HOOFDSTUK XIX.

Het begon intusschen dag te worden; in het kamp kwam leven en beweging, en luide klonk het gekraai der hanen van de boerenerven in den omtrek.

De huzaar was niet terug gekomen, en de korporaal trok het zich niet aan.

Met het geladen geweer op den schouder, naderde thans een luitenant met een piquet infanterie de gevangenis.

De korporaal stond op van een soort ton, waarop hij gezeten had, en deed de militaire eerbewijzen.

"De veroordeelde slaapt nog," zeide hij.

"In orde," zeide de luitenant; "open de deur!"

De korporaal nam den sleutel, en het slot ging knarsend open.

"Wat knarst dat slot!" zeide de luitenant.

"Het is verroest," zeide de korporaal; "ik zal het smeren."

Nu trad men de cel binnen.

De jonge Boer lag nog altijd op de harde bank, met het gelaat naar den houten wand.

Hij sliep of scheen te slapen.

"Wek den slaper!" zeide de luitenant.

De korporaal naderde den slaper, legde de hand op den schouder van den veroordeelde en riep met plechtige stem: "In naam der Koningin!"

Hij riep zoo hard, dat de veroordeelde het hooren moest.

Hijhoordehet ook.

Hij stond op, en rekte zich heel gemoedelijk uit.

Het wambuis, dat hij aan had, scheen echter wel een dwangbuis te zijn. Het was veel te nauw; het kraakte.

Maar de korporaal stond als versteend te kijken.

"Sakkerloot!" riep hij.

"Sakkerloot!" riep hij nog eens.

"Sakkerloot!" riep hij ten derden male.

"Wat beteekent dat?" vraagde de luitenant met de grootste bevreemding.

De korporaal gaf geen antwoord. Hij staarde Herman Hoogerhuis aan, die zich in Arie's wambuis had gestoken, alsof hij een spook had gezien.

"Is dit de ter dood veroordeelde?" vraagde de luitenantmet klimmend ongeduld. "Spreek dan toch, kerel, en sta daar niet te soezen als een oud wijf!"

De verstandige en vlugge korporaal kon nog geen woorden vinden. Hij plukte aan zijn langen baard, alsof hij hem wou uitrafelen tot spinrag.

"Houd dat wambuis in de gaten," beval de luitenant "en den korporaal ook, want ik denk, dat hij aan tijdelijken waanzin lijdt. Ik ga naar den kolonel om nadere instructies."

Dochnusloeg de redestroom bij den wijzen korporaal door de sluizen heen.

Hij sloeg zich met de vuisten voor het hoofd en riep, terwijl hij den gestreepten mouw uitstrekte in de richting van Herman Hoogerhuis: "Dat wambuis heeft mij schandelijk bedrogen; schandelijk! Of eigentlijk het huzarenpak heeft mij bedrogen! Of liever het wambuisenhet huzarenpak hebben mij bedrogen! Die kerel daar heeft zich in het wambuis van den veroordeelde gestoken, luitenant, en de veroordeelde inzijnhuzarenpak. Zoo is de veroordeelde ontsnapt. Op mijn woord van eer, luitenant, zóó is het gebeurd en niet anders."

"Zóó," zeide de luitenant langzaam, "is dat zóó in zijn werk gegaan?" en met strengen blik nam hij Herman Hoogerhuis op, die er bij stond, met de onnoozelheid van een pasgeboren kind op het gezicht.

"Ik ben een ongelukkige, een lompert, een ezel!" huilde de korporaal.

"Dat geloof ik ook," zeide de officier met hartgrondigen nadruk, "een ezel, een echte! Maar schei er nu maar uit met je geleuter; je straf zal je niet ontgaan. Wanneer is de Boerenjongen weggeloopen?"

"Misschien een paar uur geleden," steunde de korporaal.

"Voorwaarts, mannen! Ziet hem nog te krijgen! Misschien is hij door onze schildwachten nog niet heen kunnen sluipen!" kommandeerde de luitenant.

De soldaten stormden weg, om den jongen te vangen, en de korporaal stormde het hardst van allen.

"Loopt maar niet te hard," riep Herman hem na; "die jongen zit natuurlijk al lang bij de Boeren aan de koffie."

"Houdjijje mond, tot je gevraagd wordt," beet de luitenant hem toe — "ben je ook een Boer?"

"Ik ben een Hollander, luitenant."

"Zóó — je zult brommen; dat beloof ik je."

Maar de Hollander scheen zich dat vooruitzicht niet erg aan te trekken.

Hij begon het "Wilhelmus van Nassouwen" te fluiten, en hij deed het werkelijk op verdienstelijke wijze.

Ariewas gelukkig ontsnapt.

Het huzarenpak had hem wel wat flodderig om zijn lichaam gehangen, maar hij had de instructies van Herman Hoogerhuis stipt opgevolgd, had de handen in de broekzakken gestoken, en was, ofschoon zijn hart bonsde alsof het bersten zou, zoo onverschillig mogelijk langs de schildwachten heen gedrenteld, en was op het oogenblik, dat een nachtwolk het licht der maan onderschepte, over den wal geklommen. Maar toen, buiten het kamp, had hij geloopen als een mensch, wien de dood op de hielen zit, en eerst het krachtige "Wierda?" van een bekende stem bracht hem tot staan.

Die stem kwam van achter een boschje. Hij liep er recht op aan.

"Goed volk," riep hij, "goed volk!"

"Ben jij 't Arie?" riep de stem van zoo even.

"Natuurlijk, wie anders?"

Met een juichkreet sprong Barend Jansen te voorschijn.

Een twaalftal jonge Boeren sprongen met hem uit den schuilhoek; Columbus was er ook bij.

"Kijk," zeide Barend, "wij hebben hier den geheelen nacht in hinderlaag gelegen voor het geval gij ontsnaptet, en de roodbaatjes jou na zouden zetten. Wij vreesden reeds, dat het slimme plan van Herman was mislukt, maar nu komt alles goed."

"Ja, nu komt alles goed," zeide Arie met bewogen stem, "als Herman het maar niet ontgelden moet."

"Daarvoor is geen zorg," zeide Barend; "vandaag zal onze kommandant nog een schrijven richten aan den Engelschen kolonel, dat Herman geen haar gekrenkt mag worden; anders zullen de Engelsche officieren, die in onze handen zijn, het moeten ontgelden."

De jonge Boeren gaven nu Arie allen de hand en schudden ze hartelijk, en wenschten hem geluk met zijn ontsnapping. En de oude Columbus strekte bewonderend de lange armen omhoog en riep: "Mijn baassie is zoo glad als de slangen van Zoeloe-land, en geen roodbaatje kan hem houden."

Maar Arie schudde het hoofd en zeide: "Neen, ouwe Columbus, dat is niet de knapheid van je baassie. HermanHoogerhuis heeft mijn leven gered, en God komt al de eere toe."

"Is het niet zoo, kameraden?" vraagde hij.

"Ja," zeiden ze, "zoo is het."

"Nu," zeide hij, "laten wij dan ook een danklied zingen, hier op deze plek, omdat de almachtige God mij van den dood heeft gered."

En de jonge Boeren zongen met hun heldere, frissche stemmen door den stillen nacht:

"Prijs den Heer met blijde galmen;Gij, mijn ziel, hebt rijke stof.'k Zal zoo langik leef mijn psalmenVroolijk wijden aan Zijn lof;'k Zal, zoo lang ik 't licht geniet.Hem verhogen in mijn lied!"

Maar Arie kon niet zingen; zijn gevoel overmande hem. En de tranen biggelden over zijn gezicht, en het waren tranen van dankbaarheid.

En God heeft die tranen gezien.

De korporaal in geen geringen angst, had intusschen, het geheele kamp gealarmeerd.

De schildwachten werden ondervraagd, en hadden ook den laatsten keer den huzaar werkelijk gezien. Hij was op zijn gemak doorgedropen, maar niet teruggekomen.

Vermoedelijk had hij zijn vermetelheid met het verlies van zijn vrijheid moeten boeten, en was hij door de Boeren gevangen genomen; dat was hunne meening.

Maar de korporaal wist het wel beter, ennooithad hij meer in angst gezeten dan van morgen.

Plotseling schoot er een zonderlinge, avontuurlijke gedachte door zijn brein.

"Ik ga hem halen," zeide hij en hij klauterde over den wal.

"Wat mankeert dien vent?" riep de schildwacht verwonderd.

"Hij is niet wel bij 't hoofd," zeide de luitenant van het piquet, "laat hem maar."

Maar de korporaal was wel goed bij 't hoofd, en hij rende dwars door het veld op het dorp aan, tot hij bij een loopgraaf der Boeren bijna over een langen vent was gestruikeld, die zich daar lag te koesteren in de morgenzon.

Met de blijken van den grootsten schrik vloog de lange man overeind, en hij scheen ernstige aanstalten te maken om te vluchten.

Maar blijkbaar kwam het roodbaatje met vredelievende bedoelingen, want hij stak de handen omhoog en zeide: "Ik heb twintig jaar voor de Engelsche glorie gevochten; nu mag het een ander doen; ik schei er uit."

Doch Leen Blok verstond bijna geen woord Engelsch, en keek den Engelschman aan, met zijn groote domme oogen.

"Verstaat u geen Engelsch?" vraagde de korporaal ernstig.

Leen Blok haalde de schouders op, en greep naar zijn langen, mageren hals.

"Een gebrek — in de keel?" vraagde de korporaal met warme belangstelling; "spraakvermogen belemmerd?"

"Ik versta geen Engelsch," zeide Leen Blok, "kom, ga mee!"

En hij trok den Engelschman aan zijn mouw, en samen gingen zij naar het dorp, naar den "vroolijken Olifant", waar ons gezelschap jonge Boeren, achter het huis, in de met bloeiende kamperfoelie begroeide veranda, dapper zat koffie te drinken.

Arie had juist voor den derden keer het geheele verloop van zijn ernstig avontuur verteld, toen hij, den blik slaande in den gang, met de grootste verbazing riep: "Lieve schepsels! Daar heb je den korporaal, die bij mijn cel de wacht hield."

Leen en de korporaal traden nu in de veranda.

De korporaal maakte een buiging, sloeg met waardigheid aan en zeide: "Mijne Heeren! Ik wensch u een goeden morgen."

"Goeien morgen!" zeiden de verwonderde Boeren.

"En u, beminnelijke jongeling, reik ik in 't bizonder de hand," ging hij voort, zich tot Arie wendend, die thans weer in Boerenkleeding was, "en had die edele Hollander u niet gered, dan hadikhet gedaan."

"Een Engelschman een Boer redden, dat is nog nooit vertoond," lachte Barend Jansen.

"Pardon, Mijnheer, ik ben geen Engelschman," zeide de korporaal met groote waardigheid, en hij streelde met welgevallen zijn langen, grijzenden baard.

"Ikbengeen Engelschman," ging hij voort met klimmenden nadruk; "Ik zou me schamen, als er door mijn aderen één druppel Engelsch bloed stroomde. Wat ik ben, Mijne Heeren? Een Ier, een zoon van het groene eiland. Wat ik ben? Een vurige voorstander van de Boeren, omdat zij, evenals wij Ieren, vol heldenmoed worstelen voor hun vrijheid. Neen, ik ben geen Engelschman, Mijne Heeren, op mijn woord van eer; op mijn woord van gentleman."

En terwijl liet hij zijn blikken gaan over de eenvoudige Boeren, die hem met groote oogen zaten aan te kijken. En met een minzamen glimlach nam hij naast hen plaats, en zeide: "Is het geoorloofd, Mijne Heeren?" en hij vatte een dampend kop koffie en dronk het leeg tot den laatsten drupppel.

Maar Barend Jansen zeide: "Roodbaatje, jij kunt praten als een advokaat, en wij kunnen jou niet bijhouden, Roodbaatje. Maar wij zullen jou opsturen naar Heidelberg, naar Oom Paul, die heeft van die dingen meer verstand."

"Goed," zeide de korporaal, "het zal mij zeer aangenaam zijn, kennis te mogen maken met den hooggeachten President der Zuid-Afrikaansche Republiek. Mijne Heeren, deze veelbewogen morgen is een keerpunt in mijn leven."

Hierin sprak onze korporaal inderdaad de waarheid, want hij werd als krijgsgevangene opgezonden naar Heidelberg, en bleef er tot het einde van den oorlog.

Met Herman Hoogerhuis liep het beter af. Nog geen acht dagen later werd hij uitgewisseld tegen een Engelschen officier, en dat de jonge Boeren hem met gejuich ontvingen, behoef ik wel niet te zeggen.

Reusachtige schaduwen strekken zich uit naar boven, naar het blauwe gewelf met zijn tienduizende sterren.

Die reusachtige schaduwen zijn bergen.

Het zijn de bergen van het Drakengebergte.

Op één der bergtoppen, dicht bij een "nek" of bergpas, brandt een eenzaam wachtvuur.

Dicht bij het vuur zitten een zestal Boeren. Het vuur verspreidt een aangename warmte, want het is koud in den nacht op den bergtop.

Vier der hier zittende Boeren kent ge: Dirk Kloppers met zijn zoon Jan, Teunis den leeuwenjager en Lodewijk Jansen.

De flikkerende, grillige vlammen werpen een rossig licht over hun gebruinde en verweerde gelaatstrekken.

In levendige gesprekken snelt de nacht voorbij.

Reeds breekt de morgen aan.

Van goud en purper schittert de halve horizon, en aan den oostelijken hemel legeren zich vlammende wolken als de herauten van het groote Licht van den dag.

Reeds schitteren de toppen der bergen, en de duisternis en het roofdier, het kind der duisternis, vluchten weg in spleten en spelonken.

De Boeren zijn opgestaan van het wachtvuur; de morgenwind speelt om hun slapen.

Lang staren zij naar het zuiden, naar Natal, in de richting van Bosmans- en Blauwkransrivier, waar ruim veertig jaar geleden zooveel moedige Boerenharten, de borst doodelijkgetroffen door de assegaai, de hersenpan verbrijzeld door een staalharde knods, ophielden te kloppen.

Dáár, aan de oevers dier rivieren, daar slapen zij hun langen slaap.

En dáár, in het zuidoosten, waar de golven der Bloedrivier schitteren in de morgenzon, dáár hebben de Boeren zich gewroken, en de grimmige, verraderlijke Zoeloe's bij duizenden geveld.

En ginds, ver het zuiden in, daar ligt Pieter-Maritzburg, de hoofdstad van Natal, door de Boeren gesticht, naar hun aanvoerders genoemd, door de Engelschen gestolen!

Pieter-Maritzburg en heel Natal — 't is door de Engelschen gestolen!

Ja, die Engelschen, dáár liggen ze, vóór de passen van het Drakengebergte, vóór de poorten der Transvaal!

Daar liggen ze, met hun voetvolk, hun paardevolk, hun kanonnen! Als de wolf voor de schaapskooi!

Dáár, vóór de poorten der Transvaal, stuwt Engeland zijn krachten op, en het zal die poorte rammeiën, tot ze bezwijken!

De geheele macht van Engeland, dat zijn gebied uitstrekt in de vier winden des hemels, zal zich hier, vóór dezezwakke poorten legeren, en de zwakke macht der Boeren vermalen als in een ijzeren mortier.

Ach, die macht der Boeren, is ze niet zwak?

Liggen in de verschillende Transvaalsche steden en dorpen geen 6000 Engelschen (de vrijwilligers medegerekend) in garnizoen?

Die verschillende garnizoenen worden ingesloten door een macht van 3000 Boeren — is die macht niet veel te klein?

En 1500 Boeren moeten de passen van het Drakengebergte houden — is het een wonder, dat generaal Colley zich van een even snelle als besliste zegepraal zeker waant?

En dat is nog niet alles.

Hoe armoedig zijn de Boeren uitgerust!

Geen kanonnen, om de vijandelijke artillerie te beantwoorden; geen dokters, om de gewonden en de gekwetsten te verbinden; en als ze hoofd voor hoofd,vijftienpatronen hebben verschoten, dan is hun ammunitie totaal uitgeput!

Ja,zwakis de macht der Boeren!

En toch zijn ze sterk —sterkerdan de Engelschen, want zij strijden voor hun heiligste goederen, en zij hebben hetrechtaan hun zijde: hetrechten hunGod....

Gij grijze Voortrekkers bij het eenzaam wachtvuur, ziet gij nu goed het vijandelijke kamp daar in de nabijheid?

Maar zij wendden reeds den blik naar het noorden, naar de Boerenlagers.

Dáár ligt het lager van kommandant Weilbach, en daarachter het lager der Middelburgers, en aan de andere zijde het groote, uit 330 ossenwagens bestaande lager van den kommandant-generaal Piet Joubert, en verder het westen in kronkelt de rook omhoog uit het kamp der Oranje-Vrijstaters.

Met welgevallen rust het oog onzer Boeren op dit lager, want de Oranje-Vrijstaat heeft strikt genomen met de Transvaal niets te maken, maar hier heeft het broederbloed gesproken, en 300 dappere mannen hebben hun vlugste paarden gezadeld en hebben gezegd: "Wij willen met de Transvalers overwinnen of sterven!"

En hoor, wat M. Uijs, pas uit den Oranje-Vrijstaat gekomen, dezer dagen, op een open ossenwagen geklommen, tot de vergaderde Boeren heeft gesproken1)

"Mijne broeders," heeft hij gezegd, in zijne eenvoudige, hartelijke taal, "mijne broeders, ik behoef u niet veel uitleg te geven, wie ik ben. Een mijner familieleden sneuvelde in Natal, de andere is bij u. Ik ben gezonden niet door onze regeering, maar door het volk van ons district, en alleen, om van u te komen hooren, wat gij van ons wilt, en wat wij voor u doen kunnen, en verder om u aan te kondigen, wat wij voor u willen doen. Wij hebben acht dagen geleden eenige bijeenkomsten gehouden, en besluiten genomen, om memories, die talrijk geteekend zijn, op te zenden naar onzen Volksraad, die nu een buitengewone zitting houdt. Wij hebben verder op die bijéénkomsten eendrachtelijk en vast besloten, om u te hulp te komen. Gij moet u niet bekommeren, dat mogelijk onze President het niet zal toelaten. Ik geef u mijn woord, of onze regeering wil of niet, wij zullen toch komen. Wij hebben reeds vóór de zitting met de raadsleden geraadpleegd, en ik kan u verzekeren, dat de groote meerderheid er reeds voor was, om u, onze broeders, te komen helpen. Broeders, wij zijn zwak; wij zijn nietsbeduidend tegen dien John Bull, maar wij zullen komen, zooals een Abraham met geloof is gekomen, om zijn zoon te offeren. God zal het voorzien. Hij is de almachtige. Hij zal ons helpen. Verder, broeders, wil ik u raden om te volharden als mannen van geloof en dapperheid. Staat vast op uwe zaak, want die is rechtvaardig! Gij vecht en sterft als mannen voor uw vrijheid. Wij zijn voor de vrijheid van ons en voor de vrijheid van u, want die is u ontstolen.

Broeders, wij zullen uw bloedig spoor volgen, en wij zullen met u strijden en met u sterven.

Gij kunt u wel voorstellen, hoe onze harten branden, wanneer wij in onze huizen de onbarmhartige kanonnen op u hooren losdonderen, en dan daarbij bedenken, waarom op u zoo wordt geschoten; om uw wettig eigendom!

Broeders, uw volk is ons volk, en uw God is onze God! Houdt uw zaak nog veertien dagen vast, en gij zult ons bij honderden hier zien, om u te helpen. Wij zijn reeds bezig, om de kogels te gieten en de geweren uit te wasschen. Ik vermoed, dat het gansche Afrikaansche volk nu zal samen werken, om uwe zaak te steunen, en om een geheel vrij volk te worden. Geloof mij, de Vrijstaat, Natal en de Kaapkolonie staan op voor uwe zaak. Ik meen en geloof, dat deze plaats is die plaats, welke God van eeuwigheid af heeft verordineerd, waar wij onze vrijheid moeten uitvechten.

God zegene u en helpe u met moed en kracht, en Hij beware u voor des vijands wreed geweld!"

Er komt al meer beweging in de Boerenlagers daar beneden....

Duidelijk kunnen onze Boeren het waarnemen van hun hoogen observatiepost.

Er worden vuren aangelegd, en gekloofde telegraafpalen dienen tot brandhout. De telegraafdraden zijn omgebogen tot drievoeters, waarboven de waterketels worden gezet.

Er wordt gepraat, geroepen, geschertst en gelachen. Daar tusschen klinkt het geloei der ossen, het gebulk der slachtbeesten en het moedig gehinnik der paarden. Hier en daar wordt een schallende oorveeg vernomen, een al te tragen Kaffer toegediend, in de verte bewegen zich als nietige stipjes vlugge renboden, om rapporten over te brengen, en om den hoek van een rots komen plotseling, op snelle paarden gezeten, een honderdtal jonge Middelburgers aangestormd.

"Goeden morgen, kameraden," roepen zij in 't lager, en vlug stuiven zij voorbij.

Maar nòg wordt de dreunende hoefslag hunner paarden in de verte gehoord, als de bont door elkander dwarrelende geluiden van het bewegelijk kampleven plotseling worden opgelost en verzwolgen door een ernstigen, mannelijken, machtigen toon.

De krijgers ontblooten hun hoofden, en uit honderden keelen stijgt het loflied omhoog:

" "Geloofd zij God met diepst ontzag!Hij overlaadt ons, dag aan dag,Met Zijne gunstbewijzen.Die God is onze zaligheid,Wie zou die hoogste MajesteitDan niet met eerbied prijzen?Die God is ons een God van heil;Hij schenkt uit goedheid zonder peilOns 't eeuwig zalig leven!Hij kan en wil en zal in nood,Zelfs bij het naadren van den dood,Volkomen uitkomst geven!

Daar hebt ge 't. Dáár ligt het geheim van de kracht der Boeren.

Nooit — neennooitzouden zij de bange worsteling met het machtige Engeland hebben durven aanbinden, indien hetGodsvertrouwenniet het sterke schild was, waar achter zij schuilden.

En nooit zullen zij dat schild dringender noodig hebben dan heden, op den gedenkwaardigen 28steJanuari 1881.

"Kijkt," zegt de leeuwenjager, wiens oogen in spijt van zijn vier en zeventig jaren nog niet zijn verdonkerd, "er is een ongewone beweging in het kamp der Engelschen. Ik denk, ze gaan van daag den Lang-Nek2)forceeren."

"Laat hen komen," zegt de oude Jansen, en hij omvat met zijn sterke hand den blanken loop van zijn geweer.

Snel dalen onze Boeren nu van den bergtop af, en begeven zich naar eene der den Lang-Nek bestrijkende hoogten.

Hier vinden zij reeds een groep Boeren, en allengs groeit de groep aan.

Generaal Colley, een der bekwaamste generaals van het Engelsche leger, een man, die, zonder zich zelven te overschatten, de oogen durft te slaan op de hoogste betrekking in het Engelsche leger, is voornemens, van daag de even snelle als beslissende overwinning te behalen. Alvorens generaal Wood, die met geduchte versterkingen in aantocht is, het Drakengebergte is genaderd, wil hij schoon schip gemaakt en de muitende Boeren verpletterd hebben.

Hij verdeelt zijn leger, dat op een uur afstands van den Lang-Nek is gekampeerd, in vier afdeelingen, en trekt onder het roffelen der trom en het schallen der trompet moedig voorwaarts.

De linkervleugel bestaat grootendeels uit roodbaatjes (infanterie) met negen kanonnen, en nadert tot op een afstand van twintig minuten. Hier houdt hij halt en nestelt zich in de landerijen in de nabijheid van een boerenwoning.

De kanonnen worden met kalmte en nauwkeurigheid gericht.

"Daar zijn hun goden," zegt Dirk Kloppers.

"Nu krijgen we de bommen," zegt Lodewijk Jansen, maar Teunis de leeuwenjager zegt geen woord.

Nu breekt het geweld der kanonnen los. Het schijnt, dat Colley de Boeren onder zijn bommen en vuurpijlen wil begraven.

"Oom," roept een jonge Boer, op die 24 pond zware, vier voet lange vuurpijlen wijzend, "wat zijn de Engelschen toch een onbarmhartige natie! Zij schieten ons met jukken!"

De rechtervleugel, uit blauwbaatjes (huzaren) bestaande, maakt nu een charge met het blanke wapen tegen de stelling, waar kommandant Engelbregt met zijn mannen staat.

Het kanon barst recht boven hen los.

Een der Engelsche officieren jaagt, met de sabel in de vuist, midden tusschen de Boeren door, maar met een kogel door het hoofd zinkt de dappere van zijn paard. Moedig en onverschrokken vallen de huzaren aan, maar het doodelijk schot der Boeren jaagt hen in hun oude stelling terug.

Doch 500 man infanterie van den linkervleugel rukken thans, onder de bescherming van het kanon en in vereeniging met 200 huzaren, tot den aanval op. In snellen loop gaat het op de hoogte aan, waar wij Dirk Kloppers en zijn vrienden hebben achtergelaten.

Met schrik zien de Boeren, in andere stellingen geposteerd, hoe zwak de bedreigde hoogte is, en allengs komt er eenige hulp, tot er 80 man op de hoogte zijn.

Meer hulp kan men niet zenden, want dan worden de andere posities te zeer ontbloot.

"Wat denkt gij er van?" vraagt Lodewijk Jansen.

"Wij houden deze hoogte, of wij sterven hier," zegt Dirk Kloppers bedaard.

"Dat is ook mijne meening," herneemt Jansen.

"In elk geval zullen de Engelschen heden avond niet meer zeggen, dat wij lafaards zijn," zegt de leeuwenjager met een harden klank in zijn stem.

Uitstekend gedekt door een scherpen heuvelrug, en terwijl de kanonnen al door vuren, zijn de Engelschen intusschen genaderd tot op een afstand van slechts zeven pas.

Nu zwijgt het kanon.

En nu eerst kunnen de Boeren, die reikhalzend op dit oogenblik hebben gewacht, van hun vuurwapens gebruik maken.

"Een vaste hand en een koelbloedig hart!" vermaant de oude Kloppers de jongeren, "en op God vertrouwd! Let er op, hoe wij ouden het doen! Achter dien klipsteen, Jan! Willem, hierheen — plat op den buik!! Schiet op het hoofd van je vijand — slechts kopschoten — kopschoten zijn meest doodelijk!"

Nu wendt hij zich tot den leeuwenjager.

"Dien officier daar, op dien zwarten hengst, neem jij dien, Teunis?"

"'t Is reeds de mijne," zegt Lodewijk Jansen kortaf, terwijl een korte vuurstraal glipt uit den loop van zijn geweer.

De officier stort van het paard, maar blijft in de stijgbeugels hangen; en de wild geworden hengst jaagt, zijn stervenden meester over de harde klipsteenen mede sleurend, over het slagveld.

"Ik neem dien ritmeester van de blauwbaatjes," zegt Dirk Kloppers.

Hij bukt zich; hij mikt.

Er komt een dreigende flikkering in die blauwe oogen — ritmeester, uw leven hangt aan een zijden draad!

Daar steigert het door den kruitdamp en de geweerschoten schichtig geworden paard van een huzaar, en hij komt recht vóór zijn ritmeester.

"Ruimte!" roept Dirk Kloppers, en hij schiet den huzaar van zijn paard.

Nu is de baan weer vrij — nogmaals schuift zich in het wilde oorlogsgewoel een blauwe uniform tusschen den doodelijken geweerloop van Dirk Kloppers en den ritmeester.

"Ruimte!" roept de grijze Voortrekker nog eens, en schiet ook den tweeden huzaar neer.

"Ritmeester!" roept een in den krijgsdienst grijs geworden wachtmeester; "ga achter het front, want de Boeren hebben u tot hun mikpunt."

"Achter het front —?" riep de ritmeester; "achter het front —?"

Hij rukt het ridderkruis van zijn borst, en werpt het naar voren, in de vreeselijke stelling der Boeren.

"Haalt het, mijne dapperen!" roept hij met luide stem, en de sabel vaster in de vuist nemend, drukt hij zijn zweetvos de sporen in de zijde.

Daar schiet Dirk Kloppers nog eens — de trouwe wachtmeester vangt zijn geliefden meester op.

"Ik had het wel gedacht," zegt hij klagend, "ik had het wel gedacht!"

Hij draagt den ritmeester in zijn armen naar de verbandplaats, en brengt er een — lijk.

De Boeren vechten door. Daar dringt een vermetele huzaar — hij draagt een geteekend hoefijzer op den arm en is vermoedelijk een smid — tot in de linie der Boeren en houwt twee Boeren achter de klippen neer. Nu stormt hijop Dirk Kloppers los, wiens geweer ongeladen is, doch Jan ziet het groote gevaar, waarin zijn vader verkeert, en schietden vijand door hethart.

Maar een ander tooneel trekt onmiddellijk de aandacht van Jan, en hij roept: "Vader, ginds, bij dien grooten klipsteen, daar heb ik het gezicht van Kees Botter gezien."

Hij strekt den arm uit, om de plaats te wijzen, maar laat er onmiddelijk in groote opwinding op volgen: "Daar heb je hem weer."

Een kogel fluit rakelings langs het hoofd van den ouden Kloppers, en Kees Botter verdwijnt weer achter zijn schans.

"Ik geloof, dat de vent opmijheeft geschoten," zegt de oude Voortrekker.

Bedaard zet hij den grooten, breedgeranden hoed af, en bekijkt hem met aandacht.

"Daar heb je 't al, Vader," zegt Jan, op twee kleine openingen wijzend in den bodem van den hoed.

"'t Schot was niet slecht, maar goed evenmin," zegt Dirk Kloppers, terwijl hij kalm een versche patroon in den loop schuift.

"Dek je, Jan!" zegt zijn vader waarschuwend, "dapperheid zonder voorzichtigheid maakt roekeloos. Zie, die jonge Boer ginds — ik heb hem al drie keeren zooeven gewaarschuwd. Hij waagt zich te veel; hij laat zich meesleepen door zijn moed, maar hij zal het met zijn leven moeten bekoopen — daar ligt hij al, de arme jongen!"

De Engelschen geven het intusschen op. Zij staren met schrik en ontzetting op deze dood en verderf spuwende hoogte — zij deinzen terug. En van klip tot klip, van rots tot rots rukken de Boeren sprongsgewijze vooruit, en zij schieten de Engelschen als boschduiven.

Doch nu begint het kanon weer te bulderen, en dekt den terugtocht der vluchtelingen.

De Boeren verloren 14 man aan dooden en 28 gekwetsten. Van de Engelsche zijde lagen 335 man dood of gewond op het slagveld, een vreeselijk cijfer, wanneer men de getalsterkte in aanmerking neemt. In verhouding was dit gevecht voor de Engelschen bloediger dan de bloedigste veldslag in den Fransch-Duitschen oorlog.

Van Engelsche zijde verscheen nu een parlementair met het volgende schrijven:

"Aan den Kommandant-Generaal P. J. Joubert.Mijnheer, Gij zult mij een dienst bewijzen, wanneer Gij mij verlof wilt geven, dokters te zenden, om naar de gewonden te zien, die in het front van uwe positie zijn blijven liggen, en manschappen, om de dooden te begraven. Ik heb de eer, te zijn, Mijnheer, uw zeer gehoorzame dienaarG. POMEROY COLLEY."

"Aan den Kommandant-Generaal P. J. Joubert.

Mijnheer, Gij zult mij een dienst bewijzen, wanneer Gij mij verlof wilt geven, dokters te zenden, om naar de gewonden te zien, die in het front van uwe positie zijn blijven liggen, en manschappen, om de dooden te begraven. Ik heb de eer, te zijn, Mijnheer, uw zeer gehoorzame dienaar

G. POMEROY COLLEY."

Het antwoord luidde als volgt:

"Excellentie, Om der menschelijkheid wil — moet ik ingaan op uw verzoek, en zoodra de slag is afgeloopen, zal ik u de dooden afgeven.P. J. JOUBERT,Kommandant-Generaal."

"Excellentie, Om der menschelijkheid wil — moet ik ingaan op uw verzoek, en zoodra de slag is afgeloopen, zal ik u de dooden afgeven.

P. J. JOUBERT,Kommandant-Generaal."

Om der menschelijkheid wil — ja, dat was het rechte woord.

Als klaprozen tusschen de blauwe korenbloemen, zóó lagen daar de Engelsche infanteristen en de blauwe huzaren dood, gewond en stervend op het platgetrapte slagveld.

Hartverscheurende kreten van pijn en smart werden geslaakt, en de gewonden versmachtten van dorst.

De Boeren stonden nu midden in al dien jammer en ellende. Zij wierpen het geweer over den schouder, en verrichtten het werk van den barmhartigen Samaritaan. En het oog, dat zoo even nog had geschitterd in het gevoel der zegepraal, werd vochtig, en boven de rookende bloedplassen gingen de sterren op van deernis, barmhartigheid en medelijden.

Inmiddels kwamen een driehonderdtal Engelsche soldaten op het slagveld aan. Zij zochten hun gewonde kameraden op, en legden hen voorzichtig op de meegebrachte wagens. Vervolgens begonnen zij met schop en spade groote, wijde graven te delven, en in deze graven werden Engelands kinderen neergelegd, in hun roode en blauwe, met bloed overstroomde uniformen. Zij lagen met de voeten naar elkander toe, en de dooden schenen uit hun groote, wijde graven de levenden aan te staren met hun opgesperde, verglaasde oogen, hun wijd geopende monden en hun verwrongen gelaatstrekken, en zij schenen nog in hun doodsstrijd een wee te hebben uitgeroepen over de politiek, die hen in den dood had gejaagd....

Doch reeds namen de soldaten hun groote schoppen, en dof en zwaar viel de aarde op Engelands kinderen, en bedekte hun verglaasde oogen, hun geopende monden en hun verwrongen gelaatstrekken....

Terwijl zochten de Boeren in kleine groepen het slagveld af, en namen naar het recht van den overwinnaar van de overal verspreid liggende wapens en patronen bezit.

Dat de Boeren overwinnaars waren gebleven, erkenden de Engelschen, doch zij schreven het toe aan een verpletterende overmacht der Boeren. Dat deze overmacht slechts in hun verbeelding bestond, weten we, maar toch blijft de onderstaande brief, door een Engelschen soldaat aan zijn moeder geschreven, karakteristiek.

Hij luidde als volgt:

"Lieve Moeder!Enkel een regeltje, om u te doen weten, dat ik nog leef, want gij moet gehoord hebben van het gevecht, hetwelk wij hadden met de Boeren. Het was voor ons een zware dag, want wij verloren 335, zij (de Boeren) verloren 1200 man. Ik behoor bij de huzaren; zoodoende zagen wij alles, en hadden het zwaarste van het werk te doen. Gij zult mijn naam in de couranten onder de gewonden vermeld vinden, maar maak u niet ongerust; het is slechts een geringe wond onder het oog.Zij waren ongeveer 12000 man sterk en wij omtrent 1200. Nu kunt ge begrijpen, welk soort van gevecht het was. Ik denk, dat gij wel van mijn arm regiment gehoord zult hebben. Het verloor zooveel manschappen; het trachtte de hoogte te nemen, maar het mislukte. Maar wij zullen het een volgenden keer overdoen. Ik denk, dat ik een boel werk doe voor mijn shilling, doch het zal niet eeuwig duren, en dan groet ik het leger voor eeuwig.Ik moet eindigen.Uw liefhebbende zoon,J. SWAIS."

"Lieve Moeder!

Enkel een regeltje, om u te doen weten, dat ik nog leef, want gij moet gehoord hebben van het gevecht, hetwelk wij hadden met de Boeren. Het was voor ons een zware dag, want wij verloren 335, zij (de Boeren) verloren 1200 man. Ik behoor bij de huzaren; zoodoende zagen wij alles, en hadden het zwaarste van het werk te doen. Gij zult mijn naam in de couranten onder de gewonden vermeld vinden, maar maak u niet ongerust; het is slechts een geringe wond onder het oog.

Zij waren ongeveer 12000 man sterk en wij omtrent 1200. Nu kunt ge begrijpen, welk soort van gevecht het was. Ik denk, dat gij wel van mijn arm regiment gehoord zult hebben. Het verloor zooveel manschappen; het trachtte de hoogte te nemen, maar het mislukte. Maar wij zullen het een volgenden keer overdoen. Ik denk, dat ik een boel werk doe voor mijn shilling, doch het zal niet eeuwig duren, en dan groet ik het leger voor eeuwig.

Ik moet eindigen.

Uw liefhebbende zoon,J. SWAIS."

"Het zal niet eeuwig duren," schreef de arme jongen.

Dat bleek waarheid te zijn, want geen veertien dagen later werd hij op het slagveld van Schuinshoogte begraven.

1) "Geschiedenis van den Vrijheidsoorlog" door kommandant J. D. Weilbach en C. N. J. du Plessis.2) Een der passen van het Drakengebergte.

We keeren terug naar het slagveld.

De laatste sporen van den kruitdamp zijn door het zomerwindje weggevoerd.

De dooden zijn begraven; de meeste gewonden verzorgd.

Het platgetrapte gras wijst de plekken aan, waar het hardst en het heetst is gevochten.

Vriendelijk schijnt de avondzon, en zij kust de witte, met bloedbespatte kelken der veldbloemen.

In de verte, met den rug tegen een klipsteen, zit de jonge Boer, dien Dirk Kloppers had zien vallen.

Een van bloed doorweekte doek ligt op zijn borst; dáár heeft hij het doodelijk schot gekregen.

De hoed ligt naast hem, aan zijn linkerzijde, in het gras; bovenop het geweer en de bandelier.

Een reeds bejaard man knielt naast hem; aan zijn rechterzijde.

Dat is zijn vader.

Een kleine groep Boeren staat, leunend op hun lange roeren, op eenigen afstand.

De vreugde der zegepraal in hun blik wordt getemperd door het aangrijpend tooneel daar vóór hen.

De vader houdt de hand van zijn jongen, van zijn lieveling, van zijn eenig kind omklemd.

Hij houdt die hand zoo vast, omdat hij weet: Zijn kind gaat weg, naar het verre, vreemde land, en komt nooit —nooitterug.

De jonge man hijgt naar lucht, maar zijn matter wordend oog zoekt de zon, aan de westerkimmen.

Zij werpt haar laatste stralen over de hoogten en de diepten, van het Drakengebergte, en met een lichtglans bedekt zij het stervend gelaat van den jongen krijger.

"Vader," zegt hij met afgebroken klanken, "het wordt donker voor mijn oogen."

Doch als het donker wordt voor onze oogen, als het avond wordt, dan zeggen wij elkander goeden nacht.

De oude man bukt zich over zijn zoon en kust hem.

"Goeden nacht, mijn jongen!" zegt hij in overstroomend zielewee.

"Is het vrede?" vraagt de oude man met nokkende stem; "is het vrede, mijn jongen?"

Met een uiterste, laatste poging tracht de stervende zich iets op te richten.

"Ik hoop," zegt hij, "ik hoop, dat Jezus mijn Zaligmaker is. Vader, bid voor mij, en groet mijn lieve moeder!"

De oude man houdt de hand van zijn zoon in de hand, en biddend bewegen zich zijn lippen.

En met de hand van zijn vader in de zijne, overschrijdt de jongeling den vreeselijken drempel van de vallei des doods....

Daar begint hij te klappertanden — een rilling jaagt door zijn leden — zijn vader vangt hem op, en houdt zijn dood kind in de armen.

De zon is nu ondergegaan achter de steile koppen van het Drakengebergte.

En de avondwind steekt op, en ruischt weemoedig door de toppen van het geboomte.

En de oude man, blijft hij in leven, zal terugkeeren naar zijn woning zonder zijn kind.

En de moeder zal klagen en rouwdragen over haar eenig kind, haar leven lang...

En gij, machtige staatslieden, die de oorzaken zijt geweest van dezen oorlog, gij zult rekenschap afleggen van het vergoten bloed, zoo waarlijk als er leeft een almachtig en rechtvaardig God in den hemel....

De zon is nu lang ondergegaan.

Het is stil geworden op het slagveld, en vredig blinken de sterren aan het diep blauw dak des hemels.

Een jong infanterist, zwaar aan het hoofd gewond, heeft zich van het slagveld voortgesleept, doch is, een verkeerde richting inslaande, het Engelsche kamp misgeloopen.

Hij is verdwaald.

Door bloedverlies uitgeput, zet hij zich eindelijk neer op een klipsteen.

Hij lijdt veel lichamelijke pijn, doch een andere pijn schijnt hem nog harder te kwellen. Smartelijk bewegen zich zijn lippen.

Ook lijdt hij grooten dorst; de tong kleeft aan zijn gehemelte.

Hij steekt de hand uit, om de veldflesch te nemen, maar hij laat de hand weer moedeloos vallen, want hij herinnert zich, dat hij er uren geleden reeds den laatsten druppel heeft uitgenomen.

Reikhalzend ziet hij uit naar hulp.

Daar hoort hij het getrappel van paarden, en hij spitst de ooren. Maar het geluid wordt zwakker en sterft weg in de verte.

Zoo verloopt er een kwartier, doch nu dringt het luid en driftig gesprek van eenige menschen tot hem door.

Om de aandacht te trekken, roept hij zoo hard hij kan, doch niets dan een zacht, heesch geluid komt uit zijn keel.

Doch het driftig gesprek, dat hij hoorde, verstomt, en nu hoort hij niets meer.

De dorst wordt intusschen schier ondragelijk, en een zonderlinge rilling gaat door zijn leden.

Dat is de opkomende wondkoorts, die hem schudt.

Hij kan zich niet meer overeind houden op den klipsteen, en hij legt zich lang uit neer op den rotsachtigen grond.

En de dagen van het verleden trekken aan zijn ziel voorbij.

.... Zie, daar stond de lieve, met klimop begroeide dorpswoning, waar hij zijn kinderjaren had doorgebracht. En dat was de breede sloot achter het huis, en dat het houten brugje over de sloot. En 's Woensdags en 's Zaterdagsnamiddags, als er geen school was, ging hij met zijn kameraadjes op het houten brugje zitten, en zij voerden de eenden, die er zwommen, met stukjes brood. Of zij namen den hengelstok en gingen visschen in het beekje, dat midden door het veld liep, een kwartier van huis af. En wat had zijn moeder, die zwakke, bleeke moeder, een schik, toen de kleine kerel met vreugdestralend gelaat met de eerste voorntjes en baarsjes thuis kwam!

Het waren er vijf; hij weet het nog.

Zoo diep heeft zich die kleine gebeurtenis in zijn geheugen geprent.

Zijn vader was er niet bij; die lag reeds op het kleine kerkhof; bij het eenvoudige, witte dorpskerkje, dat op den heuvel stond. Hij was onderwijzer geweest in het dorp, en aan een bloedspuwing gestorven. En op het kleine kerkhof bij het witte dorpskerkje, daar was hij begraven.En hij en zijneenige oudere broeder Eduard hadden, geheel in 't zwart gekleed, bij het open graf gestaan, en al de kinderen van de school. En het was een schoone, liefelijke, stille herfstnamiddag geweest, en de kinderen hadden samen een weemoedig, godsdienstig lied gezongen, en de torenklok had nog nooit zoo ernstig en indrukwekkend geluid.

En den volgenden dag had Eduard hem bij de hand genomen, en zij waren samen stil naar het kerkhof geslopen, en de wind had de herfstblaren van de treurwilgen geschud, en de herfstblaren hadden den grafheuvel van hun vader bedekt als een kleed.

Maar hij bleef niet in het dorpje.

Zijn moeder verhuisde naar een groote, drukke stad, opdat haar twee kinderen zouden kunnen leeren, en hij herinnerde zich nog levendig, hoe hij den eersten avond schreiend in slaap was gevallen, omdat hij het zoo benauwd en somber vond op de kleine bovenwoning.

Nu maakte zijn gedachtengang een grooten sprong.

Eduard zou gaan studeeren voor arts, en hij kwam op een koopmanskantoor.

"Houd God voor oogen!" met deze vermaning had zijn moeder haar jongsten zoon laten gaan.

Ach, had hij het gedaan!

Thans, vlak voor de poorten des doods, gaan zijn oogen open.

Thans wordt hij wakker uit den zedelijken roes, waarin hij zeven jaar heeft voortgehold.

Dat doet de dood. De dood maakt hem nuchter. Hij hoort het kloppen van den dood in de wondkoorts, die zijn aderen doet kloppen.

Wat is zijn leven een aaneenschakeling geweest van zonde, jammer en ellende, sinds hij moeders woning verliet.

Hij kwam in de verzoeking, en hij kwam er niet meer uit.

Slechte gezelschappen verwoestten hem, en zedelooze gesprekken voltooiden de zedelijke verwoesting.

Dat kwam niet in ééns, maar allengs, ongemerkt.

Zijn moeder vermoedde het reeds lang, want het oog der liefde ziet scherp, maar door zijn vriendelijkheid wist hij hare bezwaren weg te vleien.

Maar op 't laatst gelukte het niet meer.

En toen het niet meer gelukte, hield ook zijn vriendelijkheid op.

Hij kon hare ernstige vermaningen niet meer dulden; hij werd prikkelbaar en opvliegend.

En ten laatste lachttehij om den God, Dien zij aanbad en spotte hij met den Heiland, Dien zij beleed. Doch dat kon op den duur niet goed gaan, en het ging ook niet goed.

Hij werd stroef en driftig, slordig en onachtzaam. Hij kreeg hooge woorden met zijn patroon, en ontving zijn ontslag.

Het bracht hem niet tot inkeer; hij verhardde zich. En na eenige maanden een doelloos leven bij zijn meester gesleten te hebben, teekende hij als vrijwilliger bij de koloniale troepen.

"Charles, mijn jongen, ik zal voor u blijven bidden," dat was het laatste woord der diepbedroefde moeder geweest bij het afscheid.

"Ik heb uw gebed niet noodig," dat waszijnlaatste woord geweest.


Back to IndexNext