SUMATRA

[Inhoud]SUMATRAAan den paarlemoeren hemel kwamen gouden schemeringen; een paar opstijgende wolkjes kregen gouden randjes aan den onderkant; toen dook de zon zelf in een rozerood jurkje uit het water op. Later trok ze haar dagkleed aan, en de hemel werd blauw, fel-blauw, tot hij ten slotte onvermengd kobalt was.Drie blinkend-witte meeuwen vlogen tsjiepend om de jol, doken in sierlijken val naar een vischje. Joppie kefte tegen de gevleugelde metgezellen, tot een bad hem weer wat tot kalmte bracht. Hij wilde nu wat op z’n staart gaan knabbelen,—welke staart echter tot Joppie’s verwondering niet zoo maar als een worst in de lucht hing, maar integendeel stevig aan zijn achterlijf bleek te zitten en lang niet makkelijk met de tanden te grijpen viel,—reden waarom Joppie zóó vlug rondtolde, dat hij tegen alle oomes aanbotste. Eindelijk had Joppie zijn staart te pakken, en er daalde rust in de jol.Bontekoe had goed voorspeld: ’s middags kwam Sumatra in het zicht,—een lange streep land, die langzaam-aan tot een machtigen wand van diep-paarse bergen werd, waarachter een groote kerel te smoken zat en dikke, witte wolken over den ganschen hemel blies.Men besloot voorloopig de kust maar af te zeilen, om zoo spoedig mogelijk Straat Soenda en daarna Bantem te bereiken. Er was nog geen gebrek aan eten.Zoo koerste men in Zuid-Oostelijke richting. De zon ging helder onder. De wind sloeg geheel naar het Noorden om, zoodat men het niet beter wenschen kon.De maan kwam op, eerst bleek, allengs aangloeiend tot zilver en den ganschen hemel vullend met haar wonderlijk licht. Sterretjes pinkten in alle kleuren; het was, alsof er van daarboven een zachte, zoete muziek omlaag zweefde.[258]Een prauwtje! Badend in het maanlicht danste het hulkje op de golven. Een eenzame visscher stond er rechtop in, verdiept in zijn werk, zoodat hij de jol niet zag naderen. In wijden zwaai wierp hij zijn net uit, dat stillekes in het water viel. De man was bijna geheel naakt; het maanlicht omlijnde zijn slanke schouders. Als een kroon stond hem een zwierig gestrikte hoofddoek in het haar.Plots bemerkte hij de jol, trok vlug het net binnen boord en pagaaide in zijn rank vaartuigje weg. Luchtig danste het over de hooge branding. „Sobat! Sobat kras!” schreeuwde Floorke. Maar de inboorling scheen van die dikke vriendschap niets te gelooven.Den volgenden dag raakten de noten op, en men moest nieuwen voorraad zien op te doen. Het ging er dus om, een inham te vinden. Daar de wind nu echter naar het Zuid-Oosten was omgeloopen, moest men laveeren en raakte daarbij telkens op zoo grooten afstand van de kust, dat men licht een geschikte ingang ongezien voorbij zou kunnen zeilen. Daarom werd besloten, dat vier of vijf man het strand zouden afloopen en waarschuwen, zoodra ze op een baai zouden stuiten. Hilke, Floorke, Harmen, Hajo en Rolf knoopten hun broek wat steviger aan en wipten overboord. Goede zwemmers als allen waren, wisten zij zich proestend en snuivend door de stoere branding heen te werken. En met het geruststellende gevoel van terstond weer het ruime sop te kunnen kiezen, indien inboorlingen het hun lastig mochten maken, volgden zij het strand, dat aan de landzijde was begrensd door boomen en ellenhoog gras daartusschen. Zwermen meeuwen vlogen nu en dan op.Allengs werd het strand smal en modderig; hier en daar stonden de boomen zelfs met den voet in het water, en het wemelde van slijkspringertjes.Onze vrienden baanden zich nu een weg door het hooge gras, waarin ze geheel kopje onder gingen. Hilke, die vooropliep, verstijfde van schrik, toen vlak voor zijn voeten een aap wegsprong en zich langs een paar hangende lianen in een grooten loofboom werkte, van waar hij den oomes in apentaal een reeks verwenschingen naar het hoofd slingerde. De grond voor Hilke’s voeten was opengerukt, en een paar planten lagen met[259]de wortels naar boven. Zonderling was, dat iets boven de wortels kleine boontjes zaten, die zich te voren blijkbaar onder den grond hadden bevonden, want er zat nog aarde aan. Floorke veegde een boontje aan zijn broek af. „Zou je ze kunnen eten?”„Waarachtig!” meende Hilke. „Als die aap er voor naar beneden komt om ze uit de grond te wurmen.….!”Vijf jongens op tropisch strand.Aarzelend stak Floorke het boontje in den mond. „Aan die schil is niet veel smaak”, verklaarde hij. „Maar die pitjes, die er in zitten, zijn best!”De anderen proefden nu ook eens. Hilke bekeek de kleine, ovale blaadjes van het plantje en merkte na eenig rondkijken, dat er overal volop groeide. Allen propten de zakken vol boontjes, en Floorke koos er een naam voor: apenootjes.[260]Na een uur loopens vonden onze vrienden een rivier. Fluks de broeken uit en als seinvlaggen gebruikt! In de jol verstond men den wenk: de koers werd recht op de aangeduide plaats gesteld. Maar naderende, bemerkte men, dat vóór de monding der rivier een zandbank lag, die weliswaar niet boven het water uitstak, maar zoo’n hevige branding veroorzaakte, dat landen een gewaagde zaak scheen. Bontekoe durfde de verantwoording niet aan,—vroeg den maats zelf, wat ze wilden.„Landen!” klonk het uit één mond.„Wel”, zei Bontekoe, „dan waag ik er mijn huid ook aan. We zijn al door zooveel heen gerold! Smijt maar vier riemen uit, en aan elke riem twee man. Ik hou het roer. De rest klaar om te baliën!”Men stuurde recht op de woelende, schuimende watermassa aan.Toen kwamen er een paar spannende oogenblikken. De jol werd hoog opgenomen, neergekwakt; terstond volgde een zware roller en wierp ze half vol. Met schoenen, handen, mutsen en de twee vaatjes werd het water gehoosd, en de maats aan de riemen trokken als dollen. Daar sloeg een tweede roller achter over de jol. Het boord stak geen handbreed meer boven het water uit. De tanden opeengeklemd, werkten de oomes in razend tempo. Een derde golf stortte gelukkig achter de boot neer; een wolk van schuim vloog den kerels over het hoofd. Ze waren de branding uit.Steeds voorthoozende, legden ze eerst aan den linkeroever aan, namen onze vijf vrienden op en staken daarna naar den rechteroever over, waar de jol aan beide dreggen gemeerd werd. Toen gingen ze aan wal.De oevers van het riviertje waren dichtbegroeid. Waar de jol gemeerd lag, schoten de stammen van kokos- en betelpalmen op en dichte bamboebosschen, welker lange, smalle bladeren veelstemmig ruischten, wanneer er een koeltje langs streek. Dan tintelden ze van het zonlicht.De schipbreukelingen keken eens rond, wat er hier aan proviand te vinden zou zijn. Floorke wees den schipper de boontjes, die ook hier rijkelijk tierden. Bontekoe proefde de „apennootjes” en vermoedde, op den olie-achtigen smaak afgaand,[261]dat ze wel zeer voedzaam zouden zijn. Hij gaf den maats order, zooveel mogelijk te verzamelen. In kleine groepjes snuffelden de mannen den omtrek af. Harmen en Padde, die samen, al zoekende en peuzelende, waren afgedwaald, stonden, vóór ze het wisten.…. voor een vuurtje!„Allemachies!” stamelde Padde.En Harmen lag al op z’n knieën en blies er in, wat hij maar blazen kon. Vuur! Dat konden ze gebruiken! Hilke, de eenige, die een vuurslag in zijn zak gehad had, was zoo dom geweest, het in de sloep te laten liggen toen hij met de anderen in de jol was overgestapt. „Hout!” riep Harmen, al blazende. „Droog hout!” Nu, hout lag overal voor het grijpen. En dank zij Harmen’s gezonde longen, sloegen de vlammen spoedig weer uit het smeulende vuurtje op.„Wat ligt daar?” vroeg Padde, wijzend naar een paar hoopjes tabak op een stuk pisangblad.Als antwoord griste Harmen een handvol weg en stak het in zijn zak. Toen begon hij te schreeuwen: „Hei! Holla! Ho! Hier is wat te zien!” Padde gilde opgewonden mee.Daar kwamen de maats aanhollen. En op het gezicht van de twee schatten: vuur en tabak! sprongen ze van de pret. Gnuivend diepten ze hun pijpjes uit den broekzak op. De tabak werd eerlijk verdeeld. Al was er niet veel, allen zouden toch een fijn trekje kunnen doen.„Jij hebt je zakken natuurlijk stikvol!” verweet Gerretje aan Harmen.Harmen’s gelaat drukte een en al verbazing uit. „Hoe kan dat?? M’n zakken zitten vol noten! Kijk maar!” En Harmen gaf er met de vlakke hand een klap op.„Ook een bewijs!” smaalde Gerretje.„Harmen heeft de tabak gevonden!” suste Hilke. „Allicht, dat ie wat meer krijgt.”„’k Wed, dat ie wel een pond in z’n zak heeft gestoken!” pruttelde Gerretje. „Zie z’n zakken maar eens uitpuilen! Ze zullen nog barsten!”„En jij d’rbij!” verklaarde Harmen.De mannen legden nog een paar vuurtjes aan. Toen hurkten ze om de hoog oplaaiende vlammen en zogen, stil genietend,[262]aan hun pijpjes, tot de tabak op was,—behalve bij Harmen, die nog steeds dikke rookwolken de lucht inblies. Daarna verdiepten ze zich in gissingen omtrent de bewoners van dit land, die stellig in overhaaste vlucht de tabak hadden achtergelaten. Zouden ze den armen zwervelingen vijandig gezind zijn? Wat drommel, zorgen kwamen altijd nog vroeg genoeg!Maar toen de avond daalde, met bedekte lucht, maakte langzaam-aan een innerlijke onrust zich van de schipbreukelingen meester. Als de wilden hen vannacht eens in grooten getale en gewapend zouden overvallen? Een enkele maal deed een avondkoeltje het gras ruischen; de lange halmen bogen zich tot elkaar over en fluisterden. Den oomes klonk het als de sluipende voetstap van sluwe, bloeddorstige wilden. Wat was dat voor een bruin, levend wezen in dien loofboom? Een groote aap? In de verte plots een vogelroep. Boven de zee kwamen de kalongs weer aandrijven, ware spookgedaanten, wanneer ze, na een oogenblik tegen een groezelige roetwolk verdoezeld te zijn geweest, ineens weer opdoken. De maats hurkten allengs bijeen om het grootste vuur, keken met glanzende oogen in de vlammen en wierpen er stukken droog hout op. Pookt de vlammen maar aan, jongens! Dat doet de onrust vluchten.….Bontekoe besloot wachten uit te zetten. „Vrijwilligers?” Hajo en Rolf gaven zich als eersten op. Ze kregen de opdracht, de eerste paar uren van den nacht de rivier te bewaken.De beide vrienden togen naar hun post. Maar ze waren nog geen tien pas op weg, toen hijgend en blazend Padde achter hen aan kwam hollen. „Ik ga ook mee”, verklaarde hij.Moedig stapten de knapen het donkere bosch in. Padde liep achteraan, bibberend over al zijn leden, en hield Hajo bij de broek.Zoo kwamen ze bij de rivier. Nu een goed uitkijkpunt te vinden! Hajo wist raad: een zware boom was schuin over het water gegroeid,—daar zouden ze inklimmen. „Kom, ga je mee, Padde?”„Ik blijf beneden.”„Maar daar kun je niets zien!”„Ook nergens voor noodig”, vond Padde. „Als zemijóók maar niet zien!”[263]„Nou, blijf dan beneden”, zei Rolf, „dan kun je je door de krokodillen laten weghalen.”„Krokodillen?!” stamelde Padde. Zwijgend klauterde hij haastig achter Rolf aan.Inderdaad: van hier hadden de knapen een prachtig uitzicht. De rivier was nergens dichtgegroeid, lag open en bloot te glanzen onder den nachtelijken hemel. Onze vrienden kozen een mooien, ronden tak om op te zitten. Ziezoo, nu zouden ze het wel een heele poos uithouden!Drie jongens, zittend op een grote tak.Maar ze hadden buiten die kleine kwelgeesten gerekend, die het onmogelijk maken, zonder beschutting den nacht in een tropisch oerwoud door te brengen: de muskieten! Het was om er dol van te worden, zoo zoemden ze je om de ooren. Zzzzzúúúú.…. zzzzzinnng.…. zzzzzoeoeoeoe.…. Padde sneed een twijgje met loof af en zwaaide en sloeg er mee, dat hij er bijkans den boom door uittuimelde. Maar het hielp wel, en de anderen volgden zijn voorbeeld.Ineens, beneden hen, brekende takken, gestamp en gesmak in den weeken modderbodem.….Onwillekeurig grepen de vrienden zich aan elkaar vast. Daar boog het gras ter zijde, en een donker, harig beest met twee zware, rondgebogen slagtanden,[264]kwam zachtjes knorrend te voorschijn, waadde, zonder rond te zien, het water in, vol welbehagen slurpend. Daar kwam er nog een uit het gras naar voren, gevolgd door twee, vijf, acht, elf jonge, knorrende vierpooters, die zich gillend van vreugdevolle opwinding in de modder wentelden en daarna ook het water inliepen, slurpend, niezend en knorrend. Wilde varkens!Ademloos keken de knapen toe. De biggetjes hadden een in de lengte gestreepte huid,—een grappig gezicht. De knapen waren zoo door het familie-bad der krulstaarten in beslag genomen, dat geen van hen de roering in het water bespeurde, daar verderop.…..Eensklaps stiet een der biggetjes een smartkreet uit. Toen smoorde het water zijn gil, en het beestje werd door een onzichtbare macht weggesleept. Angstig schreeuwend vluchtten zijn broers en zusjes in onbeholpen sprongen den oever op. Maar de ouden stoven met woedend snuiven en blazen naar de plaats, waar het jong in de diepte was gesleurd. Terwijl het wijfje daar bleef staan, zwom het mannetje nog een eind door, draaide zoekend rond en keerde ten slotte met een klagend geluid naar zijn wijfje terug,—waarop ze beiden weer naar den oever baggerden en grommend tusschen het gras verdwenen, de jongen achter het wijfje aan. In hun haast en opwinding botsten de biggetjes tegen mekaar op, vlogen over den kop, met den snuit de modder in. Maar knorrend en gillend stormden ze weer voort, zich geducht reppend en vinnig slaand met de korte achterpootjes, dat de kluiten aarde met een wijden boog in het water kletsten. Toen werd het weer stil.De jongens ademden diep op. Foei! wat staken de muskieten! Van den grond stegen drie vuurvliegjes op, dwarrelden omhoog en doken weg in de boomkronen. Een kikker ratelde en kreeg van den anderen oever antwoord. Brèkèkèkèkèrrrrrr.…. Een watervogel vloog eensklaps, met heidensch misbaar, uit het oeverriet op, tuimelde tegen de takken van den boom, waarin de jongens zaten, plofte half verdoofd in de rivier neer, zocht toen, vleugelklappend, de pooten door het water slierend, een schuilplaats in een anderen bundel riet, waar hij doodstil zitten bleef. Toen een eentonig, klagend geluid, als het zacht[265]neuriën van een half vergeten wijsje. Inlanders zeggen, dat de krokodillen zingen, om hun prooi in het water te lokken.….Toen kwamen Hilke en Harmen de jongens aflossen. Zwijgend, half droomend gingen ze naar het kamp terug, legden zich bij een der vuren neer en sliepen in.De nacht verliep rustig.Verkwikt stonden allen den volgenden morgen op. Juist hadden ze het ontbijt naar binnen gespeeld: kokosmelk met gepofte apenootjes, warm uit het vuur! toen er drie inlanders uit Zuidelijke richting langs het strand kwamen aanloopen. De barbier, Bolle en Floorke, beroemd om hun vloeiend Maleisch, werden hun te gemoet gezonden. Floorke gespte zich, als teeken van waardigheid, den roestigen degen om en gebaarde zich als leider van de deputatie.Zoo ontmoetten de twee groepjes elkaar. De inlanders waren licht van huidskleur en maakten een beschaafden indruk. Ze droegen fraaie doeken in het sluike, glanzend zwarte haar; het naakte bovenlichaam had geen tatoeage, en om de heupen vouwde zich een soort rok met mooie figuren. Onbevreesd, ook niet zoo erg verbaasd keken ze den maats in de oogen en groetten in het Maleisch.Floorke nam terstond het woord. „Hebben jullie eten? Makan? We zullen betalen! Bajar!”„Ada makanan, toean”, was het bevestigende antwoord.„Makanan apa?” vroeg Bolle.Wat voor eten? EenderMaleiers somde op: „Nassi, kambing, ajam-ajam, ikan, boewah.….”„Goed, breng maar hier. Wat is dit voor een land?Negeri apa ini?” informeerde de barbier.„Negeri Lampong, toean”, was het antwoord.„Aha! De Zuidelijkste provincie van Sumatra! Dat is mooi!—Mana negeri Djawa?”Waar Java lag? De Maleiers wezen de kust af, in Zuid-Oostelijke richting.„Dat klopt!” zei Vader Langjas verheugd. En in het Maleisch vertelde hij, hoe ze hun schip hadden verloren en nu de reede van Bantem zochten.[266]Bantem was nog ver, verzekerden de inboorlingen, en er lag een zee tusschen. Daarop togen ze heen, beloofden spoedig met voedsel te zullen terugkeeren.Intusschen zamelde Bontekoe het geld der maats bijeen. Hier gold het: botje bij botje leggen; uit mutsen en voeringen kwam het geld te voorschijn, en ten slotte lagen er tachtig realen van achten. Zouden de inlanders weten, wat geld was? Bontekoe meende van wel: er zouden op deze kust wel genoeg handelsschepen komen, waar ze het geld weer kwijt konden.De inlanders kwamen met z’n twintigen terug, met pluimvee, rijst, vruchten en twee geiten.Bontekoe, verheugd over het uitzicht: na weken van de bitterste ontberingen eindelijk weer eens een smakelijken maaltijd te genieten, was het spoedig met hen over den prijs eens.En in zeldzaam opgewekte stemming werd het maal bereid. Bolle, met Harmen als helper, had zich nog nooit in zooveel belangstelling en raadgevingen mogen verheugen. Allen wilden proeven: „of het al gaar was”, en Bolle deelde met een houten, zelfgesneden lepel links en rechts meppen uit.Zeemeeuw.[267]

[Inhoud]SUMATRAAan den paarlemoeren hemel kwamen gouden schemeringen; een paar opstijgende wolkjes kregen gouden randjes aan den onderkant; toen dook de zon zelf in een rozerood jurkje uit het water op. Later trok ze haar dagkleed aan, en de hemel werd blauw, fel-blauw, tot hij ten slotte onvermengd kobalt was.Drie blinkend-witte meeuwen vlogen tsjiepend om de jol, doken in sierlijken val naar een vischje. Joppie kefte tegen de gevleugelde metgezellen, tot een bad hem weer wat tot kalmte bracht. Hij wilde nu wat op z’n staart gaan knabbelen,—welke staart echter tot Joppie’s verwondering niet zoo maar als een worst in de lucht hing, maar integendeel stevig aan zijn achterlijf bleek te zitten en lang niet makkelijk met de tanden te grijpen viel,—reden waarom Joppie zóó vlug rondtolde, dat hij tegen alle oomes aanbotste. Eindelijk had Joppie zijn staart te pakken, en er daalde rust in de jol.Bontekoe had goed voorspeld: ’s middags kwam Sumatra in het zicht,—een lange streep land, die langzaam-aan tot een machtigen wand van diep-paarse bergen werd, waarachter een groote kerel te smoken zat en dikke, witte wolken over den ganschen hemel blies.Men besloot voorloopig de kust maar af te zeilen, om zoo spoedig mogelijk Straat Soenda en daarna Bantem te bereiken. Er was nog geen gebrek aan eten.Zoo koerste men in Zuid-Oostelijke richting. De zon ging helder onder. De wind sloeg geheel naar het Noorden om, zoodat men het niet beter wenschen kon.De maan kwam op, eerst bleek, allengs aangloeiend tot zilver en den ganschen hemel vullend met haar wonderlijk licht. Sterretjes pinkten in alle kleuren; het was, alsof er van daarboven een zachte, zoete muziek omlaag zweefde.[258]Een prauwtje! Badend in het maanlicht danste het hulkje op de golven. Een eenzame visscher stond er rechtop in, verdiept in zijn werk, zoodat hij de jol niet zag naderen. In wijden zwaai wierp hij zijn net uit, dat stillekes in het water viel. De man was bijna geheel naakt; het maanlicht omlijnde zijn slanke schouders. Als een kroon stond hem een zwierig gestrikte hoofddoek in het haar.Plots bemerkte hij de jol, trok vlug het net binnen boord en pagaaide in zijn rank vaartuigje weg. Luchtig danste het over de hooge branding. „Sobat! Sobat kras!” schreeuwde Floorke. Maar de inboorling scheen van die dikke vriendschap niets te gelooven.Den volgenden dag raakten de noten op, en men moest nieuwen voorraad zien op te doen. Het ging er dus om, een inham te vinden. Daar de wind nu echter naar het Zuid-Oosten was omgeloopen, moest men laveeren en raakte daarbij telkens op zoo grooten afstand van de kust, dat men licht een geschikte ingang ongezien voorbij zou kunnen zeilen. Daarom werd besloten, dat vier of vijf man het strand zouden afloopen en waarschuwen, zoodra ze op een baai zouden stuiten. Hilke, Floorke, Harmen, Hajo en Rolf knoopten hun broek wat steviger aan en wipten overboord. Goede zwemmers als allen waren, wisten zij zich proestend en snuivend door de stoere branding heen te werken. En met het geruststellende gevoel van terstond weer het ruime sop te kunnen kiezen, indien inboorlingen het hun lastig mochten maken, volgden zij het strand, dat aan de landzijde was begrensd door boomen en ellenhoog gras daartusschen. Zwermen meeuwen vlogen nu en dan op.Allengs werd het strand smal en modderig; hier en daar stonden de boomen zelfs met den voet in het water, en het wemelde van slijkspringertjes.Onze vrienden baanden zich nu een weg door het hooge gras, waarin ze geheel kopje onder gingen. Hilke, die vooropliep, verstijfde van schrik, toen vlak voor zijn voeten een aap wegsprong en zich langs een paar hangende lianen in een grooten loofboom werkte, van waar hij den oomes in apentaal een reeks verwenschingen naar het hoofd slingerde. De grond voor Hilke’s voeten was opengerukt, en een paar planten lagen met[259]de wortels naar boven. Zonderling was, dat iets boven de wortels kleine boontjes zaten, die zich te voren blijkbaar onder den grond hadden bevonden, want er zat nog aarde aan. Floorke veegde een boontje aan zijn broek af. „Zou je ze kunnen eten?”„Waarachtig!” meende Hilke. „Als die aap er voor naar beneden komt om ze uit de grond te wurmen.….!”Vijf jongens op tropisch strand.Aarzelend stak Floorke het boontje in den mond. „Aan die schil is niet veel smaak”, verklaarde hij. „Maar die pitjes, die er in zitten, zijn best!”De anderen proefden nu ook eens. Hilke bekeek de kleine, ovale blaadjes van het plantje en merkte na eenig rondkijken, dat er overal volop groeide. Allen propten de zakken vol boontjes, en Floorke koos er een naam voor: apenootjes.[260]Na een uur loopens vonden onze vrienden een rivier. Fluks de broeken uit en als seinvlaggen gebruikt! In de jol verstond men den wenk: de koers werd recht op de aangeduide plaats gesteld. Maar naderende, bemerkte men, dat vóór de monding der rivier een zandbank lag, die weliswaar niet boven het water uitstak, maar zoo’n hevige branding veroorzaakte, dat landen een gewaagde zaak scheen. Bontekoe durfde de verantwoording niet aan,—vroeg den maats zelf, wat ze wilden.„Landen!” klonk het uit één mond.„Wel”, zei Bontekoe, „dan waag ik er mijn huid ook aan. We zijn al door zooveel heen gerold! Smijt maar vier riemen uit, en aan elke riem twee man. Ik hou het roer. De rest klaar om te baliën!”Men stuurde recht op de woelende, schuimende watermassa aan.Toen kwamen er een paar spannende oogenblikken. De jol werd hoog opgenomen, neergekwakt; terstond volgde een zware roller en wierp ze half vol. Met schoenen, handen, mutsen en de twee vaatjes werd het water gehoosd, en de maats aan de riemen trokken als dollen. Daar sloeg een tweede roller achter over de jol. Het boord stak geen handbreed meer boven het water uit. De tanden opeengeklemd, werkten de oomes in razend tempo. Een derde golf stortte gelukkig achter de boot neer; een wolk van schuim vloog den kerels over het hoofd. Ze waren de branding uit.Steeds voorthoozende, legden ze eerst aan den linkeroever aan, namen onze vijf vrienden op en staken daarna naar den rechteroever over, waar de jol aan beide dreggen gemeerd werd. Toen gingen ze aan wal.De oevers van het riviertje waren dichtbegroeid. Waar de jol gemeerd lag, schoten de stammen van kokos- en betelpalmen op en dichte bamboebosschen, welker lange, smalle bladeren veelstemmig ruischten, wanneer er een koeltje langs streek. Dan tintelden ze van het zonlicht.De schipbreukelingen keken eens rond, wat er hier aan proviand te vinden zou zijn. Floorke wees den schipper de boontjes, die ook hier rijkelijk tierden. Bontekoe proefde de „apennootjes” en vermoedde, op den olie-achtigen smaak afgaand,[261]dat ze wel zeer voedzaam zouden zijn. Hij gaf den maats order, zooveel mogelijk te verzamelen. In kleine groepjes snuffelden de mannen den omtrek af. Harmen en Padde, die samen, al zoekende en peuzelende, waren afgedwaald, stonden, vóór ze het wisten.…. voor een vuurtje!„Allemachies!” stamelde Padde.En Harmen lag al op z’n knieën en blies er in, wat hij maar blazen kon. Vuur! Dat konden ze gebruiken! Hilke, de eenige, die een vuurslag in zijn zak gehad had, was zoo dom geweest, het in de sloep te laten liggen toen hij met de anderen in de jol was overgestapt. „Hout!” riep Harmen, al blazende. „Droog hout!” Nu, hout lag overal voor het grijpen. En dank zij Harmen’s gezonde longen, sloegen de vlammen spoedig weer uit het smeulende vuurtje op.„Wat ligt daar?” vroeg Padde, wijzend naar een paar hoopjes tabak op een stuk pisangblad.Als antwoord griste Harmen een handvol weg en stak het in zijn zak. Toen begon hij te schreeuwen: „Hei! Holla! Ho! Hier is wat te zien!” Padde gilde opgewonden mee.Daar kwamen de maats aanhollen. En op het gezicht van de twee schatten: vuur en tabak! sprongen ze van de pret. Gnuivend diepten ze hun pijpjes uit den broekzak op. De tabak werd eerlijk verdeeld. Al was er niet veel, allen zouden toch een fijn trekje kunnen doen.„Jij hebt je zakken natuurlijk stikvol!” verweet Gerretje aan Harmen.Harmen’s gelaat drukte een en al verbazing uit. „Hoe kan dat?? M’n zakken zitten vol noten! Kijk maar!” En Harmen gaf er met de vlakke hand een klap op.„Ook een bewijs!” smaalde Gerretje.„Harmen heeft de tabak gevonden!” suste Hilke. „Allicht, dat ie wat meer krijgt.”„’k Wed, dat ie wel een pond in z’n zak heeft gestoken!” pruttelde Gerretje. „Zie z’n zakken maar eens uitpuilen! Ze zullen nog barsten!”„En jij d’rbij!” verklaarde Harmen.De mannen legden nog een paar vuurtjes aan. Toen hurkten ze om de hoog oplaaiende vlammen en zogen, stil genietend,[262]aan hun pijpjes, tot de tabak op was,—behalve bij Harmen, die nog steeds dikke rookwolken de lucht inblies. Daarna verdiepten ze zich in gissingen omtrent de bewoners van dit land, die stellig in overhaaste vlucht de tabak hadden achtergelaten. Zouden ze den armen zwervelingen vijandig gezind zijn? Wat drommel, zorgen kwamen altijd nog vroeg genoeg!Maar toen de avond daalde, met bedekte lucht, maakte langzaam-aan een innerlijke onrust zich van de schipbreukelingen meester. Als de wilden hen vannacht eens in grooten getale en gewapend zouden overvallen? Een enkele maal deed een avondkoeltje het gras ruischen; de lange halmen bogen zich tot elkaar over en fluisterden. Den oomes klonk het als de sluipende voetstap van sluwe, bloeddorstige wilden. Wat was dat voor een bruin, levend wezen in dien loofboom? Een groote aap? In de verte plots een vogelroep. Boven de zee kwamen de kalongs weer aandrijven, ware spookgedaanten, wanneer ze, na een oogenblik tegen een groezelige roetwolk verdoezeld te zijn geweest, ineens weer opdoken. De maats hurkten allengs bijeen om het grootste vuur, keken met glanzende oogen in de vlammen en wierpen er stukken droog hout op. Pookt de vlammen maar aan, jongens! Dat doet de onrust vluchten.….Bontekoe besloot wachten uit te zetten. „Vrijwilligers?” Hajo en Rolf gaven zich als eersten op. Ze kregen de opdracht, de eerste paar uren van den nacht de rivier te bewaken.De beide vrienden togen naar hun post. Maar ze waren nog geen tien pas op weg, toen hijgend en blazend Padde achter hen aan kwam hollen. „Ik ga ook mee”, verklaarde hij.Moedig stapten de knapen het donkere bosch in. Padde liep achteraan, bibberend over al zijn leden, en hield Hajo bij de broek.Zoo kwamen ze bij de rivier. Nu een goed uitkijkpunt te vinden! Hajo wist raad: een zware boom was schuin over het water gegroeid,—daar zouden ze inklimmen. „Kom, ga je mee, Padde?”„Ik blijf beneden.”„Maar daar kun je niets zien!”„Ook nergens voor noodig”, vond Padde. „Als zemijóók maar niet zien!”[263]„Nou, blijf dan beneden”, zei Rolf, „dan kun je je door de krokodillen laten weghalen.”„Krokodillen?!” stamelde Padde. Zwijgend klauterde hij haastig achter Rolf aan.Inderdaad: van hier hadden de knapen een prachtig uitzicht. De rivier was nergens dichtgegroeid, lag open en bloot te glanzen onder den nachtelijken hemel. Onze vrienden kozen een mooien, ronden tak om op te zitten. Ziezoo, nu zouden ze het wel een heele poos uithouden!Drie jongens, zittend op een grote tak.Maar ze hadden buiten die kleine kwelgeesten gerekend, die het onmogelijk maken, zonder beschutting den nacht in een tropisch oerwoud door te brengen: de muskieten! Het was om er dol van te worden, zoo zoemden ze je om de ooren. Zzzzzúúúú.…. zzzzzinnng.…. zzzzzoeoeoeoe.…. Padde sneed een twijgje met loof af en zwaaide en sloeg er mee, dat hij er bijkans den boom door uittuimelde. Maar het hielp wel, en de anderen volgden zijn voorbeeld.Ineens, beneden hen, brekende takken, gestamp en gesmak in den weeken modderbodem.….Onwillekeurig grepen de vrienden zich aan elkaar vast. Daar boog het gras ter zijde, en een donker, harig beest met twee zware, rondgebogen slagtanden,[264]kwam zachtjes knorrend te voorschijn, waadde, zonder rond te zien, het water in, vol welbehagen slurpend. Daar kwam er nog een uit het gras naar voren, gevolgd door twee, vijf, acht, elf jonge, knorrende vierpooters, die zich gillend van vreugdevolle opwinding in de modder wentelden en daarna ook het water inliepen, slurpend, niezend en knorrend. Wilde varkens!Ademloos keken de knapen toe. De biggetjes hadden een in de lengte gestreepte huid,—een grappig gezicht. De knapen waren zoo door het familie-bad der krulstaarten in beslag genomen, dat geen van hen de roering in het water bespeurde, daar verderop.…..Eensklaps stiet een der biggetjes een smartkreet uit. Toen smoorde het water zijn gil, en het beestje werd door een onzichtbare macht weggesleept. Angstig schreeuwend vluchtten zijn broers en zusjes in onbeholpen sprongen den oever op. Maar de ouden stoven met woedend snuiven en blazen naar de plaats, waar het jong in de diepte was gesleurd. Terwijl het wijfje daar bleef staan, zwom het mannetje nog een eind door, draaide zoekend rond en keerde ten slotte met een klagend geluid naar zijn wijfje terug,—waarop ze beiden weer naar den oever baggerden en grommend tusschen het gras verdwenen, de jongen achter het wijfje aan. In hun haast en opwinding botsten de biggetjes tegen mekaar op, vlogen over den kop, met den snuit de modder in. Maar knorrend en gillend stormden ze weer voort, zich geducht reppend en vinnig slaand met de korte achterpootjes, dat de kluiten aarde met een wijden boog in het water kletsten. Toen werd het weer stil.De jongens ademden diep op. Foei! wat staken de muskieten! Van den grond stegen drie vuurvliegjes op, dwarrelden omhoog en doken weg in de boomkronen. Een kikker ratelde en kreeg van den anderen oever antwoord. Brèkèkèkèkèrrrrrr.…. Een watervogel vloog eensklaps, met heidensch misbaar, uit het oeverriet op, tuimelde tegen de takken van den boom, waarin de jongens zaten, plofte half verdoofd in de rivier neer, zocht toen, vleugelklappend, de pooten door het water slierend, een schuilplaats in een anderen bundel riet, waar hij doodstil zitten bleef. Toen een eentonig, klagend geluid, als het zacht[265]neuriën van een half vergeten wijsje. Inlanders zeggen, dat de krokodillen zingen, om hun prooi in het water te lokken.….Toen kwamen Hilke en Harmen de jongens aflossen. Zwijgend, half droomend gingen ze naar het kamp terug, legden zich bij een der vuren neer en sliepen in.De nacht verliep rustig.Verkwikt stonden allen den volgenden morgen op. Juist hadden ze het ontbijt naar binnen gespeeld: kokosmelk met gepofte apenootjes, warm uit het vuur! toen er drie inlanders uit Zuidelijke richting langs het strand kwamen aanloopen. De barbier, Bolle en Floorke, beroemd om hun vloeiend Maleisch, werden hun te gemoet gezonden. Floorke gespte zich, als teeken van waardigheid, den roestigen degen om en gebaarde zich als leider van de deputatie.Zoo ontmoetten de twee groepjes elkaar. De inlanders waren licht van huidskleur en maakten een beschaafden indruk. Ze droegen fraaie doeken in het sluike, glanzend zwarte haar; het naakte bovenlichaam had geen tatoeage, en om de heupen vouwde zich een soort rok met mooie figuren. Onbevreesd, ook niet zoo erg verbaasd keken ze den maats in de oogen en groetten in het Maleisch.Floorke nam terstond het woord. „Hebben jullie eten? Makan? We zullen betalen! Bajar!”„Ada makanan, toean”, was het bevestigende antwoord.„Makanan apa?” vroeg Bolle.Wat voor eten? EenderMaleiers somde op: „Nassi, kambing, ajam-ajam, ikan, boewah.….”„Goed, breng maar hier. Wat is dit voor een land?Negeri apa ini?” informeerde de barbier.„Negeri Lampong, toean”, was het antwoord.„Aha! De Zuidelijkste provincie van Sumatra! Dat is mooi!—Mana negeri Djawa?”Waar Java lag? De Maleiers wezen de kust af, in Zuid-Oostelijke richting.„Dat klopt!” zei Vader Langjas verheugd. En in het Maleisch vertelde hij, hoe ze hun schip hadden verloren en nu de reede van Bantem zochten.[266]Bantem was nog ver, verzekerden de inboorlingen, en er lag een zee tusschen. Daarop togen ze heen, beloofden spoedig met voedsel te zullen terugkeeren.Intusschen zamelde Bontekoe het geld der maats bijeen. Hier gold het: botje bij botje leggen; uit mutsen en voeringen kwam het geld te voorschijn, en ten slotte lagen er tachtig realen van achten. Zouden de inlanders weten, wat geld was? Bontekoe meende van wel: er zouden op deze kust wel genoeg handelsschepen komen, waar ze het geld weer kwijt konden.De inlanders kwamen met z’n twintigen terug, met pluimvee, rijst, vruchten en twee geiten.Bontekoe, verheugd over het uitzicht: na weken van de bitterste ontberingen eindelijk weer eens een smakelijken maaltijd te genieten, was het spoedig met hen over den prijs eens.En in zeldzaam opgewekte stemming werd het maal bereid. Bolle, met Harmen als helper, had zich nog nooit in zooveel belangstelling en raadgevingen mogen verheugen. Allen wilden proeven: „of het al gaar was”, en Bolle deelde met een houten, zelfgesneden lepel links en rechts meppen uit.Zeemeeuw.[267]

[Inhoud]SUMATRAAan den paarlemoeren hemel kwamen gouden schemeringen; een paar opstijgende wolkjes kregen gouden randjes aan den onderkant; toen dook de zon zelf in een rozerood jurkje uit het water op. Later trok ze haar dagkleed aan, en de hemel werd blauw, fel-blauw, tot hij ten slotte onvermengd kobalt was.Drie blinkend-witte meeuwen vlogen tsjiepend om de jol, doken in sierlijken val naar een vischje. Joppie kefte tegen de gevleugelde metgezellen, tot een bad hem weer wat tot kalmte bracht. Hij wilde nu wat op z’n staart gaan knabbelen,—welke staart echter tot Joppie’s verwondering niet zoo maar als een worst in de lucht hing, maar integendeel stevig aan zijn achterlijf bleek te zitten en lang niet makkelijk met de tanden te grijpen viel,—reden waarom Joppie zóó vlug rondtolde, dat hij tegen alle oomes aanbotste. Eindelijk had Joppie zijn staart te pakken, en er daalde rust in de jol.Bontekoe had goed voorspeld: ’s middags kwam Sumatra in het zicht,—een lange streep land, die langzaam-aan tot een machtigen wand van diep-paarse bergen werd, waarachter een groote kerel te smoken zat en dikke, witte wolken over den ganschen hemel blies.Men besloot voorloopig de kust maar af te zeilen, om zoo spoedig mogelijk Straat Soenda en daarna Bantem te bereiken. Er was nog geen gebrek aan eten.Zoo koerste men in Zuid-Oostelijke richting. De zon ging helder onder. De wind sloeg geheel naar het Noorden om, zoodat men het niet beter wenschen kon.De maan kwam op, eerst bleek, allengs aangloeiend tot zilver en den ganschen hemel vullend met haar wonderlijk licht. Sterretjes pinkten in alle kleuren; het was, alsof er van daarboven een zachte, zoete muziek omlaag zweefde.[258]Een prauwtje! Badend in het maanlicht danste het hulkje op de golven. Een eenzame visscher stond er rechtop in, verdiept in zijn werk, zoodat hij de jol niet zag naderen. In wijden zwaai wierp hij zijn net uit, dat stillekes in het water viel. De man was bijna geheel naakt; het maanlicht omlijnde zijn slanke schouders. Als een kroon stond hem een zwierig gestrikte hoofddoek in het haar.Plots bemerkte hij de jol, trok vlug het net binnen boord en pagaaide in zijn rank vaartuigje weg. Luchtig danste het over de hooge branding. „Sobat! Sobat kras!” schreeuwde Floorke. Maar de inboorling scheen van die dikke vriendschap niets te gelooven.Den volgenden dag raakten de noten op, en men moest nieuwen voorraad zien op te doen. Het ging er dus om, een inham te vinden. Daar de wind nu echter naar het Zuid-Oosten was omgeloopen, moest men laveeren en raakte daarbij telkens op zoo grooten afstand van de kust, dat men licht een geschikte ingang ongezien voorbij zou kunnen zeilen. Daarom werd besloten, dat vier of vijf man het strand zouden afloopen en waarschuwen, zoodra ze op een baai zouden stuiten. Hilke, Floorke, Harmen, Hajo en Rolf knoopten hun broek wat steviger aan en wipten overboord. Goede zwemmers als allen waren, wisten zij zich proestend en snuivend door de stoere branding heen te werken. En met het geruststellende gevoel van terstond weer het ruime sop te kunnen kiezen, indien inboorlingen het hun lastig mochten maken, volgden zij het strand, dat aan de landzijde was begrensd door boomen en ellenhoog gras daartusschen. Zwermen meeuwen vlogen nu en dan op.Allengs werd het strand smal en modderig; hier en daar stonden de boomen zelfs met den voet in het water, en het wemelde van slijkspringertjes.Onze vrienden baanden zich nu een weg door het hooge gras, waarin ze geheel kopje onder gingen. Hilke, die vooropliep, verstijfde van schrik, toen vlak voor zijn voeten een aap wegsprong en zich langs een paar hangende lianen in een grooten loofboom werkte, van waar hij den oomes in apentaal een reeks verwenschingen naar het hoofd slingerde. De grond voor Hilke’s voeten was opengerukt, en een paar planten lagen met[259]de wortels naar boven. Zonderling was, dat iets boven de wortels kleine boontjes zaten, die zich te voren blijkbaar onder den grond hadden bevonden, want er zat nog aarde aan. Floorke veegde een boontje aan zijn broek af. „Zou je ze kunnen eten?”„Waarachtig!” meende Hilke. „Als die aap er voor naar beneden komt om ze uit de grond te wurmen.….!”Vijf jongens op tropisch strand.Aarzelend stak Floorke het boontje in den mond. „Aan die schil is niet veel smaak”, verklaarde hij. „Maar die pitjes, die er in zitten, zijn best!”De anderen proefden nu ook eens. Hilke bekeek de kleine, ovale blaadjes van het plantje en merkte na eenig rondkijken, dat er overal volop groeide. Allen propten de zakken vol boontjes, en Floorke koos er een naam voor: apenootjes.[260]Na een uur loopens vonden onze vrienden een rivier. Fluks de broeken uit en als seinvlaggen gebruikt! In de jol verstond men den wenk: de koers werd recht op de aangeduide plaats gesteld. Maar naderende, bemerkte men, dat vóór de monding der rivier een zandbank lag, die weliswaar niet boven het water uitstak, maar zoo’n hevige branding veroorzaakte, dat landen een gewaagde zaak scheen. Bontekoe durfde de verantwoording niet aan,—vroeg den maats zelf, wat ze wilden.„Landen!” klonk het uit één mond.„Wel”, zei Bontekoe, „dan waag ik er mijn huid ook aan. We zijn al door zooveel heen gerold! Smijt maar vier riemen uit, en aan elke riem twee man. Ik hou het roer. De rest klaar om te baliën!”Men stuurde recht op de woelende, schuimende watermassa aan.Toen kwamen er een paar spannende oogenblikken. De jol werd hoog opgenomen, neergekwakt; terstond volgde een zware roller en wierp ze half vol. Met schoenen, handen, mutsen en de twee vaatjes werd het water gehoosd, en de maats aan de riemen trokken als dollen. Daar sloeg een tweede roller achter over de jol. Het boord stak geen handbreed meer boven het water uit. De tanden opeengeklemd, werkten de oomes in razend tempo. Een derde golf stortte gelukkig achter de boot neer; een wolk van schuim vloog den kerels over het hoofd. Ze waren de branding uit.Steeds voorthoozende, legden ze eerst aan den linkeroever aan, namen onze vijf vrienden op en staken daarna naar den rechteroever over, waar de jol aan beide dreggen gemeerd werd. Toen gingen ze aan wal.De oevers van het riviertje waren dichtbegroeid. Waar de jol gemeerd lag, schoten de stammen van kokos- en betelpalmen op en dichte bamboebosschen, welker lange, smalle bladeren veelstemmig ruischten, wanneer er een koeltje langs streek. Dan tintelden ze van het zonlicht.De schipbreukelingen keken eens rond, wat er hier aan proviand te vinden zou zijn. Floorke wees den schipper de boontjes, die ook hier rijkelijk tierden. Bontekoe proefde de „apennootjes” en vermoedde, op den olie-achtigen smaak afgaand,[261]dat ze wel zeer voedzaam zouden zijn. Hij gaf den maats order, zooveel mogelijk te verzamelen. In kleine groepjes snuffelden de mannen den omtrek af. Harmen en Padde, die samen, al zoekende en peuzelende, waren afgedwaald, stonden, vóór ze het wisten.…. voor een vuurtje!„Allemachies!” stamelde Padde.En Harmen lag al op z’n knieën en blies er in, wat hij maar blazen kon. Vuur! Dat konden ze gebruiken! Hilke, de eenige, die een vuurslag in zijn zak gehad had, was zoo dom geweest, het in de sloep te laten liggen toen hij met de anderen in de jol was overgestapt. „Hout!” riep Harmen, al blazende. „Droog hout!” Nu, hout lag overal voor het grijpen. En dank zij Harmen’s gezonde longen, sloegen de vlammen spoedig weer uit het smeulende vuurtje op.„Wat ligt daar?” vroeg Padde, wijzend naar een paar hoopjes tabak op een stuk pisangblad.Als antwoord griste Harmen een handvol weg en stak het in zijn zak. Toen begon hij te schreeuwen: „Hei! Holla! Ho! Hier is wat te zien!” Padde gilde opgewonden mee.Daar kwamen de maats aanhollen. En op het gezicht van de twee schatten: vuur en tabak! sprongen ze van de pret. Gnuivend diepten ze hun pijpjes uit den broekzak op. De tabak werd eerlijk verdeeld. Al was er niet veel, allen zouden toch een fijn trekje kunnen doen.„Jij hebt je zakken natuurlijk stikvol!” verweet Gerretje aan Harmen.Harmen’s gelaat drukte een en al verbazing uit. „Hoe kan dat?? M’n zakken zitten vol noten! Kijk maar!” En Harmen gaf er met de vlakke hand een klap op.„Ook een bewijs!” smaalde Gerretje.„Harmen heeft de tabak gevonden!” suste Hilke. „Allicht, dat ie wat meer krijgt.”„’k Wed, dat ie wel een pond in z’n zak heeft gestoken!” pruttelde Gerretje. „Zie z’n zakken maar eens uitpuilen! Ze zullen nog barsten!”„En jij d’rbij!” verklaarde Harmen.De mannen legden nog een paar vuurtjes aan. Toen hurkten ze om de hoog oplaaiende vlammen en zogen, stil genietend,[262]aan hun pijpjes, tot de tabak op was,—behalve bij Harmen, die nog steeds dikke rookwolken de lucht inblies. Daarna verdiepten ze zich in gissingen omtrent de bewoners van dit land, die stellig in overhaaste vlucht de tabak hadden achtergelaten. Zouden ze den armen zwervelingen vijandig gezind zijn? Wat drommel, zorgen kwamen altijd nog vroeg genoeg!Maar toen de avond daalde, met bedekte lucht, maakte langzaam-aan een innerlijke onrust zich van de schipbreukelingen meester. Als de wilden hen vannacht eens in grooten getale en gewapend zouden overvallen? Een enkele maal deed een avondkoeltje het gras ruischen; de lange halmen bogen zich tot elkaar over en fluisterden. Den oomes klonk het als de sluipende voetstap van sluwe, bloeddorstige wilden. Wat was dat voor een bruin, levend wezen in dien loofboom? Een groote aap? In de verte plots een vogelroep. Boven de zee kwamen de kalongs weer aandrijven, ware spookgedaanten, wanneer ze, na een oogenblik tegen een groezelige roetwolk verdoezeld te zijn geweest, ineens weer opdoken. De maats hurkten allengs bijeen om het grootste vuur, keken met glanzende oogen in de vlammen en wierpen er stukken droog hout op. Pookt de vlammen maar aan, jongens! Dat doet de onrust vluchten.….Bontekoe besloot wachten uit te zetten. „Vrijwilligers?” Hajo en Rolf gaven zich als eersten op. Ze kregen de opdracht, de eerste paar uren van den nacht de rivier te bewaken.De beide vrienden togen naar hun post. Maar ze waren nog geen tien pas op weg, toen hijgend en blazend Padde achter hen aan kwam hollen. „Ik ga ook mee”, verklaarde hij.Moedig stapten de knapen het donkere bosch in. Padde liep achteraan, bibberend over al zijn leden, en hield Hajo bij de broek.Zoo kwamen ze bij de rivier. Nu een goed uitkijkpunt te vinden! Hajo wist raad: een zware boom was schuin over het water gegroeid,—daar zouden ze inklimmen. „Kom, ga je mee, Padde?”„Ik blijf beneden.”„Maar daar kun je niets zien!”„Ook nergens voor noodig”, vond Padde. „Als zemijóók maar niet zien!”[263]„Nou, blijf dan beneden”, zei Rolf, „dan kun je je door de krokodillen laten weghalen.”„Krokodillen?!” stamelde Padde. Zwijgend klauterde hij haastig achter Rolf aan.Inderdaad: van hier hadden de knapen een prachtig uitzicht. De rivier was nergens dichtgegroeid, lag open en bloot te glanzen onder den nachtelijken hemel. Onze vrienden kozen een mooien, ronden tak om op te zitten. Ziezoo, nu zouden ze het wel een heele poos uithouden!Drie jongens, zittend op een grote tak.Maar ze hadden buiten die kleine kwelgeesten gerekend, die het onmogelijk maken, zonder beschutting den nacht in een tropisch oerwoud door te brengen: de muskieten! Het was om er dol van te worden, zoo zoemden ze je om de ooren. Zzzzzúúúú.…. zzzzzinnng.…. zzzzzoeoeoeoe.…. Padde sneed een twijgje met loof af en zwaaide en sloeg er mee, dat hij er bijkans den boom door uittuimelde. Maar het hielp wel, en de anderen volgden zijn voorbeeld.Ineens, beneden hen, brekende takken, gestamp en gesmak in den weeken modderbodem.….Onwillekeurig grepen de vrienden zich aan elkaar vast. Daar boog het gras ter zijde, en een donker, harig beest met twee zware, rondgebogen slagtanden,[264]kwam zachtjes knorrend te voorschijn, waadde, zonder rond te zien, het water in, vol welbehagen slurpend. Daar kwam er nog een uit het gras naar voren, gevolgd door twee, vijf, acht, elf jonge, knorrende vierpooters, die zich gillend van vreugdevolle opwinding in de modder wentelden en daarna ook het water inliepen, slurpend, niezend en knorrend. Wilde varkens!Ademloos keken de knapen toe. De biggetjes hadden een in de lengte gestreepte huid,—een grappig gezicht. De knapen waren zoo door het familie-bad der krulstaarten in beslag genomen, dat geen van hen de roering in het water bespeurde, daar verderop.…..Eensklaps stiet een der biggetjes een smartkreet uit. Toen smoorde het water zijn gil, en het beestje werd door een onzichtbare macht weggesleept. Angstig schreeuwend vluchtten zijn broers en zusjes in onbeholpen sprongen den oever op. Maar de ouden stoven met woedend snuiven en blazen naar de plaats, waar het jong in de diepte was gesleurd. Terwijl het wijfje daar bleef staan, zwom het mannetje nog een eind door, draaide zoekend rond en keerde ten slotte met een klagend geluid naar zijn wijfje terug,—waarop ze beiden weer naar den oever baggerden en grommend tusschen het gras verdwenen, de jongen achter het wijfje aan. In hun haast en opwinding botsten de biggetjes tegen mekaar op, vlogen over den kop, met den snuit de modder in. Maar knorrend en gillend stormden ze weer voort, zich geducht reppend en vinnig slaand met de korte achterpootjes, dat de kluiten aarde met een wijden boog in het water kletsten. Toen werd het weer stil.De jongens ademden diep op. Foei! wat staken de muskieten! Van den grond stegen drie vuurvliegjes op, dwarrelden omhoog en doken weg in de boomkronen. Een kikker ratelde en kreeg van den anderen oever antwoord. Brèkèkèkèkèrrrrrr.…. Een watervogel vloog eensklaps, met heidensch misbaar, uit het oeverriet op, tuimelde tegen de takken van den boom, waarin de jongens zaten, plofte half verdoofd in de rivier neer, zocht toen, vleugelklappend, de pooten door het water slierend, een schuilplaats in een anderen bundel riet, waar hij doodstil zitten bleef. Toen een eentonig, klagend geluid, als het zacht[265]neuriën van een half vergeten wijsje. Inlanders zeggen, dat de krokodillen zingen, om hun prooi in het water te lokken.….Toen kwamen Hilke en Harmen de jongens aflossen. Zwijgend, half droomend gingen ze naar het kamp terug, legden zich bij een der vuren neer en sliepen in.De nacht verliep rustig.Verkwikt stonden allen den volgenden morgen op. Juist hadden ze het ontbijt naar binnen gespeeld: kokosmelk met gepofte apenootjes, warm uit het vuur! toen er drie inlanders uit Zuidelijke richting langs het strand kwamen aanloopen. De barbier, Bolle en Floorke, beroemd om hun vloeiend Maleisch, werden hun te gemoet gezonden. Floorke gespte zich, als teeken van waardigheid, den roestigen degen om en gebaarde zich als leider van de deputatie.Zoo ontmoetten de twee groepjes elkaar. De inlanders waren licht van huidskleur en maakten een beschaafden indruk. Ze droegen fraaie doeken in het sluike, glanzend zwarte haar; het naakte bovenlichaam had geen tatoeage, en om de heupen vouwde zich een soort rok met mooie figuren. Onbevreesd, ook niet zoo erg verbaasd keken ze den maats in de oogen en groetten in het Maleisch.Floorke nam terstond het woord. „Hebben jullie eten? Makan? We zullen betalen! Bajar!”„Ada makanan, toean”, was het bevestigende antwoord.„Makanan apa?” vroeg Bolle.Wat voor eten? EenderMaleiers somde op: „Nassi, kambing, ajam-ajam, ikan, boewah.….”„Goed, breng maar hier. Wat is dit voor een land?Negeri apa ini?” informeerde de barbier.„Negeri Lampong, toean”, was het antwoord.„Aha! De Zuidelijkste provincie van Sumatra! Dat is mooi!—Mana negeri Djawa?”Waar Java lag? De Maleiers wezen de kust af, in Zuid-Oostelijke richting.„Dat klopt!” zei Vader Langjas verheugd. En in het Maleisch vertelde hij, hoe ze hun schip hadden verloren en nu de reede van Bantem zochten.[266]Bantem was nog ver, verzekerden de inboorlingen, en er lag een zee tusschen. Daarop togen ze heen, beloofden spoedig met voedsel te zullen terugkeeren.Intusschen zamelde Bontekoe het geld der maats bijeen. Hier gold het: botje bij botje leggen; uit mutsen en voeringen kwam het geld te voorschijn, en ten slotte lagen er tachtig realen van achten. Zouden de inlanders weten, wat geld was? Bontekoe meende van wel: er zouden op deze kust wel genoeg handelsschepen komen, waar ze het geld weer kwijt konden.De inlanders kwamen met z’n twintigen terug, met pluimvee, rijst, vruchten en twee geiten.Bontekoe, verheugd over het uitzicht: na weken van de bitterste ontberingen eindelijk weer eens een smakelijken maaltijd te genieten, was het spoedig met hen over den prijs eens.En in zeldzaam opgewekte stemming werd het maal bereid. Bolle, met Harmen als helper, had zich nog nooit in zooveel belangstelling en raadgevingen mogen verheugen. Allen wilden proeven: „of het al gaar was”, en Bolle deelde met een houten, zelfgesneden lepel links en rechts meppen uit.Zeemeeuw.[267]

SUMATRA

Aan den paarlemoeren hemel kwamen gouden schemeringen; een paar opstijgende wolkjes kregen gouden randjes aan den onderkant; toen dook de zon zelf in een rozerood jurkje uit het water op. Later trok ze haar dagkleed aan, en de hemel werd blauw, fel-blauw, tot hij ten slotte onvermengd kobalt was.Drie blinkend-witte meeuwen vlogen tsjiepend om de jol, doken in sierlijken val naar een vischje. Joppie kefte tegen de gevleugelde metgezellen, tot een bad hem weer wat tot kalmte bracht. Hij wilde nu wat op z’n staart gaan knabbelen,—welke staart echter tot Joppie’s verwondering niet zoo maar als een worst in de lucht hing, maar integendeel stevig aan zijn achterlijf bleek te zitten en lang niet makkelijk met de tanden te grijpen viel,—reden waarom Joppie zóó vlug rondtolde, dat hij tegen alle oomes aanbotste. Eindelijk had Joppie zijn staart te pakken, en er daalde rust in de jol.Bontekoe had goed voorspeld: ’s middags kwam Sumatra in het zicht,—een lange streep land, die langzaam-aan tot een machtigen wand van diep-paarse bergen werd, waarachter een groote kerel te smoken zat en dikke, witte wolken over den ganschen hemel blies.Men besloot voorloopig de kust maar af te zeilen, om zoo spoedig mogelijk Straat Soenda en daarna Bantem te bereiken. Er was nog geen gebrek aan eten.Zoo koerste men in Zuid-Oostelijke richting. De zon ging helder onder. De wind sloeg geheel naar het Noorden om, zoodat men het niet beter wenschen kon.De maan kwam op, eerst bleek, allengs aangloeiend tot zilver en den ganschen hemel vullend met haar wonderlijk licht. Sterretjes pinkten in alle kleuren; het was, alsof er van daarboven een zachte, zoete muziek omlaag zweefde.[258]Een prauwtje! Badend in het maanlicht danste het hulkje op de golven. Een eenzame visscher stond er rechtop in, verdiept in zijn werk, zoodat hij de jol niet zag naderen. In wijden zwaai wierp hij zijn net uit, dat stillekes in het water viel. De man was bijna geheel naakt; het maanlicht omlijnde zijn slanke schouders. Als een kroon stond hem een zwierig gestrikte hoofddoek in het haar.Plots bemerkte hij de jol, trok vlug het net binnen boord en pagaaide in zijn rank vaartuigje weg. Luchtig danste het over de hooge branding. „Sobat! Sobat kras!” schreeuwde Floorke. Maar de inboorling scheen van die dikke vriendschap niets te gelooven.Den volgenden dag raakten de noten op, en men moest nieuwen voorraad zien op te doen. Het ging er dus om, een inham te vinden. Daar de wind nu echter naar het Zuid-Oosten was omgeloopen, moest men laveeren en raakte daarbij telkens op zoo grooten afstand van de kust, dat men licht een geschikte ingang ongezien voorbij zou kunnen zeilen. Daarom werd besloten, dat vier of vijf man het strand zouden afloopen en waarschuwen, zoodra ze op een baai zouden stuiten. Hilke, Floorke, Harmen, Hajo en Rolf knoopten hun broek wat steviger aan en wipten overboord. Goede zwemmers als allen waren, wisten zij zich proestend en snuivend door de stoere branding heen te werken. En met het geruststellende gevoel van terstond weer het ruime sop te kunnen kiezen, indien inboorlingen het hun lastig mochten maken, volgden zij het strand, dat aan de landzijde was begrensd door boomen en ellenhoog gras daartusschen. Zwermen meeuwen vlogen nu en dan op.Allengs werd het strand smal en modderig; hier en daar stonden de boomen zelfs met den voet in het water, en het wemelde van slijkspringertjes.Onze vrienden baanden zich nu een weg door het hooge gras, waarin ze geheel kopje onder gingen. Hilke, die vooropliep, verstijfde van schrik, toen vlak voor zijn voeten een aap wegsprong en zich langs een paar hangende lianen in een grooten loofboom werkte, van waar hij den oomes in apentaal een reeks verwenschingen naar het hoofd slingerde. De grond voor Hilke’s voeten was opengerukt, en een paar planten lagen met[259]de wortels naar boven. Zonderling was, dat iets boven de wortels kleine boontjes zaten, die zich te voren blijkbaar onder den grond hadden bevonden, want er zat nog aarde aan. Floorke veegde een boontje aan zijn broek af. „Zou je ze kunnen eten?”„Waarachtig!” meende Hilke. „Als die aap er voor naar beneden komt om ze uit de grond te wurmen.….!”Vijf jongens op tropisch strand.Aarzelend stak Floorke het boontje in den mond. „Aan die schil is niet veel smaak”, verklaarde hij. „Maar die pitjes, die er in zitten, zijn best!”De anderen proefden nu ook eens. Hilke bekeek de kleine, ovale blaadjes van het plantje en merkte na eenig rondkijken, dat er overal volop groeide. Allen propten de zakken vol boontjes, en Floorke koos er een naam voor: apenootjes.[260]Na een uur loopens vonden onze vrienden een rivier. Fluks de broeken uit en als seinvlaggen gebruikt! In de jol verstond men den wenk: de koers werd recht op de aangeduide plaats gesteld. Maar naderende, bemerkte men, dat vóór de monding der rivier een zandbank lag, die weliswaar niet boven het water uitstak, maar zoo’n hevige branding veroorzaakte, dat landen een gewaagde zaak scheen. Bontekoe durfde de verantwoording niet aan,—vroeg den maats zelf, wat ze wilden.„Landen!” klonk het uit één mond.„Wel”, zei Bontekoe, „dan waag ik er mijn huid ook aan. We zijn al door zooveel heen gerold! Smijt maar vier riemen uit, en aan elke riem twee man. Ik hou het roer. De rest klaar om te baliën!”Men stuurde recht op de woelende, schuimende watermassa aan.Toen kwamen er een paar spannende oogenblikken. De jol werd hoog opgenomen, neergekwakt; terstond volgde een zware roller en wierp ze half vol. Met schoenen, handen, mutsen en de twee vaatjes werd het water gehoosd, en de maats aan de riemen trokken als dollen. Daar sloeg een tweede roller achter over de jol. Het boord stak geen handbreed meer boven het water uit. De tanden opeengeklemd, werkten de oomes in razend tempo. Een derde golf stortte gelukkig achter de boot neer; een wolk van schuim vloog den kerels over het hoofd. Ze waren de branding uit.Steeds voorthoozende, legden ze eerst aan den linkeroever aan, namen onze vijf vrienden op en staken daarna naar den rechteroever over, waar de jol aan beide dreggen gemeerd werd. Toen gingen ze aan wal.De oevers van het riviertje waren dichtbegroeid. Waar de jol gemeerd lag, schoten de stammen van kokos- en betelpalmen op en dichte bamboebosschen, welker lange, smalle bladeren veelstemmig ruischten, wanneer er een koeltje langs streek. Dan tintelden ze van het zonlicht.De schipbreukelingen keken eens rond, wat er hier aan proviand te vinden zou zijn. Floorke wees den schipper de boontjes, die ook hier rijkelijk tierden. Bontekoe proefde de „apennootjes” en vermoedde, op den olie-achtigen smaak afgaand,[261]dat ze wel zeer voedzaam zouden zijn. Hij gaf den maats order, zooveel mogelijk te verzamelen. In kleine groepjes snuffelden de mannen den omtrek af. Harmen en Padde, die samen, al zoekende en peuzelende, waren afgedwaald, stonden, vóór ze het wisten.…. voor een vuurtje!„Allemachies!” stamelde Padde.En Harmen lag al op z’n knieën en blies er in, wat hij maar blazen kon. Vuur! Dat konden ze gebruiken! Hilke, de eenige, die een vuurslag in zijn zak gehad had, was zoo dom geweest, het in de sloep te laten liggen toen hij met de anderen in de jol was overgestapt. „Hout!” riep Harmen, al blazende. „Droog hout!” Nu, hout lag overal voor het grijpen. En dank zij Harmen’s gezonde longen, sloegen de vlammen spoedig weer uit het smeulende vuurtje op.„Wat ligt daar?” vroeg Padde, wijzend naar een paar hoopjes tabak op een stuk pisangblad.Als antwoord griste Harmen een handvol weg en stak het in zijn zak. Toen begon hij te schreeuwen: „Hei! Holla! Ho! Hier is wat te zien!” Padde gilde opgewonden mee.Daar kwamen de maats aanhollen. En op het gezicht van de twee schatten: vuur en tabak! sprongen ze van de pret. Gnuivend diepten ze hun pijpjes uit den broekzak op. De tabak werd eerlijk verdeeld. Al was er niet veel, allen zouden toch een fijn trekje kunnen doen.„Jij hebt je zakken natuurlijk stikvol!” verweet Gerretje aan Harmen.Harmen’s gelaat drukte een en al verbazing uit. „Hoe kan dat?? M’n zakken zitten vol noten! Kijk maar!” En Harmen gaf er met de vlakke hand een klap op.„Ook een bewijs!” smaalde Gerretje.„Harmen heeft de tabak gevonden!” suste Hilke. „Allicht, dat ie wat meer krijgt.”„’k Wed, dat ie wel een pond in z’n zak heeft gestoken!” pruttelde Gerretje. „Zie z’n zakken maar eens uitpuilen! Ze zullen nog barsten!”„En jij d’rbij!” verklaarde Harmen.De mannen legden nog een paar vuurtjes aan. Toen hurkten ze om de hoog oplaaiende vlammen en zogen, stil genietend,[262]aan hun pijpjes, tot de tabak op was,—behalve bij Harmen, die nog steeds dikke rookwolken de lucht inblies. Daarna verdiepten ze zich in gissingen omtrent de bewoners van dit land, die stellig in overhaaste vlucht de tabak hadden achtergelaten. Zouden ze den armen zwervelingen vijandig gezind zijn? Wat drommel, zorgen kwamen altijd nog vroeg genoeg!Maar toen de avond daalde, met bedekte lucht, maakte langzaam-aan een innerlijke onrust zich van de schipbreukelingen meester. Als de wilden hen vannacht eens in grooten getale en gewapend zouden overvallen? Een enkele maal deed een avondkoeltje het gras ruischen; de lange halmen bogen zich tot elkaar over en fluisterden. Den oomes klonk het als de sluipende voetstap van sluwe, bloeddorstige wilden. Wat was dat voor een bruin, levend wezen in dien loofboom? Een groote aap? In de verte plots een vogelroep. Boven de zee kwamen de kalongs weer aandrijven, ware spookgedaanten, wanneer ze, na een oogenblik tegen een groezelige roetwolk verdoezeld te zijn geweest, ineens weer opdoken. De maats hurkten allengs bijeen om het grootste vuur, keken met glanzende oogen in de vlammen en wierpen er stukken droog hout op. Pookt de vlammen maar aan, jongens! Dat doet de onrust vluchten.….Bontekoe besloot wachten uit te zetten. „Vrijwilligers?” Hajo en Rolf gaven zich als eersten op. Ze kregen de opdracht, de eerste paar uren van den nacht de rivier te bewaken.De beide vrienden togen naar hun post. Maar ze waren nog geen tien pas op weg, toen hijgend en blazend Padde achter hen aan kwam hollen. „Ik ga ook mee”, verklaarde hij.Moedig stapten de knapen het donkere bosch in. Padde liep achteraan, bibberend over al zijn leden, en hield Hajo bij de broek.Zoo kwamen ze bij de rivier. Nu een goed uitkijkpunt te vinden! Hajo wist raad: een zware boom was schuin over het water gegroeid,—daar zouden ze inklimmen. „Kom, ga je mee, Padde?”„Ik blijf beneden.”„Maar daar kun je niets zien!”„Ook nergens voor noodig”, vond Padde. „Als zemijóók maar niet zien!”[263]„Nou, blijf dan beneden”, zei Rolf, „dan kun je je door de krokodillen laten weghalen.”„Krokodillen?!” stamelde Padde. Zwijgend klauterde hij haastig achter Rolf aan.Inderdaad: van hier hadden de knapen een prachtig uitzicht. De rivier was nergens dichtgegroeid, lag open en bloot te glanzen onder den nachtelijken hemel. Onze vrienden kozen een mooien, ronden tak om op te zitten. Ziezoo, nu zouden ze het wel een heele poos uithouden!Drie jongens, zittend op een grote tak.Maar ze hadden buiten die kleine kwelgeesten gerekend, die het onmogelijk maken, zonder beschutting den nacht in een tropisch oerwoud door te brengen: de muskieten! Het was om er dol van te worden, zoo zoemden ze je om de ooren. Zzzzzúúúú.…. zzzzzinnng.…. zzzzzoeoeoeoe.…. Padde sneed een twijgje met loof af en zwaaide en sloeg er mee, dat hij er bijkans den boom door uittuimelde. Maar het hielp wel, en de anderen volgden zijn voorbeeld.Ineens, beneden hen, brekende takken, gestamp en gesmak in den weeken modderbodem.….Onwillekeurig grepen de vrienden zich aan elkaar vast. Daar boog het gras ter zijde, en een donker, harig beest met twee zware, rondgebogen slagtanden,[264]kwam zachtjes knorrend te voorschijn, waadde, zonder rond te zien, het water in, vol welbehagen slurpend. Daar kwam er nog een uit het gras naar voren, gevolgd door twee, vijf, acht, elf jonge, knorrende vierpooters, die zich gillend van vreugdevolle opwinding in de modder wentelden en daarna ook het water inliepen, slurpend, niezend en knorrend. Wilde varkens!Ademloos keken de knapen toe. De biggetjes hadden een in de lengte gestreepte huid,—een grappig gezicht. De knapen waren zoo door het familie-bad der krulstaarten in beslag genomen, dat geen van hen de roering in het water bespeurde, daar verderop.…..Eensklaps stiet een der biggetjes een smartkreet uit. Toen smoorde het water zijn gil, en het beestje werd door een onzichtbare macht weggesleept. Angstig schreeuwend vluchtten zijn broers en zusjes in onbeholpen sprongen den oever op. Maar de ouden stoven met woedend snuiven en blazen naar de plaats, waar het jong in de diepte was gesleurd. Terwijl het wijfje daar bleef staan, zwom het mannetje nog een eind door, draaide zoekend rond en keerde ten slotte met een klagend geluid naar zijn wijfje terug,—waarop ze beiden weer naar den oever baggerden en grommend tusschen het gras verdwenen, de jongen achter het wijfje aan. In hun haast en opwinding botsten de biggetjes tegen mekaar op, vlogen over den kop, met den snuit de modder in. Maar knorrend en gillend stormden ze weer voort, zich geducht reppend en vinnig slaand met de korte achterpootjes, dat de kluiten aarde met een wijden boog in het water kletsten. Toen werd het weer stil.De jongens ademden diep op. Foei! wat staken de muskieten! Van den grond stegen drie vuurvliegjes op, dwarrelden omhoog en doken weg in de boomkronen. Een kikker ratelde en kreeg van den anderen oever antwoord. Brèkèkèkèkèrrrrrr.…. Een watervogel vloog eensklaps, met heidensch misbaar, uit het oeverriet op, tuimelde tegen de takken van den boom, waarin de jongens zaten, plofte half verdoofd in de rivier neer, zocht toen, vleugelklappend, de pooten door het water slierend, een schuilplaats in een anderen bundel riet, waar hij doodstil zitten bleef. Toen een eentonig, klagend geluid, als het zacht[265]neuriën van een half vergeten wijsje. Inlanders zeggen, dat de krokodillen zingen, om hun prooi in het water te lokken.….Toen kwamen Hilke en Harmen de jongens aflossen. Zwijgend, half droomend gingen ze naar het kamp terug, legden zich bij een der vuren neer en sliepen in.De nacht verliep rustig.Verkwikt stonden allen den volgenden morgen op. Juist hadden ze het ontbijt naar binnen gespeeld: kokosmelk met gepofte apenootjes, warm uit het vuur! toen er drie inlanders uit Zuidelijke richting langs het strand kwamen aanloopen. De barbier, Bolle en Floorke, beroemd om hun vloeiend Maleisch, werden hun te gemoet gezonden. Floorke gespte zich, als teeken van waardigheid, den roestigen degen om en gebaarde zich als leider van de deputatie.Zoo ontmoetten de twee groepjes elkaar. De inlanders waren licht van huidskleur en maakten een beschaafden indruk. Ze droegen fraaie doeken in het sluike, glanzend zwarte haar; het naakte bovenlichaam had geen tatoeage, en om de heupen vouwde zich een soort rok met mooie figuren. Onbevreesd, ook niet zoo erg verbaasd keken ze den maats in de oogen en groetten in het Maleisch.Floorke nam terstond het woord. „Hebben jullie eten? Makan? We zullen betalen! Bajar!”„Ada makanan, toean”, was het bevestigende antwoord.„Makanan apa?” vroeg Bolle.Wat voor eten? EenderMaleiers somde op: „Nassi, kambing, ajam-ajam, ikan, boewah.….”„Goed, breng maar hier. Wat is dit voor een land?Negeri apa ini?” informeerde de barbier.„Negeri Lampong, toean”, was het antwoord.„Aha! De Zuidelijkste provincie van Sumatra! Dat is mooi!—Mana negeri Djawa?”Waar Java lag? De Maleiers wezen de kust af, in Zuid-Oostelijke richting.„Dat klopt!” zei Vader Langjas verheugd. En in het Maleisch vertelde hij, hoe ze hun schip hadden verloren en nu de reede van Bantem zochten.[266]Bantem was nog ver, verzekerden de inboorlingen, en er lag een zee tusschen. Daarop togen ze heen, beloofden spoedig met voedsel te zullen terugkeeren.Intusschen zamelde Bontekoe het geld der maats bijeen. Hier gold het: botje bij botje leggen; uit mutsen en voeringen kwam het geld te voorschijn, en ten slotte lagen er tachtig realen van achten. Zouden de inlanders weten, wat geld was? Bontekoe meende van wel: er zouden op deze kust wel genoeg handelsschepen komen, waar ze het geld weer kwijt konden.De inlanders kwamen met z’n twintigen terug, met pluimvee, rijst, vruchten en twee geiten.Bontekoe, verheugd over het uitzicht: na weken van de bitterste ontberingen eindelijk weer eens een smakelijken maaltijd te genieten, was het spoedig met hen over den prijs eens.En in zeldzaam opgewekte stemming werd het maal bereid. Bolle, met Harmen als helper, had zich nog nooit in zooveel belangstelling en raadgevingen mogen verheugen. Allen wilden proeven: „of het al gaar was”, en Bolle deelde met een houten, zelfgesneden lepel links en rechts meppen uit.Zeemeeuw.[267]

Aan den paarlemoeren hemel kwamen gouden schemeringen; een paar opstijgende wolkjes kregen gouden randjes aan den onderkant; toen dook de zon zelf in een rozerood jurkje uit het water op. Later trok ze haar dagkleed aan, en de hemel werd blauw, fel-blauw, tot hij ten slotte onvermengd kobalt was.

Drie blinkend-witte meeuwen vlogen tsjiepend om de jol, doken in sierlijken val naar een vischje. Joppie kefte tegen de gevleugelde metgezellen, tot een bad hem weer wat tot kalmte bracht. Hij wilde nu wat op z’n staart gaan knabbelen,—welke staart echter tot Joppie’s verwondering niet zoo maar als een worst in de lucht hing, maar integendeel stevig aan zijn achterlijf bleek te zitten en lang niet makkelijk met de tanden te grijpen viel,—reden waarom Joppie zóó vlug rondtolde, dat hij tegen alle oomes aanbotste. Eindelijk had Joppie zijn staart te pakken, en er daalde rust in de jol.

Bontekoe had goed voorspeld: ’s middags kwam Sumatra in het zicht,—een lange streep land, die langzaam-aan tot een machtigen wand van diep-paarse bergen werd, waarachter een groote kerel te smoken zat en dikke, witte wolken over den ganschen hemel blies.

Men besloot voorloopig de kust maar af te zeilen, om zoo spoedig mogelijk Straat Soenda en daarna Bantem te bereiken. Er was nog geen gebrek aan eten.

Zoo koerste men in Zuid-Oostelijke richting. De zon ging helder onder. De wind sloeg geheel naar het Noorden om, zoodat men het niet beter wenschen kon.

De maan kwam op, eerst bleek, allengs aangloeiend tot zilver en den ganschen hemel vullend met haar wonderlijk licht. Sterretjes pinkten in alle kleuren; het was, alsof er van daarboven een zachte, zoete muziek omlaag zweefde.[258]

Een prauwtje! Badend in het maanlicht danste het hulkje op de golven. Een eenzame visscher stond er rechtop in, verdiept in zijn werk, zoodat hij de jol niet zag naderen. In wijden zwaai wierp hij zijn net uit, dat stillekes in het water viel. De man was bijna geheel naakt; het maanlicht omlijnde zijn slanke schouders. Als een kroon stond hem een zwierig gestrikte hoofddoek in het haar.

Plots bemerkte hij de jol, trok vlug het net binnen boord en pagaaide in zijn rank vaartuigje weg. Luchtig danste het over de hooge branding. „Sobat! Sobat kras!” schreeuwde Floorke. Maar de inboorling scheen van die dikke vriendschap niets te gelooven.

Den volgenden dag raakten de noten op, en men moest nieuwen voorraad zien op te doen. Het ging er dus om, een inham te vinden. Daar de wind nu echter naar het Zuid-Oosten was omgeloopen, moest men laveeren en raakte daarbij telkens op zoo grooten afstand van de kust, dat men licht een geschikte ingang ongezien voorbij zou kunnen zeilen. Daarom werd besloten, dat vier of vijf man het strand zouden afloopen en waarschuwen, zoodra ze op een baai zouden stuiten. Hilke, Floorke, Harmen, Hajo en Rolf knoopten hun broek wat steviger aan en wipten overboord. Goede zwemmers als allen waren, wisten zij zich proestend en snuivend door de stoere branding heen te werken. En met het geruststellende gevoel van terstond weer het ruime sop te kunnen kiezen, indien inboorlingen het hun lastig mochten maken, volgden zij het strand, dat aan de landzijde was begrensd door boomen en ellenhoog gras daartusschen. Zwermen meeuwen vlogen nu en dan op.

Allengs werd het strand smal en modderig; hier en daar stonden de boomen zelfs met den voet in het water, en het wemelde van slijkspringertjes.

Onze vrienden baanden zich nu een weg door het hooge gras, waarin ze geheel kopje onder gingen. Hilke, die vooropliep, verstijfde van schrik, toen vlak voor zijn voeten een aap wegsprong en zich langs een paar hangende lianen in een grooten loofboom werkte, van waar hij den oomes in apentaal een reeks verwenschingen naar het hoofd slingerde. De grond voor Hilke’s voeten was opengerukt, en een paar planten lagen met[259]de wortels naar boven. Zonderling was, dat iets boven de wortels kleine boontjes zaten, die zich te voren blijkbaar onder den grond hadden bevonden, want er zat nog aarde aan. Floorke veegde een boontje aan zijn broek af. „Zou je ze kunnen eten?”

„Waarachtig!” meende Hilke. „Als die aap er voor naar beneden komt om ze uit de grond te wurmen.….!”

Vijf jongens op tropisch strand.

Aarzelend stak Floorke het boontje in den mond. „Aan die schil is niet veel smaak”, verklaarde hij. „Maar die pitjes, die er in zitten, zijn best!”

De anderen proefden nu ook eens. Hilke bekeek de kleine, ovale blaadjes van het plantje en merkte na eenig rondkijken, dat er overal volop groeide. Allen propten de zakken vol boontjes, en Floorke koos er een naam voor: apenootjes.[260]

Na een uur loopens vonden onze vrienden een rivier. Fluks de broeken uit en als seinvlaggen gebruikt! In de jol verstond men den wenk: de koers werd recht op de aangeduide plaats gesteld. Maar naderende, bemerkte men, dat vóór de monding der rivier een zandbank lag, die weliswaar niet boven het water uitstak, maar zoo’n hevige branding veroorzaakte, dat landen een gewaagde zaak scheen. Bontekoe durfde de verantwoording niet aan,—vroeg den maats zelf, wat ze wilden.

„Landen!” klonk het uit één mond.

„Wel”, zei Bontekoe, „dan waag ik er mijn huid ook aan. We zijn al door zooveel heen gerold! Smijt maar vier riemen uit, en aan elke riem twee man. Ik hou het roer. De rest klaar om te baliën!”

Men stuurde recht op de woelende, schuimende watermassa aan.

Toen kwamen er een paar spannende oogenblikken. De jol werd hoog opgenomen, neergekwakt; terstond volgde een zware roller en wierp ze half vol. Met schoenen, handen, mutsen en de twee vaatjes werd het water gehoosd, en de maats aan de riemen trokken als dollen. Daar sloeg een tweede roller achter over de jol. Het boord stak geen handbreed meer boven het water uit. De tanden opeengeklemd, werkten de oomes in razend tempo. Een derde golf stortte gelukkig achter de boot neer; een wolk van schuim vloog den kerels over het hoofd. Ze waren de branding uit.

Steeds voorthoozende, legden ze eerst aan den linkeroever aan, namen onze vijf vrienden op en staken daarna naar den rechteroever over, waar de jol aan beide dreggen gemeerd werd. Toen gingen ze aan wal.

De oevers van het riviertje waren dichtbegroeid. Waar de jol gemeerd lag, schoten de stammen van kokos- en betelpalmen op en dichte bamboebosschen, welker lange, smalle bladeren veelstemmig ruischten, wanneer er een koeltje langs streek. Dan tintelden ze van het zonlicht.

De schipbreukelingen keken eens rond, wat er hier aan proviand te vinden zou zijn. Floorke wees den schipper de boontjes, die ook hier rijkelijk tierden. Bontekoe proefde de „apennootjes” en vermoedde, op den olie-achtigen smaak afgaand,[261]dat ze wel zeer voedzaam zouden zijn. Hij gaf den maats order, zooveel mogelijk te verzamelen. In kleine groepjes snuffelden de mannen den omtrek af. Harmen en Padde, die samen, al zoekende en peuzelende, waren afgedwaald, stonden, vóór ze het wisten.…. voor een vuurtje!

„Allemachies!” stamelde Padde.

En Harmen lag al op z’n knieën en blies er in, wat hij maar blazen kon. Vuur! Dat konden ze gebruiken! Hilke, de eenige, die een vuurslag in zijn zak gehad had, was zoo dom geweest, het in de sloep te laten liggen toen hij met de anderen in de jol was overgestapt. „Hout!” riep Harmen, al blazende. „Droog hout!” Nu, hout lag overal voor het grijpen. En dank zij Harmen’s gezonde longen, sloegen de vlammen spoedig weer uit het smeulende vuurtje op.

„Wat ligt daar?” vroeg Padde, wijzend naar een paar hoopjes tabak op een stuk pisangblad.

Als antwoord griste Harmen een handvol weg en stak het in zijn zak. Toen begon hij te schreeuwen: „Hei! Holla! Ho! Hier is wat te zien!” Padde gilde opgewonden mee.

Daar kwamen de maats aanhollen. En op het gezicht van de twee schatten: vuur en tabak! sprongen ze van de pret. Gnuivend diepten ze hun pijpjes uit den broekzak op. De tabak werd eerlijk verdeeld. Al was er niet veel, allen zouden toch een fijn trekje kunnen doen.

„Jij hebt je zakken natuurlijk stikvol!” verweet Gerretje aan Harmen.

Harmen’s gelaat drukte een en al verbazing uit. „Hoe kan dat?? M’n zakken zitten vol noten! Kijk maar!” En Harmen gaf er met de vlakke hand een klap op.

„Ook een bewijs!” smaalde Gerretje.

„Harmen heeft de tabak gevonden!” suste Hilke. „Allicht, dat ie wat meer krijgt.”

„’k Wed, dat ie wel een pond in z’n zak heeft gestoken!” pruttelde Gerretje. „Zie z’n zakken maar eens uitpuilen! Ze zullen nog barsten!”

„En jij d’rbij!” verklaarde Harmen.

De mannen legden nog een paar vuurtjes aan. Toen hurkten ze om de hoog oplaaiende vlammen en zogen, stil genietend,[262]aan hun pijpjes, tot de tabak op was,—behalve bij Harmen, die nog steeds dikke rookwolken de lucht inblies. Daarna verdiepten ze zich in gissingen omtrent de bewoners van dit land, die stellig in overhaaste vlucht de tabak hadden achtergelaten. Zouden ze den armen zwervelingen vijandig gezind zijn? Wat drommel, zorgen kwamen altijd nog vroeg genoeg!

Maar toen de avond daalde, met bedekte lucht, maakte langzaam-aan een innerlijke onrust zich van de schipbreukelingen meester. Als de wilden hen vannacht eens in grooten getale en gewapend zouden overvallen? Een enkele maal deed een avondkoeltje het gras ruischen; de lange halmen bogen zich tot elkaar over en fluisterden. Den oomes klonk het als de sluipende voetstap van sluwe, bloeddorstige wilden. Wat was dat voor een bruin, levend wezen in dien loofboom? Een groote aap? In de verte plots een vogelroep. Boven de zee kwamen de kalongs weer aandrijven, ware spookgedaanten, wanneer ze, na een oogenblik tegen een groezelige roetwolk verdoezeld te zijn geweest, ineens weer opdoken. De maats hurkten allengs bijeen om het grootste vuur, keken met glanzende oogen in de vlammen en wierpen er stukken droog hout op. Pookt de vlammen maar aan, jongens! Dat doet de onrust vluchten.….

Bontekoe besloot wachten uit te zetten. „Vrijwilligers?” Hajo en Rolf gaven zich als eersten op. Ze kregen de opdracht, de eerste paar uren van den nacht de rivier te bewaken.

De beide vrienden togen naar hun post. Maar ze waren nog geen tien pas op weg, toen hijgend en blazend Padde achter hen aan kwam hollen. „Ik ga ook mee”, verklaarde hij.

Moedig stapten de knapen het donkere bosch in. Padde liep achteraan, bibberend over al zijn leden, en hield Hajo bij de broek.

Zoo kwamen ze bij de rivier. Nu een goed uitkijkpunt te vinden! Hajo wist raad: een zware boom was schuin over het water gegroeid,—daar zouden ze inklimmen. „Kom, ga je mee, Padde?”

„Ik blijf beneden.”

„Maar daar kun je niets zien!”

„Ook nergens voor noodig”, vond Padde. „Als zemijóók maar niet zien!”[263]

„Nou, blijf dan beneden”, zei Rolf, „dan kun je je door de krokodillen laten weghalen.”

„Krokodillen?!” stamelde Padde. Zwijgend klauterde hij haastig achter Rolf aan.

Inderdaad: van hier hadden de knapen een prachtig uitzicht. De rivier was nergens dichtgegroeid, lag open en bloot te glanzen onder den nachtelijken hemel. Onze vrienden kozen een mooien, ronden tak om op te zitten. Ziezoo, nu zouden ze het wel een heele poos uithouden!

Drie jongens, zittend op een grote tak.

Maar ze hadden buiten die kleine kwelgeesten gerekend, die het onmogelijk maken, zonder beschutting den nacht in een tropisch oerwoud door te brengen: de muskieten! Het was om er dol van te worden, zoo zoemden ze je om de ooren. Zzzzzúúúú.…. zzzzzinnng.…. zzzzzoeoeoeoe.…. Padde sneed een twijgje met loof af en zwaaide en sloeg er mee, dat hij er bijkans den boom door uittuimelde. Maar het hielp wel, en de anderen volgden zijn voorbeeld.

Ineens, beneden hen, brekende takken, gestamp en gesmak in den weeken modderbodem.….Onwillekeurig grepen de vrienden zich aan elkaar vast. Daar boog het gras ter zijde, en een donker, harig beest met twee zware, rondgebogen slagtanden,[264]kwam zachtjes knorrend te voorschijn, waadde, zonder rond te zien, het water in, vol welbehagen slurpend. Daar kwam er nog een uit het gras naar voren, gevolgd door twee, vijf, acht, elf jonge, knorrende vierpooters, die zich gillend van vreugdevolle opwinding in de modder wentelden en daarna ook het water inliepen, slurpend, niezend en knorrend. Wilde varkens!

Ademloos keken de knapen toe. De biggetjes hadden een in de lengte gestreepte huid,—een grappig gezicht. De knapen waren zoo door het familie-bad der krulstaarten in beslag genomen, dat geen van hen de roering in het water bespeurde, daar verderop.…..

Eensklaps stiet een der biggetjes een smartkreet uit. Toen smoorde het water zijn gil, en het beestje werd door een onzichtbare macht weggesleept. Angstig schreeuwend vluchtten zijn broers en zusjes in onbeholpen sprongen den oever op. Maar de ouden stoven met woedend snuiven en blazen naar de plaats, waar het jong in de diepte was gesleurd. Terwijl het wijfje daar bleef staan, zwom het mannetje nog een eind door, draaide zoekend rond en keerde ten slotte met een klagend geluid naar zijn wijfje terug,—waarop ze beiden weer naar den oever baggerden en grommend tusschen het gras verdwenen, de jongen achter het wijfje aan. In hun haast en opwinding botsten de biggetjes tegen mekaar op, vlogen over den kop, met den snuit de modder in. Maar knorrend en gillend stormden ze weer voort, zich geducht reppend en vinnig slaand met de korte achterpootjes, dat de kluiten aarde met een wijden boog in het water kletsten. Toen werd het weer stil.

De jongens ademden diep op. Foei! wat staken de muskieten! Van den grond stegen drie vuurvliegjes op, dwarrelden omhoog en doken weg in de boomkronen. Een kikker ratelde en kreeg van den anderen oever antwoord. Brèkèkèkèkèrrrrrr.…. Een watervogel vloog eensklaps, met heidensch misbaar, uit het oeverriet op, tuimelde tegen de takken van den boom, waarin de jongens zaten, plofte half verdoofd in de rivier neer, zocht toen, vleugelklappend, de pooten door het water slierend, een schuilplaats in een anderen bundel riet, waar hij doodstil zitten bleef. Toen een eentonig, klagend geluid, als het zacht[265]neuriën van een half vergeten wijsje. Inlanders zeggen, dat de krokodillen zingen, om hun prooi in het water te lokken.….

Toen kwamen Hilke en Harmen de jongens aflossen. Zwijgend, half droomend gingen ze naar het kamp terug, legden zich bij een der vuren neer en sliepen in.

De nacht verliep rustig.

Verkwikt stonden allen den volgenden morgen op. Juist hadden ze het ontbijt naar binnen gespeeld: kokosmelk met gepofte apenootjes, warm uit het vuur! toen er drie inlanders uit Zuidelijke richting langs het strand kwamen aanloopen. De barbier, Bolle en Floorke, beroemd om hun vloeiend Maleisch, werden hun te gemoet gezonden. Floorke gespte zich, als teeken van waardigheid, den roestigen degen om en gebaarde zich als leider van de deputatie.

Zoo ontmoetten de twee groepjes elkaar. De inlanders waren licht van huidskleur en maakten een beschaafden indruk. Ze droegen fraaie doeken in het sluike, glanzend zwarte haar; het naakte bovenlichaam had geen tatoeage, en om de heupen vouwde zich een soort rok met mooie figuren. Onbevreesd, ook niet zoo erg verbaasd keken ze den maats in de oogen en groetten in het Maleisch.

Floorke nam terstond het woord. „Hebben jullie eten? Makan? We zullen betalen! Bajar!”

„Ada makanan, toean”, was het bevestigende antwoord.

„Makanan apa?” vroeg Bolle.

Wat voor eten? EenderMaleiers somde op: „Nassi, kambing, ajam-ajam, ikan, boewah.….”

„Goed, breng maar hier. Wat is dit voor een land?Negeri apa ini?” informeerde de barbier.

„Negeri Lampong, toean”, was het antwoord.

„Aha! De Zuidelijkste provincie van Sumatra! Dat is mooi!—Mana negeri Djawa?”

Waar Java lag? De Maleiers wezen de kust af, in Zuid-Oostelijke richting.

„Dat klopt!” zei Vader Langjas verheugd. En in het Maleisch vertelde hij, hoe ze hun schip hadden verloren en nu de reede van Bantem zochten.[266]

Bantem was nog ver, verzekerden de inboorlingen, en er lag een zee tusschen. Daarop togen ze heen, beloofden spoedig met voedsel te zullen terugkeeren.

Intusschen zamelde Bontekoe het geld der maats bijeen. Hier gold het: botje bij botje leggen; uit mutsen en voeringen kwam het geld te voorschijn, en ten slotte lagen er tachtig realen van achten. Zouden de inlanders weten, wat geld was? Bontekoe meende van wel: er zouden op deze kust wel genoeg handelsschepen komen, waar ze het geld weer kwijt konden.

De inlanders kwamen met z’n twintigen terug, met pluimvee, rijst, vruchten en twee geiten.

Bontekoe, verheugd over het uitzicht: na weken van de bitterste ontberingen eindelijk weer eens een smakelijken maaltijd te genieten, was het spoedig met hen over den prijs eens.

En in zeldzaam opgewekte stemming werd het maal bereid. Bolle, met Harmen als helper, had zich nog nooit in zooveel belangstelling en raadgevingen mogen verheugen. Allen wilden proeven: „of het al gaar was”, en Bolle deelde met een houten, zelfgesneden lepel links en rechts meppen uit.

Zeemeeuw.

[267]


Back to IndexNext