HOOFDSTUK V.

1) Heirweg.

Wij zijn in de laatste dagen van November; midden in den Transvaalschen zomer.

Het is van daag bij Dirk Kloppers bizonder druk geweest van de gaanden en komenden. Het stond den ganschen dag niet stil van bezoekers.

Zij kwamen allen te paard; wel gewapend. In de ruime voorkamer, waar in mooie eikenhouten lijsten de portretten hingen van Willem den Zwijger en van van Riebeek, den stichter der kolonie aan de Kaap, daar werden zij ontvangen.

Herman de Hollander was bij die bezoeken tegenwoordig, daar men hem vertrouwde, en Kees Botter, omdat hij een Afrikaander was.

De dagen waren zeer onrustig. Onbedriegelijke voorteekenen verkondigden den naderenden strijd, even als de stormvogels den naderenden orkaan verkondigen.

Fluisterend werd er in de groote voorkamer gesproken, want men moest op zijn hoede zijn voor de scherpe ooren van Kaffers en van onvertrouwbare blanken, die allicht het een en ander konden overbrengen naar het Engelsche kamp, dat niet al te ver af was.

Kees Botter had zijn ooren goed open, al werd er gefluisterd. Nu en dan vraagde men zijne meening, en dan gaf hij telkens een juist, doeltreffend antwoord, zoodat de ouderen dachten: Die Kees Botter heeft een helderen kop.

Ja, dat had hij.

En op den avond van dezen drukken, woeligen dag, toen al de huisgenooten reeds ter ruste waren gegaan, sloop Kees Botter voorzichtig de achterdeur uit.

Twee keeren keek hij schuw om, doch er was niet het minste onraad te bespeuren. De maan scheen helder aan den wolkeloozen hemel, en de plaats lag in diepe rust.

Een smal voetpad leidde door den grooten boomgaard over het golvende grasveld naar een laag doch uitgestrekt bosch, waardoor het zich heenwrong.

Dit pad sloeg Kees Botter in, en hard doorloopend had hij na een half uur het bosch bereikt.

Nu vertraagde hij zijn schreden, en al langzamer werd zijn gang.

Twijfelend bleef hij staan.

"Ga terug!" zeide een stem in zijn binnenste.

"Vooruit!" drong een andere stem.

"Gij gaat uw volk verraden," waarschuwde de eerste stem.

"Gij zult het bloedvergieten beperken," vleide de tweede stem.

"Trekt met de Boeren op in hun rechtvaardigen strijd," vermaande de eerste stem.

"En blijf arm en veracht," dreigde de tweede.

Al zwakker werd de eerste stem; al krachtiger, al overredender sprak de tweede.

Zij trof den jongen man in zijn zwakste zijde: in zijn gloeiende eerzucht.

Hij luisterde niet meer naar de eerste stem; hij hoorde slechts de tweede.

Hij zag het schitteren van stapels goud, en zij brachten hem hetgeen hij zoo vurig verlangde: macht, eer en aanzien.

Wel kon hij door zijn droomen heen den verwijtenden en toornigen blik zien van Dirk Kloppers, zijn weldoener, en van zijn kameraden, maar hij sloot zijn oogen. Hij wilde niet zien.

De laatste aarzeling was overwonnen en vastberaden ging hij voorwaarts.

Midden in het bosch bevond zich een open, vlakke ruimte, en aan één zijde van deze ruimten zaten twee mannen op een boomstam, die van ouderdom was omgevallen.

Het waren een officier en een sergeant, gekleed in de Engelsche uniform.

"Zoo," zeide de Engelsche officier, terwijl hij bij de komstvan Kees Botter ongeduldig opsprong, "ben jij daar eindelijk? Ik ben koud geworden van het wachten."

"'t Is mijn schuld niet, Majoor," antwoordde de aangesprokene; "men moet zijn tijd afwachten, om geen argwaan te wekken."

"Hoe is de stemming der Boeren?" vraagde de Majoor.

"Bepaaldoorlogzuchtig," antwoordde Botter.

"Zoo," zeide de Majoor langzaam, — "zóó! Ze zijn gek; dat zeg ik je. En heb jij je van je last gekweten?"

"Dan zou ik nog gekker zijn dan de Boeren," antwoordde Botter. "Ge wilt hebben, dat ik tweedracht onder de Boeren zaai en hen de heerlijkheid van het Engelsche gouvernement voor oogen houd. Maar begrijpt u dan ook niet, Majoor, dat ik door zoo te handelen mijzelve verraad? Ik heb het eens geprobeerd, doch die oude Dirk Kloppers keek mij zoo wantrouwend aan met zijn strenge oogen, dat ik er genoeg van had. Voor een klein gerucht ben ik niet vervaard maar om zich hals over kop in het ongeluk te storten — neen, Majoor, dat doet Kees Botter niet."

"Wat doe je dan wel?" vraagde de officier op driftigen toon. "Gij zult goed betaald worden, dat weet je, maar het gouvernement wil waar voor zijn geld. Ge hebt reeds tien pond op afkorting te pakken, en ge hebt nog zoo goed als niets gedaan. Ik zeg je nog eens nadrukkelijk: wij willen waar voor ons geld."

"Niets gedaan?" zeide de lichtgeraakte Afrikaander ontstemd; "is mijn rapport van de oorlogzuchtigheid der Boeren dan van geen beteekenis?"

"Jij hadt mijn last moeten volbrengen," zeide de Majoor.

De jonge man trok onwillig zijn schouders op.

"Waarom heb je 't niet gedaan?"

"Dat heb ik reeds eens gezegd," antwoordde de Afrikaander op wreveligen toon. "We moeten geen kinderwerk doen. Gaat ge tweedracht zaaien, dan houden de Boeren je voor een spion, en je bent opgevouwen. Het moet anders worden aangelegd — anders!"

"Jij schijnt nog al bang te zijn voor de Boeren," zeide de officier met een minachtend lachje.

"Bang ben ik niet," antwoordde de Afrikaander op hoogen toon, "maar ikkenze."

"Zóó," zeide de Majoor, "ikken ze ook. Eén Engelschman jaagt tien Boeren op den loop; dat is zeker."

"We zullen zien," zeide Kees Botter kortaf.

"En welk plan hebjijnou?" vraagde de Majoor.

"Binnen kort zullen de Boeren een groote volksvergadering houden, ik weet het uit de beste bron, en die vergadering zal beslissen over oorlog en vrede."

"En jij denkt van oorlog?"

"Ik twijfel er niet aan, Majoor!"

"De Boeren zijn stapelgek; ik zeg het nog eens," riep de Majoor met gramme stem. "Maar wij zullen ze bijlichten, hé sergeant?"

"Dat zal waar zijn,"antwoordde de dappere sergeant."Ik wed, dat ze bij 't eerste kanonschot van schrik in zwijm vallen, Majoor," en hij trok welgevallig aan zijn oude, grijze knevels.

"Nu is het mijn voornemen," zeide de jonge Afrikaander, zijn plan nader uitéénzettend, "mij bij het Boeren-kommando aan te sluiten —"

De officier knikte bevredigd.

"Dat hoogstwaarschijnlijk de passen van het Drakengebergte zal bezetten," liet Botter er op volgen.

"En dan kunt gij de Engelsche autoriteiten op de hoogte houden van de bewegingen der rebellen?"

"Dat is mijn doel," zeide de Afrikaander.

"Mooi!" zeide de Engelschman, en hij wreef zich vergenoegd de handen.

"Hier," zeide hij op vroolijken toon, "rook eens! Wat wil je, licht of zwaar?" en hij stak den goedgevulden sigarenkoker den Afrikaander toe.

"Ik zal maar een zware nemen," antwoordde deze; "wij Transvaalsche Boeren zijn nog al zwaar op de hand," en hij lachte zelf om zijn kwinkslag.

"Gij moest in de omgeving kunnen komen van den aanvoerder der rebellen," zeide de majoor na een kleine pauze; "dat was nog iets. Hoe noemen de Boeren hun aanvoerder ook nog?"

"Kommandant-Generaal, Majoor!" antwoordde Botter.

"Hoor je 't nu, sergeant? De aanvoerder van een troep ezels heet Kommandant-Generaal," riep de Engelsche majoor, en hij schudde van het lachen.

Hij wendde zich weer tot den jongen Afrikaander.

"Zou je geen adjudant, boodschaplooper of zoo iets kunnen worden bij den aanvoerder der rebellen?"

"Ik weet het niet," antwoordde Kees Botter nadenkelijk, "maar we zullen zien; 't zal aan mij niet liggen."

"Goed," zeide de officier; "voorloopig heb ik nu niets meerte zeggen; heb je iets bijzonders, dan weet je, waar je 't brengen moet — hier — bij dezen boom."

Dit zeggende, sloeg hij met de vlakke hand tegen een knoestigen, krom gegroeiden boom.

"'t Is al laat, en nog een heel eind naar ons kamp — kom sergeant, wij gaan."

Maar Kees Botter bleef staan, en maakte een gebaar met wijsvinger en duim, dat voor geen tweëerlei uitlegging vatbaar was.

De officier lachte.

"Gij zijt een echte geldduivel," zeide hij schertsend, "maar om uw moed en ijver te prikkelen voor de goede zaak, komt het er op een paar pond niet op aan."

Hij haalde een prachtig gewerkte geldbeurs uit den zak; tusschen de blauwe, fijne mazen door schitterde het goudgeld in het maanlicht.

De oogen van den jongen Afrikaander begonnen te fonkelen als van een roofdier.

"Hier," zeide de officier op jovialen toon, "heb jij tien pond met de beeltenis van je koningin er op."

Hij telde ze in de uitgestrekte hand van den spion.

Kees Botter telde ze nog eens, heel voorzichtig, en het koude goud gloeide in zijn hand als vuur.

"Dank je, Majoor," zeide hij, "en wel thuis."

Ieder ging nu zijns weegs; de open ruimte in het bosch lag weer verlaten.

Met opgeheven hoofd keerde Kees Botter naar huis terug.

Hij zwelgde reeds in het vergezicht der toekomst.

"'t Is Engeland te doen om hetTransvaalschegoud," zeide hij tot zich zelve, "en mij om hetEngelschegoud. Zoo heeft ieder zijn afgod. De Boeren zweren bij hun onafhankelijkheid, maar dit ismijngod," en hij liet de goudstukken, die hij in zijn zak droeg, rammelen.

"'t Valt wel heel gelukkig," dacht hij vervolgens "dat de Boeren zulke stijfkoppen zijn; anders hadden de Engelschen mij niet noodig."

Hij wierp het korte, uitgebrande stompje sigaar weg, stak de handen in de zak, en begon een vrolijk deuntje te fluiten.

In een zeer behagelijke stemming bereikte hij de hoeve, en behoedzaam de achterdeur openend, zocht hij al tastend zijn slaapplaats op.

In het achterhuis meende hij iets als een zachten stap gehoord te hebben, maar het moest wel eene vergissingzijn. Hij lachte om zijn eigen argwaan, en spoedig lag hij te bed. Hij had zich echter niet vergist.

Toen hij was verdwenen, schreed die stap voort, naar het voorhuis. En die stap was zoo vast en zeker als de gang van een mensch op klaarlichten dag.

Slechts een blinde kon bij nacht zoo goed den weg vinden.

In het ruime woonvertrek van Dirk Kloppers zaten niemand dan Kees Botter en de blinde Lena.

De andere waren op bezoek bij een buurman, die jarig was.

Heel voorzichtig nam Kees een vel geel geworden postpapier, een couvert,een inktpot en eenpenhouder met een half verroeste pen.

Hij zette zich aan de lange tafel, en begon met grooten ijver te schrijven.

Aan het andere eind der tafel zat Lena; zij hanteerde met bewonderenswaardige vaardigheid de breinaalden.

Botter was nu bijna gereed met den brief.

"Wat doe je daar, Kees?" vraagde Lena, terwijl zij hare glanslooze oogen ophief.

Hij schrok bijna van die vraag, maar hij antwoordde op zijn gewonen toon: "Wel, ik zit kleine houtjes te snijden — waarom vraag je dat zoo?"

"Och, ik vraag dat maar," zeide zij bedaard.

Met een wantrouwenden blik keek hij haar aan, maar het volgende oogenblik moest hij er inwendig om lachen.

Zich ongerust maken om een blind kind — 't was ook belachelijk!

Nu was de brief gereed en in het couvert gedaan, en met zekeren haast verliet Botter het vertrek.

Hij sloeg den weg in naar het ons bekende bosch.

Rechts en links liet hij zijn blikken gaan, maar niets verdachts bespeurde hij. Gloeiend drukte de hitte van den zomernamiddag op het erf. De kettinghond strekte zichslaperig uit bij zijn hok, en geen vogel liet zich hooren Er heerschte volstrekte rust; slechts de kippen kakelden en scharrelden luidruchtig in den mesthoop achter het huis.

In het bosch gekomen, liep de Afrikaander naar een open ruimte, waar hij de nachtelijke samenkomst had gehad.

Bij den knoestigen, kromgegroeiden boom bleef hij staan, en hij lichtte de schors zoover op, dat hij den brief er tusschen kon steken; tusschen de schors en den stam.

"Een knappe kerel, die den brief vindt," zeide hij tevreden; "zelfs de ouwe Dirk Kloppers zal er wel afblijven."

Terwijl hij weg was, stond de blinde op; zij tastte naar den inktpot, die op den schoorsteenmantel stond.

"Hij staat op de rechte plaats," mompelde ze, "maar de pen, waar is de pen?"

Zij tastte den schoorsteenmantel geheel af, doch kon de pen niet vinden. Nu voelde ze op de tafel rond en vond de pen.

Bij deze ontdekking kwam er een zekere spanning op haar fijn, schrander gelaat.

"Ik meende het krassen der pen wel gehoord te hebben," peinsde ze, "en ik heb me niet vergist. De zaak wordt al vreemder. Ik ben begonnen met hem te wantrouwen, en ik kan eigentlijk niet zeggen, waarom. Maar er ligt zoo'n harde, gevoellooze klank in zijn stem — ja, daarin zal 't hem wel zitten. En nu heb ik hem eergister avond opgewacht, want hij bleef zoo verschrikkelijk lang weg, en in plaats van door de gewone huisdeur komt hij door de achterdeur binnen. Hij moet nog wel omloopen, om daar door te gaan — wat mag de reden daarvan zijn?

En nu vraag ik hem: Wat doe je daar? en hij spelt mij een leugen op de mouw, want er is op den heelen vloer geen spaandertje te vinden, maar wel ligt de pen hier op tafel.

Ik vertrouw hem niet — ik vertrouw hem al minder — men zegt, dat het in ons land krioelt van spionnen — misschien is hij eenspion!"

Er gaat een zonderlinge beweging over haar gelaat. Zij stut het hoofd met beide handen als een mensch, die voor een moeilijk vraagstuk staat.

Is Kees Botter een spion, een verrader?

't Is haast te afschuwelijk, om het te gelooven.

Is hij geen spion? Waarom handelt hij dan zoo vreemd?

Zij weet, dat er in het naastbijgelegen dorp een Engelsch garnizoen is gelegd; zij brengt verband tusschen Botter's uitblijven, eergisteravond, en dat garnizoen; zij brengt eveneens verband tusschen het schrijven van Kees Botter en dat garnizoen.

Zij kan de gedachten niet kwijt raken: Kees Botter is een spion. Maar die gedachte, dat vermoeden jaagt het bloed sneller door haar aderen. Er komt een dreigende rimpel op haar blank en effen voorhoofd. Het is, alsof ze beginnen te weerlichten, die lichtlooze oogen — de dochter der vrije Emigranten-Boeren komt boven in het blinde kind. Zij heeft haar vaderland lief, en voor de vrijheid van haar volk plengt zij, als het moet, zonder aarzelen haar bloed.

Zij legt de pen op de plaats, waar ze gelegen heeft. Zij zet zich weer aan de tafel, bij het opengeschoven raam, en rustig zet zij haar breiwerk voort.

Kees Botter is eindelijk teruggekomen. Het zweet gulst hem van het gelaat; zoo hard heeft hij geloopen.

"'t Is warm vandaag," zegt hij, "broeidend warm."

Het volgende oogenblik is hij het vertrek weer uit. Lena luistert met voorovergebogen hoofd, waar hij heengaat. Haar scherp gehoor volgt het zwakker wordend geluid van zijn stap.

"Hij is naar de wagenschuur," mompelt ze.

Met een snelle beweging tast zij nu naar de pen op de tafel — ze is verdwenen.

"Ik dacht het wel," zegt ze.

Zij tast langs den schoorsteenmantel — daar ligt ze; bij den inktpot.

"Ik dacht het wel," zegt ze.

"Ik dacht het wel," zegt ze nog eens.

De Boeren hadden intusschen zoo hard gereden met den ossenwagen van P. Bezuidenhout, dat het door heel deTransvaal had gedreund. En bij de zeer gespannen verhouding tusschen het volk en de door hen gehate Engelsche regeering achtten de voormannen het noodzakelijk, om de groote volksvergadering, die zou worden gehouden op den 8stenJanuari, een maand te vervroegen.

Naar deze vergadering, in het zuiden des lands, bij Paardekraal, trok een viertal ons wel bekende personen: de leeuwenjager, Jan Kloppers, Herman Hoogerhuis en Kees Botter.

De leeuwenjager sprak weinig; dat was zoo zijn manier. Doch de anderen, de jonge mannen, hadden het te drukker. Er werd geschertst en gelachen; er heerschte een prettige geest.

Slechts éénmaal dreigdede goede verstandhouding verbroken te worden.

Bij zeker dorp namelijk ontmoette hen een Engelsch ambtenaar. Die ambtenaar maakte met Kees Botter een praatje, en zij gaven elkander bij het heengaan de hand.

Het kookte en borrelde bij Jan Kloppers inwendig, toen hij dit zag, en hij was er de man niet naar, om dit onder stoelen of banken te steken.

"Jij bent een laf hartige kerel, om dat te doen," zeide hij toornig.

"Wien bedoel je?" vraagde Botter met onheilspellenden blik.

"Ik bedoel jòu," antwoordde Jan Kloppers met nadruk.

Het bloed schoot den prikkelbaren en eerzuchtigen Botter in het gezicht.

"Zeg dat nog eens," zeide hij met dreigende stem, zijn paard een heftigen ruk gevend, zoodat het tegen den moorkop van Jan Kloppers aan bonsde.

Maar de Hollander kwam tusschen beide.

"Jan," zeide hij, "jij hebt ongelijk. Gij hebt niet het recht, om Kees een lafaard te noemen, omdat hij een Engelschman de hand geeft. Er zijn Engelschen, die met Afrikaansche vrouwen zijn getrouwd. 't Zou een mooie boel worden als zoo'n vrouw haar man geen hand meer mocht geven! Als het op vechten aankomt tegen de Engelschen, zal Kees niet achteraan komen — toe, geeft malkaar de hand!"

Nog een oogenblik weifelde Jan Kloppers — toen reikte hij Kees Botter de hand.

"Ik ben te driftig geweest, Kees," zeide hij op gullen, hartelijken toon; "vergeef het mij! Wij waren altijd goeie kameraden — laten we 't blijven!"

En hiermee was de twist bijgelegd. Tegen den avond bereikten de ruiters de plaats van Lodewijk Jansen, een broeder van Anna, Dirk Kloppers' vrouw. Van nacht zouden zij hier blijven, daar ze morgen nog altijd een halven dag stevig hadden door te rijden, voor zij het doel van hun reis hadden bereikt.

Lodewijk Jansen was van hetzelfde slag als Dirk Kloppers, maar hij zag er strenger uit, harder. De aard van zijn vader, van Barend Jansen, die zat er in. Op dat verweerde gelaat stond taaiheid te lezen en onverzettelijkheid, en dat breede, stalen voorhoofd wist van geen buigen. Hij was met hart en ziel de goede zaak toegedaan, en inniger kon geen Israëliet de Filistijnen, de vijanden van zijn volk, hebben gehaat, dan hij de Engelschen haatte. De Engelschenwarenvoor hem de Filistijnen, en Londen noemde hij Gaza en Asdod.

Hij stond met beide voeten op oud-testamentischen bodem, en met beide handen hield hij vast aan deze wet: oog om oog, en tand om tand.

De deuren zijner gastvrije woning had hij wagenwijd open gezet voor de Transvalers, die naar Paardekraal trokken, en met een vijftiental Boeren, meest allen forsch gebouwde mannen, stond hij op zijn erf de naderende ruiters reeds op te wachten.

Nu sloegen onze vier ruiters de lange met abrikozen-boomen beplante oprijlaan in, en reden recht op de groep Boeren aan.

"Welkom," riep Lodewijk Jansen met zijn zware stem, "weest welkom!"

"Zijn er geen spionnen onder u?" liet hij er op volgen met een flikkering van zijn donkere oogen.

"Neen," zeide Jan Kloppers, "ik sta voor hen borg."

"Goed," hernam Lodewijk Jansen; "als een zoon van Dirk Kloppers dat zegt, dan vertrouw ik er op."

Nu ging men naar binnen, en dat er druk over den staatkundigen toestand werd gesproken, behoeft wel geen betoog.

"Ik denk, dat het lijdelijk verzet nu wel zal uit raken," zeide Lodewijk Jansen, "en ik ben er blij om."

"De toestand is onhoudbaar," zeide een oude Voortrekker; "het wordt nuvechtenoftrekken."

"Vechten, als Engeland niet toegeeft," zeide de leeuwenjager.

"Oftrekken," zeide een voorzichtige stem. "In mijn buurt maken zich reeds verscheidene menschen reisvaardig, om naar 't noorden te trekken."

"Niettrekken," zeide een andere stem; "wij zullen toch eens met Engelandmoetenvechten. En moet het toch, dan liever van daag dan morgen."

"Dat is gemakkelijk gezegd," zeide de voorzichtige stem, "maar weet ge wel, dat wij geen kanonnen hebben, en dat de Engelschen met elk kanonschot minstens vijfentwintig der onzen zullen doodschieten?"

"'t Zullen er wel een paar minder zijn," zeide Jansen droogjes.

"En als wij de kanonniers bij de stukken neerleggen, dan worden de Engelsche kanonnen al heel mak," voegde de leeuwenjager er aan toe.

"Zoo," zeide de voorzichtige stem, "maar ik zeg: Bezint voor ge begint."

Doch nu stond er een kerel op als een reus, die achteraan zat in het vertrek. Hij sloeg met de vuist op de tafel, dat de glazen rinkelden, en riep: "Baas Verdoorn, je bent een erg verstandig en voorzichtig man, maar met jou voorzichtigheid gaan we naar den kelder. Verleden jaar, op zekeren nacht, reed ik naar huis, en mijn huis stond in brand. Er was geen levende ziel te zien; mijn vrouw en kinderen sliepen.'t Was ergonvoorzichtig van mij, baas Verdoorn, om zoo maar het brandend achterhuis in te loopen, en de twee balen buskruit er uit te halen. Gij zoudt u eerst bedacht hebben, baas Verdoorn, want gij zijt een verstandig man, doch in dien tijd zouden mijn vrouw en kinderen in de lucht zijn gevlogen."

"Wij hebben ons al drie jaar bezonnen," ging hij voort met toornige stem, "me dunkt, we kunnen nu onder de hand wel eens beginnen."

Een goedkeurend gemompel ging door het groote vertrek, maar de voorzichtige baas Verdoorn antwoordde; "Ge spreekt naar het verstand, dat ge hebt, baas van Asch. Weet ge dan niet, dat Engeland onuitputtelijke hulpbronnen heeft, en dat het voor elken Engelschman, dien wij doodschieten, twintig en honderd in de plaats kan stellen?"

"Huurlingen," riep baas van Asch, "huurlingen! Ze zuipen brandewijn, en ze gaan dood aan een jeneverberoerte!"1)

"En weet ge dan niet," ging Verdoorn voort, "dat bij ons alles in eens in 't vuur moet? Dat wij geen reserven hebben en niets dan onze geweren?"

"Wat raadt gij dan?" vraagde de leeuwenjagermet nauwelijks onderdrukteheftigheid.

"Dat heb ik reeds gezegd," antwoordde de aangesprokene: "trekken — niet vechten. En misschien zal de Engelsche regeering ons nog eens recht laten wedervaren — in de toekomst —"

"In de toekomst," barstte de lange van Asch los, "in de toekomst! Jij praat als een kind, baas Verdoorn, als een kind! Al wordt ge zoo oud als Methuzalem, dat zult ge die toekomst toch nooit beleven om de eenvoudige reden, dat die toekomst nooit zal komen. Engeland zal geen recht doen, neen, nooit!"

"Ik ben het eens met van Asch," liet een zwaargebaarde man zich hooren uit den anderen hoek van het vertrek: "eerst vechten! En verliezen wij 't, dan kan elke Boer, die 't overleeft, zijn wagen inspannen, en naar de wildernis trekken. Wij zullen dan doen, wat Kommandant-Generaal Andries Wessel Pretorius2)heeft gezegd: We zullen van de woestijn ons schild maken, dat ons beveiligt tegen de lagen van Engeland."

"Ge overdrijft," zeide Verdoorn op vinnigen toon, "ge overdrijft schromelijk. Engeland heeft zijn ondeugden; 't is waar. Maar het heeft zijn deugden ook."

"Noem ze," riep Lodewijk Jansen met harde stem.

"Engeland houdt het vierde gebod in eere, meer dan eenig ander Volk," zeide Verdoorn.

"En het vertrapt het achtste, ook meer dan eenig volk," antwoordde Lodewijk Jansen.

"Het zendt zijn zendelingen naar de Kaffers," zeide Verdoorn.

"En het rooft hun land," antwoordde Jansen.

"Het begiftigt en zegent de volken met Bijbels," zeide Verdoorn.

"En het vergiftigt en verwoest de volken door opium en brandewijn," antwoordde Jansen.

"En gij beweerdet zoo even," ging Jansen voort, en zijn gelaat stond nog strakker dan gewoonlijk, "dat wij niets dan onze geweren hebben, Verdoorn, maar wij hebben toch nog iets meer, dat gij vergeet, namelijk ons goed recht. Wij kunnen tot God bidden, dat Hij onze wapenen zegene, en dat kunnen de Engelschen niet. Wij hebben God aanonze zijde, baas Verdoorn! En al zouden wij Boeren om onze vele afwijkingen en overtredingen ondergaan in den strijd, dan nog zeg ik: liever ondergaan in den strijd dan slaven worden van Engeland."

Hij was opgestaan; het begon te weerlichten onder zijn zware wenkbrauwen.

"Men spreekt tegenwoordig van programma's," zeide hij met verheffing van stem; "ik heb ook een programma. Het bestaat uit drie kleine woordjes:Vrij of dood!"

Als een vonk in het buskruit, zoo werkte dit woord.

"Vrij of dood!" riepen de Boeren in uitbrekende geestdrift.

Men schudde elkander de hand — men zwoer elkander trouw — "vrij of dood!"

En krachtiger dan gewoonlijk omklemde de hand van den leeuwenjager den loop van zijn geweer.

1)Sinds generaal Wolseleytegen de alcohol krachtig is te velde getrokken, is het jenevergebruik bij de Engelsche koloniale troepen veel verminderd.2) Zie "Helden van Zuid-Afrika" pag. 153 en vervolg.

De Boeren, ook het gezelschap, dat wij bij Lodewijk Jansen hebben aangetroffen, zijn te Paardekraal aangekomen.

Wel heeft de Engelsche generaal Lanyon, die te Pretoria verblijf houdt, twee dagen geleden de bijwoning dezer volksvergadering te Paardekraal op strenge straffen verboden, maar de vijf duizend Boeren, die goed gewapend hier zijn verschenen,zijn niet gewend,om zich in hun plannen door een Engelschen generaal te laten dwarsboomen.

In afdeelingen van 300 à 400 ruiters rukken de Boeren aan, elke afdeeling onder hun eigen vlag. Vóór de tent van Paul Kruger houdt elke afdeeling halt, en brengt hem haar eere-saluut.

Met een plechtige godsdienstoefening wordt de vergadering geopend.

Men zoekt het aangezicht des Heeren, vóór het gaat in den strijd op leven en dood.

Ieder is onder den indruk van het ernstige oogenblik. Oude veten worden begraven, nieuwe banden gelegd. Mendrukt elkander de hand; men zweert elkander houw en trouw!

Men draagt zware klipsteenen bij één; tot een hoogen hoop; tot een gedenkteeken der eendracht en eensgezindheid.

Het is een aangrijpend oogenblik, een hoogtepunt in het leven des volks.

Schouder aan schouder, zoo staan zij daar: een éénig volk, een volk van broeders!

De heldengeest der oude Voortrekkers en hooge geestdrift doortintelt hun ziel.

En zij heffen de handen omhoog, en zweren bij Hem, Die eeuwig leeft, de geliefde vierkleur trouw tot in den dood....

Herman de Hollander wijst naar een forsch gebouwden, breed geschouderden Boer, die naar voren treedt.

"Wie is dat?" vraagt hij.

"Dat is nu Paul Kruger," zegt Jan Kloppers.

Kruger staat op een verhevenheid; aller oog is op hem gericht.

Naar denvormis hij de Vice-president, dochfeitelijknu president Burgers het land heeft verlaten, de president der republiek.

Hij, Paul Kruger, gaat voor het geliefde volk der Emigranten-Boeren thans het hoofd op het blok leggen.

Dat is werkelijk geen ijdele fraze.

"Ik zie," schreef de veelvermogende Osborne aanden Engelschen generaal Lanyon in een brief, die door de Boeren werd onderschept: "ik zie, dat mijn oude vrienden, de Boeren, opnieuw beginnen, de verzenen tegen de prikkels te slaan. Wat is het ongelukkig, dat deze misleide menschen voortdurend een prooi blijven van beginsellooze schurken,1)die van honger dood zouden gaan, zoodra die agitatie bedaarde, en die reeds lang behoorden opgehangen te zijn. Laten er maar eerst twee of drie terechtgesteld en veroordeeld zijn wegens het bewerken dezer rustverstoringen, en wij zullen niets meer van die dingen hooren."

De Engelschman Dartnell schreef aan Swart, den Engelschen thesaurier-generaal te Pretoria: "Ik zie, de Boeren beginnen hun gekkenwerk weer, maar ze zullen toch wel nooit vechten, denk ik. Kunt ge geen plan bedenken, omMijnheer Kruger op te hangen? Dat zou een einde aan de oproerigheden maken."

Paul Kruger kent het groote gevaar, waarin hij verkeert, maar hij deinst niet terug, want hij is een goede herder, en een goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen.

Als kind van tien jaar heeft hij, achter de kudden van zijn vader aan, den gevaarvollen Trek van de Kaapkolonie naar de Transvaal medegemaakt. Hij heeft met zijn volk geweend en gejuicht; geleden en gestreden, nu al veertig jaar lang. Een huurling vlucht, als er gevaar komt, maar een goede herder is nooit dichter bij zijn schapen, dan wanneer het gevaar het grootst is, en Paul Kruger is een goede herder.

Neen,datis de echte Paul Kruger niet, dien ge bij officiëele gelegenheden ziet.

De hooge hoed staat hem niet en past hem niet; het zwart, lakensch pak beknelt, belemmert hem in zijn bewegingen, en de breede sjerp over de borst staat theathraal, gemaakt.

Neen,datis de echte Paul Kruger niet.

Gij moet hem zien, dezen zoon der wildernis, op het steigerende paard, midden op het onmetelijke veld, in de kleedij der wildernis, den breedgeranden hoed op den stevigen kop, het wambuis los om de forsche leden, wijd open van voren, opdat de borst de vrijheidslucht kan inademen der Afrikaansche bergen....

Daar is hij in zijn kracht; in zijn element; daar doet hij zijn stoute daden!

Vraag het toch eens aan die luisterende Boeren, die thans als aan zijn lippen hangen, wat hij kan, wat hij durft!

Vastis zijn hand, enwisis zijn schot.

Door een woedenden buffel achtervolgd, keerde hij zich om in het zaâl, en joeg — midden in den galop — het schuimbekkende beest den doodelijken kogel door den kop.

Envlugis hij als Asahel, de broeder van Joab.

Hij heeft tegen de snelvoetige Zoeloe-hoofdlieden geloopen en hen verslagen. Hij heeft — op een afstand van 400 meter — tegen een ruiter gerend, die het vlugste paard uit den stal had gehaald, en hij liep harder dan het paard.

Voorzichtig, sterkenonverschrokken, dat is hij.

Eens was hij met zijn kommando op een krijgstocht tegen vijandelijke kaffers.

Die Kaffers hadden zich 's nachts in een hinderlaag gelegd, in een spelonk. Een der hunnen stond als voorpost bij den ingang.

Kruger sloop alleen voorwaarts en ontdekte den Kaffer.

Met de kracht van den panter sprong hij plotseling uit het struikgewas te voorschijn, en vóór de vijand éénen kreet kon uitstooten, omklemden de harde Boerenvingers zijn hals als ijzeren schroeven.

De Kaffer was een kind des doods, en met onbegrijpelijke koelbloedigheid nam Kruger, die met de oorlogsgewoonten der Kaffers vertrouwd was, diens plaats in.

Hij bootste de veiligheidsgeluiden van den Kaffer na, tot dat hij zijn manschappen bij zich had.

Toen verpletterde hij de Kaffers.

Op een tocht in 1845 barstte zijn geweer, en het lid van den duim werd gekwetst.

Er was gevaar voor koud vuur.

Snel besloten nam hij het mes uit den lederen koker en sneed den duim af.

Een woeste os wilde hem op zijn horens nemen.

Hij greep het beest bij de horens, en drukte met zijn reuzenkracht den kop in den modder. Hij hield den kop in den modder, totdat het beest was gestikt.

Dit alles kunnen u de Boeren vertellen, maar zij kunnen u nog meer vertellen.

In het begin van 1864 stonden de Transvalers als twee vijandelijke slagorden dreigend tegenover elkander.

Over het ééne kommando voerde Paul Kruger bevel; over het andere generaal Schoeman.

Beide kommando's naderden elkander. Slechts een open vlakte, in welker midden eenige klipkopjes verrezen, scheidde hen nog.

Maar de botsing was onvermijdelijk, en wie het eerst de klipheuvelen in het midden der vlakte bereikte, was meester van het terrein. Immers die klippen vormden een natuurlijke verschansing, en zonder zich zelve bloot te geven, kon men den vijand neerleggen.

Die klipsteenen vormden dus den sleutel van de positie; Schoeman begreep dit even goed als Kruger.

Beide kommando's stormden nu van tegenovergestelden kant, op die klippen los, maar Paul Kruger en zijn mannen waren er het eerst.

De volgelingen van generaal Schoeman verschrokken, toenzij dit zagen. Er kwam wanorde in hun gelederen; zij rukten hun paarden om en vluchtten.

Zij waren nu echter weerloos aan Paul Kruger overgeleverd, want zij moesten eenige honderden passen over de open vlakte terug, vóór zij in veiligheid waren.

Reeds vielen er dooden.

Maar het sneed Paul Kruger door de ziel, dat broeders op broeders zouden schieten. Snel sprong hij op de naaste klip, zwaaide zijn geweer en riep met luid klinkende stem: "Stopt, mannen, stopt! Geen enkel schot meer!"

Oogenblikkelijk verstomde het geweervuur. Zoo'n klem had Paul Kruger op zijn manschappen.

Maar de tegenpartij was door deze daad van edelmoedigheid diep getroffen, en de noodlottige burgeroorlog werd gestuit.

Reeds drie dagen later kwam de volledige verzoening tot stand.

De Boeren kunnen u nog meer vertellen.

Ruim anderhalf jaar geleden zou Sir Bartle Frère met het volkscomité, waarvan Paul Kruger voorzitter is, een samenkomst hebben te Kleinfontein.

Het volk was tot deze vergaderingnietuitgenoodigd, maar het verscheen toch, in een getal van ruim 4000 goed gewapende Boeren.

Deze gedachte bezielde hen: "Numoeten we vechten;nuis het tijd. Sir Bartle Frère moet onze onafhankelijkheid beteekenen, en het naar Engeland seinen. Anders nemen wij hem gevangen, hijschen de Vierkleur en verklaren aan Engeland den oorlog."

Nog op denzelfden dag, 's namiddags, werd de groote tent opgeslagen, en het comité nam zitting. Buiten de tent verdrong zich het volk; het kon alles hooren.

Kruger opende de vergadering.

Hij vraagde het gevoelen der comitéleden.

Met bijna eenparige stem verklaarden zij: "Numoeten we op de Engelschen gaan schieten! Nu of nooit! De Zoeloe's2)hebben de Roodrokken pas zooveel klop gegeven, dat wij, met hen vereenigd, de Engelschen gemakkelijk inzee kunnen jagen, Natal innemen en onze onafhankelijkheid verzekeren!"

Maar Paul Kruger zette zich schrap en schudde den schranderen kop.

"Nogblijf ik bijlijdelijk verzet," zeide hij. "Wij kunnen niet met de barbaarsche Zoeloe-Kaffers optrekken tegen de Engelschen, want het is onzer onwaardig, en het bloed van onze broeders, door de Zoeloe's vergoten, is nog niet gewroken." Maar het hielp niet.

"Nuis het tijd om te vechten," antwoordde de groote meerderheid.

"Wij zullen de sympathie verliezen der beschaafde wereld," riep Kruger.

"En onze vrijheid terug krijgen," antwoordde zijn tegenstanders.

"Engeland heeft een groote troepenmacht onder weg, om de Zoeloe's ten onder te brengen," zeide Kruger, "en zijn ze met de Zoeloe's klaar, dan zullen ze onze kleine macht verpletteren."

Maar met al zijn welsprekendheid vorderde hij geen duim. Met de taaiheid van een Fries hielden ze vast aan hun idee: "Vechten, dadelijk vechten!"

Kruger verdaagde de vergadering tot den volgenden morgen.

Het was nu avond geworden; een donkere avond. Een fijne motregen viel neer. Niemand was meer buiten; ze waren allen in hun tenten.

Peinzend wandelde een man, in zijn regenjas gedoken, tusschen de tenten door.

Nu en dan stond hij stil, en luisterde naar de gesprekken, die binnen de tenten werden gehouden.

Er werden harde woorden gesproken.

"Als Kruger ons wil verhinderen, om op de Engelschen te schieten," zeiden sommigen, "dan zetten wij hem af, en kiezen Joubert tot onzen voorman."

"Kruger zal nooit toestaan, dat wij tegen de Engelschen gaan vechten," zeiden anderen; "daarommoethij worden afgezet."

"Och,weetge dan niet," zeiden derden, "waarom hij niet tegen de Engelschen wil vechten? Toen hij den eersten keer met Jorissen naar Engeland is geweest, om onze onafhankelijkheid terug te vragen, toen hebben zij geld aangenomen van den Engelschen minister. Hij is door den Engelschman — omgekocht. Hij is een — verrader."

Zoodanig waren de gesprekken.

En de peinzende man dook dieper in zijn regenjas en keerde terug naar zijn tent.

Het was Paul Kruger.

Geen slaap ging dezen nacht over zijn oogen, maar hij kwam tot een vast besluit.

Den volgenden morgen begaf hij zich naar de groote tent, en riep het volkscomité bijéén.

Hij opende de vergadering met deze woorden: "Mannen Broeders! Gisteren heb ik u mijne inzichten medegedeeld, en gij verschilt van mij. Nu heb ik mijn besluit genomen. Op een pad, waarop ik geen licht zie, kan ik niet vóór loopen. Ik wil nog bij lijdelijk verzet volharden, en gijlieden wilt nu dadelijk uw land terug hebben of tegen de Engelschen vechten. Nu, gaat dan voort op het pad, waaropgijlicht ziet. En kiest voor mij mijnheer Joubert of een anderen voorman. En waar gijlieden heen gaat, daar zal ik ook heengaan, en waar gijlieden valt, daar zal ik ook vallen. 'Maar vóór loopen kan ik niet op een pad, waaropikgeen licht zie."

Zóó sprak Paul Kruger.

Er volgde een doodsche stilte.

Niemand sprak een woord.

Maar te diep wortelde Paul Kruger in het hart van zijn volk, dan dat het hem kon loslaten.

"Neen, oude President," riepen ze eindelijk, en schudden zijn hand, "neen, zóó is het niet bedoeld. Loop maar weer vóór op het pad, waaropgijlicht ziet, enwijzullen u volgen."

En Paul Kruger liep weer vóór, en bewaarde zijn volk voor een stap, die heillooze gevolgen zou hebben gehad.


Back to IndexNext