HOOFDSTUK XIV.

De huzaren, die tot nog toe op een draf reden, halen den teugel van hun moede paarden in en laten ze stappen. Zij zijn nu dichtbij; Arie kan hun gesprek verstaan.

De ruiter rechts, de grootste, een stevige kerel, is een wachtmeester; de andere een gewoon huzaar.

"Ik stik van dorst," zegt de wachtmeester verdrietig.

"'t Is hier om te braden," zegt de huzaar.

"'t Is een hondenbaantje, om die rapporten over te brengen door zoo'n kale, gloeiende woestijn," zegt de wachtmeester.

"Ginds hebben we ons bosch; daar kunnen we weer uitblazen," zegt de huzaar op vroolijken toon.

"Ja, die schaduw zal ons opknappen — heb je nog wat in je veldflesch?"

De huzaar houdt de veldflesch omhoog.

"Er zit niet veel meer in, wachtmeester, maar toch nog wel een paar slokken."

"Mooi," zegt de wachtmeester, "een slok brandewijn is goed bij die hitte," en de veldflesch overnemend, doet hij een flinken teug.

De ruiters hebben thans den driesprong achter den rug, en zijn den weg rechts ingeslagen. De dorstige paarden beginnen weer te draven, want zij ruiken het water in de verte.

In het lange Tamboeki-gras ontstaat een golvende beweging. In gebukte houding stormt een jongen de huzaren na. Hij heeft een geweer over den schouder en in zijnrechterhand nog een geweer. In de linkerhand houdt hij den breedgeranden hoed, opdat die hem niet verlaten zal.

Die jongen is Arie.

Het zweet loopt tappelings over zijn gelaat, en hij hijgt naar adem.

Toch houdt hij vol. Ik geloof, dat hij vol zou gehouden hebben, totdat hij er dood bij was neergevallen. Maar tot dit uiterste komt het gelukkig niet. Wel hebben de huzaren een voorsprong, maar dat hindert niet, want zij hebben het bosch reeds bereikt en springen uit het zaâl.

Dicht bij is een groote waterpoel. Zij leiden hun paarden bij den teugel en drenken ze. In lange, gulzige teugen drinken de dieren het drabbige water.

Nu nemen de huzaren een paar lange helsters, en binden hun paarden vast aan een boom, aan den rand van het bosch. De hongerige dieren grazen het gras af, dat zij kunnen bereiken.

Zelf gaan de ruiters eenige schreden verder het bosch in, en zetten zich neder onder een hoogen eik, die een breede, koele schaduw werpt.

Hun karabijnen en patroontasschen leggen zij naast zich.

Op eenigen afstand stroomt een kleine beek. Zij hooren het bruischen van haar water over de steile klippen.

"Dat water zal lekkerder zijn dan het zeepsop uit dien poel," zegt de wachtmeester; "ik ga eens drinken."

De huzaar gaat ook mee. De wachtmeester kijkt nog even om naar de karabijnen.

"Die liggen daar veilig," zegt hij. "Trouwens ik zal ze wel in de gaten houden."

"De aasvogels zullen ze niet stelen," zegt de huzaar; "en de Boeren zullen er wel afblijven."

"Neen, dat vee van Laban zal ons geen kwaad doen," zegt de wachtmeester lachend en hij rekt zijn forsche leden.

Zij hebben spoedig de beek bereikt, en verfrisschen zich aan het koele, heldere water.

Van het groot en vreeselijk gevaar, dat hen bedreigt, hebben zij niet het minste vermoeden. Zij zien het fonkelen van die twee jonge oogen niet — daar achter den doornstruik — dicht bij den hoogen eik, waar de geladen karabijnen en de patroontasschen liggen.

"Geef mij die veldflesch nog eens," zegt de wachtmeester.

05_huzaren.jpg[Illustratie: Arie en de Engelsche Huzaren. TRESLING & Co. HOF LITH. AMSTERDAM.]

Hij doet er nog een hartigen teug uit; vervolgens bukt hij zich en lengt ze aan met water.

Nu kijkt hij op zijn horloge.

"Al vier uur," roept hij; "nou, we moeten ons haasten!"

Hij wendt zich naar den hoogen eik; de huzaar volgt hem.

Maar Arie is hen voor.

Hij doet een sprong als een jonge panter, die voor den eersten keer zijn prooi bespringt.

"Daar heb je 't al," zegt de wachtmeester met een vloek; "nu wordt het mooi!"

"Terug!" roept Arie, terwijl hij den loop van zijn pangeweer dreigend op de Engelschen richt. Columbus' geweer ligt naast hem.

Maar de wachtmeester is niet zoo licht verschrokken. Hij is inmoeilijker posities geweestdan van daag, en hij draagt het ridderlint voor moed en beleid op de borst. Hij heeft tegenover geduchter vijanden gestaan dan tegenover dezen knaap, en toch heeft hij zich nog altoos door een snel en stoutmoedig optreden gered.

De gedachte, om paard en wapen in den steek te laten en te vluchten, komt niet bij hem op.

Hij trekt den sabel en stormt vooruit.

"Terug," waarschuwt de jongen nog eens, "of ik schiet je zoo zeker dood als ik dit geweer in mijn handen heb."

"Omlaag je wapen!" roept de wachtmeester met dreunende stem.

Tot op zeven pas afstands is hij gekomen — daar gaat het schot....

De Engelschman steigert omhoog als een wild geworden paard; dan slaat hij voorover — dood....

"Hij heeft niet anders gewild," mompelt de jongen. Dan grijpt hij het andere geweer.

Daar kraakt het in het struikgewas, en als een hert, dat door de bosschen heenbreekt, zoo komt Columbus aangestormd. In drie sprongen staat de trouwe knecht naast zijn jongen meester, maar de huzaar, die den wachtmeester volgde, heeft er genoeg van. Hij zet het op een loopen, en vlucht dieper het bosch in.

Met bewonderende blikken hangt Columbus aan zijn jongen meester. "O baassie," zegt hij, "gij wordt een knap schutter, en gij zult de roodbaatjes schieten als boschduiven!"

Het was nacht, toen Arie en Columbus met de buitgemaakte paarden en wapenen thuis kwamen.

Arie begaf zich naar zijn grootmoeder, die reeds te bed lag, en zeide met de stem van een overwinnaar: "Grootvader stelde als voorwaarde één Engelsch paard en één Engelsch geweer, maar ik heb twee Engelsche paarden en twee Engelsche geweren veroverd. Nu, Grootmoeder, wel te rusten, morgen trek ik naar het oorlogsveld!"

1) Heirweg.

Potchefstroom, dus genaamd naar haar stichter, den voorman Hendrik Potgieter, is schilderachtig gelegen aan de Mooirivier, in het zuiden des lands.

De plaats is met bizondere zorg aangelegd, en heeft elkander rechthoekig snijdende straten, die op een groot plein, het kerkplein, uitloopen. De ongeplaveide straten worden bij regenweer in modderpoelen herschapen, doch de Boeren malen er niet om, en zij stappen er door heen, dat hen het slijk om de ooren spat.

De straten zijn beplant met boomen, die in het warme jaargetijde een verkwikkende schaduw spreiden voor den wandelaar, en langs den kant loopen de open waterleidingen uit de Mooi-rivier.

De huizen zijn laag; slechts één verdieping hoog. Zij zijn wit aangestreken en voorzien van platte daken.

Ten tijde van ons verhaal telt Potchefstroom 2000 inwoners, (waarvan de helft in Europa is geboren,) waaronder vele kooplui, die een drukken handel drijven op het binnenland.

En deze kooplui zijn voorzichtige menschen; daarom zijn zij ook Engelsch gezind.

Natuurlijk, dat is het veiligste. Niet alleen, dat de militaire macht het Gouvernementskantoor, den Boerenwinkel en de Gevangenis in kleine forten heeft herschapen, dichtin de nabijheid der stad is het Engelsche kamp met 400 soldaten en de noodige kanonnen opgeslagen.

Het was in den middag van 15 December, en loodrechtvielen de brandendezonnestralen op het stille Potchefstroom. De burgers zaten nog aan tafel en droomden van geen onheil, toen het plotselinge geroep: "Daar komen de Boeren aan!" het kalme stadje met schrik vervulde.

De Engelschgezinden hoopten nog, dat het een loos alarm mocht zijn, maar dien zoeten waan was gauw verdwenen, toen zij elf gewapende Boeren in vollen galop door de straat zagen rennen. Het was de voorhoede van een kommando van 400 Boeren, dat onder bevel van den dapperen Piet Cronjé in snellen draf op Potchefstroom aanrukte. De proklamatie der regeering zou volgens het besluit van den Volksraad in deze stad worden gedrukt, en Cronjé was met de uitvoering van dit besluit belast.

Hij volvoerde zijn taak met moed en beleid.

Met de ligging van het Engelsche kamp volkomen op de hoogte, naderde hij met zijn kommando de stad van een kant, waar het dicht gebladerte der boomen zijn komst voor het oog van den vijand verborg, en in geregelde orde en in snellen draf werd de groote planken brug gepasseerd, die toegang gaf tot de stad.

Van vrees, angst of weifeling was geen sprake; trouwens kapitein Raaff was er niet met zijn blekken schotel. Maar eenige Engelsche winkeliers, die op de stoepen voor hun winkelramen stonden, haalden hun schouders op, zooals de Engelschen dat kunnen doen en zeiden: "Die arme menschen! Nog van daag wordt hun het levenslicht uitgeblazen!" Zóó zorgelijk zagen zij den toestand voor de Boeren in. Maar den ruiters hinderde dat niet, en zij trokken recht door tot vóór de woning van den gewezen staatspresident H. W. Pretorius, waar Cronjé halt liet houden.

De Boeren sprongen nu uit het zaâl, en er ontwikkelde zich een groote drukte en bedrijvigheid. De één verfrischte zich aan de open waterleiding; de ander haalde uit den knapzak een korst brood en een stuk biltong; een derde zocht naar een emmer, om zijn dorstig paard te drenken.

Hier riep er één om vuur om zijn pijp aan te steken; dáár onderzocht een ander met opmerkzamen blik zijn klepper, die bij den langen rit een wondje had opgedaan aan zijn rechtervoorpoot. Sommigen bleven bij hun paardenstaan, het geladen geweer in de hand, om op alle gebeurlijkheden voorbereid te zijn, en anderen strekten zich, den paardeteugel vasthoudend, uit in het koele gras. Ernstige stemmen werden gehoord, nu en dan afgewisseld door een vlug en grappig, schertsend woord.

Terwijl begaf Cronjé met een kleine ruiterschaar zich verder de stad in, en hield stil voor Borrius' drukkerij.

Borrius, die een vriend der Boeren was verklaarde zich bereid, de proklamatie te drukken, doch van uit het Gouvernementskantoor ontving hij de volgende dreigende Missive:

"Potchefstroom, 15 December 1880.Ik waarschuw u, dat gij verantwoordelijk zult gehouden worden voor eenig oproerig of onwettig dokument, door u gedrukt, of dat uit uwe pers verschijnt, en dat, indien gij deze waarschuwing verzuimt of weigert te gehoorzamen, gij met de uiterste gestrengheid der wet zult gestraft worden.M. Clarke.speciale Commissaris".

"Potchefstroom, 15 December 1880.

M. Clarke.speciale Commissaris".

Borrius las den brief van den Engelschen majoor en las hem nog eens, en keek den kommandant der Boeren vragend aan.

Maar deze zeide: "Als mijnheer Clarke wat wil, dan moet hij metmijpraten; drukjijmaar gerust de proklamaties. Ge staat ondermijnbescherming."

Toen was Borrius tevreden.

Het was intusschen avond geworden, en terwijl de Boeren hun kwartieren opzochten bij bevriende burgers, nam Cronjé zijn maatregelen, om niet overrompeld te worden.

Zóó werd het nacht en allengs verstomde het rumoer.

De sterren tintelden aan den diepblauwen hemel, en niets werd meer gehoord dan het ruischen van den nachtwind in het loover der treurwilgen, het fluisteren der Boerenschildwachten en de regelmatige voetstap hunner patrouilles.

Zoo ging de nacht langzaam voorbij, maar morgen — wat zal de dag van morgen baren?

Het was den volgenden morgen half tien. Cronjé zat heel bedaard op de stoep voor de drukkerij, in de schaduw van het geboomte, uit zijn houten pijp te rooken, en in de drukkerij waren de letterzetters druk in de weer, om dat gevaarlijke ding, de proklamatie, klaar te krijgen, toen eenjonge ruiter in den sneldsten draf de straat kwam afstormen, en reeds uit de verte riep: "Oom Piet, de Roodbaatjes hebben op ons geschoten!"

"Zoo" zeide Oom Piet, terwijl hij bedaard de asch uit de pijp klopte, "en hoe is dat gebeurd?" Met één kwam echter reeds een tweede Boer aanrennen, in de ééne hand den hoed, in de andere het geweer, en riep in de grootste opwinding: "Oom Piet, de Roodbaatjes hebben onzen kommandant Robberts den arm afgeschoten."

"Zoo!" zeide Cronjé nog eens. Toen stak hij de pijp in den zak, stond op en riep met zijn heldere, luidklinkende stem: "Op mannen! Wij zullen de Engelschen te woord staan!"

Wat was er gebeurd?

Robberts was met een vijftal Boeren door de straten gereden, en had den weg ingeslagen naar het Engelsche kamp. Misschien was hij bij dien tocht naar de meening van Winsloe, den Engelschen bevelhebber, te dicht het kamp genaderd. Ten minste Winsloe zond het zestal Boeren bij hun terugtocht een salvo kogels achterna, waarbij de arm van kommandant Robberts verbrijzeld, een andere Boer gewond en een derde gedood werd.

Cronjé riep nu zijn manschappen bijéén, en liet onmiddelijk opzadelen. Hij splitste zijn legertje in vier afdeelingen, die in verschillende richtingen en met de noodige behoedzaamheid de stad zouden doorkruisen.

Aan deze order werd stipt gehoorzaamd, en in bedaarden stap reed eene afdeeling van honderd man de groote straat af naar het kerkplein.

Doch nauwelijks was men hier aangekomen, of uit het Gouvernementskantoor, dat aan het kerkplein grensde, en de Gevangenis werd een overstelpend vuur gericht op het open plein, terwijl de bommen uit de Engelsche negenponders met ontzettende kracht uitéénsloegen.

Het was een ernstig oogenblik, en het verschrikt gesteiger der wild geworden paarden, de luide kommando's der aanvoerders, het geknettervan het geweervuur, het geschrei en gegil van weerlooze vrouwen en kinderen, en daartusschen de donderslag van een neerploffenden bom — de geluiden vereenigden zich tot een éénig, vreeselijk, onbeschrijfelijk concert.

Het groote kerkplein werd snel ontruimd.Toen lachten de Engelsche helden.

"Kijk," zeiden zij, uitstekend gedekt achter stevige muren en door zandzakken verschanste ramen, "kijk, hoe hard de Boeren toch kunnen loopen! Bij heteerstekanonschot gaan zij op de vlucht — 't is uitgekomen, zooals we 't hebben voorspeld! Maar wie is ook tegen den Engelschman bestand?" En zij grinnikten van plezier, terwijl zij daar veilig stonden achter hun schietgaten.

Doch de Engelschen vergisten zich, wanneer zij meenden, dat de Boeren nu hals over kop weer naar de wildernis waren gevlucht.

Zij waren nog in de stad; ja dicht in de nabijheid. Van achter een deur, een wagen, een boom, een kerkmuur, van het platte dak van een winkelhuis, werd plotseling een breedgerande hoed zichtbaar, om even snel te verdwijnen.

Reeds drong er hier en daar een kogel in een zandzak, maar de kogels begonnen dichter te komen, en het schot werd juister.

Een kogel vloog door één der schietgaten en trof den kleinen infanterist, die er juist achter stond. Er werd een klein nietig wondje zichtbaar aan zijn voorhoofd en hij zakte stervend in elkaar.

"'t Is een verdwaalde kogel geweest," zeide de officier, die er bij stond, en om zijn meening kracht bij te zetten, ging hij recht voor het schietgat staan.

Maar hij stond er niet lang; de volgende kogel legde hem tegen den grond.

Neen, die éérste kogel was geen verdwaalde kogel geweest; dat begrepen de Engelschen nu ook. En zij drukten zich tegen den muur, om uit de doodelijke richting der schietgaten te blijven, en de kogels floten er doorheen, dat kalk en steengruis spatten.

De Engelschen lachten niet meer; zij rilden. Zóó'n uitwerking kan een klein stukje blauw lood hebben in den geweerloop van een Boeren-Scherpschutter.

Intusschen was generaal Cronjé met een andere afdeeling Boeren door slooten en tuinen opgerukt in de richting van het kerkhof, om het kamp in bedwang te houden. Twee paarden werden den generaal door Engelsche granaten gedood, maar de wakkere Boeren gaven het niet op, en dekking zoekend achter een boom, een heg, een tuinmuur, een houten schutting, tornde men op tegen den vijand.

Onophoudelijk knalde het geweervuur, en eerst de avondmaakte aan den strijd een voorloopig einde. Maar de Boeren legden zich ter ruste met het geweer in den arm, terwijl sterke wachten op de meeste bedreigde punten post vatten.

Reeds vroeg in den volgenden morgen werd het vuur van beide zijden weer opgenomen, en overal ontdekte men de teekenen der verwoesting. De daken werden door de granaten der Engelschen ingeslagen en de muren omgeworpen. Met angstig kloppende harten zaten de inwoners in hunne woningen, ieder oogenblik bevreesd, dat een bom hun woning uit elkander zou slaan. En buiten op de straat lagen de gedoode paarden der Boeren, en hoog in de lucht zwierven, door den reuk aangetrokken, talrijke aasvogels.

Voor het garnizoen van het Gouvernementskantoor begon het er intusschen bedenkelijk uit te zien. De Boeren wonnen voet voor voet terrein, en in den vroegen morgen vanden 18denDecemberbegonnen hun kogels de tot nog toe veilige achterzijde van het kantoor te bestrijken. Een twintigtal dappere kerels hadden zich namelijk genesteld in de erven achter het kantoor, en Cronjé haastte zich, om hen nog 25 man versterking te zenden, die kruipende door tuinen en boomgaarden heen, onder een hagelslag van vijandelijke kogels het gevechtsterrein gelukkig bereikten.

Hei! Wat de kogels floten! Ze scheurden de spaanders van deuren en ramen, vlogen door de schietgaten heen en kletterden tegen de binnenmuren.

Maar de jonge Jan de Koek zeide: "Dat gaat me nog niet vlug genoeg;zonderkogels zal ik de Roodbaatjes uit hun nest jagen."

Hij nam eenige lange spaansche rieten, maakte ze aan de punt scherp, en wikkelde er wollen lappen om, die met terpentijn waren gedrenkt.

"Kijk," zeide hij triomfantelijk, terwijl hij de lappen aanstak, "dat zijn nu de ware brandassegaaien," en terwijl de Boeren hem met hun geweervuur dekten, sjorde hij in onbegrijpelijke koelbloedigheid, met zijn brandfakkels in de hand, een half vermolmde ladder op.

Reeds had hij de eerste in het rieten dak van het Gouvernementskantoor geworpen, en wilde de tweede nemen, toen een luid en driftig geroep van het kerkplein weerklonk.De Engelschen hadden de witte vlag geheschen.

In groote spanning wachtten de Boeren het verder verloop, toen bij een der ramen de zandzakken werden verwijderd,en in de gemaakte opening het bekende gelaat van den dapperen Raaff zichtbaar werd.

"Wat," riepen de Boeren, "ben jij daar, Raaffje? En waar is je blekken schotel, man?" en zij schaterlachten.

Maarhijlachte niet, want hij had een slecht geweten, en zijn gelaat stond strak en benauwd.1)

Majoor Clarke, Raaff en 40 mindere Engelsche militairen werden als gevangenen weggevoerd, en een aantal geweren, benevens een groote voorraad ammunitie en mondvoorraad viel de Boeren, die aan alles gebrek begonnen te krijgen, in handen.

Dat was een goede vangst, en ofschoon de Engelsche kanonnen een vreeselijk geweld maakten, de Boeren hadden schik, en zij schoten victorie.

1) De man trok in 1896 met Cecil Rhodes tegen de Matabelen op, en de assegaai van een kaffer maakte aan zijn roemloos leven een einde.

Er hingen vage geruchten in de lucht, dat er een gevecht had plaats gehad tusschen de Engelsche troepen en een kommando der Boeren.

Deze geruchten namen een bepaalder vorm aan, en er werd gesproken van een grooten slag, waarin de Boeren met bebloede koppen naar huis waren gejaagd.

Ook op het erf van Dirk Kloppers deed dit gerucht zijn intrede. Een kleurling bracht het nieuws mede, en de Kaffers, bij Kloppers in dienst, staken de hoofden bij elkander, en fluisterden elkander het heuchelijke nieuws toe bij het scheren der schapen.

Natuurlijk, het was voor hen een heuchelijk nieuws. Want als de Boeren er onder gingen, dan behoefden zij niet meer te werken, en zouden zij zelf de heeren en de meesters worden.

Het gerucht, want meer was het niet, stichtte weinig goeds. De Kaffers werden nog trager dan gewoonlijk, enuit hun donkere oogen begon duidelijk een geest van onwil en verzet te flikkeren.

Vrouw Kloppers zag het onweer wel broeien, maar zij deed alsof zij niets merkte, en ging kalm haar gang. En tot Arie, die in zijn jeugdigen ijver de zweep had gegrepen met den langen slag van buffelleer, om er de Kaffers mee af te ranselen, had zij gezegd: "Dat heeft nog tijd." En zij had dat op dien eigenaardigen toon gezegd, dien zij bezigde, als zij geen tegenspraak duldde. Arie kende dien toon wel, en zwijgend had hij de zweep weer in den hoek van de keuken gezet. Doch binnen twee dagen kwam reeds de crisis, en vroeg in den morgen kwam de oude Columbus, van wiens trouw vrouw Kloppers zich verzekerd kon houden, in opgewonden toestand naar binnen en zeide: "De knechten willen het vee niet uit de kralen drijven!"

"Zóó," zeide vrouw Kloppers op bedaarden toon; "waar zijn de knechten?"

"Achter 't huis," antwoordde de Zoeloe, maar Arie kon toch niet nalaten te zeggen: "Dat komt er nu van toegeven!"

De oude vrouw stond nu op, en begaf zich, vergezeld van Columbus en Arie, naar het muitende volk.

Er stonden er zeker wel twintig.

Zonder een woord te zeggen, met de handen in de zijde gestut, ging zij vlak voor de Kaffers staan.

"Jaagt het vee uit de kralen," zeide zij eindelijk.

Geen man verroerde zich.

"Jaagt het vee er uit," zeide zij nog eens.

Het bevel had hetzelfde resultaat, en hier en daar hoorde men een grinnikend gelach.

Vrouw Kloppers had het ook gehoord. Langzaam gleden haar grijze oogen van den een op den ander.

Toen verstomde het lachen, maar de jonge, sterke "Amerika," die midden tusschen de anderen stond, keek haar aan met zijn brutale oogen en zeide: "wij jagen jou vee er niet uit — doe 't zelf!"

Hij was de belhamel, de aanvoerder der muiters; dat was duidelijk. En Arie, die de zaak niet meer vertrouwde, verwijderde zich haastig, om zijn geweer te halen.

"Jij Kaffer zult het ook niet meer doen," zeide ze langzaam, op den haar eigen, beslisten toon. "Van mijn erf! En er nooit meer op!" liet zij er op volgen, haar rechterhand gebiedend uitstrekkend.

Zij begon warm te worden; het Afrikaansche vuur begonte gloeien in die grijze oogen. Neen, zij was niet bang, zelfs voor twintig Kaffers niet. Zij greep den muiter in de borst, rukte hem uit den kring der Kaffers en drukte hem tegen den achtermuur van het huis aan.

Juist kwam Arie aanloopen met het geweer.

"Geef op," zeide zij, en het nemend, legde zij op den Kaffer aan.

"Voor den laatsten keer — van mijn erf!" riep zij, en onheilspellend flikkerden haar oogen.

Doch de weerbarstigheid van den Kaffer was nu gebroken. Hij was tegen deze oude vrouw niet opgewassen; hij voelde hare meerderheid. Hij viel voor haar op de knieën, strekte zijn zwarte armen smeekend omhoog en riep: "Vergeef het mij; Amerika zal nooit meer weerspannig zijn; nooit meer. Hij zal werken dag en nacht, zomer en winter, als hij maar op Vredenoord mag blijven."

"Ik zal zien, wat ik doen zal," zeide zij langzaam, maar op milder toon.

Toen sprong de jonge Kaffer met een vreugdekreet omhoog, en hij en de andere Kaffers snelden naar de kralen, en joegen het vee naar buiten, en er was geen sprake meer van weerbarstigheid.

Intusschen keek vrouw Kloppers reikhalzend uit naar een brief van haar man, want al schonk zij aan de opduikende geruchten weinig waarde, op haar gemak was zij toch niet. Het was voor haar echter een troost, dat Arie nog niet was vertrokken. De jongen had wel het vaste voornemen gehad, om reeds acht dagen geleden te gaan, maar de onzekerheid, waar hij zijn grootvader moest zoeken, had hem nog aan huis gebannen. Hij moest nu wel, al was het tegen zijn zin, geduld oefenen, tot er tijding kwam.

Op zekeren namiddag, twee dagen vóór nieuwjaar, kwam echter de zoo vurig verbeide tijding in een lijvigen, zwaren brief, die door een gewonden, naar huis keerenden Boer was medegebracht.

De man had er al vast bij gezegd, dat de Engelschen een geducht pak slaag hadden gehad, en dat oom Dirk en Neef Jan het uitstekend maakten.

Vrouw Kloppers plaatste zich aan het open raam, in den leuningstoel, die haar man placht in te nemen, zette de hoornen bril vóór haar oogen en opende het couvert.

En daar had zij nu den langen, grooten brief vóór zich liggen op tafel! Ja, dat warenzijnletters; zoo haalde hijze. Een vreemdeling zou zeggen, dat die letters geleken op de boomen van een woud, door een plotselingen storm door en over elkander geworpen, maarzijhad die letters lief, omdat hij ze had geschreven en door dat labyrint van haken en halen wist zij den weg te vinden zonder te verdwalen.

Zij las den brief eens en nóg eens en nóg eens.

Lena zat naast haar en leunde tegen haar schoot, en Arie had den mond wijd open, opdat hem geen woord zou ontgaan. Maar voorloopig hoorde hij nog niets, en zag hij slechts, hoe Grootmoeder, wanneer haar gerimpelde vinger op zekere plaats van den brief was aangekomen, een paar tranen wegpinkte.

Maar eindelijk kon de jongen zijn ongeduld niet langer bedwingen en hij zeide: "Grootmoeder, ik weet nu, dat Grootvader en Oom Jan nog leven; vertel mij nu als 't u belieft, of Herman Hoogerhuis en de Moorkop ook nog leven; dan weet ik genoeg." Doch de oude vrouw zeide vriendelijk: "Ik zal jou en Lena den geheelen brief voorlezen. Luistert maar!"

En zij begon:

21 December 1880.Hartelijk geliefde Vrouw!Ik haast mij, u mede te deelen, dat ik en Jan en Teunis en Herman nog frisch en gezond zijn. Wij zijn gisteren voor den eersten keer in het vuur geweest, en wij hebben ruime stof, om den Heere te danken, want Hij heeft ons wonderbaarlijk geholpen. Wij waren met 300 man onder aanvoering van generaal F. Joubert, en de Engelsche troepen telden ruim 250 man. Zij waren op weg van Lijdenberg, om het Engelsche garnizoen in Pretoria te versterken, maar wij wilden dat niet hebben.Op ordelijke wijze verwittigde onze generaal aan kolonel Anstruther, die de Engelschen aanvoerde, dat hij terug moest gaan met zijn volk, want anders zouden wij genoodzaakt zijn, op zijn volk te schieten. Maar de kolonel antwoordde, dat zijn instructies luidden, om naar Pretoria te gaan, en dat hij 't doen zou ook. Toen zeide onze generaal tot ons: "Menschen, nu zullen we vechten," en wij vonden dat heel goed. En terwijl de Engelsche muziek hun trotsche volksliederen speelde, stormden wij, onze paarden achterlatende, tot op honderd pas afstand. Wij moesten over de open vlakte heen, terwijl de kogels van den vijand ons alsvliegen om de ooren bromden. Jan was aan mijn rechterhand, en Teunis de leeuwenjager aan mijn linkerhand. Teunis zeide: "Neef Dirk, dien hooge dáár op dat zwarte paard, dien zal ik er afhalen. 't Is jammer, dat het paard zoo steigert; ik zal er twee kogels aan moeten wagen." Toen schoot hij de beide loopen van zijn geweer op dien hooge af; het was de kolonel. Toen de kruitdamp door den wind even wegwaaide, zagen wij, dat hij van het paard was gevallen. Ik zocht en vond ook een hooge, maar die was te voet en stond met uitgetrokken sabel vóór de troep. Ik zeide: "Neef Teunis, dat is de mijne.""Dat is een mooi mikpunt," antwoordde de leeuwenjager, "want de man staat heel bedaard; meer dan één kogel heeft hij niet noodig." Dat is ook uitgekomen. Wij hadden nog geen tien minuten gevochten, of daar zagen wij witte zakdoeken zwaaien en helmen omhoog houden, want de vijand kon het niet uithouden. Toen werd mijn hart vervuld met een groote overwinningsvreugde, Anneke; ik denk een zelfde gevoel als dat de Israeliten bezielde, toen zij de slagorden verbrijzelden der Filistijnen. Wij liepen met gejuich en zoo snel als blesbokken op de Engelschen aan, en hielden onze geweren in de hand, maar toen wij bij de Engelsche troepen aankwamen, toen werd mijn hart zeer geroerd, want wij stonden midden tusschen dooden, gewonden en stervenden. Het was een ontzettend gezicht, lieve vrouw, en ik haastte mij, om hier en daar een zwaargewonde met een teug water te verkwikken. Zóó deden de Boeren allemaal; alle haat en wrok was verdwenen. Onze dappere generaal ging zelf naar den Engelschen kolonel, en vraagde hem, wat hij voor hem doen kon. Die arme menschen! En voor zoo'n slechte zaak hun kostbaar bloed te storten! Ik kwam zelf bij een jong en vriendelijk gezicht voorbij, dat mijzoo klagend aankeek, dat het mij door de ziel sneed. Hij had het benauwd, en ik knoopte hem de roode uniform open, en maakte zijn lippen vochtig met een paar druppels Kaapschen wijn uit mijn veldflesch. Maar ik begreep wel, dat de kogel zijn longen had geraakt, en dat de geleerdste professor hier aan het einde was van zijn kunst. Een papieren couvert lag in de nabijheid, en de gewonde hield een portret in de hand. Ik zag, dat het een vrouw van middelbaren leeftijd voorstelde, en uit de gelaatstrekken bespeurde ik, dat het Zijne moeder moest zijn. Ik had groot medelijden met den armen jongen, en ik dacht: Uw Moeder isver weg; nu zal ik hare plaats zien in te nemen, en ik stutte zijn stervend hoofd, en in mijn armen gaf hij den geest. En dat heet nu een christennatie, Anneke, die zóó hare kinderen in den dood jaagt. Het was een heel ding, lieve vrouw, om zoo maar tegen de Engelsche bajonetten en kogels in te stormen, maar ik had mij gesterkt in mijn God. Het is zoo als de psalmdichter zegt: "Met U loop ik door eene bende, en met mijnen God spring ik over eenen muur." En Hij heeft ons wonderlijk, wonderlijk geholpen. Wij hadden slechts twee dooden, en onze harten zijn vol lof en dank. De Heere vervulde onze harten met moed en dapperheid, en er was niets tegen ons bestand. Jou jongen, jou Benjamin, Anneke, heeft ook dapper gevochten. Hij gedroeg zich als iemand, die grijs is geworden in het oorlogsgewoel. Hij mikte even bedaard als ik en de leeuwenjager. Herman heeft zich ook flink gehouden, maar hij schoot te gauw. Ik zeg: Neef, den haan overtrekken, dat kan een klein kind wel, maar raken, raken, daar komt het op aan. Maar hij houdt stijf en plechtig vol, dat hij ook een roodbaatje heeft doodgeschoten. In elk geval, er zit hart in den jongen; hij is van het echte ras. Na het gevecht zeide Jan tegen mij: "Kijk, vader, die roodbaatjes hebben mij geteekend," en hij liet mij zijn oor zien. Er was waarlijk een stuk van zijn oor afgeschoten. Dus de dood is rakelings langs ons kind heengegaan, lieve vrouw, en gij kunt denken, dat mijn dank tot den Heere groot en innig is. Misschien hebben de gebeden van de moeder de kogel uit de doodelijke richting gestooten. Wij trekken nu voorloopig naar het lager te Heidelberg, en vervolgens waarschijnlijk naar de passen van het Drakengebergte, want daar zal de beslissing moeten vallen. Moge de Heere ons verder genadiglijk bijstaan; dan zullen wij zeker overwinnen. Groet de kleinkinderen en verder alle vrienden en kennissen en schrijf ook eens gauw. Er zal wel gelegenheid zijn met deze of gene, die naar het oorlogsveld gaat, een brief mede te geven. Ik hoop, dat Gij, lieve vrouw, dezen brief in goeden welstand mogt ontvangen, en dat wij elkander eerlang weer mogen ontmoeten. Dan zal ik u veel, veel te vertellen hebben. Deze brief heeft langer geduurd dan het gevecht bij Bronkhorstspruit; ik heb nog nooit zoo'n langen brief geschreven.Uw liefhebbende ManDIRK KLOPPERS.P.S. Jan zal er ook nog een paar woorden bijvoegen."

21 December 1880.

Hartelijk geliefde Vrouw!

Ik haast mij, u mede te deelen, dat ik en Jan en Teunis en Herman nog frisch en gezond zijn. Wij zijn gisteren voor den eersten keer in het vuur geweest, en wij hebben ruime stof, om den Heere te danken, want Hij heeft ons wonderbaarlijk geholpen. Wij waren met 300 man onder aanvoering van generaal F. Joubert, en de Engelsche troepen telden ruim 250 man. Zij waren op weg van Lijdenberg, om het Engelsche garnizoen in Pretoria te versterken, maar wij wilden dat niet hebben.

Op ordelijke wijze verwittigde onze generaal aan kolonel Anstruther, die de Engelschen aanvoerde, dat hij terug moest gaan met zijn volk, want anders zouden wij genoodzaakt zijn, op zijn volk te schieten. Maar de kolonel antwoordde, dat zijn instructies luidden, om naar Pretoria te gaan, en dat hij 't doen zou ook. Toen zeide onze generaal tot ons: "Menschen, nu zullen we vechten," en wij vonden dat heel goed. En terwijl de Engelsche muziek hun trotsche volksliederen speelde, stormden wij, onze paarden achterlatende, tot op honderd pas afstand. Wij moesten over de open vlakte heen, terwijl de kogels van den vijand ons alsvliegen om de ooren bromden. Jan was aan mijn rechterhand, en Teunis de leeuwenjager aan mijn linkerhand. Teunis zeide: "Neef Dirk, dien hooge dáár op dat zwarte paard, dien zal ik er afhalen. 't Is jammer, dat het paard zoo steigert; ik zal er twee kogels aan moeten wagen." Toen schoot hij de beide loopen van zijn geweer op dien hooge af; het was de kolonel. Toen de kruitdamp door den wind even wegwaaide, zagen wij, dat hij van het paard was gevallen. Ik zocht en vond ook een hooge, maar die was te voet en stond met uitgetrokken sabel vóór de troep. Ik zeide: "Neef Teunis, dat is de mijne."

"Dat is een mooi mikpunt," antwoordde de leeuwenjager, "want de man staat heel bedaard; meer dan één kogel heeft hij niet noodig." Dat is ook uitgekomen. Wij hadden nog geen tien minuten gevochten, of daar zagen wij witte zakdoeken zwaaien en helmen omhoog houden, want de vijand kon het niet uithouden. Toen werd mijn hart vervuld met een groote overwinningsvreugde, Anneke; ik denk een zelfde gevoel als dat de Israeliten bezielde, toen zij de slagorden verbrijzelden der Filistijnen. Wij liepen met gejuich en zoo snel als blesbokken op de Engelschen aan, en hielden onze geweren in de hand, maar toen wij bij de Engelsche troepen aankwamen, toen werd mijn hart zeer geroerd, want wij stonden midden tusschen dooden, gewonden en stervenden. Het was een ontzettend gezicht, lieve vrouw, en ik haastte mij, om hier en daar een zwaargewonde met een teug water te verkwikken. Zóó deden de Boeren allemaal; alle haat en wrok was verdwenen. Onze dappere generaal ging zelf naar den Engelschen kolonel, en vraagde hem, wat hij voor hem doen kon. Die arme menschen! En voor zoo'n slechte zaak hun kostbaar bloed te storten! Ik kwam zelf bij een jong en vriendelijk gezicht voorbij, dat mijzoo klagend aankeek, dat het mij door de ziel sneed. Hij had het benauwd, en ik knoopte hem de roode uniform open, en maakte zijn lippen vochtig met een paar druppels Kaapschen wijn uit mijn veldflesch. Maar ik begreep wel, dat de kogel zijn longen had geraakt, en dat de geleerdste professor hier aan het einde was van zijn kunst. Een papieren couvert lag in de nabijheid, en de gewonde hield een portret in de hand. Ik zag, dat het een vrouw van middelbaren leeftijd voorstelde, en uit de gelaatstrekken bespeurde ik, dat het Zijne moeder moest zijn. Ik had groot medelijden met den armen jongen, en ik dacht: Uw Moeder isver weg; nu zal ik hare plaats zien in te nemen, en ik stutte zijn stervend hoofd, en in mijn armen gaf hij den geest. En dat heet nu een christennatie, Anneke, die zóó hare kinderen in den dood jaagt. Het was een heel ding, lieve vrouw, om zoo maar tegen de Engelsche bajonetten en kogels in te stormen, maar ik had mij gesterkt in mijn God. Het is zoo als de psalmdichter zegt: "Met U loop ik door eene bende, en met mijnen God spring ik over eenen muur." En Hij heeft ons wonderlijk, wonderlijk geholpen. Wij hadden slechts twee dooden, en onze harten zijn vol lof en dank. De Heere vervulde onze harten met moed en dapperheid, en er was niets tegen ons bestand. Jou jongen, jou Benjamin, Anneke, heeft ook dapper gevochten. Hij gedroeg zich als iemand, die grijs is geworden in het oorlogsgewoel. Hij mikte even bedaard als ik en de leeuwenjager. Herman heeft zich ook flink gehouden, maar hij schoot te gauw. Ik zeg: Neef, den haan overtrekken, dat kan een klein kind wel, maar raken, raken, daar komt het op aan. Maar hij houdt stijf en plechtig vol, dat hij ook een roodbaatje heeft doodgeschoten. In elk geval, er zit hart in den jongen; hij is van het echte ras. Na het gevecht zeide Jan tegen mij: "Kijk, vader, die roodbaatjes hebben mij geteekend," en hij liet mij zijn oor zien. Er was waarlijk een stuk van zijn oor afgeschoten. Dus de dood is rakelings langs ons kind heengegaan, lieve vrouw, en gij kunt denken, dat mijn dank tot den Heere groot en innig is. Misschien hebben de gebeden van de moeder de kogel uit de doodelijke richting gestooten. Wij trekken nu voorloopig naar het lager te Heidelberg, en vervolgens waarschijnlijk naar de passen van het Drakengebergte, want daar zal de beslissing moeten vallen. Moge de Heere ons verder genadiglijk bijstaan; dan zullen wij zeker overwinnen. Groet de kleinkinderen en verder alle vrienden en kennissen en schrijf ook eens gauw. Er zal wel gelegenheid zijn met deze of gene, die naar het oorlogsveld gaat, een brief mede te geven. Ik hoop, dat Gij, lieve vrouw, dezen brief in goeden welstand mogt ontvangen, en dat wij elkander eerlang weer mogen ontmoeten. Dan zal ik u veel, veel te vertellen hebben. Deze brief heeft langer geduurd dan het gevecht bij Bronkhorstspruit; ik heb nog nooit zoo'n langen brief geschreven.

Uw liefhebbende ManDIRK KLOPPERS.

P.S. Jan zal er ook nog een paar woorden bijvoegen."

Onder de wonderlijk door elkander heen gehaalde pennestreken van den ouden Kloppers volgde nu in kloek, flink schrift het volgende:

"Geliefde Moeder!Wij hebben de Roodbaatjes geklopt en wij zullen hen nog eens kloppen. Ik zit hier op een veroverde Engelsche wagenkist deze regelen te schrijven. Herman heeft zich ook kranig gehouden, en hij zegt, dat hij een Engelschman heeft doodgeschoten, doch dat geloof ik niet. Maar hij zal 't wel leeren, wis en zeker! Zeg aan Arie, dat ik den Moorkop voeder met de haver, die wij bij Bronkhorstspruit hebben veroverd op de Engelschen. Hij wou ze eerst niet vreten, misschien uit bescheidenheid, maar nou lust hij ze wel. Lieve Moeder! Ik ben een beetje uitgelaten, maar dat doet de vreugde over de overwinning. Ik hoop niet te vergeten,Wieons de overwinning schonk. Weest te samen hartelijk gegroet. Ook de groete van Oom Teunis en Herman. Leve de vrijheid! Uw liefhebbende ZoonJAN KLOPPERS.P. S. Ik heb op het slagveld de geweren der gevallen soldaten onderzocht, en zag tot mijn verbazing, dat het vizier was gericht op een afstand van 300 tot 500 pas, terwijl de werkelijke afstand slechts 100 pas bedroeg. Nu is het te begrijpen, waarom de Engelschen zoo miserabel schoten. Vader zegt, dat God onze vijanden met blindheid slaat, en dat zal wel de waarheid zijn.DEZELFDE."

"Geliefde Moeder!

Wij hebben de Roodbaatjes geklopt en wij zullen hen nog eens kloppen. Ik zit hier op een veroverde Engelsche wagenkist deze regelen te schrijven. Herman heeft zich ook kranig gehouden, en hij zegt, dat hij een Engelschman heeft doodgeschoten, doch dat geloof ik niet. Maar hij zal 't wel leeren, wis en zeker! Zeg aan Arie, dat ik den Moorkop voeder met de haver, die wij bij Bronkhorstspruit hebben veroverd op de Engelschen. Hij wou ze eerst niet vreten, misschien uit bescheidenheid, maar nou lust hij ze wel. Lieve Moeder! Ik ben een beetje uitgelaten, maar dat doet de vreugde over de overwinning. Ik hoop niet te vergeten,Wieons de overwinning schonk. Weest te samen hartelijk gegroet. Ook de groete van Oom Teunis en Herman. Leve de vrijheid! Uw liefhebbende Zoon

JAN KLOPPERS.

P. S. Ik heb op het slagveld de geweren der gevallen soldaten onderzocht, en zag tot mijn verbazing, dat het vizier was gericht op een afstand van 300 tot 500 pas, terwijl de werkelijke afstand slechts 100 pas bedroeg. Nu is het te begrijpen, waarom de Engelschen zoo miserabel schoten. Vader zegt, dat God onze vijanden met blindheid slaat, en dat zal wel de waarheid zijn.

DEZELFDE."

Reeds den 5enDecember was kolonel Anstruther op bevel van den Engelschen generaal Lanyon met een sterke afdeeling van het 94steregiment, tellende 248 man en 9 officieren, van Lijdenburg opgebroken, en had den 14enDecember Middelburg bereikt. Hier ontving de kolonel een waarschuwing, dat de Boeren wel in staat konden zijn, hem den weg naar Pretoria te versperren, maar hij glimlachte en beschouwde het voor een bakerpraatje. Onbekommerd zette hij den tocht naar Pretoria voort, maar toen, aan de overzijde der Olifantsrivier gekomen, een kaffer hem de stellige mededeeling bracht, onder weg een kommando Boeren te hebben ontmoet, nam de kolonel de noodige maatregelen van voorzichtigheid, kortte zijn lang convooi wat in en betrok des nachts een lager.

Zoo was hij Pretoria, het doel van den tocht, tot op 10 uur afstands genaderd, toen een eenzaam ruiter de Engelschen tot op honderd schreden naderde. Het was een parlementair. Hij hield een vlag in de hand, en begeerde den bevelhebber te spreken. Kolonel Anstruther begaf zich nu buiten het front zijner linie en nam de dépèche aan, die de parlementair hem aanreikte. Hij las ze kalm en bedaard tot het einde, maar schudde het hoofd, en zeide tot den parlementair:

"Ik heb orders, om naar Pretoria te gaan, en ikganaar Pretoria; doe wat gij wilt."

Meteen stak hij de dépèche in zijn borstzak, waar ze later ook is terug gevonden.

Het voornaamste punt in dit schrijven luidde als volgt:

"Heidelberg, 17 December 1880.Aan den bevelhebbenden Officier van Harer Majesteits troepen, op weg tusschen Lijdenburg en Pretoria.Mijnheer! Wij hebben de eer u te berichten, dat de Regeering van de Zuid-Afrikaansche Republiek haar zetel heeft gevestigd te Heidelberg, dat een diplomatieke afgezant met dépèches is gezonden aan Z. Exc. Sir Owen Lanyon, dat vóór de terugkomst van Z. Excs. antwoord wij niet weten, of wij in oorlog zijn of niet; dat wij gevolgelijk niet kunnen toelaten eenige beweging van troepen uwerzijds en begeeren, dat gij blijft waar gij zijt.... Wij nemen eenvoudig de onafhankelijkheid van ons land terug, en berichten u derhalve, dat eenige beweging van uwe troepen door ons zal worden opgevat als eeneoorlogsverklaring, de verantwoordelijkheid waarvan wijop uwe schouders werpen,wel wetende, wat wij te doen zullen hebben inzelfverdediging.PIETER J. JOUBERT,Kommandant-Generaal.

"Heidelberg, 17 December 1880.

Aan den bevelhebbenden Officier van Harer Majesteits troepen, op weg tusschen Lijdenburg en Pretoria.

Mijnheer! Wij hebben de eer u te berichten, dat de Regeering van de Zuid-Afrikaansche Republiek haar zetel heeft gevestigd te Heidelberg, dat een diplomatieke afgezant met dépèches is gezonden aan Z. Exc. Sir Owen Lanyon, dat vóór de terugkomst van Z. Excs. antwoord wij niet weten, of wij in oorlog zijn of niet; dat wij gevolgelijk niet kunnen toelaten eenige beweging van troepen uwerzijds en begeeren, dat gij blijft waar gij zijt.... Wij nemen eenvoudig de onafhankelijkheid van ons land terug, en berichten u derhalve, dat eenige beweging van uwe troepen door ons zal worden opgevat als eeneoorlogsverklaring, de verantwoordelijkheid waarvan wijop uwe schouders werpen,wel wetende, wat wij te doen zullen hebben inzelfverdediging.

PIETER J. JOUBERT,Kommandant-Generaal.

Op 300 meter afstands van de Engelsche troepen had Frans Joubert zijn 300 Boeren achter de heuvelen in hinderlaag geplaatst, en gaf, nu de zending van den parlementair zonder vrucht was gebleven, het sein tot den aanval.

Hun paarden de sporen gevend, naderden de Boeren nu tot op 200 meter afstand, sprongen uit het zadel, en de paarden achterlatend, liepen zij storm tot op 100 pas afstand.

In der haast trachtten de soldaten de ossenwagens tot een verschansing saam te trekken, maar de kogels floten door de huiven, kletterden tegen de ijzeren wielbanden en sloegen de soldaten bij de disselboomen dood.

Doch de kolonel was een man met een dapper, moedig hart, en zelfs in dit hachelijke oogenblik verloor hij zijn koelbloedigheid niet, en hij gaf zijn bevelen even kalm en bedaard alsof hij op het excercitieveld stond.

Maar — wat baatte het? Tegen het huiveringwekkend juiste schot der Boeren was moed noch dapperheid bestand. Als rijpe korenaren voor den sikkel van den maaier — zóó vielen de Engelschen. Het was geenslagveld, waar zij stonden, maar eenslachtbank. Hun gelederen werden verscheurd, vóór zij in orde waren opgesteld, en met de doodelijke kogel in de borst, stortte de wakkere kolonel van zijn paard.

Zelf wenkte hij zijn soldaten, om het sein van overgave te doen. Dat was geen daad van lafheid, maar van barmhartigheid tegenover zijn ondergeschikten, want in dezen strijd was geen verweer.

Honderd Engelsche soldaten lagen dood bij de wagens, en 28 wagens met ammunitie en krijgsbehoeften, benevens een groot aantal geweren en andere wapenen vielen den overwinnaars in de handen.

De dappere aanvoerder der Boeren, Frans Joubert, zocht intusschen een weg tusschen de dooden en stervenden door, om zijn tegenstander, die hem wenschte te spreken, te ontmoeten.

"Zie," zeide de kolonel met zwakker wordende stem, "ik ben diep getroffen door de edelmoedigheid, waarmede uw volk mijn gewonde en gekwetste soldaten behandelt."

"Zij doen slechts hun christenplicht, kolonel," zeide Frans Joubert bedaard.

"Ja," zeide de kolonel, "zij handelen als christenen."

"Neem dit aan tot een herinnering en als een bewijs van mijn hoogachting," zeide hij na een pauze, en hij liet generaal Joubert een prachtige verzameling wapenen aanbieden.

Eerbiedig en vol weemoed aanvaardde Joubert dit kostbaar geschenk.

Nu reikte de kolonel Joubert de hand tot afscheid. En diep ontroerd drukte deze de hand van zijn vijand.

Zij staarden elkander in de oogen — twee helden!

Zoo scheidden zij.

Maar de tijding der zegepraal van Bronkhorstspruit verspreidde zich door geheel Zuid-Afrika, bemoedigde de vreesachtigen, sterkte de zwakken, verwakkerde de twijfelmoedigen, en klonk als een donderslag in de ooren der vijandelijke, door de Engelschen opgezette Kafferstammen!

Dáár tusschen dat geboomte, dáár ligt het dorp.

Dáár moeten we zijn.

Ge ziet den rook langzaam omhoog kronkelen boven de toppen der boomen.

Sla niet dat voetpad links in, want dan komt ge langs het kamp, waar eenige honderden Engelsche soldaten liggen.

We moeten rechts houden.

Wees toch voorzichtig; kijk voor uw voeten. Daar ligt al zoo'n zwart ding.

Ge zoudt het voor een gebogen stok houden, maar 't is geen gebogen stok.

't Is een slang; een vergiftige slang; een echte cobra. Zij ligt zich te koesteren in de zonnestralen en loert op den argeloozen wandelaar.

Er zijn veel vergiftige slangen hier in de Transvaal. Ze geven u een beet, vóór ge 't weet, en die beet is doodelijk, want hij vergiftigt uw bloed.

De slang is gevaarlijker dan de leeuw.

Den leeuw hoort ge aankomen, en hij brult, dat het merg in uw gebeente ontroert, maar hij komt niet als een sluipmoordenaar.

Daarom heb ik liever met een leeuw te doen dan met een slang.

Daar zijn we reeds aan de voorste huizen van het dorp.

Pas op; houd je langs den muur!

Dichter langs den muur, onvoorzichtige! Hoort ge dan de kogels niet fluiten?

Die kogels komen uit het kamp. Het kamp wordt bedreigd door de Boeren, die zich in en bij het dorp hebben vastgezet. En de Engelschen schieten zoo hard als zij kunnen, om zich die Boeren van het lijf te houden.

't Is toch wonderlijk.

Daar hebt ge de onmetelijke wildernis, waar bloem en plant en bosch en stroom slechts vrede ademen.

En midden in die onmetelijke wildernis ligt, als een klein eiland in den grooten Oceaan, een nietig plekje gronds, waarop zich eenige honderden menschen bevinden, die elkander bekampen op leven en dood.

't Is wonderlijk; neen — 't is vreeselijk.

Maar we hebben geen tijd, om bespiegelingen te maken.

Hier moeten we den hoek om, en ginds, even buiten het dorp, in de richting van het kamp, waar dat bruinroode schild uithangt met het gele opschrift: "In den altoos vroolijken Olifant," daar moeten we zijn.

Het huis staat daar eenzaam, als een vooruitgeschoven voorpost, stil en ernstig. Nu zijn we er. Licht maar gauw de klink op van de bovendeur! 't Is veiliger in huis dan buiten.

Het schemert je, zoo van den vollen middag in de duisternis, die slechts getemperd wordt door het helder opvlammende vuur aan den grooten haard in de ruime keuken, die tegen de straat uitkomt, en door de lichtstralen, die door spleten en kleine openingen binnendringen.

Van waar die duisternis toch?

Hebt ge dan van buiten de zandzakken niet gezien, waarmede de vensterramen gebarricadeerd zijn?

Maar er zijn tusschen de zandzakken eenige openingen gelaten, schietgaten, waardoor het daglicht naar binnen dringt. Ook wordt uw oog aan de duisternis meer gewend, en kunt ge in de ruime keuken allengs alles beter onderscheiden.

't Is druk in de keuken. Er zitten en liggen zeker een tiental Boeren rondom den haard, en zij voeren levendige gesprekken. Terwijl drinken zij koffie, en dampen ze zoo geweldig, dat ge den rook wel kunt snijden.

In den hoek staan de geweren.

Telkens als er een blok hout, op den haard geworpen, vuur vat, schitteren de loopen als gepolijst staal.

Kijk nu eens goed rond; ge zult hier kennissen ontmoeten.Die kleurling daar, dat is Columbus. Het wit van zijn oogen steekt spookachtig af bij de zwarte huid. Hij lijkt nog zwarter dan gewoonlijk.

Hij houdt een eind telegraafdraad in de hand, rijgt er een stuk rauw vleesch aan en roostert het boven het knappende vuur.

De Boeren hebben de telegraafpalen omgehakt, om de gemeenschap der Engelschen met de buitenwereld te verbreken. En terwijl zij de palen gebruiken, om er hun vuren mee te onderhouden, gebruiken zij den draad tot allerlei huiselijke bezigheden.

Zóó wordt het aangename aan het nuttige verbonden, maar de Engelschen hadden het zóó niet bedoeld.

De jonge Arie is er ook; hij zit dicht bij Columbus.

Maar hoe komt hij toch hier? Ge zoudt hem bij de Passen van het Drakengebergte hebben gezocht; bij zijn Grootvader.

Nu, hij is er ook geweest; met Columbus. Grootmoeder had Columbus meegegeven uit bezorgdheid.

Ze hadden verschrikkelijk weer gehad op reis. Alle dagen regen. En de uitgedroogde spruiten1)waren in diepe, schuimende stroomen veranderd, waar zij door heen moesten. Maar hun paarden waren taai en sterk, en zij waren, met de ruiters op hun rug, er door heen gezwommen.

Druipnat, hongerig en half ziek van de doorgestane vermoeienissen, waren onze reizigers in het kamp der Boeren aan het Drakengebergte aangekomen, maar 't was toch een dag van glorie geweest voor Arie.

Niemand had verbaasder gekeken dan de oude Dirk Kloppers, toen men hem uit de tent kwam roepen, om zijn kleinzoon te ontmoeten.

Langzaam was hij naar zijn kleinzoon toe gegaan, en hij had op gestrengen toon gezegd: "Arie, ben je de conditie vergeten?"

En er was een donderwolk over zijn breed voorhoofd heengetrokken. Maar Arie had triomfantelijk geantwoord: "Neen, Grootvader, ik ben de conditie niet vergeten," en tot den Kaffer zich wendend, die er bij stond, had hij gezegd: "Toe, ouwe Columbus, doe je mond nu eens open, en vertel op, wat je baassie heeft gedaan."

En Columbushadhet verteld; op zijn manier; in kinderlijke bewoordingen. En de Boeren hadden er bij gestaan, en hadden opmerkzaam geluisterd, tot het verhaal ten einde was. En toen hadden zij den ouden Kloppers om strijd geluk gewenscht met zoo'n dapperen, kranigen jongen.

"Wel," zeide een boer, "mijn Tijs, dien ik nog thuis heb, isheelwat mans, al zeg ik het zelf; maar zoo'n stuk te bestaan — ik weet niet, of hijdatwel aandurft."

"Die jongen kan nog wel generaal worden," meende een andere omstander, die bedachtzaam zijn pijp stopte.

"Laat ons die wapens toch eens zien," zeide een derde, naar de Engelsche karabijnen wijzend, die als de krachtige bewijzen der heldendaad nog op de natte ruggen onzer ruiters hingen.

"'t Zijn beste geweren," zeide hij, na ze met kennersblik te hebben opgenomen, "en fonkelnieuw. Maar ik heb toch liever mijn oud voorlaadgeweer. Doch dat doet er niet toe. 't Is een stout stuk geweest — 't is bijna niet te gelooven!"

"En toch is het waar," had Columbus met waardigheid verklaard; "O, mijn baassie is zoo'n knap scherpschutter!"

En zóó had het door elkaar gepraat, gewoeld en gegonsd.

Slechts één man mengde zich niet in die gesprekken; dat was de oude Kloppers. Maar de donderwolk was verdwenen van zijn voorhoofd, en in die oogen schitterden trots en vreugde.

"Kom, mijn jongen," had hij eindelijk gezegd, "kom mee in de tent, en vertel me dan, hoe het thuis gaat. En het lekkerste kop koffie en het fijnste stuk biltong van het heele lager is van daag voor jou. Jij bent een wakkere jongen. En Columbus moet ook mee komen."

Inderdaad had Arie de koffie nog nooit zoo lekker en de biltong nog nooit zoo fijn gevonden als hier in de tent van zijn grootvader.

Was de koffie werkelijk zoo lekker en de biltong zoo fijn geweest, of had het woord van zijn grootvader: "Jij bent een wakkere jongen," spijs en drank zoo heerlijk gekruid?

Twee dagen had Arie bij zijn grootvader vertoefd, zonder dat er iets bijzonders op de grenzen had plaats gegrepen.

Toen zeide de oude Kloppers: "Arie, jij en Herman Hoogerhuis gaat met Columbus naar het dorp, dat ik je nader zal aanduiden. Onze burgers zijn daar te weinig in aantal, om het nabijgelegen kamp der Engelschen voldoende in toom te houden, en jullie hebt de eervolle opdracht, omonze burgers daarin te helpen. Ge zult er ook verscheidene leden onzer familie aantreffen."

Zoo zijn ze dan alle drie hier aangekomen: Arie, Columbus en Herman Hoogerhuis.

Ge ziet Herman niet? Pas maar op, anders val je nog over zijn groote laarzen en zijn breede sporen!

Hij ligt vlak voor je voeten, in een kombaars van schapevachten gerold, en niet rustiger heeft hij vijfentwintig jaar geleden in de Hollandsche schommelwieg geslapen, dan hier op den steenharden grond, bij het gegons en gedruisch der stemmen.

Hij heeft nachtdienst gehad, en zoo'n heele nacht buiten in de frissche, fijne berglucht maakt slaperig.

En die lange schaduw, die aan zijn voeten zit, met dat lange sluike haar en die veldschoenen van ongelooid buffelleer is niemand anders dan Leen Blok.

Leen Blok heeft reeds lidteekenen opgedaan uit dezen oorlog. Als hij zijn rechterarm opstroopt, dan kunt ge ze zien. Maar ze zijn niet toe te schrijven aan den houw van een Engelschen sabel, maar aan een venijnigen knauw van zijn poney, die rebelscher is dan ooit.


Back to IndexNext