HOOFDSTUK III.

Neen, de Boeren waren waarlijk niet van plan, het er bij te laten zitten. Daarin vergisten zich de Engelschen.

Reeds verscheidene groote volksvergaderingen waren gehouden, om tegen de annexatie te protesteeren. De vergadering te Kleinfontein, 1879, was eene der belangrijkste, daar zij werd bijgewoond door Sir Bartle Frère.

De Boeren stonden vóór den ingang van het lager, aan weerszijden acht tot tien rijen diep, om hem te ontvangen. Hij reed met zijn gevolg tusschen die gewapende rijen door, die een ijzig zwijgen bewaarden. Geen hand werd omhoog gestoken; geen hoed afgenomen. Met een doodelijke, onheilspellende stilte werd een der machtigste Engelsche staatslieden ontvangen.

Datwas Sir Bartle Frère inderdaad. Twintig Indische prinsen van vorstelijken bloede hadden hem bij zijn vertrek uit Indië vrijwillig, en de Sultan van Sansibar gedwongen hun hulde gebracht. En de Engelsche parlementsleden hadden de waarlijk groote verdiensten van dezen gewiksten staatsman niet beter weten te erkennen dan — tot twee keeren toe — eenparig van hun zetels op te rijzen.

Met zijn minzamen, onveranderlijken glimlach had Sir Bartle Frère zijn overwinningen behaald. Met dien glimlach had hij de vijanden ontwapend, de twijfelaars overgehaald, de vrienden betooverd.

Die glimlach was zijn zwaard, en nooit was hij gevaarlijker dan wanneer die glimlach om zijn lippen zweefde.

Hij dreigde niet — hij lokte. Hij striemde niet — hij streelde.

Zóó kwam hij bij de Boeren.

Hij verscheen niet als een rechter, die de rebellen ging straffen — neen, als een vader, die zijn verdwaalde kinderen op het rechte spoor zal brengen.

Het onbarmhartige Engelsche zwaardverborg hij in de plooienvan het vaderlijk gewaad, en met fluweel omwikkelde hij het Engelsche juk.

"Lieve vrienden," zeide de fijne man der wereld, terwijl hij zich — als huns gelijke — in de ruwe tent naast de voormannen der Boeren nederzette: "lieve vrienden, hebt gij grieven? Ik ben expres gekomen, om ze aan te hooren. Wordt u onrecht gedaan? Ik, Sir Bartle Frère, gouverneur der Kaapkolonie en lid van Harer Majesteits geheimen Raad, verzeker u op mijn woord van eer, dat u zal worden recht gedaan. Hangt u de Engelsche vlag in den weg? Maar, lieve vrienden, ik sta òok onder die vlag, en bevind er mij best bij, want ik behoud mijn volledige persoonlijke vrijheid.Zie ik er ongelukkig uit, omdat ik onderdaan ben van koningin Victoria? Neen, dat maakt mijgelukkig, en 't zal ookugelukkig maken. Gij schudt van neen? Och, dat kan ik verstaan, beste vrienden, want onbekend maakt onbemind. Maar als gij onze koningin leert kennen, dan wordt dat geheel anders. Hare onderdanen noemt zij hare kinderen, en hare kinderen heeft zij lief. Gij deelt dus, zonder dat gij er een hand voor hebt uitgestoken, in al de rechten van kinderen, en gij maakt een deel uit van dat rijk, dat zijn macht uitstrekt in de vier winden des hemels.

De heilzame gevolgen daarvan zijn voor u niet te berekenen. Ik hoor, dat uwe financiën in de war zijn — geen nood! In de bank van Engeland is geld genoeg...."

Zoo zat Sir Bartle Frère te praten en te keuvelen, en de voormannen des volks, Paul Kruger en de anderen, zaten met groote bedaardheid te luisteren.

En nu en dan wierp de welsprekende, hoog begaafde grijsaard een bespiedenden blik op die strakke, onbewegelijke gezichten daar vóór hem.

Doch ze bléven strak; ze bléven onbewegelijk, en tegen die metalen voorhoofden spatte al zijn welsprekendheid terug als de machtelooze golven tegen een muur van graniet.

En toen Sir Bartle Frère dit bemerkte, tòen — tòen viel hij uit zijn rol.

Hij werd ontstemd, wrevelig, kort, en de minzame glimlach ging schuil achter een donderwolk. Hij schoof den honigpot onder zijn veldstoel en greep naar de zweep.

Inwendig kookte hij. Hij rukte het fluweel van het juk af en liet het ijzeren juk zien. "Daarblijfje onder," zeide hij toornig, en de plooien van zijn vaderlijken mantel terugslaande, liet hij het onbarmhartige zwaard van Engeland flikkeren.

Doch daar deinsden die moedige mannen evenmin voor terug als de Romein Fabricius voor de olifanten van koning Pyrrhus, en Bartle Frère kon met de boodschap naar huis gaan: De Transvaalsche Boeren willen geen onderdanen zijn der Engelsche koningin — nooit en nimmer!

Maar in het hart der vergaderde Boeren te Kleinfontein dreigde het smeulende oorlogsvuur elk oogenblik in lichte laaie uit te breken.

"De Engelschen houden ons voor den gek," riepen de onstuimigsten: "schiet ze dood!"

Maar Paul Kruger en de andere voormannen wierpen olie op de hooggaande golven, en de Boeren gingen — zonder geweld te plegen — naar huis.

Er werd een zeer merkwaardige memorie opgesteld, en direct aan de Engelsche koningin gericht.

In deze memorie verzocht het volk zijn vrijheid terug. Het boog in dit stuk diep voor de Engelsche regeering; hetsmeekte.... Hetboogzoo diep, omdatdezepoging als de laatstevreedzamepoging werd beschouwd; hetsmeekte, omdat het in den anders onvermijdelijken oorlog zijn vrijheid met zijnhartebloedzou moeten koopen.

Op dit smeekschrift kwam een antwoord, dat aan duidelijkheid niets te wenschen overliet: de Engelsche regeering versterkte hare garnizoenen in de Transvaal.

Toen zond het volk, als een allerlaatste poging, om langs vredelievenden weg de staatkundige vrijheid terug te krijgen, zijne voormannen Paul Kruger en Piet Joubert naar Kaapstad, doch ook deze zending bleef, zooals de lezer reeds weet, zonder resultaat.

En de Engelsche generaal Wolseley zeide: "De Transvaal blijft Engelsch, zoolang de zon boven Afrika schijnt."

Nu wisten het de Boeren.

1) Leger.

't Gaat tegen den avond. De heete gloeiende zon neigt naar het westen, en het geboomte, waartusschen het erf van Dirk Kloppers' "Vredenoord" verscholen ligt, werpt lange, donkere schaduwen.

Kloppers' huis is lang en breed; slechts één verdieping hoog. Er naast, door een breede ruimte gescheiden, staat de open wagenschuur.

In de nabijheid staan de hutten der Kaffers, die bij Kloppers in dienst zijn. De kralen tusschen de kafferwoningen en het boerenhuis bestaan uit lage, cirkelvormige muren, van klipsteenen opgebouwd, en dienen des nachts tot stalling voor het vee.

Uit de verte ziet ge een groote kudde schapen langzaam naderen. Vlugge keeshonden zwermen er om heen, dringen de afdwalende schapen met luid geblaf terug tot hun makkers, en met lomen tred volgen, de korte zweep in de hand, de kafferknechten.

De Kaffers zien er traag en vadzig uit. Slechtséén onder hen, Columbus,een reeds bejaard man, schijnt gunstig bij zijn stamgenooten af te steken.

Hij draagt een lam in de armen, dat zich den poot heeft opengereten aan een scherpen doornstruik. Hij heeft een medelijdend hart, deze Kaffer, want anders zou hij het bloedende lam niet dragen. Blatend en onrustig volgt hem de moeder, het oude schaap.

Het hoornvee is reeds in zijn stalling; gij hoort het aan het geloei, dat opstijgt uit de koeienkraal. Juist gaat een Kaffer, in elke hand een emmer, de kraal binnen, om te melken, want het is melktijd.

Achter op het erf staan eenige Kaffervrouwen, de wollen dekens om het half naakte lichaam geslagen, met groote, zware stampers de milies1)fijn te stampen in het blok. De kleine, zwarte kroeskoppen, die daar in het zand liggen te rollen, zijn hun kinderen.

Langs den steenen muur van het boerenhuis slingert de wijnstok zijn sappige ranken, en drijft de abrikozenboom zijn veel beloovende knoppen. Vóór het huis staat een lindeboom, welks dicht gebladerte schaduw biedt tegen de felle zonnestralen, en daaronder staan eenige harde, stevige, houten banken.

Van hier uit geniet uw oog een kostelijk vergezicht, met den in duizend kleuren schitterenden bloementuin op den voorgrond, en ver aan den horizon het dertig voet hooge bamboesriet en de blauwe, zacht hellende heuvelen. Een klein stroompje slingert zich door het vredig landschap heen, en zijn water blinkt in de scheidende avondstralen als gesmolten goud.

Eén der banken onder den lindeboom is bezet.

Ge ziet er Teunis den leeuwenjager.

De leeuwenjager is nu al eenige maanden hier, bij Dirk Kloppers. Hij denkt niet aan vertrekken, want te dreigend pakken zich de oorlogswolken samen boven zijn vaderland. Het zal op vechten uitloopen — zonder twijfel. En zou hijdan aan de uiterste grenzen van het land op de jacht kunnen gaan, en zijn broeders laten strijden en bloeden? Die dat denkt, kent den leeuwenjager niet. Neen, waarlijk niet. Gisteren zeide hij nog tot Dirk Kloppers: "Ik waag er mijn oude knoken aan, al zijn ze vier en zeventig jaar oud."

Maar al is hij oud, hij zal zijn man staan! Nòg gaat hij voor geen leeuw op zij — hoe zou hij dan voor een Engelschman op zij kunnen gaan!

Naast Teunis den leeuwenjager ziet ge nog twee menschen zitten; het zijn Dirk Kloppers en diens vrouw.

Ze beginnen zoo zachtjes aan oud te worden; dat ziet ge aan het grijze haar en aan die rimpels op hun voorhoofd.

Als er vijf en zestig Afrikaansche zomers op uw hoofd hebben gebrand, dan wordt ge dat wel gewaar.

't Is nu zoo ongeveer veertig jaar geleden, dat zij zijn getrouwd. Zij hadden met hun ouders den grooten Trek medegemaakt uit de Kaapkolonie over de Oranje-rivier, vervolgens over het Drakengebergte naar Natal en weer terug uit Natal, omdat Engeland het wederrechtelijk annexeerde, totdat de moede Trekkers de zoo vurig gewenschte staatkundige vrijheid over de Vaal-rivier, in de Transvaal, hadden gevonden.

Toen was Dirk Kloppers met Anna Jansen getrouwd.

Enveelhebben zij ondervonden in die veertig jaren: vreugd en leed; smart en troost. Donkere wolken gingen over hun hoofd, "doch," placht Kloppers te zeggen: "Gods goedertierenheid omlijste ze met zilveren randen."

Gestadig werd het huishouden grooter, en een schaar gezonde kinderen omringden als frissche olijfplanten den eikenhouten disch.

Dikwijls moest Kloppers van huis; met het kommando mee tegen de Kaffers. Dan bleef vrouw Kloppers met eenige maar halfvertrouwde Kafferknechten alleen achter bij de kinderen. 's Avonds, als zij de kleine woelwaters naar bed had gebracht, hield zij de wacht, opdat geen stroopende Kafferbenden het vee zouden stelen. De schort gevuld met scherpe patronen, over haar schoot het geladen geweer — zóó hield ze de wacht!

In bonte afwisseling gingen de jaren snel voorbij.

De familie Kloppers had jaren gekend van zeldzame vruchtbaarheid en jaren, waarin hun velden verschroeiden van droogte; jaren, waarin de veelbelovende korenvelden werden verwoest door de vernielende sprinkhanen, en hun rijkeveestapel werd besprongen door de wilde dieren, gedund door de plunderende Kaffers, vernietigd door de pest.

Maar Dirk Kloppers en zijn vrouw zagen in die tegenspoeden de hand van hun getrouwen God, en zij geloofden, dat Hij kastijdt, om daarna te zegenen. En in spijt van vele wederwaardigheden was hun bezitting steeds grooter geworden en hun veestapel vooruit gegaan.

Hun kinderen waren groot geworden, en even als de jonge vogels, kunnen zij vliegen, het oude nest verlaten, zoo hadden zij de ouderlijke woning verlaten, en in het uitgestrekte gebied van de Transvaal en den Oranje-Vrijstaat een eigen huis gebouwd. Elken keer was er een vroolijk bruiloftsfeest gevierd, doch na elke bruiloft was het ook iets stiller geworden in Kloppers' woning.

Twee kinderen, een jongen en een meisje, hebben zij op prillen leeftijd verloren. Daar, achter in den tuin, in de schaduw van eenige treurwilgen, dáár liggen zij begraven.

Het meisje bezweek aan de typhuskoortsen. Ach, het was zoo'n hartelijk kind; zoo'n lief, vriendelijk bloemke! Maar de groote Landman plantte het bloemke over in Zijn hemelsche gaarde, en de ouders legden de hand op hun mond.

Boven op zolder, onder de half vermolmde daksparren, daar staat de groote kist, waarin haar kleertjes zijn opbewaard.

Hoe menigmaal staart de trouwe moeder nog op die kleertjes!

En daarnaast liggen de kleertjes van het broertje, van Jantje, dat naast zijn zusje ligt begraven.

Ach, dat Jantje, dat lieve ventje met die heldere, blauwe kijkers en met dien guitigen glimlach!

De kleeren van dit kind zijn als doorweekt geweest van bloed en van tranen. De bloedsporen kunt ge nog duidelijk zien, al zijn ze meer dan twintig jaren oud, doch de tranen heeft de moeder geschreid.

Vóór het oog der moeder is dat lieve Jantje omgekomen.

Zijzaghet gevaar; zijzagden leeuw, die haar kind wilde bespringen.

Zij stond buiten; vóór het geopende raam. Zij reikte met den arm door het geopende raam, en greep het zware, geladen geweer.

Zij legde het geweer aan op het hongerige roofdier, maar het ketste, want het kruit was vochtig.

Toen was het lot van het arme kind beslist.

Noghedenziet zij den angstigen, op zijn moeder geslagen blik van haar lieveling, en dat oogenblik was voor haar banger, dan toen zij de van bloed druipende assegaaien der wilde Zoeloe-Kaffers voor zich zag.2)

Reeds lag het kind onder den scherpen klauw van het roofdier, maar vrouw Kloppers greep een mes, en snelde op het monster aan. En had zij geen mes gehad, dan had zij 't zóó gedaan — met de bloote hand.

Want welke liefde evenaart de moederliefde? Is zij niet sterk als de dood en diep als het blauw des hemels?

Onder haar oog bezweek haar lieveling, vóór zij de noodlottige plek had bereikt, en ook zij zou bezweken zijn, ware haar broer — Lodewijk Jansen — niet vlak in de nabijheid geweest. Hij rukte het geweer van den schouder en joeg den leeuw een kogel door den kop.

Maar vrouw Kloppers was haar Jantje kwijt...

De echtelieden Kloppers hadden later nog een kind gekregen, een jongen, en zij noemden het Jan, naar het andere, dat zij hadden verloren.

En Dirk Kloppers zeide een keer tot zijn vrouw: "Zet eens een leege flesch op zestig meter afstands van hier, en druk er een kurken stop op."

En vrouw Kloppers mat den afstand, en plaatste de flesch met den kurken stop op de behoorlijke plaats. En Kloppers zeide: "Als ik den stop nu niet van de flesch schiet, dan is het een slecht schot, Anneke."

Hij mikte even en schoot de stop van de flesch.

Toen zeide hij: "Anneke, haal eens den appel, die binnen op de tafel ligt." En toen zij den appel had gehaald, zeide hij: "Gooi hem hoog de lucht in, en als mijn kogel niet door het klokhuis gaat, dan is het een slecht schot, Anneke."

Zij deed, zooals hij had gezegd. En hoog in de lucht, zonder dat Kloppers scheen gemikt te hebben, ging zijn kogel midden door den appel heen.

"'t Is een meesterschot," riep Anna, den doorgeschoten appel in de hand, met stralenden blik.

"Nu doe gìj je meesterschot," zeide hij lachend.

"Later," zeide zij, "later!"

Geen veertien dagen later deed zij haar meesterschot.

Nog vandaag gaat er een rilling door haar leden, als zij daaraan denkt.

Haar jongen, de kleine Jan, zat op eenigen afstand van de woning in het zand te spelen. En geen dertig pas van hem vandaan lag een groote, hongerige tijger op de loer.

Haar man was niet thuis; hij was op de jacht.

Zij greep het groote olifantsroer, en mikte tusschen de oogen van het roofdier. Zij gloeiden als vurige kolen.

Als het kruit weer eens vochtig was — haar hart bonsde, alsof het bersten zou.

Daar drukte zij af — de vuurstraal glipte uit den loop van het geweer.

Loodrecht vloog de tijger omhoog, en plofte toen met een harden slag dood tegen den grond.

Toen Dirk Kloppers 's avonds thuis was gekomen, en de wond van het roofdier had onderzocht, zeide hij: "Anneke, dat is jòu meesterschot!"

Maar Anna zeide: "De Heere ondersteunde mij, en Hem willen wij danken!"

Toen legde haar man de hand op haar schouder en antwoordde: "Anneke, ik ben het volkomen met je eens!"

Zoo werd het leven van den kleinen Jan bewaard, en hij is nu het laatste kind, dat nog in huis is, en hij is opgegroeid tot een krachtigen, rijzigen, jongen man. Reeds heeft de lezer hem ontmoet bij het wachtvuur op het kopje. In zijn blauwe oogen schittert vuur, en zijn spieren zijn sterk als de spieren van een jongen leeuw.

Zoo hebben Dirk Kloppers en zijn gade veel ondervonden in hun leven, en daar zij elkander werkelijk uit liefde hebben genomen, is de bedding dier liefde steeds dieper geworden. Zij gelijken op twee boomen, die, naast elkander geplant, hun takken en twijgen al vaster, al inniger en hechter door elkaar hebben gestrengeld.

Anna is trotsch op haar man — mag zij niet trotsch op hem zijn? Draagt hij niet het litteeken op zijn voorhoofd, dat in haar oogen schooner is dan een blinkende ridderorde? Heeft hij dat litteeken niet gehaald vlak voor de monding van het Engelsche kanon, dat hij met zijn kameraden bestormde? Was hij niet steeds een der eersten in den strijd tegen de Kaffers? Heeft hij, toen de Boeren door onderlinge veten werden uitéen gescheurd, tot bezinning gekomen, niet in edele zelfverloochening meegeholpen, omde klove te dempen? En heeft hij niet rusteloos meegewerkt, totdat de Boeren weer stonden schouder aan schouder, zooals het broeders betaamt van 't zelfde huis? En is hij niet groot en geëerd in den raad van zijn volk, en hebben de Boeren niet gezegd: "Hij wordt sprekend zijn vader, de dappere voortrekker Gert Kloppers?"

Daar achter in den tuin, in de nabijheid van zijn twee kleinkinderen, daar rust het gebeente van Gert Kloppers. En naast hem rust zijn vrouw, de trouwe Hanna, die genoemd werd een moeder in Israël.

In vol geloofsvertrouwen ging de moegeworden zwerver zijn laatste reis aanvaarden, doch het scheen, dat voor den stervenden Voortrekker de sluier der toekomst werd teruggeschoven. Met het oog van een ziener staarde hij vooruit.

Even voor zijn heengaan richtte hij zich nog overeind in de groote, bruine bedstee, en zeide tot de treurende familiebetrekkingen en vrienden, die hem omringden: "Engeland zal komen, als ons land begeerlijk wordt in zijn oogen, en zal onze onafhankelijkheid willen rooven. Het is onverzadigbaar; daarom zal het ons volk trachten in te slokken.

Ziet in den weg des vredes dit te voorkomen. Gelukt dit niet, grijpt dan naar het zwaard! 't Is beter onder te gaan als een vrij volk, dan te leven als een volk van slaven!"

Toen Gert Kloppers dit had gezegd, had hij een pauze gemaakt, en peinzend door de kleine ruiten naar buiten gestaard, naar de wolken, die hoog en luchtig voorbijdreven. En na die pauze had hij gezegd: "Maar de rechtvaardige God zal onzen ondergang niet gedoogen. Hij zal het niet gedoogen, dat het kleine, aemechtige volk der Boeren wordt vermorzeld onderden ijzeren voetzoolvan het machtige Engeland!"

Het eerste gedeelte van Gert Kloppers' voorzegging is in vervulling gegaan.

De Transvaalsche schildleeuw is in banden geklonken; de vrijheid vermoord.

De Engelsche staatkunde, die groot is in 't huichelen, heeft een harer grootste triumfen gevierd en een vrijheidlievend volk op het hart getrapt!

Op het hart getrapt — ja, zoo is het!

Dirk Kloppers en de leeuwenjager, daar in de schaduwvan den lindeboom gezeten, ze zijn er beiden van overtuigd. Ze hebben de zaak van alle kanten bekeken; ze hebben de argumenten van Engeland, die voor de annexatie worden aangevoerd, gewikt en gewogen, maar ze kunnen tot geen andere slotsom komen dan tot deze: "Het Transvaalsche volk is op het hart getrapt!"

Op den knoestigen boomtak boven hen wiegt zich de groene papegaai; in het gras snort de kever, en uit het boschje klinkt het smeltend lied van den nachtegaal.

De sprekers merken het niet.

De gloeiende vuurbol raakt thans de lange heuvelrijen aan den westelijken horizon, en de hooge gomboomen werpen reusachtige schaduwen.

De sprekers zien het niet.

Hun oogen zien slechts een gewond, bloedend hert, en dat hert is hun volk.

Maar het geluid van naderend paardegetrappel en daartusschen de klank van vroolijke stemmen geeft aan hun gedachtengang een andere richting.

Vrouw Kloppers is opgestaan, om de komenden te verwelkomen.

Drie er van zijn u bekend: Jan Kloppers, Herman Hoogerhuis de Hollander en Kees Botter.

De vierde en de vijfde, die achter de anderen aankomen, een jongen en een meisje, zijn kinderen van Dirk Kloppers' oudste dochter Mieke, die met een Boer uit den Oranje-Vrijstaat is gehuwd.

Tijdelijk behooren zij thans tot Dirk Kloppers' huishouding.

Hij, Arie, is ruim dertien; zij, Lena, ruim twaalf jaar.

Dat ze broeder en zuster zijn, ziet ge op den eersten oogopslag, maar toch — welk een onderscheid!

Hij is groot voor zijn leeftijd; zij is tenger. Bij hem is alles vroolijkheid en leven; over haar gelaat gaat reeds een trek van lijden.

Zij heeft een ernstig maar schrander en aanvallig gezicht. En die aanvalligheid drukt zich in hare bewegingen uit. Zij helpt ook mede in het huishouden, en daarin is zij vlug en bij de hand, in zoover als men zulks kan verwachten van eene — blinde.

Sedert vier jaren is zij reeds blind. Toen, vier jaren geleden, kwam er een ontsteking op haar linker oog, en die ontsteking plantte zich over op haar rechter. Langzaam,maar zeker, ging er een net over haar heldere kijkers, al dichter en dichter, totdat het avond, totdat het nacht werd voor het ongelukkige kind.

Wel is dat een harde slag geweest voor Lena.

Het groene loover hoort zij ruischen boven haar hoofd, maar zij ziet het niet; de geurende bloem des velds, het beekje, kabbelend tusschen zijn oevers, de springbok, huppelend boven de rotsen, de zonnestralen, spelend over het groene landschap, de maan en de sterren, neerblikkend van den diep blauwen, nachtelijken hemel — heel die natuur is voor haar geworden een met zeven zegelen gesloten boek!

Van daar die droeve trek op haar gelaat; van daar dat stille, in zich zelf gekeerde wezen.

En toch leeft deze ongelukkige, deze jeugdige blinde mee met haar volk, en vlug en verstandig als zij is, ziet zij met haar blinde oogen den toestand helderder in dan vele oude menschen.

De toesnellende Kaffers hebben intusschen de van den snellen rit warme paarden in ontvangst genomen en naar den stal gebracht.

"En hebt ge iets bijzonders vernomen?" vraagt de oude Kloppers aan het nieuwe gezelschap, dat zich mede onder den lindeboom op de harde banken schaart.

"Wij hebben een man uit Potchefstroom3)gesproken," antwoordt Jan op levendigen toon; "daar is de boel in de war geloopen of recht geloopen, net, zooals ge 't neemt."

"Zoo!" zegt zijn vader, terwijl hij bedachtzaam de pijp uit den mond neemt.

"Ge weet, dat de Engelsche regeering de belasting wil innen," zegt Jan.

"Dat weet ik, ik heb zelf een aanschrijving gehad," antwoordt zijn vader.

"En gij hebt niet betaald," zegt Jan.

"Natuurlijk niet," zegt zijn vader, "want dan zou ik de wettigheid van het Engelsch bestuur erkennen, en dat doe ik nooit! Ik wil wel betalen, maar onderprotest, en daarin zijn bijna al de Boeren het eens. Wij verlangen, dat de Engelsche regeering op de belastingkwitanties uitdrukkelijk hetprotestvermelde."

"Daarin heeft ze geen zin," zegt Kees Botter.

"Dat ishaarzaak," zegt de oude Kloppers; "wijdoen 't niet anders. Maar vertel op, Jan, wat is er te Potchefstroom gebeurd?"

"Wel, P. Bezuidenhout wilde zijn belasting niet betalen, en zijn ossenwagen werd voor het gouvernementskantoor gebracht, om publiek verkocht te worden. Maar ge kent onzen voorman Piet Cronjé?"4)

"Of ik hem ken," zegt de oude Kloppers. "'t Is een verstandige, moedige, onverbasterde Afrikaander, die het hart op de rechte plek heeft zitten."

"Nu," herneemt Jan, "die kwam met zijn Boeren ook aan zetten; Bezuidenhout was inmiddels op den wagen geklommen en zeide: 'Burgers, ik ben onwillig om te betalen, daar de belasting veel te hoog is, en verder moet jullie het nu maar weten.' Hij verliet daarop den wagen, en Cronjé zeide: 'Wezullen't ook weten; de ossenwagen wordtnietverkocht.' Nu sprong echter één der klerken, een Hollander, op den wagen, en zeide parmantig: 'Wie biedt er geld voor?' Maar hij was gauwer van den wagen dan er op; hij kon zich later niet meer herinneren, of hij met de voeten of met het hoofd het eerst op den grond was."

"Flink zoo," zeide de oude Kloppers, terwijl hij genoegelijk aan zijn houten pijp trok, maar de oogen van den leeuwenjager begonnen te schitteren.

"De Engelsche landdrost echter kwam tusschen beide, om een waarschuwend woord te spreken. Doch toen een stevige Boer, van het echte hout gesneden, hem de vuist onder den neus hield en zeide: 'Ruik daar eens aan,' toen droop de Engelsche lord af."

"Goed zoo," zeide Dirk Kloppers. "Vrouw — geef mij den buil met tabak eens aan — Teunis, stop eens, je pijp is uit gegaan, kerel — Jan, ga voort!"

"Op een wenk van Piet Cronjé gingen toen de Boeren aan den wagen staan, en brachten hem aan den eigenaar terug."

Er volgde een pauze.

Allen waren onder den indruk van de ernstige tijding.

De oude Kloppers staarde, groote rookwolken uitblazend, naar de verte, in de snel vallende schemering; vrouw Kloppers dacht aan het verleden, toen haar man in den strijd tegen de Engelschen voor dood werd opgenomen van hetslagveld, en Teunis de leeuwenjager streelde, in gedachten verdiept, den grooten kop van zijn hond.

"Maar Jan, ge hebt nog niet alles verteld," riep de vroolijke stem van den Hollander.

"De Engelsche winkeliers in Potchefstroom zijn bang geworden," begon de zoon van Kloppers opnieuw, "want zij vreezen den oorlog."

"De oorlog is ook vreeselijk," zeide de jonge Lena op zachten toon, maar haar broer Arie hield dit voor een zeer ongepaste aanmerking en zeide: "Daar heb jij geen verstand van."

"Doch de beroemde Raaf heeft hen getroost," zeide Jan, zonder op de opmerkingen van Lena en Arie acht te slaan.

"Raaf — wie is Raaf?" zeide de leeuwenjager.

"Een Engelsch kapitein," antwoordde Jan; "hij behoort bij het Engelsche garnizoen te Potchefstroom. Nu, deze beroemde Raaf heeft de bange winkeliers getroost en tot hen gezegd: Menschen, bedaart maar! Als de Boeren komen, ga ik onder een boom staan, en sla op een blekken schotel. Dan gaan al de Boeren op den loop!"

Met een schaterlach, die luid weerklonk door de vredige stilte van den avond, werden de troostwoorden van mijnheer Raaf aangehoord.

Slechts twee menschen lachten niet mee; het waren de leeuwenjager en de oude Kloppers.

Laatstgenoemde nam zijn hoed, zette hem op, daar het koel begon te worden en zeide op droogen toon: "Wij zullen zien, dat we dien gevaarlijken schotel te pakken krijgen."

Maar de leeuwenjager was hartstochtelijker aangelegd dan zijn vriend Kloppers.

Hij stond op en zeide op toornigen toon: "Nog bespotten ze ons, maar het uur der wrake zal slaan, en de dag zal komen, dat deze helden zullen beven als riethalmen bij het knallen van ons geweer — maar wordt het geen tijd, om naar binnen te gaan, Nicht Anneke?"

"Ja," zeide ze, "het begint koel te worden; wij gaan naar binnen."

Nu stonden de ouden op.

Zoo recht als een kaars, met veerkrachtigen tred, schreed Dirk Kloppers naast den gespierden leeuwenjager voort. Die 't niet wist, had Kloppers voor een vijftiger gehouden.

"Als het tot een oorlog komt, dan gaat Vader voorop,"zeide Jan. "En wij vechten met hem naast elkander, hè Herman, hè Kees?"

"Ja," zeide Herman, "naast elkander."

"Enwij zullen de Roodrokkenschieten als reebokken," zeide Kees Botter, die den heelen avond schier geen woord had gesproken.

"'t Was jammer, dat we van daag den vuurbol niet hebben gesproken, Jan," zeide Herman.

"Den vuurbol? O, nu begrijp ik je. Maar we hebben zijn vrouw toch gesproken," antwoordde Jan.

"Ja, die weet er nu alles van," zeide Herman. "Ik ben bepaald benieuwd, hoe de vuurbol zich houdt, als hij hoort, dat hij mee moet in den oorlog."

Nu stappen ook de jongelieden naar binnen, en het werd stil onder den lindeboom. Het avondeten stond reeds gereed, en geen uur later ging men naar bed.

Na de bedrijvige drukte van den dag heerschte nu op het erf van Dirk Kloppers diepe, nachtelijke rust. Slechts het eentoonig, zwaarmoedig gezang van een Kaffer, zittend op den dorpel van zijn hut, werd vernomen, en de groote waakhonden van Dirk Kloppers, met hun breede muilen, liepen los over het erf van "Vredenoord".

Doch Dirk Klopper's vertrouwen berustte niet op de waakzaamheid van zijn honden. Zijn vertrouwen was uitgedrukt in den psalm, dien hij heden avond na het avondeten met langzame, ernstige stem had voorgelezen: "Ik zal in vrede te samen nederleggen en slapen, want Gij, o Heere! alleen zult mij doen zeker wonen!"

1) Maïs.2) Zie "Helden van Zuid-Afrika". Pag. 128.3) Een stadje in het zuidelijk deel van Transvaal.4) Zijn volle naam is Pieter Arnoldus Cronjé; hij is de held van Krugersdorp.

De man, door Herman Hoogerhuis, "de vuurbol" genoemd, is één van Kloppers' naaste buren. Hij woont twee uur gaans van Kloppers' huis.

Dat noemden de Boeren destijds dicht bij.

Woonden zij op een half uur afstands van elkander, danzeiden zij: "Wij zitten boven op elkaar; we zullen stikken." En zij spanden den sterken ossenwagen in, en bouwden een nieuwe woning, midden in de eindelooze wildernis.

Ja, die wildernis, dat eenzame, golvende grasveld, met hier en daar een kleinen vijver, schitterend in de zonnestralen, of een beekje, dartelend tusschen de heuvelen, ja, die wildernis is naar het hart van den Afrikaanschen Boer.Hiervoelt hij zich thuis;hierkan hij aarden. Hier, waar niets de kalme rust verstoort dan het knallen van een zweep, het loeien van een os en het ratelen van een zwaren wagen ver weg, op het breede, zandige transportpad.1)

Niet hetbouwlandmaar hetgraslandtrekt den Boer aan. Hij is geen echte landbouwer, geen akkerman. Hij heeft weinig op met de ploeg, en hij zaait niet meer dan noodig is. Het bewerken van den grond eischt harden arbeid in gebukte houding, maar de Boer houdt er niet van, om te bukken.

De Boer is eenherder, en zijn trots bestaat in de uitgestrektheid zijner weidevelden, in zijn talrijke kudden, zijn sterke ossen, zijn paarden en schapen.

Om een mooie woning maalt hij niet. Er sluimert in zijn hart een aangeborentrekzucht, en hij houdt niet van een huis, dat al te hecht is opgetrokken, omdat het de familiebindtaan eenvastenhaard.

Zijn echte, ware woning is de ossenwagen, het met een linnen huif overdekte, op vier wielen rustende huis, en als hij straks met zijn broeders optrekt in den oorlog tegen Engeland, en het Engelsche geweld zou zegevieren, en zijn broeders zouden vallen in de passen van het Drakengebergte, dan zal hij zijn ossenwagen inspannen, en met vrouw en kinderen voorttrekken naar het noorden, onder de oogen van den almachtigen God der oude patriarchen, de vrijheid tegemoet.....

Zóó is de kern van het volk, doch daarom zijn niet al de Boeren zoo. Bij sommigen is die trek naar vrijheid en onafhankelijkheid al zeer zwak ontwikkeld, doch het zijn er niet velen; 't zijn eenlingen. En tot die eenlingen behoort onze goeie "vuurbol."

Ginds ziet ge hem op het uitgestrekte veld zijn kudde schapen weiden.

Dit land is van hem; hij heeft het eenige jaren geledengekocht voor een oude poney, die hij missen kon. Maar 't land is er ook naar. Overal ziet ge het roode zand tusschen de magere grassprieten doorgluren. Het is lang zoo goed niet als het land van Kloppers; het lijkt er niet naar. Maar de "vuurbol" heeft weinig eischen, en hij schikt zich in zijn lot.

Onder een overhangenden boom, die schaduw biedt, vleit hij zich neer.

Nu kunt ge hem goed opnemen.

Hij heeft lang, sluik, rood haar. Het bedekt zijn groote ooren; het hangt tot in zijn gezicht.

Hij heeft lange armen, lange handen, lange beenen en lange veldschoenen van ongelooid leer aan zijn voeten.

Aan dezen man is alles lang behalve de jas, die betere dagen heeft gekend, en waarvan de panden nauwelijks reiken tot de helft van den rug.

Zijn voorhoofd is laag, en zijn gezicht is bedekt met zomersproeten.

Hij heet Leen Blok, en de jonge, bonte hond, die daar naast hem zit, heet Flink.

Leen Blok grijpt met de hand naar zijn langen, mageren hals. Dat doet hij zeker elke vijf minuten. Hij schijnt het land te hebben aan zijn langen hals, even als men het land heeft aan een boord, die te hoog is. En iederen keer, als zijn baas naar den hals grijpt, begint de jonge, speelzieke hond te blaffen.

"Schei er uit, Flink," zegt hij wrevelig.

Flink houdt onmiddelijk op, maar nauwelijks maakt Blok weer een verdachte beweging naar boven, of de hond begint opnieuw.

Een paar keeren staat Leen Blok op, om zijn schapen te tellen. Dan gaat hij weer zitten, en tuurt met lodderige oogen over de troostelooze vlakte.

Denken doet hij niet veel; 't is te warm om te denken. Hij veegt zich met den mouw het zweet van het gezicht.

't Is een dorre streek. De schapen moeten tot tusschen de doornstruiken hun pover voedsel zoeken. Eentoonig strekt zich het landschap uit; kaal en mager als een heideveld.

Tegen den middag neemt Leen den geruiter, katoenen buil, die naast hem ligt, en haalt er zijn middageten uit: een stuk schapevleesch, in een grauw papier gerold, en een paar sneden bruin brood.

De kleine kruik staat er naast; ze is gevuld met koude koffie, die door de hitte lauw is geworden.

Leen zet zich nu op zijn gemak neer. Het schapevleesch haalt hij uit het grauwe papier, en legt het bij zich neer; op het papier daar naast het bruine brood. Reeds heeft hij de kurken stop van de kruik gedaan en een slok koffie genomen.

Wat gaat het toch vreemd toe in de wereld, denkt hij. Kloppers heeft alles volop in de wereld, en hij slechts een kluif schapevleesch en een stuk hard brood. Kloppers loopt alles mee en heeft geen zomersproeten — waarom zit hij toch zoo vol zomersproeten?

Zijn blik dwaalt naar zijn schapen.

De Engelsche koopman geeft aan den rijken Kloppers altijd meer voor de wol dan aan hem — waarom toch? Is zijn wol minder goed? De Engelschen liggen nu met de Boeren overhoop; dat is net goed — waarom geven zij hem niet meer voor de wol?

Flink zit tegenover zijn baas met ongeduld het oogenblik te verbeiden, dat het maal zal beginnen, waarvan allicht een paar brokken voor hem overschieten. Hij zit met schuinschen kop, het rechter oor over het oog, en met kwispelenden staart zijn baas met strakken, hongerigen blik aan te kijken.

Ja, het gaat er vreemd naar toe in de wereld, denkt Leen, en hij grijpt ouder gewoonte naar zijnen langen, mageren hals.

De hond ziet het en begint te blaffen als een razende.

Leen Blok, anders tamelijk lankmoedig, wordt woedend, en trapt met zijn lange beenen naar den hond. Hij raakt hem niet, maar de kruik met lauwe koffie wel. Klokkend vloeit het vocht weg in het rooie zand. Snel wil de schaapherder de omgevallen kruik weer overeind brengen, doch van dit oogenblik maakt de jonge hond gebruik, om zich met een stouten sprong van den schapen-bout meester te maken.

Wat nu te doen? De lange Blok is wanhopig. Radeloos gaan zijn vingers door het sluike, ongekamde haar.

"Kom, mijn hondje! Kom Flinkje!"

Maar Flink vertrouwt het niet.

Op eerbiedigen afstand legt hij zich neer, de lekkere kluif tusschen de pooten. Van de gloeiende warmte smelt het vet.

"Hondje, kom nou: Geef mij het kluifje! Je zult je part hebben; eerlijk, hoor!"

Maar het hondje schijnt blijkbaar weinig vertrouwen te stellen in het aanlokkelijk voorstel van zijn baas. Hij slaat de scherpe tanden in het vleesch, en peuzelt het op tot het been.

Doch nu schijnt Leen Blok ontoerekenbaar te worden. Hij grijpt de nog half gevulde kruik met het doel, er den hond mee dood te gooien. Met den staart tusschen zijn pooten zet Flink het op een loopen, en de kruik vliegt tegen de harde klipsteenen in duizend stukken.

Moedeloos zet de herder zich in de schaduw neder, het harde, bruine brood verorberend, dat thans krioelt van mieren.

Dan stut hij het hoofd tusschen de handen, en tuurt onbewegelijk naar den grond.

Al dieper zinkt zijn hoofd.

Een nieuwsgierig schaap nadert hem en besnuffelt zijn gezicht; de hond zit weer naast hem, snapt naar de nijdige vliegen, en tikt met den poot ongeduldig tegen de knie van zijn baas. Maar Leen Blok bemerkt het niet, want hij slaapt, en hij wordt eerst wakker, als de zon den horizon is genaderd.

Verschrikt springt de herder op, wrijft zich den slaap uit de oogen en drijft zijn kudde naar huis.

Terwijl blaft zijn hond, die achter hem loopt, tegen de schaduw van den langen, mageren hals, welke naast Leen Blok over het heideveld glijdt, en hapt hij naar de gescheurde broekpijpen van zijn baas.

Trijntje, de vrouw van Leen Blok, was een en dertig jaar; twee jaar ouder dan haar man. Kinderen hadden zij niet.

Zij was een goeie sul; zonder pretenties. Uit dat welgedane gezicht keken twee kleine oogen vriendelijk de wijde wereld in.

Juist had zij de twee magere koeien gemolken, toen haar man met de schapen naderde. Zij liep hem, hartelijk als gewoonlijk, tegemoet, maar zij zeide weinig, en zwijgend gingen de twee menschen door het dorre bloementuintje, waar tusschen het weelderig opgeschoten onkruid drie eenzame zonnebloemen hun leven sleten, op huis aan.

Trijntje lichtte de klink op van de onderdeur, want de bovendeur was geopend, en men trad het zeer eenvoudige vertrek binnen, waarvan de vloer bestond uit eene hard geworden vermenging van leem en koemest.

Nadat nu Trijntje twee tinnen borden op de ruwe tafel had geplaatst, en een ijzeren pot met dampende miliespap er naast, schikten zij en haar man aan.

Gulzig sloeg Leen Blok de pap naar binnen, zonder op zijn vrouw te letten, die weinig at.

Hij had bepaald honger.

Toen de eenvoudige maaltijd was afgeloopen, nam Trijntje de borden en plaatste ze op den grond, vóór den hond, die ze schoon likte. Trijntje wachtte geduldig tot dit werk was afgeloopen, en plaatste vervolgens de borden weer op den hoogen, breeden schoorsteenrand, hun oude standplaats.

"Zoo'n hond," placht Trijntje te zeggen, "is een nuttig dier, want het maakt de borden schoon; dat spaart een vaatdoek uit."

Het begon nu te schemeren, en de echtgenooten gingen nog even een luchtje scheppen.

Zij gingen naast elkander zitten op den versleten, houten dorpel.

Niemand sprak een woord.

Het was een wonderschoone avond.

Het westen vlamde van vuur en goud, en in het oosten legerden zich de avondwolken als een kudde lammeren rondom den herder.

Maar Trijntje had geen oog voor die schoonheid; zij zuchtte.

Eindelijk verbrak zij de stilte.

"Leentje," zeide zij, "wij zullen moeten scheiden."

"Wat," zeide hij, terwijl hij met zijn stok lange streepen in het zand haalde, "wat?"

"Wij moeten scheiden, Leen," zeide zij nog eens.

Met de grootste verwondering staarde hij zijn huisvrouw aan.

"Waar wil je dan heen, Trijn?" vraagde hij.

"Ik ga niet weg," zeide zij.

"Wie dan?"

"Wel gij!" antwoordde zij.

"Ik?" vraagde hij in de grootste verbazing. Hij begreep er niets van.

"Ik weg? Waarom ik weg?"

"Omdat ge moet!"

"Omdat ik moet?"

"Ja, Leen, omdat ge moet. Ge moet mee in den oorlog tegen de Engelschen."

Als er een bliksemstraal uit den wolkeloozen hemel voor de voeten van Leen Blok was ingeslagen, had hij niet harder kunnen schrikken dan thans.

"Wie zegt dat, Trijn?" riep de schaapherder, terwijl hij opstoof, en in zijn opgewondenheid zijn vrouw bij den arm greep; "wie zegt dat?"

"De Hollander heeft het gezegd en Jan Kloppers. Zij waren dezen voormiddag hier."

"Maar dat is gelogen," riep Leen Blok; "dat is gelogen. Wie moet de schapen dan oppassen, als ik er niet ben?"

"Dat zal ik moeten doen, Leentje!" zeide zijn vrouw op zachten toon.

"Gij," — zeide hij — "gij?" en hij keek haar aan met minachtenden blik.

Trijntje echter voelde zich door deze uitlating gekwetst, en haar huisvriend voelde, dat hij te ver was gegaan.

Hij tastte in zijn verlegenheid naar zijn mageren hals, de hond begon te blaffen als een razende en Trijntje snikte.

Het was een onbeschrijfelijk tooneel, en er volgde een pijnlijke pauze.

"Huil nu maar niet, Trijntje!" zeide hijeindelijk, vriendelijker danzoo even; "'t was niet zoo erg bedoeld."

Zij nam haar katoenen boezelaar en wischte zich de oogen.

"En aan wien moet ik later de wol verkoopen? Er is natuurlijk niet één Engelschman, die de wol meer van Leen Blok wil hebben, als hij hoort: Leen Blok heeft op ons geschoten. Ik zit zoo leelijk in de knoei, als ik ooit in de knoei heb gezeten, Trijn," zeide hij, en hij wrong zich de handen.

"Bedenk, het is voor een rechtvaardige zaak, dat gij optrekt, lieve man," zeide zij op schuchteren toon, maar hij antwoordde niet.

"En heeft Jan Kloppers het gezegd?" vraagde hij opnieuw.

"Ja," zeide zij, "neef Jan heeft het gezegd, en hij voegde er bij, dat elke man, die het hart op de rechte plaats heeft, vrijwillig mee optrekt met het kommando."

"Zoo," zeide hij, terwijl hij zich het sluike haar uit het gezicht streek, "dat is een steek op mij. Zal ik je wat zeggen, Trijn — die Kloppers' dragen het hart altijd hoog, en zij denken, dat er al wonder wat gewonnen is, als wij Boeren maar eerst door de Engelsche kanonnen zijn doodgeschoten."

"Maar ik ga nog niet graag dood, Trijntje; neen, werkelijk niet," liet hij er op volgen, en hij keek haar met zijn groote, waterige oogen droevig aan.

Nu echter kon Trijntje het niet langer uithouden; zij viel hem om den hals en weende.

"En zij raken mij eerder dan een ander," zeide hij, "want ik ben zoo lang."

"Dan moet ge je schoenen uittrekken; dat zijt ge wat korter," snikte zij.

"En op mijn sokken gaan vechten?" zeide hij wrevelig.

Trijntje trok haar schouders op; de goeie ziel wist niet meer, wat ze zeggen moest.

"Kom," zeide, hij, "wij gaan slapen; 't is morgen weer vroeg dag."

De avond was nu gekomen, en vriendelijk blonk de avondster boven de schamele woning van Leen Blok.


Back to IndexNext