Tegen den avond slenterde Leen, het roer over den schouder, naar zijn post, waar hij gedurende den nacht de wacht moest betrekken.
Er viel een zachte regen, en de lange Leen keek melancholiek voor zich heen.
Hij dacht aan Mieke zijn vrouw en aan zijn hond en aan zijn schapen en aan den Engelschen wolkoopman, die misschien in dat kamp daar ginds zat opgesloten en aan de smakelijke pap, die hij thuis elken avond volop kreeg.
Hij tastte weer naar zijn mageren hals en slofte zwijgend verder, totdat hij zijn post, een kleinen heuvel, met een paar wilgeboomen beplant, had bereikt.
Vóór hem lag nu het kamp, dat hij niet meer kon zien, want de avond viel snel, maar duidelijk vernam hij de Engelsche hoornsignalen.
In de richting van het kamp, doch dicht bij den heuvel, lag een boschje, en op dit boschje hield Leen reeds eenige oogenblikken zijn doezerige oogen gevestigd, want hij meende er een verdacht geluid te hebben gehoord.
Hij nam het geweer in de hand en legde aan,maar zijn hand beefde, en het liep hem ijskoud over den rug, toenplotseling een vreeselijke gedaante met uitgespreide armen uit het boschje op hem af stoof.
Zijn geweer weg te werpen, was zijn éérste werk, en zijn tweede werk was, om hals over kop de vlucht te nemen. Hij had nog nooit zoo hard geloopen.
"Wat is er gebeurd?" vraagden de verwonderde Boeren, toen hij hijgend binnen kwam stormen.
"Waar is je geweer?" vraagde Barend, de zoon van Lodewijk Jansen.
"Een monsterachtig Engelsch gedrocht, een helsche machine zat mij op de hielen. Lacht niet, menschen, want het was vreeselijk."
"Hoe zag het ding er uit?" vraagde Herman.
"Ik weet het niet; het had de armen uitgespreid, om mij de keel toe te knijpen," zeide Leen, en hij greep krampachtig naar zijn mageren hals.
Met één werd echter aan de voordeur getrapt.
"Daar heb je 't al," riep Leen Blok, bleek van schrik, maar Barend Jansen stapte bedaard naar de voordeur. Hij wierp de bovendeur open, en Teun, de makke struisvogel, die hier thuis behoorde, strekte den lompen kop over de onderdeur nieuwsgierig naar binnen.
"Hier is de helsche machine!" riep Barend.
De jonge Boeren schaterlachten.
"Ik zal 't aan jou vrouw vertellen," plaagde Herman Hoogerhuis.
"Als de Engelschen je te pakken krijgen, dan hangen ze jou op aan je mageren hals," schertste Arie.
"Och wat," zeide Barend Jansen met een ernstig gelaat, "de Engelschen zullen hem voor een slingeraap aanzien, en hem opzenden naar den dierentuin te Londen, wat ik je zeg."
Maar Leen liet ze praten, en toen hij op zijn verhaal was gekomen, stak hij doodbedaard een pijp tabak aan en zeide: "Voor je vaderlanddoodte gaan, dat is het eiereten niet, maar je leven voor het vaderland tesparen, dat is het ware." En hij blaasde weltevreden dikke rookwolken uit.
Maar deze heerlijkheid duurde niet lang.
De snelle hoefslag van een paard werd vernomen, die vlak voor "den vroolijken Olifant" stopte.
Een oogenblik later werd bij het schijnsel der walmende vetkaarsen het zwaargebaarde gelaat van den veldkornet2)zichtbaar.
"Leen Blok!" riep hij.
De geroepene stond langzaam op.
"Wat is 't oom?" vraagde hij.
"Je hebt je post lafhartig verlaten, enhieris je geweer. Je deugt niet voor veldwacht; morgen vroeg ga je mee aan de loopgraven werken. Neen, maak geen praatjes. Je post bij den heuvel is reeds door een dapperder man bezet."
En zonder het antwoord van den aangesprokene af te wachten, maakte de veldkornet rechtsomkeert, en diep verslagen stak Leen Blok zijn pijp in den zak.
1) Kleine rivieren.2) Boerenofficier.
't Is de laatste dagen heel stil geweest in het kamp der Engelschen. Ze hebben hun vuren zoo goed als geheel gestaakt.
't Is immers een nuttelooze kruitverspilling, want de Boeren zijn in hun loopgraven en achter hun muren voortreffelijk gedekt. En bovendien, wanneer de Engelschen schieten, dan moeten zij zich zelve bloot geven, en op het kleine kerkhof, achter in het kamp, ligt reeds menig dapper Engelsch soldaat begraven, wiens jeugdig leven door een onverhoedschen kogel werd afgesneden.
Had men kanonnen, dan was 't iets anders. Dan zou men eenvoudig het dorp platschieten, en de sterkten der Boeren met granaten overstelpen.
Maar men heeft helaas geen kanonnen in het kamp.
Enfin, dat is bij slot van rekening toch nog zoo erg niet. De ijzeren gordel waarin de Boeren het kamp hebben besloten, zal gauw genoeg als spinrag uiteenscheuren.
't Is veertien dagen geleden, dat een spion door de linie der Boeren is heengeslopen, en in het kamp het verblijdend bericht heeft gebracht, dat generaal Colley, een der kundigste hoofdofficieren, met een flinke troepenmacht in snelmarschen naar de Transvaal oprukt. De generaal had gezegd, dat hij het leven der Boeren zooveel mogelijk zousparen, maar indien zij het waagden, om hem den doortocht door de Passen van het Drakengebergte te versperren, dan zouden zijn zware kanonnen er een onbarmhartige bres door heen schieten.
Ja, generaal Colley zal helpen; er is geen twijfel aan, al vertraagt zijn komst.
Want zijn komstisvertraagd; dat is waar. Hij had volgens de mededeeling van zijn spion reeds hier kunnen zijn, ja eigentlijk al hiermoetenzijn. Maar de hooggezwollen rivieren zullen hem en zijn troepen hebben opgehouden.
Wel zeker, waarom niet?
Arie begrijpt het niet. Een schietend kamp kan hij verstaan, maar een zwijgend kamp is hem een raadsel.
Zijn nieuwsgierigheid wordt geprikkeld, en op zekeren morgen gaat hij op kondschap uit. Hij sluipt met de noodige voorzichtigheid, het geweer in de hand, het golvende terrein door, maakt een grooten boog en komt tegenover den achterkant van het kamp uit.
Met den buik plat op den grond, heeft hij zich op een tamelijk hoogen heuvel neergevleid.
Hij heeft van uit dezen observatiepost een duidelijk gezicht op het kamp. Trouwens, hij is er niet ver van verwijderd.
Hij ziet de aarden wallen, die het kamp omringen, de zandzakken waarmee ze zijn verzwaard en verhoogd, de eenvoudige tenten der soldaten en de grootere der officieren. Hij ziet het golven van het witte linnen der tenten in den frisschen morgenwind, het blinken van het staal der in rotten geplaatste geweren en den eentonigen stap van den schildwacht.
Maar dat een der officieren hem door den verrekijker heeft bespied, en dat reeds een tiental soldaten, door het struikgewas gedekt, snel en behoedzaam naderen, neen, dat ziet hij niet.
Als hij den blik maar één oogenblik links laat gaan, dan zal hij den dans misschien nog ontspringen, maar hij doet het niet. Hij vergeet de voorzichtigheid; zijn oog is bekoord door het voor hem ongewone, militaire schouwspel, daar vóór hem.
Doch nu merkt hij onraad — hij grijpt naar het geweer.
't Is te laat.
De sergeant heeft er zijn grooten voet op gezet, en zes, tien handen grijpen den jongen.
Hij verweert zich wanhopig. Hij rukt, schopt en trapt, maar de sergeant, een ware reus, zegt heel bedaard: "Houd je maar koest, ventje, anders zal je een muilpeer van mij hebben, die je lang zal heugen."
Dat begrijpt Arie ook en hij geeft het op.
Hij zit in de knip.
"Rechtsomkeert, marsch!" beveelt de sergeant. "Vlug! Anders krijgen we de Boeren nog op ons lijf!"
"Ja, als dat eens waar was," denkt Arie. "Als Barend Jansen het bijvoorbeeld eens wist! Hij zou zich liever dood vechten, dan Arie in de handen der Engelschen te laten!"
Helaas, hij ziet niemand.
Als hij eens begon te roepen — reeds begint hij uit alle macht te roepen.
"Stop hem een prop in den mond!" beveelt de sergeant.
't Is reeds gebeurd: Arie doet geen kik meer.
En de Boeren komen niet opdagen; trouwens, men is aan den achterkant van het kamp.
Binnen een paar minuten zijn de Engelschen met hun gevangene nu binnen het kamp, en de prop wordt den jongen onmiddelijk uit den mond genomen.
De sergeant brengt hem bij den kolonel, die voor zijne tent op en neder wandelt.
"Zóó," zegt de kolonel op monteren toon tot den sergeant, "heb je daar dien jongen, dien ik op den heuvel ontdekte? Ja, ik zie het al, 't is dezelfde," en zich tot den jongen wendend, gaat hij voort: "Ik heb jou den tijd gegund, om ons kamp op je gemak op te nemen, maar de ééne dienst is de andere waard. Vertel mij nu eens, hoeveel Boeren hier in den omtrek liggen?"
"Dat zeg ik niet, kolonel," antwoordt de aangesprokene, die van den eersten schrik is bekomen.
"Zóó — zeg je dat niet? Waarom zeg je dat niet?"
"Omdat ik geen spion ben van de Engelschen."
"Hoe oud ben je? Vijftien jaar?"
"Ik ben er dertien, kolonel."
"Zoo — dertien jaar. Je bent brutaal genoeg voor je leeftijd, maar met dezen stok kan ik er de brutaliteit wel uitranselen."
Er volgde een kleine pauze, en Arie liet den blik onderzoekend over den omtrek gaan.
In één, twee, drie sprongen kon hij boven op de zandzakken en over den muur zijn. Dáár, tien passen achter den kolonel, daar was een heele mooie gelegenheid.
"Ge weet, dat de Engelsche regeering het wettige gezag vertegenwoordigt in dit land," begon de kolonel opnieuw.
"Zóó," zeide Arie, die nieuwen moed schepte om te ontsnappen, op kordaten toon, "ik wist het heusch niet."
"Dan weet je 't nu," zeide de kolonel op forschen toon.
"Dank u," zeide de jongen gelaten.
"En gij zult den eed der getrouwheid afleggen," zeide de kolonel.
"Aan wien?" zeide Arie.
"Aan Hare Majesteit onze geëerbiedigde Koningin," zeide de kolonel.
"Daar heb ik geen zin in," zeide Arie.
"Waarom niet?" zeide de kolonel.
"Omdat zij mijn koningin niet is," zeide Arie. "Zij regeert over Engeland, maar niet over de Transvaal."
"Zij regeertwelover de Transvaal, en gijzultzweren," zeide de kolonel toornig.
Hij nam een der in rotten staande geweren en ging voort: "Ken jij dit geweer?"
"Ik denk, dat het een Snidergeweer is," zeide Arie. "Bij Bronkhorstspruit hebben onze Boeren ze bij hoopen veroverd."
De kolonel fronste even de wenkbrauwen en zeide: "Het is een rebellengeweer; men schiet er de rebellen mee dood, jou muitende natie bijvoorbeeld, begrepen?"
"Wij zijn geen rebellen, kolonel," zegt de jongen, terwijl het bloed hem in de wangen schoot.
"Geen rebellen — zóó!" zeide de kolonel, terwijl hij spottend lachte. "'t Is een mooi zoodje, jou natie, dat beloof ik je..."
"De rebellen zitten in een anderen hoek," zeide Arie met groote vrijpostigheid.
"In welken hoek dan?"
"In den Engelschen hoek, kolonel. De Engelschen zijn de rebellen, want zij vechten tegen het wettig gezag."
"Heb ik het niet gezegd," zeide de kolonel, zich tot de officieren wendend, die zich allengs om de groep hadden geschaard, "heb ik het niet gezegd, dat hij vrij brutaal is voor zijn leeftijd? Hij is het echte type van de tegenwoordige Boeren. Ze zijn te zacht behandeld, veel te zacht. Ondank is 's werelds loon; dat wordt hier bewezen."
Een huzaar wandelt met de handen in de broekzakken, een liedje neuriënd, voorbij.
Hij blijft op eenigen afstand van de groep even staan, kijkt naar den jongen en gaat verder.
Hij komt terug en blijft weer staan kijken, nu iets langer. Het gesprek trekt blijkbaar zijn aandacht.
Langzaam verwijdert hij zich, maar keert spoedig terug, voegt zich bij de groep, slaat de hand aan de muts en zegt: "Met uw verlof, kolonel, ik ken dien jongen."
Nu eerst let Arie op den huzaar, maar als op dit oogenblik het kruithuis daar vóór hem in de lucht was gevlogen, had hij niet harder kunnen schrikken. Want die huzaar, die daar met uitgestrekter arm en onverbiddelijken blik naar hem wijst, is voor hem geen onbekende.
Plotseling doet hij een sprong, maar de sergeant strekt zijn been uit, en hij struikelt. Zelfs de poging, om te ontsnappen, is mislukt, en de huzaar roept: "Houd hem in de gaten; hij is een moordenaar!"
Aller oogen vestigen zich met een mengeling van toorn en nieuwsgierigheid op den jongen, wien de laatste druppel bloed uit het gelaat is geweken.
"Hij heeft mijn wachtmeester als een sluipmoordenaar doodgeschoten, kolonel!" roept de huzaar.
"John Doscey bedoel je?" vraagt de kolonel in de grootste verbazing.
"Dezelfde, kolonel," is het antwoord.
Er volgt een korte, maar vreeselijke pauze.
De toeschouwers kijken beurtelings naar den kolonel en den jongen.
"En wat heb je op die vreeselijke beschuldiging te antwoorden?" vraagt de kolonel.
Had Arie nu de waarheid, de volle waarheid gezegd, de zaak ware anders geloopen, maar hij deed het niet. Hij wilde zich redden door een leugen, maar juist die leugen stortte hem in een groot en vreeselijk ongeluk.
"Ik heb geen wachtmeester doodgeschoten," zeide hij.
"Hij heeft het wel gedaan," hield de huzaar vol.
"Spreek de waarheid, jongen," zeide de kolonel op strengen toon.
"Dat doe ik," antwoordde Arie.
"Hoe heeft het zich toegedragen?" vorschte de kolonel.
De huzaar verhaalde, met eenige grove onwaarheden er tusschen, hoe de zaak zich had toegedragen."En wat heb je daarop te antwoorden?" vraagde de kolonel. "Niemendal," zeide de jongen, die nu wel genoodzaakt was, op den ingeslagen weg te volharden, "niemendal, kolonel. 't Is gelogen van a tot z."
De officier wist nu inderdaad niet, wat hij er van denken moest. "Heb je getuigen?" vraagde de kolonel aan den huzaar.
"Neen," antwoordde de aangesprokene; "op 't laatst kreeg de jongen hulp van een ouden Kaffer, die uit het struikgewas kwam toeschieten. Maar al hadden wij dien Kaffer hier, hij zou den moordenaar toch wel niet verraden."
De geheele beschuldiging schijnt nu op losse schroeven te raken, maar nu treedt de reusachtige sergeant naar voren en zegt: "Ik heb een karabijn bij dien jongen gevonden — zou die karabijn geen getuige kunnen zijn?"
"Wat," roept de huzaar in de grootste opwinding, "heb je een karabijn bij den jongen gevonden?"
"Kolonel," gaat hij op bedaarder toon voort, "de karabijn van den wachtmeester was door hem zelf eenige weken voor zijn dood met de voorletters van zijn naam: J. D. geteekend. Vlak voor aan de kolf; met kleine letters. Als deze karabijn dus met die letters is geteekend, dan is hij van den wachtmeester geweest, en hebben wij geen getuigen meer van noode...."
"Neen," zegt de kolonel langzaam, "dan hebben wij geen getuigen meer van noode."
Hij neemt zelf den karabijn in de hand.
Onder de toeschouwers heerscht groote spanning, maar het wordt den armen jongen zwart voor de oogen.
"Vermoedelijk was de karabijn van den wachtmeester de mooiste van de twee, die ik veroverde," denkt hij bij zichzelven; "en dien heb ik gehouden."
"Ik heb het al," zegt de kolonel; "hier in den hoek."
Hij rukt Arie aan den mouw van zijn wambuis.
"Kijk jongen," zegt hij op gestrengen toon.
Arie kijkt. Hij ziet twee kleine lettertjes J. D. Ze staan daar zoo fijn, zoo nietig, zoo onschuldig, maar ze worden voor zijn verbijsterden blik tot groote, vlammende letters, die zijn doodvonnis onderteekenen.
Nu bezwijkt zijn moed.
"Kolonel," zegt hij, "ik zal de waarheid zeggen; de volle waarheid."
Dat is in der daad zijn voornemen, doch thans is het te laat.
Hij heeft zoo even gelogen — waarom zou hij niet nogmaals een leugen doen?
"Slaat hem op zijn gezicht!" roept de een; "hangt hem op;" roept de ander.
Hij voelt reeds een stomp in de zijde, in den rug, maar dit wekt plotseling het fiere, Afrikaansche bloed, dat zich zelfs voor de poorten des doods niet verloochenen kan, en hij roept met flikkerende oogen: "Lafaards! Ge beeft voor den kogel der Boeren en mishandelt een weerloos mensch!"
"Stilte!" roept de kolonel met luide stem, en zich tot een in de nabijheid staanden korporaal wendende, gaat hij voort: "Korporaal, breng den gevangene naar het cachot. En laat hem niet ontsnappen; gij staat met je leven voor hem in!"
De groep verdeelt zich; de kolonel en een luitenant blijven alleen over.
"Die jongen heeft den strop verdiend," zegt de luitenant.
"Dat heeft hij," zegt de kolonel, "maar hij is nog erg jong; we zullen hem den kogel geven!"
Het cachot, het voorste gedeelte van den houten loods of barak, bestond uit een klein vertrek met twee raampjes aan weerskanten één. Door een houten wand werd het afgescheiden van de overige ruimte, die tot bergplaats diende.
Hier, in dit cachot, werd Arie gebracht.
Als verpletterd zette hij zich neder op de breede, harde bank, die tegen de houten beschutting was aangetimmerd, maar de onrust, de gejaagdheid dreef hem na een wijle weer op.
Allerlei wanhopige plannen doorkruisten zijn brein. Als hij eens probeerde, de deur met een sterken stoot uit haar hengsels te duwen! De korporaal zou zeker toe komen schieten, maar hij zou hem het onderste boven loopen, en snel over den kampwal zien heen te komen!
Hij onderzocht de deur, maar ze zat te stevig; hier bood zich geen kans van ontkoming.
Nu liet hij den blik gaan over het raam rechts. De ruiten kon hij er wel uit slaan, de dunne spijlen eveneens, doch dat zou niet baten, want het geraas zou de wacht in 't geweer roepen alvorens hij er uit was. Het heele raam moest er in eens uit, doch dat was voor hem onmogelijk.
Nu wendde hij zich tot het raam links, doch hier zag hij den korporaal, en hier was dus nog minder kans om te ontsnappen.
Moedeloos ging hij weer zitten, tot zijn oog zich naar boven richtte, naar de lage zoldering. Hij sprong nu op de uit eenige ruwe planken getimmerde tafel, die dicht voor de bank stond, en kon er nu goed bij reiken. Hij probeerde een plank uit haar spijkers te lichten, door met het hoofd en met groote kracht er van onder tegen aan te stooten. Doch de plank gaf niets mee, en tot overmaat van ramp verscheen de lange, reeds grijzende baard van den korporaal in het raampje.
"Maak toch zoo'n leven niet," zeide hij. "Er uit kom je toch niet, zoo zeker als ik Jack Milkens heet."
Dat begreep de arme jongen nu ook.
Nogmaals zette hij zich neder, en de angst begon hem te schudden; de angst voor den dood en de angst voor het gericht aan gene zijde van het graf.
Vrees, schrik, vertwijfeling greep hem aan. Hij kon het op de harde bank niet meer uithouden, en liep als een wanhopige, de handen wringend, op en neer.
Hij zou ter dood worden veroordeeld — er was geen twijfel aan...
Er waren misschien twee, misschien vijf uren verloopen, toen hij uit zijn sombere bepeinzingen werd gewekt door een druk gepraat aan de deur, en hij hoorde den sleutel knarsen in het slot.
"Nu komt mijn doodvonnis," dacht hij bij zich zelven, maar hij vergiste zich. Een gewoon militair plaatste een stuk droog brood, met een kan water er naast, op de tafel en ging weer zwijgend heen.
Maar Arie raakte het brood niet aan — hoe kan hij denken aan eten en drinken bij het gezicht van den dood?
Het was tegen den avond, dat er weer aan de deur werd gedraaid, en een onderofficier met eenige militairen traden binnen.
"Die brengen mijn doodvonnis," dacht de jongen, en dezen keer vergiste hij zich niet.
Met het hoofd in de handen gestut, hoorde hij het vonnis aan, dat de onderofficier voorlas.
Als verzachtende omstandigheid was in dit vonnis zijn jonge leeftijd in aanmerking genomen, en in plaats van tot den strop was hij tot den kogel veroordeeld.
Maar strop of kogel — het kwam op hetzelfde neer.
"Wanneer wordt het vonnis voltrokken?" vraagde de ongelukkige met klanklooze stem.
"Overmorgen vroeg zeven uur," antwoordde de onderofficier; "hebt ge nog een bijzondere wensch?"
De jongen schudde het hoofd.
De onderofficier en de militairen verwijderden zich, en het slot knarstte in zijn veeren.
Het werd avond; het werd nacht. Het gegons en rumoer in het kamp verstomde, en duidelijk werd de regelmatige voetstap van den schildwacht gehoord. Fluisterend streek de nachtwind door een viertal boomen, midden in het kamp, en het licht der maan viel vriendelijk door het kleine raampje in Arie's cel.
Hij strekte zich uit op de harde breede bank, maar kon niet slapen. De liefelijke herinneringen uit het verleden gingen als visioenen aan zijn geest voorbij, en staarden hem aan met groote weemoedige oogen.
Hoe schoon en liefelijk had zich het leven voor hem uitgebreid — waarlijk als een lange, lachende zomerdag — en nu zou een korte knal van een Engelsch geweer er een snel en verschrikkelijk einde aan maken....
Rusteloos wierp hij zich als een door zware koortsen geteisterde van den eenen kant op den andere. Het was een bange, vreeselijke nacht, maar plotseling sprong hij op; zou er niet een plank los te krijgen zijn van het houten beschot? De uitgebluschte vonk der hoop begon opnieuw te gloren, en bij het schijnsel van het maanlicht onderzocht hij de planken één voor één. Maar er was geen verwrikken aan, en zich nederzettend op de bank, legde hij het hoofd op de tafel en snikte als een kind.
En snikkend vielen de oogen dicht. En de vriendelijke engel des slaaps kwam, en weefde over het vreeselijk heden met barmhartige hand een dichten sluier, en voerde den armen jongen op de vleugels van gouden droomen terug naar "Vredenoord", en hij ging weer met zijn grootvader kijken naar het scheren der schapen, en met oom Janen Columbus ginghij ter jacht, en met de blinde Lena, zijn zuster, wandelde hij weer door den bloementuin....
Door het knallen van een paar geweerschoten werd Arie uit zijn slaap gewekt.
Verwonderd liet hij zijn blikken gaan over het ruwe tafeltje en de houten muren.
Het was reeds diep in den morgen; de stralen der morgenzon vielen schuins door het raampje rechts.
Voor het andere raam bewoog zich de helm van een Engelschen militair, en die helm riep den jongen tot het heden terug.
Maar de slaap had hem toch gesterkt. En hij zette zich neder aan het tafeltje, en at van het harde brood, en dronk van het eenigszins troebele water, en verkwikte zich.
Het geweervuur werd levendiger; daar tusschen hoorde hij het geloei der slachtbeesten, uit de stallingen, die achter in het kamp waren getimmerd.
In zijn gedachten zag hij de Boeren, door een muur, een boom, een klipsteen of een heuvelrand gedekt, mikken op de gehate roode uniformen.
Hoe benijdde hij hun lot!
Hij tikte aan het raam.
"Hoe laat is het?" vraagde hij den schildwacht.
"Negen uur!" antwoordde de schildwacht.
Den korporaal met den langen, grijzenden baard zag Arie niet. Hij zette zich aan de tafel, en nam het bijbeltje, dat de onderofficier er gisteren avond had neergelegd. Maar ofschoon hij tamelijk goed Engelsch kon verstaan en spreken, Engelsch lezen was voor hem zeer moeielijk.
Hij legde het bijbeltje zuchtend neer.
"Schildwacht," riep hij, "kan ik niet een vel wit papier krijgen en pen en inkt?"
"Waarom?" vraagde de aangesprokene op stuurschen toon.
"Om afscheid te nemen van mijn familie."
Arie kreeg een vel papier, maar in plaats van pen en inkt ontving hij een potlood.
Nu ging hij afscheid nemen.
Hij schreef het volgende:
"Geliefde Grootvader en Grootmoeder, Oom Jan en Lena!Als gij dezen brief ontvangt, lig ik al lang onder de harde klippen begraven. Ik ben gisteren morgen onverwacht door de Engelschen overrompeld en gevangen genomen. Hier in het Engelsche kamp is een huzaar, die mij beschuldigt van sluipmoord. Gijlieden weet, dat ik den wachtmeester in een eerlijk gevecht heb doodgeschoten, maar hij zegt, datik het door een sluipmoord heb gedaan. En ik heb in het eerst voor den kolonel gelogen, om mij te redden, en nu is die leugen mijn ongeluk geworden. En nu hebben zij mij ter dood veroordeeld, en morgen vroeg wordt ik doodgeschoten. Maar ik ben onschuldig veroordeeld, Grootvader. Ach, hij zal u groote smart veroorzaken, deze brief, en ik ben ook diep bedroefd. Gisteren avond en van nacht was ik half razend van wanhoop, maar nu ben ik veel kalmer. Maar ik ben diep bedroefd. Doch ik wil niet hebben, dat de roodbaatjes mij morgen vroeg blinddoeken. Ik wil den loop der geweren zien, en dan wil ik roepen: Voor vrijheid en recht! Nu zien wij elkander nooit weer, geliefde Grootouders, en dat is hard. In mijn gedachten zeg ik u nu hartelijk vaarwel, en kus ik u, lieve Lena, en vergeef het uw ongelukkigen broeder, dat hij je zoo dikwijls plaagde. Gij moet mijne portemonnaie houden, Lena, als een herinnering, en geef ook een herinnering aan Daniël, mijn vroegeren speelkameraad, die nu in de Oranje-Vrijstaat is. De oude Columbus en Herman moeten ook een herinnering hebben. Ach, het is toch een vreeselijk ding, weerloos voor den tromp van het geladen geweer te worden gezet. Ik kan u niet zeggen, hoe neergedrukt en bedroefd ik ben. Ik bid veel, dat Jezus mijne zonden moge vergeven en mij genadig moge zijn, en dat ik in den hemel moge komen. Ik zit nu al twee uren aan dezenbrief te schrijven.Iederen keer verwarren zich mijn gedachten, en moet ik opnieuw beginnen te denken. Lieve Grootouders! Ik zal dezen brief nu eindigen. De zon is de middaghoogte reeds gepasseerd. Ik heb den schildwacht mijn zakgeld beloofd, als hij er voor zorgt, dat deze brief op zijn bestemming komt. Ik sterf onschuldig en voor de vrijheid van ons volk. Nu wil ik eindigen, en ik wil ook nog een brief aan mijn geliefde ouders schrijven. Ik dank jullie hartelijk voor al de liefde, die ik heb genoten, en nu zeg ik jullie allen goeden nacht! Goeden nacht! Dat wij elkander eens allen in het Vaderhuis boven mogen wederzien, dat hoop ik, en zoo blijf ik uw liefhebbende, ter dood veroordeeldeARIE."
"Geliefde Grootvader en Grootmoeder, Oom Jan en Lena!
Als gij dezen brief ontvangt, lig ik al lang onder de harde klippen begraven. Ik ben gisteren morgen onverwacht door de Engelschen overrompeld en gevangen genomen. Hier in het Engelsche kamp is een huzaar, die mij beschuldigt van sluipmoord. Gijlieden weet, dat ik den wachtmeester in een eerlijk gevecht heb doodgeschoten, maar hij zegt, datik het door een sluipmoord heb gedaan. En ik heb in het eerst voor den kolonel gelogen, om mij te redden, en nu is die leugen mijn ongeluk geworden. En nu hebben zij mij ter dood veroordeeld, en morgen vroeg wordt ik doodgeschoten. Maar ik ben onschuldig veroordeeld, Grootvader. Ach, hij zal u groote smart veroorzaken, deze brief, en ik ben ook diep bedroefd. Gisteren avond en van nacht was ik half razend van wanhoop, maar nu ben ik veel kalmer. Maar ik ben diep bedroefd. Doch ik wil niet hebben, dat de roodbaatjes mij morgen vroeg blinddoeken. Ik wil den loop der geweren zien, en dan wil ik roepen: Voor vrijheid en recht! Nu zien wij elkander nooit weer, geliefde Grootouders, en dat is hard. In mijn gedachten zeg ik u nu hartelijk vaarwel, en kus ik u, lieve Lena, en vergeef het uw ongelukkigen broeder, dat hij je zoo dikwijls plaagde. Gij moet mijne portemonnaie houden, Lena, als een herinnering, en geef ook een herinnering aan Daniël, mijn vroegeren speelkameraad, die nu in de Oranje-Vrijstaat is. De oude Columbus en Herman moeten ook een herinnering hebben. Ach, het is toch een vreeselijk ding, weerloos voor den tromp van het geladen geweer te worden gezet. Ik kan u niet zeggen, hoe neergedrukt en bedroefd ik ben. Ik bid veel, dat Jezus mijne zonden moge vergeven en mij genadig moge zijn, en dat ik in den hemel moge komen. Ik zit nu al twee uren aan dezenbrief te schrijven.Iederen keer verwarren zich mijn gedachten, en moet ik opnieuw beginnen te denken. Lieve Grootouders! Ik zal dezen brief nu eindigen. De zon is de middaghoogte reeds gepasseerd. Ik heb den schildwacht mijn zakgeld beloofd, als hij er voor zorgt, dat deze brief op zijn bestemming komt. Ik sterf onschuldig en voor de vrijheid van ons volk. Nu wil ik eindigen, en ik wil ook nog een brief aan mijn geliefde ouders schrijven. Ik dank jullie hartelijk voor al de liefde, die ik heb genoten, en nu zeg ik jullie allen goeden nacht! Goeden nacht! Dat wij elkander eens allen in het Vaderhuis boven mogen wederzien, dat hoop ik, en zoo blijf ik uw liefhebbende, ter dood veroordeelde
ARIE."
Een soldaat kwam, en bracht, even als gisteren, brood en water. Doch de jongen keek niet op, en begon den brief aan zijn ouders te schrijven. Maar zijn gedachten verwarden zich al meer, en de letters dansten voor zijn oogen.
Hij legde het potlood neer; het vreeselijke van zijn toestand overstelpte hem.
Ach, het leven is zoet voor een jeugdig hart, ennooitis het zoeter dan aan den rand van het graf!
Vóór de harde bank, daar knielde hij neder; daar riep hij tot God om erbarming.
Dan sprong hij weer op, even als gisteren avond, en de wanhoop pakte hem.
Angst, vertwijfeling, droefheid, verlatenheid, het stormde beurtelings door zijn ziel, doch eindelijk legden zich de hooggaande golven.
De avondzon wierp haar stralen door het linksche venstertje. Hij stond op, en staarde weemoedig in die wegstervende stralen.
Hij zag immers die avondzon voor den laatsten keer.
Vervolgens zette hij zich op de harde bank, stutte het hoofd tusschen de handen en bad stil tot God.
De korporaal kwam en verving den schildwacht bij de gevangenis.
De zon ging onder; de schemering viel.
Het werd donker in Arie's cel.
Een soldaat naderde en bracht een brandend olielampje.
Het was een gunst, die werd toegestaan, omdat het de laatste nacht was van den ter dood veroordeelde.
En Arie zat op de harde bank, het hoofd tusschen de handen gestut, en bad....
"Jim, wat beweegt zich daar tusschen dat struikgewas?" vraagt een der schildwachten van het kamp, bij de aarden wallen geplaatst, aan den ander.
"Ik weet het niet," zegt Jim, "maar we zullen 't gauw weten."
Beide schildwachten leggen het geweer aan, want voorzichtigheid is altijd goed. Sinds het gevecht van Bronkhorstspruit zijn de Boeren zeer brutaal geworden.
Intusschen wordt een persoon zichtbaar, die recht op het kamp komt aanloopen.
Oogenschijnlijk is 't een Engelsche huzaar, want bij het heldere maanlicht zijn de blauwe uniform en de blinkende knoopen duidelijk zichtbaar.
"Werda!" roept de schildwacht door den stillen avond.
"Goed volk!" antwoordt de blauwe uniform.
"Avanceer met het contra-signe," roept de schildwacht.
"Weet ik van contra-signe? Ik ben ordonnans van generaal Colley en heb belangrijke berichten," antwoordt de huzaar.
"Zoo," zegt de schildwacht, "dat verandert."
"Dat geloof ik ook," zegt de huzaar; "breng mij bij den kommandant!"
De kolonel, die tevens de kommandant is, hoort het gesprek en nadert de groep.
De huzaar slaat aan en zegt: "Ordonnans van generaal Colley — gewichtige tijdingen!"
Het oog van den kolonel rust met welgevallen op den slanken, kranigen, vroolijken huzaar.
"Geef het rapport," zegt hij op vriendelijken toon.
"Ik ben het kwijt, kolonel," zegt de huzaar.
"Kwijt?" vraagt de kolonel verbaasd.
"Ja, kolonel; zoo is het. Het rapport zat wel geborgen tusschen de zolen van mijn linker laars, maar eergisteren avond was ik tot op de huid doornat geworden, en vond een onderkomen bij een Engelschgezinden Boer. Ik legde mij bij den haard, stak de voeten bij het vuur, en terwijl ik sliep, verbrandden de zolen van mijn linker laars."
"Kijk maar," zeide hij.
Inderdaad had hij slechts één laars aan.
De kolonel kijkt hem wat scherper aan.
"En weet jij het rapport?"
"Ja, kolonel. Ik ken het van buiten, ha, ha! Maar mag ik niet eerst een brandewijntje hebben, kolonel? Ik heb kou op mijn maag."
"Hoe luidt het rapport, kerel?" vraagt de kolonel op barschen toon.
"Eén brandewijntje maar, één brandewijntje," smeekt de huzaar.
De kolonel wendt zich wrevelig tot een tweeden luitenant, die in de nabijheid staat.
"De vent is dronken!" zegt de luitenant, terwijl hij de schouders ophaalt.
"Zoo dronken als een kanon," zegt de kolonel.
Hij roept een onderofficier.
"Breng den vent weg," beveelt hij, "en sluit hem op, tot hij zijn roes heeft uitgeslapen. Is hij nuchter, dan moet ik hem spreken — marsch!"
"Eén brandewijntje maar — één brandewijntje!" smeekt de huzaar.
Zijn tong begint dubbel te slaan — hij is verschrikkelijk dronken.
Maar de onderofficier pakt hem stevig bij de kraag en brengt hem weg.
"Korporaal, hier ben ik met een smoordronken ordonnans," zegt de onderofficier lachend.
"Zoo!" zegt de korporaal, en hij strijkt met waardigheid zijn langen prijzenden baard, "ik heb veel beleefd, maar een smoordronken ordonnans is mij nog nooit voor gekomen."
"Waar moet ik hem laten?" vraagt de onderofficier.
"Gooi hem in de bergplaats," antwoordt de korporaal, "hier is de sleutel."
Hij haalt een sleutel uit den zak.
De dronken ordonnans heeft intusschen een snellen blik geworpen door het raampje, en heeft bij de brandende olielamp een gebukte gestalte zien zitten, in een wambuis, met het hoofd tusschen de handen.
Met den sleutel gewapend, leidt de onderofficier den huzaar naar de bergplaats. De korporaal gaat mee.
De onderofficier opent de deur.
"Voorwaarts!" kommandeert hij.
Maar de huzaar wil niet voorwaarts.
"In dat geitenhok wilt ge mij stoppen?" roept hij op hoogen toon. "Mij, een ordonnans van generaal Colley? 't Is een beleediging voor de koninklijke uniform, die ik draag."
"Kom vent, vooruit!" zegt de onderofficier, en wil hem naar binnen duwen.
Maar dat gaat niet zoo gemakkelijk; de dronken huzaar verweert zich als een wanhopige, en grijpt zich aan den deurpost vast.
"Korporaal," zegt hij, "jij lijkt mij een verstandiger man dan die domme onderofficier; gooi mij in het cachot, en ik zal met mij laten sollen als een weerloos lam. Maar in de bergplaats wil ik niet."
De korporaal wordt graag geprezen, al is het door een dronken huzaar.
"Ik zal er jou inlaten," zegt hij, "onder voorwaarde, dat jij dadelijk gaat slapen."
"Ik zal geen kik doen," zegt de huzaar.
"Want je moet weten," zegt de korporaal, "dat er nog iemand in zit, die ter dood is veroordeeld; morgen vroeg wordt hij doodgeschoten. En het strijdt met mijn begrippen van humaniteit, om zoo iemand overlast te doen, ofschoon naar mijn bescheiden meening alle Boeren den kogel hebben verdiend."
"Goed gezegd," lalt de dronken huzaar.
"Hier," zegt hij, "jij bent een flink kameraad; daar kan je een brandewijntje voor koopen! Sergeant, hier heb jij ook wat; we willen vrede sluiten!"
Ze krijgen allebei een shilling van den dronken huzaar.
"Geef mij nu maar één brandewijntje — ééntje," smeekt hij.
De korporaal is mensch genoeg, om hem de veldflesch te reiken, en de huzaar doet een flinken slok.
"Nu slaapt hij beter," zegt de verstandige korporaal tot den sergeant, die al heel verwonderd kijkt.
De huzaar trad het cachot binnen.
Het slot knarste in zijn veeren — hij was met den jongen, die daar voor hem zat, alleen.
Arie hield nog steeds het hoofd in de handen gestut.
Nu en dan schokte een zenuwachtige trilling het lichaam.
De huzaar staarde hem eenige oogenblikken zwijgend aan, doch Arie keek niet op.
Maar de dronken huzaar was nooit nuchterder geweest dan op dezen dag.
Hij zette den helm af, legde de hand op den schouder van den ter dood veroordeelde en zeide: "Arie!"
Dit ééne woord was genoeg,
Als door een electrischen schok getroffen, vloog de jongen overeind, en staarde in het open, mannelijk gelaat van Herman Hoogerhuis.
"Herman!" riep hij hartstochtelijk, "gij hier?"
"Dat zie je," zeide Herman op bedaarden toon. "Maar houd je nu kalm, want anders ruikt onze korporaal onraad."
"En hoe ben je hier gekomen, Herman?"
"De Engelschen zijn zoo vriendelijk geweest, mij in dit cachot te brengen."
"En hoe kom je aan dat huzarenpak?"
"Wel, je weet, Barend Jansen heeft onlangs een Engelschen huzaar opgevangen, en ik heb het pak van den huzaar aangetrokken. De zaak is heel eenvoudig."
"Maar ik begrijp het niet; ik begrijp het niet," zeide de jongen. "Waak ik of droom ik?"
En hij wreef zich nadenkend over het voorhoofd.
"Je behoeft het van daag ook nog niet te begrijpen; daarvoor is later tijd."
"En wat kom je hier doen?" vraagde Arie.
"Kijk, dat is nu een heel verstandige vraag," antwoordde Herman, "en ik zal het je vertellen. Heden morgen kwam er een overlooper uit het garnizoen tot ons, die ons verschrok met de tijding, dat gij waart gevangen genomen en tot den kogel veroordeeld. Toen zeide Barend Jansen: 'Jongens, Arie zit in de klem, en hij moet er uit. En ik zal er hem uithalen in dit pak,' en hij haalde het huzarenpak uit de kist. Maar de anderen wilden het ook doen, en ik zeide: 'Menschen, ge kunt toch niet allen in één pak, en niemand zal het er zoo goed af kunnen brengen dan ik, omdat ik het Engelsch vlug spreek en niet zoo afschuwelijk radbraak als jullie.' Enfin, dat vonden zij ten slotte toch ook, en zoodoende ben ik hier gekomen."
Nu zette de Hollander zich naast Arie neer, en begon hem op fluisterenden toon zijn plan te ontwikkelen.
En de jongen luisterde, met oogen, die schitterden van hoop.
Doch toen Herman een poos had gesproken, begon de gloed in zijn oogen weer te verbleeken.
Hij schudde het hoofd en zeide: "Ik kan er niet op in gaan."
"Waarom niet?" vraagde Herman verbaasd.
"Omdat ik, door te vluchten, jou op het schavot breng."
"Zoo?" zeide Herman; "als ge ooit hebt gedwaald, dan is het nu. Ik zal een poosje moeten brommen, en daar is 't mee uit. Ik geef je de verzekering, dat mij geen haar zal worden gekrenkt."
Hij sprak overtuigend, dringend en overreedde Arie.
De jongen gaf toe, en verbeidde met kloppend hart den uitslag van het goed overlegde plan, waarvan dood en leven afhing.
Het was nu ruim tien uur in den avond.
De huzaar schopte tegen de deur. "Korporaal, doe open!"
De lange, grijzende baard verscheen voor het raampje en riep met waardigheid: "wat moet je?"
"Ik ben twee gouden souvereins verloren in dit akelig gat — help me zoeken, en je zult een flinke fooi hebben!"
"Dronken lui zijn in den regel royal," dacht de menschkundige korporaal, en hij ontsloot de deur. Maar voor de voorzichtigheid sloot hij de deur ook van binnen.
"Flink zoo," zeide de huzaar met dubbelstaande tong, "die rebellen moet je niet te veel vertrouwen!"
"Mijn eer als Engelschman zou op het spel staan," zeide de korporaal, "als die daar ontsnapte," en de gestreepte mouw strekte zich uit naar den ter dood veroordeelde.
Het olielampje werd nu op de vloer geplaatst, en na eenig zoeken kwamen beide souvereins werkelijk te recht.
Met een voldaan gelaat nam de huzaar de twee goudstukken van den korporaal aan, en met de opmerking: "Hier, ouwe ijzervreter, heb je er één voor je moeite," gaf hij er één terug.
"Dank je, mijnheer de ordonnans," zeide de korporaal, "dank je," en hij verliet in de vroolijkste stemming de cel.
Na een poos werd het weer rumoerig in het cachot.
"Ik wil er uit!" brulde de huzaar. "Korporaal, doe open — ik krijg hier de vliegende tering."
Met de meeste voorkomendheid werd aan dit verzoek voldaan.
"Ik ga een luchtje scheppen," zeide de huzaar.
"Ga je gang," zeide de korporaal zoo vriendelijk mogelijk, "maar maak geen gerucht!"
"Komt hij terug, dan is het goed," dacht de korporaal, "en komt hij niet terug, dan kan ik verklaren, dat hij nuchter was," en de waarheidlievende man streek zich den langen, grijzenden baard.
De huzaar drentelde onverschillig naar de schildwachten van het kamp, maakte een praatje en zeide tot hen: "Ik zal eens kijken, of de Boeren slapen."
Hij kroop over den aarden wal en sloop vooruit.
"De vent is nog dronken, Jim," zeide de eene schildwacht, maar de andere antwoordde niet en neuriede een lied.
De huzaar was intusschen nog al gauw terug.
"Kijk," zeide Jim, "zoo dronken is hij toch niet, dat hij zich in den nacht onder de Boeren waagt."
De huzaar begaf zich naar het cachot, en liet zich weer vrijwillig opsluiten, maar geen half uur later beukte hij met zijn ruiterlaars alweer tegen de deur.
Hij was bepaald onrustig, maar de korporaal opende de deur en liet hem door.
De korporaal vond het echter verdacht, dat de huzaar al weer behoefte had aan frissche lucht.
Was de vent wel dronken! En was het misschien niet een Boer, die den jongen kwam redden? Zat er niet een sluwe kneep achter?
Terwijl de ordonnans zich verwijderde, kwamen deze gedachten bij den korporaal op.
"Nou, dat zou mooi worden," zeide hij tot zichzelven, "dat ik, een geboren Engelschman, mij door een dommen Boer zou laten bedotten!"
Hij stak voor de voorzichtigheid een lantaarn aan, en ze omhoog houdend, gluurde hij met zijn kleine oogen door het raampje.
De veroordeelde lag, in zijn wambuis, lang uitgestrekt, op de harde bank, maar het gelaat was niet zichtbaar, want het was naar den houten wand gekeerd.
En de laatste omstandigheid maakte den voorzichtigen korporaal toch een beetje ongerust.
Hijnam den sleutel,opende de deur en lichtte den veroordeelde in het gelaat.
Hetwasde veroordeelde. Nu was de korporaal gerust.
De huzaar kwam na een poosje weer terug.
"Toe korporaal," zeide hij, "open het cachot, en laat er mij in; ik ga slapen."
"Dat zou tijd worden ook," meende de korporaal, terwijl hij aan zijn wensch voldeed.
Een uur lang bleef het nu rustig, en de korporaal had juist voor den vijf en twintigsten keer zijn gouden souverein uit den linker broekzak in den rechter vice versa overgebracht, toen de huzaar met opgewonden stem schreeuwde: "Korporaal, laat er mij uit! Ik kan hier niet slapen; de muggen bijten me flauw!"
Maar nu werd de korporaal toch ook een beetje wrevelig, en hij zeide: "Ordonnans, dit is nu voor deallerlaatstekeer dat ik er jou uitlaat, hoor!"
Met dit te zeggen, liet hij den huzaar er uit.
"En blijf als 't u blieft niet lang weg," riep hij hem nog na.
Maar de huzaar bleef dezen keerlangerweg, dan daar straks, en de voorzichtige korporaal maakte zich weer ongerust. Doch toen hij, door het raampje kijkend, den veroordeelde nog in dezelfde houding zag liggen als daar straks, was hij volkomen gerust gesteld.
"En al komt de dronken huzaar in 't geheel niet terug, dat is 't nog niets," zeide de waarheidlievende korporaal, "want dan zal ik op mijn woord van eer verklaren, dat ik hem nuchter heb laten gaan," en hij nam een hartigen teug uit zijn veldflesch en stopte de kleine, korte pijp.