[Inhoud]PADDE STUIT OP EEN MENSCHENETERPADDE STUIT OP EEN MENSCHENETERToen de jongens den volgenden morgen merkten, dat ze te midden van bloemen lagen en Dolimah’s slaapplaats verlaten zagen, begrepen ze. Ze konden hun tranen niet bedwingen en schaamden er zich niet voor.„Wat moeten we doen?” vroeg Harmen.„Niets”, zei Rolf mat. „We kunnen haar toch niet meer inhalen.”De jongens zwegen even. „Wat een schat van een meid, hè?” viel Harmen plots uit. „Om die bloemen hier neer te leggen!”Rolf haalde diep adem, als drukte hem iets op de borst. „We moeten hier weg”, zei hij. „Ik.…. ik houd het hier niet meer uit!”„Rolf!” snikte Padde. „Ik óók niet! Soms voel ik het ineens. Nu Dolimah weg is.….”Met een ruk sprongen de jongens overeind. Vooruit! Niet meer getalmd!Verwoed gingen ze verder met den bouw van het vlot. Het was, of hun strijd eensklaps grimmiger was geworden. Met opeengeklemde tanden werkten ze. Zonder scherts. Zonder kleine kibbelarijen. ZemoestenBantem bereiken,—de handen ineen, jongens! Geef den moed niet op! Padde ging weer visschen in de kreek, om leeftocht op te doen; Hajo hakte rotankoorden voor het vlot; Harmen en Rolf spleten bamboetjes en snoerden ze vast op het houten geraamte.[435]De zon scheen; de vogels kwinkeleerden; de bloemen vouwden zich open voor de kapellen.Tegen den middag kwam het vlot gereed. Achterin was een opening gelaten om een bamboesteel door te steken, die als roer gebruikt zou worden. „Ziezoo!” zei Rolf. „Nu moeten we het in het water zien te krijgen! Kom je helpen, Hajo? En jij ook, Padde?”Met vereende krachten en na veel wrikken en duwen kregen ze het vlot drijvend, meerden het met een paar rotankoorden aan den oever. Toen de jongens aan boord sprongen, scheen het er nauwelijks iets door te zinken.„Ziezoo, nu een paar sterke boomen om het te sturen”, zuchtte Rolf. „Heb jij nog wat gevangen, Padde?”„Een heel zoodje”, zei Padde. „Ze zitten er wel, als je ze maar vangen kunt.”„Wacht! Laten we het vuur niet vergeten!” riep Harmen. Voor op het dek werd een laagje klei in de bamboe vastgestampt, en Harmen bracht een paar brandende stukken hout over, waarmee hij een nieuw vuurtje aanlegde. Toen hakten de jongens nog een paar bamboestelen af, om als afzetboomen te gebruiken.„Alles klaar?”„Ja! Kom, Joppie!”Joppie sprong aan boord, en de kabels vlogen los. De jongens stuurden naar het midden van de rivier; Harmen ging met een boom voorop staan, Hajo en Rolf achterop, zoo hadden ze het vlot goed in bedwang. Padde en Joppie zagen toe, of alles ging zooals het gaan moest.De stroom was sterk, maar gelukkig lagen er geen zware steenen in het water. Per slot van rekening was het vlot toch maar met touwen vastgeknoopt, en het zou er bedenkelijk uitzien, wanneer het in een stevig vaartje tegen een bergsteen zou oprammen.Maar nu gleed het snel en veilig voort in de rivier, die zich bij een bocht nog verbreedde. Zonnehitte zengde den jongens rug en schouders.Geen van hen had gelegenheid gehad, nog even om te zien en afscheid te nemen van de plaats waar ze gisterenavond[436]nog met Dolimah hadden gezeten. Zewildenimmers ook niet omzien? Voorwaarts! Naar Bantem! Naar de zee!De rivier bood een grootschen aanblik. Duizelingwekkend hoog rezen aan den oever de stammen op, zoo zwaar, dat drie man ze nauwelijks omspannen konden. Er waren allerlei kleuren stammen: met donker mos begroeide en ook gladde, lichtgrijze stammen met schilfers, en roodbruine stammen, diepgegroefd; dan groeide hier en daar een waringin, onder welks machtige takken steltwortels stonden als pijlers onder een brug. En tusschen al die zuilen, waar in grootschen val het licht doorsloeg, hingen als feestelijke guirlanden de bloemranken der slingerplanten.Bij een nieuwe bocht schoot het vlot onverwachts onder een boom door, die geheel over het water hing. De jongens zagen geen kans meer de vaart in te houden en wisten niet beter te doen dan maar vlug door de takken te klauteren. Allen, ook Joppie, stonden weer op het vlot vóór het geheel onder den boom was doorgegleden. Allen,—behalve Padde. Die kwam te laat. Uit kameraadschap trok Harmen zich maar weer aan een tak op. Het vlot gleed met de anderen voort. Dezen stuurden het naar den kant en meerden het.Padde, verre van dankbaar voor Harmens hulpvaardigheid, ontving hem met schimpscheuten. „Daar!” zei hij verwijtend, „daar gaat het vlot nou! Kon jij ’t niet even tegenhouden?”„Ik geloof, dat jij het water weer in wilt, leelijke pepernoot!” schold Harmen. „Alleen om jou te helpen ben ik in die boom geklommen! Ik stond alweer een uur op het vlot!”„Ik wou, dat je d’r nog stond!” verzekerde Padde. „’k Heb die hulp van jou niet noodig. Ik kom wel alleen aan wal.”—Padde snoof de lucht op. „Vind je niet, dat ’t hier weer erg naar die vrucht stinkt, weet je wel: die Hajo en Rolf hebben gegeten?”„’k Ruik hier niks”, zei Harmen. „Maar ’k mag lijden, dat ’t daar bij jou zoo stinkt, dat je van katterigheid de boom uitrolt.—Wat heb je?” vroeg Harmen verbaasd, toen hij zag, dat Padde met ontzette oogen naar iets staarde.Geen antwoord. Harmen gluurde in de richting, die Padde’s[437]starende blik aanduidde en.….! Op een dikken tak, behagelijk achterover geleund, zat een roodbruine, staartlooze aap, zoo groot als Harmen niet geloofd had dat een aap ooit worden kon. Het dier, dat in den harigen arm een geopende doerian klemde en daaruit smakelijk zat te eten, had den kauwenden, angstwekkend menschelijken kop naar de jongens gekeerd, alsof hij wilde zeggen: „Zoo, zijn jullie daar ook weer?” Hij hield tusschen de vingers van zijn rechterhand een roomachtig stuk doerian-vleesch. Een der korte pooten lag vadzig uitgestrekt.Orang-oetan.Het duizelde Harmen.Hij wilde „tabeh!” zeggen, slikte het woord echter weer in en staarde, juist als Padde, betooverd naar den genoegelijk smakkenden mensch-aap.[438]Plots scheen het dier vertoornd te worden; het liet de doerian in het water plonzen, trok grimmig de bovenlip op, zoodat de zware tanden bloot kwamen. Toen stootte het monster een diep, zwaar gebrul uit, richtte zich in volle lengte op!.…. en twee Hollandsche kwajongens tuimelden achterover het water in.De aap klom traag en log langs zware takken omhoog tot in den kruin van een boom.„Een orang-oetan!” riep Rolf, terwijl hij samen met Hajo de drenkelingen op het vlot heesch.„Gchoskrimmeneel!” stamelde Harmen.En Padde’s tong was van den schrik nog verlamd.„Wou hij jullie wat doen?” vroeg Hajo.„Hij kwam een handje geven!” zei Harmen.Padde rilde.„’k Had hem nog wel even een mep kunnen verkoopen vóór ik naar beneden dook!” hakte Harmen op. „Maar ik was bang, dat Padde het kind van de rekening zou worden! Wil je wel gelooven, dat ik hem eerst voor eenventhield?”Padde vond zijn spraak terug. „Was ’t dan geen vent?!” stamelde hij. „Ik dacht.…. een m-menscheneter!”„’n Menscheneter!” schimpte Harmen. „Een doodgewone rot-aap!”„Had ik dat geweten.….!” zuchtte Padde.„Nou, wat dan?” vroeg Harmen. „Had je hem dan je broek teruggevraagd?”„Kom, jongens! We moeten verder!” maande Rolf.Ze stootten het vlot weer van den wal en zakten de rivier af tot de zon onderging en ze voor den nacht een geschikte „ankerplaats” hadden gevonden. Terwijl de andere drie jongens hun krachten gingen wijden aan de vervaardiging van nog enkele vischsnoeren, schrapte Harmen Padde’s vangst van dien morgen schoon.Na den maaltijd gingen de zwervers als gewoonlijk nog even bijeen zitten. Maar Dolimah’s afwezigheid schrijnde. Ze sprongen op, zochten wat gras bijeen tot een hoofdkussen, gooiden hout op het vuur en legden zich te rusten. Dicht bij het vuur, waar de muskieten niet zoo gonsden.[439]Eerst laat sliepen ze in. Hun gedachten waren bij Dolimah. Hoe ver zou ze al op weg zijn? Ze zagen haar tenger figuurtje eenzaam dwalen over het in zonnebrand gloeiende plateau. Een lieven duit hadden ze er voor over om te weten, of hun kleine, ontrouwe beschermheilige veilig en wel bij Saleiman zou belanden.Hun hart schoot vol. In droef peinzen vielen ze in slaap.De morgen schonk nieuwe levensvreugde. Toen de jongens ontwaakten, hing er nog een lichte nevel over het water; het was een weinig frisch. Maar toen ze even ondergedompeld waren, geplast en geploeterd hadden, werden ze lekker warm. Padde, die zijn vischtuig in orde had gemaakt met de bedoeling voor een ontbijt te zorgen, verlangde rust om zich heen, en de andere jongens gingen op het land wat speerwerpen. Harmen gooide het minst zuiver van alle drie, maar hij haalde met zoo’n kracht uit, dat de speer dwars door den stam van een grooten pisangboom vloog en in een volgenden nog halverwege zitten bleef.Ze hadden honger gekregen, en die honger kon bevredigd worden dank zij het feit, dat Padde in den tijd, dat de anderen zich lekker warm gestoeid hadden, rillend op den kant van het vlot was gaan zitten en, turend naar zijn dobber, kort achtereen vier ferme visschen op het dek had laten spartelen. Schrappen, schoonmaken en braden was voor de hongerige klanten het werk van een oogenblik. Het warme voedsel smaakte op de nuchtere maag alsof het in de boter was gebakken. „Ze moeten van het water in eenen in je maag zwemmen, dan zijn ze lekker!” lichtte Harmen toe.Toen gooiden ze de kabels los en stuurden weer naar het midden der rivier.De zon fonkelde al tusschen de boomen; het was nu heerlijk op het water. Harmen begon te zingen; Hajo en Rolf stemden er mee in, en Padde, die op het midden van het vlot met opgetrokken knieën languit naar den hemel lag te staren, deed een zware bas na en trommelde met de vuisten op het dek. Toen kon Joppie zijn zanglust ook niet meer bedwingen. Met Harmens medewerking vloog hij overboord, krabbelde[440]druipend weer op het dek, begon zich uit te schudden, waarbij Padde met een verwensching overeind wipte en zijn voet in krachtige aanraking met Joppie’s zitvlak bracht. Dit waardeerde Joppie zoo, dat hij met dankbaren oogopslag naar Padde toekroop en zijn voeten schoonlikte. Toen was de vrede weer gesloten, en hij en Padde vleiden zich als twee beproefde vrienden naast elkaar in het zonnetje.„Zoo’n vlot is je ware!” verzuchtte Padde. „Je komt vooruit en je doet er niks voor. En ’t ligt hier nog wel zoo lekker als in die smerige draagstoel van jullie. Daar hing zoo’n allerberoerdst luchtje aan!”De anderen vonden Padde wel wat ondankbaar. Maar ze konden hem dat nu niet onder het oog brengen, daar ze tijdelijk geheel in beslag waren genomen: de rivier maakte weer een bocht, en hier en daar lagen groote steenen, die slechts met veel stuurmanskunst ontweken konden worden.„’k Wou, dat het maar weer eens ging regenen en het water wat steeg!” zei Harmen. Maar meteen liet hij, krachtig duwend, het vlot naar den wal koersen. „Ziezoo!” zuchtte hij, toen het veilig achter een zwaren boom lag, „kijk nu die kant eens uit!”De anderen volgden met de oogen de richting. Tusschen de boomen, een eind verder aan de overzijde, steeg een blauwig tuiltje rook op, en toen de jongens scherp toekeken, zagen ze een atapen dak tusschen de bladeren schemeren.Hoe er langs te komen zonder te worden opgemerkt? „Zullen we tot het donker wachten?” vroeg Rolf.„En hier de heele dag zitten koekeloeren?” Harmen trok verachtelijk den neus op.„Als we het vlot eens op z’n eentje voorbij lieten drijven?” vroeg Hajo. „Dan zullen ze het niet zoo gauw opmerken! Ik ben alleen bang, dat het te vroeg tegen de kant stoot, vóór het voorbij het dorp is, bedoel ik.”„Dat kunnen we van te voren zien!” meende Rolf. „We zullen eens een stuk hout in het water gooien en zien welke weg het neemt!”„Ja!” Allen, op Padde na, doorzagen Rolfs plan. Harmen wierp een stuk hout een eindje de rivier in. De knapen volgden[441]het met de oogen. Het kwam tot aan het dorp, raakte daar in een zijstrooming, dreef dicht langs den kant en bleef tenslotte steken.„Niet ver genoeg”, meende Rolf. „Gooi eens naar het midden van het water?”Nu scheen het stuk hout den goeden weg te zullen nemen! Maar plots schoot het in dezelfde zijstrooming als het vorige. De rivier schitterde in het zonlicht; de oogen deden er pijn van. Harmen nam een derde stuk hout en wierp het uit alle macht tot vlak aan den overkant van de rivier. Dit scheen de plaats te zijn om het vlot af te stooten, want, zoolang de oogen het stuk bamboe konden volgen, bleef het vrij van den kant. „Nou, dan zijn we klaar!” zei Harmen verheugd, „we gaan op het vlot naar de overkant, laten het daar afdrijven en volgen het! Kom, Hajo, wij nemen samen de kant van de kampong, dan zie je nog eens wat. Als jij met Padde deze oever afloopt, Rolf, hoeft er in geen geval iemand over te zwemmen om het vlot weer op te pikken!”„Als jij langs die kampong moet, Harmen, gebeuren er ongelukken!” meende Rolf.„Larie!” zei Harmen. „Ik ben zoo voorzichtig als m’n tante,—die loopt den heelen dag met haar slaapmuts op, uit angst, dat ze ’m ’s avonds vergeten zal.”„In elk geval wil ik bij je zijn!” stelde Rolf vast. „Ga jij met Padde langs deze oever, Hajo.”Zoo werd de afspraak. Joppie besloot, na eenig aarzelen, bij Rolf en Harmen zijn diensten aan te bieden.De laatsten sleepten het vlot een eind stroomopwaarts, zoodat het bij het oversturen ongeveer op de plaats aanlandde waar het stuk bamboe zijn reis begonnen was.„Als ze ’t nu maar niet inpalmen!” zuchtte Rolf.Harmen had in gepeinzen een oogenblik gezwegen. „Weet je wat?” zei hij. „Ik ga mee! Om het weer los te binden, als die nikkers het soms ’ns zouden kapen!”„Harmen.….?!”„Val niet van je stokkie! Ik ga er niet op zitten! Ik kruiper onder, dan zien ze me niet!”„Daar heb je immers geen lucht?!”[442]„Harremen heit geen lucht noodig”, stelde Harmen vast. „Het vlot ligt hoog; als ik m’n kop tusschen de bamboes steek, heb ik lucht zat. Ga je mee, Joppie?” Harmen stootte het vlot los, liet Joppie met een fermen zwaai op het bamboezen dek verhuizen, sprong zelf in het water en dook onder het vlot weg. „Ajuus!” klonk het even later onder het afdrijvende gevaarte, en, om de plaats aan te duiden waar hij lag, spoot Harmen door een spleet van het dek een straaltje water omhoog, zoodat Joppie, die toch al in de war was, er verschrikt van achteruitsprong.Terwijl Rolf den vierpootigen schipper zag wegvaren, bekende hij zich zelf, door Harmen overrompeld te zijn. Het gedurfde aan Harmen’s dwazen inval had hem bekoord, en door het vlot na te springen en weer aan wal te brengen zou hij nu het gevaar nog maar vergrooten.Joppie jammerde klagend. „Hou je bek, Joppie!” klonk het onder het bamboezen dek. „Harremen is immers bij je?”Maar Joppie bleef droef gestemd. Hij snuffelde angstig langs alle kanten het vlot af, ging tenslotte op zijn achterpooten zitten, sperde den bek open en begon met omhooggeheven kop klagend en erbarmelijk te gillen in één langgerekten toon, zooals alleen een Indische kampong-gladakker in zijn droefste stemming gillen kan.Verre van rustig, volgde Rolf met de oogen het vlot. Zie, daar gleed het langs het dorp en.…. groote genade! achter de boomen aan den oever stak een prauw vol naakte jongens de rivier in. Ze pagaaiden, opgewonden schreeuwend, naar het vlot.…. en sprongen er op.Zeemeeuw.[443]
[Inhoud]PADDE STUIT OP EEN MENSCHENETERPADDE STUIT OP EEN MENSCHENETERToen de jongens den volgenden morgen merkten, dat ze te midden van bloemen lagen en Dolimah’s slaapplaats verlaten zagen, begrepen ze. Ze konden hun tranen niet bedwingen en schaamden er zich niet voor.„Wat moeten we doen?” vroeg Harmen.„Niets”, zei Rolf mat. „We kunnen haar toch niet meer inhalen.”De jongens zwegen even. „Wat een schat van een meid, hè?” viel Harmen plots uit. „Om die bloemen hier neer te leggen!”Rolf haalde diep adem, als drukte hem iets op de borst. „We moeten hier weg”, zei hij. „Ik.…. ik houd het hier niet meer uit!”„Rolf!” snikte Padde. „Ik óók niet! Soms voel ik het ineens. Nu Dolimah weg is.….”Met een ruk sprongen de jongens overeind. Vooruit! Niet meer getalmd!Verwoed gingen ze verder met den bouw van het vlot. Het was, of hun strijd eensklaps grimmiger was geworden. Met opeengeklemde tanden werkten ze. Zonder scherts. Zonder kleine kibbelarijen. ZemoestenBantem bereiken,—de handen ineen, jongens! Geef den moed niet op! Padde ging weer visschen in de kreek, om leeftocht op te doen; Hajo hakte rotankoorden voor het vlot; Harmen en Rolf spleten bamboetjes en snoerden ze vast op het houten geraamte.[435]De zon scheen; de vogels kwinkeleerden; de bloemen vouwden zich open voor de kapellen.Tegen den middag kwam het vlot gereed. Achterin was een opening gelaten om een bamboesteel door te steken, die als roer gebruikt zou worden. „Ziezoo!” zei Rolf. „Nu moeten we het in het water zien te krijgen! Kom je helpen, Hajo? En jij ook, Padde?”Met vereende krachten en na veel wrikken en duwen kregen ze het vlot drijvend, meerden het met een paar rotankoorden aan den oever. Toen de jongens aan boord sprongen, scheen het er nauwelijks iets door te zinken.„Ziezoo, nu een paar sterke boomen om het te sturen”, zuchtte Rolf. „Heb jij nog wat gevangen, Padde?”„Een heel zoodje”, zei Padde. „Ze zitten er wel, als je ze maar vangen kunt.”„Wacht! Laten we het vuur niet vergeten!” riep Harmen. Voor op het dek werd een laagje klei in de bamboe vastgestampt, en Harmen bracht een paar brandende stukken hout over, waarmee hij een nieuw vuurtje aanlegde. Toen hakten de jongens nog een paar bamboestelen af, om als afzetboomen te gebruiken.„Alles klaar?”„Ja! Kom, Joppie!”Joppie sprong aan boord, en de kabels vlogen los. De jongens stuurden naar het midden van de rivier; Harmen ging met een boom voorop staan, Hajo en Rolf achterop, zoo hadden ze het vlot goed in bedwang. Padde en Joppie zagen toe, of alles ging zooals het gaan moest.De stroom was sterk, maar gelukkig lagen er geen zware steenen in het water. Per slot van rekening was het vlot toch maar met touwen vastgeknoopt, en het zou er bedenkelijk uitzien, wanneer het in een stevig vaartje tegen een bergsteen zou oprammen.Maar nu gleed het snel en veilig voort in de rivier, die zich bij een bocht nog verbreedde. Zonnehitte zengde den jongens rug en schouders.Geen van hen had gelegenheid gehad, nog even om te zien en afscheid te nemen van de plaats waar ze gisterenavond[436]nog met Dolimah hadden gezeten. Zewildenimmers ook niet omzien? Voorwaarts! Naar Bantem! Naar de zee!De rivier bood een grootschen aanblik. Duizelingwekkend hoog rezen aan den oever de stammen op, zoo zwaar, dat drie man ze nauwelijks omspannen konden. Er waren allerlei kleuren stammen: met donker mos begroeide en ook gladde, lichtgrijze stammen met schilfers, en roodbruine stammen, diepgegroefd; dan groeide hier en daar een waringin, onder welks machtige takken steltwortels stonden als pijlers onder een brug. En tusschen al die zuilen, waar in grootschen val het licht doorsloeg, hingen als feestelijke guirlanden de bloemranken der slingerplanten.Bij een nieuwe bocht schoot het vlot onverwachts onder een boom door, die geheel over het water hing. De jongens zagen geen kans meer de vaart in te houden en wisten niet beter te doen dan maar vlug door de takken te klauteren. Allen, ook Joppie, stonden weer op het vlot vóór het geheel onder den boom was doorgegleden. Allen,—behalve Padde. Die kwam te laat. Uit kameraadschap trok Harmen zich maar weer aan een tak op. Het vlot gleed met de anderen voort. Dezen stuurden het naar den kant en meerden het.Padde, verre van dankbaar voor Harmens hulpvaardigheid, ontving hem met schimpscheuten. „Daar!” zei hij verwijtend, „daar gaat het vlot nou! Kon jij ’t niet even tegenhouden?”„Ik geloof, dat jij het water weer in wilt, leelijke pepernoot!” schold Harmen. „Alleen om jou te helpen ben ik in die boom geklommen! Ik stond alweer een uur op het vlot!”„Ik wou, dat je d’r nog stond!” verzekerde Padde. „’k Heb die hulp van jou niet noodig. Ik kom wel alleen aan wal.”—Padde snoof de lucht op. „Vind je niet, dat ’t hier weer erg naar die vrucht stinkt, weet je wel: die Hajo en Rolf hebben gegeten?”„’k Ruik hier niks”, zei Harmen. „Maar ’k mag lijden, dat ’t daar bij jou zoo stinkt, dat je van katterigheid de boom uitrolt.—Wat heb je?” vroeg Harmen verbaasd, toen hij zag, dat Padde met ontzette oogen naar iets staarde.Geen antwoord. Harmen gluurde in de richting, die Padde’s[437]starende blik aanduidde en.….! Op een dikken tak, behagelijk achterover geleund, zat een roodbruine, staartlooze aap, zoo groot als Harmen niet geloofd had dat een aap ooit worden kon. Het dier, dat in den harigen arm een geopende doerian klemde en daaruit smakelijk zat te eten, had den kauwenden, angstwekkend menschelijken kop naar de jongens gekeerd, alsof hij wilde zeggen: „Zoo, zijn jullie daar ook weer?” Hij hield tusschen de vingers van zijn rechterhand een roomachtig stuk doerian-vleesch. Een der korte pooten lag vadzig uitgestrekt.Orang-oetan.Het duizelde Harmen.Hij wilde „tabeh!” zeggen, slikte het woord echter weer in en staarde, juist als Padde, betooverd naar den genoegelijk smakkenden mensch-aap.[438]Plots scheen het dier vertoornd te worden; het liet de doerian in het water plonzen, trok grimmig de bovenlip op, zoodat de zware tanden bloot kwamen. Toen stootte het monster een diep, zwaar gebrul uit, richtte zich in volle lengte op!.…. en twee Hollandsche kwajongens tuimelden achterover het water in.De aap klom traag en log langs zware takken omhoog tot in den kruin van een boom.„Een orang-oetan!” riep Rolf, terwijl hij samen met Hajo de drenkelingen op het vlot heesch.„Gchoskrimmeneel!” stamelde Harmen.En Padde’s tong was van den schrik nog verlamd.„Wou hij jullie wat doen?” vroeg Hajo.„Hij kwam een handje geven!” zei Harmen.Padde rilde.„’k Had hem nog wel even een mep kunnen verkoopen vóór ik naar beneden dook!” hakte Harmen op. „Maar ik was bang, dat Padde het kind van de rekening zou worden! Wil je wel gelooven, dat ik hem eerst voor eenventhield?”Padde vond zijn spraak terug. „Was ’t dan geen vent?!” stamelde hij. „Ik dacht.…. een m-menscheneter!”„’n Menscheneter!” schimpte Harmen. „Een doodgewone rot-aap!”„Had ik dat geweten.….!” zuchtte Padde.„Nou, wat dan?” vroeg Harmen. „Had je hem dan je broek teruggevraagd?”„Kom, jongens! We moeten verder!” maande Rolf.Ze stootten het vlot weer van den wal en zakten de rivier af tot de zon onderging en ze voor den nacht een geschikte „ankerplaats” hadden gevonden. Terwijl de andere drie jongens hun krachten gingen wijden aan de vervaardiging van nog enkele vischsnoeren, schrapte Harmen Padde’s vangst van dien morgen schoon.Na den maaltijd gingen de zwervers als gewoonlijk nog even bijeen zitten. Maar Dolimah’s afwezigheid schrijnde. Ze sprongen op, zochten wat gras bijeen tot een hoofdkussen, gooiden hout op het vuur en legden zich te rusten. Dicht bij het vuur, waar de muskieten niet zoo gonsden.[439]Eerst laat sliepen ze in. Hun gedachten waren bij Dolimah. Hoe ver zou ze al op weg zijn? Ze zagen haar tenger figuurtje eenzaam dwalen over het in zonnebrand gloeiende plateau. Een lieven duit hadden ze er voor over om te weten, of hun kleine, ontrouwe beschermheilige veilig en wel bij Saleiman zou belanden.Hun hart schoot vol. In droef peinzen vielen ze in slaap.De morgen schonk nieuwe levensvreugde. Toen de jongens ontwaakten, hing er nog een lichte nevel over het water; het was een weinig frisch. Maar toen ze even ondergedompeld waren, geplast en geploeterd hadden, werden ze lekker warm. Padde, die zijn vischtuig in orde had gemaakt met de bedoeling voor een ontbijt te zorgen, verlangde rust om zich heen, en de andere jongens gingen op het land wat speerwerpen. Harmen gooide het minst zuiver van alle drie, maar hij haalde met zoo’n kracht uit, dat de speer dwars door den stam van een grooten pisangboom vloog en in een volgenden nog halverwege zitten bleef.Ze hadden honger gekregen, en die honger kon bevredigd worden dank zij het feit, dat Padde in den tijd, dat de anderen zich lekker warm gestoeid hadden, rillend op den kant van het vlot was gaan zitten en, turend naar zijn dobber, kort achtereen vier ferme visschen op het dek had laten spartelen. Schrappen, schoonmaken en braden was voor de hongerige klanten het werk van een oogenblik. Het warme voedsel smaakte op de nuchtere maag alsof het in de boter was gebakken. „Ze moeten van het water in eenen in je maag zwemmen, dan zijn ze lekker!” lichtte Harmen toe.Toen gooiden ze de kabels los en stuurden weer naar het midden der rivier.De zon fonkelde al tusschen de boomen; het was nu heerlijk op het water. Harmen begon te zingen; Hajo en Rolf stemden er mee in, en Padde, die op het midden van het vlot met opgetrokken knieën languit naar den hemel lag te staren, deed een zware bas na en trommelde met de vuisten op het dek. Toen kon Joppie zijn zanglust ook niet meer bedwingen. Met Harmens medewerking vloog hij overboord, krabbelde[440]druipend weer op het dek, begon zich uit te schudden, waarbij Padde met een verwensching overeind wipte en zijn voet in krachtige aanraking met Joppie’s zitvlak bracht. Dit waardeerde Joppie zoo, dat hij met dankbaren oogopslag naar Padde toekroop en zijn voeten schoonlikte. Toen was de vrede weer gesloten, en hij en Padde vleiden zich als twee beproefde vrienden naast elkaar in het zonnetje.„Zoo’n vlot is je ware!” verzuchtte Padde. „Je komt vooruit en je doet er niks voor. En ’t ligt hier nog wel zoo lekker als in die smerige draagstoel van jullie. Daar hing zoo’n allerberoerdst luchtje aan!”De anderen vonden Padde wel wat ondankbaar. Maar ze konden hem dat nu niet onder het oog brengen, daar ze tijdelijk geheel in beslag waren genomen: de rivier maakte weer een bocht, en hier en daar lagen groote steenen, die slechts met veel stuurmanskunst ontweken konden worden.„’k Wou, dat het maar weer eens ging regenen en het water wat steeg!” zei Harmen. Maar meteen liet hij, krachtig duwend, het vlot naar den wal koersen. „Ziezoo!” zuchtte hij, toen het veilig achter een zwaren boom lag, „kijk nu die kant eens uit!”De anderen volgden met de oogen de richting. Tusschen de boomen, een eind verder aan de overzijde, steeg een blauwig tuiltje rook op, en toen de jongens scherp toekeken, zagen ze een atapen dak tusschen de bladeren schemeren.Hoe er langs te komen zonder te worden opgemerkt? „Zullen we tot het donker wachten?” vroeg Rolf.„En hier de heele dag zitten koekeloeren?” Harmen trok verachtelijk den neus op.„Als we het vlot eens op z’n eentje voorbij lieten drijven?” vroeg Hajo. „Dan zullen ze het niet zoo gauw opmerken! Ik ben alleen bang, dat het te vroeg tegen de kant stoot, vóór het voorbij het dorp is, bedoel ik.”„Dat kunnen we van te voren zien!” meende Rolf. „We zullen eens een stuk hout in het water gooien en zien welke weg het neemt!”„Ja!” Allen, op Padde na, doorzagen Rolfs plan. Harmen wierp een stuk hout een eindje de rivier in. De knapen volgden[441]het met de oogen. Het kwam tot aan het dorp, raakte daar in een zijstrooming, dreef dicht langs den kant en bleef tenslotte steken.„Niet ver genoeg”, meende Rolf. „Gooi eens naar het midden van het water?”Nu scheen het stuk hout den goeden weg te zullen nemen! Maar plots schoot het in dezelfde zijstrooming als het vorige. De rivier schitterde in het zonlicht; de oogen deden er pijn van. Harmen nam een derde stuk hout en wierp het uit alle macht tot vlak aan den overkant van de rivier. Dit scheen de plaats te zijn om het vlot af te stooten, want, zoolang de oogen het stuk bamboe konden volgen, bleef het vrij van den kant. „Nou, dan zijn we klaar!” zei Harmen verheugd, „we gaan op het vlot naar de overkant, laten het daar afdrijven en volgen het! Kom, Hajo, wij nemen samen de kant van de kampong, dan zie je nog eens wat. Als jij met Padde deze oever afloopt, Rolf, hoeft er in geen geval iemand over te zwemmen om het vlot weer op te pikken!”„Als jij langs die kampong moet, Harmen, gebeuren er ongelukken!” meende Rolf.„Larie!” zei Harmen. „Ik ben zoo voorzichtig als m’n tante,—die loopt den heelen dag met haar slaapmuts op, uit angst, dat ze ’m ’s avonds vergeten zal.”„In elk geval wil ik bij je zijn!” stelde Rolf vast. „Ga jij met Padde langs deze oever, Hajo.”Zoo werd de afspraak. Joppie besloot, na eenig aarzelen, bij Rolf en Harmen zijn diensten aan te bieden.De laatsten sleepten het vlot een eind stroomopwaarts, zoodat het bij het oversturen ongeveer op de plaats aanlandde waar het stuk bamboe zijn reis begonnen was.„Als ze ’t nu maar niet inpalmen!” zuchtte Rolf.Harmen had in gepeinzen een oogenblik gezwegen. „Weet je wat?” zei hij. „Ik ga mee! Om het weer los te binden, als die nikkers het soms ’ns zouden kapen!”„Harmen.….?!”„Val niet van je stokkie! Ik ga er niet op zitten! Ik kruiper onder, dan zien ze me niet!”„Daar heb je immers geen lucht?!”[442]„Harremen heit geen lucht noodig”, stelde Harmen vast. „Het vlot ligt hoog; als ik m’n kop tusschen de bamboes steek, heb ik lucht zat. Ga je mee, Joppie?” Harmen stootte het vlot los, liet Joppie met een fermen zwaai op het bamboezen dek verhuizen, sprong zelf in het water en dook onder het vlot weg. „Ajuus!” klonk het even later onder het afdrijvende gevaarte, en, om de plaats aan te duiden waar hij lag, spoot Harmen door een spleet van het dek een straaltje water omhoog, zoodat Joppie, die toch al in de war was, er verschrikt van achteruitsprong.Terwijl Rolf den vierpootigen schipper zag wegvaren, bekende hij zich zelf, door Harmen overrompeld te zijn. Het gedurfde aan Harmen’s dwazen inval had hem bekoord, en door het vlot na te springen en weer aan wal te brengen zou hij nu het gevaar nog maar vergrooten.Joppie jammerde klagend. „Hou je bek, Joppie!” klonk het onder het bamboezen dek. „Harremen is immers bij je?”Maar Joppie bleef droef gestemd. Hij snuffelde angstig langs alle kanten het vlot af, ging tenslotte op zijn achterpooten zitten, sperde den bek open en begon met omhooggeheven kop klagend en erbarmelijk te gillen in één langgerekten toon, zooals alleen een Indische kampong-gladakker in zijn droefste stemming gillen kan.Verre van rustig, volgde Rolf met de oogen het vlot. Zie, daar gleed het langs het dorp en.…. groote genade! achter de boomen aan den oever stak een prauw vol naakte jongens de rivier in. Ze pagaaiden, opgewonden schreeuwend, naar het vlot.…. en sprongen er op.Zeemeeuw.[443]
[Inhoud]PADDE STUIT OP EEN MENSCHENETERPADDE STUIT OP EEN MENSCHENETERToen de jongens den volgenden morgen merkten, dat ze te midden van bloemen lagen en Dolimah’s slaapplaats verlaten zagen, begrepen ze. Ze konden hun tranen niet bedwingen en schaamden er zich niet voor.„Wat moeten we doen?” vroeg Harmen.„Niets”, zei Rolf mat. „We kunnen haar toch niet meer inhalen.”De jongens zwegen even. „Wat een schat van een meid, hè?” viel Harmen plots uit. „Om die bloemen hier neer te leggen!”Rolf haalde diep adem, als drukte hem iets op de borst. „We moeten hier weg”, zei hij. „Ik.…. ik houd het hier niet meer uit!”„Rolf!” snikte Padde. „Ik óók niet! Soms voel ik het ineens. Nu Dolimah weg is.….”Met een ruk sprongen de jongens overeind. Vooruit! Niet meer getalmd!Verwoed gingen ze verder met den bouw van het vlot. Het was, of hun strijd eensklaps grimmiger was geworden. Met opeengeklemde tanden werkten ze. Zonder scherts. Zonder kleine kibbelarijen. ZemoestenBantem bereiken,—de handen ineen, jongens! Geef den moed niet op! Padde ging weer visschen in de kreek, om leeftocht op te doen; Hajo hakte rotankoorden voor het vlot; Harmen en Rolf spleten bamboetjes en snoerden ze vast op het houten geraamte.[435]De zon scheen; de vogels kwinkeleerden; de bloemen vouwden zich open voor de kapellen.Tegen den middag kwam het vlot gereed. Achterin was een opening gelaten om een bamboesteel door te steken, die als roer gebruikt zou worden. „Ziezoo!” zei Rolf. „Nu moeten we het in het water zien te krijgen! Kom je helpen, Hajo? En jij ook, Padde?”Met vereende krachten en na veel wrikken en duwen kregen ze het vlot drijvend, meerden het met een paar rotankoorden aan den oever. Toen de jongens aan boord sprongen, scheen het er nauwelijks iets door te zinken.„Ziezoo, nu een paar sterke boomen om het te sturen”, zuchtte Rolf. „Heb jij nog wat gevangen, Padde?”„Een heel zoodje”, zei Padde. „Ze zitten er wel, als je ze maar vangen kunt.”„Wacht! Laten we het vuur niet vergeten!” riep Harmen. Voor op het dek werd een laagje klei in de bamboe vastgestampt, en Harmen bracht een paar brandende stukken hout over, waarmee hij een nieuw vuurtje aanlegde. Toen hakten de jongens nog een paar bamboestelen af, om als afzetboomen te gebruiken.„Alles klaar?”„Ja! Kom, Joppie!”Joppie sprong aan boord, en de kabels vlogen los. De jongens stuurden naar het midden van de rivier; Harmen ging met een boom voorop staan, Hajo en Rolf achterop, zoo hadden ze het vlot goed in bedwang. Padde en Joppie zagen toe, of alles ging zooals het gaan moest.De stroom was sterk, maar gelukkig lagen er geen zware steenen in het water. Per slot van rekening was het vlot toch maar met touwen vastgeknoopt, en het zou er bedenkelijk uitzien, wanneer het in een stevig vaartje tegen een bergsteen zou oprammen.Maar nu gleed het snel en veilig voort in de rivier, die zich bij een bocht nog verbreedde. Zonnehitte zengde den jongens rug en schouders.Geen van hen had gelegenheid gehad, nog even om te zien en afscheid te nemen van de plaats waar ze gisterenavond[436]nog met Dolimah hadden gezeten. Zewildenimmers ook niet omzien? Voorwaarts! Naar Bantem! Naar de zee!De rivier bood een grootschen aanblik. Duizelingwekkend hoog rezen aan den oever de stammen op, zoo zwaar, dat drie man ze nauwelijks omspannen konden. Er waren allerlei kleuren stammen: met donker mos begroeide en ook gladde, lichtgrijze stammen met schilfers, en roodbruine stammen, diepgegroefd; dan groeide hier en daar een waringin, onder welks machtige takken steltwortels stonden als pijlers onder een brug. En tusschen al die zuilen, waar in grootschen val het licht doorsloeg, hingen als feestelijke guirlanden de bloemranken der slingerplanten.Bij een nieuwe bocht schoot het vlot onverwachts onder een boom door, die geheel over het water hing. De jongens zagen geen kans meer de vaart in te houden en wisten niet beter te doen dan maar vlug door de takken te klauteren. Allen, ook Joppie, stonden weer op het vlot vóór het geheel onder den boom was doorgegleden. Allen,—behalve Padde. Die kwam te laat. Uit kameraadschap trok Harmen zich maar weer aan een tak op. Het vlot gleed met de anderen voort. Dezen stuurden het naar den kant en meerden het.Padde, verre van dankbaar voor Harmens hulpvaardigheid, ontving hem met schimpscheuten. „Daar!” zei hij verwijtend, „daar gaat het vlot nou! Kon jij ’t niet even tegenhouden?”„Ik geloof, dat jij het water weer in wilt, leelijke pepernoot!” schold Harmen. „Alleen om jou te helpen ben ik in die boom geklommen! Ik stond alweer een uur op het vlot!”„Ik wou, dat je d’r nog stond!” verzekerde Padde. „’k Heb die hulp van jou niet noodig. Ik kom wel alleen aan wal.”—Padde snoof de lucht op. „Vind je niet, dat ’t hier weer erg naar die vrucht stinkt, weet je wel: die Hajo en Rolf hebben gegeten?”„’k Ruik hier niks”, zei Harmen. „Maar ’k mag lijden, dat ’t daar bij jou zoo stinkt, dat je van katterigheid de boom uitrolt.—Wat heb je?” vroeg Harmen verbaasd, toen hij zag, dat Padde met ontzette oogen naar iets staarde.Geen antwoord. Harmen gluurde in de richting, die Padde’s[437]starende blik aanduidde en.….! Op een dikken tak, behagelijk achterover geleund, zat een roodbruine, staartlooze aap, zoo groot als Harmen niet geloofd had dat een aap ooit worden kon. Het dier, dat in den harigen arm een geopende doerian klemde en daaruit smakelijk zat te eten, had den kauwenden, angstwekkend menschelijken kop naar de jongens gekeerd, alsof hij wilde zeggen: „Zoo, zijn jullie daar ook weer?” Hij hield tusschen de vingers van zijn rechterhand een roomachtig stuk doerian-vleesch. Een der korte pooten lag vadzig uitgestrekt.Orang-oetan.Het duizelde Harmen.Hij wilde „tabeh!” zeggen, slikte het woord echter weer in en staarde, juist als Padde, betooverd naar den genoegelijk smakkenden mensch-aap.[438]Plots scheen het dier vertoornd te worden; het liet de doerian in het water plonzen, trok grimmig de bovenlip op, zoodat de zware tanden bloot kwamen. Toen stootte het monster een diep, zwaar gebrul uit, richtte zich in volle lengte op!.…. en twee Hollandsche kwajongens tuimelden achterover het water in.De aap klom traag en log langs zware takken omhoog tot in den kruin van een boom.„Een orang-oetan!” riep Rolf, terwijl hij samen met Hajo de drenkelingen op het vlot heesch.„Gchoskrimmeneel!” stamelde Harmen.En Padde’s tong was van den schrik nog verlamd.„Wou hij jullie wat doen?” vroeg Hajo.„Hij kwam een handje geven!” zei Harmen.Padde rilde.„’k Had hem nog wel even een mep kunnen verkoopen vóór ik naar beneden dook!” hakte Harmen op. „Maar ik was bang, dat Padde het kind van de rekening zou worden! Wil je wel gelooven, dat ik hem eerst voor eenventhield?”Padde vond zijn spraak terug. „Was ’t dan geen vent?!” stamelde hij. „Ik dacht.…. een m-menscheneter!”„’n Menscheneter!” schimpte Harmen. „Een doodgewone rot-aap!”„Had ik dat geweten.….!” zuchtte Padde.„Nou, wat dan?” vroeg Harmen. „Had je hem dan je broek teruggevraagd?”„Kom, jongens! We moeten verder!” maande Rolf.Ze stootten het vlot weer van den wal en zakten de rivier af tot de zon onderging en ze voor den nacht een geschikte „ankerplaats” hadden gevonden. Terwijl de andere drie jongens hun krachten gingen wijden aan de vervaardiging van nog enkele vischsnoeren, schrapte Harmen Padde’s vangst van dien morgen schoon.Na den maaltijd gingen de zwervers als gewoonlijk nog even bijeen zitten. Maar Dolimah’s afwezigheid schrijnde. Ze sprongen op, zochten wat gras bijeen tot een hoofdkussen, gooiden hout op het vuur en legden zich te rusten. Dicht bij het vuur, waar de muskieten niet zoo gonsden.[439]Eerst laat sliepen ze in. Hun gedachten waren bij Dolimah. Hoe ver zou ze al op weg zijn? Ze zagen haar tenger figuurtje eenzaam dwalen over het in zonnebrand gloeiende plateau. Een lieven duit hadden ze er voor over om te weten, of hun kleine, ontrouwe beschermheilige veilig en wel bij Saleiman zou belanden.Hun hart schoot vol. In droef peinzen vielen ze in slaap.De morgen schonk nieuwe levensvreugde. Toen de jongens ontwaakten, hing er nog een lichte nevel over het water; het was een weinig frisch. Maar toen ze even ondergedompeld waren, geplast en geploeterd hadden, werden ze lekker warm. Padde, die zijn vischtuig in orde had gemaakt met de bedoeling voor een ontbijt te zorgen, verlangde rust om zich heen, en de andere jongens gingen op het land wat speerwerpen. Harmen gooide het minst zuiver van alle drie, maar hij haalde met zoo’n kracht uit, dat de speer dwars door den stam van een grooten pisangboom vloog en in een volgenden nog halverwege zitten bleef.Ze hadden honger gekregen, en die honger kon bevredigd worden dank zij het feit, dat Padde in den tijd, dat de anderen zich lekker warm gestoeid hadden, rillend op den kant van het vlot was gaan zitten en, turend naar zijn dobber, kort achtereen vier ferme visschen op het dek had laten spartelen. Schrappen, schoonmaken en braden was voor de hongerige klanten het werk van een oogenblik. Het warme voedsel smaakte op de nuchtere maag alsof het in de boter was gebakken. „Ze moeten van het water in eenen in je maag zwemmen, dan zijn ze lekker!” lichtte Harmen toe.Toen gooiden ze de kabels los en stuurden weer naar het midden der rivier.De zon fonkelde al tusschen de boomen; het was nu heerlijk op het water. Harmen begon te zingen; Hajo en Rolf stemden er mee in, en Padde, die op het midden van het vlot met opgetrokken knieën languit naar den hemel lag te staren, deed een zware bas na en trommelde met de vuisten op het dek. Toen kon Joppie zijn zanglust ook niet meer bedwingen. Met Harmens medewerking vloog hij overboord, krabbelde[440]druipend weer op het dek, begon zich uit te schudden, waarbij Padde met een verwensching overeind wipte en zijn voet in krachtige aanraking met Joppie’s zitvlak bracht. Dit waardeerde Joppie zoo, dat hij met dankbaren oogopslag naar Padde toekroop en zijn voeten schoonlikte. Toen was de vrede weer gesloten, en hij en Padde vleiden zich als twee beproefde vrienden naast elkaar in het zonnetje.„Zoo’n vlot is je ware!” verzuchtte Padde. „Je komt vooruit en je doet er niks voor. En ’t ligt hier nog wel zoo lekker als in die smerige draagstoel van jullie. Daar hing zoo’n allerberoerdst luchtje aan!”De anderen vonden Padde wel wat ondankbaar. Maar ze konden hem dat nu niet onder het oog brengen, daar ze tijdelijk geheel in beslag waren genomen: de rivier maakte weer een bocht, en hier en daar lagen groote steenen, die slechts met veel stuurmanskunst ontweken konden worden.„’k Wou, dat het maar weer eens ging regenen en het water wat steeg!” zei Harmen. Maar meteen liet hij, krachtig duwend, het vlot naar den wal koersen. „Ziezoo!” zuchtte hij, toen het veilig achter een zwaren boom lag, „kijk nu die kant eens uit!”De anderen volgden met de oogen de richting. Tusschen de boomen, een eind verder aan de overzijde, steeg een blauwig tuiltje rook op, en toen de jongens scherp toekeken, zagen ze een atapen dak tusschen de bladeren schemeren.Hoe er langs te komen zonder te worden opgemerkt? „Zullen we tot het donker wachten?” vroeg Rolf.„En hier de heele dag zitten koekeloeren?” Harmen trok verachtelijk den neus op.„Als we het vlot eens op z’n eentje voorbij lieten drijven?” vroeg Hajo. „Dan zullen ze het niet zoo gauw opmerken! Ik ben alleen bang, dat het te vroeg tegen de kant stoot, vóór het voorbij het dorp is, bedoel ik.”„Dat kunnen we van te voren zien!” meende Rolf. „We zullen eens een stuk hout in het water gooien en zien welke weg het neemt!”„Ja!” Allen, op Padde na, doorzagen Rolfs plan. Harmen wierp een stuk hout een eindje de rivier in. De knapen volgden[441]het met de oogen. Het kwam tot aan het dorp, raakte daar in een zijstrooming, dreef dicht langs den kant en bleef tenslotte steken.„Niet ver genoeg”, meende Rolf. „Gooi eens naar het midden van het water?”Nu scheen het stuk hout den goeden weg te zullen nemen! Maar plots schoot het in dezelfde zijstrooming als het vorige. De rivier schitterde in het zonlicht; de oogen deden er pijn van. Harmen nam een derde stuk hout en wierp het uit alle macht tot vlak aan den overkant van de rivier. Dit scheen de plaats te zijn om het vlot af te stooten, want, zoolang de oogen het stuk bamboe konden volgen, bleef het vrij van den kant. „Nou, dan zijn we klaar!” zei Harmen verheugd, „we gaan op het vlot naar de overkant, laten het daar afdrijven en volgen het! Kom, Hajo, wij nemen samen de kant van de kampong, dan zie je nog eens wat. Als jij met Padde deze oever afloopt, Rolf, hoeft er in geen geval iemand over te zwemmen om het vlot weer op te pikken!”„Als jij langs die kampong moet, Harmen, gebeuren er ongelukken!” meende Rolf.„Larie!” zei Harmen. „Ik ben zoo voorzichtig als m’n tante,—die loopt den heelen dag met haar slaapmuts op, uit angst, dat ze ’m ’s avonds vergeten zal.”„In elk geval wil ik bij je zijn!” stelde Rolf vast. „Ga jij met Padde langs deze oever, Hajo.”Zoo werd de afspraak. Joppie besloot, na eenig aarzelen, bij Rolf en Harmen zijn diensten aan te bieden.De laatsten sleepten het vlot een eind stroomopwaarts, zoodat het bij het oversturen ongeveer op de plaats aanlandde waar het stuk bamboe zijn reis begonnen was.„Als ze ’t nu maar niet inpalmen!” zuchtte Rolf.Harmen had in gepeinzen een oogenblik gezwegen. „Weet je wat?” zei hij. „Ik ga mee! Om het weer los te binden, als die nikkers het soms ’ns zouden kapen!”„Harmen.….?!”„Val niet van je stokkie! Ik ga er niet op zitten! Ik kruiper onder, dan zien ze me niet!”„Daar heb je immers geen lucht?!”[442]„Harremen heit geen lucht noodig”, stelde Harmen vast. „Het vlot ligt hoog; als ik m’n kop tusschen de bamboes steek, heb ik lucht zat. Ga je mee, Joppie?” Harmen stootte het vlot los, liet Joppie met een fermen zwaai op het bamboezen dek verhuizen, sprong zelf in het water en dook onder het vlot weg. „Ajuus!” klonk het even later onder het afdrijvende gevaarte, en, om de plaats aan te duiden waar hij lag, spoot Harmen door een spleet van het dek een straaltje water omhoog, zoodat Joppie, die toch al in de war was, er verschrikt van achteruitsprong.Terwijl Rolf den vierpootigen schipper zag wegvaren, bekende hij zich zelf, door Harmen overrompeld te zijn. Het gedurfde aan Harmen’s dwazen inval had hem bekoord, en door het vlot na te springen en weer aan wal te brengen zou hij nu het gevaar nog maar vergrooten.Joppie jammerde klagend. „Hou je bek, Joppie!” klonk het onder het bamboezen dek. „Harremen is immers bij je?”Maar Joppie bleef droef gestemd. Hij snuffelde angstig langs alle kanten het vlot af, ging tenslotte op zijn achterpooten zitten, sperde den bek open en begon met omhooggeheven kop klagend en erbarmelijk te gillen in één langgerekten toon, zooals alleen een Indische kampong-gladakker in zijn droefste stemming gillen kan.Verre van rustig, volgde Rolf met de oogen het vlot. Zie, daar gleed het langs het dorp en.…. groote genade! achter de boomen aan den oever stak een prauw vol naakte jongens de rivier in. Ze pagaaiden, opgewonden schreeuwend, naar het vlot.…. en sprongen er op.Zeemeeuw.[443]
PADDE STUIT OP EEN MENSCHENETERPADDE STUIT OP EEN MENSCHENETER
PADDE STUIT OP EEN MENSCHENETER
Toen de jongens den volgenden morgen merkten, dat ze te midden van bloemen lagen en Dolimah’s slaapplaats verlaten zagen, begrepen ze. Ze konden hun tranen niet bedwingen en schaamden er zich niet voor.„Wat moeten we doen?” vroeg Harmen.„Niets”, zei Rolf mat. „We kunnen haar toch niet meer inhalen.”De jongens zwegen even. „Wat een schat van een meid, hè?” viel Harmen plots uit. „Om die bloemen hier neer te leggen!”Rolf haalde diep adem, als drukte hem iets op de borst. „We moeten hier weg”, zei hij. „Ik.…. ik houd het hier niet meer uit!”„Rolf!” snikte Padde. „Ik óók niet! Soms voel ik het ineens. Nu Dolimah weg is.….”Met een ruk sprongen de jongens overeind. Vooruit! Niet meer getalmd!Verwoed gingen ze verder met den bouw van het vlot. Het was, of hun strijd eensklaps grimmiger was geworden. Met opeengeklemde tanden werkten ze. Zonder scherts. Zonder kleine kibbelarijen. ZemoestenBantem bereiken,—de handen ineen, jongens! Geef den moed niet op! Padde ging weer visschen in de kreek, om leeftocht op te doen; Hajo hakte rotankoorden voor het vlot; Harmen en Rolf spleten bamboetjes en snoerden ze vast op het houten geraamte.[435]De zon scheen; de vogels kwinkeleerden; de bloemen vouwden zich open voor de kapellen.Tegen den middag kwam het vlot gereed. Achterin was een opening gelaten om een bamboesteel door te steken, die als roer gebruikt zou worden. „Ziezoo!” zei Rolf. „Nu moeten we het in het water zien te krijgen! Kom je helpen, Hajo? En jij ook, Padde?”Met vereende krachten en na veel wrikken en duwen kregen ze het vlot drijvend, meerden het met een paar rotankoorden aan den oever. Toen de jongens aan boord sprongen, scheen het er nauwelijks iets door te zinken.„Ziezoo, nu een paar sterke boomen om het te sturen”, zuchtte Rolf. „Heb jij nog wat gevangen, Padde?”„Een heel zoodje”, zei Padde. „Ze zitten er wel, als je ze maar vangen kunt.”„Wacht! Laten we het vuur niet vergeten!” riep Harmen. Voor op het dek werd een laagje klei in de bamboe vastgestampt, en Harmen bracht een paar brandende stukken hout over, waarmee hij een nieuw vuurtje aanlegde. Toen hakten de jongens nog een paar bamboestelen af, om als afzetboomen te gebruiken.„Alles klaar?”„Ja! Kom, Joppie!”Joppie sprong aan boord, en de kabels vlogen los. De jongens stuurden naar het midden van de rivier; Harmen ging met een boom voorop staan, Hajo en Rolf achterop, zoo hadden ze het vlot goed in bedwang. Padde en Joppie zagen toe, of alles ging zooals het gaan moest.De stroom was sterk, maar gelukkig lagen er geen zware steenen in het water. Per slot van rekening was het vlot toch maar met touwen vastgeknoopt, en het zou er bedenkelijk uitzien, wanneer het in een stevig vaartje tegen een bergsteen zou oprammen.Maar nu gleed het snel en veilig voort in de rivier, die zich bij een bocht nog verbreedde. Zonnehitte zengde den jongens rug en schouders.Geen van hen had gelegenheid gehad, nog even om te zien en afscheid te nemen van de plaats waar ze gisterenavond[436]nog met Dolimah hadden gezeten. Zewildenimmers ook niet omzien? Voorwaarts! Naar Bantem! Naar de zee!De rivier bood een grootschen aanblik. Duizelingwekkend hoog rezen aan den oever de stammen op, zoo zwaar, dat drie man ze nauwelijks omspannen konden. Er waren allerlei kleuren stammen: met donker mos begroeide en ook gladde, lichtgrijze stammen met schilfers, en roodbruine stammen, diepgegroefd; dan groeide hier en daar een waringin, onder welks machtige takken steltwortels stonden als pijlers onder een brug. En tusschen al die zuilen, waar in grootschen val het licht doorsloeg, hingen als feestelijke guirlanden de bloemranken der slingerplanten.Bij een nieuwe bocht schoot het vlot onverwachts onder een boom door, die geheel over het water hing. De jongens zagen geen kans meer de vaart in te houden en wisten niet beter te doen dan maar vlug door de takken te klauteren. Allen, ook Joppie, stonden weer op het vlot vóór het geheel onder den boom was doorgegleden. Allen,—behalve Padde. Die kwam te laat. Uit kameraadschap trok Harmen zich maar weer aan een tak op. Het vlot gleed met de anderen voort. Dezen stuurden het naar den kant en meerden het.Padde, verre van dankbaar voor Harmens hulpvaardigheid, ontving hem met schimpscheuten. „Daar!” zei hij verwijtend, „daar gaat het vlot nou! Kon jij ’t niet even tegenhouden?”„Ik geloof, dat jij het water weer in wilt, leelijke pepernoot!” schold Harmen. „Alleen om jou te helpen ben ik in die boom geklommen! Ik stond alweer een uur op het vlot!”„Ik wou, dat je d’r nog stond!” verzekerde Padde. „’k Heb die hulp van jou niet noodig. Ik kom wel alleen aan wal.”—Padde snoof de lucht op. „Vind je niet, dat ’t hier weer erg naar die vrucht stinkt, weet je wel: die Hajo en Rolf hebben gegeten?”„’k Ruik hier niks”, zei Harmen. „Maar ’k mag lijden, dat ’t daar bij jou zoo stinkt, dat je van katterigheid de boom uitrolt.—Wat heb je?” vroeg Harmen verbaasd, toen hij zag, dat Padde met ontzette oogen naar iets staarde.Geen antwoord. Harmen gluurde in de richting, die Padde’s[437]starende blik aanduidde en.….! Op een dikken tak, behagelijk achterover geleund, zat een roodbruine, staartlooze aap, zoo groot als Harmen niet geloofd had dat een aap ooit worden kon. Het dier, dat in den harigen arm een geopende doerian klemde en daaruit smakelijk zat te eten, had den kauwenden, angstwekkend menschelijken kop naar de jongens gekeerd, alsof hij wilde zeggen: „Zoo, zijn jullie daar ook weer?” Hij hield tusschen de vingers van zijn rechterhand een roomachtig stuk doerian-vleesch. Een der korte pooten lag vadzig uitgestrekt.Orang-oetan.Het duizelde Harmen.Hij wilde „tabeh!” zeggen, slikte het woord echter weer in en staarde, juist als Padde, betooverd naar den genoegelijk smakkenden mensch-aap.[438]Plots scheen het dier vertoornd te worden; het liet de doerian in het water plonzen, trok grimmig de bovenlip op, zoodat de zware tanden bloot kwamen. Toen stootte het monster een diep, zwaar gebrul uit, richtte zich in volle lengte op!.…. en twee Hollandsche kwajongens tuimelden achterover het water in.De aap klom traag en log langs zware takken omhoog tot in den kruin van een boom.„Een orang-oetan!” riep Rolf, terwijl hij samen met Hajo de drenkelingen op het vlot heesch.„Gchoskrimmeneel!” stamelde Harmen.En Padde’s tong was van den schrik nog verlamd.„Wou hij jullie wat doen?” vroeg Hajo.„Hij kwam een handje geven!” zei Harmen.Padde rilde.„’k Had hem nog wel even een mep kunnen verkoopen vóór ik naar beneden dook!” hakte Harmen op. „Maar ik was bang, dat Padde het kind van de rekening zou worden! Wil je wel gelooven, dat ik hem eerst voor eenventhield?”Padde vond zijn spraak terug. „Was ’t dan geen vent?!” stamelde hij. „Ik dacht.…. een m-menscheneter!”„’n Menscheneter!” schimpte Harmen. „Een doodgewone rot-aap!”„Had ik dat geweten.….!” zuchtte Padde.„Nou, wat dan?” vroeg Harmen. „Had je hem dan je broek teruggevraagd?”„Kom, jongens! We moeten verder!” maande Rolf.Ze stootten het vlot weer van den wal en zakten de rivier af tot de zon onderging en ze voor den nacht een geschikte „ankerplaats” hadden gevonden. Terwijl de andere drie jongens hun krachten gingen wijden aan de vervaardiging van nog enkele vischsnoeren, schrapte Harmen Padde’s vangst van dien morgen schoon.Na den maaltijd gingen de zwervers als gewoonlijk nog even bijeen zitten. Maar Dolimah’s afwezigheid schrijnde. Ze sprongen op, zochten wat gras bijeen tot een hoofdkussen, gooiden hout op het vuur en legden zich te rusten. Dicht bij het vuur, waar de muskieten niet zoo gonsden.[439]Eerst laat sliepen ze in. Hun gedachten waren bij Dolimah. Hoe ver zou ze al op weg zijn? Ze zagen haar tenger figuurtje eenzaam dwalen over het in zonnebrand gloeiende plateau. Een lieven duit hadden ze er voor over om te weten, of hun kleine, ontrouwe beschermheilige veilig en wel bij Saleiman zou belanden.Hun hart schoot vol. In droef peinzen vielen ze in slaap.De morgen schonk nieuwe levensvreugde. Toen de jongens ontwaakten, hing er nog een lichte nevel over het water; het was een weinig frisch. Maar toen ze even ondergedompeld waren, geplast en geploeterd hadden, werden ze lekker warm. Padde, die zijn vischtuig in orde had gemaakt met de bedoeling voor een ontbijt te zorgen, verlangde rust om zich heen, en de andere jongens gingen op het land wat speerwerpen. Harmen gooide het minst zuiver van alle drie, maar hij haalde met zoo’n kracht uit, dat de speer dwars door den stam van een grooten pisangboom vloog en in een volgenden nog halverwege zitten bleef.Ze hadden honger gekregen, en die honger kon bevredigd worden dank zij het feit, dat Padde in den tijd, dat de anderen zich lekker warm gestoeid hadden, rillend op den kant van het vlot was gaan zitten en, turend naar zijn dobber, kort achtereen vier ferme visschen op het dek had laten spartelen. Schrappen, schoonmaken en braden was voor de hongerige klanten het werk van een oogenblik. Het warme voedsel smaakte op de nuchtere maag alsof het in de boter was gebakken. „Ze moeten van het water in eenen in je maag zwemmen, dan zijn ze lekker!” lichtte Harmen toe.Toen gooiden ze de kabels los en stuurden weer naar het midden der rivier.De zon fonkelde al tusschen de boomen; het was nu heerlijk op het water. Harmen begon te zingen; Hajo en Rolf stemden er mee in, en Padde, die op het midden van het vlot met opgetrokken knieën languit naar den hemel lag te staren, deed een zware bas na en trommelde met de vuisten op het dek. Toen kon Joppie zijn zanglust ook niet meer bedwingen. Met Harmens medewerking vloog hij overboord, krabbelde[440]druipend weer op het dek, begon zich uit te schudden, waarbij Padde met een verwensching overeind wipte en zijn voet in krachtige aanraking met Joppie’s zitvlak bracht. Dit waardeerde Joppie zoo, dat hij met dankbaren oogopslag naar Padde toekroop en zijn voeten schoonlikte. Toen was de vrede weer gesloten, en hij en Padde vleiden zich als twee beproefde vrienden naast elkaar in het zonnetje.„Zoo’n vlot is je ware!” verzuchtte Padde. „Je komt vooruit en je doet er niks voor. En ’t ligt hier nog wel zoo lekker als in die smerige draagstoel van jullie. Daar hing zoo’n allerberoerdst luchtje aan!”De anderen vonden Padde wel wat ondankbaar. Maar ze konden hem dat nu niet onder het oog brengen, daar ze tijdelijk geheel in beslag waren genomen: de rivier maakte weer een bocht, en hier en daar lagen groote steenen, die slechts met veel stuurmanskunst ontweken konden worden.„’k Wou, dat het maar weer eens ging regenen en het water wat steeg!” zei Harmen. Maar meteen liet hij, krachtig duwend, het vlot naar den wal koersen. „Ziezoo!” zuchtte hij, toen het veilig achter een zwaren boom lag, „kijk nu die kant eens uit!”De anderen volgden met de oogen de richting. Tusschen de boomen, een eind verder aan de overzijde, steeg een blauwig tuiltje rook op, en toen de jongens scherp toekeken, zagen ze een atapen dak tusschen de bladeren schemeren.Hoe er langs te komen zonder te worden opgemerkt? „Zullen we tot het donker wachten?” vroeg Rolf.„En hier de heele dag zitten koekeloeren?” Harmen trok verachtelijk den neus op.„Als we het vlot eens op z’n eentje voorbij lieten drijven?” vroeg Hajo. „Dan zullen ze het niet zoo gauw opmerken! Ik ben alleen bang, dat het te vroeg tegen de kant stoot, vóór het voorbij het dorp is, bedoel ik.”„Dat kunnen we van te voren zien!” meende Rolf. „We zullen eens een stuk hout in het water gooien en zien welke weg het neemt!”„Ja!” Allen, op Padde na, doorzagen Rolfs plan. Harmen wierp een stuk hout een eindje de rivier in. De knapen volgden[441]het met de oogen. Het kwam tot aan het dorp, raakte daar in een zijstrooming, dreef dicht langs den kant en bleef tenslotte steken.„Niet ver genoeg”, meende Rolf. „Gooi eens naar het midden van het water?”Nu scheen het stuk hout den goeden weg te zullen nemen! Maar plots schoot het in dezelfde zijstrooming als het vorige. De rivier schitterde in het zonlicht; de oogen deden er pijn van. Harmen nam een derde stuk hout en wierp het uit alle macht tot vlak aan den overkant van de rivier. Dit scheen de plaats te zijn om het vlot af te stooten, want, zoolang de oogen het stuk bamboe konden volgen, bleef het vrij van den kant. „Nou, dan zijn we klaar!” zei Harmen verheugd, „we gaan op het vlot naar de overkant, laten het daar afdrijven en volgen het! Kom, Hajo, wij nemen samen de kant van de kampong, dan zie je nog eens wat. Als jij met Padde deze oever afloopt, Rolf, hoeft er in geen geval iemand over te zwemmen om het vlot weer op te pikken!”„Als jij langs die kampong moet, Harmen, gebeuren er ongelukken!” meende Rolf.„Larie!” zei Harmen. „Ik ben zoo voorzichtig als m’n tante,—die loopt den heelen dag met haar slaapmuts op, uit angst, dat ze ’m ’s avonds vergeten zal.”„In elk geval wil ik bij je zijn!” stelde Rolf vast. „Ga jij met Padde langs deze oever, Hajo.”Zoo werd de afspraak. Joppie besloot, na eenig aarzelen, bij Rolf en Harmen zijn diensten aan te bieden.De laatsten sleepten het vlot een eind stroomopwaarts, zoodat het bij het oversturen ongeveer op de plaats aanlandde waar het stuk bamboe zijn reis begonnen was.„Als ze ’t nu maar niet inpalmen!” zuchtte Rolf.Harmen had in gepeinzen een oogenblik gezwegen. „Weet je wat?” zei hij. „Ik ga mee! Om het weer los te binden, als die nikkers het soms ’ns zouden kapen!”„Harmen.….?!”„Val niet van je stokkie! Ik ga er niet op zitten! Ik kruiper onder, dan zien ze me niet!”„Daar heb je immers geen lucht?!”[442]„Harremen heit geen lucht noodig”, stelde Harmen vast. „Het vlot ligt hoog; als ik m’n kop tusschen de bamboes steek, heb ik lucht zat. Ga je mee, Joppie?” Harmen stootte het vlot los, liet Joppie met een fermen zwaai op het bamboezen dek verhuizen, sprong zelf in het water en dook onder het vlot weg. „Ajuus!” klonk het even later onder het afdrijvende gevaarte, en, om de plaats aan te duiden waar hij lag, spoot Harmen door een spleet van het dek een straaltje water omhoog, zoodat Joppie, die toch al in de war was, er verschrikt van achteruitsprong.Terwijl Rolf den vierpootigen schipper zag wegvaren, bekende hij zich zelf, door Harmen overrompeld te zijn. Het gedurfde aan Harmen’s dwazen inval had hem bekoord, en door het vlot na te springen en weer aan wal te brengen zou hij nu het gevaar nog maar vergrooten.Joppie jammerde klagend. „Hou je bek, Joppie!” klonk het onder het bamboezen dek. „Harremen is immers bij je?”Maar Joppie bleef droef gestemd. Hij snuffelde angstig langs alle kanten het vlot af, ging tenslotte op zijn achterpooten zitten, sperde den bek open en begon met omhooggeheven kop klagend en erbarmelijk te gillen in één langgerekten toon, zooals alleen een Indische kampong-gladakker in zijn droefste stemming gillen kan.Verre van rustig, volgde Rolf met de oogen het vlot. Zie, daar gleed het langs het dorp en.…. groote genade! achter de boomen aan den oever stak een prauw vol naakte jongens de rivier in. Ze pagaaiden, opgewonden schreeuwend, naar het vlot.…. en sprongen er op.Zeemeeuw.[443]
Toen de jongens den volgenden morgen merkten, dat ze te midden van bloemen lagen en Dolimah’s slaapplaats verlaten zagen, begrepen ze. Ze konden hun tranen niet bedwingen en schaamden er zich niet voor.
„Wat moeten we doen?” vroeg Harmen.
„Niets”, zei Rolf mat. „We kunnen haar toch niet meer inhalen.”
De jongens zwegen even. „Wat een schat van een meid, hè?” viel Harmen plots uit. „Om die bloemen hier neer te leggen!”
Rolf haalde diep adem, als drukte hem iets op de borst. „We moeten hier weg”, zei hij. „Ik.…. ik houd het hier niet meer uit!”
„Rolf!” snikte Padde. „Ik óók niet! Soms voel ik het ineens. Nu Dolimah weg is.….”
Met een ruk sprongen de jongens overeind. Vooruit! Niet meer getalmd!
Verwoed gingen ze verder met den bouw van het vlot. Het was, of hun strijd eensklaps grimmiger was geworden. Met opeengeklemde tanden werkten ze. Zonder scherts. Zonder kleine kibbelarijen. ZemoestenBantem bereiken,—de handen ineen, jongens! Geef den moed niet op! Padde ging weer visschen in de kreek, om leeftocht op te doen; Hajo hakte rotankoorden voor het vlot; Harmen en Rolf spleten bamboetjes en snoerden ze vast op het houten geraamte.[435]
De zon scheen; de vogels kwinkeleerden; de bloemen vouwden zich open voor de kapellen.
Tegen den middag kwam het vlot gereed. Achterin was een opening gelaten om een bamboesteel door te steken, die als roer gebruikt zou worden. „Ziezoo!” zei Rolf. „Nu moeten we het in het water zien te krijgen! Kom je helpen, Hajo? En jij ook, Padde?”
Met vereende krachten en na veel wrikken en duwen kregen ze het vlot drijvend, meerden het met een paar rotankoorden aan den oever. Toen de jongens aan boord sprongen, scheen het er nauwelijks iets door te zinken.
„Ziezoo, nu een paar sterke boomen om het te sturen”, zuchtte Rolf. „Heb jij nog wat gevangen, Padde?”
„Een heel zoodje”, zei Padde. „Ze zitten er wel, als je ze maar vangen kunt.”
„Wacht! Laten we het vuur niet vergeten!” riep Harmen. Voor op het dek werd een laagje klei in de bamboe vastgestampt, en Harmen bracht een paar brandende stukken hout over, waarmee hij een nieuw vuurtje aanlegde. Toen hakten de jongens nog een paar bamboestelen af, om als afzetboomen te gebruiken.
„Alles klaar?”
„Ja! Kom, Joppie!”
Joppie sprong aan boord, en de kabels vlogen los. De jongens stuurden naar het midden van de rivier; Harmen ging met een boom voorop staan, Hajo en Rolf achterop, zoo hadden ze het vlot goed in bedwang. Padde en Joppie zagen toe, of alles ging zooals het gaan moest.
De stroom was sterk, maar gelukkig lagen er geen zware steenen in het water. Per slot van rekening was het vlot toch maar met touwen vastgeknoopt, en het zou er bedenkelijk uitzien, wanneer het in een stevig vaartje tegen een bergsteen zou oprammen.
Maar nu gleed het snel en veilig voort in de rivier, die zich bij een bocht nog verbreedde. Zonnehitte zengde den jongens rug en schouders.
Geen van hen had gelegenheid gehad, nog even om te zien en afscheid te nemen van de plaats waar ze gisterenavond[436]nog met Dolimah hadden gezeten. Zewildenimmers ook niet omzien? Voorwaarts! Naar Bantem! Naar de zee!
De rivier bood een grootschen aanblik. Duizelingwekkend hoog rezen aan den oever de stammen op, zoo zwaar, dat drie man ze nauwelijks omspannen konden. Er waren allerlei kleuren stammen: met donker mos begroeide en ook gladde, lichtgrijze stammen met schilfers, en roodbruine stammen, diepgegroefd; dan groeide hier en daar een waringin, onder welks machtige takken steltwortels stonden als pijlers onder een brug. En tusschen al die zuilen, waar in grootschen val het licht doorsloeg, hingen als feestelijke guirlanden de bloemranken der slingerplanten.
Bij een nieuwe bocht schoot het vlot onverwachts onder een boom door, die geheel over het water hing. De jongens zagen geen kans meer de vaart in te houden en wisten niet beter te doen dan maar vlug door de takken te klauteren. Allen, ook Joppie, stonden weer op het vlot vóór het geheel onder den boom was doorgegleden. Allen,—behalve Padde. Die kwam te laat. Uit kameraadschap trok Harmen zich maar weer aan een tak op. Het vlot gleed met de anderen voort. Dezen stuurden het naar den kant en meerden het.
Padde, verre van dankbaar voor Harmens hulpvaardigheid, ontving hem met schimpscheuten. „Daar!” zei hij verwijtend, „daar gaat het vlot nou! Kon jij ’t niet even tegenhouden?”
„Ik geloof, dat jij het water weer in wilt, leelijke pepernoot!” schold Harmen. „Alleen om jou te helpen ben ik in die boom geklommen! Ik stond alweer een uur op het vlot!”
„Ik wou, dat je d’r nog stond!” verzekerde Padde. „’k Heb die hulp van jou niet noodig. Ik kom wel alleen aan wal.”—Padde snoof de lucht op. „Vind je niet, dat ’t hier weer erg naar die vrucht stinkt, weet je wel: die Hajo en Rolf hebben gegeten?”
„’k Ruik hier niks”, zei Harmen. „Maar ’k mag lijden, dat ’t daar bij jou zoo stinkt, dat je van katterigheid de boom uitrolt.—Wat heb je?” vroeg Harmen verbaasd, toen hij zag, dat Padde met ontzette oogen naar iets staarde.
Geen antwoord. Harmen gluurde in de richting, die Padde’s[437]starende blik aanduidde en.….! Op een dikken tak, behagelijk achterover geleund, zat een roodbruine, staartlooze aap, zoo groot als Harmen niet geloofd had dat een aap ooit worden kon. Het dier, dat in den harigen arm een geopende doerian klemde en daaruit smakelijk zat te eten, had den kauwenden, angstwekkend menschelijken kop naar de jongens gekeerd, alsof hij wilde zeggen: „Zoo, zijn jullie daar ook weer?” Hij hield tusschen de vingers van zijn rechterhand een roomachtig stuk doerian-vleesch. Een der korte pooten lag vadzig uitgestrekt.
Orang-oetan.
Het duizelde Harmen.
Hij wilde „tabeh!” zeggen, slikte het woord echter weer in en staarde, juist als Padde, betooverd naar den genoegelijk smakkenden mensch-aap.[438]
Plots scheen het dier vertoornd te worden; het liet de doerian in het water plonzen, trok grimmig de bovenlip op, zoodat de zware tanden bloot kwamen. Toen stootte het monster een diep, zwaar gebrul uit, richtte zich in volle lengte op!.…. en twee Hollandsche kwajongens tuimelden achterover het water in.
De aap klom traag en log langs zware takken omhoog tot in den kruin van een boom.
„Een orang-oetan!” riep Rolf, terwijl hij samen met Hajo de drenkelingen op het vlot heesch.
„Gchoskrimmeneel!” stamelde Harmen.
En Padde’s tong was van den schrik nog verlamd.
„Wou hij jullie wat doen?” vroeg Hajo.
„Hij kwam een handje geven!” zei Harmen.
Padde rilde.
„’k Had hem nog wel even een mep kunnen verkoopen vóór ik naar beneden dook!” hakte Harmen op. „Maar ik was bang, dat Padde het kind van de rekening zou worden! Wil je wel gelooven, dat ik hem eerst voor eenventhield?”
Padde vond zijn spraak terug. „Was ’t dan geen vent?!” stamelde hij. „Ik dacht.…. een m-menscheneter!”
„’n Menscheneter!” schimpte Harmen. „Een doodgewone rot-aap!”
„Had ik dat geweten.….!” zuchtte Padde.
„Nou, wat dan?” vroeg Harmen. „Had je hem dan je broek teruggevraagd?”
„Kom, jongens! We moeten verder!” maande Rolf.
Ze stootten het vlot weer van den wal en zakten de rivier af tot de zon onderging en ze voor den nacht een geschikte „ankerplaats” hadden gevonden. Terwijl de andere drie jongens hun krachten gingen wijden aan de vervaardiging van nog enkele vischsnoeren, schrapte Harmen Padde’s vangst van dien morgen schoon.
Na den maaltijd gingen de zwervers als gewoonlijk nog even bijeen zitten. Maar Dolimah’s afwezigheid schrijnde. Ze sprongen op, zochten wat gras bijeen tot een hoofdkussen, gooiden hout op het vuur en legden zich te rusten. Dicht bij het vuur, waar de muskieten niet zoo gonsden.[439]
Eerst laat sliepen ze in. Hun gedachten waren bij Dolimah. Hoe ver zou ze al op weg zijn? Ze zagen haar tenger figuurtje eenzaam dwalen over het in zonnebrand gloeiende plateau. Een lieven duit hadden ze er voor over om te weten, of hun kleine, ontrouwe beschermheilige veilig en wel bij Saleiman zou belanden.
Hun hart schoot vol. In droef peinzen vielen ze in slaap.
De morgen schonk nieuwe levensvreugde. Toen de jongens ontwaakten, hing er nog een lichte nevel over het water; het was een weinig frisch. Maar toen ze even ondergedompeld waren, geplast en geploeterd hadden, werden ze lekker warm. Padde, die zijn vischtuig in orde had gemaakt met de bedoeling voor een ontbijt te zorgen, verlangde rust om zich heen, en de andere jongens gingen op het land wat speerwerpen. Harmen gooide het minst zuiver van alle drie, maar hij haalde met zoo’n kracht uit, dat de speer dwars door den stam van een grooten pisangboom vloog en in een volgenden nog halverwege zitten bleef.
Ze hadden honger gekregen, en die honger kon bevredigd worden dank zij het feit, dat Padde in den tijd, dat de anderen zich lekker warm gestoeid hadden, rillend op den kant van het vlot was gaan zitten en, turend naar zijn dobber, kort achtereen vier ferme visschen op het dek had laten spartelen. Schrappen, schoonmaken en braden was voor de hongerige klanten het werk van een oogenblik. Het warme voedsel smaakte op de nuchtere maag alsof het in de boter was gebakken. „Ze moeten van het water in eenen in je maag zwemmen, dan zijn ze lekker!” lichtte Harmen toe.
Toen gooiden ze de kabels los en stuurden weer naar het midden der rivier.
De zon fonkelde al tusschen de boomen; het was nu heerlijk op het water. Harmen begon te zingen; Hajo en Rolf stemden er mee in, en Padde, die op het midden van het vlot met opgetrokken knieën languit naar den hemel lag te staren, deed een zware bas na en trommelde met de vuisten op het dek. Toen kon Joppie zijn zanglust ook niet meer bedwingen. Met Harmens medewerking vloog hij overboord, krabbelde[440]druipend weer op het dek, begon zich uit te schudden, waarbij Padde met een verwensching overeind wipte en zijn voet in krachtige aanraking met Joppie’s zitvlak bracht. Dit waardeerde Joppie zoo, dat hij met dankbaren oogopslag naar Padde toekroop en zijn voeten schoonlikte. Toen was de vrede weer gesloten, en hij en Padde vleiden zich als twee beproefde vrienden naast elkaar in het zonnetje.
„Zoo’n vlot is je ware!” verzuchtte Padde. „Je komt vooruit en je doet er niks voor. En ’t ligt hier nog wel zoo lekker als in die smerige draagstoel van jullie. Daar hing zoo’n allerberoerdst luchtje aan!”
De anderen vonden Padde wel wat ondankbaar. Maar ze konden hem dat nu niet onder het oog brengen, daar ze tijdelijk geheel in beslag waren genomen: de rivier maakte weer een bocht, en hier en daar lagen groote steenen, die slechts met veel stuurmanskunst ontweken konden worden.
„’k Wou, dat het maar weer eens ging regenen en het water wat steeg!” zei Harmen. Maar meteen liet hij, krachtig duwend, het vlot naar den wal koersen. „Ziezoo!” zuchtte hij, toen het veilig achter een zwaren boom lag, „kijk nu die kant eens uit!”
De anderen volgden met de oogen de richting. Tusschen de boomen, een eind verder aan de overzijde, steeg een blauwig tuiltje rook op, en toen de jongens scherp toekeken, zagen ze een atapen dak tusschen de bladeren schemeren.
Hoe er langs te komen zonder te worden opgemerkt? „Zullen we tot het donker wachten?” vroeg Rolf.
„En hier de heele dag zitten koekeloeren?” Harmen trok verachtelijk den neus op.
„Als we het vlot eens op z’n eentje voorbij lieten drijven?” vroeg Hajo. „Dan zullen ze het niet zoo gauw opmerken! Ik ben alleen bang, dat het te vroeg tegen de kant stoot, vóór het voorbij het dorp is, bedoel ik.”
„Dat kunnen we van te voren zien!” meende Rolf. „We zullen eens een stuk hout in het water gooien en zien welke weg het neemt!”
„Ja!” Allen, op Padde na, doorzagen Rolfs plan. Harmen wierp een stuk hout een eindje de rivier in. De knapen volgden[441]het met de oogen. Het kwam tot aan het dorp, raakte daar in een zijstrooming, dreef dicht langs den kant en bleef tenslotte steken.
„Niet ver genoeg”, meende Rolf. „Gooi eens naar het midden van het water?”
Nu scheen het stuk hout den goeden weg te zullen nemen! Maar plots schoot het in dezelfde zijstrooming als het vorige. De rivier schitterde in het zonlicht; de oogen deden er pijn van. Harmen nam een derde stuk hout en wierp het uit alle macht tot vlak aan den overkant van de rivier. Dit scheen de plaats te zijn om het vlot af te stooten, want, zoolang de oogen het stuk bamboe konden volgen, bleef het vrij van den kant. „Nou, dan zijn we klaar!” zei Harmen verheugd, „we gaan op het vlot naar de overkant, laten het daar afdrijven en volgen het! Kom, Hajo, wij nemen samen de kant van de kampong, dan zie je nog eens wat. Als jij met Padde deze oever afloopt, Rolf, hoeft er in geen geval iemand over te zwemmen om het vlot weer op te pikken!”
„Als jij langs die kampong moet, Harmen, gebeuren er ongelukken!” meende Rolf.
„Larie!” zei Harmen. „Ik ben zoo voorzichtig als m’n tante,—die loopt den heelen dag met haar slaapmuts op, uit angst, dat ze ’m ’s avonds vergeten zal.”
„In elk geval wil ik bij je zijn!” stelde Rolf vast. „Ga jij met Padde langs deze oever, Hajo.”
Zoo werd de afspraak. Joppie besloot, na eenig aarzelen, bij Rolf en Harmen zijn diensten aan te bieden.
De laatsten sleepten het vlot een eind stroomopwaarts, zoodat het bij het oversturen ongeveer op de plaats aanlandde waar het stuk bamboe zijn reis begonnen was.
„Als ze ’t nu maar niet inpalmen!” zuchtte Rolf.
Harmen had in gepeinzen een oogenblik gezwegen. „Weet je wat?” zei hij. „Ik ga mee! Om het weer los te binden, als die nikkers het soms ’ns zouden kapen!”
„Harmen.….?!”
„Val niet van je stokkie! Ik ga er niet op zitten! Ik kruiper onder, dan zien ze me niet!”
„Daar heb je immers geen lucht?!”[442]
„Harremen heit geen lucht noodig”, stelde Harmen vast. „Het vlot ligt hoog; als ik m’n kop tusschen de bamboes steek, heb ik lucht zat. Ga je mee, Joppie?” Harmen stootte het vlot los, liet Joppie met een fermen zwaai op het bamboezen dek verhuizen, sprong zelf in het water en dook onder het vlot weg. „Ajuus!” klonk het even later onder het afdrijvende gevaarte, en, om de plaats aan te duiden waar hij lag, spoot Harmen door een spleet van het dek een straaltje water omhoog, zoodat Joppie, die toch al in de war was, er verschrikt van achteruitsprong.
Terwijl Rolf den vierpootigen schipper zag wegvaren, bekende hij zich zelf, door Harmen overrompeld te zijn. Het gedurfde aan Harmen’s dwazen inval had hem bekoord, en door het vlot na te springen en weer aan wal te brengen zou hij nu het gevaar nog maar vergrooten.
Joppie jammerde klagend. „Hou je bek, Joppie!” klonk het onder het bamboezen dek. „Harremen is immers bij je?”
Maar Joppie bleef droef gestemd. Hij snuffelde angstig langs alle kanten het vlot af, ging tenslotte op zijn achterpooten zitten, sperde den bek open en begon met omhooggeheven kop klagend en erbarmelijk te gillen in één langgerekten toon, zooals alleen een Indische kampong-gladakker in zijn droefste stemming gillen kan.
Verre van rustig, volgde Rolf met de oogen het vlot. Zie, daar gleed het langs het dorp en.…. groote genade! achter de boomen aan den oever stak een prauw vol naakte jongens de rivier in. Ze pagaaiden, opgewonden schreeuwend, naar het vlot.…. en sprongen er op.
Zeemeeuw.
[443]