HOOFDSTUK XXIV.

Zij hebben spoedig het kreupelbosch bereikt.

"Moeten we daar door?" vraagt Kloppers.

"Ja," zegt de gids; "het pad wijst ons den weg."

De natte takken slaan beiden in het gezicht, maar de regen heeft opgehouden. De mistwolken trekken op.

"Ik verwacht van daag nog mooi weer," zegt de gids.

"Ik ook," zegt Kloppers.

Hij haalt den tabaksbuil uit den zak en stopt zijn pijp.

Zwijgend gaan zij verder.

Oogenschijnlijk is ieder in zijn eigen gedachten verdiept. Baas Kloppers denkt aan den stervenden verrader.

Daar treden, vijftig pas vóór hen, een viertal Kaffers uit het kreupelhout en nemen het pad in.

Zij blijven er staan.

Kloppers ziet het, maar hij neemt er verder geen notitie van.

Nu is hij met den gids de groep genaderd.

"Op zij, Kaffers!" roept hij, maar zij gaan niet op zij.

Zij versperren het pad.

"Op zij!" roept hij nog eens, "of ik rijd jullie onder den voet."

"Rij op!" zegt de grootste van de Kaffers op brutalen toon, "rij op!"

Nu begrijpt Kloppers, dat het meenens wordt.

Hij rukt het geweer van den schouder en legt aan.

"Op zij," roept hij, "of ik schiet."

"Schiet op!" zegt de brutale Kaffer.

Nog nooit heeft de oude Voortrekker zoo'n weerbarstigheid ontmoet.

Hij kijkt naar zijn gids, want een schrikkelijk vermoeden rijst op in zijn geest — de gids staat achter hem, metnogeen viertal Kaffers.

"Verraad!" roept hij, terwijl hij verbleekt.

Hij geeft vuur — voor den eersten keer mist hij zijn doel.

Hij neemt een nieuwe patroon uit den bandelier. — "Verraad!" roept hij nog eens.

Met een vreeselijken ruk werpt hij zijn klepper om, maar acht, twintig handen strekken zich naar hem uit, sleuren hem van het paard en binden hem.

Hier is geen weerstand mogelijk; de overrompeling is volkomen.

"Dat isjouwerk, Kees Botter," knarst de Voortrekker tusschen zijn tanden.

"Goed geraden," zegt Kees Botter, die thans te voorschijn komt.

"Bind hem de handen op den rug," kommandeert hij — "stevig!"

Onderwijl echter is het onbeheerde, schichtig geworden paard op den hol gegaan en rent het pad terug.

"We zullen het doodschieten," zegt de voorzichtige Botter, "anders kan 't ons verraden."

Hij jaagt het weghollend dier twee kogels in het lichaam, en het stort stervend neer, midden in het pad.

Nu wordt de geboeide verder het kreupelbosch door gebracht, tot men een open terrein bereikt, een platten heuvel met een soort hut of houten schuur er boven op.

Deze hut heeft van voren en van achteren een deur, en op zij van weerskanten een klein venster.

Van voren is de hut gemakkelijk te bereiken, doch aan den achterkant gaapt een diepe kloof.

Men gaat de voordeur in, en Botter schuift er de twee grendels voor.

De geheele ruimte der hut bestaat uit slechts één vertrek, met een duffe, benauwde lucht.

Er brandt een vuurtje aan den haard, en er staan een paar vermolmde stoelen in den omtrek.

Het ziet er hier verschrikkelijk verwaarloosd uit.

De grijze Voortrekker zet zich op een stoel.

"Wat zeg je daar nou van?" vraagt Botter, terwijl hij zich de handen wrijft.

De oude Kloppers is in een vreeselijken toestand, enhij staart zwijgend door het kleine venstertje naar buiten.

Maar al zou hij zich door een knieval uit dezen vreeselijken toestand hebben kunnen redden, dan zou hij dit tochniethebben gedaan, want in dit karakter zit de onwrikbaarheid van Cromwell's rondkoppen.

En alhadhij het gedaan, dan zou het hemtochniet hebben geholpen.

"Wat zeg je daar nou van?" vraagt Botter nog eens.

"Je begint aan te leeren," antwoordt Kloppers; "je baas zal bepaald plezier van je krijgen."

"Mijn baas — ikhebgeen baas," zegt Botter met een hoonlach.

"Ja toch, gij hebt wel een baas," zegt Kloppers; "de duivel is je baas. Kijk maar even om, verrader; hij staat juist achter je en grinnikt van plezier."

"De vent is gek geworden," schaterlacht Botter; "stapelgek van angst."

De Kaffers, die staande of gehurkt zich in de hut bevinden, lachen mede, en het gelach klinkt akelig door de holle ruimte.

De blanke gids en de reusachtige Kaffer begeven zich intusschen door de ongegrendelde achterdeur naar buiten.

De regen heeft nu opgehouden. Zij zetten zich bij de achterdeur neder, en hun beenen hangen over den rand der diepe kloof.

Kees Botter wandelt op en neer, en hij kijkt zijn slachtoffer aan met een volheid van haat. Even als gepasseerden nacht. Doch toen had hij de oogen half geloken, en nu zijn ze wijd, wijd open.

"Nu ben je inmijnhand, begrijp je dat?" zegt hij.

Hij heeft zoo ongeveer het gevoel van den tijger, die speelt met zijn prooi.

Maar zelfs in dit vreeselijk oogenblik laat de ijzeren Voortrekker nog niet met zich spelen.

"Ik ben inGodshand," zegt hij met waardigheid, "en zonder Zijn wil zal mij geen haar worden gekrenkt."

"En waar was jou God gisteren nacht," roept de verrader, "toen ik jou scherpe patronen nam, en er de losse voor in de plaats deed? En waar was jou God, toen we je overrompelden? En waar isthans, opditoogenblik jou God?" roept hij met een vreeselijken vloek.

Zijn stem is schor van hartstocht, en wat er uit die oogen flikkert, het is de geest van den Satan.

"Ge bent krankzinnig, ongelukkige," roept de Voortrekker, en hij rilt van afgrijzen.

"Weet ge 't nog, dat ge mij met dien doorntak hebt gegeeseld? Kunt ge 't niet zien, beul?" vraagt Botter.

De verrader buigt zich voorover tot dicht voor het gelaat van zijn slachtoffer.

De lidteekenen van die slagen loopen kruiselings over zijn gelaat als twee bloedige voren.

En die bloedige voren schijnen op dit oogenblik te vlammen....

Botter wendt zich tot de Kaffers.

"Bindt hem vast aan den stoel," beveelt hij.

Het is gauw gedaan.

"Maakt zijn rechterhand los!"

Ook dit is spoedig gebeurd.

"Zie," sist hij tusschen zijn tanden door, "je hebt mij met je rechterhand gebrandmerkt — je zult die rechterhand verliezen."

Hij neemt een zwaar houten blok en plaatst het bij den ongelukkige

"Bindt zijn rechterhand op het blok vast," kommandeert hij. "En waar is de bijl? O, ik zie hem al. Ik zal zelf het genoegen hebben, er de hand af te kappen."

Zelfs de Kaffers ijzen van zulk een berekenende wreedheid.

"Zijt ge bang, lafaards?" roept hij woedend.

Nu naderen ze Kloppers, en binden zijn hand vast op het blok.

De bijl wordt er naast gelegd.

"Waar is de ijzeren stang?" vraagt de verrader.

Een Kaffer haalt hem; uit een hoek van het vertrek.

"Stookt het vuur wat op," beveelt hij.

Er worden eenige dorre blaren en takken op geworpen; het vuur begint lustig te branden.

De verrader schuift de ijzeren stang tusschen de gloeiende kolen.

Nu begrijpt Kloppers de bedoeling; hij staart met ontzetting in het vuur, naar de stang, die allengs rood gloeiend wordt.

"Dacht ik het niet?" zegt de verrader; "ik zal je nog wel murw krijgen. Met den gloeienden bout zal ik je teekenen — ik heb je immers beloofd bij ons laatste onderhoud, dat je nog aan mij denken zult? Jij teekent met dorens;ikmet gloeiend ijzer; dat is het onderscheid."

En de Kaffers werpen steeds nieuwen voorraad op het vuur, en de ijzeren stang begint te gloeien... te gloeien.....

De leeuwenjager en Jansen hadden den jongen Jan Kloppers spoedig ingehaald.

Zij verhaalden hem de reden, waarom de oude Kloppers niet meer bij hen was.

"Zou 't geen nieuw verraad zijn van Kees Botter?" vraagde hij ongerust.

"Dat de vreemdeling den naam van Kees Botter noemde, die onwillekeurig wantrouwen wekt, pleit voor de eerlijkheid van de zaak," meende Jansen.

Jan moest dit erkennen.

Men gaf nu de paarden de sporen, om dichter bij het kommando te komen, dat een aanmerkelijken voorsprong had.

De leeuwenjager was eenige passen achter gebleven, en oogenschijnlijk verdiept in zijn eigen, weemoedige gedachten.

Maar plotseling hielden alle drie de teugels van hun paarden in. Zij hadden den zwakken knal van een schot gehoord.

"Dat begrijp ik niet," zeide de leeuwenjager.

Hij wendde het paard naar de richting, van waar zij gekomen waren, en luisterde met voorover gebogen lichaam.

"Vader is misschien in den val geloopen," zeide Jan; "ik houd het hier niet langer."

Hij wierp den Moorkop om.

Samen reden zij in zekere spanning terug.

"Het geluid kwam uit de richting, die mijn zwager had ingeslagen," zeide Jansen.

De leeuwenjager zeide geen woord.

"Voorwaarts," zeide hij, en hij drukte de sporen diep in de zijden van zijn vluggen vos.

De weemoedige gemoedsstemming van zoo even was nu als door een tooverslag verdwenen.

Het was de leeuwenjager weer in al zijn kracht.

Daar hoorden ze, duidelijker nog dan zooeven, twee schoten dicht achter elkander.

"Nu begrijp ik het nog minder," zeide de leeuwenjager — "voorwaarts!"

Aan den tweesprong gekomen, sloegen zij het pad rechts in.

De hoeven van Dirk Kloppers' paard waren diep ingedrukt in den weeken grond; ook de voetstappen van den gids waren duidelijk zichtbaar.

Men sloeg het kreupelbosch in, en achter elkander reed men voort.

Jan reed voor, omdat de Moorkop het vlugste was.

Plotseling slaakte hij een angstkreet.

"Daar ligt vader's klepper," riep hij in groote opgewondenheid, "dat is verraad."

"Wij zullen 't onderzoeken," zeide de leeuwenjager, terwijlhij uit het zaâl sprong.

De twee anderen volgden zijn voorbeeld.

Het paard leefde nog, en had zich half over het pad in het kreupelbosch gesleept.

Jan klopte het op den hals, en het trouwe dier liet een zwak gehinnik hooren.

Jansen had intusschen de wonden ontdekt, die de twee kogels hadden veroorzaakt.

"Wil ik het maar het genadeschot geven?" vraagde Jan, die medelijden had met het stervende dier.

"Neen," zeide de leeuwenjager, die op alles bedacht was, "dat schot zou ons kunnen verraden — voorwaarts!"

De ruiters sprongen weer te paard, en spoorden hun dieren tot de uiterste krachtsinspanning aan.

"Halt!" riep de leeuwenjager.

"Hier houden de indrukken van de paardehoeven op, en beginnen een aantal voetstappen."

"Wat ligt daar toch op den grond?" vraagde hij, terwijl hij het pad met zijn scherpen blik monsterde.

Jan sprong van zijn paard en nam een knoop op van den grond.

"Dat is een knoop van vader's jas," riep hij met schrik.

"Die hem in de worsteling is afgerukt," vulde Jansen aan.

"Hier, opdezeplek heeft hij onraad bespeurd," zeide de leeuwenjager met nadruk! "daar is geen twijfel aan. Hier heeft hij het paard omgerukt; ge kunt het duidelijk zien aan de richting der hoeven."

"Dat eerste schot is van Neef Dirk geweest," voegde hij er bij met verwonderlijke helderheid van geest, "en de twee andere schoten zijn door zijn overrompelaars op het paard afgegeven. Toen was onze vriend echter reeds lang van het paard gerukt. Maar éen ding begrijp ik niet, namelijk dat Kloppers maar ééns heeft geschoten. Hij moet iets vreeselijks hebben ontdekt, dat zijn kracht heeft verlamd. Maar wij zullen 't onderzoeken, en hem redden, als het niet te laat is."

De ruiters volgden nu het spoor der vele voetstappen, en de groote, zware stap van den ongelukkige, dieper ingedrukt dan de andere, was duidelijk te onderscheiden.

Bijna aan de grens van het kreupelhout gekomen, beval de leeuwenjager, de paarden in het struikgewas vast te binden.

Behoedzaam slopen de Boeren nu door het kreupelhout, tot zij een blik op het open terrein konden werpen.

Zij zagen de houten woning onmiddelijk, links van hen, op een betrekkelijk korten afstand.

Zij konden zien, hoe het platgetrapte gras als een soort voetpad liep tot de voordeur.

"Daarkan hij zijn," zeide Teunis Smit.

Door het struikgewas gedekt, slopen de Boeren nu met koortsachtigen ijver voorwaarts, tot zij recht vóór het linker venster der hut waren.

Ze waren er nu geen twintig pas van verwijderd.

Peinzend streek de leeuwenjager zich over het voorhoofd.

Dat was zoo zijn manier, als hij voor een moeilijke zaak stond, waar hij niet door kon kijken.

"Wijgisseneen misdaad, en wijgissende misdadigers," zeide hij, "maar 't is noggissen. Wij moeten nuzekerheidhebben."

"Laten wij er in eens op losstormen," zeide Jan, die door het pijnlijkste ongeduld werd gefolterd.

Jansen onderzocht het slot van zijn geweer, maar de leeuwenjager schudde het hoofd.

"Houd dit venster in de gaten," zeide hij tot Jan. "Wij zullen den achterkant der hut opnemen."

Met Jansen ging hij nog een twintigtal passen verder; nu waren ze wijd genoeg.

Het bleek nu, dat van af het linker venster wel de voor- doch niet de achterdeur kon worden bereikt. Het achterste gedeelte der hut was namelijk vlak op den rand eener diepe kloof gebouwd, en slechts aan den achterkant, bij de achterdeur, was eenige ruimte gebleven; een smal terras tusschen de hut en den rand der kloof.

Deze kloof werd van een aangrenzende kloof gescheiden door een steilen, smallen, gekloofden rotswand, en deze rotswand liep van het kreupelbosch, waar onze Boeren zich bevonden, in gebogen lijn tot den achterkant der hut.

Nu keerden de leeuwenjager en Jansen terug tot Jan Kloppers, die in heftige opwinding riep: "Ik heb daar juist voor het venster Kees Botter gezien."

"Weet ge 't zeker?" vraagde Jansen met gespannen trekken.

"Ik weet hetzeker," zeide Jan; "hij had een stang in de hand."

Doch nu was niets meer te zien dan een lichte, rossige gloed, alsof er een groot vuur brandde.

"Dan is de stervende Botter gauw opgeknapt," zeide de leeuwenjager met een schamperen lach, maar hij liet er onmiddellijk opvolgen: "Nuhebben wij zekerheid van het verraad, en al weten wij nog niet, waarin dat verraad bestaat, wij willen onzen slag slaan!"

"Als het maar niet te laat is," steunde Jansen.

Maar Jan zeide geen woord. Hij hing aan de lippen van den ouden Voortrekker.

"Luistert nu goed," zeide de leeuwenjager, "één van u gaat op het venster los, de andere op de voordeur.Ikneem de achterdeur. Als ge den schreeuw van den Makauwvogel hoort, dan eerst, en niet eerder, stormt ge op de hut los. Maar dan ook zoo snel mogelijk — snel als de wind! Wij willen de schurken overrompelen, en de overrompeling moet volkomen zijn!"

Zijn gedaante scheen grooter te worden onder het spreken; zijn spieren werden strakker. De groote jager was op het spoor van het wild, en het oude vuur sprong uit die staalgrijze oogen.

"Oom, laatmijde rotswand nemen," riep Jan, maar de jager had zijn groote ruiterlaarzen reeds uitgetrokken, en met het geweer over den schouder, spoedde hij naar het klippenpad.

Hij zette er zijn voeten op en schreed er over heen. Wel gaapte aan zijn voet de honderd voet diepe, met harde klipsteenen bezaaide afgrond; wel brokkelde nu en dan een stuk steen onder zijn voeten weg; wel waren er gapingen in den rotswand van drie, vijf voet, maar wat beteekenden die gapingen, die afbrokkelende steenen, die honderd voet diepe afgrond.... voor hem, den grooten Afrikaanschen jager? Was hij niet in de gebergten van 't noorden langs de afgronden heen gegaan, waar in een diepte van twee duizend voet de bergstroom naar beneden dondert? Had hij niet dagenlang gezworven op de koppen der hoogste bergen, op hun ijsvlakten, die nimmer smelten? En had hij den arend niet opgezocht in zijn trotsch nest, op de vooruitstekende rots, hoog boven de wolken, waar eeuwige stilte heerscht?

Hij stapte sneller door; zoo vast, zoo zeker, alsof hij den gewonden buffel naging over de vlakte. Er was geen spoor van vrees, van angst; geen spoor van duizeling. Daar gaapte een kloof van vijf voet breedte vóór zijn voet — hij sprong er over heen met de vaardigheid van den klipbok. En nu was het klippenpad bijna afgeloopen — daar ging de achterdeur open, en trad de vreemdeling van heden morgen, de gids, naar buiten.

Beiden herkenden elkander onmiddellijk, en zwijgend greep de gids een langen, zwaren staak, om er den leeuwenjager mee in de diepte te stooten. Deze greep den staak — de gids liet plotseling los — de leeuwenjager waggelde op het smal en gevaarlijk pad. Doch snel had hij zijn evenwicht terug, en terwijl de staak naar de diepte rolde, was hij in drie sprongen op het terras, achter de hut.

De gids was van plan geweest, om den leeuwenjager den toegang tot de hut te betwisten,doch toen hij indie van toorn fonkelende oogen staarde, ontzonk hem de moed, en hij keerde zich om, naar de achterdeur. Maar de leeuwenjager, dienooithad misgegrepen, greep ookdezenkeer niet mis, en met de woorden: "Verrader, sterf!" slingerde hij hem in den honderd voet diepen afgrond....

Lodewijk Jansen en de jonge Jan hoorden de stem van den leeuwenjager, maar het drama, dat op het terras achter de hut was afgespeeld, hadden zij niet kunnen zien, en onmiddellijk daarop vernamen zij den schorren schreeuw van den Makauwvogel. En terwijl de leeuwenjager de achterdeur binnendrong, zag de zwarte reus, die in de nabijheid van Kees Botter hurkte, het breede gelaat van een Transvaalschen Boer vóór het raam verschijnen. "Wil ik?" vraagde hij, terwijl hij een werpspeer greep, doch vóór zijn baas ja kon zeggen, had reeds de kogel van Lodewijk Jansen gesproken, en zakte de reus met doorschoten borst vlak vóór het raam in één.

Intusschen vloog de voordeur uit haar grendels, en rukte Jansen het raam uit de vermolmde kozijnen.

Dit was alles veel sneller gebeurd, dan ik het hier kan zeggen, doch in het hart van Kees Botter brandde, zelfs in dit hachelijk oogenblik, de wraak met volle kracht. En terwijl zijn Kaffers waren weggestoven als kaf voor den wind, richtte hij zijn tweelooper op zijn gevangene, den ouden Kloppers.

"Past op!" riep de grijze Voortrekker, maar zijn trouwstevriend, de leeuwenjager, waakte. Hij drukte het geweer van den verrader met zijn sterke hand uit de doodelijke richting — de kogel vloog in het dak — daar voelde hij een dolkstoot, diep in de borst. En vóór dat Jansen in den rookenden kruitdamp gelegenheid had, om het roer op den moordenaar aan te leggen, en vóór dat Jan, die juist bezig was, het touw door te snijden, waarmede zijn vader was geboeid, gelegenheid had, hem te grijpen, was de verrader reeds door de voordeur ontsnapt.

"Gered!" zeide de leeuwenjager met zwakker wordende stem.

"Gered!" antwoordde Dirk Kloppers.

"Maar tot welken prijs!" voegde hij er aan toe met smartelijk bewogen lippen.

Hij leidde den zwaar gewonde naar een stoel.

"Wil ik de wond onderzoeken?" vraagde Jansen.

De oude Kloppers schudde het hoofd.

Hij onderzocht de wond; het bloed gulste er uit.

Het was een vreeselijke, doodelijke wond.

Hij legde er een verband om.

Dan staarde hij den leeuwenjager in het bleeker wordend gelaat.

"Gered!" zeide hij nog eens, "gered! Doch tot welken prijs!"

En de ijzerharde Voortrekker ging naar buiten en snikte als een kind.

Doch kalmer keerde hij terug.

Zwijgend zaten nu de drie Boeren naast den stervenden leeuwenjager.

"Mijn voorgevoel is uitgekomen," fluisterde hij; "geen macht der wereld had mij kunnen redden!"

"Doch voormijgaat gij in den dood!" klaagde de oude Kloppers.

"Dat is de liefde, dat de broeder voor den broeder in den dood gaat," fluisterde mild en vriendelijk de leeuwenjager.

"En dat is dehoogsteliefde, dat Christus voor zijn vijanden in den dood ging," zeide Kloppers.

"Amen!" fluisterde de leeuwenjager.

Meer zeide hij niet.

De oude Kloppers had nog gaarne iets meer gehoord, maar de leeuwenjager zweeg.

Het werd nu licht in de hut. Dat deed de zon, die door de wolken brak.

Plotseling dacht Dirk Kloppers aan den laatsten wensch van zijn stervenden vriend, dien hij eenige uren geleden had geuit.

Op zijn wenk werd de gewonde voorzichtig met zijn stoel opgenomen, en uit de benauwde lucht der hut naar buiten gedragen, op het terras bij de achterdeur.

"De zon!" riep de leeuwenjager met matte stem, "de zon!"

Er scheen een glimlach op zijn gelaat te komen; zijn stervend oog ging over het landschap, dat zich thans, in den glans der namiddagzon, in wonderbare heerlijkheid voor zijn blik ontplooide.

"Hoe schoon," fluisterde hij, "hoe schoon!"

"Zoo heeft de Heere uw laatsten aardschen wensch vervuld," zeide Dirk Kloppers, "maar Hij kan nog meer geven."

Hij was diep bewogen, de oude Kloppers!

Ach hij had den stervende lief! Hij had hem lief, zooals David Jonathan lief had, en het was deteederheidder liefde, die hem zoo deed spreken.

En de leeuwenjager verstond het woord van zijn ouden vriend, en hij knikte, en hij zeide met nauwelijks hoorbare stem: "Hij kan en zal en wil in nood, zelfs bij het naadren van den dood, volkomen uitkomst geven!"

Toen drukte hij zijn vrienden de handen ten afscheid, doch de hand van Dirk Kloppers hield hij langer vast dan de andere.

En toen vouwde hij de verstijvende handen en sloot de oogen, en biddend bewogen zich zijn lippen. "O Zonne der gerechtigheid!" dat was het laatste woord, dat de omstanders konden verstaan.

En Dirk Kloppers knielde neder op het smalle terras, naast zijn boezemvriend, en bad stil tot zijn God, dat Hij den stervende mocht opnemen in Zijn eeuwig koninkrijk.

En toen hij zijn oogen weer opsloeg, toen had de groote leeuwenjager reeds den geheimzinnigen drempel overschreden van de vallei des doods.

Hij lag met het hoofd achterover, vredig als een kind, dat in slaap is gegaan.

En de wolken hadden zich verdeeld en legerden zich als bergen aan den horizon, en de namiddagzon straalde van den diepblauwen hemel, en het zomerwindje bewoog het loover van het geboomte, en de regendruppels vielen van de bladeren als schitterende parels, en de zangvogels zongen hun liederen....

En Dirk Kloppers en zijn zoon en Lodewijk Jansen stonden bij het lijk van den grooten leeuwenjager en waren diep bedroefd....

't Is twee dagen later; vroeg in den morgen.

Een aantal Boeren staan bij een open graf, gedolven in de schaduw van een bloeienden doornstruik; in een dal van het Drakengebergte.

Niet in Natal, op Engelschen bodem, maar op Transvaalschen grond, waar de oude Boerenvlag wappert, daar zou de leeuwenjager worden begraven.

Zóó heeft Dirk Kloppers het besteld, en zóó geschiedt het thans.

Een ruwe, ongeverfde, houten kist is de laatste woning van den grooten jager. Daar ligt hij, het hoofd iets hooger dan het overige lichaam, met het geweer in den arm, den bandelier om de borst, in volle jagersuitrusting.

En nu wordt de kist voor goed gesloten.

En langzaam en plechtig wordt de houten woning in de koele aarde neergelaten.

En terwijl de frissche morgenwind door zijn grijze lokken gaat, spreekt de oude Dirk Kloppers met zijn heldere, krachtvolle stem: "Mijne vrienden! Wij bewijzen thans aan een man de laatste eer, dien ik lief heb gehad mijn leven lang. Een man koel van blik en kort van taal, maar met een hart vol gulden trouw! Hierin is de liefde, dat de broeder voor den broeder in den dood gaat, en Teunis Smit is voor mij in den dood gegaan. Hij is getrouw bevonden tot in den dood, en wij zullen hem blijven eeren als één der helden van ons volk.

Een ernstig en lichtend voorbeeld heeft hij ons nagelaten van trouwe vriendschap, een spoorslag, om ons leven gering te achten, om dat van onzen broeder te redden.

Mijne vrienden! Teunis Smit is heengegaan, en het is, alsof een stuk van mijn eigen leven daar ligt, op den bodem van het donkere graf. Doch daarom willen wij niet versagen, maar integendeel het hoofd moedig opwaarts heffen, want Christus heeft gezegd: 'Ik ben de opstanding en het leven; die in mij gelooft, zal leven, al ware hij gestorven.' Onze harten zouden bezwijken, als wij niets zagen dan dood enontbinding, maar God lof! over de donkere graven schemert het morgenrood der eeuwigheid, enChristenenzien elkandernooitvoor den laatsten keer!

En zoo nemen wij van u afscheid, Teunis Smit! Gij zijt gevallen, zooals een man valt door de hand der kinderen Belials, maar uw bloed zal gewroken worden!

Rust zacht in dezen grond! Voor den Tranvaalschen grond hebt gij gestreden — in Transvaalschen grond zult gij rusten! Voor de staatkundige vrijheid van ons volk hebt gij uw leven in de bres gesteld — moge thans, door Gods ontferming en genade! de hoogste vrijheid uw deel zijn, de Vrijheid der kinderen Gods, die van de banden der zonde voor eeuwig zijn verlost!

En in die hope roepen wij u, onzen vriend en broeder, voor 't laatst: Tot weerziens toe! Tot weerziens in een beter en zaliger land!"

En nu nemen de Boeren hun geweren, en geven een eeresalvo boven het open graf van den grooten leeuwenjager. En de moedige knal hunner geweren breekt zich in een honderdvoudig echo tegen de wanden van het Drakengebergte, en hun paarden rukken driftig aan den teugel, en bijten op de stalen gebitstang. En de Boeren zetten hun geweren neer, en vullen het graf met aarde, en dekken het met harde klipsteenen. En zij zingen nog het roerend schoone psalmvers: "Gelijk het gras in ons kortstondig leven," en dan gaan zij heen.

En de leeuwenjager blijft alleen achter, onder den bloeienden doornstruik.

En het Tamboeki-gras zal boven zijn graf, tusschen de klippen, uitschieten.

En het zal elken winter verdorren, doch uit den ouden wortel zal elke lente weer een nieuwe grasscheut te voorschijn komen.

En de doornstruik zal bloeien, en zijn vrucht zetten, vele jaren lang. En eindelijk zal hij sterven van ouderdom, als geen veldbrand hem vroeger heeft verteerd.

En nieuwe uitspruitsels zullen zijn plaats innemen.

En zoo zal dat voortgaan, om het graf van den grooten leeuwenjager, in onophoudelijke, altoosdurende wisseling.

Maar eens zal die wisseling plotseling staken....

God houdt met Zijn sterke hand de oude wereldklok stil....

Dat is de dag des Heeren.... En het graf, dat altijd nam, zal nu zijn buit terug moeten geven.

En Teunis Smit zal opstaan uit zijn graf, en wij, en alle menschen, om geoordeeld te worden.

1) Lucifers.

De dappere Boeren begonnen de aandacht te trekken.

In den Oranje-Vrijstaat heerschte groote opgewondenheid, en de Hollandsche Afrikaanders in de Kaapkolonie juichten bij elke nederlaag, die de Engelsche troepen leden. In het Vlaamsche deel van België werden geestdriftige volksbetoogingen gehouden, en over het oude Holland werd een geest vaardig, die herinnerde aan de schoonste dagen uit ons verleden. En terwijl in Amerika met klimmende bewondering de heldenstrijd van het kleine, Transvaalsche volk werd gadegeslagen, riepen edele mannen in Engeland met al luider stem om staking van den roemloozen oorlog.

In deze omstandigheden waagde Paul Kruger een poging, om tot een eervollen vrede te geraken, door uit het kamp van Lang-Nek, den 12denFebruari 1881, het volgende schrijven te richten aan generaal Colley:

"Excellentie, ik heb bevonden, dat wij tegen onzen zin gedwongen zijn in een bloedigen strijd, en dat onze ingenomen posities van dien aard zijn, dat wij niet kunnen ophouden, den eenmaal ingeslagen weg van zelfverdediging te vervolgen, voor zoover onze God ons daartoe de krachten schenkt.

Wij weten het, dat al onze bedoelingen, brieven of wat ook, nog steeds het ware doel hebben gemist, omdat zij verkeerd werden voorgesteld en begrepen door de Regeering en het volk van Engeland. Het is om die reden, dat wij zelfs vreezen, U deze regelen te doen toekomen. Maar Excellentie, ik zou mij niet voor mijn God verantwoord achten, wanneer iknog niet eenmaal aanu onze meening had bekend gemaakt, wetende, dat het in Uwer Excellentie's macht is, om ons in staat te stellen, van de door ons ingenomen positie terug te komen.

Wij wenschen geen strijd te zoeken met het Engelsche gouvernement, maar kunnen niet anders dan onzenlaatstendroppel bloed geven voor ons goed recht, waarvoor elke Engelschman ook het zijne geven zou. Wij weten, dat het edele Engelsche volk, wanneer eenmaal de waarheid en het recht tot hetzelve kan doordringen, aan onze zijde zal staan. Wij zijn zoo sterk in deze overtuiging, dat wij niet zouden schromen het onderzoek eener Koninklijke commissie, die, wij weten het, ons in ons goed recht zal herstellen. En daarom zijn wij bereid, om, wanneer U wilt bevelen, dat Harer Majesteits troependadelijkterugtrekken uit ons land, wij aan hen zullen toestaan, met volle eer uit het land te gaan, en wij onze nu ingenomen positie zullen verlaten.

Wordt echter de annexatie volgehouden, en het bloedvergieten door u voortgezet, dan zullen wij ons onder onzen God aan ons lot onderwerpen, entot den laatsten man strijdentegen het ons aangedane onrecht en geweld, en werpen dan de verantwoordelijkheid van alle ellende, welke het land overkomt, geheel op uwe schouders."

Hierop antwoordde generaal Colley den 21stenFebruari als volgt:

"Mijnheer, ik heb de eer, de ontvangst te erkennen van uwen brief van den 12dendezer. In antwoord moet ik u berichten, dat Harer Majesteits Gouvernement bereid is, wanneer de thans tegen Harer Majesteits gezag gewapende Boeren met gewapend verzet ophouden, eene commissie met uitgestrekte volmacht aan te stellen, welke het schema moge ontwikkelen, waarop in Lord Kimberley's telegram van den 8stendezer gezinspeeld wordt, en aan u is medegedeeld door zijn HoogEd. President Brand. Ik moet er bij voegen, dat wanneer dit voorstel binnen acht en veertig uren aangenomen wordt,van af de ontvangst van dezen brief, ik volmacht heb tot staking der vijandelijkheden van onze zijde."

Het telegram van lord Kimberley, waarop in dezen brief wordt gedoeld, bevatte deze zinsnede, "dat Harer Majesteits Gouvernement bereid was, allen mogelijken waarborg te geven met betrekking tot de behandeling der Boeren na hunne onderwerping, en dat zij in geen geval als rebellen zouden worden behandeld,mitszij eerst hun gewapend verzet staakten."

Het schrijven van generaal Colley, dat door een parlementair werd overgebracht naar het Boerenkamp aan den Lang-Nek, werd intusschen doorgezonden naar Heidelberg, den zetel der Boerenregeering, en door Paul Kruger als volgt beantwoord:

"Excellentie, Uw brief van 21 Februari 1881 bereikte mij heden, den 28stenFebruari, toen ik van een inspectie naar Heidelberg terugkeerde.In overleg met de regeeringsleden hier heb ik het genoegen, in mijnen en hunnen naam u mede te deelen, dat wij zeer erkentelijk zijn voor Uwer Excellentie's verklaring in naam van de regeering van Hare Majesteit, dat zij onder zekere voorwaarden genegen is, de vijandelijkheden te staken; dat het ons schijnt, dat nu voor het eerst sedert den ongelukkigen dag der annexatie een kans is ontstaan, om tot een vreedzame schikking te geraken; dat ons hart bloedt over de noodzakelijkheid, om verder bloed te vergieten, zoowel het bloed onzer burgers als dat van uwe dappere soldaten; dat naar onze meening een samenkomst van gecommitteerden van weerszijden misschien spoedig tot een bevredigend resultaat zal leiden, weshalve wij de eer hebben, u voor te stellen, dat door u en ons gecommitteerden zullen worden aangewezen, met behoorlijke en voldoende volmacht, om de hoofdbeginselen van een eervollen vrede vast te stellen en te ratificeeren."

"Excellentie, Uw brief van 21 Februari 1881 bereikte mij heden, den 28stenFebruari, toen ik van een inspectie naar Heidelberg terugkeerde.

In overleg met de regeeringsleden hier heb ik het genoegen, in mijnen en hunnen naam u mede te deelen, dat wij zeer erkentelijk zijn voor Uwer Excellentie's verklaring in naam van de regeering van Hare Majesteit, dat zij onder zekere voorwaarden genegen is, de vijandelijkheden te staken; dat het ons schijnt, dat nu voor het eerst sedert den ongelukkigen dag der annexatie een kans is ontstaan, om tot een vreedzame schikking te geraken; dat ons hart bloedt over de noodzakelijkheid, om verder bloed te vergieten, zoowel het bloed onzer burgers als dat van uwe dappere soldaten; dat naar onze meening een samenkomst van gecommitteerden van weerszijden misschien spoedig tot een bevredigend resultaat zal leiden, weshalve wij de eer hebben, u voor te stellen, dat door u en ons gecommitteerden zullen worden aangewezen, met behoorlijke en voldoende volmacht, om de hoofdbeginselen van een eervollen vrede vast te stellen en te ratificeeren."

Zoo scheen de zoete hoop, dat de oorlog zonder verder bloedvergieten zou worden beëindigd, in vervulling te gaan. En om de vredesonderhandelingen dan ook niet te belemmeren, gaf Joubert aan den onvermoeider generaal Nicolaas Smit, die opnieuw met zijn wakkere Boeren Natal was binnengetrokken, order, naar het Drakengebergte terug te trekken.

Maar in het binnenste van generaal Colley kookte en giste het. De versterkingstroepen onder generaal Wood waren in aantocht, en dan zou hij het opperbevel aan dezen moeten overgeven. Hij zou geen gelegenheid meer hebben, om de geleden nederlagen goed te maken; hij was een geslagen generaal. Met al zijn kanonnen was hij niet in staat geweest, om de passen van het Drakengebergte te forceeren; die gedachte werd hem onverdragelijk.

Wel bestond er feitelijk wapenstilstand, maar de zucht, om aan den oorlog met éénen slag een einde te maken, was hem te machtig.Hij wilde de Boeren doen gevoelen: Ik ben u de baas — en in het schenden van den wapenstilstand was hij hun inderdaad de baas.

Het was de 20steFebruari; 's avonds tien uur.

De maan was opgegaan en stond in het eerste kwartier. Vriendelijk blonken de sterren. Het was een milde zomernacht.

Het kamp van generaal Colley bestond uit een vierkante redoute met aarden wallen van zes voet hoogte. Om die wallen was een gracht gegraven.

Er heerschte een zekere spanning in het kamp. De generaal liep met groote stappen, door zijn stafofficieren omringd, tusschen de tenten door.

Hij besprak met hen de bezetting van den Amajuba.

"Als we eerst den Amajuba hebben, dan haalt er ons de duivel niet meer af," zeide een der hoofdofficieren.

"En de Boeren nog minder," lachte een pas aangekomen huzaren-officier.

"En de oorlog is met éénen slag geëindigd," meende de generaal.

Hij nam het horloge en keek naar den tijd.

"Mijne Heeren!" ging hij voort op levendigen toon, "het is tijd; vóór de zon in 't oosten opgaat, moet de trotsche Amajuba de onze zijn — voorwaarts!"

Hij verwisselde de groote rijlaarzen met lichte bergschoenen en slobkousen, en stak een revolver in den gordel. Over den wapenrok wierp hij den mantel, want het was koel in de frissche nachtlucht, en hij nam een stevigen bergstok, die hem dienstig kon zijn bij het klimmen.

Stil, zwijgend maakten de troepen zich gereed. De paarden werden gezadeld; patronen en levensmiddelen rondgedeeld. Ieder infanterist ontving behalve de gevulde patroontasch nog tachtig patronen, en ieder man ontving voor drie dagen levensmiddelen en rum.

Nu ging de generaal langs de gelederen, monsterde ze met zijn scherpen blik en deelde de troepen in. Slechts een reserve bleef achter ter bewaking van het kamp.

En toen alles gereed was, zeide hij op gedempten toon: "Voorwaarts!"

Zoo zette de expeditie zich in beweging.

De diepste stilte werd in acht genomen. Het spreken was den soldaten verboden; fluisterend werden de kommando's gegeven.

In een grooten, halven cirkel omringden de schildwachten der Boeren in het noorden het kamp der Engelschen, maar hun uittocht geschiedde naar het zuiden en in de volmaaktste orde.

De schildwachten der Boeren merkten niets.

Intusschen werd het gevaar van ontdekking al geringer, en sneller trok de kolonne op haar doel af.

Generaal Colley liep voor aan de spits; met een gids naast zich. Zijn rijpaard werd door een gewoon militair aan den teugel geleid.

Dan volgden de Hooglanders, de Bergschotten, in hunne schilderachtige uniformen; het hoofd gedekt met den witten helm, het witte ledergoed over de roode uniform, gekleed in den geruiten schotschen wapenrok en de witte slobkousen, en de bonte beenbekleedsels onder de stevige, naakte knieën.

Op de Hooglanders volgden de met buksen gewapende marine-soldaten in hun blauwe pijjekkers met een paar stukken veldgeschut, terwijl de achterhoede werd gevormd door een afdeeling huzaren, wier kromme sabels en attila's met zilveren snoeren duidelijk uit kwamen in het heldere maanlicht.

Maar als jagershonden zwermden de dragonders om de voorttrekkende kolonne heen, en met den vinger aan den trekker van den karabijn, onderzochten zij op hun vlugge paarden de golvende vlakten in den omtrek.

Doch er was geen onraad, en zwijgend werd de marsch voortgezet. Geen geluid werd vernomen dan het gedreun der voetstappen, de hoefslag van het paard, het rammelen der sabelscheden tegen de beugels, het kraken en schuiven der ransels en de slaperige kreet van een vogel, die in zijn nachtrust werd gestoord.

Eindelijk was het doel van den tocht bereikt; daar lag de Amajuba, twee duizend voet hoog. De platte kruin teekende zich duidelijk af tegen den nachtelijken hemel in het schijnsel der maan, die rechts aan den hemel, boven het rustende Boerenlager, stond.

De berg liep steil op, oogenschijnlijk nòg steiler aan den Engelschen kant dan aan dien der Boeren.

De troepen marcheerden tot op het punt, waar de eigenlijke kegel van den berg begon, en de steilte der helling den verderen marsch der kavallerie verhinderde.

Twee compagniën infanterie, alsmede de huzaren en dragonders, te zamen 300 man, werden hier als reserve achtergelaten, en 400 man met twintig officieren, allen flinke, stevige, dappere kerels, een echte keurbende, zouden nu den berg beklimmen.

Generaal Colley wierp den mantel af, legde den bergstok neer, en een rotsblok boven hem grijpend, riep hij met moedige stem: "Voorwaarts, mannen!"

Het was een hard stuk werk; het verband was onmiddellijk verbroken,

Nu eens verdwijnend in de diepe, donkere kloven, dan weer optornend tegen de bijna loodrechte rotswanden, kwam men langzaam voorwaarts.

De Schotten, aan het klimmen in hun hooglanden gewoon, hadden hier al hun behendigheid noodig, en waar het niet anders ging, klauterde men over de schouders der makkers als ratten omhoog.

Moeilijker nog was de taak der marinesoldaten, die het Gatling-kanon naar boven moesten sjoppen. Zij spanden zich vóór den vuurmond, en hun forsche gestalten bogen zich onder de haast bovenmenschelijke inspanningen als taaie zweepstokken.

Zij grepen met hun sterke vuisten in de spaken, en lichtten het kanon van het affuit. Tappelings liep hun het zweet van het gelaat, doch aan alles is een grens, ook aan de menschelijke spierkracht. Het was onmogelijk, om het geschut naar boven te krijgen, en de generaal gaf bevel, de vruchtelooze pogingen te staken.

Zonder kanon volgden de marine-soldaten de infanterie.

Middernacht was nu al lang voorbij.

Het werd morgen.

Het licht van maan en sterren verbleekte,en langs den Oostelijkenhorizon begon de gouden ochtendschemering aan te breken.

Met gespannen gelaatstrekken volgden de achtergebleven Engelschen met hun oogen de klauterende kameraden.

De voorsten geleken op een hoop kruipende mieren, en hadden bijna den rand van den bergtop bereikt.

"Zij zullen er spoedig zijn," meende een dragonder met een paar groote, roode knevels.

"Dat denk ik ook," zeide een huzaar met een leuk en vroolijk gezicht.

"Nu zal de oorlog snel afgeloopen zijn," hernam de dragonder.

"Zoo?" zeide de vroolijke huzaar; "dat is jammer; ik hadde Boeren nog zoo graag eens een beetje schrik op het lijf gejaagd."

"Ge zijt hier pas, kameraad?" vraagde de dragonder.

"Geen twaalf uur geleden zijn wij in het kamp aangekomen. Zoo kersversch uit Afghanistan, waar wij de spitse kegelhoeden der gele Afghanen met onze sabels hebben terecht gezet, hè Jim?"

"Of we," zeide de aangesprokene lachend; "wat konden die Afghanen loopen! De Boeren kunnen misschien hard loopen, maar harder dan die Afghanen met hun woestijnvoeten kunnen zij het toch niet."

Nu mengde zich een jong korporaal der infanterie met een schrander en ernstig gelaat in het gesprek.

"De Boeren loopen niet hard," zeide hij.

"Omdat wij hen daartoe misschien niet hebben uitgenoodigd," meende de vroolijke huzaar.

"Wij hebben hen meer dan eens uitgenoodigd," zeide de infanterist.

"Ze hebben ons in Natal verteld," zeide de huzaar, "dat de Boeren zoo goed kunnen schieten?"

"Dat kunnen ze in de perfectie," antwoordde de korporaal.

"Ik heb de gevechten bij den Lang-Nek en te Schuinshoogte bijgewoond, en we hebben er leelijk van langs gehad."

"Van daag halen wij de schade in," meende de dragonder.

"Dat zit nog," zeide de infanterist, terwijl hij nadenkend naar de hoogte tuurde.

"Denk je dan, dat de onzen er niet komen zullen, boven op den bergtop?" vraagde de huzaar.

"Daar twijfel ik niet aan," antwoordde de korporaal, "maar het is de vraag, of wij den bergtophoudenzullen."

Maar deze opmerking wekte niets dan verwondering en gelach.

Zelfs Jim, die dood bedaard een stuk pruimtabak tusschen zijn zwarte kiezen knauwde, spuwde van verbazing uit, en zeide met een schamperen lach: "Heb je nou ooit zoo'n onzin gehoord!"

Doch onze infanterist was niet zoo spoedig uit het veld geslagen.

"Ik zeg je," zeide hij, en hij keek met zijn schrandere oogen naar den bergtop, "die positie daar is te hoog, om goed verdedigd te kunnen worden, en onze reserve hier is te ver af, om een ongeluk te kunnen voorkomen."

"Dat is iets nieuws," zeide de dragonder, die tegenoverde pas aangekomen huzaren toch wilde toonen, dat hij er ook iets meer van wist dan een gewoon mensch.

"Als hij voor de onzen te hoog is," ging hij voort, "dan is hij voor de Boeren toch zeker te hoog."

"Neen," zeide de infanterist, en hij schudde het hoofd, "de berg is voor de Boerenniette hoog. Zij zullen, gedekt door rotsblokken en struiken, den bergtop bestormen, en onze krijgsmacht weg schieten als den vogel van zijn nest."

"Dat wordt bepaald vermakelijk," riep de dragonder, terwijl hij zelfbewust aan zijn roode knevels draaide. "Ge denkt, kameraad, dat de onzen zich als op een presenteerblaadje door de Boeren zullen laten doodschieten, maar zulke lammeren zijn onze Hooglanders niet. Trouwens de Boeren zullen niet eens een aanval op den Amajuba durven ondernemen. Zij kunnen goed schieten, dat is waar, en zij zijn flink in de verdediging, maar om een aanval te wagen — daar hebben zij een broertje aan dood."

"En waarom zullen zij niet aanvallen?" vraagde de infanterist.

"Omdat," zeide de dragonder, "ze niet één keer ons kamp hebben aangevallen, dat toch gemakkelijker te nemen was dan de Amajuba. Bovendien, 't is heel verstandig van de Boeren, dat zij den storm niet wagen. Immers onze troepen zullen den Amajubatop binnen een paar uur in een vesting met stevige klipwallen hebben herschapen, en deBoerenzouden de lammeren worden, die zich weerloos konden laten doodschieten."

"Ik moet ook zeggen," zeide de huzaar, "dat de gedachten van onzen dragonder mij juister toeschijnen dan die van u, korporaal."

"Nu de toekomst zal het uitwijzen," antwoordde deze bedaard.

"Dat is goed gezegd," hernam de dragonder, "en de toekomstzalhet uitwijzen, dat generaal Colley met zijn stafofficieren geen kinderen zijn! Komt, jongens, wij zullen eens drinken op den goeden uitslag," en onze vier militairen namen ieder voor de kou een slok rum uit de veldflesch.


Back to IndexNext