrent den duur van de verdere reis. „Over een half jaar zijn we er”, schatte Hajo.„Over drie maanden”, meende Rolf.Padde echter sprong onverwachts overeind en staarde Hajo en Rolf met groote oogen aan. „’n Aardbeving!” stamelde hij.„’n Wat??”„’n Aardbeving! Ik heb duidelijk gevoeld, dat de grond onder me bewoog!”„’t Zal wel verbeelding zijn geweest, Padde.”„Dan is m’n neus ook verbeelding!” Alles behalve overtuigd vleide Padde zich weer neer. „Hoelang de reis nog duurt?” vroeg hij na eenig zwijgen. „Ik denk.….” Maar wederom wipte hij, zoo mogelijk nog sneller dan daareven, overeind, en staarde met groote oogen naar de plek, waar hij gelegen had. Daar vond iets allermerkwaardigst plaats: het zand spleet, brokkelde en.…. een klein, vaalzwart kopje kwam om een hoekje kijken! Een paar zwarte, stompe liliputterpootjes werkten het zand verder op zij en daarna vertoonde zich.….[187]„’n Jonge zeeschildpad!” riep Rolf.Het was een alleraardigst beestje: niet veel grooter dan een okkernoot, en het schildje was nog geheel week. Hulpeloos zwaaiend met de logge, kleine zwempootjes, draaide het al maar het stompe kopje met de twee glinsterende, wereldwijze kraal-oogjes en het gerimpelde, magere, leerachtige oudemannetjeshalsje, als wilde het dat van het lichaampje afschroeven.Kijk, daar kwam nog een kopje uit het zand gluren! En nòg een! De jongens wierpen het nest (wat zou het anders zijn?) open. Neen maar, hetkrioeldevan die beestjes!„Ik neem er ’n paar mee naar Holland!” riep Hajo.„Laten we ze eens tellen”, stelde Rolf voor. Zoo deden de knapen en kwamen tot honderd-en-dertig eieren en acht-en-twintig jonge schildpadjes, half of geheel uit het ei. „Je hadt nog wat moeten blijven zitten, Padde!” vond Rolf. „De helft is nog niet uitgebroed!”„Ja-ha!” grinnikte Padde. „Maar als ik nou later in Holland vertel, dat ik schildpadden heb uitgebroeid, moet je niet denken, dat iemand er een woord van gelooft!”„Dat is dan ook niet heelemaal waar”, zei Rolf. „Je hebt de zon alleen maar wat geholpen.”Padde keek verbaasd op. „De zon?!”„Wie dacht je dan, dat ze zou uitbroeden? De ouden laten zich aan de eieren niets gelegen liggen! Ze graven een gat, leggen daar de eieren in, krabben het dan dicht en verdwijnen weer in het water. De zon moet de rest maar doen!”„Hela! Wat gaan daar voor beesten!” riep Hajo uit, terwijl hij op een viertal lompe, grauw-grijze vogels duidde, die zich log in de schaduw der boomen voortbewogen. Ze hadden kleine vleugeltjes, waarmee ze zich onmogelijk van den grond zouden kunnen verheffen, en zulke korte pootjes, dat hun vette buik haast over het zand sleepte. De jongens sprongen op en snelden er heen. Zonder veel moeite vingen ze er een; de andere vogels maakten zich schommelend uit de voeten. Hajo omklemde met beide handen den ongemeen zwaren en krachtigen snavel, waarmee het dier hoogstwaarschijnlijk geducht zou kunnen hakken.[188]„’n Zwaan!” meende Padde.„Dat kan niet”, zei Rolf. „Dit dier heeft geen zwemvliezen.”„’n Zwaan zeker wèl!” merkte Padde op.„Ja, natuurlijk!” lachte Rolf.Het dier werd nauwlettend bekeken. Het lichaam was belangrijk grooter dan dat van een zwaan, dik en rond en getooid met een onnoozel klein staartje, dat, evenals de hulpelooze vleugels, een geelgrijze kleur had. De bovensnavel was voor een groot deel met een gerimpelde huid overtrokken en eindigde in een haakvormige punt. De korte, sterke pooten liepen in vier teenen uit; het dier had een krop, en het merkwaardigste was wel een groote huidplooi om den kop, waarin het bijkans den heelen snavel kon terugtrekken.1„We gaan er mee naar de barbier!” besliste Rolf. En met vereende krachten en de noodige voorzichtigheid (vanwege den geduchten snavel!) werd de zware vogel opgetild en vervoerd.„’n Dodo”, zei Vader Langjas.En toen stelde Rolf een vraag, welke Padde in hoogste verbazing bracht: „Tot welkefamiliezou hij behooren?”Dodo.„Ik ken ’n achternichie van hem!” grinnikte Padde. „De lamme houtduif van Geert Oliekoek! Die heeft óók een krop!”2Een paar maats waren naderbij gekomen. Zij kenden slechts twee families in de dierenwereld. De eerste familie was die welke je opeten kon, de tweede die, „waar geen smaak aan was”, en des dodo’s ongelukkig gesternte deelde hem bij de eerste familie in.[189]Een paar uur later draaide hij, geplukt en schoongemaakt, aan het spit.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -De helft der maats trok dien morgen op onderzoekingstochten uit. En ook onze vrienden besloten, het land wat verder binnen te dringen. De zonnewijzer, die den vorigen dag op het strand was aangebracht, wees nog geen acht uur, toen het wakkere drietal er op uit toog. Ze besloten het riviertje stroomopwaarts te volgen, liepen mannetje na mannetje langs den smallen oever. Het lage gewas aan den oever ging over in hooge en dichte bamboebosschen; steeds weelderiger werd het woud en steeds donkerder; lianen, tot onuitwarbare netten verstrikt, versperden veelal den weg; de onderste einden slierden in het snel stroomende water.Eenmaal gingen de knapen door een lange loofpoort.De lucht was er heet en vochtig en ademde den zoeten geur vanduizendenorchideeën, welker stille pracht bedwelmde. Zwijgend gingen de jongens een oogenblik zitten. Het water dampte. Als een eeuwenoud vertelsel, nog door geen menschelijk oor opgevangen, klonk het plassen van het water tegen de groote, blauw-grijze bergsteenen; een enkele maal schoot het er ruischend overheen; dan was het, alsof de koning uit het verhaaltje zijn stem deed hooren. De planten, de boomen en bloemen luisterden er naar, bogen zich ver over tot het stroompje, om elk gefluisterd woord op te vangen. Waterplanten lieten zich mijmerend wiegen; hun groote, witte bloemen glansden als het gelaat van bleeke, booze prinsessen.….Verder maar weer! De knapen wrongen zich door lianen, waadden plassend in het heldere water. Stil werd het woud, beangstigend stil, als dat behekste woud, dat duizend jaar lang zwijgen moest, omdat een doode tak in ’t vallen de koningin der elfen had verpletterd. „Hier ben ik!” zong het stroompje forsch en jubelend van overmoed, nu het zijn stem zoo luid en klaar weergalmen hoorde in de stilte. „Wie dorstig is, hij kome en lave zich aan mij! Ik kom van ver, ik ga naar ver, ik heb geen rust, geen rust.…. Weg, domme steenen, die uit ijverzucht, dat jullie niet onsterfelijk bent en vrij als ik, mijn weg versperren wilt! Och, arme, goede boomen, die gedoemd bent om te[190]sterven, waar je bent ontstaan, och, hoe beklaag ik jullie!—Vriendelijk-stille bladeren, en jullie, reine, smettelooze bloemen, die met open kelken luistert naar mijn avonturen, kom, stort je in mijn armen! Ik zal je voeren ver van hier, heel ver.….”Hajo voelde, hoe het bloed hem sneller door de aderen joeg. Een teugellooze drang tot trekken en avonturen ontwaakte in hem.Een enkele maal kwamen de jongens bij een open plek; dan lichtte hun een ongekende bloemenweelde tegen. Kleurige vlinders ter grootte van een hand en tallooze bonte vogeltjes fladderden in en om de verlokkende kelken. En vóór hen schemerden, tusschen het geboomte door, diep-paarse bergen.De knapen voelden het aan hun beenen, dat ze den ganschen weg gestegen hadden. Bij een dwarsbeekje gekomen, besloten ze dat te volgen. Ze kropen tusschen stammen en boomvarens,—stonden onverwachts voor een grooten vijver, waarboven een dichte damp hing.„’n Heete bron!” riep Rolf uit.„Heet??” vroegen Hajo en Padde en staken hun hand in het water. Maar terstond trokken ze hun vingers er weer uit. „Het is kokend!”„Komt dat zoo maar uit de grond?” vroeg Padde wantrouwend.„Dat moet wel”, zei Hajo. „Nergens stroomt iets binnen, en daar aan de overkant voert de vijver tòch water af.”„De bodem is hier vulkanisch”, verklaarde Rolf. „Daarom is het water zoo heet.”„Vulkanisch?? Wat beteekent dat?”„Dat beteekent, dat, als je hier graaft, je ten slotte op vuur zou stuiten.”Padde werd wit om zijn neus. „Maar dan staan we hier.…. boven de hel!!”„Ja”, zei Rolf, „pas maar op, dat je er niet in valt.”„Dan ben je in een ommezientje gekookte kreeft!” verzekerde Hajo met een vroolijkheid, die hij alleen aan Rolfs kalmte ontleende.„Zullen we hier maar liever niet weer weggaan?” vroeg Padde.[191]„Laten we eerst eens wat eieren zien machtig te worden!” stelde Rolf voor. „Ik val om van den honger. Jullie niet? En nesten zullen hier genoeg zijn.”In eens voelde Padde ook zijn maag. Zuchtend gaf hij toe.De jongens liepen den vijver eens rond, en al spoedig ontdekte Hajo’s jagersoog enkele duivennesten. Hij klom er bij en keerde, na driemaal op een nest met jongen te zijn gestuit, terug met twee witte eitjes, die tegen het licht bekeken en versch bevonden werden.Hajo zat alweer in een anderen boom. Ditmaal was hij nog gelukkiger. In drie nesten lagen schoone eieren; hij vond bovendien nog een vierde nest, waarvan hij de eieren liet liggen, omdat ze, toen hij ze in de half gesloten hand tegen het licht hield, bebroed bleken. De schoone borg hij op—in iederen zak een, en vier in z’n mond—en kwam met bolle wangen beneden aan. Intusschen had ook Rolf een paar nesten ontdekt en ontpopte zich nu als een goed klauteraar. Padde bood aan, de wacht bij de eieren te houden, terwijl Hajo en Rolf zochten.„Natuurlijk! Laat Padde maar op de eieren passen!” riep Rolf van boven. „Maar ga er niet op zitten, Padde, anders krioelt het straks van jonge duifjes, net als bij die schildpadjes vanmorgen!”Toen enkele oogenblikken later Rolf en Hajo met hun buit op den grond belandden, zagen ze Padde een eindje verder met den rug naar hen toe door het loof gluren, zich voorzichtig omwenden en de vingers op de lippen leggen. Ze slopen naar hem toe en ontdekten, na eenig vergeefsch turen in de door Padde aangeduide richting, een merkwaardig, hagedisachtig beest, dat zijn ronden, dikken staart stevig om een tak gekneld hield en door zijn donkergroene kleur bijkans niet van zijn omgeving te onderscheiden was. De groote, kantige kop hing met een scherpen hoek, als ware het een helm, over een dunnen, verschrompelden hals. Een blauwe, met donkerbruine puntjes bespikkelde keelzak hing als een baard onder kin en hals. Langs het krachtige lichaam, dat door een hoogen, gekartelden kam iets draakachtigs had, liep een band van roodbruine vlekken. De oogen van dit armlange beest puilden sterk uit, waren[192]geheel, op de pupil na, overtrokken met een prachtig rood en groen ooglid, en loerden, ganschelijk en onafhankelijk van elkaar, rusteloos rond. Voor op den neus prijkten twee hoorn-achtige knobbels.Doodstilzat het dier. Behalve de oogen was er niets, dat bewoog.„Wacht maar eens!” fluisterde Padde. „Dan zul je lachen!”En de vrienden wachtten met haast evenveel geduld als het kameleon—want dat was het dier natuurlijk, dat Padde’s belangstelling had gaande gemaakt.Daar kwam een kleine kever aanzoemen. Zwart, met gele sterretjes op de schilden. Hij danste lustig snorrend in het rond, kietelde Hajo eens onder de kin, bracht daarna een bezoek aan het kameleon. Dat wil zeggen: hij zag het heele kameleon niet; noch merkte hij er iets van, hoe twee boosaardige, rooflustige oogen al zijn bewegingen bespiedden. Heel de belangstelling van den vroolijken, geelgespikkelden bezoeker ging uit naar een groote, roode bloem, vier handpalmen vóór den knobbelneus van den onbeweeglijken, groenen draak. De laatste draaide beide oogen zoo ver naar voren, dat ze uit den kop dreigden te zullen rollen, mat den afstand, opende langzaam, heel langzaam den bek.…. Padde stootte zijn vrienden aan; zijn oogen puilden haast even ver uit als die van het kameleon.….!—Het was al geschied. Een tong, haast half zoo lang als het geheele lichaam, schoot bliksemsnel naar het argelooze torretje, vloog weer terug, alsof het aan een veertje zat; toen een korte beweging van de kaak.…. Spoorloos verdwenen was de geel-zwarte bloemenvriend.Het kameleon had zich bij dat alles doodstil gehouden. En terwijl Hajo en Rolf nog verrast naar de bloem keken, waarop het torretje gezeten had, dwaalden de kleine oogjes van den geheimzinnigen sluipmoordenaar al weer rond, belust op nieuwen buit.Padde grinnikte zacht en kneep Hajo blauwe plekken.Weer een torretje! Ditmaal een goudgroen, wispelturig torretje. Het stelt zich aan, alsof het een verbazende haast heeft, vliegt van links naar rechts, strijkt overal neer—zelfs op een der knobbels op den kop van het kameleon, vliegt terstond weer[193]op, bedenkt zich, gaat weer elders zitten, vliegt toch maar weer weg. Een goed torrenkenner zal al begrepen hebben, dat het goud-glanzend heertje bij al z’n schijnbare drukte een nietsnut en een leeglooper is. Floep! Daar dwarrelt het weer rond.Geen enkel beweginkje ontgaat aan den spiedenden blik van het kameleon. Het torretje schijnt van plan, een oogenblikje te verwijlen op een zonbeschenen blad. Het tilt de dekschildjes op, spreidt de dunne vleugeltjes, die er onder zitten, een oogenblik in het zonnetje, dat er allerlei kleuren in toovert; klapt dan de dekschilden weer toe en wandelt als een deftige meneer met jaspanden in een kringetje het blad rond. Het kameleon loert. Het blad is laag, de afstand groot. Daarom heel voorzichtig een pasje terug! De lange, typische pootjes, die in slechts twee vingers uitloopen, worden een voor een omlaaggebracht. Ook de staart wordt iets verlaagd, maar oogenblikkelijk weer vastgeklemd. Ziezoo, nu schijnt de hoogte goed te zijn! De bek opent zich.…. Hoepla! De jaspanden vliegen los; het torretje snort haastig een oogenblik rond, zet zich een el hooger op een ander blad en kijkt in diepzinnige overpeinzingen naar een gaatje, door een ander torretje in het blad geboord. Het kameleon bijt zijn teleurstelling weg: een rechtschapen kameleon geeft den moed nimmer op. Getuigt zijn gansche, stilzittend bestaan niet van een rotsvast vertrouwen op zijn goed gesternte? Daarom: voorzichtig een pasje naar boven! Nog een pasje! Nog een! Het torretje bestudeert het bladopeningetje aan alle zijden, schijnt er maar half mee ingenomen, maar steekt geen hand uit om er iets aan te veranderen. Het kameleon slikt van opwinding. Zoo zou de afstand wel goed zijn! Langzaam den bek open.…. Hoepla! Het torretje besluit zich niet langer te ergeren over het slechte werk van anderen en danst weer in het rond om twee el lager opnieuw te belanden. Flits! Des kameleons oogen richten zich in de diepte. Komaan, dan maar weer naar beneden! Pasje voor pasje. Is zoo de afstand goed? Me dunkt van wel. En dus.…. In een onberispelijke spiraal zwiert het torretje, over het hoofd van het kameleon heen, tusschen de boomen weg.Grimmig, maar zonder door een enkele beweging zijn teleurstelling lucht te geven, blijft de groene roofridder zitten.[194]Aha! Daar kiemt nieuwe hoop in zijn kameleonnehart! Uit een groote bloem komt log en traag een roodzwart kevertje kruipen, zet af en snort pardoes, zonder de allergeringste gratie, in een andere bloem, geen vier duim van zijn belager af. Deze wacht met half geopenden bek op het oogenblik, dat de zespootige lummel weer voor den dag zal komen. Te drommel, dat duurt lang: hij schijnt daar in dat bloemenhart heel wat te doen te hebben!Wie zou er met meer spanning op de komst van den bloemenvorscher hebben gewacht: de jongens of het kameleon? Eindelijk, eindelijk kwam de langverbeide, likte zich de gepantserde pootjes schoon en krabbelde bedachtzaam naar buiten, ten einde een goed afzetpunt te vinden. Het kameleon maakte zijn aanstalten.….Toen zweefde langzaam een jongenshemd door de lucht en bewoog zich in de richting van ’s kameleons hals. En in hetzelfde oogenblik, dat de lange tong uitschoot en het torretje gevankelijk wegvoerde, omsloten Rolfs vingers den bandiet vlak achter den driehoekigen kop. Het dier stiet een schor geluid uit. En, tot Padde en Hajo’s grenzelooze verbazing.…. veranderde het van kleur! De blauwbruine vlekkenband langs de zijden van het lichaam verbleekte tot een blauwig wit; de blauwe keelzak en de mondranden werden citroengeel!Maar Rolf liet zich niet afschrikken. Hij had met de linkerhand het achterlichaam gepakt en trachtte het dier van den tak te lichten. „Drommels”, zei Rolf, „hij houdt zich stevig vast! We zullen hem met tak en al moeten meenemen!”Hajo wierp zich op de knieën en sneed met zijn zakmes den tak af.„Prachtig!” zei Rolf. „Maar hoe krijgen we hem nu op het schip?”„Hier!” zei Padde ijverig. En hij trok zijn hemd uit. „Daar stoppen we hem in!”„Hij moet mee naar Holland!” riep Hajo opgewonden. „Dan kan hij vliegen vangen; daar zit de kamer bij ons ’s zomers vol van!”„We zullen hem straks eerst eens aan Vader Langjas laten[195]zien”, zei Rolf vroolijk. „’t Is een kameleon, maar ik ben benieuwd wat voor een soort!”„Wou je z’n heele familie weer weten?” vroeg Padde.Rolf lachte. „Heb je ’m zien verkleuren, toen ik hem pakte?”„Ja!” zei Hajo. „Hoe kwam dat?”„Als jij me het zegt, weet ik het ook! Kom, laten we onze eieren maar eens gaan oppeuzelen! We hebben er twee dozijn. Eerst gaan we ze koken. In de heete bron!”„Ja!”Hajo vlocht met zijn handige vingers een netje uit ’n paar lange, smalle bladeren, deed er de eieren in, knoopte het netje boven dicht, liet het in ’t water zakken en stak onder den knoop een takje, dat hij in den wal vastduwde. Ziezoo, nu maar afwachten.In den tijd, dat Rolf en Padde aan den oever lagen, in afwachting dat de eieren hard zouden worden, had Hajo een nieuw avontuur. Terwijl hij, onvermoeid speurder als hij was, zoekend in de boomen loerde, viel zijn blik op een witte streep vuil, hoog tegen een stam. Onze vriend zou Peter Hajo niet zijn, als hij niet terstond begrepen had, dat zich daarboven een nest moest bevinden. Daar ontdekte hij het al: een meer dan vuist-groote holte in den stam. Een spechtennest kon het niet zijn; daar was het gat te groot voor. Zie! daar verscheen voor de opening een kop met krommen snavel; een papegaai kroop naar buiten en vloog weg.Twee papegaaienkuikens.Tien tellen later zat Hajo in den boom en loerde vol spanning in de holte. Daar doken in het halfdonker broederlijk bijeen twee zeldzaam leelijke mormels, de zwarte kop en snavel onevenredig groot tegenover het droevig-kale lichaampje. Zonder aarzelen pakte Hajo er een beet, waarbij zijn vingers in vrij onzachte aanraking kwamen met den snavel; hij trok zijn gevangene naar het daglicht en daalde er mee omlaag. „Die zullen we eens netjes grootbrengen, jongens!”De knapen uitten hun verbazing over een zóó leelijken jongen vogel. „Zou hij al voedsel nemen?”[196]„Voedsel nemen? M’n duim er bij, als ik niet oppas!—Kom maar eens hier, ouwe jongen!” En met paaien en zoete woordjes wist Hajo den naakten kromsnavel een stuk banaan in den bek te duwen.„Wat zal Gerrit blij zijn met z’n gezelschap!” meende Hajo.„En ik zal hem wel leeren praten!” beloofde Padde.Rolf vischte de eieren op. Ze waren nog wel niet geheel gekookt, maar smaakten best. Alleen het zout ontbrak.Het werd tijd om terug te gaan. Zoo togen de jongens weer op weg, plasten opgewonden babbelend plannen smedend voor de opvoeding van hun papegaai, langs het heldere riviertje. Tegen de schemering kwamen ze weer bij het kamp. Men was druk aan het braden en bakken.„Waar is Vader Langjas?” vroeg Rolf.„Blommetjes plukken! Allemachies, moet dat een papegaai worden? Hein, kom eens kijken! Wat een rare, kale sallemander! Wat zit er in dat hemd?”„’n Beest met zóó’n tong!” grinnikte Padde. „Als je hem knijpt, wordt ie geel van sagrijn!”„Laat kijken?”„Op je gezicht”, zei Padde. „Als hij wegloopt, zijn we hem kwijt.”Vader Langjas was bezig met het onderzoeken van plantjes en bloemetjes. Hij had de gewoonte om in elk vreemd land uit onbekende kruiden drankjes te brouwen, die hij met ware doodsverachting het eerst aan eigen lijf beproefde: als hij zich een enkele maal ziek voelde, beschouwde hij het als een eerezaak om uitsluitend door middel van nieuwe, zelfbedachte medicijnen te genezen. Daardoor was hij gewoonlijk tweemaal zoo lang ziek als een ander, maar dat had hij voor de goede zaak over: Vader Langjas koesterde de stille hoop, nog eens wereldberoemd te zullen worden door het ontdekken van een drankje, dat alle kwalen kon genezen. Edoch, groote geleerden vinden zelden het vertrouwen, dat ze verdienen: als onze ijverige barbier van zijn onderzoekingen weer aan boord terugkeerde, toonden de maats zich huiverig de medicijnen te slikken, die Vader Langjas hun met een stortvloed van aanbevelingen ter hand stelde. „Ik heb het immers zèlf geprobeerd!” klaagde[197]Vader Langjas, verdrietig onder het weinige vertrouwen, dat hij ontmoette. En dan dronken de maats uit medelijden het fleschje maar leeg.„Wel, vriendjes”, zei Vader Langjas, terwijl hij zich oprichtte en zijn bril recht zette, „jullie komt juist gelegen! Ben je bang voor spinnen?”„Wie is er nou bang voor een spinnetje?” vroeg Padde.„Kom dan eens mee!” noodigde de barbier uit. „Och, wat heb je daar een aardig beestje, Hajo. Zeker ’n grijze roodstaart?”„’t Stomme dier heeft nog geen veer op z’n lijf!” smaalde Padde.„Maar hebben jullie de ouden dan niet gezien?”„De eenepapegaaiis groen, en de andere rood, net naar ’t uitvalt!” verzekerde Padde. „Onze buren—weet je wel, Hajo?—hebben een witte poes, en de jongen ervan, van de poes, zijn rood met zwarte vlekken. En de keeshond van Dobbes, de slager? Z’n vader was een bullenbijter en z’n jonkies zijn pukkies met dassenpooten. Waar, Hajo?”„Ja, ’t is waar”, gaf Hajo aarzelend toe.Vader Langjas schudde het hoofd over Padde’s beweringen, die hij niet kon weerleggen. „Dat is heel wat anders”, meende hij.„Neen, dat is precies hetzelfde”, zei Padde.„Kom!” stelde Hajo voor, „laten we nou eens naar de spin gaan kijken.”„Ga maar mee”, zuchtte de barbier. „Ik heb er mijn hoed voorloopig even op gelegd, want ik wilde hem liever door een van jullie laten pakken. Ik wil wel bekennen, dat ik er wat huiverig voor was. ’t Is een groote, hoor! Denk er om!”„Ik durf een hooiwagen over m’n tong te laten loopen!” blufte Padde.„Nu, je moet het zelf weten”, zei de barbier. „Hier zit hij, onder m’n hoed.”—Vader Langjas’ hoofddeksel was rondom met steenen bezwaard; de barbier scheen zijn gevangene voor een gevaarlijk uitbreker te houden!Padde legde de steenen terzijde. „Ik zal hem maar met m’n linkerhand pakken”, zei hij, „want m’n rechter is nog altijd dik van die smerige wesp!”[198]„Doe dat, kereltje. Maar denk er om, hoor: voorzichtig!”Padde lichtte een tipje van den hoed op, schoof er bedachtzaam zijn hand onder, tastte rond in den bol. Maar plotseling kregen zijn oogen een uitdrukking van hoogste ontzetting, en met een hartverscheurenden kreet trok Padde zijn hand terug. Aan zijn pink bengelde een harig monster met een rossig lichaam, zoo groot als een kippen-ei. Vol afschuw slingerde Padde het beest van zijn pink en stak toen haastig dit lichaamsdeel in zijn mond.„Ja-ja”, zei Vader Langjas verschrikt, „daar vreesde ik al voor! Die vogelspinnen hebben leelijke wapens! Ga mee, dan zullen we er een zalfje op smeren.”„Knap jij met je spinnen en je zalfjes!” voer Padde uit, verachtend alle wetten van tucht.„Maar kereltje”, zei de deftige barbier, verlegen zijn bril recht zettend, „ik heb je toch te voren gezegd, dat het een groote spin was? Ik vond haar, terwijl ze bezig was, dit arme vogeltje te dooden.” Vader Langjas tilde zijn hoed op en toonde een mooi, blauw vogeltje, dat met uitgestrekte pootjes en bebloed borstje in het gras lag.Een paar maats waren op Padde’s gegil komen aanloopen. „Wat is er?”„Ze hebben m’n pink afgebeten!” jammerde Padde. „Dat heeft hij me gelapt!”De maats keken verbaasd naar Vader Langjas, die bleek en rood tegelijk werd en met zijn bedeesde houding weinig van een menscheneter had. „Laat kijken je pink?” vroegen ze Padde, die het „afgebeten” lichaamsdeel nog altijd in z’n mond hield.„Die pink is van mij!” zei Padde. „En niet van jou.”„De pink is niet afgebeten!” stamelde Vader Langjas. „Het is een onschuldige beet. De spin is niet giftig; het is er een van de familie.….”„Knap jij met je heele familie, pillendraaier!” schreeuwde Padde. En hij ging heen, met sprakelooze verbazing nagekeken door de oomes. Tien pas verder vond Padde het noodig, zich nog eens om te draaien, de borst in de lucht, en te schreeuwen: „Akelige giftmenger! Ik zal je nog wel er eens vinden! Denk[199]er maar om, dat ik jou ditmaal óók van te voren gewaarschuwd heb!” En Padde verdween tusschen het geboomte.„’n Zonderling karakter”, stamelde Vader Langjas.Rolf kon zijn vroolijkheid niet onderdrukken. „Laat hem maar loopen, Vader Langjas! En kijkt u maar liever eens wat ik hier heb!” Rolf knoopte behoedzaam het hemd los.De barbier boog zich en gluurde door de opening. Wat hij zag, deed hem al zijn zorgen weer vergeten. Blij als een kind, riep hij uit: „’n Panterkameleon! We zullen hem op brandewijn zetten!”De maats sloegen bijkans tegen den grond. „Groote Griebus!” verzuchtte een kleine, magere maat met een neus, die meer van een biet dan van een waskaars had. „Op brandewijn?! Ik wou, dat ik óók een kammelejon was!”Chameleon.[200]1Geen der drie jongens vermoedde, dat ze een vogel hadden gevangen waarover eeuwen later de geleerden elkaar nog in de haren zouden vliegen. Het was de zoogenaamde „dodo”, die alleen op Réunion voorkwam en thans geheel is uitgestorven,—dank zij het feit, dat de oomes, die in den loop der jaren op Réunion landden, al deze „zwanen” met stokken hebben doodgeslagen en toen opgepeuzeld.….↑2Met dit antwoord was Padde allen geleerden meer dan twee eeuwen voor. Want eerst in de tweede helft der negentiende eeuw bewees de groote Londensche natuurvorscher Sir Richard Owen in een beroemd geworden skelet-onderzoek, dat de dodo tot de familie der duiven behoorde.↑

[Inhoud]VREEMDE BEESTENVREEMDE BEESTENDe volgende dag bracht tal van avonturen.’s Morgens namen onze vrienden een heerlijk verfrisschend zeebad. Poedelnaakt dansten ze de zware rollers te gemoet, die in forsche wenteling tegen het strand opliepen, wierpen zich in de holte van zoo’n ombollende golf, schoten er fiksch onderdoor en kwamen met druipende haren weer boven, als ze nog juist den tijd hadden, adem te scheppen voor het onderduiken in een nieuwe golf, die met hoog opgerichten kop, als een menner, de voorgaande voor zich heen joeg.En toen de knapen uitgeplast en uitgedanst waren, ploften ze in het mulle zand neer, lieten zich door de zon drogen en bruinbakken en maakten berekeningen omtrent den duur van de verdere reis. „Over een half jaar zijn we er”, schatte Hajo.„Over drie maanden”, meende Rolf.Padde echter sprong onverwachts overeind en staarde Hajo en Rolf met groote oogen aan. „’n Aardbeving!” stamelde hij.„’n Wat??”„’n Aardbeving! Ik heb duidelijk gevoeld, dat de grond onder me bewoog!”„’t Zal wel verbeelding zijn geweest, Padde.”„Dan is m’n neus ook verbeelding!” Alles behalve overtuigd vleide Padde zich weer neer. „Hoelang de reis nog duurt?” vroeg hij na eenig zwijgen. „Ik denk.….” Maar wederom wipte hij, zoo mogelijk nog sneller dan daareven, overeind, en staarde met groote oogen naar de plek, waar hij gelegen had. Daar vond iets allermerkwaardigst plaats: het zand spleet, brokkelde en.…. een klein, vaalzwart kopje kwam om een hoekje kijken! Een paar zwarte, stompe liliputterpootjes werkten het zand verder op zij en daarna vertoonde zich.….[187]„’n Jonge zeeschildpad!” riep Rolf.Het was een alleraardigst beestje: niet veel grooter dan een okkernoot, en het schildje was nog geheel week. Hulpeloos zwaaiend met de logge, kleine zwempootjes, draaide het al maar het stompe kopje met de twee glinsterende, wereldwijze kraal-oogjes en het gerimpelde, magere, leerachtige oudemannetjeshalsje, als wilde het dat van het lichaampje afschroeven.Kijk, daar kwam nog een kopje uit het zand gluren! En nòg een! De jongens wierpen het nest (wat zou het anders zijn?) open. Neen maar, hetkrioeldevan die beestjes!„Ik neem er ’n paar mee naar Holland!” riep Hajo.„Laten we ze eens tellen”, stelde Rolf voor. Zoo deden de knapen en kwamen tot honderd-en-dertig eieren en acht-en-twintig jonge schildpadjes, half of geheel uit het ei. „Je hadt nog wat moeten blijven zitten, Padde!” vond Rolf. „De helft is nog niet uitgebroed!”„Ja-ha!” grinnikte Padde. „Maar als ik nou later in Holland vertel, dat ik schildpadden heb uitgebroeid, moet je niet denken, dat iemand er een woord van gelooft!”„Dat is dan ook niet heelemaal waar”, zei Rolf. „Je hebt de zon alleen maar wat geholpen.”Padde keek verbaasd op. „De zon?!”„Wie dacht je dan, dat ze zou uitbroeden? De ouden laten zich aan de eieren niets gelegen liggen! Ze graven een gat, leggen daar de eieren in, krabben het dan dicht en verdwijnen weer in het water. De zon moet de rest maar doen!”„Hela! Wat gaan daar voor beesten!” riep Hajo uit, terwijl hij op een viertal lompe, grauw-grijze vogels duidde, die zich log in de schaduw der boomen voortbewogen. Ze hadden kleine vleugeltjes, waarmee ze zich onmogelijk van den grond zouden kunnen verheffen, en zulke korte pootjes, dat hun vette buik haast over het zand sleepte. De jongens sprongen op en snelden er heen. Zonder veel moeite vingen ze er een; de andere vogels maakten zich schommelend uit de voeten. Hajo omklemde met beide handen den ongemeen zwaren en krachtigen snavel, waarmee het dier hoogstwaarschijnlijk geducht zou kunnen hakken.[188]„’n Zwaan!” meende Padde.„Dat kan niet”, zei Rolf. „Dit dier heeft geen zwemvliezen.”„’n Zwaan zeker wèl!” merkte Padde op.„Ja, natuurlijk!” lachte Rolf.Het dier werd nauwlettend bekeken. Het lichaam was belangrijk grooter dan dat van een zwaan, dik en rond en getooid met een onnoozel klein staartje, dat, evenals de hulpelooze vleugels, een geelgrijze kleur had. De bovensnavel was voor een groot deel met een gerimpelde huid overtrokken en eindigde in een haakvormige punt. De korte, sterke pooten liepen in vier teenen uit; het dier had een krop, en het merkwaardigste was wel een groote huidplooi om den kop, waarin het bijkans den heelen snavel kon terugtrekken.1„We gaan er mee naar de barbier!” besliste Rolf. En met vereende krachten en de noodige voorzichtigheid (vanwege den geduchten snavel!) werd de zware vogel opgetild en vervoerd.„’n Dodo”, zei Vader Langjas.En toen stelde Rolf een vraag, welke Padde in hoogste verbazing bracht: „Tot welkefamiliezou hij behooren?”Dodo.„Ik ken ’n achternichie van hem!” grinnikte Padde. „De lamme houtduif van Geert Oliekoek! Die heeft óók een krop!”2Een paar maats waren naderbij gekomen. Zij kenden slechts twee families in de dierenwereld. De eerste familie was die welke je opeten kon, de tweede die, „waar geen smaak aan was”, en des dodo’s ongelukkig gesternte deelde hem bij de eerste familie in.[189]Een paar uur later draaide hij, geplukt en schoongemaakt, aan het spit.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -De helft der maats trok dien morgen op onderzoekingstochten uit. En ook onze vrienden besloten, het land wat verder binnen te dringen. De zonnewijzer, die den vorigen dag op het strand was aangebracht, wees nog geen acht uur, toen het wakkere drietal er op uit toog. Ze besloten het riviertje stroomopwaarts te volgen, liepen mannetje na mannetje langs den smallen oever. Het lage gewas aan den oever ging over in hooge en dichte bamboebosschen; steeds weelderiger werd het woud en steeds donkerder; lianen, tot onuitwarbare netten verstrikt, versperden veelal den weg; de onderste einden slierden in het snel stroomende water.Eenmaal gingen de knapen door een lange loofpoort.De lucht was er heet en vochtig en ademde den zoeten geur vanduizendenorchideeën, welker stille pracht bedwelmde. Zwijgend gingen de jongens een oogenblik zitten. Het water dampte. Als een eeuwenoud vertelsel, nog door geen menschelijk oor opgevangen, klonk het plassen van het water tegen de groote, blauw-grijze bergsteenen; een enkele maal schoot het er ruischend overheen; dan was het, alsof de koning uit het verhaaltje zijn stem deed hooren. De planten, de boomen en bloemen luisterden er naar, bogen zich ver over tot het stroompje, om elk gefluisterd woord op te vangen. Waterplanten lieten zich mijmerend wiegen; hun groote, witte bloemen glansden als het gelaat van bleeke, booze prinsessen.….Verder maar weer! De knapen wrongen zich door lianen, waadden plassend in het heldere water. Stil werd het woud, beangstigend stil, als dat behekste woud, dat duizend jaar lang zwijgen moest, omdat een doode tak in ’t vallen de koningin der elfen had verpletterd. „Hier ben ik!” zong het stroompje forsch en jubelend van overmoed, nu het zijn stem zoo luid en klaar weergalmen hoorde in de stilte. „Wie dorstig is, hij kome en lave zich aan mij! Ik kom van ver, ik ga naar ver, ik heb geen rust, geen rust.…. Weg, domme steenen, die uit ijverzucht, dat jullie niet onsterfelijk bent en vrij als ik, mijn weg versperren wilt! Och, arme, goede boomen, die gedoemd bent om te[190]sterven, waar je bent ontstaan, och, hoe beklaag ik jullie!—Vriendelijk-stille bladeren, en jullie, reine, smettelooze bloemen, die met open kelken luistert naar mijn avonturen, kom, stort je in mijn armen! Ik zal je voeren ver van hier, heel ver.….”Hajo voelde, hoe het bloed hem sneller door de aderen joeg. Een teugellooze drang tot trekken en avonturen ontwaakte in hem.Een enkele maal kwamen de jongens bij een open plek; dan lichtte hun een ongekende bloemenweelde tegen. Kleurige vlinders ter grootte van een hand en tallooze bonte vogeltjes fladderden in en om de verlokkende kelken. En vóór hen schemerden, tusschen het geboomte door, diep-paarse bergen.De knapen voelden het aan hun beenen, dat ze den ganschen weg gestegen hadden. Bij een dwarsbeekje gekomen, besloten ze dat te volgen. Ze kropen tusschen stammen en boomvarens,—stonden onverwachts voor een grooten vijver, waarboven een dichte damp hing.„’n Heete bron!” riep Rolf uit.„Heet??” vroegen Hajo en Padde en staken hun hand in het water. Maar terstond trokken ze hun vingers er weer uit. „Het is kokend!”„Komt dat zoo maar uit de grond?” vroeg Padde wantrouwend.„Dat moet wel”, zei Hajo. „Nergens stroomt iets binnen, en daar aan de overkant voert de vijver tòch water af.”„De bodem is hier vulkanisch”, verklaarde Rolf. „Daarom is het water zoo heet.”„Vulkanisch?? Wat beteekent dat?”„Dat beteekent, dat, als je hier graaft, je ten slotte op vuur zou stuiten.”Padde werd wit om zijn neus. „Maar dan staan we hier.…. boven de hel!!”„Ja”, zei Rolf, „pas maar op, dat je er niet in valt.”„Dan ben je in een ommezientje gekookte kreeft!” verzekerde Hajo met een vroolijkheid, die hij alleen aan Rolfs kalmte ontleende.„Zullen we hier maar liever niet weer weggaan?” vroeg Padde.[191]„Laten we eerst eens wat eieren zien machtig te worden!” stelde Rolf voor. „Ik val om van den honger. Jullie niet? En nesten zullen hier genoeg zijn.”In eens voelde Padde ook zijn maag. Zuchtend gaf hij toe.De jongens liepen den vijver eens rond, en al spoedig ontdekte Hajo’s jagersoog enkele duivennesten. Hij klom er bij en keerde, na driemaal op een nest met jongen te zijn gestuit, terug met twee witte eitjes, die tegen het licht bekeken en versch bevonden werden.Hajo zat alweer in een anderen boom. Ditmaal was hij nog gelukkiger. In drie nesten lagen schoone eieren; hij vond bovendien nog een vierde nest, waarvan hij de eieren liet liggen, omdat ze, toen hij ze in de half gesloten hand tegen het licht hield, bebroed bleken. De schoone borg hij op—in iederen zak een, en vier in z’n mond—en kwam met bolle wangen beneden aan. Intusschen had ook Rolf een paar nesten ontdekt en ontpopte zich nu als een goed klauteraar. Padde bood aan, de wacht bij de eieren te houden, terwijl Hajo en Rolf zochten.„Natuurlijk! Laat Padde maar op de eieren passen!” riep Rolf van boven. „Maar ga er niet op zitten, Padde, anders krioelt het straks van jonge duifjes, net als bij die schildpadjes vanmorgen!”Toen enkele oogenblikken later Rolf en Hajo met hun buit op den grond belandden, zagen ze Padde een eindje verder met den rug naar hen toe door het loof gluren, zich voorzichtig omwenden en de vingers op de lippen leggen. Ze slopen naar hem toe en ontdekten, na eenig vergeefsch turen in de door Padde aangeduide richting, een merkwaardig, hagedisachtig beest, dat zijn ronden, dikken staart stevig om een tak gekneld hield en door zijn donkergroene kleur bijkans niet van zijn omgeving te onderscheiden was. De groote, kantige kop hing met een scherpen hoek, als ware het een helm, over een dunnen, verschrompelden hals. Een blauwe, met donkerbruine puntjes bespikkelde keelzak hing als een baard onder kin en hals. Langs het krachtige lichaam, dat door een hoogen, gekartelden kam iets draakachtigs had, liep een band van roodbruine vlekken. De oogen van dit armlange beest puilden sterk uit, waren[192]geheel, op de pupil na, overtrokken met een prachtig rood en groen ooglid, en loerden, ganschelijk en onafhankelijk van elkaar, rusteloos rond. Voor op den neus prijkten twee hoorn-achtige knobbels.Doodstilzat het dier. Behalve de oogen was er niets, dat bewoog.„Wacht maar eens!” fluisterde Padde. „Dan zul je lachen!”En de vrienden wachtten met haast evenveel geduld als het kameleon—want dat was het dier natuurlijk, dat Padde’s belangstelling had gaande gemaakt.Daar kwam een kleine kever aanzoemen. Zwart, met gele sterretjes op de schilden. Hij danste lustig snorrend in het rond, kietelde Hajo eens onder de kin, bracht daarna een bezoek aan het kameleon. Dat wil zeggen: hij zag het heele kameleon niet; noch merkte hij er iets van, hoe twee boosaardige, rooflustige oogen al zijn bewegingen bespiedden. Heel de belangstelling van den vroolijken, geelgespikkelden bezoeker ging uit naar een groote, roode bloem, vier handpalmen vóór den knobbelneus van den onbeweeglijken, groenen draak. De laatste draaide beide oogen zoo ver naar voren, dat ze uit den kop dreigden te zullen rollen, mat den afstand, opende langzaam, heel langzaam den bek.…. Padde stootte zijn vrienden aan; zijn oogen puilden haast even ver uit als die van het kameleon.….!—Het was al geschied. Een tong, haast half zoo lang als het geheele lichaam, schoot bliksemsnel naar het argelooze torretje, vloog weer terug, alsof het aan een veertje zat; toen een korte beweging van de kaak.…. Spoorloos verdwenen was de geel-zwarte bloemenvriend.Het kameleon had zich bij dat alles doodstil gehouden. En terwijl Hajo en Rolf nog verrast naar de bloem keken, waarop het torretje gezeten had, dwaalden de kleine oogjes van den geheimzinnigen sluipmoordenaar al weer rond, belust op nieuwen buit.Padde grinnikte zacht en kneep Hajo blauwe plekken.Weer een torretje! Ditmaal een goudgroen, wispelturig torretje. Het stelt zich aan, alsof het een verbazende haast heeft, vliegt van links naar rechts, strijkt overal neer—zelfs op een der knobbels op den kop van het kameleon, vliegt terstond weer[193]op, bedenkt zich, gaat weer elders zitten, vliegt toch maar weer weg. Een goed torrenkenner zal al begrepen hebben, dat het goud-glanzend heertje bij al z’n schijnbare drukte een nietsnut en een leeglooper is. Floep! Daar dwarrelt het weer rond.Geen enkel beweginkje ontgaat aan den spiedenden blik van het kameleon. Het torretje schijnt van plan, een oogenblikje te verwijlen op een zonbeschenen blad. Het tilt de dekschildjes op, spreidt de dunne vleugeltjes, die er onder zitten, een oogenblik in het zonnetje, dat er allerlei kleuren in toovert; klapt dan de dekschilden weer toe en wandelt als een deftige meneer met jaspanden in een kringetje het blad rond. Het kameleon loert. Het blad is laag, de afstand groot. Daarom heel voorzichtig een pasje terug! De lange, typische pootjes, die in slechts twee vingers uitloopen, worden een voor een omlaaggebracht. Ook de staart wordt iets verlaagd, maar oogenblikkelijk weer vastgeklemd. Ziezoo, nu schijnt de hoogte goed te zijn! De bek opent zich.…. Hoepla! De jaspanden vliegen los; het torretje snort haastig een oogenblik rond, zet zich een el hooger op een ander blad en kijkt in diepzinnige overpeinzingen naar een gaatje, door een ander torretje in het blad geboord. Het kameleon bijt zijn teleurstelling weg: een rechtschapen kameleon geeft den moed nimmer op. Getuigt zijn gansche, stilzittend bestaan niet van een rotsvast vertrouwen op zijn goed gesternte? Daarom: voorzichtig een pasje naar boven! Nog een pasje! Nog een! Het torretje bestudeert het bladopeningetje aan alle zijden, schijnt er maar half mee ingenomen, maar steekt geen hand uit om er iets aan te veranderen. Het kameleon slikt van opwinding. Zoo zou de afstand wel goed zijn! Langzaam den bek open.…. Hoepla! Het torretje besluit zich niet langer te ergeren over het slechte werk van anderen en danst weer in het rond om twee el lager opnieuw te belanden. Flits! Des kameleons oogen richten zich in de diepte. Komaan, dan maar weer naar beneden! Pasje voor pasje. Is zoo de afstand goed? Me dunkt van wel. En dus.…. In een onberispelijke spiraal zwiert het torretje, over het hoofd van het kameleon heen, tusschen de boomen weg.Grimmig, maar zonder door een enkele beweging zijn teleurstelling lucht te geven, blijft de groene roofridder zitten.[194]Aha! Daar kiemt nieuwe hoop in zijn kameleonnehart! Uit een groote bloem komt log en traag een roodzwart kevertje kruipen, zet af en snort pardoes, zonder de allergeringste gratie, in een andere bloem, geen vier duim van zijn belager af. Deze wacht met half geopenden bek op het oogenblik, dat de zespootige lummel weer voor den dag zal komen. Te drommel, dat duurt lang: hij schijnt daar in dat bloemenhart heel wat te doen te hebben!Wie zou er met meer spanning op de komst van den bloemenvorscher hebben gewacht: de jongens of het kameleon? Eindelijk, eindelijk kwam de langverbeide, likte zich de gepantserde pootjes schoon en krabbelde bedachtzaam naar buiten, ten einde een goed afzetpunt te vinden. Het kameleon maakte zijn aanstalten.….Toen zweefde langzaam een jongenshemd door de lucht en bewoog zich in de richting van ’s kameleons hals. En in hetzelfde oogenblik, dat de lange tong uitschoot en het torretje gevankelijk wegvoerde, omsloten Rolfs vingers den bandiet vlak achter den driehoekigen kop. Het dier stiet een schor geluid uit. En, tot Padde en Hajo’s grenzelooze verbazing.…. veranderde het van kleur! De blauwbruine vlekkenband langs de zijden van het lichaam verbleekte tot een blauwig wit; de blauwe keelzak en de mondranden werden citroengeel!Maar Rolf liet zich niet afschrikken. Hij had met de linkerhand het achterlichaam gepakt en trachtte het dier van den tak te lichten. „Drommels”, zei Rolf, „hij houdt zich stevig vast! We zullen hem met tak en al moeten meenemen!”Hajo wierp zich op de knieën en sneed met zijn zakmes den tak af.„Prachtig!” zei Rolf. „Maar hoe krijgen we hem nu op het schip?”„Hier!” zei Padde ijverig. En hij trok zijn hemd uit. „Daar stoppen we hem in!”„Hij moet mee naar Holland!” riep Hajo opgewonden. „Dan kan hij vliegen vangen; daar zit de kamer bij ons ’s zomers vol van!”„We zullen hem straks eerst eens aan Vader Langjas laten[195]zien”, zei Rolf vroolijk. „’t Is een kameleon, maar ik ben benieuwd wat voor een soort!”„Wou je z’n heele familie weer weten?” vroeg Padde.Rolf lachte. „Heb je ’m zien verkleuren, toen ik hem pakte?”„Ja!” zei Hajo. „Hoe kwam dat?”„Als jij me het zegt, weet ik het ook! Kom, laten we onze eieren maar eens gaan oppeuzelen! We hebben er twee dozijn. Eerst gaan we ze koken. In de heete bron!”„Ja!”Hajo vlocht met zijn handige vingers een netje uit ’n paar lange, smalle bladeren, deed er de eieren in, knoopte het netje boven dicht, liet het in ’t water zakken en stak onder den knoop een takje, dat hij in den wal vastduwde. Ziezoo, nu maar afwachten.In den tijd, dat Rolf en Padde aan den oever lagen, in afwachting dat de eieren hard zouden worden, had Hajo een nieuw avontuur. Terwijl hij, onvermoeid speurder als hij was, zoekend in de boomen loerde, viel zijn blik op een witte streep vuil, hoog tegen een stam. Onze vriend zou Peter Hajo niet zijn, als hij niet terstond begrepen had, dat zich daarboven een nest moest bevinden. Daar ontdekte hij het al: een meer dan vuist-groote holte in den stam. Een spechtennest kon het niet zijn; daar was het gat te groot voor. Zie! daar verscheen voor de opening een kop met krommen snavel; een papegaai kroop naar buiten en vloog weg.Twee papegaaienkuikens.Tien tellen later zat Hajo in den boom en loerde vol spanning in de holte. Daar doken in het halfdonker broederlijk bijeen twee zeldzaam leelijke mormels, de zwarte kop en snavel onevenredig groot tegenover het droevig-kale lichaampje. Zonder aarzelen pakte Hajo er een beet, waarbij zijn vingers in vrij onzachte aanraking kwamen met den snavel; hij trok zijn gevangene naar het daglicht en daalde er mee omlaag. „Die zullen we eens netjes grootbrengen, jongens!”De knapen uitten hun verbazing over een zóó leelijken jongen vogel. „Zou hij al voedsel nemen?”[196]„Voedsel nemen? M’n duim er bij, als ik niet oppas!—Kom maar eens hier, ouwe jongen!” En met paaien en zoete woordjes wist Hajo den naakten kromsnavel een stuk banaan in den bek te duwen.„Wat zal Gerrit blij zijn met z’n gezelschap!” meende Hajo.„En ik zal hem wel leeren praten!” beloofde Padde.Rolf vischte de eieren op. Ze waren nog wel niet geheel gekookt, maar smaakten best. Alleen het zout ontbrak.Het werd tijd om terug te gaan. Zoo togen de jongens weer op weg, plasten opgewonden babbelend plannen smedend voor de opvoeding van hun papegaai, langs het heldere riviertje. Tegen de schemering kwamen ze weer bij het kamp. Men was druk aan het braden en bakken.„Waar is Vader Langjas?” vroeg Rolf.„Blommetjes plukken! Allemachies, moet dat een papegaai worden? Hein, kom eens kijken! Wat een rare, kale sallemander! Wat zit er in dat hemd?”„’n Beest met zóó’n tong!” grinnikte Padde. „Als je hem knijpt, wordt ie geel van sagrijn!”„Laat kijken?”„Op je gezicht”, zei Padde. „Als hij wegloopt, zijn we hem kwijt.”Vader Langjas was bezig met het onderzoeken van plantjes en bloemetjes. Hij had de gewoonte om in elk vreemd land uit onbekende kruiden drankjes te brouwen, die hij met ware doodsverachting het eerst aan eigen lijf beproefde: als hij zich een enkele maal ziek voelde, beschouwde hij het als een eerezaak om uitsluitend door middel van nieuwe, zelfbedachte medicijnen te genezen. Daardoor was hij gewoonlijk tweemaal zoo lang ziek als een ander, maar dat had hij voor de goede zaak over: Vader Langjas koesterde de stille hoop, nog eens wereldberoemd te zullen worden door het ontdekken van een drankje, dat alle kwalen kon genezen. Edoch, groote geleerden vinden zelden het vertrouwen, dat ze verdienen: als onze ijverige barbier van zijn onderzoekingen weer aan boord terugkeerde, toonden de maats zich huiverig de medicijnen te slikken, die Vader Langjas hun met een stortvloed van aanbevelingen ter hand stelde. „Ik heb het immers zèlf geprobeerd!” klaagde[197]Vader Langjas, verdrietig onder het weinige vertrouwen, dat hij ontmoette. En dan dronken de maats uit medelijden het fleschje maar leeg.„Wel, vriendjes”, zei Vader Langjas, terwijl hij zich oprichtte en zijn bril recht zette, „jullie komt juist gelegen! Ben je bang voor spinnen?”„Wie is er nou bang voor een spinnetje?” vroeg Padde.„Kom dan eens mee!” noodigde de barbier uit. „Och, wat heb je daar een aardig beestje, Hajo. Zeker ’n grijze roodstaart?”„’t Stomme dier heeft nog geen veer op z’n lijf!” smaalde Padde.„Maar hebben jullie de ouden dan niet gezien?”„De eenepapegaaiis groen, en de andere rood, net naar ’t uitvalt!” verzekerde Padde. „Onze buren—weet je wel, Hajo?—hebben een witte poes, en de jongen ervan, van de poes, zijn rood met zwarte vlekken. En de keeshond van Dobbes, de slager? Z’n vader was een bullenbijter en z’n jonkies zijn pukkies met dassenpooten. Waar, Hajo?”„Ja, ’t is waar”, gaf Hajo aarzelend toe.Vader Langjas schudde het hoofd over Padde’s beweringen, die hij niet kon weerleggen. „Dat is heel wat anders”, meende hij.„Neen, dat is precies hetzelfde”, zei Padde.„Kom!” stelde Hajo voor, „laten we nou eens naar de spin gaan kijken.”„Ga maar mee”, zuchtte de barbier. „Ik heb er mijn hoed voorloopig even op gelegd, want ik wilde hem liever door een van jullie laten pakken. Ik wil wel bekennen, dat ik er wat huiverig voor was. ’t Is een groote, hoor! Denk er om!”„Ik durf een hooiwagen over m’n tong te laten loopen!” blufte Padde.„Nu, je moet het zelf weten”, zei de barbier. „Hier zit hij, onder m’n hoed.”—Vader Langjas’ hoofddeksel was rondom met steenen bezwaard; de barbier scheen zijn gevangene voor een gevaarlijk uitbreker te houden!Padde legde de steenen terzijde. „Ik zal hem maar met m’n linkerhand pakken”, zei hij, „want m’n rechter is nog altijd dik van die smerige wesp!”[198]„Doe dat, kereltje. Maar denk er om, hoor: voorzichtig!”Padde lichtte een tipje van den hoed op, schoof er bedachtzaam zijn hand onder, tastte rond in den bol. Maar plotseling kregen zijn oogen een uitdrukking van hoogste ontzetting, en met een hartverscheurenden kreet trok Padde zijn hand terug. Aan zijn pink bengelde een harig monster met een rossig lichaam, zoo groot als een kippen-ei. Vol afschuw slingerde Padde het beest van zijn pink en stak toen haastig dit lichaamsdeel in zijn mond.„Ja-ja”, zei Vader Langjas verschrikt, „daar vreesde ik al voor! Die vogelspinnen hebben leelijke wapens! Ga mee, dan zullen we er een zalfje op smeren.”„Knap jij met je spinnen en je zalfjes!” voer Padde uit, verachtend alle wetten van tucht.„Maar kereltje”, zei de deftige barbier, verlegen zijn bril recht zettend, „ik heb je toch te voren gezegd, dat het een groote spin was? Ik vond haar, terwijl ze bezig was, dit arme vogeltje te dooden.” Vader Langjas tilde zijn hoed op en toonde een mooi, blauw vogeltje, dat met uitgestrekte pootjes en bebloed borstje in het gras lag.Een paar maats waren op Padde’s gegil komen aanloopen. „Wat is er?”„Ze hebben m’n pink afgebeten!” jammerde Padde. „Dat heeft hij me gelapt!”De maats keken verbaasd naar Vader Langjas, die bleek en rood tegelijk werd en met zijn bedeesde houding weinig van een menscheneter had. „Laat kijken je pink?” vroegen ze Padde, die het „afgebeten” lichaamsdeel nog altijd in z’n mond hield.„Die pink is van mij!” zei Padde. „En niet van jou.”„De pink is niet afgebeten!” stamelde Vader Langjas. „Het is een onschuldige beet. De spin is niet giftig; het is er een van de familie.….”„Knap jij met je heele familie, pillendraaier!” schreeuwde Padde. En hij ging heen, met sprakelooze verbazing nagekeken door de oomes. Tien pas verder vond Padde het noodig, zich nog eens om te draaien, de borst in de lucht, en te schreeuwen: „Akelige giftmenger! Ik zal je nog wel er eens vinden! Denk[199]er maar om, dat ik jou ditmaal óók van te voren gewaarschuwd heb!” En Padde verdween tusschen het geboomte.„’n Zonderling karakter”, stamelde Vader Langjas.Rolf kon zijn vroolijkheid niet onderdrukken. „Laat hem maar loopen, Vader Langjas! En kijkt u maar liever eens wat ik hier heb!” Rolf knoopte behoedzaam het hemd los.De barbier boog zich en gluurde door de opening. Wat hij zag, deed hem al zijn zorgen weer vergeten. Blij als een kind, riep hij uit: „’n Panterkameleon! We zullen hem op brandewijn zetten!”De maats sloegen bijkans tegen den grond. „Groote Griebus!” verzuchtte een kleine, magere maat met een neus, die meer van een biet dan van een waskaars had. „Op brandewijn?! Ik wou, dat ik óók een kammelejon was!”Chameleon.[200]1Geen der drie jongens vermoedde, dat ze een vogel hadden gevangen waarover eeuwen later de geleerden elkaar nog in de haren zouden vliegen. Het was de zoogenaamde „dodo”, die alleen op Réunion voorkwam en thans geheel is uitgestorven,—dank zij het feit, dat de oomes, die in den loop der jaren op Réunion landden, al deze „zwanen” met stokken hebben doodgeslagen en toen opgepeuzeld.….↑2Met dit antwoord was Padde allen geleerden meer dan twee eeuwen voor. Want eerst in de tweede helft der negentiende eeuw bewees de groote Londensche natuurvorscher Sir Richard Owen in een beroemd geworden skelet-onderzoek, dat de dodo tot de familie der duiven behoorde.↑

VREEMDE BEESTENVREEMDE BEESTEN

VREEMDE BEESTEN

De volgende dag bracht tal van avonturen.’s Morgens namen onze vrienden een heerlijk verfrisschend zeebad. Poedelnaakt dansten ze de zware rollers te gemoet, die in forsche wenteling tegen het strand opliepen, wierpen zich in de holte van zoo’n ombollende golf, schoten er fiksch onderdoor en kwamen met druipende haren weer boven, als ze nog juist den tijd hadden, adem te scheppen voor het onderduiken in een nieuwe golf, die met hoog opgerichten kop, als een menner, de voorgaande voor zich heen joeg.En toen de knapen uitgeplast en uitgedanst waren, ploften ze in het mulle zand neer, lieten zich door de zon drogen en bruinbakken en maakten berekeningen omtrent den duur van de verdere reis. „Over een half jaar zijn we er”, schatte Hajo.„Over drie maanden”, meende Rolf.Padde echter sprong onverwachts overeind en staarde Hajo en Rolf met groote oogen aan. „’n Aardbeving!” stamelde hij.„’n Wat??”„’n Aardbeving! Ik heb duidelijk gevoeld, dat de grond onder me bewoog!”„’t Zal wel verbeelding zijn geweest, Padde.”„Dan is m’n neus ook verbeelding!” Alles behalve overtuigd vleide Padde zich weer neer. „Hoelang de reis nog duurt?” vroeg hij na eenig zwijgen. „Ik denk.….” Maar wederom wipte hij, zoo mogelijk nog sneller dan daareven, overeind, en staarde met groote oogen naar de plek, waar hij gelegen had. Daar vond iets allermerkwaardigst plaats: het zand spleet, brokkelde en.…. een klein, vaalzwart kopje kwam om een hoekje kijken! Een paar zwarte, stompe liliputterpootjes werkten het zand verder op zij en daarna vertoonde zich.….[187]„’n Jonge zeeschildpad!” riep Rolf.Het was een alleraardigst beestje: niet veel grooter dan een okkernoot, en het schildje was nog geheel week. Hulpeloos zwaaiend met de logge, kleine zwempootjes, draaide het al maar het stompe kopje met de twee glinsterende, wereldwijze kraal-oogjes en het gerimpelde, magere, leerachtige oudemannetjeshalsje, als wilde het dat van het lichaampje afschroeven.Kijk, daar kwam nog een kopje uit het zand gluren! En nòg een! De jongens wierpen het nest (wat zou het anders zijn?) open. Neen maar, hetkrioeldevan die beestjes!„Ik neem er ’n paar mee naar Holland!” riep Hajo.„Laten we ze eens tellen”, stelde Rolf voor. Zoo deden de knapen en kwamen tot honderd-en-dertig eieren en acht-en-twintig jonge schildpadjes, half of geheel uit het ei. „Je hadt nog wat moeten blijven zitten, Padde!” vond Rolf. „De helft is nog niet uitgebroed!”„Ja-ha!” grinnikte Padde. „Maar als ik nou later in Holland vertel, dat ik schildpadden heb uitgebroeid, moet je niet denken, dat iemand er een woord van gelooft!”„Dat is dan ook niet heelemaal waar”, zei Rolf. „Je hebt de zon alleen maar wat geholpen.”Padde keek verbaasd op. „De zon?!”„Wie dacht je dan, dat ze zou uitbroeden? De ouden laten zich aan de eieren niets gelegen liggen! Ze graven een gat, leggen daar de eieren in, krabben het dan dicht en verdwijnen weer in het water. De zon moet de rest maar doen!”„Hela! Wat gaan daar voor beesten!” riep Hajo uit, terwijl hij op een viertal lompe, grauw-grijze vogels duidde, die zich log in de schaduw der boomen voortbewogen. Ze hadden kleine vleugeltjes, waarmee ze zich onmogelijk van den grond zouden kunnen verheffen, en zulke korte pootjes, dat hun vette buik haast over het zand sleepte. De jongens sprongen op en snelden er heen. Zonder veel moeite vingen ze er een; de andere vogels maakten zich schommelend uit de voeten. Hajo omklemde met beide handen den ongemeen zwaren en krachtigen snavel, waarmee het dier hoogstwaarschijnlijk geducht zou kunnen hakken.[188]„’n Zwaan!” meende Padde.„Dat kan niet”, zei Rolf. „Dit dier heeft geen zwemvliezen.”„’n Zwaan zeker wèl!” merkte Padde op.„Ja, natuurlijk!” lachte Rolf.Het dier werd nauwlettend bekeken. Het lichaam was belangrijk grooter dan dat van een zwaan, dik en rond en getooid met een onnoozel klein staartje, dat, evenals de hulpelooze vleugels, een geelgrijze kleur had. De bovensnavel was voor een groot deel met een gerimpelde huid overtrokken en eindigde in een haakvormige punt. De korte, sterke pooten liepen in vier teenen uit; het dier had een krop, en het merkwaardigste was wel een groote huidplooi om den kop, waarin het bijkans den heelen snavel kon terugtrekken.1„We gaan er mee naar de barbier!” besliste Rolf. En met vereende krachten en de noodige voorzichtigheid (vanwege den geduchten snavel!) werd de zware vogel opgetild en vervoerd.„’n Dodo”, zei Vader Langjas.En toen stelde Rolf een vraag, welke Padde in hoogste verbazing bracht: „Tot welkefamiliezou hij behooren?”Dodo.„Ik ken ’n achternichie van hem!” grinnikte Padde. „De lamme houtduif van Geert Oliekoek! Die heeft óók een krop!”2Een paar maats waren naderbij gekomen. Zij kenden slechts twee families in de dierenwereld. De eerste familie was die welke je opeten kon, de tweede die, „waar geen smaak aan was”, en des dodo’s ongelukkig gesternte deelde hem bij de eerste familie in.[189]Een paar uur later draaide hij, geplukt en schoongemaakt, aan het spit.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -De helft der maats trok dien morgen op onderzoekingstochten uit. En ook onze vrienden besloten, het land wat verder binnen te dringen. De zonnewijzer, die den vorigen dag op het strand was aangebracht, wees nog geen acht uur, toen het wakkere drietal er op uit toog. Ze besloten het riviertje stroomopwaarts te volgen, liepen mannetje na mannetje langs den smallen oever. Het lage gewas aan den oever ging over in hooge en dichte bamboebosschen; steeds weelderiger werd het woud en steeds donkerder; lianen, tot onuitwarbare netten verstrikt, versperden veelal den weg; de onderste einden slierden in het snel stroomende water.Eenmaal gingen de knapen door een lange loofpoort.De lucht was er heet en vochtig en ademde den zoeten geur vanduizendenorchideeën, welker stille pracht bedwelmde. Zwijgend gingen de jongens een oogenblik zitten. Het water dampte. Als een eeuwenoud vertelsel, nog door geen menschelijk oor opgevangen, klonk het plassen van het water tegen de groote, blauw-grijze bergsteenen; een enkele maal schoot het er ruischend overheen; dan was het, alsof de koning uit het verhaaltje zijn stem deed hooren. De planten, de boomen en bloemen luisterden er naar, bogen zich ver over tot het stroompje, om elk gefluisterd woord op te vangen. Waterplanten lieten zich mijmerend wiegen; hun groote, witte bloemen glansden als het gelaat van bleeke, booze prinsessen.….Verder maar weer! De knapen wrongen zich door lianen, waadden plassend in het heldere water. Stil werd het woud, beangstigend stil, als dat behekste woud, dat duizend jaar lang zwijgen moest, omdat een doode tak in ’t vallen de koningin der elfen had verpletterd. „Hier ben ik!” zong het stroompje forsch en jubelend van overmoed, nu het zijn stem zoo luid en klaar weergalmen hoorde in de stilte. „Wie dorstig is, hij kome en lave zich aan mij! Ik kom van ver, ik ga naar ver, ik heb geen rust, geen rust.…. Weg, domme steenen, die uit ijverzucht, dat jullie niet onsterfelijk bent en vrij als ik, mijn weg versperren wilt! Och, arme, goede boomen, die gedoemd bent om te[190]sterven, waar je bent ontstaan, och, hoe beklaag ik jullie!—Vriendelijk-stille bladeren, en jullie, reine, smettelooze bloemen, die met open kelken luistert naar mijn avonturen, kom, stort je in mijn armen! Ik zal je voeren ver van hier, heel ver.….”Hajo voelde, hoe het bloed hem sneller door de aderen joeg. Een teugellooze drang tot trekken en avonturen ontwaakte in hem.Een enkele maal kwamen de jongens bij een open plek; dan lichtte hun een ongekende bloemenweelde tegen. Kleurige vlinders ter grootte van een hand en tallooze bonte vogeltjes fladderden in en om de verlokkende kelken. En vóór hen schemerden, tusschen het geboomte door, diep-paarse bergen.De knapen voelden het aan hun beenen, dat ze den ganschen weg gestegen hadden. Bij een dwarsbeekje gekomen, besloten ze dat te volgen. Ze kropen tusschen stammen en boomvarens,—stonden onverwachts voor een grooten vijver, waarboven een dichte damp hing.„’n Heete bron!” riep Rolf uit.„Heet??” vroegen Hajo en Padde en staken hun hand in het water. Maar terstond trokken ze hun vingers er weer uit. „Het is kokend!”„Komt dat zoo maar uit de grond?” vroeg Padde wantrouwend.„Dat moet wel”, zei Hajo. „Nergens stroomt iets binnen, en daar aan de overkant voert de vijver tòch water af.”„De bodem is hier vulkanisch”, verklaarde Rolf. „Daarom is het water zoo heet.”„Vulkanisch?? Wat beteekent dat?”„Dat beteekent, dat, als je hier graaft, je ten slotte op vuur zou stuiten.”Padde werd wit om zijn neus. „Maar dan staan we hier.…. boven de hel!!”„Ja”, zei Rolf, „pas maar op, dat je er niet in valt.”„Dan ben je in een ommezientje gekookte kreeft!” verzekerde Hajo met een vroolijkheid, die hij alleen aan Rolfs kalmte ontleende.„Zullen we hier maar liever niet weer weggaan?” vroeg Padde.[191]„Laten we eerst eens wat eieren zien machtig te worden!” stelde Rolf voor. „Ik val om van den honger. Jullie niet? En nesten zullen hier genoeg zijn.”In eens voelde Padde ook zijn maag. Zuchtend gaf hij toe.De jongens liepen den vijver eens rond, en al spoedig ontdekte Hajo’s jagersoog enkele duivennesten. Hij klom er bij en keerde, na driemaal op een nest met jongen te zijn gestuit, terug met twee witte eitjes, die tegen het licht bekeken en versch bevonden werden.Hajo zat alweer in een anderen boom. Ditmaal was hij nog gelukkiger. In drie nesten lagen schoone eieren; hij vond bovendien nog een vierde nest, waarvan hij de eieren liet liggen, omdat ze, toen hij ze in de half gesloten hand tegen het licht hield, bebroed bleken. De schoone borg hij op—in iederen zak een, en vier in z’n mond—en kwam met bolle wangen beneden aan. Intusschen had ook Rolf een paar nesten ontdekt en ontpopte zich nu als een goed klauteraar. Padde bood aan, de wacht bij de eieren te houden, terwijl Hajo en Rolf zochten.„Natuurlijk! Laat Padde maar op de eieren passen!” riep Rolf van boven. „Maar ga er niet op zitten, Padde, anders krioelt het straks van jonge duifjes, net als bij die schildpadjes vanmorgen!”Toen enkele oogenblikken later Rolf en Hajo met hun buit op den grond belandden, zagen ze Padde een eindje verder met den rug naar hen toe door het loof gluren, zich voorzichtig omwenden en de vingers op de lippen leggen. Ze slopen naar hem toe en ontdekten, na eenig vergeefsch turen in de door Padde aangeduide richting, een merkwaardig, hagedisachtig beest, dat zijn ronden, dikken staart stevig om een tak gekneld hield en door zijn donkergroene kleur bijkans niet van zijn omgeving te onderscheiden was. De groote, kantige kop hing met een scherpen hoek, als ware het een helm, over een dunnen, verschrompelden hals. Een blauwe, met donkerbruine puntjes bespikkelde keelzak hing als een baard onder kin en hals. Langs het krachtige lichaam, dat door een hoogen, gekartelden kam iets draakachtigs had, liep een band van roodbruine vlekken. De oogen van dit armlange beest puilden sterk uit, waren[192]geheel, op de pupil na, overtrokken met een prachtig rood en groen ooglid, en loerden, ganschelijk en onafhankelijk van elkaar, rusteloos rond. Voor op den neus prijkten twee hoorn-achtige knobbels.Doodstilzat het dier. Behalve de oogen was er niets, dat bewoog.„Wacht maar eens!” fluisterde Padde. „Dan zul je lachen!”En de vrienden wachtten met haast evenveel geduld als het kameleon—want dat was het dier natuurlijk, dat Padde’s belangstelling had gaande gemaakt.Daar kwam een kleine kever aanzoemen. Zwart, met gele sterretjes op de schilden. Hij danste lustig snorrend in het rond, kietelde Hajo eens onder de kin, bracht daarna een bezoek aan het kameleon. Dat wil zeggen: hij zag het heele kameleon niet; noch merkte hij er iets van, hoe twee boosaardige, rooflustige oogen al zijn bewegingen bespiedden. Heel de belangstelling van den vroolijken, geelgespikkelden bezoeker ging uit naar een groote, roode bloem, vier handpalmen vóór den knobbelneus van den onbeweeglijken, groenen draak. De laatste draaide beide oogen zoo ver naar voren, dat ze uit den kop dreigden te zullen rollen, mat den afstand, opende langzaam, heel langzaam den bek.…. Padde stootte zijn vrienden aan; zijn oogen puilden haast even ver uit als die van het kameleon.….!—Het was al geschied. Een tong, haast half zoo lang als het geheele lichaam, schoot bliksemsnel naar het argelooze torretje, vloog weer terug, alsof het aan een veertje zat; toen een korte beweging van de kaak.…. Spoorloos verdwenen was de geel-zwarte bloemenvriend.Het kameleon had zich bij dat alles doodstil gehouden. En terwijl Hajo en Rolf nog verrast naar de bloem keken, waarop het torretje gezeten had, dwaalden de kleine oogjes van den geheimzinnigen sluipmoordenaar al weer rond, belust op nieuwen buit.Padde grinnikte zacht en kneep Hajo blauwe plekken.Weer een torretje! Ditmaal een goudgroen, wispelturig torretje. Het stelt zich aan, alsof het een verbazende haast heeft, vliegt van links naar rechts, strijkt overal neer—zelfs op een der knobbels op den kop van het kameleon, vliegt terstond weer[193]op, bedenkt zich, gaat weer elders zitten, vliegt toch maar weer weg. Een goed torrenkenner zal al begrepen hebben, dat het goud-glanzend heertje bij al z’n schijnbare drukte een nietsnut en een leeglooper is. Floep! Daar dwarrelt het weer rond.Geen enkel beweginkje ontgaat aan den spiedenden blik van het kameleon. Het torretje schijnt van plan, een oogenblikje te verwijlen op een zonbeschenen blad. Het tilt de dekschildjes op, spreidt de dunne vleugeltjes, die er onder zitten, een oogenblik in het zonnetje, dat er allerlei kleuren in toovert; klapt dan de dekschilden weer toe en wandelt als een deftige meneer met jaspanden in een kringetje het blad rond. Het kameleon loert. Het blad is laag, de afstand groot. Daarom heel voorzichtig een pasje terug! De lange, typische pootjes, die in slechts twee vingers uitloopen, worden een voor een omlaaggebracht. Ook de staart wordt iets verlaagd, maar oogenblikkelijk weer vastgeklemd. Ziezoo, nu schijnt de hoogte goed te zijn! De bek opent zich.…. Hoepla! De jaspanden vliegen los; het torretje snort haastig een oogenblik rond, zet zich een el hooger op een ander blad en kijkt in diepzinnige overpeinzingen naar een gaatje, door een ander torretje in het blad geboord. Het kameleon bijt zijn teleurstelling weg: een rechtschapen kameleon geeft den moed nimmer op. Getuigt zijn gansche, stilzittend bestaan niet van een rotsvast vertrouwen op zijn goed gesternte? Daarom: voorzichtig een pasje naar boven! Nog een pasje! Nog een! Het torretje bestudeert het bladopeningetje aan alle zijden, schijnt er maar half mee ingenomen, maar steekt geen hand uit om er iets aan te veranderen. Het kameleon slikt van opwinding. Zoo zou de afstand wel goed zijn! Langzaam den bek open.…. Hoepla! Het torretje besluit zich niet langer te ergeren over het slechte werk van anderen en danst weer in het rond om twee el lager opnieuw te belanden. Flits! Des kameleons oogen richten zich in de diepte. Komaan, dan maar weer naar beneden! Pasje voor pasje. Is zoo de afstand goed? Me dunkt van wel. En dus.…. In een onberispelijke spiraal zwiert het torretje, over het hoofd van het kameleon heen, tusschen de boomen weg.Grimmig, maar zonder door een enkele beweging zijn teleurstelling lucht te geven, blijft de groene roofridder zitten.[194]Aha! Daar kiemt nieuwe hoop in zijn kameleonnehart! Uit een groote bloem komt log en traag een roodzwart kevertje kruipen, zet af en snort pardoes, zonder de allergeringste gratie, in een andere bloem, geen vier duim van zijn belager af. Deze wacht met half geopenden bek op het oogenblik, dat de zespootige lummel weer voor den dag zal komen. Te drommel, dat duurt lang: hij schijnt daar in dat bloemenhart heel wat te doen te hebben!Wie zou er met meer spanning op de komst van den bloemenvorscher hebben gewacht: de jongens of het kameleon? Eindelijk, eindelijk kwam de langverbeide, likte zich de gepantserde pootjes schoon en krabbelde bedachtzaam naar buiten, ten einde een goed afzetpunt te vinden. Het kameleon maakte zijn aanstalten.….Toen zweefde langzaam een jongenshemd door de lucht en bewoog zich in de richting van ’s kameleons hals. En in hetzelfde oogenblik, dat de lange tong uitschoot en het torretje gevankelijk wegvoerde, omsloten Rolfs vingers den bandiet vlak achter den driehoekigen kop. Het dier stiet een schor geluid uit. En, tot Padde en Hajo’s grenzelooze verbazing.…. veranderde het van kleur! De blauwbruine vlekkenband langs de zijden van het lichaam verbleekte tot een blauwig wit; de blauwe keelzak en de mondranden werden citroengeel!Maar Rolf liet zich niet afschrikken. Hij had met de linkerhand het achterlichaam gepakt en trachtte het dier van den tak te lichten. „Drommels”, zei Rolf, „hij houdt zich stevig vast! We zullen hem met tak en al moeten meenemen!”Hajo wierp zich op de knieën en sneed met zijn zakmes den tak af.„Prachtig!” zei Rolf. „Maar hoe krijgen we hem nu op het schip?”„Hier!” zei Padde ijverig. En hij trok zijn hemd uit. „Daar stoppen we hem in!”„Hij moet mee naar Holland!” riep Hajo opgewonden. „Dan kan hij vliegen vangen; daar zit de kamer bij ons ’s zomers vol van!”„We zullen hem straks eerst eens aan Vader Langjas laten[195]zien”, zei Rolf vroolijk. „’t Is een kameleon, maar ik ben benieuwd wat voor een soort!”„Wou je z’n heele familie weer weten?” vroeg Padde.Rolf lachte. „Heb je ’m zien verkleuren, toen ik hem pakte?”„Ja!” zei Hajo. „Hoe kwam dat?”„Als jij me het zegt, weet ik het ook! Kom, laten we onze eieren maar eens gaan oppeuzelen! We hebben er twee dozijn. Eerst gaan we ze koken. In de heete bron!”„Ja!”Hajo vlocht met zijn handige vingers een netje uit ’n paar lange, smalle bladeren, deed er de eieren in, knoopte het netje boven dicht, liet het in ’t water zakken en stak onder den knoop een takje, dat hij in den wal vastduwde. Ziezoo, nu maar afwachten.In den tijd, dat Rolf en Padde aan den oever lagen, in afwachting dat de eieren hard zouden worden, had Hajo een nieuw avontuur. Terwijl hij, onvermoeid speurder als hij was, zoekend in de boomen loerde, viel zijn blik op een witte streep vuil, hoog tegen een stam. Onze vriend zou Peter Hajo niet zijn, als hij niet terstond begrepen had, dat zich daarboven een nest moest bevinden. Daar ontdekte hij het al: een meer dan vuist-groote holte in den stam. Een spechtennest kon het niet zijn; daar was het gat te groot voor. Zie! daar verscheen voor de opening een kop met krommen snavel; een papegaai kroop naar buiten en vloog weg.Twee papegaaienkuikens.Tien tellen later zat Hajo in den boom en loerde vol spanning in de holte. Daar doken in het halfdonker broederlijk bijeen twee zeldzaam leelijke mormels, de zwarte kop en snavel onevenredig groot tegenover het droevig-kale lichaampje. Zonder aarzelen pakte Hajo er een beet, waarbij zijn vingers in vrij onzachte aanraking kwamen met den snavel; hij trok zijn gevangene naar het daglicht en daalde er mee omlaag. „Die zullen we eens netjes grootbrengen, jongens!”De knapen uitten hun verbazing over een zóó leelijken jongen vogel. „Zou hij al voedsel nemen?”[196]„Voedsel nemen? M’n duim er bij, als ik niet oppas!—Kom maar eens hier, ouwe jongen!” En met paaien en zoete woordjes wist Hajo den naakten kromsnavel een stuk banaan in den bek te duwen.„Wat zal Gerrit blij zijn met z’n gezelschap!” meende Hajo.„En ik zal hem wel leeren praten!” beloofde Padde.Rolf vischte de eieren op. Ze waren nog wel niet geheel gekookt, maar smaakten best. Alleen het zout ontbrak.Het werd tijd om terug te gaan. Zoo togen de jongens weer op weg, plasten opgewonden babbelend plannen smedend voor de opvoeding van hun papegaai, langs het heldere riviertje. Tegen de schemering kwamen ze weer bij het kamp. Men was druk aan het braden en bakken.„Waar is Vader Langjas?” vroeg Rolf.„Blommetjes plukken! Allemachies, moet dat een papegaai worden? Hein, kom eens kijken! Wat een rare, kale sallemander! Wat zit er in dat hemd?”„’n Beest met zóó’n tong!” grinnikte Padde. „Als je hem knijpt, wordt ie geel van sagrijn!”„Laat kijken?”„Op je gezicht”, zei Padde. „Als hij wegloopt, zijn we hem kwijt.”Vader Langjas was bezig met het onderzoeken van plantjes en bloemetjes. Hij had de gewoonte om in elk vreemd land uit onbekende kruiden drankjes te brouwen, die hij met ware doodsverachting het eerst aan eigen lijf beproefde: als hij zich een enkele maal ziek voelde, beschouwde hij het als een eerezaak om uitsluitend door middel van nieuwe, zelfbedachte medicijnen te genezen. Daardoor was hij gewoonlijk tweemaal zoo lang ziek als een ander, maar dat had hij voor de goede zaak over: Vader Langjas koesterde de stille hoop, nog eens wereldberoemd te zullen worden door het ontdekken van een drankje, dat alle kwalen kon genezen. Edoch, groote geleerden vinden zelden het vertrouwen, dat ze verdienen: als onze ijverige barbier van zijn onderzoekingen weer aan boord terugkeerde, toonden de maats zich huiverig de medicijnen te slikken, die Vader Langjas hun met een stortvloed van aanbevelingen ter hand stelde. „Ik heb het immers zèlf geprobeerd!” klaagde[197]Vader Langjas, verdrietig onder het weinige vertrouwen, dat hij ontmoette. En dan dronken de maats uit medelijden het fleschje maar leeg.„Wel, vriendjes”, zei Vader Langjas, terwijl hij zich oprichtte en zijn bril recht zette, „jullie komt juist gelegen! Ben je bang voor spinnen?”„Wie is er nou bang voor een spinnetje?” vroeg Padde.„Kom dan eens mee!” noodigde de barbier uit. „Och, wat heb je daar een aardig beestje, Hajo. Zeker ’n grijze roodstaart?”„’t Stomme dier heeft nog geen veer op z’n lijf!” smaalde Padde.„Maar hebben jullie de ouden dan niet gezien?”„De eenepapegaaiis groen, en de andere rood, net naar ’t uitvalt!” verzekerde Padde. „Onze buren—weet je wel, Hajo?—hebben een witte poes, en de jongen ervan, van de poes, zijn rood met zwarte vlekken. En de keeshond van Dobbes, de slager? Z’n vader was een bullenbijter en z’n jonkies zijn pukkies met dassenpooten. Waar, Hajo?”„Ja, ’t is waar”, gaf Hajo aarzelend toe.Vader Langjas schudde het hoofd over Padde’s beweringen, die hij niet kon weerleggen. „Dat is heel wat anders”, meende hij.„Neen, dat is precies hetzelfde”, zei Padde.„Kom!” stelde Hajo voor, „laten we nou eens naar de spin gaan kijken.”„Ga maar mee”, zuchtte de barbier. „Ik heb er mijn hoed voorloopig even op gelegd, want ik wilde hem liever door een van jullie laten pakken. Ik wil wel bekennen, dat ik er wat huiverig voor was. ’t Is een groote, hoor! Denk er om!”„Ik durf een hooiwagen over m’n tong te laten loopen!” blufte Padde.„Nu, je moet het zelf weten”, zei de barbier. „Hier zit hij, onder m’n hoed.”—Vader Langjas’ hoofddeksel was rondom met steenen bezwaard; de barbier scheen zijn gevangene voor een gevaarlijk uitbreker te houden!Padde legde de steenen terzijde. „Ik zal hem maar met m’n linkerhand pakken”, zei hij, „want m’n rechter is nog altijd dik van die smerige wesp!”[198]„Doe dat, kereltje. Maar denk er om, hoor: voorzichtig!”Padde lichtte een tipje van den hoed op, schoof er bedachtzaam zijn hand onder, tastte rond in den bol. Maar plotseling kregen zijn oogen een uitdrukking van hoogste ontzetting, en met een hartverscheurenden kreet trok Padde zijn hand terug. Aan zijn pink bengelde een harig monster met een rossig lichaam, zoo groot als een kippen-ei. Vol afschuw slingerde Padde het beest van zijn pink en stak toen haastig dit lichaamsdeel in zijn mond.„Ja-ja”, zei Vader Langjas verschrikt, „daar vreesde ik al voor! Die vogelspinnen hebben leelijke wapens! Ga mee, dan zullen we er een zalfje op smeren.”„Knap jij met je spinnen en je zalfjes!” voer Padde uit, verachtend alle wetten van tucht.„Maar kereltje”, zei de deftige barbier, verlegen zijn bril recht zettend, „ik heb je toch te voren gezegd, dat het een groote spin was? Ik vond haar, terwijl ze bezig was, dit arme vogeltje te dooden.” Vader Langjas tilde zijn hoed op en toonde een mooi, blauw vogeltje, dat met uitgestrekte pootjes en bebloed borstje in het gras lag.Een paar maats waren op Padde’s gegil komen aanloopen. „Wat is er?”„Ze hebben m’n pink afgebeten!” jammerde Padde. „Dat heeft hij me gelapt!”De maats keken verbaasd naar Vader Langjas, die bleek en rood tegelijk werd en met zijn bedeesde houding weinig van een menscheneter had. „Laat kijken je pink?” vroegen ze Padde, die het „afgebeten” lichaamsdeel nog altijd in z’n mond hield.„Die pink is van mij!” zei Padde. „En niet van jou.”„De pink is niet afgebeten!” stamelde Vader Langjas. „Het is een onschuldige beet. De spin is niet giftig; het is er een van de familie.….”„Knap jij met je heele familie, pillendraaier!” schreeuwde Padde. En hij ging heen, met sprakelooze verbazing nagekeken door de oomes. Tien pas verder vond Padde het noodig, zich nog eens om te draaien, de borst in de lucht, en te schreeuwen: „Akelige giftmenger! Ik zal je nog wel er eens vinden! Denk[199]er maar om, dat ik jou ditmaal óók van te voren gewaarschuwd heb!” En Padde verdween tusschen het geboomte.„’n Zonderling karakter”, stamelde Vader Langjas.Rolf kon zijn vroolijkheid niet onderdrukken. „Laat hem maar loopen, Vader Langjas! En kijkt u maar liever eens wat ik hier heb!” Rolf knoopte behoedzaam het hemd los.De barbier boog zich en gluurde door de opening. Wat hij zag, deed hem al zijn zorgen weer vergeten. Blij als een kind, riep hij uit: „’n Panterkameleon! We zullen hem op brandewijn zetten!”De maats sloegen bijkans tegen den grond. „Groote Griebus!” verzuchtte een kleine, magere maat met een neus, die meer van een biet dan van een waskaars had. „Op brandewijn?! Ik wou, dat ik óók een kammelejon was!”Chameleon.[200]

De volgende dag bracht tal van avonturen.

’s Morgens namen onze vrienden een heerlijk verfrisschend zeebad. Poedelnaakt dansten ze de zware rollers te gemoet, die in forsche wenteling tegen het strand opliepen, wierpen zich in de holte van zoo’n ombollende golf, schoten er fiksch onderdoor en kwamen met druipende haren weer boven, als ze nog juist den tijd hadden, adem te scheppen voor het onderduiken in een nieuwe golf, die met hoog opgerichten kop, als een menner, de voorgaande voor zich heen joeg.

En toen de knapen uitgeplast en uitgedanst waren, ploften ze in het mulle zand neer, lieten zich door de zon drogen en bruinbakken en maakten berekeningen omtrent den duur van de verdere reis. „Over een half jaar zijn we er”, schatte Hajo.

„Over drie maanden”, meende Rolf.

Padde echter sprong onverwachts overeind en staarde Hajo en Rolf met groote oogen aan. „’n Aardbeving!” stamelde hij.

„’n Wat??”

„’n Aardbeving! Ik heb duidelijk gevoeld, dat de grond onder me bewoog!”

„’t Zal wel verbeelding zijn geweest, Padde.”

„Dan is m’n neus ook verbeelding!” Alles behalve overtuigd vleide Padde zich weer neer. „Hoelang de reis nog duurt?” vroeg hij na eenig zwijgen. „Ik denk.….” Maar wederom wipte hij, zoo mogelijk nog sneller dan daareven, overeind, en staarde met groote oogen naar de plek, waar hij gelegen had. Daar vond iets allermerkwaardigst plaats: het zand spleet, brokkelde en.…. een klein, vaalzwart kopje kwam om een hoekje kijken! Een paar zwarte, stompe liliputterpootjes werkten het zand verder op zij en daarna vertoonde zich.….[187]

„’n Jonge zeeschildpad!” riep Rolf.

Het was een alleraardigst beestje: niet veel grooter dan een okkernoot, en het schildje was nog geheel week. Hulpeloos zwaaiend met de logge, kleine zwempootjes, draaide het al maar het stompe kopje met de twee glinsterende, wereldwijze kraal-oogjes en het gerimpelde, magere, leerachtige oudemannetjeshalsje, als wilde het dat van het lichaampje afschroeven.

Kijk, daar kwam nog een kopje uit het zand gluren! En nòg een! De jongens wierpen het nest (wat zou het anders zijn?) open. Neen maar, hetkrioeldevan die beestjes!

„Ik neem er ’n paar mee naar Holland!” riep Hajo.

„Laten we ze eens tellen”, stelde Rolf voor. Zoo deden de knapen en kwamen tot honderd-en-dertig eieren en acht-en-twintig jonge schildpadjes, half of geheel uit het ei. „Je hadt nog wat moeten blijven zitten, Padde!” vond Rolf. „De helft is nog niet uitgebroed!”

„Ja-ha!” grinnikte Padde. „Maar als ik nou later in Holland vertel, dat ik schildpadden heb uitgebroeid, moet je niet denken, dat iemand er een woord van gelooft!”

„Dat is dan ook niet heelemaal waar”, zei Rolf. „Je hebt de zon alleen maar wat geholpen.”

Padde keek verbaasd op. „De zon?!”

„Wie dacht je dan, dat ze zou uitbroeden? De ouden laten zich aan de eieren niets gelegen liggen! Ze graven een gat, leggen daar de eieren in, krabben het dan dicht en verdwijnen weer in het water. De zon moet de rest maar doen!”

„Hela! Wat gaan daar voor beesten!” riep Hajo uit, terwijl hij op een viertal lompe, grauw-grijze vogels duidde, die zich log in de schaduw der boomen voortbewogen. Ze hadden kleine vleugeltjes, waarmee ze zich onmogelijk van den grond zouden kunnen verheffen, en zulke korte pootjes, dat hun vette buik haast over het zand sleepte. De jongens sprongen op en snelden er heen. Zonder veel moeite vingen ze er een; de andere vogels maakten zich schommelend uit de voeten. Hajo omklemde met beide handen den ongemeen zwaren en krachtigen snavel, waarmee het dier hoogstwaarschijnlijk geducht zou kunnen hakken.[188]

„’n Zwaan!” meende Padde.

„Dat kan niet”, zei Rolf. „Dit dier heeft geen zwemvliezen.”

„’n Zwaan zeker wèl!” merkte Padde op.

„Ja, natuurlijk!” lachte Rolf.

Het dier werd nauwlettend bekeken. Het lichaam was belangrijk grooter dan dat van een zwaan, dik en rond en getooid met een onnoozel klein staartje, dat, evenals de hulpelooze vleugels, een geelgrijze kleur had. De bovensnavel was voor een groot deel met een gerimpelde huid overtrokken en eindigde in een haakvormige punt. De korte, sterke pooten liepen in vier teenen uit; het dier had een krop, en het merkwaardigste was wel een groote huidplooi om den kop, waarin het bijkans den heelen snavel kon terugtrekken.1

„We gaan er mee naar de barbier!” besliste Rolf. En met vereende krachten en de noodige voorzichtigheid (vanwege den geduchten snavel!) werd de zware vogel opgetild en vervoerd.

„’n Dodo”, zei Vader Langjas.

En toen stelde Rolf een vraag, welke Padde in hoogste verbazing bracht: „Tot welkefamiliezou hij behooren?”

Dodo.

„Ik ken ’n achternichie van hem!” grinnikte Padde. „De lamme houtduif van Geert Oliekoek! Die heeft óók een krop!”2

Een paar maats waren naderbij gekomen. Zij kenden slechts twee families in de dierenwereld. De eerste familie was die welke je opeten kon, de tweede die, „waar geen smaak aan was”, en des dodo’s ongelukkig gesternte deelde hem bij de eerste familie in.[189]

Een paar uur later draaide hij, geplukt en schoongemaakt, aan het spit.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

De helft der maats trok dien morgen op onderzoekingstochten uit. En ook onze vrienden besloten, het land wat verder binnen te dringen. De zonnewijzer, die den vorigen dag op het strand was aangebracht, wees nog geen acht uur, toen het wakkere drietal er op uit toog. Ze besloten het riviertje stroomopwaarts te volgen, liepen mannetje na mannetje langs den smallen oever. Het lage gewas aan den oever ging over in hooge en dichte bamboebosschen; steeds weelderiger werd het woud en steeds donkerder; lianen, tot onuitwarbare netten verstrikt, versperden veelal den weg; de onderste einden slierden in het snel stroomende water.

Eenmaal gingen de knapen door een lange loofpoort.

De lucht was er heet en vochtig en ademde den zoeten geur vanduizendenorchideeën, welker stille pracht bedwelmde. Zwijgend gingen de jongens een oogenblik zitten. Het water dampte. Als een eeuwenoud vertelsel, nog door geen menschelijk oor opgevangen, klonk het plassen van het water tegen de groote, blauw-grijze bergsteenen; een enkele maal schoot het er ruischend overheen; dan was het, alsof de koning uit het verhaaltje zijn stem deed hooren. De planten, de boomen en bloemen luisterden er naar, bogen zich ver over tot het stroompje, om elk gefluisterd woord op te vangen. Waterplanten lieten zich mijmerend wiegen; hun groote, witte bloemen glansden als het gelaat van bleeke, booze prinsessen.….

Verder maar weer! De knapen wrongen zich door lianen, waadden plassend in het heldere water. Stil werd het woud, beangstigend stil, als dat behekste woud, dat duizend jaar lang zwijgen moest, omdat een doode tak in ’t vallen de koningin der elfen had verpletterd. „Hier ben ik!” zong het stroompje forsch en jubelend van overmoed, nu het zijn stem zoo luid en klaar weergalmen hoorde in de stilte. „Wie dorstig is, hij kome en lave zich aan mij! Ik kom van ver, ik ga naar ver, ik heb geen rust, geen rust.…. Weg, domme steenen, die uit ijverzucht, dat jullie niet onsterfelijk bent en vrij als ik, mijn weg versperren wilt! Och, arme, goede boomen, die gedoemd bent om te[190]sterven, waar je bent ontstaan, och, hoe beklaag ik jullie!—Vriendelijk-stille bladeren, en jullie, reine, smettelooze bloemen, die met open kelken luistert naar mijn avonturen, kom, stort je in mijn armen! Ik zal je voeren ver van hier, heel ver.….”

Hajo voelde, hoe het bloed hem sneller door de aderen joeg. Een teugellooze drang tot trekken en avonturen ontwaakte in hem.

Een enkele maal kwamen de jongens bij een open plek; dan lichtte hun een ongekende bloemenweelde tegen. Kleurige vlinders ter grootte van een hand en tallooze bonte vogeltjes fladderden in en om de verlokkende kelken. En vóór hen schemerden, tusschen het geboomte door, diep-paarse bergen.

De knapen voelden het aan hun beenen, dat ze den ganschen weg gestegen hadden. Bij een dwarsbeekje gekomen, besloten ze dat te volgen. Ze kropen tusschen stammen en boomvarens,—stonden onverwachts voor een grooten vijver, waarboven een dichte damp hing.

„’n Heete bron!” riep Rolf uit.

„Heet??” vroegen Hajo en Padde en staken hun hand in het water. Maar terstond trokken ze hun vingers er weer uit. „Het is kokend!”

„Komt dat zoo maar uit de grond?” vroeg Padde wantrouwend.

„Dat moet wel”, zei Hajo. „Nergens stroomt iets binnen, en daar aan de overkant voert de vijver tòch water af.”

„De bodem is hier vulkanisch”, verklaarde Rolf. „Daarom is het water zoo heet.”

„Vulkanisch?? Wat beteekent dat?”

„Dat beteekent, dat, als je hier graaft, je ten slotte op vuur zou stuiten.”

Padde werd wit om zijn neus. „Maar dan staan we hier.…. boven de hel!!”

„Ja”, zei Rolf, „pas maar op, dat je er niet in valt.”

„Dan ben je in een ommezientje gekookte kreeft!” verzekerde Hajo met een vroolijkheid, die hij alleen aan Rolfs kalmte ontleende.

„Zullen we hier maar liever niet weer weggaan?” vroeg Padde.[191]

„Laten we eerst eens wat eieren zien machtig te worden!” stelde Rolf voor. „Ik val om van den honger. Jullie niet? En nesten zullen hier genoeg zijn.”

In eens voelde Padde ook zijn maag. Zuchtend gaf hij toe.

De jongens liepen den vijver eens rond, en al spoedig ontdekte Hajo’s jagersoog enkele duivennesten. Hij klom er bij en keerde, na driemaal op een nest met jongen te zijn gestuit, terug met twee witte eitjes, die tegen het licht bekeken en versch bevonden werden.

Hajo zat alweer in een anderen boom. Ditmaal was hij nog gelukkiger. In drie nesten lagen schoone eieren; hij vond bovendien nog een vierde nest, waarvan hij de eieren liet liggen, omdat ze, toen hij ze in de half gesloten hand tegen het licht hield, bebroed bleken. De schoone borg hij op—in iederen zak een, en vier in z’n mond—en kwam met bolle wangen beneden aan. Intusschen had ook Rolf een paar nesten ontdekt en ontpopte zich nu als een goed klauteraar. Padde bood aan, de wacht bij de eieren te houden, terwijl Hajo en Rolf zochten.

„Natuurlijk! Laat Padde maar op de eieren passen!” riep Rolf van boven. „Maar ga er niet op zitten, Padde, anders krioelt het straks van jonge duifjes, net als bij die schildpadjes vanmorgen!”

Toen enkele oogenblikken later Rolf en Hajo met hun buit op den grond belandden, zagen ze Padde een eindje verder met den rug naar hen toe door het loof gluren, zich voorzichtig omwenden en de vingers op de lippen leggen. Ze slopen naar hem toe en ontdekten, na eenig vergeefsch turen in de door Padde aangeduide richting, een merkwaardig, hagedisachtig beest, dat zijn ronden, dikken staart stevig om een tak gekneld hield en door zijn donkergroene kleur bijkans niet van zijn omgeving te onderscheiden was. De groote, kantige kop hing met een scherpen hoek, als ware het een helm, over een dunnen, verschrompelden hals. Een blauwe, met donkerbruine puntjes bespikkelde keelzak hing als een baard onder kin en hals. Langs het krachtige lichaam, dat door een hoogen, gekartelden kam iets draakachtigs had, liep een band van roodbruine vlekken. De oogen van dit armlange beest puilden sterk uit, waren[192]geheel, op de pupil na, overtrokken met een prachtig rood en groen ooglid, en loerden, ganschelijk en onafhankelijk van elkaar, rusteloos rond. Voor op den neus prijkten twee hoorn-achtige knobbels.

Doodstilzat het dier. Behalve de oogen was er niets, dat bewoog.

„Wacht maar eens!” fluisterde Padde. „Dan zul je lachen!”

En de vrienden wachtten met haast evenveel geduld als het kameleon—want dat was het dier natuurlijk, dat Padde’s belangstelling had gaande gemaakt.

Daar kwam een kleine kever aanzoemen. Zwart, met gele sterretjes op de schilden. Hij danste lustig snorrend in het rond, kietelde Hajo eens onder de kin, bracht daarna een bezoek aan het kameleon. Dat wil zeggen: hij zag het heele kameleon niet; noch merkte hij er iets van, hoe twee boosaardige, rooflustige oogen al zijn bewegingen bespiedden. Heel de belangstelling van den vroolijken, geelgespikkelden bezoeker ging uit naar een groote, roode bloem, vier handpalmen vóór den knobbelneus van den onbeweeglijken, groenen draak. De laatste draaide beide oogen zoo ver naar voren, dat ze uit den kop dreigden te zullen rollen, mat den afstand, opende langzaam, heel langzaam den bek.…. Padde stootte zijn vrienden aan; zijn oogen puilden haast even ver uit als die van het kameleon.….!—Het was al geschied. Een tong, haast half zoo lang als het geheele lichaam, schoot bliksemsnel naar het argelooze torretje, vloog weer terug, alsof het aan een veertje zat; toen een korte beweging van de kaak.…. Spoorloos verdwenen was de geel-zwarte bloemenvriend.

Het kameleon had zich bij dat alles doodstil gehouden. En terwijl Hajo en Rolf nog verrast naar de bloem keken, waarop het torretje gezeten had, dwaalden de kleine oogjes van den geheimzinnigen sluipmoordenaar al weer rond, belust op nieuwen buit.

Padde grinnikte zacht en kneep Hajo blauwe plekken.

Weer een torretje! Ditmaal een goudgroen, wispelturig torretje. Het stelt zich aan, alsof het een verbazende haast heeft, vliegt van links naar rechts, strijkt overal neer—zelfs op een der knobbels op den kop van het kameleon, vliegt terstond weer[193]op, bedenkt zich, gaat weer elders zitten, vliegt toch maar weer weg. Een goed torrenkenner zal al begrepen hebben, dat het goud-glanzend heertje bij al z’n schijnbare drukte een nietsnut en een leeglooper is. Floep! Daar dwarrelt het weer rond.

Geen enkel beweginkje ontgaat aan den spiedenden blik van het kameleon. Het torretje schijnt van plan, een oogenblikje te verwijlen op een zonbeschenen blad. Het tilt de dekschildjes op, spreidt de dunne vleugeltjes, die er onder zitten, een oogenblik in het zonnetje, dat er allerlei kleuren in toovert; klapt dan de dekschilden weer toe en wandelt als een deftige meneer met jaspanden in een kringetje het blad rond. Het kameleon loert. Het blad is laag, de afstand groot. Daarom heel voorzichtig een pasje terug! De lange, typische pootjes, die in slechts twee vingers uitloopen, worden een voor een omlaaggebracht. Ook de staart wordt iets verlaagd, maar oogenblikkelijk weer vastgeklemd. Ziezoo, nu schijnt de hoogte goed te zijn! De bek opent zich.…. Hoepla! De jaspanden vliegen los; het torretje snort haastig een oogenblik rond, zet zich een el hooger op een ander blad en kijkt in diepzinnige overpeinzingen naar een gaatje, door een ander torretje in het blad geboord. Het kameleon bijt zijn teleurstelling weg: een rechtschapen kameleon geeft den moed nimmer op. Getuigt zijn gansche, stilzittend bestaan niet van een rotsvast vertrouwen op zijn goed gesternte? Daarom: voorzichtig een pasje naar boven! Nog een pasje! Nog een! Het torretje bestudeert het bladopeningetje aan alle zijden, schijnt er maar half mee ingenomen, maar steekt geen hand uit om er iets aan te veranderen. Het kameleon slikt van opwinding. Zoo zou de afstand wel goed zijn! Langzaam den bek open.…. Hoepla! Het torretje besluit zich niet langer te ergeren over het slechte werk van anderen en danst weer in het rond om twee el lager opnieuw te belanden. Flits! Des kameleons oogen richten zich in de diepte. Komaan, dan maar weer naar beneden! Pasje voor pasje. Is zoo de afstand goed? Me dunkt van wel. En dus.…. In een onberispelijke spiraal zwiert het torretje, over het hoofd van het kameleon heen, tusschen de boomen weg.

Grimmig, maar zonder door een enkele beweging zijn teleurstelling lucht te geven, blijft de groene roofridder zitten.[194]Aha! Daar kiemt nieuwe hoop in zijn kameleonnehart! Uit een groote bloem komt log en traag een roodzwart kevertje kruipen, zet af en snort pardoes, zonder de allergeringste gratie, in een andere bloem, geen vier duim van zijn belager af. Deze wacht met half geopenden bek op het oogenblik, dat de zespootige lummel weer voor den dag zal komen. Te drommel, dat duurt lang: hij schijnt daar in dat bloemenhart heel wat te doen te hebben!

Wie zou er met meer spanning op de komst van den bloemenvorscher hebben gewacht: de jongens of het kameleon? Eindelijk, eindelijk kwam de langverbeide, likte zich de gepantserde pootjes schoon en krabbelde bedachtzaam naar buiten, ten einde een goed afzetpunt te vinden. Het kameleon maakte zijn aanstalten.….

Toen zweefde langzaam een jongenshemd door de lucht en bewoog zich in de richting van ’s kameleons hals. En in hetzelfde oogenblik, dat de lange tong uitschoot en het torretje gevankelijk wegvoerde, omsloten Rolfs vingers den bandiet vlak achter den driehoekigen kop. Het dier stiet een schor geluid uit. En, tot Padde en Hajo’s grenzelooze verbazing.…. veranderde het van kleur! De blauwbruine vlekkenband langs de zijden van het lichaam verbleekte tot een blauwig wit; de blauwe keelzak en de mondranden werden citroengeel!

Maar Rolf liet zich niet afschrikken. Hij had met de linkerhand het achterlichaam gepakt en trachtte het dier van den tak te lichten. „Drommels”, zei Rolf, „hij houdt zich stevig vast! We zullen hem met tak en al moeten meenemen!”

Hajo wierp zich op de knieën en sneed met zijn zakmes den tak af.

„Prachtig!” zei Rolf. „Maar hoe krijgen we hem nu op het schip?”

„Hier!” zei Padde ijverig. En hij trok zijn hemd uit. „Daar stoppen we hem in!”

„Hij moet mee naar Holland!” riep Hajo opgewonden. „Dan kan hij vliegen vangen; daar zit de kamer bij ons ’s zomers vol van!”

„We zullen hem straks eerst eens aan Vader Langjas laten[195]zien”, zei Rolf vroolijk. „’t Is een kameleon, maar ik ben benieuwd wat voor een soort!”

„Wou je z’n heele familie weer weten?” vroeg Padde.

Rolf lachte. „Heb je ’m zien verkleuren, toen ik hem pakte?”

„Ja!” zei Hajo. „Hoe kwam dat?”

„Als jij me het zegt, weet ik het ook! Kom, laten we onze eieren maar eens gaan oppeuzelen! We hebben er twee dozijn. Eerst gaan we ze koken. In de heete bron!”

„Ja!”

Hajo vlocht met zijn handige vingers een netje uit ’n paar lange, smalle bladeren, deed er de eieren in, knoopte het netje boven dicht, liet het in ’t water zakken en stak onder den knoop een takje, dat hij in den wal vastduwde. Ziezoo, nu maar afwachten.

In den tijd, dat Rolf en Padde aan den oever lagen, in afwachting dat de eieren hard zouden worden, had Hajo een nieuw avontuur. Terwijl hij, onvermoeid speurder als hij was, zoekend in de boomen loerde, viel zijn blik op een witte streep vuil, hoog tegen een stam. Onze vriend zou Peter Hajo niet zijn, als hij niet terstond begrepen had, dat zich daarboven een nest moest bevinden. Daar ontdekte hij het al: een meer dan vuist-groote holte in den stam. Een spechtennest kon het niet zijn; daar was het gat te groot voor. Zie! daar verscheen voor de opening een kop met krommen snavel; een papegaai kroop naar buiten en vloog weg.

Twee papegaaienkuikens.

Tien tellen later zat Hajo in den boom en loerde vol spanning in de holte. Daar doken in het halfdonker broederlijk bijeen twee zeldzaam leelijke mormels, de zwarte kop en snavel onevenredig groot tegenover het droevig-kale lichaampje. Zonder aarzelen pakte Hajo er een beet, waarbij zijn vingers in vrij onzachte aanraking kwamen met den snavel; hij trok zijn gevangene naar het daglicht en daalde er mee omlaag. „Die zullen we eens netjes grootbrengen, jongens!”

De knapen uitten hun verbazing over een zóó leelijken jongen vogel. „Zou hij al voedsel nemen?”[196]

„Voedsel nemen? M’n duim er bij, als ik niet oppas!—Kom maar eens hier, ouwe jongen!” En met paaien en zoete woordjes wist Hajo den naakten kromsnavel een stuk banaan in den bek te duwen.

„Wat zal Gerrit blij zijn met z’n gezelschap!” meende Hajo.

„En ik zal hem wel leeren praten!” beloofde Padde.

Rolf vischte de eieren op. Ze waren nog wel niet geheel gekookt, maar smaakten best. Alleen het zout ontbrak.

Het werd tijd om terug te gaan. Zoo togen de jongens weer op weg, plasten opgewonden babbelend plannen smedend voor de opvoeding van hun papegaai, langs het heldere riviertje. Tegen de schemering kwamen ze weer bij het kamp. Men was druk aan het braden en bakken.

„Waar is Vader Langjas?” vroeg Rolf.

„Blommetjes plukken! Allemachies, moet dat een papegaai worden? Hein, kom eens kijken! Wat een rare, kale sallemander! Wat zit er in dat hemd?”

„’n Beest met zóó’n tong!” grinnikte Padde. „Als je hem knijpt, wordt ie geel van sagrijn!”

„Laat kijken?”

„Op je gezicht”, zei Padde. „Als hij wegloopt, zijn we hem kwijt.”

Vader Langjas was bezig met het onderzoeken van plantjes en bloemetjes. Hij had de gewoonte om in elk vreemd land uit onbekende kruiden drankjes te brouwen, die hij met ware doodsverachting het eerst aan eigen lijf beproefde: als hij zich een enkele maal ziek voelde, beschouwde hij het als een eerezaak om uitsluitend door middel van nieuwe, zelfbedachte medicijnen te genezen. Daardoor was hij gewoonlijk tweemaal zoo lang ziek als een ander, maar dat had hij voor de goede zaak over: Vader Langjas koesterde de stille hoop, nog eens wereldberoemd te zullen worden door het ontdekken van een drankje, dat alle kwalen kon genezen. Edoch, groote geleerden vinden zelden het vertrouwen, dat ze verdienen: als onze ijverige barbier van zijn onderzoekingen weer aan boord terugkeerde, toonden de maats zich huiverig de medicijnen te slikken, die Vader Langjas hun met een stortvloed van aanbevelingen ter hand stelde. „Ik heb het immers zèlf geprobeerd!” klaagde[197]Vader Langjas, verdrietig onder het weinige vertrouwen, dat hij ontmoette. En dan dronken de maats uit medelijden het fleschje maar leeg.

„Wel, vriendjes”, zei Vader Langjas, terwijl hij zich oprichtte en zijn bril recht zette, „jullie komt juist gelegen! Ben je bang voor spinnen?”

„Wie is er nou bang voor een spinnetje?” vroeg Padde.

„Kom dan eens mee!” noodigde de barbier uit. „Och, wat heb je daar een aardig beestje, Hajo. Zeker ’n grijze roodstaart?”

„’t Stomme dier heeft nog geen veer op z’n lijf!” smaalde Padde.

„Maar hebben jullie de ouden dan niet gezien?”

„De eenepapegaaiis groen, en de andere rood, net naar ’t uitvalt!” verzekerde Padde. „Onze buren—weet je wel, Hajo?—hebben een witte poes, en de jongen ervan, van de poes, zijn rood met zwarte vlekken. En de keeshond van Dobbes, de slager? Z’n vader was een bullenbijter en z’n jonkies zijn pukkies met dassenpooten. Waar, Hajo?”

„Ja, ’t is waar”, gaf Hajo aarzelend toe.

Vader Langjas schudde het hoofd over Padde’s beweringen, die hij niet kon weerleggen. „Dat is heel wat anders”, meende hij.

„Neen, dat is precies hetzelfde”, zei Padde.

„Kom!” stelde Hajo voor, „laten we nou eens naar de spin gaan kijken.”

„Ga maar mee”, zuchtte de barbier. „Ik heb er mijn hoed voorloopig even op gelegd, want ik wilde hem liever door een van jullie laten pakken. Ik wil wel bekennen, dat ik er wat huiverig voor was. ’t Is een groote, hoor! Denk er om!”

„Ik durf een hooiwagen over m’n tong te laten loopen!” blufte Padde.

„Nu, je moet het zelf weten”, zei de barbier. „Hier zit hij, onder m’n hoed.”—Vader Langjas’ hoofddeksel was rondom met steenen bezwaard; de barbier scheen zijn gevangene voor een gevaarlijk uitbreker te houden!

Padde legde de steenen terzijde. „Ik zal hem maar met m’n linkerhand pakken”, zei hij, „want m’n rechter is nog altijd dik van die smerige wesp!”[198]

„Doe dat, kereltje. Maar denk er om, hoor: voorzichtig!”

Padde lichtte een tipje van den hoed op, schoof er bedachtzaam zijn hand onder, tastte rond in den bol. Maar plotseling kregen zijn oogen een uitdrukking van hoogste ontzetting, en met een hartverscheurenden kreet trok Padde zijn hand terug. Aan zijn pink bengelde een harig monster met een rossig lichaam, zoo groot als een kippen-ei. Vol afschuw slingerde Padde het beest van zijn pink en stak toen haastig dit lichaamsdeel in zijn mond.

„Ja-ja”, zei Vader Langjas verschrikt, „daar vreesde ik al voor! Die vogelspinnen hebben leelijke wapens! Ga mee, dan zullen we er een zalfje op smeren.”

„Knap jij met je spinnen en je zalfjes!” voer Padde uit, verachtend alle wetten van tucht.

„Maar kereltje”, zei de deftige barbier, verlegen zijn bril recht zettend, „ik heb je toch te voren gezegd, dat het een groote spin was? Ik vond haar, terwijl ze bezig was, dit arme vogeltje te dooden.” Vader Langjas tilde zijn hoed op en toonde een mooi, blauw vogeltje, dat met uitgestrekte pootjes en bebloed borstje in het gras lag.

Een paar maats waren op Padde’s gegil komen aanloopen. „Wat is er?”

„Ze hebben m’n pink afgebeten!” jammerde Padde. „Dat heeft hij me gelapt!”

De maats keken verbaasd naar Vader Langjas, die bleek en rood tegelijk werd en met zijn bedeesde houding weinig van een menscheneter had. „Laat kijken je pink?” vroegen ze Padde, die het „afgebeten” lichaamsdeel nog altijd in z’n mond hield.

„Die pink is van mij!” zei Padde. „En niet van jou.”

„De pink is niet afgebeten!” stamelde Vader Langjas. „Het is een onschuldige beet. De spin is niet giftig; het is er een van de familie.….”

„Knap jij met je heele familie, pillendraaier!” schreeuwde Padde. En hij ging heen, met sprakelooze verbazing nagekeken door de oomes. Tien pas verder vond Padde het noodig, zich nog eens om te draaien, de borst in de lucht, en te schreeuwen: „Akelige giftmenger! Ik zal je nog wel er eens vinden! Denk[199]er maar om, dat ik jou ditmaal óók van te voren gewaarschuwd heb!” En Padde verdween tusschen het geboomte.

„’n Zonderling karakter”, stamelde Vader Langjas.

Rolf kon zijn vroolijkheid niet onderdrukken. „Laat hem maar loopen, Vader Langjas! En kijkt u maar liever eens wat ik hier heb!” Rolf knoopte behoedzaam het hemd los.

De barbier boog zich en gluurde door de opening. Wat hij zag, deed hem al zijn zorgen weer vergeten. Blij als een kind, riep hij uit: „’n Panterkameleon! We zullen hem op brandewijn zetten!”

De maats sloegen bijkans tegen den grond. „Groote Griebus!” verzuchtte een kleine, magere maat met een neus, die meer van een biet dan van een waskaars had. „Op brandewijn?! Ik wou, dat ik óók een kammelejon was!”

Chameleon.

[200]

1Geen der drie jongens vermoedde, dat ze een vogel hadden gevangen waarover eeuwen later de geleerden elkaar nog in de haren zouden vliegen. Het was de zoogenaamde „dodo”, die alleen op Réunion voorkwam en thans geheel is uitgestorven,—dank zij het feit, dat de oomes, die in den loop der jaren op Réunion landden, al deze „zwanen” met stokken hebben doodgeslagen en toen opgepeuzeld.….↑2Met dit antwoord was Padde allen geleerden meer dan twee eeuwen voor. Want eerst in de tweede helft der negentiende eeuw bewees de groote Londensche natuurvorscher Sir Richard Owen in een beroemd geworden skelet-onderzoek, dat de dodo tot de familie der duiven behoorde.↑

1Geen der drie jongens vermoedde, dat ze een vogel hadden gevangen waarover eeuwen later de geleerden elkaar nog in de haren zouden vliegen. Het was de zoogenaamde „dodo”, die alleen op Réunion voorkwam en thans geheel is uitgestorven,—dank zij het feit, dat de oomes, die in den loop der jaren op Réunion landden, al deze „zwanen” met stokken hebben doodgeslagen en toen opgepeuzeld.….↑2Met dit antwoord was Padde allen geleerden meer dan twee eeuwen voor. Want eerst in de tweede helft der negentiende eeuw bewees de groote Londensche natuurvorscher Sir Richard Owen in een beroemd geworden skelet-onderzoek, dat de dodo tot de familie der duiven behoorde.↑

1Geen der drie jongens vermoedde, dat ze een vogel hadden gevangen waarover eeuwen later de geleerden elkaar nog in de haren zouden vliegen. Het was de zoogenaamde „dodo”, die alleen op Réunion voorkwam en thans geheel is uitgestorven,—dank zij het feit, dat de oomes, die in den loop der jaren op Réunion landden, al deze „zwanen” met stokken hebben doodgeslagen en toen opgepeuzeld.….↑

1Geen der drie jongens vermoedde, dat ze een vogel hadden gevangen waarover eeuwen later de geleerden elkaar nog in de haren zouden vliegen. Het was de zoogenaamde „dodo”, die alleen op Réunion voorkwam en thans geheel is uitgestorven,—dank zij het feit, dat de oomes, die in den loop der jaren op Réunion landden, al deze „zwanen” met stokken hebben doodgeslagen en toen opgepeuzeld.….↑

2Met dit antwoord was Padde allen geleerden meer dan twee eeuwen voor. Want eerst in de tweede helft der negentiende eeuw bewees de groote Londensche natuurvorscher Sir Richard Owen in een beroemd geworden skelet-onderzoek, dat de dodo tot de familie der duiven behoorde.↑

2Met dit antwoord was Padde allen geleerden meer dan twee eeuwen voor. Want eerst in de tweede helft der negentiende eeuw bewees de groote Londensche natuurvorscher Sir Richard Owen in een beroemd geworden skelet-onderzoek, dat de dodo tot de familie der duiven behoorde.↑


Back to IndexNext