PADDE IS ZOEK

[Inhoud]PADDE IS ZOEKDe trommels zwegen; de dansers staakten hun dans; allen staarden met groote oogen naar den zonderlingen bezoeker in zijn rokje van gras. Daarop sprongen enkele mannen toe en grepen Harmen, die te laat op de gedachte kwam om er weer tusschen uit te gaan. Allen riepen dooreen.De jongens, die buiten alles hadden gezien, vluchtten, na Harmen’s wapens te hebben opgepakt, met Joppie in het bamboebosch. Vlak daarop snelden gewapende Inlanders langs hen heen, blijkbaar op zoek, of er nog meer blanken in de buurt waren. Maar onze vrienden werden niet opgemerkt, en de Inlanders keerden weer terug. Toen bedaarde het rumoer daarbinnen.„We moeten hem bevrijden”, zei Rolf. „Maar hoe?!”Padde begon jammerend zijn meening te uiten over menschen, die door hun waaghalzerijen ook anderen in gevaar brachten.„Hajo”, zei Rolf. „Jij ziet de poort van daar. Staat er een wacht voor?”„Neen! Ik zal kijken, wat ik binnen zie.” Hajo sloop naar de omheining, loerde door de spleten. „Het voorplein is leeg, en van achter de huizen komt licht.”„Volg me dan”, fluisterde Rolf. „Hier, Padde, pas jij op Joppie en de wapens!”„Wat gaan jullie beginnen?” jammerde Padde op gedempten toon. „Je komt hier toch terug, hè, Hajo?”„Ja zeker”, gromde Rolf. En Rolf en Hajo slopen weg, het halve dorp om, tot waar het licht door de spleten der omheining naar buiten straalde, en stemmengedruisch hun oor bereikte. Ze gluurden tusschen de bamboes door en zagen juist, dat Harmen, de handen op den rug gebonden, een trapje werd opgeleid naar een hutje. De deur werd achter hem gesloten; daarna schenen de Inlanders te vergaderen. De afstand was te groot om iets te kunnen opvangen uit het stemmengeroezemoes.[327]„Wachten”, zei Rolf. „Zoolang ze daar zijn, kunnen we niets beginnen.”En zoo wachtten de jongens dus, gekweld door de muskieten. Eindelijk verspreidden de Inlanders zich in druk gekout en verdwenen in hun woningen.„Kom mee!” zei Rolf, „misschien vinden we een achterdeur; de poort zal nu wel bewaakt zijn.”Op dit oogenblik hadden de jongens, ondanks het hachelijke van het geval, moeite hun lachen te bedwingen: Harmen hief de eerste maten van het geuzenlied aan:„Slaet opten trommele, van dirredomdijne!Slaet opten trommele, van dirredomdoes!”Het deed in dezen Indischen maannacht vol krekelzang wel erg zonderling aan.Zijn vrienden begrepen, dat het niet Harmens lust tot trommelen was, die hem dit lied uit de ziel perste. Het moest hen aanduiden waar hij zat opgesloten!Zonder een ingang te vinden, slopen ze het dorp om. Zoo kwamen ze weer aan de poort, maar nu aan de andere zijde dan waar Padde en Joppie zich bevonden. Hajo gluurde om een hoekje. Een schildwacht hurkte thans, eentonig neuriënd, naast het huisje. Inlanders neuriën altijd, als ze ’s nachts alleen buiten zijn; het verdrijft de booze gedachten, welke zich, in het kleed der duisternis gehuld, van ’s menschen ziel willen meester maken.Wat te doen? Den man overvallen? Hajo kreeg een inval: hij raapte een steentje op, wierp het weg over het hoofd van den waker. Ritselend viel het neer.De Inlander hief het hoofd.Doodsche stilte. Krekelzang. Heel in de verte de blaffende roep van een hert.Hajo wierp nog een steentje achter het eerste aan. Ditmaal werd het verlangde resultaat bereikt. De man greep zijn speer en begaf zich in de richting, van waar het geluid kwam. Hij had zijn rug nog niet gekeerd, of Rolf en Hajo schoven geruischloos voort in de schaduw van de omheining, slopen achter het wachthuisje door en glipten de poort binnen. Ze durfden het[328]voorplein niet over te steken,—liepen het dus om, van boom tot boom.„Hoor eens.….!” zei Hajo opeens.De knapen hielden den adem in.„Ik hoor niets!”„Ik nu ook niet meer. Ik meende daareven.….”„Het zal Harmen zijn geweest. Luister maar eens: hij zingt nu van het Volendammer visschertje!”„Ja-ha!”Verder weer! Geen van beiden vermoedde iets van het bloedig drama, dat zich intusschen buiten de poort had afgespeeld.….Padde had onverwachts vlak voor zijn neus een steentje hooren neervallen. Waar kwam dat vandaan? Daar viel er nog een! En zie.…. de waker stond op.…. en kwam op Padde af! Met bonzend hart gluurde de jongen door de twijgen en zag, hoe de Inlander overal rondkeek en met zijn lans in hetstruikgewasporde. Padde kroop een eindje achteruit. De waker bleef doodstil staan, kwam toen recht op de plek af waar Padde zat en stak zijn lans met kracht tusschen de bamboes. Deze aanval was Joppie te machtig: hij bevrijdde zich met een gesmoord jankgeluid uit Padde’s greep en vloog den man naar de beenen. Met een verwensching trapte de Maleier den hond weg, sprong toe en.….! Padde had in radeloozen angst, zonder te weten wat hij deed, een lans naar voren gestoken. De lans kraakte; een doffe kreet; rochelen; de slag van een vallend lichaam.…! Huiverend sprong Padde overeind, zag, hoe de Inlander, met de speerpunt diep in de borst, krimpend op den grond lag. Alles draaide voor Padde; hij borg het gelaat in de armen. Weg! Weg van hier! Weg! Weg!.….!En, met Joppie op de hielen, was Padde weggehold.….- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -„Dat Volendammer Visschertje,Dat voer naar Zierikzee.….”zong Harmen.Sluipend van huis tot huis, waren Rolf en Hajo zijn schuilplaats genaderd.[329]„Dat Volendamsche Visschertje,Dat voer naar Zierikzee.Bracht zeven varkens en een wijf,Een poez’lig wijf weer mee!Van z’n varkens kreeg die nooit geen spijt,Maar ’t wijf wou die weer kwijt.Weer kwijt, wéééér kwijt.….”Met een prachtigen uithaal besloot het lied.Zijn vrienden waren vlug onder het huisje weggekropen, waarin hij gevangen zat. „Harmen.….!”„Holla.….! Groote Griebus, als ik niet dacht, dat jullie …”„Sssst! Ik kom bij je!” Rolf klauterde vlug langs het laddertje omhoog. Gelukkig stond het aan de schaduwzijde. De deur zat met een rotan vast. Het mes er op.….. rits! Krak.…. krak.….! Stil, stomme deur!—„Harmen, waar lig je?”„Hier! Groote God, Rolf.…. de schurken!”Rolf knielde, begon de boeien door te snijden.„Au!”„Los?”„Ja”„Kom dan!”Zachtjes schimpend daalde Harmen de ladder af.—„Hajo!”„Kom mee!” fluisterde Rolf.Even later waren de knapen het dorp weer door, langs de omheining het plein omgeslopen, stonden nu dicht bij de poort. Rolf raapte een steentje op, keilde dit over den bamboezen wand een flink eindje bezijden de poort. Niets roerde zich.„Wat doe je nou!” vroeg Harmen.„Ssst!” Rolf nam nog een steentje, ditmaal iets grooter, wierp het achter het andere aan.Doodsche stilte.„Misschien staat de wachter verderop!” zei Hajo.„Laten we hem smeren”, stelde Harmen voor. „Voor ie de lui op de been heeft, zijn we weg!”.Rolf sloop vooruit, de anderen volgden. Zoo kwamen ze de poort uit. Niets te zien! Wacht! Wat.…. wie ligt daar?! Allen snellen toe. Een kreet van ontzetting, als ze het lijk van den waker overdekt met bloed op den grond vinden.[330]„Padde.….?!” Hajo stort zich het struikgewas in.„Padde is verdwenen! Daar liggen de wapens nog.”Rolf knielt bij het lijk neer. „Dood!” fluistert hij.„Zou Padde met de lans.….?!”Rolf springt overeind. „Vlug! Weg van hier!”De andere twee volgen, Hajo radeloos over Padde’s verdwijnen.„Wacht even!” hijgt Harmen. Hij snelt terug, grist de wapens uit het struikgewas weg, neemt den Maleier speer en kris af. Dan snelt hij weer achter de anderen aan.„Rolf!” snikt Hajo. „Moeten we Padde niet.….?!”„We moeten hier weg!” beveelt Rolf. „Uit het dal weg! We kunnen ons hier niet verbergen. Ze zoeken ons straks en.….”Harmen bukt zich, raapt Padde’s schortje van den grond op.„Goddank!” zegt Rolf, „dan is hij de goeie kant uitgevlucht! Neem het, dat ze ’t niet vinden!”De jongens rennen langs een dijkje tusschen de terrasvormig oploopende sawah’s omhoog, glijden in de modder uit, krabbelen weer overeind en staan tenslotte hijgend aan de andere zijde van het in maanlicht gedrenkte dal.….Liggende jongen.[331]

[Inhoud]PADDE IS ZOEKDe trommels zwegen; de dansers staakten hun dans; allen staarden met groote oogen naar den zonderlingen bezoeker in zijn rokje van gras. Daarop sprongen enkele mannen toe en grepen Harmen, die te laat op de gedachte kwam om er weer tusschen uit te gaan. Allen riepen dooreen.De jongens, die buiten alles hadden gezien, vluchtten, na Harmen’s wapens te hebben opgepakt, met Joppie in het bamboebosch. Vlak daarop snelden gewapende Inlanders langs hen heen, blijkbaar op zoek, of er nog meer blanken in de buurt waren. Maar onze vrienden werden niet opgemerkt, en de Inlanders keerden weer terug. Toen bedaarde het rumoer daarbinnen.„We moeten hem bevrijden”, zei Rolf. „Maar hoe?!”Padde begon jammerend zijn meening te uiten over menschen, die door hun waaghalzerijen ook anderen in gevaar brachten.„Hajo”, zei Rolf. „Jij ziet de poort van daar. Staat er een wacht voor?”„Neen! Ik zal kijken, wat ik binnen zie.” Hajo sloop naar de omheining, loerde door de spleten. „Het voorplein is leeg, en van achter de huizen komt licht.”„Volg me dan”, fluisterde Rolf. „Hier, Padde, pas jij op Joppie en de wapens!”„Wat gaan jullie beginnen?” jammerde Padde op gedempten toon. „Je komt hier toch terug, hè, Hajo?”„Ja zeker”, gromde Rolf. En Rolf en Hajo slopen weg, het halve dorp om, tot waar het licht door de spleten der omheining naar buiten straalde, en stemmengedruisch hun oor bereikte. Ze gluurden tusschen de bamboes door en zagen juist, dat Harmen, de handen op den rug gebonden, een trapje werd opgeleid naar een hutje. De deur werd achter hem gesloten; daarna schenen de Inlanders te vergaderen. De afstand was te groot om iets te kunnen opvangen uit het stemmengeroezemoes.[327]„Wachten”, zei Rolf. „Zoolang ze daar zijn, kunnen we niets beginnen.”En zoo wachtten de jongens dus, gekweld door de muskieten. Eindelijk verspreidden de Inlanders zich in druk gekout en verdwenen in hun woningen.„Kom mee!” zei Rolf, „misschien vinden we een achterdeur; de poort zal nu wel bewaakt zijn.”Op dit oogenblik hadden de jongens, ondanks het hachelijke van het geval, moeite hun lachen te bedwingen: Harmen hief de eerste maten van het geuzenlied aan:„Slaet opten trommele, van dirredomdijne!Slaet opten trommele, van dirredomdoes!”Het deed in dezen Indischen maannacht vol krekelzang wel erg zonderling aan.Zijn vrienden begrepen, dat het niet Harmens lust tot trommelen was, die hem dit lied uit de ziel perste. Het moest hen aanduiden waar hij zat opgesloten!Zonder een ingang te vinden, slopen ze het dorp om. Zoo kwamen ze weer aan de poort, maar nu aan de andere zijde dan waar Padde en Joppie zich bevonden. Hajo gluurde om een hoekje. Een schildwacht hurkte thans, eentonig neuriënd, naast het huisje. Inlanders neuriën altijd, als ze ’s nachts alleen buiten zijn; het verdrijft de booze gedachten, welke zich, in het kleed der duisternis gehuld, van ’s menschen ziel willen meester maken.Wat te doen? Den man overvallen? Hajo kreeg een inval: hij raapte een steentje op, wierp het weg over het hoofd van den waker. Ritselend viel het neer.De Inlander hief het hoofd.Doodsche stilte. Krekelzang. Heel in de verte de blaffende roep van een hert.Hajo wierp nog een steentje achter het eerste aan. Ditmaal werd het verlangde resultaat bereikt. De man greep zijn speer en begaf zich in de richting, van waar het geluid kwam. Hij had zijn rug nog niet gekeerd, of Rolf en Hajo schoven geruischloos voort in de schaduw van de omheining, slopen achter het wachthuisje door en glipten de poort binnen. Ze durfden het[328]voorplein niet over te steken,—liepen het dus om, van boom tot boom.„Hoor eens.….!” zei Hajo opeens.De knapen hielden den adem in.„Ik hoor niets!”„Ik nu ook niet meer. Ik meende daareven.….”„Het zal Harmen zijn geweest. Luister maar eens: hij zingt nu van het Volendammer visschertje!”„Ja-ha!”Verder weer! Geen van beiden vermoedde iets van het bloedig drama, dat zich intusschen buiten de poort had afgespeeld.….Padde had onverwachts vlak voor zijn neus een steentje hooren neervallen. Waar kwam dat vandaan? Daar viel er nog een! En zie.…. de waker stond op.…. en kwam op Padde af! Met bonzend hart gluurde de jongen door de twijgen en zag, hoe de Inlander overal rondkeek en met zijn lans in hetstruikgewasporde. Padde kroop een eindje achteruit. De waker bleef doodstil staan, kwam toen recht op de plek af waar Padde zat en stak zijn lans met kracht tusschen de bamboes. Deze aanval was Joppie te machtig: hij bevrijdde zich met een gesmoord jankgeluid uit Padde’s greep en vloog den man naar de beenen. Met een verwensching trapte de Maleier den hond weg, sprong toe en.….! Padde had in radeloozen angst, zonder te weten wat hij deed, een lans naar voren gestoken. De lans kraakte; een doffe kreet; rochelen; de slag van een vallend lichaam.…! Huiverend sprong Padde overeind, zag, hoe de Inlander, met de speerpunt diep in de borst, krimpend op den grond lag. Alles draaide voor Padde; hij borg het gelaat in de armen. Weg! Weg van hier! Weg! Weg!.….!En, met Joppie op de hielen, was Padde weggehold.….- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -„Dat Volendammer Visschertje,Dat voer naar Zierikzee.….”zong Harmen.Sluipend van huis tot huis, waren Rolf en Hajo zijn schuilplaats genaderd.[329]„Dat Volendamsche Visschertje,Dat voer naar Zierikzee.Bracht zeven varkens en een wijf,Een poez’lig wijf weer mee!Van z’n varkens kreeg die nooit geen spijt,Maar ’t wijf wou die weer kwijt.Weer kwijt, wéééér kwijt.….”Met een prachtigen uithaal besloot het lied.Zijn vrienden waren vlug onder het huisje weggekropen, waarin hij gevangen zat. „Harmen.….!”„Holla.….! Groote Griebus, als ik niet dacht, dat jullie …”„Sssst! Ik kom bij je!” Rolf klauterde vlug langs het laddertje omhoog. Gelukkig stond het aan de schaduwzijde. De deur zat met een rotan vast. Het mes er op.….. rits! Krak.…. krak.….! Stil, stomme deur!—„Harmen, waar lig je?”„Hier! Groote God, Rolf.…. de schurken!”Rolf knielde, begon de boeien door te snijden.„Au!”„Los?”„Ja”„Kom dan!”Zachtjes schimpend daalde Harmen de ladder af.—„Hajo!”„Kom mee!” fluisterde Rolf.Even later waren de knapen het dorp weer door, langs de omheining het plein omgeslopen, stonden nu dicht bij de poort. Rolf raapte een steentje op, keilde dit over den bamboezen wand een flink eindje bezijden de poort. Niets roerde zich.„Wat doe je nou!” vroeg Harmen.„Ssst!” Rolf nam nog een steentje, ditmaal iets grooter, wierp het achter het andere aan.Doodsche stilte.„Misschien staat de wachter verderop!” zei Hajo.„Laten we hem smeren”, stelde Harmen voor. „Voor ie de lui op de been heeft, zijn we weg!”.Rolf sloop vooruit, de anderen volgden. Zoo kwamen ze de poort uit. Niets te zien! Wacht! Wat.…. wie ligt daar?! Allen snellen toe. Een kreet van ontzetting, als ze het lijk van den waker overdekt met bloed op den grond vinden.[330]„Padde.….?!” Hajo stort zich het struikgewas in.„Padde is verdwenen! Daar liggen de wapens nog.”Rolf knielt bij het lijk neer. „Dood!” fluistert hij.„Zou Padde met de lans.….?!”Rolf springt overeind. „Vlug! Weg van hier!”De andere twee volgen, Hajo radeloos over Padde’s verdwijnen.„Wacht even!” hijgt Harmen. Hij snelt terug, grist de wapens uit het struikgewas weg, neemt den Maleier speer en kris af. Dan snelt hij weer achter de anderen aan.„Rolf!” snikt Hajo. „Moeten we Padde niet.….?!”„We moeten hier weg!” beveelt Rolf. „Uit het dal weg! We kunnen ons hier niet verbergen. Ze zoeken ons straks en.….”Harmen bukt zich, raapt Padde’s schortje van den grond op.„Goddank!” zegt Rolf, „dan is hij de goeie kant uitgevlucht! Neem het, dat ze ’t niet vinden!”De jongens rennen langs een dijkje tusschen de terrasvormig oploopende sawah’s omhoog, glijden in de modder uit, krabbelen weer overeind en staan tenslotte hijgend aan de andere zijde van het in maanlicht gedrenkte dal.….Liggende jongen.[331]

[Inhoud]PADDE IS ZOEKDe trommels zwegen; de dansers staakten hun dans; allen staarden met groote oogen naar den zonderlingen bezoeker in zijn rokje van gras. Daarop sprongen enkele mannen toe en grepen Harmen, die te laat op de gedachte kwam om er weer tusschen uit te gaan. Allen riepen dooreen.De jongens, die buiten alles hadden gezien, vluchtten, na Harmen’s wapens te hebben opgepakt, met Joppie in het bamboebosch. Vlak daarop snelden gewapende Inlanders langs hen heen, blijkbaar op zoek, of er nog meer blanken in de buurt waren. Maar onze vrienden werden niet opgemerkt, en de Inlanders keerden weer terug. Toen bedaarde het rumoer daarbinnen.„We moeten hem bevrijden”, zei Rolf. „Maar hoe?!”Padde begon jammerend zijn meening te uiten over menschen, die door hun waaghalzerijen ook anderen in gevaar brachten.„Hajo”, zei Rolf. „Jij ziet de poort van daar. Staat er een wacht voor?”„Neen! Ik zal kijken, wat ik binnen zie.” Hajo sloop naar de omheining, loerde door de spleten. „Het voorplein is leeg, en van achter de huizen komt licht.”„Volg me dan”, fluisterde Rolf. „Hier, Padde, pas jij op Joppie en de wapens!”„Wat gaan jullie beginnen?” jammerde Padde op gedempten toon. „Je komt hier toch terug, hè, Hajo?”„Ja zeker”, gromde Rolf. En Rolf en Hajo slopen weg, het halve dorp om, tot waar het licht door de spleten der omheining naar buiten straalde, en stemmengedruisch hun oor bereikte. Ze gluurden tusschen de bamboes door en zagen juist, dat Harmen, de handen op den rug gebonden, een trapje werd opgeleid naar een hutje. De deur werd achter hem gesloten; daarna schenen de Inlanders te vergaderen. De afstand was te groot om iets te kunnen opvangen uit het stemmengeroezemoes.[327]„Wachten”, zei Rolf. „Zoolang ze daar zijn, kunnen we niets beginnen.”En zoo wachtten de jongens dus, gekweld door de muskieten. Eindelijk verspreidden de Inlanders zich in druk gekout en verdwenen in hun woningen.„Kom mee!” zei Rolf, „misschien vinden we een achterdeur; de poort zal nu wel bewaakt zijn.”Op dit oogenblik hadden de jongens, ondanks het hachelijke van het geval, moeite hun lachen te bedwingen: Harmen hief de eerste maten van het geuzenlied aan:„Slaet opten trommele, van dirredomdijne!Slaet opten trommele, van dirredomdoes!”Het deed in dezen Indischen maannacht vol krekelzang wel erg zonderling aan.Zijn vrienden begrepen, dat het niet Harmens lust tot trommelen was, die hem dit lied uit de ziel perste. Het moest hen aanduiden waar hij zat opgesloten!Zonder een ingang te vinden, slopen ze het dorp om. Zoo kwamen ze weer aan de poort, maar nu aan de andere zijde dan waar Padde en Joppie zich bevonden. Hajo gluurde om een hoekje. Een schildwacht hurkte thans, eentonig neuriënd, naast het huisje. Inlanders neuriën altijd, als ze ’s nachts alleen buiten zijn; het verdrijft de booze gedachten, welke zich, in het kleed der duisternis gehuld, van ’s menschen ziel willen meester maken.Wat te doen? Den man overvallen? Hajo kreeg een inval: hij raapte een steentje op, wierp het weg over het hoofd van den waker. Ritselend viel het neer.De Inlander hief het hoofd.Doodsche stilte. Krekelzang. Heel in de verte de blaffende roep van een hert.Hajo wierp nog een steentje achter het eerste aan. Ditmaal werd het verlangde resultaat bereikt. De man greep zijn speer en begaf zich in de richting, van waar het geluid kwam. Hij had zijn rug nog niet gekeerd, of Rolf en Hajo schoven geruischloos voort in de schaduw van de omheining, slopen achter het wachthuisje door en glipten de poort binnen. Ze durfden het[328]voorplein niet over te steken,—liepen het dus om, van boom tot boom.„Hoor eens.….!” zei Hajo opeens.De knapen hielden den adem in.„Ik hoor niets!”„Ik nu ook niet meer. Ik meende daareven.….”„Het zal Harmen zijn geweest. Luister maar eens: hij zingt nu van het Volendammer visschertje!”„Ja-ha!”Verder weer! Geen van beiden vermoedde iets van het bloedig drama, dat zich intusschen buiten de poort had afgespeeld.….Padde had onverwachts vlak voor zijn neus een steentje hooren neervallen. Waar kwam dat vandaan? Daar viel er nog een! En zie.…. de waker stond op.…. en kwam op Padde af! Met bonzend hart gluurde de jongen door de twijgen en zag, hoe de Inlander overal rondkeek en met zijn lans in hetstruikgewasporde. Padde kroop een eindje achteruit. De waker bleef doodstil staan, kwam toen recht op de plek af waar Padde zat en stak zijn lans met kracht tusschen de bamboes. Deze aanval was Joppie te machtig: hij bevrijdde zich met een gesmoord jankgeluid uit Padde’s greep en vloog den man naar de beenen. Met een verwensching trapte de Maleier den hond weg, sprong toe en.….! Padde had in radeloozen angst, zonder te weten wat hij deed, een lans naar voren gestoken. De lans kraakte; een doffe kreet; rochelen; de slag van een vallend lichaam.…! Huiverend sprong Padde overeind, zag, hoe de Inlander, met de speerpunt diep in de borst, krimpend op den grond lag. Alles draaide voor Padde; hij borg het gelaat in de armen. Weg! Weg van hier! Weg! Weg!.….!En, met Joppie op de hielen, was Padde weggehold.….- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -„Dat Volendammer Visschertje,Dat voer naar Zierikzee.….”zong Harmen.Sluipend van huis tot huis, waren Rolf en Hajo zijn schuilplaats genaderd.[329]„Dat Volendamsche Visschertje,Dat voer naar Zierikzee.Bracht zeven varkens en een wijf,Een poez’lig wijf weer mee!Van z’n varkens kreeg die nooit geen spijt,Maar ’t wijf wou die weer kwijt.Weer kwijt, wéééér kwijt.….”Met een prachtigen uithaal besloot het lied.Zijn vrienden waren vlug onder het huisje weggekropen, waarin hij gevangen zat. „Harmen.….!”„Holla.….! Groote Griebus, als ik niet dacht, dat jullie …”„Sssst! Ik kom bij je!” Rolf klauterde vlug langs het laddertje omhoog. Gelukkig stond het aan de schaduwzijde. De deur zat met een rotan vast. Het mes er op.….. rits! Krak.…. krak.….! Stil, stomme deur!—„Harmen, waar lig je?”„Hier! Groote God, Rolf.…. de schurken!”Rolf knielde, begon de boeien door te snijden.„Au!”„Los?”„Ja”„Kom dan!”Zachtjes schimpend daalde Harmen de ladder af.—„Hajo!”„Kom mee!” fluisterde Rolf.Even later waren de knapen het dorp weer door, langs de omheining het plein omgeslopen, stonden nu dicht bij de poort. Rolf raapte een steentje op, keilde dit over den bamboezen wand een flink eindje bezijden de poort. Niets roerde zich.„Wat doe je nou!” vroeg Harmen.„Ssst!” Rolf nam nog een steentje, ditmaal iets grooter, wierp het achter het andere aan.Doodsche stilte.„Misschien staat de wachter verderop!” zei Hajo.„Laten we hem smeren”, stelde Harmen voor. „Voor ie de lui op de been heeft, zijn we weg!”.Rolf sloop vooruit, de anderen volgden. Zoo kwamen ze de poort uit. Niets te zien! Wacht! Wat.…. wie ligt daar?! Allen snellen toe. Een kreet van ontzetting, als ze het lijk van den waker overdekt met bloed op den grond vinden.[330]„Padde.….?!” Hajo stort zich het struikgewas in.„Padde is verdwenen! Daar liggen de wapens nog.”Rolf knielt bij het lijk neer. „Dood!” fluistert hij.„Zou Padde met de lans.….?!”Rolf springt overeind. „Vlug! Weg van hier!”De andere twee volgen, Hajo radeloos over Padde’s verdwijnen.„Wacht even!” hijgt Harmen. Hij snelt terug, grist de wapens uit het struikgewas weg, neemt den Maleier speer en kris af. Dan snelt hij weer achter de anderen aan.„Rolf!” snikt Hajo. „Moeten we Padde niet.….?!”„We moeten hier weg!” beveelt Rolf. „Uit het dal weg! We kunnen ons hier niet verbergen. Ze zoeken ons straks en.….”Harmen bukt zich, raapt Padde’s schortje van den grond op.„Goddank!” zegt Rolf, „dan is hij de goeie kant uitgevlucht! Neem het, dat ze ’t niet vinden!”De jongens rennen langs een dijkje tusschen de terrasvormig oploopende sawah’s omhoog, glijden in de modder uit, krabbelen weer overeind en staan tenslotte hijgend aan de andere zijde van het in maanlicht gedrenkte dal.….Liggende jongen.[331]

PADDE IS ZOEK

De trommels zwegen; de dansers staakten hun dans; allen staarden met groote oogen naar den zonderlingen bezoeker in zijn rokje van gras. Daarop sprongen enkele mannen toe en grepen Harmen, die te laat op de gedachte kwam om er weer tusschen uit te gaan. Allen riepen dooreen.De jongens, die buiten alles hadden gezien, vluchtten, na Harmen’s wapens te hebben opgepakt, met Joppie in het bamboebosch. Vlak daarop snelden gewapende Inlanders langs hen heen, blijkbaar op zoek, of er nog meer blanken in de buurt waren. Maar onze vrienden werden niet opgemerkt, en de Inlanders keerden weer terug. Toen bedaarde het rumoer daarbinnen.„We moeten hem bevrijden”, zei Rolf. „Maar hoe?!”Padde begon jammerend zijn meening te uiten over menschen, die door hun waaghalzerijen ook anderen in gevaar brachten.„Hajo”, zei Rolf. „Jij ziet de poort van daar. Staat er een wacht voor?”„Neen! Ik zal kijken, wat ik binnen zie.” Hajo sloop naar de omheining, loerde door de spleten. „Het voorplein is leeg, en van achter de huizen komt licht.”„Volg me dan”, fluisterde Rolf. „Hier, Padde, pas jij op Joppie en de wapens!”„Wat gaan jullie beginnen?” jammerde Padde op gedempten toon. „Je komt hier toch terug, hè, Hajo?”„Ja zeker”, gromde Rolf. En Rolf en Hajo slopen weg, het halve dorp om, tot waar het licht door de spleten der omheining naar buiten straalde, en stemmengedruisch hun oor bereikte. Ze gluurden tusschen de bamboes door en zagen juist, dat Harmen, de handen op den rug gebonden, een trapje werd opgeleid naar een hutje. De deur werd achter hem gesloten; daarna schenen de Inlanders te vergaderen. De afstand was te groot om iets te kunnen opvangen uit het stemmengeroezemoes.[327]„Wachten”, zei Rolf. „Zoolang ze daar zijn, kunnen we niets beginnen.”En zoo wachtten de jongens dus, gekweld door de muskieten. Eindelijk verspreidden de Inlanders zich in druk gekout en verdwenen in hun woningen.„Kom mee!” zei Rolf, „misschien vinden we een achterdeur; de poort zal nu wel bewaakt zijn.”Op dit oogenblik hadden de jongens, ondanks het hachelijke van het geval, moeite hun lachen te bedwingen: Harmen hief de eerste maten van het geuzenlied aan:„Slaet opten trommele, van dirredomdijne!Slaet opten trommele, van dirredomdoes!”Het deed in dezen Indischen maannacht vol krekelzang wel erg zonderling aan.Zijn vrienden begrepen, dat het niet Harmens lust tot trommelen was, die hem dit lied uit de ziel perste. Het moest hen aanduiden waar hij zat opgesloten!Zonder een ingang te vinden, slopen ze het dorp om. Zoo kwamen ze weer aan de poort, maar nu aan de andere zijde dan waar Padde en Joppie zich bevonden. Hajo gluurde om een hoekje. Een schildwacht hurkte thans, eentonig neuriënd, naast het huisje. Inlanders neuriën altijd, als ze ’s nachts alleen buiten zijn; het verdrijft de booze gedachten, welke zich, in het kleed der duisternis gehuld, van ’s menschen ziel willen meester maken.Wat te doen? Den man overvallen? Hajo kreeg een inval: hij raapte een steentje op, wierp het weg over het hoofd van den waker. Ritselend viel het neer.De Inlander hief het hoofd.Doodsche stilte. Krekelzang. Heel in de verte de blaffende roep van een hert.Hajo wierp nog een steentje achter het eerste aan. Ditmaal werd het verlangde resultaat bereikt. De man greep zijn speer en begaf zich in de richting, van waar het geluid kwam. Hij had zijn rug nog niet gekeerd, of Rolf en Hajo schoven geruischloos voort in de schaduw van de omheining, slopen achter het wachthuisje door en glipten de poort binnen. Ze durfden het[328]voorplein niet over te steken,—liepen het dus om, van boom tot boom.„Hoor eens.….!” zei Hajo opeens.De knapen hielden den adem in.„Ik hoor niets!”„Ik nu ook niet meer. Ik meende daareven.….”„Het zal Harmen zijn geweest. Luister maar eens: hij zingt nu van het Volendammer visschertje!”„Ja-ha!”Verder weer! Geen van beiden vermoedde iets van het bloedig drama, dat zich intusschen buiten de poort had afgespeeld.….Padde had onverwachts vlak voor zijn neus een steentje hooren neervallen. Waar kwam dat vandaan? Daar viel er nog een! En zie.…. de waker stond op.…. en kwam op Padde af! Met bonzend hart gluurde de jongen door de twijgen en zag, hoe de Inlander overal rondkeek en met zijn lans in hetstruikgewasporde. Padde kroop een eindje achteruit. De waker bleef doodstil staan, kwam toen recht op de plek af waar Padde zat en stak zijn lans met kracht tusschen de bamboes. Deze aanval was Joppie te machtig: hij bevrijdde zich met een gesmoord jankgeluid uit Padde’s greep en vloog den man naar de beenen. Met een verwensching trapte de Maleier den hond weg, sprong toe en.….! Padde had in radeloozen angst, zonder te weten wat hij deed, een lans naar voren gestoken. De lans kraakte; een doffe kreet; rochelen; de slag van een vallend lichaam.…! Huiverend sprong Padde overeind, zag, hoe de Inlander, met de speerpunt diep in de borst, krimpend op den grond lag. Alles draaide voor Padde; hij borg het gelaat in de armen. Weg! Weg van hier! Weg! Weg!.….!En, met Joppie op de hielen, was Padde weggehold.….- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -„Dat Volendammer Visschertje,Dat voer naar Zierikzee.….”zong Harmen.Sluipend van huis tot huis, waren Rolf en Hajo zijn schuilplaats genaderd.[329]„Dat Volendamsche Visschertje,Dat voer naar Zierikzee.Bracht zeven varkens en een wijf,Een poez’lig wijf weer mee!Van z’n varkens kreeg die nooit geen spijt,Maar ’t wijf wou die weer kwijt.Weer kwijt, wéééér kwijt.….”Met een prachtigen uithaal besloot het lied.Zijn vrienden waren vlug onder het huisje weggekropen, waarin hij gevangen zat. „Harmen.….!”„Holla.….! Groote Griebus, als ik niet dacht, dat jullie …”„Sssst! Ik kom bij je!” Rolf klauterde vlug langs het laddertje omhoog. Gelukkig stond het aan de schaduwzijde. De deur zat met een rotan vast. Het mes er op.….. rits! Krak.…. krak.….! Stil, stomme deur!—„Harmen, waar lig je?”„Hier! Groote God, Rolf.…. de schurken!”Rolf knielde, begon de boeien door te snijden.„Au!”„Los?”„Ja”„Kom dan!”Zachtjes schimpend daalde Harmen de ladder af.—„Hajo!”„Kom mee!” fluisterde Rolf.Even later waren de knapen het dorp weer door, langs de omheining het plein omgeslopen, stonden nu dicht bij de poort. Rolf raapte een steentje op, keilde dit over den bamboezen wand een flink eindje bezijden de poort. Niets roerde zich.„Wat doe je nou!” vroeg Harmen.„Ssst!” Rolf nam nog een steentje, ditmaal iets grooter, wierp het achter het andere aan.Doodsche stilte.„Misschien staat de wachter verderop!” zei Hajo.„Laten we hem smeren”, stelde Harmen voor. „Voor ie de lui op de been heeft, zijn we weg!”.Rolf sloop vooruit, de anderen volgden. Zoo kwamen ze de poort uit. Niets te zien! Wacht! Wat.…. wie ligt daar?! Allen snellen toe. Een kreet van ontzetting, als ze het lijk van den waker overdekt met bloed op den grond vinden.[330]„Padde.….?!” Hajo stort zich het struikgewas in.„Padde is verdwenen! Daar liggen de wapens nog.”Rolf knielt bij het lijk neer. „Dood!” fluistert hij.„Zou Padde met de lans.….?!”Rolf springt overeind. „Vlug! Weg van hier!”De andere twee volgen, Hajo radeloos over Padde’s verdwijnen.„Wacht even!” hijgt Harmen. Hij snelt terug, grist de wapens uit het struikgewas weg, neemt den Maleier speer en kris af. Dan snelt hij weer achter de anderen aan.„Rolf!” snikt Hajo. „Moeten we Padde niet.….?!”„We moeten hier weg!” beveelt Rolf. „Uit het dal weg! We kunnen ons hier niet verbergen. Ze zoeken ons straks en.….”Harmen bukt zich, raapt Padde’s schortje van den grond op.„Goddank!” zegt Rolf, „dan is hij de goeie kant uitgevlucht! Neem het, dat ze ’t niet vinden!”De jongens rennen langs een dijkje tusschen de terrasvormig oploopende sawah’s omhoog, glijden in de modder uit, krabbelen weer overeind en staan tenslotte hijgend aan de andere zijde van het in maanlicht gedrenkte dal.….Liggende jongen.[331]

De trommels zwegen; de dansers staakten hun dans; allen staarden met groote oogen naar den zonderlingen bezoeker in zijn rokje van gras. Daarop sprongen enkele mannen toe en grepen Harmen, die te laat op de gedachte kwam om er weer tusschen uit te gaan. Allen riepen dooreen.

De jongens, die buiten alles hadden gezien, vluchtten, na Harmen’s wapens te hebben opgepakt, met Joppie in het bamboebosch. Vlak daarop snelden gewapende Inlanders langs hen heen, blijkbaar op zoek, of er nog meer blanken in de buurt waren. Maar onze vrienden werden niet opgemerkt, en de Inlanders keerden weer terug. Toen bedaarde het rumoer daarbinnen.

„We moeten hem bevrijden”, zei Rolf. „Maar hoe?!”

Padde begon jammerend zijn meening te uiten over menschen, die door hun waaghalzerijen ook anderen in gevaar brachten.

„Hajo”, zei Rolf. „Jij ziet de poort van daar. Staat er een wacht voor?”

„Neen! Ik zal kijken, wat ik binnen zie.” Hajo sloop naar de omheining, loerde door de spleten. „Het voorplein is leeg, en van achter de huizen komt licht.”

„Volg me dan”, fluisterde Rolf. „Hier, Padde, pas jij op Joppie en de wapens!”

„Wat gaan jullie beginnen?” jammerde Padde op gedempten toon. „Je komt hier toch terug, hè, Hajo?”

„Ja zeker”, gromde Rolf. En Rolf en Hajo slopen weg, het halve dorp om, tot waar het licht door de spleten der omheining naar buiten straalde, en stemmengedruisch hun oor bereikte. Ze gluurden tusschen de bamboes door en zagen juist, dat Harmen, de handen op den rug gebonden, een trapje werd opgeleid naar een hutje. De deur werd achter hem gesloten; daarna schenen de Inlanders te vergaderen. De afstand was te groot om iets te kunnen opvangen uit het stemmengeroezemoes.[327]

„Wachten”, zei Rolf. „Zoolang ze daar zijn, kunnen we niets beginnen.”

En zoo wachtten de jongens dus, gekweld door de muskieten. Eindelijk verspreidden de Inlanders zich in druk gekout en verdwenen in hun woningen.

„Kom mee!” zei Rolf, „misschien vinden we een achterdeur; de poort zal nu wel bewaakt zijn.”

Op dit oogenblik hadden de jongens, ondanks het hachelijke van het geval, moeite hun lachen te bedwingen: Harmen hief de eerste maten van het geuzenlied aan:

„Slaet opten trommele, van dirredomdijne!Slaet opten trommele, van dirredomdoes!”

„Slaet opten trommele, van dirredomdijne!

Slaet opten trommele, van dirredomdoes!”

Het deed in dezen Indischen maannacht vol krekelzang wel erg zonderling aan.

Zijn vrienden begrepen, dat het niet Harmens lust tot trommelen was, die hem dit lied uit de ziel perste. Het moest hen aanduiden waar hij zat opgesloten!

Zonder een ingang te vinden, slopen ze het dorp om. Zoo kwamen ze weer aan de poort, maar nu aan de andere zijde dan waar Padde en Joppie zich bevonden. Hajo gluurde om een hoekje. Een schildwacht hurkte thans, eentonig neuriënd, naast het huisje. Inlanders neuriën altijd, als ze ’s nachts alleen buiten zijn; het verdrijft de booze gedachten, welke zich, in het kleed der duisternis gehuld, van ’s menschen ziel willen meester maken.

Wat te doen? Den man overvallen? Hajo kreeg een inval: hij raapte een steentje op, wierp het weg over het hoofd van den waker. Ritselend viel het neer.

De Inlander hief het hoofd.

Doodsche stilte. Krekelzang. Heel in de verte de blaffende roep van een hert.

Hajo wierp nog een steentje achter het eerste aan. Ditmaal werd het verlangde resultaat bereikt. De man greep zijn speer en begaf zich in de richting, van waar het geluid kwam. Hij had zijn rug nog niet gekeerd, of Rolf en Hajo schoven geruischloos voort in de schaduw van de omheining, slopen achter het wachthuisje door en glipten de poort binnen. Ze durfden het[328]voorplein niet over te steken,—liepen het dus om, van boom tot boom.

„Hoor eens.….!” zei Hajo opeens.

De knapen hielden den adem in.

„Ik hoor niets!”

„Ik nu ook niet meer. Ik meende daareven.….”

„Het zal Harmen zijn geweest. Luister maar eens: hij zingt nu van het Volendammer visschertje!”

„Ja-ha!”

Verder weer! Geen van beiden vermoedde iets van het bloedig drama, dat zich intusschen buiten de poort had afgespeeld.….

Padde had onverwachts vlak voor zijn neus een steentje hooren neervallen. Waar kwam dat vandaan? Daar viel er nog een! En zie.…. de waker stond op.…. en kwam op Padde af! Met bonzend hart gluurde de jongen door de twijgen en zag, hoe de Inlander overal rondkeek en met zijn lans in hetstruikgewasporde. Padde kroop een eindje achteruit. De waker bleef doodstil staan, kwam toen recht op de plek af waar Padde zat en stak zijn lans met kracht tusschen de bamboes. Deze aanval was Joppie te machtig: hij bevrijdde zich met een gesmoord jankgeluid uit Padde’s greep en vloog den man naar de beenen. Met een verwensching trapte de Maleier den hond weg, sprong toe en.….! Padde had in radeloozen angst, zonder te weten wat hij deed, een lans naar voren gestoken. De lans kraakte; een doffe kreet; rochelen; de slag van een vallend lichaam.…! Huiverend sprong Padde overeind, zag, hoe de Inlander, met de speerpunt diep in de borst, krimpend op den grond lag. Alles draaide voor Padde; hij borg het gelaat in de armen. Weg! Weg van hier! Weg! Weg!.….!

En, met Joppie op de hielen, was Padde weggehold.….

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

„Dat Volendammer Visschertje,Dat voer naar Zierikzee.….”

„Dat Volendammer Visschertje,

Dat voer naar Zierikzee.….”

zong Harmen.

Sluipend van huis tot huis, waren Rolf en Hajo zijn schuilplaats genaderd.[329]

„Dat Volendamsche Visschertje,Dat voer naar Zierikzee.Bracht zeven varkens en een wijf,Een poez’lig wijf weer mee!Van z’n varkens kreeg die nooit geen spijt,Maar ’t wijf wou die weer kwijt.Weer kwijt, wéééér kwijt.….”

„Dat Volendamsche Visschertje,

Dat voer naar Zierikzee.

Bracht zeven varkens en een wijf,

Een poez’lig wijf weer mee!

Van z’n varkens kreeg die nooit geen spijt,

Maar ’t wijf wou die weer kwijt.

Weer kwijt, wéééér kwijt.….”

Met een prachtigen uithaal besloot het lied.

Zijn vrienden waren vlug onder het huisje weggekropen, waarin hij gevangen zat. „Harmen.….!”

„Holla.….! Groote Griebus, als ik niet dacht, dat jullie …”

„Sssst! Ik kom bij je!” Rolf klauterde vlug langs het laddertje omhoog. Gelukkig stond het aan de schaduwzijde. De deur zat met een rotan vast. Het mes er op.….. rits! Krak.…. krak.….! Stil, stomme deur!—„Harmen, waar lig je?”

„Hier! Groote God, Rolf.…. de schurken!”

Rolf knielde, begon de boeien door te snijden.

„Au!”

„Los?”

„Ja”

„Kom dan!”

Zachtjes schimpend daalde Harmen de ladder af.—„Hajo!”

„Kom mee!” fluisterde Rolf.

Even later waren de knapen het dorp weer door, langs de omheining het plein omgeslopen, stonden nu dicht bij de poort. Rolf raapte een steentje op, keilde dit over den bamboezen wand een flink eindje bezijden de poort. Niets roerde zich.

„Wat doe je nou!” vroeg Harmen.

„Ssst!” Rolf nam nog een steentje, ditmaal iets grooter, wierp het achter het andere aan.

Doodsche stilte.

„Misschien staat de wachter verderop!” zei Hajo.

„Laten we hem smeren”, stelde Harmen voor. „Voor ie de lui op de been heeft, zijn we weg!”.

Rolf sloop vooruit, de anderen volgden. Zoo kwamen ze de poort uit. Niets te zien! Wacht! Wat.…. wie ligt daar?! Allen snellen toe. Een kreet van ontzetting, als ze het lijk van den waker overdekt met bloed op den grond vinden.[330]

„Padde.….?!” Hajo stort zich het struikgewas in.

„Padde is verdwenen! Daar liggen de wapens nog.”

Rolf knielt bij het lijk neer. „Dood!” fluistert hij.

„Zou Padde met de lans.….?!”

Rolf springt overeind. „Vlug! Weg van hier!”

De andere twee volgen, Hajo radeloos over Padde’s verdwijnen.

„Wacht even!” hijgt Harmen. Hij snelt terug, grist de wapens uit het struikgewas weg, neemt den Maleier speer en kris af. Dan snelt hij weer achter de anderen aan.

„Rolf!” snikt Hajo. „Moeten we Padde niet.….?!”

„We moeten hier weg!” beveelt Rolf. „Uit het dal weg! We kunnen ons hier niet verbergen. Ze zoeken ons straks en.….”

Harmen bukt zich, raapt Padde’s schortje van den grond op.

„Goddank!” zegt Rolf, „dan is hij de goeie kant uitgevlucht! Neem het, dat ze ’t niet vinden!”

De jongens rennen langs een dijkje tusschen de terrasvormig oploopende sawah’s omhoog, glijden in de modder uit, krabbelen weer overeind en staan tenslotte hijgend aan de andere zijde van het in maanlicht gedrenkte dal.….

Liggende jongen.

[331]


Back to IndexNext