HOOFDSTUK XXI.

"Ach, mijn moeder!" steunt hij. "Als gij mijn toestand eens kendet!"

Maar zijn moeder is ver weg, in Engeland.

Zij hoort dat steunen niet.

En een stroom van tranen welt uit zijn oogen, en vermengt zich met het bloed uit de diepe hoofdwond, en zijn bloed en zijn tranen drenken den harden, Afrikaanschen grond.

Maar de wondkoorts komt harder op, en zijn tanden klapperen.

Het begint hem te schemeren voor zijn oogen — hij sluit ze.

Hij hoort het kraken en botsen van een zwaren ossenwagen en den klank van menschenstemmen, doch de geluiden schijnen ver, ver weg te komen.

En nu hoort hij niets meer — niets.

Hij heeft het bewustzijn verloren.

"Ik denk, dat hij dood is!" zegt een ruwe stem.

Dat is de stem van een voerman.

"Neen," zegt een andere stem — dat is de stem van Dirk Kloppers — "ik geloof het niet."

Hij knoopt den bebloeden wapenrok van den Engelschman open, en voelt het nauwelijks merkbaar kloppen van het hart.

"Hij is uitgeput door bloedverlies en heeft de wondkoorts Aan het hoofd heeft hij de wond."

Hij denkt eenige oogenblikken na en vervolgt: "Als we hem hier laten liggen, dan komt hij om, en dat wil ik niet op mijn geweten hebben. Misschien kunnen wij met Gods hulp zijn leven nog redden."

"Kom, Jan," zegt hij tot zijn zoon, "wij zullen hem voorzichtig op den wagen leggen."

"Er is geen plaats meer op den wagen," zegt de voerman.

"Er is wèl plaats op den wagen," zegt de oude Voortrekker met nadruk.

"Er is ook plaats," roepen een paar gewonde Boeren van uit den wagen.

"Zie je wel?" zegt Kloppers; "kom, Jan, neem hem mee op!"

Met grootebehoedzaamheid wordtnu de bewustelooze opgenomen en in den wagen neergelegd; op een matras, naast de andere gewonde Boeren.

Nu stut de oude Kloppers het hoofd van den zwaargewonde in zijn armen, en laaft hem met een teug Kaapschen wijn.

De bewustelooze slaat de oogen even open, maar sluit ze onmiddelijk weer.

Vervolgens zuivert de trouwe krankenverpleger de hoofdwond met het water uit een kruik, legt er linnen pluksel op en verbindt ze zorgvuldig.

"Zie zoo," zegt hij tot den voerman, "span hier nu maar uit van nacht!"

"Waarom?"

"Omdat het gewonde Roodbaatje het besterft, als ge hem van nacht vervoert!"

"Dat raakt mij niet," zegt de voerman.

"Mij wel," zegt de oude Kloppers.

"Ik rij door, tot ik een betere plek heb gevonden, om uit te spannen," zegt de koppige voerman.

"Gij rijdtnietdoor," zegt Kloppers met een stem, die geen tegenspraak duldt.

De voerman geeft het werkelijk op en spant de ossen uit.

En nu is het nacht.

En alles gaat ter ruste.

Doch over het slagveld gaat een geheimzinnig ruischen en fluisteren, alsof de dooden beginnen te spreken....

Dat de teruggeslagen generaal Colley versterkingen zou krijgen, wisten de Boeren. Dat die versterkingen reeds in Durban waren ontscheept, en in ijlmarschen in aantocht waren, wisten zij ook. Te meer pleit het voor hun moed en doortastendheid, dat zij het stoute plan ontwierpen, om deze troepen te gemoet te gaan, en op vijandelijk gebied — in Natal — slag te leveren.

De dappere generaal Nikolaas Smit werd met de even moeilijke als eervolle taak belast, en aan het hoofd van slechts 205 ruiters werd de tocht op Zaterdag 5 Februari ondernomen.

Het was een moeielijke en gevaarvolle tocht.

Een aanhoudende regen sloeg de Boeren in 't gezicht, en er woei een sterke, koude wind.

Van behoorlijke wegen was geen sprake. Immers men moest den breeden heirweg, die door het Engelsche kamp werd beheerscht, vermijden.

Slechts langzaam kon men voortrukken op de voetpaden, die de helling van het Drakengebergte afliepen, en aan hun randen gaapten snelvlietende stroomen, dichtbegroeide kloven en steile afgronden. Bovendien waren deze voetpaden nat en glibberig, en op vele plaatsen door den aanhoudenden regen verspoeld.

Des nachts bìvouakkeerde men onder den blooten hemel, op den vochtigen grond, en ruiter en paard hadden het hard te verantwoorden. Er werd veel, zeer veel geleden, maar er werd gemord noch geklaagd. Er heerschte eene voortreffelijke geest.

Voorzichtig trok generaal Smit voort in het vijandelijk gebied, doch toen hij geen troepen ontmoette, liet hij den teugel wenden, en kwam op Dinsdag 8 Februari met 100 man (de anderen hadden wegens ziekte of door het bezwijken hunner paarden terug moeten keeren), bij Schuinshoogte aan, een belangrijk punt, gelegen aan de Ingogo-rivier, tusschen Colley's kamp en New-Castle, een Natalsch stadje.

Hier was een geschikte gelegenheid, om de convooien, die van New-Castle moesten komen, en voor het Engelschekamp bestemd waren, op te vangen, maar Colley begreep dit ook, en door zijn spionnen goed op de hoogte gehouden van de bewegingen, die generaal Smit uitvoerde, haastte hij zich, om Schuinshoogte te laten bezetten door een legerafdeeling van 600 man met 4 kanonnen.

Generaal Smit kwam met zijn Boeren te laat, en Colley zeide met groot zelfvertrouwen: "Laat die afgetobde Boeren nu maar komen, als ze durven!"

Schuinshoogte is een platte, aan de zijden afhellende heuvel, beslaat een omtrek van ongeveer 600 schreden, en lag aan de oostzijde van het wagenpad (of heirweg) van New-Castle naar het Engelsche kamp. De hoogte is bezet met door de natuur gevormde ijzerklippen, die er uitzien als kleine, opgeworpen steenen wallen.

De Boeren hadden zich tegenover de Engelsche overmacht met eere kunnen terugtrekken, maar toen generaal Smit zijn oogen langzaam langs de gelederen van zijn mannen liet gaan en hen vraagde: "Wat denk jullie er van?" toen riepen zij in spijt van hun vermoeienis met eenparige stem: "Wij zullen vechten, tot wij er bij neervallen!"

En de wakkere aanvoerder riep met verheffing van stem: "Dan zullen wij vechten!"

De Boeren vonden voor hun paarden een geschikte, tegen het vijandelijk vuur beschutte plaats, en om elf uur in den voormiddag ontbrandde het gevecht.

De Engelschen streden, steunend op hun voordeelige positie en hun overmacht, met moed en dapperheid, maar de Boeren steunden op God en hun goed recht.

Tot op honderd pas afstands naderden de Engelschen met hun vier kanonnen de Boeren en een Afrikaansche, in Engelsche diensten staande, vrijwilliger schoot,zelf uitstekend gedekt,drie der dapperste Boeren dood.

Dit was een droevig begin, en de vijandelijke kogels kletterden als hagelsteenen tegen de harde klippen, waarachter de Boeren schuilden.

Doch de Boeren versaagden niet.

"Wij zullen vechten, tot wijer bij neervallen!"dat bleef het parool.

"Waar zit die scherpschutter toch, die drie van onze beste mannen heeft weggeschoten?" vraagde Teunis de leeuwenjager, terwijl hij naar een groep Boeren toekwam, die door een soort klipmuur tegen het zware vuur van den vijand werden beschut.

"Kijk dáár." zeide Lodewijk Jansen, en hij wees met de linkerhand naar voren. "Die kerel is door twee, achter elkander staande klippen gedekt, en wij kunnen er niet bijkomen met onze kogels."

"Ik zal hem omtrekken," zeide de leeuwenjager, "en hem van ter zijde pakken."

"'t Is een gevaarlijk stuk werk," zeiden Lodewijk Jansen en Dirk Kloppers beiden: "ge moet door den kogelregen heen."

"Wie kan 't beter doen dan ik?" zeide de leeuwenjager eenvoudig. "Ik heb vrouw noch kind."

Hij wierp zich plat op den buik, en sloop als een panter door het struikgewas en het lange gras, maar Lodewijk Jansen zeide: "Ik wou, dat het reeds gebeurd was," en Dirk Kloppers steunde: "Het kan zijn dood zijn!"

Er verliepen tien, twintig, dertig minuten, en Dirk Kloppers zeide: "Ik vrees, dat onze dappere Teunis zijn laatsten gang heeft gedaan," toen diens grijze baard plotseling zichtbaar werd bij den klipsteen, waar men den vrijwilliger nog steeds vermoedde.

"Hier heen, mannen!" riep de leeuwenjager met forsche stem. In weinig sprongen waren de Boeren bij den wakkere.

Aan zijn voeten lag de vrijwilliger, met den doodelijken kogel in het hoofd.

"Hij heeft zijn volk verraden," zeide de leeuwenjager; "hij heeft zijn loon ontvangen voor zijn verraad."

Intusschen rolde het Engelsche vuur onophoudelijk tegen de stellingen der Boeren, en de schildwachten van het Boerenleger aan het Drakengebergte konden van de bergtoppen duidelijk zien, hoe telkens twee kanonnen tegelijk werden afgeschoten.

"Daar vechten ze nu!" riepen ze klagend tot de andere Boerenkrijgers, die zich bij hen voegden, en vol bekommernis en vrees volgden zij den voortgang van den ongelijken strijd.

Om 3 uur in den middag gaf de kommandant-generaal Piet Joubert order, dat alle manschappen snel moesten opzadelen, en hij rukte op tegen het Engelsche kamp.

Maar generaal Colley zeide: "Die Boeren zullen me niet bedotten; zij zullen niet zoo dol zijn om het kamp te bestormen," en hij wachtte de komende dingen kalm af.

Colley had goed gegist; het Engelsche kamp bestormen ware dolzinnigheid geweest. Het lag ook niet in de werkelijke bedoeling van Joubert, maar hij wilde door een schijnbeweging den generaal verlokken, om zijn troepen, die op Schuinshoogte vochten, naar het kamp terug te trekken. Doch Colley's slimheid verijdelde de krijgslist, en Joubert trok zijn volk terug.

En in een spanning, die inderdaad een foltering werd, staarde hij naar het slagveld. Op een harden klipsteen, daar zette hij zich neder, en zoo ver hij het gevecht kon opnemen, werd het vuur der afgematte en afgebeulde Boeren al zwakker.

Hij wist dat de Engelschen een vierdubbele overmacht hadden; hij wist, dat de Boeren slechts schaars van ammunitie waren voorzien. En toch durfde hij die wakkere helden van Schuinhoogte niet bij te springen, uit vrees, zijn eigen positie te veel te ontblooten.

En zoo zat hij op dien harden klipsteen, en zuchtte. En de Boerenaanvoerders stonden zwijgend naast hem, en staarden naar het gevecht, totdat de zon in 't westen onderging.

Maar de strijd scheen zwaarder en bitterder te worden, en de grond begon den opperbevelhebber onder de voeten te branden.

Hij rees op van den klipsteen en zeide: "Ik kan dat niet langer aanzien; wij zullen onze broeders helpen!"

Een sterke wacht bezette den Nek, en met 200 ruiters trok Joubert op, generaal Smit ter hulpe.

Maar de hemel verdonkerde zich; duistere mistwolken legerden zich over den omtrek, en een losbarstende donderstorm geeselde de flanken van het Drakengebergte.

Joubert kon niet verder; midden in den tocht, bij den Spitskop, bleef hij steken.

Het was een vreeselijke nacht. De wind gierde; de regen viel in stroomen. De taaie paarden stonden, met den kop van den wind gekeerd, met neergebogen nek, en de Boeren stonden er naast, den paardenteugel om den arm geslagen, huiverend van de koude.

Maar vreeselijker dan dit alles was de pijnigende gedachte: "Hoe is het te Schuinshoogte afgeloopen?"

Hoe was het te Schuinshoogte afgeloopen?

"De Negenponders," zegt een Engelsch rapport, "schoten op het front der Boeren. Om de nabijheid van den vijand te toonen, is het alleen noodig, te melden, dat, onafhankelijk van de bommen, tot schroot de toevlucht werd genomen, en hoe gevaarlijk die nabijheid der Boeren was, blijktuit het feit, dat de Boeren onze kanonniers met merkwaardige juistheid wegschoten. Onze kapitein Green viel, terwijl hij orders gaf, en vóór dat er eenige minuten verliepen, waren er 14 van de 25 man bij de kanonnen gedood of gewond. Toen werden orders gegeven, om met de kanonnen terug te gaan, die een eind achter hun vorige positie werden geplaatst. Het vuren werd met groote hevigheid voortgezet. Geen enkele plek op het vlak van de hoogte kon beschouwd worden als voldoende beschut, om veiligheid te verschaffen. De kogels vlogen in elke richting, veroorzakende een groot verlies van paarden en manschappen; zelfs de gekwetsten ondergingen hetzelfde lot. Verscheidene hunner zijn gedood, vóórdat hun eerste wonden konden worden verbonden. De Boeren gedroegen zich met prijzenswaardige dapperheid."

Voet voor voet, van klip tot klip rukten de Boeren langzaam, langzaam voorwaarts. De oprakende ammunitie werd telkens bij de veroverde klippen uit de patroontasschen der gesneuvelde Engelschen aangevuld, en de kanonniers hadden het bij de stukken hard te verantwoorden.

De Engelschen streden met een dapperheid, hun oude wapenroem waardig, maar de Boeren hadden de gelofte gedaan, niet te zullen wijken. Zij schoten met een nauwkeurigheid, die de Engelschen met schrik vervulde, en zij streden met den heldenmoed der oude Spartanen. Tegen den avond waren zij vóóruitgedrongen tot een klipstapel, midden op Schuinshoogte, maar de duisternis kwam en scheidde de strijdenden. Doch de Boeren konden zich bijna niet meer op de been houden; zij waren dood op. Daarbij moesten zij in 't open veld overnachten, in den kouden, zwaren regen, en zij werden gekweld door den honger.

Terwijl zij het allernoodzakelijkste moesten ontberen, brachten zij met hun dooden en gewonden een onbeschrijfelijken nacht door, doch met het onwrikbaar plan, om den kamp ook den volgenden dag voort te zetten. Maar zoover zou het niet komen.

Vriendelijk ging de zon op over Schuinshoogte, en met verwondering zagen de Boeren een witte vlag naderen.

Doch zij begonnen de beteekenis van zoo'n witte vlag allengs te begrijpen. Zij hadden haar op het Gouvernementskantoor te Potchefstroom, te Bronkhorstspruit en te Lang-Nek reeds gezien.

De witte vlag werd vergezeld door drie Engelschen: een dokter, een officier en een huzaar.

De officier wendde zich tot generaal Smit en vraagde hem verlof, om de dooden te mogen begraven en de gewonden weg te voeren.

Nu eerst begrepen de Boeren het ten volle.

De Engelschen hadden den vorigen avond het slagveld geruimd, hadden, door een onweerstaanbare paniek aangegrepen, hun dooden en gewonden onbarmhartig in den steek gelaten, en waren, door de duisternis begunstigd, over de Ingogo-rivier gevlucht.

Een handvol afgematte Boeren had vijf compagnieën infanterie en een afdeeling huzaren uit een goed gedekte stelling verjaagd en op de vlucht gedreven!

Inderdaad, zulke feiten gaven de Engelschen reden tot nadenken!

Nadat generaal Smit toestemming had gegeven, naderden eenige honderden Engelsche soldaten met de noodige wapens, en de gewonden en de stervenden, die hulpeloos waren achtergelaten, werden achter de klippen, in het gras, tusschen de struiken opgezocht, en op de verbandplaats, bij de wagens neergelegd.

De dokter met zijn adsistenten begonnen nu het werk.

Zij stroopten de mouwen op, wieschen de wonden der ongelukkigen, sneden met vlijmscherpe messen de kogels uit het vleesch, en zetten, waar het noodzakelijk was, armen en beenen af.

Alles gebeurde ruw en snel; toch werd het avond, alvorens men gereed was. De verbandplaats leek een slachtplaats, en de Schuinshoogte weergalmde van de luide jammerkreten der ongelukkigen.

De soldaten dolven intusschen diepe, wijde kuilen, en daarin stapelde men, in lagen van 12 lijken telkens, de Engelschen op elkaar, die door het Boerenlood waren geveld. Doch de kuilen waren niet diep genoeg, en men stapelde de lijken tot boven de wanden der graven uit. Toen werden de kuilen armoedig met aarde toegedekt, maar later spoelde die aarde door de menigvuldige regens op verscheidene plaatsen weg, en voeten, hoofden en handen kwamen omhoog als de afgrijselijke gedenkteekenen van Engelsche politiek. En de aasvogels streken neer, en vonden een rijken maaltijd....

Onder de gesneuvelden waren zes der dapperste officieren, terwijl een zevende, die zich bij het gevecht op Schuinshoogte bijzonder had onderscheiden, bij den nachtelijkenovertocht over de hooggezwollen Ingogo-rivier zijn graf in de golven vond.

Ook een Hollander, met name Stuart, die als tolk dienst deed in het leger van Colley, werd dood op het slagveld gevonden.

De Engelschen hadden een verlies van 232 man, de Boeren een verlies van 22 man aan dooden en gewonden.

En ofschoon over meer dan één door den kruitdamp zwart geblaakt gelaat een traan van droefheid biggelde bij het lijk van een broeder, van een vader of van een kind, in het hart der Boeren begon al vaster de overtuiging te wortelen, dat de Heere met hen was, en zij dankten Hem met ontroerde harten voor de schitterende overwinning.

Terwijl de Engelschen hun dooden begroeven en hun gewonden wegbrachten, wandelden de overwinnaars het slagveld rond. Welk een aanblik! Patroonhulsen, vleeschblikken, witte helmen, sabels, geweren, losse patronen, het lag alles in de bontste wanorde verspreid, en terwijl het gras overal door de voetstappen en paardehoeven was plat getreden, lagen de doode paarden tusschen de opgedroogde plassen menschenbloed.

Maar de Boeren zochten de ammunitie en de wapens zorgvuldig op, en vulden hun bandelieren met de Engelsche patronen. En de kommandant-generaal Joubert, die met zijn hulptroepen was aangekomen, plaatste zich op een stapel klipsteenen en zeide: "Dierbare Broeders! Als ik het slagveld hier overzie, en het dappere werk, dat gij hebt verricht, dan merk ik toch op, dat gij er heel gelukkig zijt afgekomen, want de Heere heeft u wonderbaarlijk gered. Houd dus moed, mannen, en blijft strijden voor uw heilig recht. God zal ons helpen, zooals Hij tot hiertoe ons geholpen heeft. Maar vergeet volstrekt niet, om den Heere te danken voor Zijne groote weldaden, aan ons bewezen. Verder, mijne waarde landgenooten en broeders, kan ik niet anders dan u danken voor uwe standvastigheid en uwen mannenmoed in den strijd. Ik verzeker u, broeders, dat ik mij over mijn eigen menschelijke zwakheid meer dan eens heb geschaamd tegenover u, als ik u zoo standvastig zie strijden in al die groote moeilijkheden. Broeders, ik vertrouw op u, en van mijn kant kunt gij verzekerd zijn, dat ik zal blijven trachten, uwe rechtvaardige zaak te behartigen zoo goed als in mijn vermogen is!"

Zóó doortintelde hetzelfde gevoel den opperbevelhebber enden geringsten burger: het gevoel voor de vrijheid. En dit gevoel gordde hen aan, om, man voor man, het eigen leven te wagen in den strijd voor vrijheid en recht!

De tweedracht, die de kracht der Boeren zoo dikwijls had verlamd, was verdwenen als een morgennevel, en zij waren nu, onder den donder van het Engelsche geschut, waarlijk geworden een volk van broeders!

Des avonds betrokken de Boeren, die nu tot een legertje van 500 ruiters waren aangegroeid, aan de zuidzijde van Schuinshoogte een lager.

In een wijden kring werden de vijfhonderd zadels naast elkander geplaatst, en in dien kring, aan ieder zadel vastgebonden, diens paard. De Boeren legden zich nu aan den buitenkant van den cirkel, met hun zadel tot hoofdkussen.

Dàt was het lager. Het was even praktisch als eenvoudig, en de paarden stonden zoo veilig als op stal.

Den volgenden dag keerde Joubert met honderd man terug naar het oude lager bij den Lang-Nek, doch de wakkere Nicolaas Smit trok met zijn Boeren dieper Natal in, om de passen van het Biggarsgebergte te bezetten. Met buitengewone hartelijkheid werden de Boeren door de Hollandsche Afrikaanders, die in Natal wonen, ontvangen, en men drong twintig uren gaans het Engelsche gebied in. Doch generaal Wood, die met groote versterkingen in aantocht was, trok om het Boerenkommando heen, en generaal Smit kreeg geen kans, om den vijand aan te tasten.

Toen liet hij zwenken, onderschepte een convooi van 22 ossenwagens, beladen met proviand en bestemd voor het kamp van generaal Colley, en verraste een groote kudde van 300 slachtbeesten en 109 paarden en muildieren, aan het Engelsche leger toebehoorend.

Met dezen buit werd de terugtocht aangenomen, en wat niet meegenomen kon worden, verbrand of vernield.

Wij moeten naar Pretoria, de zetelplaats van het Engelsche gouvernement. Hier lag generaal Lanyon, die de stadin zijn macht had, en buiten de stad lagen Boeren, onder het bevel van generaal Schoeman.

Dat de Boeren Pretoria niet machtig konden worden, spreekt van zelf, en dat zij generaal Lanyon hebben in toom gehouden, was reeds een groote, verdienstelijke daad.

Lanyon, voerde een groot en hoog woord, zooals de Engelschen dat gewoon zijn, maar de Boeren stoorden zich daar minder aan, en klepperden lustig op hun taaie, sterke paardjes om de vijandelijke stellingen heen. Dat begon de Engelschen al heel gauw te vervelen, en den 28stenDecember vielen zij met vijftig vrijwilligers een Boerenpatrouile aan.

"Goed," zeiden de Boeren, "zijwillenvechten; nuzullenwij vechten."

Zij dekten zich achter een heuvelrand en schoten drie Engelschen dood.

Toen gingen de vrijwilligers op den loop, en vertelden in Pretoria, dat zij door een groote, vijandelijke overmacht, waar zij niet tegen op konden, waren aangevallen.

Nu bestond de geheele Boerenpatrouille uitzevenman, die met vijf veroverde paarden en in de vroolijkste stemming naar hun lager terugreden.

Maar de dappere vrijwilligers lieten het er niet bijzitten.

Zij kregen hulp en rukten nu met honderd man in het veld.

Doch ook dezen keer konden zij niet tegen de Boeren op, en zij keerden met hun dooden en gewonden in de stad terug.

Lanyon keek hen verwonderd aan, maar de dappere vrijwilligers zeiden: "Generaal, hier is alle heldenmoed te vergeefsch, want de overmacht is verpletterend."

Nu bestond de macht der Boeren, de aanvoerder mee geteld, uit —vijftienman.

In 't Oosten van Pretoria stond Hans Botha op wacht. Deze wacht bestond uit 36 man en 5 ossenwagens, en den 6denJanuari werd dit troepje aangevallen door 550 Engelsche soldaten en 2 kanonnen. Tegenover deze vreeselijke overmacht kon Botha slechts 18 man stellen, want de andere 18 man moesten bij de wagens blijven. Toch week onze held geen stap, maar nam den strijd manmoedig op. Hij vocht tot hij niet meer kon, en met vier kogels in het lichaam, drenkte hij met zijn heldenbloed den Afrikaanschen grond.

Zwaar gewond viel hij met zijn dapperen in de handen van den vijand, maar tegen aller verwachting herstelde hij, en werd later uitgewisseld en in vrijheid gesteld.

H. Pretorius, die zich ten zuidwesten der stad met zijn manschappen in lager bevond, werd in den avond van den 15denJanuari gewaarschuwd, dat er den volgenden morgen een uitval kon worden verwacht.

"Goed," zeide de aanvoerder, "wij zullen de Roodbaatjes ontvangen," en 's morgens drie uur liet hij opzadelen, en trok met zijn ruiters den vijand tegemoet. Toen de zon opging, hoorde men den donder van het kanon, en de Boerenpatrouilles, die snel van de heuvelen neerdaalden, riepen: "Daar komen drie troepen beesten uit de stad hard aanhollen." Maar Pretorius schudde het hoofd, want hij begreep, dat het geen beesten waren.

Een poosje later kwamen andere patrouilles en rapporteerden: "Het zijn paarden en wagens."

"Dat begint er beter op te gelijken," zeide Pretorius.

Intusschen was de vijand snel genaderd, en op veertig minuten afstands van het Boerenkommando stelde hij zijn slagorde op; de Hottentotten op den rechtervleugel, de vrijwilligers op den linkervleugel, en de soldaten met de veldstukken in het centrum.

Om acht uur 's morgens gaven de Boeren het eerste schot, en de Hottentotten begonnen storm te loopen tegen de heuvelen, waarin zich de Boeren hadden vastgezet. Onmiddelijk begonnen de kanonnen met bommen te werpen, en met verbittering trokken de Engelschen voorwaarts. Het gevecht nam dadelijk een ernstige wending, want geen tien minuten na het eerste schot werd de wakkere Pretorius door twee kogels tegelijk in den schouder getroffen. Met bekommernis in het hart staarden de vechtende Boeren hun aanvoerder aan, maar hij vermande zich, en om hun moed te sterken, riep hij met luider stem, terwijl zijn bloed den bandelier rood kleurde: "Komt jongens, 't is maar een veeg van het vel, en als het God behaagt, zal dit bloed gewroken worden. Ik zal hier op het gevechtsterrein blijven, en zal u trouw blijven tot den dood." Toen schepte het kleine hoopke Boeren moed, en zij streden als leeuwen.

Maar de Hottentotten drongen al meer op, en als klipbokken over de rotsen springend, naderden zij de Boeren tot op 60 pas.

De Engelsche bevelhebber achtte thans het oogenblik gekomen, om het Boerenkamp te nemen, en van twee zijden liet hij het bestormen.

Nu begon de nood inderdaad hoog te klimmen. Wel wisten de Boeren den vijand door een woedend vuur op een afstand van 400 pas te houden, doch hoe lang zou dat nog kunnen duren?

De ammunitie raakte op en al heftiger drongen de Engelsche soldaten op.

Uitgeput van bloedverlies, zette Pretorius zich neder op een klipsteen.

Met strakken blik staarde hij op het gevecht, en de harten van zijn wakkere krijgers begonnen te versagen.

Doch plotseling werd het licht in zijn matte oogen. Zij begonnen te schitteren in nieuwe hoop.

In de verte werden kleine rookwolkjes zichtbaar, die snel naderden. De breede randen van boerenhoeden werden zichtbaar over de heuvelen.

Het waren manschappen, door generaal Schoeman, die den benarden toestand onzer Boeren had begrepen, gezonden.

Onmiddelijk gaf nu de gewonde kommandant order, om te stormen, en met een luid hoera werd het bevel ontvangen.

Nu konden de Hottentotten het niet langer houden, en de Engelschen en de vrijwilligers evenmin. De vrijwilligers liepen het hardst, en de vijand werd tot op 50 minuten afstands van de stad vervolgd, toen de artillerie van het fort het gevecht opnam, en de Boeren in hun loop stuitte.

Met blijde harten keerden de dappere mannen naar hun kamp terug, den God der heirscharen luide dankende voor de zegepraal.

Wij zijn op den terugtocht van het kommando onder generaal Smit.

Het is nacht.

Helder schijnt de maansikkel aan den onbewolkten hemel. De Boeren liggen in groepen, de paardezadels tot hoofdkussens, te slapen aan de windvrije zijde van een met struikgewas begroeide heuvelketen.

Op bepaalde afstanden zijn de schildwachten uitgezet.

Uit het struikgewas, op den heuvel, treedt thans een man te voorschijn.

Behoedzaam klimt hij den heuvel af.

Daar stoot zijn voet tegen een kleinen klipsteen, die naar beneden rolt.

Onbewegelijk blijft hij staan, zich vasthoudend aan de graszoden en zich in de schaduw houdend.

De kleine klipsteen is naar beneden gerold en bleef daar liggen. Het blijft rustig in het kamp.

Nu heeft hij den vlakken grond bereikt.

Hij legt zich op den grond en beweegt zich op handen en voeten voorwaarts.

Thans is hij midden in het slapende kamp.

Hij buigt zich telkens voorover, als een panter, om de gelaatstrekken der slapenden te onderscheiden.

Bij het licht der maan zijn de trekken goed te onderscheiden.

Hij gaat al voort, van groep tot groep. Niet één groep slaat hij over.

Hij sluipt langzaam en voorzichtig voorwaarts;voorzichtig als een sluipmoordenaar.

Inderdaad, er ligt iets angstwekkends in zijn doen.

Daar slaat hij de hand op een voet.

De slaper trekt den voet terug, doet de slaapdronken oogen open en mompelt — "Karel wat moet je?"

Karel is zijn kameraad, die naast hem ligt.

Maar Karel slaapt.

"Hij heeft mij zeker in den droom met zijn groote laarzen gestooten," zegt de slaapdronken man.

Had hij even in het rond gekeken, dan had hij den nachtwandelaar kunnen zien, dicht aan zijn voeten, plat tegen den grond.

Maar dan nog zou hij geen onraad hebben vermoed, want de onbekende was gekleed als een gewone Afrikaansche Boer, en hij zou hem voor een van zijn slapende kameraden hebben gehouden.

Doch hij kijkt niet eens in het rond. De Boeren hebben den gepasseerden dag een langen, vermoeienden tocht gemaakt en hebben behoefte aan slaap. Onze Boer strekt zich lang uit, en is onmiddellijk weer in diepen slaap.

De nachtwandelaar moet lang zoeken vóór hij het doel van zijn tocht heeft bereikt.

Maar thans schijnt hij dat doel bereikt te hebben.

Bij een kleine groep Boeren houdt hij stil.

De eerste van die slapende groep, die is het al.

Het is Dirk Kloppers.

Er liggen nog een drietal personen dicht in zijn nabijheid: zijn zoon Jan, zijn zwager Lodewijk Jansen en de leeuwenjager.

Maar die moeten het niet zijn.

Dirk Kloppers, die moet het zijn.

De onbekende luikt half zijn oogen en staart op den grijzen voortrekker.

De slaper heeft den rechterarm onder het hoofd geschoven; diep en regelmatig gaat zijn ademhaling.

"Hij is taai," mompelt de bespieder — "taai."

Aan de rechterzijde van den ouden Kloppers ligt diens geweer en bandelier.

De onbekende neemt eerst het geweer.

"Een Henri-Martini," zegt hij met het oog van een kenner; "ik ken het wel."

Hij haalt den scherpen patroon uit het slot, en schuift er een losse patroon voor in de plaats. Dan legt hij het weer op de oude plaats.

Ondertusschen beweegt zich het krachtige lichaam van den ouden man.

De onbekende haalt een breeden dolk uit de leederen schede.

Met een ruk werpt de Voortrekker zich op de andere zijde,

Geen tien seconden later wordt weer zijn diepe, regelmatige ademhaling gehoord.

De bespieder steekt den dolk weer in de schede.

"'t Is beter zóó," mompelt hij.

Nu neemt hij den bandelier en onderzoekt hem nauwkeurig.

"'t Is de zijne," mompelt hij zacht: "daar is het kleine brandvlekje, dat Arie verleden jaar er aan heeft gemaakt met een brandend vuurhoutje."1)

Hij schuift er de scherpe patronen uit en steekt ze in zijn zak.

Hij heeft er twintig geteld.

Of één en twintig?

Hij twijfelt en telt ze nog eens.

Het waren er toch maar twintig.

Hij vult den bandelier weer met twintig losse patronen.

Nu heeft hij zijn taak volbracht en verwijdert zich langzaam. Maar hij keert nog eens terug en staart nogmaals met half geloken oogen naar den rustig slapenden Voortrekker.

Uit die oogen flikkert een volheid van haat.

En nu gaat hij heen voor goed, houdt zich zooveel mogelijk in de schaduw en beklimt den heuvel.

Nu staat hij in het volle licht der maan.

Gij herkent hem.

Het is Kees Botter.

Het was een droeve, sombere dag, die op den milden zomernacht volgde. De mistwolken trokken laag door de lucht, en er viel een fijne regen.

Het Boerenkommando trok zwijgend voort en hoopte nog van daag te Lang-Nek, in het lager van Joubert, aan te komen.

In de achterhoede bevond zich het gezelschap van Dirk Kloppers. Op een matigen draf avanceerden zij, en de paarden lieten de moede koppen treurig hangen.

"We worden oud," zeide de leeuwenjager tot zijn twee oude wapenbroeders.

"En hoe ouderwij worden, hoe sneller de jaren voorbij schijnen te gaan," meende Jansen.

"En het beste er van is moeite en verdriet," voegde de oude Kloppers er aan toe.

De leeuwenjager staarde naar de verte.

"Dat is lang geleden, dat wij tegen de Matabele-Kaffers hebben gevochten in den Oranje-Vrijstaat," zeide hij.

"'t Was een vreeselijke dag," zeide Jansen, die aan zijn broeder dacht, die toen sneuvelde, maar Kloppers zeide: "God heeft ons toen wonderbaarlijk uitgered!"

Nu begon de leeuwenjager over de Zoeloe-oorlogen te spreken, over den vroegeren oorlog met de Engelschen en den lateren burgeroorlog tusschen de Boeren onderling.

"Ik weet eigenlijk van daag nog niet," zeide Jansen, "waarom wij elkander toen bevochten hebben."

"Gelukkig is er niet veel bloed gestroomd," zeide Kloppers.

"Dat heeft oom Paul gekeerd," meende Jansen, en de beide anderen bevestigden het.

Er volgde eene pauze; Jan reed op zijn moorkop een klein eind voor de anderen heen.

De leeuwenjager begon op nieuw van het verleden.

Hij was heden morgen spraakzaam, buitengewoon spraakzaam, en er lag een weemoedige klank in zijn stem.

Hij scheen er bijzonder vermaak in te scheppen, om de beelden van het verleden, een voor een, nog eens voor zijn geest en voor dien van zijn twee vrienden voorbij te laten gaan.

"Wat is de mensch?" riep hij eindelijk uit. "Hij wordt geboren, worstelt en sterft!"

"Hij begint zijn leven met een kreet," zeide Kloppers, "en hij eindigt het met een snik."

"En wat daartusschen ligt, is een droom," zuchtte de leeuwenjager.

Kloppers keek zijn vriend aan; hij had hem zoo nog nooit hooren spreken.

"Wij gaan naar ons eeuwig huis, Teunis," zeide Kloppers.

De leeuwenjager knikte ernstig.

"En elke dag kan onze laatste zijn," voegde Kloppers er aan toe.

"Van daag is hetmijnlaatste dag," zeide de leeuwenjager op bedaarden toon, maar zoowel Kloppers als Jansen hielden den teugel van hun paarden in, en keken den spreker aan met verbaasden blik.

"Ge verwondert je over mijn gezegde?" zeide de leeuwenjager; "toch is het zoo."

Lodewijk Jansen schudde den stevigen kop.

"Slechts eens in mijn leven," zeide hij, "heb ik een man ontmoet, die precies sprak als neef Teunis. Hij legde zich te bed en beweerde dat hij niet meer op zou staan. Hij nam afscheid en sloot de oogen. Maar den volgenden morgen — vooruit, zwarte! — den volgenden morgen stond hij in blakende gezondheid op. En dat was al heel verstandig — vooruit dan zwarte! — want hij heeft nog vijf en twintig jaar geleefd."

Kloppers lachte bij dit verhaal, en de leeuwenjager lachte hartelijk mede.

"Bovendien," zeide Jansen, "niemand weet den dag zijns doods."

"Ik bij voorbeeld, kan eerder sterven dan gij," zeide Kloppers; "we weten het niet. Het is, zooals mijn zwager zegt."

"Er kunnen uitzonderingen plaats vinden," meende de leeuwenjager.

"Hoe weet je dan," vorschte Kloppers, "dat jij van daag zult sterven?"

"Het ligt mij zoo bij," antwoordde de aangesprokene; "het is een voorgevoel."

"Gij zijt toch niet ziek?" vraagde Kloppers, en hij keek zijn wapenbroeder aan met bezorgden blik.

"Zie ik er uit als een zieke?" was de wedervraag van den leeuwenjager.

Neen, hij zag er niet ziek uit. Er zat veerkracht in dat verweerd gelaat.

"Het is toch niet waarschijnlijk, dat wij van daag op de Engelsche troepen zullen stooten," meende Jansen.

"Het behoeft ook geen kogel te zijn, die mijn levensdraad afsnijdt," zeide de leeuwenjager.

"Ik had nog zoo gaarne voor 't laatst van daag de zon gezien," ging hij voort, en hij staarde weemoedig omhoog, in de dichte, grijze mistwolken.

Kloppers noch Jansen wisten, wat zij daarop antwoorden zouden.

Zij vonden de houding van den leeuwenjager raadselachtig; zij begrepen hem niet. Deze hartstochtelijke, krachtige, schijnbaar harde man was nu zacht als een kind.

"Ik heb altijd van de zon gehouden," begon de jager op nieuw; "ik had ze zoo gaarne nog eens gezien!"

"Als zon en maan geen schijnsel meer zullen geven," zeide Kloppers, dan zal de zonne der gerechtigheid nog stralen in onverdoofbaren glans."

"Ja," zeide de leeuwenjager ernstig, en zwijgend zette men den tocht voort. Zijn voorgevoel drukte de anderen neer.

De fijne regen hield aan; zacht druppelde het water van de bladeren der boomen naar beneden, en niets dan een aasvogel verbrak de eentonige stilte door zijn schorren schreeuw. De paarden lieten de moede koppen hangen, en het getrappel der hoeven smoorde in den weeken, papperigen grond.

Juist zouden onze ruiters den weg links inslaan, die zich kronkelde tusschen twee bergen, toen een blanke in snellen draf van rechts kwam aanloopen.

Hij droeg de kleeding van een gewonen boer, zwaaide met zijn armen en riep: "Is baas Kloppers daar?"

De Boeren hielden den teugel van hun paarden in, en wachtten hem op. Maar Jan was reeds den weg links ingeslagen en uit het gezicht.

"Wat moet je?" vraagde Kloppers.

"Ik moet u spreken, baas!"

"Waarover?"

De vreemdeling was nu dicht bij gekomen en zeide, de hand aan den stijgbeugel slaande: "Kees Botter ligt op sterven."

"Kees Botter?" riep Kloppers met verwondering en bevreemding.

"Ja, baas," zeide de vreemdeling; "hij heeft te Schuinshoogte een schot door de longen gekregen en zal 't niet lang meer maken."

Het opkomend wantrouwen bij Kloppers werd door deze opmerking gestild; immers hij had den verrader zelf herkend onder de vijanden op Schuinshoogte.

"En wat zal dat?" vraagde hij.

"Hij heeft mij de boodschap opgedragen," antwoordde de vreemdeling, "u te verzoeken, hem thans, vóór zijn dood, tusschen vier oogen te spreken."

"Waarvoor?" vraagde Kloppers, terwijl het wantrouwen op nieuw bij hem boven kwam.

"Hij wil u om vergiffenis smeeken van wege zijn verraad," zeide de vreemdeling, maar Jansen riep met harde stem: "Laat hijGodom vergeving vragen!"

"En dan wil hij," ging de vreemdeling voort, "om zijn verraad zooveel mogelijk goed te maken, aan baas Kloppers belangrijke mededeelingen doen omtrent de Engelsche posities."

"Waar is hij?" vraagde Kloppers.

De vreemdeling wees met de hand in de richting, van waar hij gekomen was.

"Ginds," zeide hij, "achter dat kreupelbosch ligt hij in een hut. Wij hebben hem daar heen gedragen na het ongeval te Schuinshoogte."

Dit klonk alles waarschijnlijk; immers Schuinshoogte was nu niet ver meer af.

"Maar waarom liet de Engelsche spion zich niet door den Engelschen dokter verbinden?" vorschte de wantrouwende Jansen.

"Omdat de Engelsche uniformen hem herinnerden aan zijn verraad, en hij kon dat niet uitstaan bij zijn naderend einde."

"En hoe ben jij in zijn dienst gekomen?" vraagde Kloppers.

"Dat is al heel natuurlijk," antwoordde de vreemdeling. "Hij had geld in overvloed en betaalt mij ruim."

"Hoever is het hier van daan, waar je baas ligt?" vraagde Kloppers.

"Een half uur," antwoordde de aangesprokene.

De grijze Voortrekker dacht nog een oogenblik na; toen zeide hij: "Ik ga mee."

"Daar ben ik blijde om," zeide de vreemdeling verheugd, "want het zal gauw met Kees Botter zijn afgeloopen."

"We zullen hier wachten," zeide de leeuwenjager.

"Of ge kunt doorrijden," zeide de vreemdeling, "en hier een paar mijlen van daan aan de spruit baas Kloppers opwachten. Ik zal hem daar brengen; hij snijdt dezen hoek dan af."

Hij beschreef met de hand de richting, en zijn voorstel werd aangenomen.

De leeuwenjager en Jansen sloegen links, en Kloppers met zijn gids wendden rechts.


Back to IndexNext