Vastberaden zetten de Engelschen de beklimming voort; rusteloos werken zij opwaarts. De vlugge Schotsche Hooglanders zijn de anderen wijd voor, en klauteren als klipgeiten de hoogte op. De hellingen zijn bedekt met kruipende, loopende, springende, zich omhoog hijschende menschen, doch met een luid hoera hebben de Schotten thans, over denbergrand heen, den platten kruin bereikt. Zij reiken hun kameraden, die nog beneden zijn, de hand, nemen hun geweren en ransels over, en trekken hen onder een vroolijk gelach naar boven.
Zóó is het doel van den tocht bereikt, en generaal Colley heeft met zijn troepen den Amajuba, den trotschen berg, die als een reus tusschen de andere bergtoppen uitsteekt, bezet.
Juist gaat de zon in het Oosten op, en liefelijker Zondagmorgen is nog nooit op de bergen en dalen van het Drakengebergte neergedaald.
Tien duizenden bloemen langs de hellingen van den berg beuren hunne met dauw gedrenkte kelken opwaarts, en schitteren als diamanten tusschen het groen. Groote scharen duiven drijven op blanke wieken door het onmetelijk luchtruim; prachtige vlinders klapwieken met hun rijk gekleurde vleugels, en de nijvere bij vliegt van bloem tot bloem, was en honig verzamelend.
Tusschen de boschjes in golven de maïsvelden in de morgenkoelte, en ver, ver weg blinken stroomen en schemeren wouden, en boven die wouden legeren zich de morgenwolken in wonderbaren vrede....
Generaal Colley laat onmiddellijk de overal rond liggende klipsteenen tot wallen opstapelen, waarachter zijn soldaten veilig zullen zijn, mòchten de Boeren een aanval wagen.
Hij zorgt er voor, dat in die wallen behoorlijke schietgaten worden gelaten, en eerst nadat dit alles is verricht, geeft hij als een voorzichtig veldheer aan de zijnen verlof, een stevig ontbijt te gebruiken.
Doch hij gunt zich zelf geen tijd voor het ontbijt, want het machtig gevoel der zegepraal doortintelt zijn borst.
Daar, dáár beneden, letterlijk aan zijn voeten ligt het kamp der Boeren — het pleit is gewonnen! Hersteld is zijn eer!
Over vier dagen zal generaal Wood komen.
Hij zal tot hem zeggen: "Generaal Wood, wat komt ge doen? Er is geen Boer meer in de passen van het Drakengebergte."
Dat hij zijn eer heeft bezoedeld door vóór den afloop van den wapenstilstand onzijdig gebied te bezetten, hij denkt er niet aan. Dat hijtrouwbreukheeft bedreven, 't komt niet in hem op.
Neen, hij geniet de zegepraal. Een glimlach van voldoening ligt op zijn gebruind gelaat. En terwijl zijn oog zich verlustigt in het gezicht van het Boerenkamp, daar diep beneden, ademt hij met volle teugen de hooge berglucht in.
Daar vallen twee, drie schoten.
Het zijn schoten,door zijn volk op een paar schildwachten der Boeren afgegeven.
Het is geschied tègen het bevel van den generaal. Er komt een rimpel op zijn voorhoofd. Erbehoeftimmers niet geschoten te worden; de bloote aanblik van den door Engelsche troepen bezetten Amajuba zal de Boeren doen inzien, dat zijverlorenzijn.
Maar zijn voorhoofd effent zich weer, en met groote belangstelling neemt hij waar, hoe het in het lager der Boeren levendig wordt. Het is, alsof de voet van een mensch tegen een groot mierennest heeft aangestooten: zoo woelt en gonst het door elkander.
Eén oogenblik schijnt er een zekere spanning in zijn gelaat te komen, maar zijn oog wordt weer helder.
Hij ziet, hoe de Boeren in grooten haast hun ossenwagens inspannen.
"Goed zoo," mompelt hij, "goed zoo! Zij gaan naar huis — de passen van het Drakengebergte zijn de mijne!"
Hij wendt zich naar het oosten, en werpt een blik naar de zon. Zij bestraalt een zelfbewust en vroolijk menschengelaat.
Doch lang voor de zon op dezen dag haar vlammende gloriebaan heeft afgeloopen, zal de levenszon van generaal Colley zijn ondergegaan.
Bij een sober lamplicht zit Piet Joubert, de Kommandant-Generaal, in zijn tent een rapport te schrijven.
Het begint nu licht te worden, en hij blaast de lamp uit.
Hij heeft den ganschen nacht gewerkt, en de oogen doen hem zeer. Hij is blij, dat het rapport af is; hij heeft behoefte aan rust.
Daar komt een ruiter aangereden, alsof de dood hem op de hielen zit. Hij houdt het dampende paard vóór de tent van den opperbevelhebber stil. Onwillig kijkt deze op, maar de ruiter rapporteert: "De Engelschen hebben vannacht den Amajuba bezet, en op onzen schildwacht, die aan den noordelijken voet van den berg was uitgezet, geschoten."
Verbaasd springt Joubert van zijn veldstoel op. Hij snelt de tent uit, werpt een blik naar den Amajuba, alarmeert het lager en roept tot de eerste afdeeling Boeren, die hij ontmoet: "De Engelschman is op den Amajuba, en jullie moet er hem afhalen."
Daar de andere stellingen niet verzwakt mogen worden, zijn er niet meer dan hoogstens 150 man beschikbaar, die onder aanvoering van den wakkeren generaal Nikolaas Smit en onder de leiding der veldkornetten Stephanus Roos, Joachim Ferreira en D. J. K. Malan te ongeveer negen uur 's morgens de bestorming ondernemen.
Onder het vuur van den vijand bereiken de dapperen een diepe kloof, waar zij, onder de beschutting van een overhangenden bergrand, hun paarden achterlaten.
En nu begint de eigentlijke, gedenkwaardige bestorming, die in een zegepraal of in den dood moet eindigen.
"Zouden zij 't werkelijk aandurven?" vraagt een lange officier der Schotsche Hooglanders aan zijn sergeant.
"Ze zijn gek, als ze 't doen," zegt de sergeant; "ze loopen in den muil van het verderf."
"Gek zijn ze niet," zegt de lange officier; "kijk maar — ze weten meesterlijk partij te trekken van de boschjes en de vooruitspringende rotsen."
"Maar zij komen niet meer te voorschijn," lacht de sergeant; "ze durven voòruit noch àchteruit; zij zitten in de klem."
"Toch niet," zegt de officier; "je vergist je leelijk. Kijk, daar komt weer een groep Boeren te voorschijn."
"Waar?" vraagt de sergeant.
"Wel dáár, waar ik met den vinger heenwijs. Nu zitten ze weer achter een struik," zegt de officier.
"Ze schuwen het daglicht, ze werken als de vleermuizen," zegt de sergeant minachtend.
"Ik denk, dat die vleermuizen ons nog werk zullen geven," zegt de officier.
Intusschen klimmen de Boeren in de gloeiende zonnehitte onophoudelijk voorwaarts. Zij versmachten van dorst, en telkens worden ze met een hagelbui van kogels begroet, maar ze geven 't niet op. Zij klauteren als klipbokken tegen de helling op; zij hangen tegen de rotswanden aan, alsof zij er een deel van uitmaken.
Nu bereiken zij een zeker punt, waar zij gedekt zijn voor het vijandelijk vuur.
Hier worden de krachten verzameld en de dorst gelescht, want het zwaarste stuk werk komt nog aan. Ook worden de Boerenkrijgers thans in drie afdeelingen gesplitst: Malan neemt den linkervleugel, Ferreira den rechter en Roos het centrum.
Roos zegt: "Onze God zal ons helpen, en wij zullen den kop nemen."
"Amen!" antwoorden de eenvoudige Boeren, en zij stormen voorwaarts.
De lange luitenant der Schotsche Hooglanders ziet hen naderen.
"Vuur!" kommandeert hij, "vuur!"
De kogels fluiten de Boeren om de ooren, maar geen oogenblik staken zij den stormloop. Zonder een woord te spreken, de tanden op elkander geklemd, vast besloten, om te overwinnen of te sterven, stormen deze Hollandsche Afrikaanders voorwaarts. Maar God de Almachtige dekt hen met een onzichtbaar schild, en de Engelsche kogels kletteren onschadelijk tegen de grijze klipsteenen.
Onrustig loopt de luitenant heen en weer. Hij vreest dat de Boeren zullen opdringen, en zullen trachten, van dezen kant den berg te beklimmen. Zijn blik zoekt naar hulp, maar de andere troepen hebben eveneens de handen vol werk, en het blijkt, dat de Boeren den berg van drie zijden omsingelen. Slechts desteilstekant, dien de Engelschen, om geen argwaan te wekken, heden nacht moesten nemen, is vrij.
"Wat zeg je nu van de vleermuizen?" vraagt de luitenant aan den sergeant, maar het antwoord wordt den sergeant letterlijk van de lippen weggeschoten, en een kogel doorboort zijn wang. Hij houdt zich vast aan een hoogen klipsteen, en tracht het hevige bloeden te stelpen, maar een tweede kogel vindt hem en strekt hem levenloos neer.
"Zoo gaat het niet," roept de luitenant, "zoo gaat het niet. Kom, jongens, wij zullen een uitval doen, en zien, of de Boeren tegen een hartig Engelsch hoera bestand zijn!"
"Hoera!" roepen de dappere Bergschotten, en zonder aarzelen springen zij hun moedigen aanvoerder na, die met den revolver in de éene, en den sabel in de andere hand, de Boeren tegenstormt.
06_roos.jpg[Illustratie: Veldkornet Stephanus Roos.]
Twee keeren zwaait hij met zijn wapen; dan valt hij,door een kogel in het hart getroffen, voorover, stort dertig voet de diepte in, en blijft daar, met den wapenrok in het struikgewas vastgehaakt, hangen.
Nu ontzinkt den Bergschotten de moed. Zij vluchten en bereiken, deerlijk gehavend, het plateau van den berg.
Eenigszins zijwaarts van een afdeeling Boeren klautert een oude Voortrekker tegen de helling op.
Van elken rotsblok, van het kleinste struikje weet hij partij te trekken. De kranigste jager van het Pruisische leger zou van dezen man nog kunnen leeren, hoe men dekking zoekt. Achter een molshoop zou hij des noods nog gaan schuilen.
Zilveren lokken omgolven zijn verweerd en door de zon verbrand gelaat, maar in zijn blauwe oogen schittert de strijdlust van den jongeling. En heel zijn houding verraadt moed, voorzichtigheid en onverschrokkenheid.
Maar plotseling blijft hij staan, alsof hij in de verte een visioen heeft gezien, om snel achter een hoogen, breeden klipsteen te verdwijnen.
Doch het is geen visioen geweest, maar een mensch van vleesch en bloed — Kees Botter.
Na den mislukten aanslag op den ouden Kloppers is hij teruggekeerd naar het Engelsche kamp, en even goed bekend met de stellingen der Boeren als met den raadzaamsten weg naar den Amajuba, heeft hij heden nacht de Engelsche troepen als gids gediend.
Ook Kees Botter heeft den ouden Kloppers herkend, en is onmiddellijk achter een klip geschuild.
Hij onderzoekt zijn uitstekend tweeloopsgeweer en brengt het in den aanslag.
Dat het een strijd wordt op leven en dood, begrijpen beiden; slechts een van hen zal de plaats levend verlaten.
In de aderen van Kees Botter gist en gloeit een haat, die geen erbarming kent, doch de grijze Voortrekker beschouwt zich hier als de Overheid, die recht zal doen, en het zwaard niet te vergeefs draagt.
Hij is alleen, doch dat hindert niet.
Zijn zwager Jansen en zijn zoon zijn in het gewoel der bestorming een eind van hem afgeraakt.
Lang blijft het stil achter beide klipsteenen, maar als een tijger ligt de verrader op de loer.
Daar wordt de rechterarm van den ouden Voortrekkerplotseling zichtbaar buiten de dekking der klip, doch om pijlsnel weer te verdwijnen.
Rakelings langs de klip fluit Botter's kogel.
Ja, die verrader is een scherpschutter — wees op uwe hoede, Dirk Kloppers!
Hijisop zijn hoede.
Voorzichtig neemt hij zijn breeden hoed, zet hem op den tromp van zijn geweer, en brengt hem in die positie voorzichtig buiten den klipsteen. Nauwelijks is de hoed echter buiten de dekking der klip, of hij wordt door een kogel doorboord.
"Nu ismijnbeurt gekomen," zegt Kloppers, terwijl hij overeind springt. "Hij heeft beide kogels uit zijn tweelooper geschoten, en ik zal er voor zorgen, dat hij hem niet meer laadt."
Vlug snelt hij op den verrader af.
Op tien pas afstands blijft hij staan.
De verrader is juist bezig, op nieuw te laden, doch hij ziet het gevaar en wil vluchten.
Het is te laat.
Hij staart in de oogen van den grijzen Voortrekker;ze zijn harden onverbiddelijk als het zwaard van een scherprechter.
Hij leest in die oogen zijn doodvonnis.
"Op je knieën, verrader!" roept de Voortrekker.
"Genade!" smeekt Kees Botter. Zijn gezicht is vaal van angst.
"En doe je laatste gebed!" vervolgt de grijsaard.
"Genade!" smeekt de ongelukkige nog eens.
"Genade kan de Heiland bewijzen, Die den moordenaar in zijn laatste stonde verhoorde — roep tot Hem om genade!" zegt Kloppers.
Smeekend heft de verrader de handen omhoog.
Hij heeft meer dan eens den dood moedig in de oogen gezien; te Lang-Nek, waar een en te Schuinshoogte, waar twee Boerenkogels zijn hoed doorboorden, doch thans doet de vrees voor den dood hem klappertanden.
"Vergeef mij, baas Kloppers!" stamelt hij.
"Ikwilvergeven," antwoordt de oude Voortrekker met bijna plechtige stem; "vergevenwil ik den man, die mijn kleindochter, een ongelukkig, blind kind, met den dood heeft bedreigd;vergevenwil ik den man, die zijn weldoener in spijt van diens grijze haren wilde verminken en metwaarlijk satanische boosheidfolterde.
07_amajuba.jpg[Illustratie: Tweegevecht op den Amajuba. TRESLING & Co. HOF LITH. AMSTERDAM.]
Dochnietvergeven mag ik het verraad, dat gij aan mijn volk, en den moord, dien gij aan Teunis Smit hebt gepleegd. Ik sta hier niet voor u als uws gelijke, Kees Botter, maar als uw meerdere, als uw overheid, die het verraad en den moord moet straffen."
En met de majesteit van den rechter richt hij zich op vóór den verrader.
Botter werpt een blik achterwaarts naar de Engelsche troepen, doch hij ziet duidelijk, dat van dien kant geen hulp is te wachten.
Hij knielt. Hij vouwt de handen en sluit de oogen.
Bidt hij? Of is het slechts een schijnvertooning?
Plotseling snelt hij overeind, en het scherpe dolkmes trekkend, springt hij met de vlugheid van een panter op zijn tegenstander aan. Maar de kogel van Dirk Kloppers vangt hem op, en vlak vóór de voeten van den grijzen Voortrekker stort de verrader, zonder een zucht te slaken, dood neer.
Slechts éénen blik werpt de oude Boer op het lijk. Dan laadt hij op nieuw en snelt voorwaarts, naar den kruin van den berg, want de beslissing nadert.
In zware kruitdampen is de bergtop gehuld.
Reeds lang is de lach verdwenen van Colley's gelaat. Al bezorgder staart zijn oog — bange voorgevoelens gaan door zijn ziel.
Hij werpt een blik op zijn dappere soldaten — bij tientallen liggen zij gewond en stervend in 't rond. Door de schietgaten heen heeft de kogel der Boeren hen weten te vinden.
Binnen een half uur, binnen een kwartier kunnen zij boven den rand van den bergtop verschijnen, en dan?
Maar nog éénmaal vermant zich het krijgsmanshart van den moedigen bevelhebber, en terwijl de eerste breede hoeden boven den bergrand verschijnen, kommandeert hij een bajonet aanval.
Op de punt van de bajonet zal hij de vermetelen in de diepte slingeren — tot op twintig pas naderen de Engelschen hun vijanden, doch dàn moeten zij, om niet geheel vernield te worden, terug.
Reeds nestelen zich de Boeren onder aanvoering van veldkornet Roosopden bergtop achter de klipsteenen; nu verschijnen ook de manschappen van Ferreirra, en aan de andere zijde de manschappen van Malan.
Van drie zijden ziet Colley de Boeren aankomen. Zij gaan van achter de klipsteenen weg, en het open terrein betredend, fluiten hun kogels dicht als hagel over het plateau.
Colley grijpt met de rechterhand den revolver, en de linker hand heft hij omhoog, om den storm te bezweren, die niet te keeren is.
Als rijpe korenaren onder den sikkel van den maaier, zoo vallen de Engelschen.
Er is geen hulp in dezen strijd — er is geen verweer. God zelf strijdt voor de Boeren, en wie is tegen God bestand?
Colley ziet het ongeluk aankomen, doch hij ziet het te laat. Hij neemt den witten zakdoek uit zijn wapenrok, om hem aan een bajonet te binden, want hij wil zich overgeven. Maar hij bereikt zijn doel niet meer. Door twee kogels tegelijk in het hoofd getroffen, zakt hij doodelijk gewond ineen. Hij legt den zakdoek op een harden klipsteen naast zich; daarop legt de generaal het hoofd.
Die zakdoek is zijn stervenspeluw.
In een wilde vlucht zoeken de Engelschen hun heil. Zij schuiven, springen, storten van hoogten van tien tot twintig, dertig voet naar beneden, scheuren zich het gelaat open aan de scherpe doornstruiken, vallen te pletter tegen de kantige klipsteenen, sneuvelen onder het moordend schot der Boeren...
Achter een klip vinden de Boeren een Engelschman in burgerkleeding. Hij was oorlogscorrespondent van een Engelsch dagblad, en bevend smeekt hij om zijn leven. Maar de Boeren zijn geen beulen, en tegenover een overwonnen vijand zijn zij steeds edelmoedig.
Zij brengen den correspondent bij een gesneuvelden hoofdofficier, dien zij niet kennen.
"Wie is dat?" vragen zij.
"Dat is generaal Colley," zegt de man.
Bij deze mededeeling ontblooten de helden van den Amajuba eerbiedig het hoofd, en scharen zich in een kring om den generaal.
Zoo eenen zij hun dapperen tegenstander, maar de dood van generaal Colley verkondigt aan de geheele wereld, dat het Transvaalsche volk: geen schennende hand aan zijn vrijheden duldt.
Intusschen geeft veldkornet Malan aan den kommandant-generaal bericht, dat een Engelsche reserve de wacht houdtaan den voet van den berg, en de kommandant-Generaal haast zich, een versche afdeeling Boeren onder aanvoering van Jakobus Smit1)tegen die reserve te laten oprukken.
Maar de Engelschen houden geen stand. De schrik zit er in, en zij vluchten, door de Boeren vervolgd, naar het oude kamp.
Tot op honderdvijftig pas zijn de Boeren nu, onder het onophoudelijk kanonvuur, het kamp genaderd, en zij maken zich gereed, om het te bestormen. Maar plotseling verduistert zich de lucht; zware onweerswolken trekken laag over de bergen, en terwijl het hemelvuur niet meer van de lucht verdwijnt, wordt het gewoel van den strijd door de ratelende donderslagen en den losbarstenden storm overstemd.
De Boeren breken thans het gevecht af, en in zegepraal keeren zij naar hun lagers terug.
En op de hoogten en langs de hellingen van den Amajuba-berg liggen, bleek en stom, de wakkere Bergschotten, ennooitzullen zij hun geliefde hooglanden terugzien!
Het Engelsche dagblad "Witness" ontving van haar correspondent over het gevecht van den Amajuba het volgend telegram:
"27 Februarihalf drie uurn. m. Onze manschappen met groot verlies aan beide zijden van den berg verjaagd. Vele officieren, eenigen van hoogen rang, gedood en gewond.Drie uur. Onze manschappen, die vrij kwamen, worden op slechts honderd geschat. De Boeren vielen den berg viermaal aan, en spanden de wagens in, gereed om weg te rijden, toen onze troepen genoodzaakt waren, terug te trekken, aangezien er niet voldoende reserve-ammunitie was medegenomen. Al de gewonden komen. Men zegt, dat generaal Colley dood is. Het verlies van de Engelschen driehonderd ten volle; het verlies der Boeren naar het schijnt gering. Al de stafofficieren zijn gebleven. Het regent sterk. De gewonden lijden zwaar. Er wordt een aanval op het kamp verwacht. Latere berichten bevestigen den dood van generaal Colley; op het einde van het gevecht werd hij door het hoofd geschoten. De soldaten van het 60steregiment schijnen goed in het kamp teruggekomen zijn, maar de Hooglanders en de manschappen van het 68stezijn meest allen gedood. Toen de soldaten geen ammunitie meer hadden, hebben zij de Boeren met steenen geworpen, maar eindelijk werden zij toch overmeesterd. Generaal Wood vertrekt uit Maritsburg, om dadelijk het opperbevel over te nemen."
"27 Februarihalf drie uurn. m. Onze manschappen met groot verlies aan beide zijden van den berg verjaagd. Vele officieren, eenigen van hoogen rang, gedood en gewond.
Drie uur. Onze manschappen, die vrij kwamen, worden op slechts honderd geschat. De Boeren vielen den berg viermaal aan, en spanden de wagens in, gereed om weg te rijden, toen onze troepen genoodzaakt waren, terug te trekken, aangezien er niet voldoende reserve-ammunitie was medegenomen. Al de gewonden komen. Men zegt, dat generaal Colley dood is. Het verlies van de Engelschen driehonderd ten volle; het verlies der Boeren naar het schijnt gering. Al de stafofficieren zijn gebleven. Het regent sterk. De gewonden lijden zwaar. Er wordt een aanval op het kamp verwacht. Latere berichten bevestigen den dood van generaal Colley; op het einde van het gevecht werd hij door het hoofd geschoten. De soldaten van het 60steregiment schijnen goed in het kamp teruggekomen zijn, maar de Hooglanders en de manschappen van het 68stezijn meest allen gedood. Toen de soldaten geen ammunitie meer hadden, hebben zij de Boeren met steenen geworpen, maar eindelijk werden zij toch overmeesterd. Generaal Wood vertrekt uit Maritsburg, om dadelijk het opperbevel over te nemen."
Dat geen ammunitiegebrek, zooals in het aangehaalde telegram wordt beweerd, de oorzaak der verpletterende nederlaag was, blijkt duidelijk uit het feit, dat de Boeren nà den slag nog een groote hoeveelheid Engelsche patronen buit maakten, doch de Engelschen begrepen niet, hoe zoo'n nederlaag anders mogelijk was.
De dappere Ferreira begreep het echter wel.
"Ik moet bekennen," meldde hij in zijn rapport, "datwijde Engelschen niet geslagen hebben, maarGod de Heere.
Het was voor menschen onmogelijk. En dan maar één man aan onzen kant te verliezen! Dus geen eer aan menschen; aan onzen grooten Generaal hier boven komt de eer toe!"
In dienzelfden geest luidde het rapport van den Generaal-kommandant.
En als een waardig slot verscheen van de regeering de volgende schoone, tot het hart sprekende dagorder:
"Heidelberg, Gouvernementshuis, 7 Maart 1881.
Aan den Kommandant-Generaal, de Kommandanten, Officieren en Burgers in het Transvaalsche Lager bij de Drakensbergen.
Mannen, Broeders! — Ons hart dringt ons, u een woord toe te spreken. Wij weten, dat de geheele Zuid-Afrikaansche Republiek met eerbied en dank naar u opziet. Wij roemen niet in kracht van menschen. Het is God de Heere, Die u heeft geholpen; het is de God onzer vaderen, tot Wien wij nu vier jaren lang om redding hebben gesmeekt en gebeden. Hij heeft groote dingen aan ons gedaan en onze gebeden verhoord.En gij, edele en moedige broeders, zijt in Zijne hand het middel geweest, om ons te redden; uw moed en dapperheid hebben aan die machtige mogendheid, welke ons zoo onrechtvaardig aanvalt, getoond, dat zelfs het zwakste volk, datvoor zijn vrijheid vecht, in staat is, wonderen van dapperheid te verrichten.Drie maal nu, op Lang-Nek, op Schuinshoogte en op den Spitskop (Amajuba) hebt gij met uw klein vuur een overmachtigen vijand staande gehouden en verslagen. Geen kanonnen, geen verraderlijke en afschuwelijke vuurpijlen hebben u afgeschrikt.Uw Kommandant-Generaal schrijft, niet sprekende van zich zelf, (hij is te edel, om zich zelf te roemen), neen, sprekende van officieren en zeer jonge krijgslieden: "Mijne achting voor hen is groot; hun naam behoeft in heldenmoed niet onder te doen voor een Wellington of een Napoleon. Wij zeggen het Z.Ed.Gestrenge na, maar maken het algemeen, van den Kommandant-Generaal tot elken Burger, die streed: Wij danken u; gij hebt veel aan het vaderland verdiend!Houdt vol tot het einde toe! Die God, Die het hart der koningen leidt als waterbeken, zal ons verlossen — vertrouwt op Hem!De Regeering der Zuid-Afrikaansche Republiek.W. EDUARD BOK,S. J. P. KRUGER,Staats-Secretaris.Vice-President"
Mannen, Broeders! — Ons hart dringt ons, u een woord toe te spreken. Wij weten, dat de geheele Zuid-Afrikaansche Republiek met eerbied en dank naar u opziet. Wij roemen niet in kracht van menschen. Het is God de Heere, Die u heeft geholpen; het is de God onzer vaderen, tot Wien wij nu vier jaren lang om redding hebben gesmeekt en gebeden. Hij heeft groote dingen aan ons gedaan en onze gebeden verhoord.
En gij, edele en moedige broeders, zijt in Zijne hand het middel geweest, om ons te redden; uw moed en dapperheid hebben aan die machtige mogendheid, welke ons zoo onrechtvaardig aanvalt, getoond, dat zelfs het zwakste volk, datvoor zijn vrijheid vecht, in staat is, wonderen van dapperheid te verrichten.
Drie maal nu, op Lang-Nek, op Schuinshoogte en op den Spitskop (Amajuba) hebt gij met uw klein vuur een overmachtigen vijand staande gehouden en verslagen. Geen kanonnen, geen verraderlijke en afschuwelijke vuurpijlen hebben u afgeschrikt.
Uw Kommandant-Generaal schrijft, niet sprekende van zich zelf, (hij is te edel, om zich zelf te roemen), neen, sprekende van officieren en zeer jonge krijgslieden: "Mijne achting voor hen is groot; hun naam behoeft in heldenmoed niet onder te doen voor een Wellington of een Napoleon. Wij zeggen het Z.Ed.Gestrenge na, maar maken het algemeen, van den Kommandant-Generaal tot elken Burger, die streed: Wij danken u; gij hebt veel aan het vaderland verdiend!
Houdt vol tot het einde toe! Die God, Die het hart der koningen leidt als waterbeken, zal ons verlossen — vertrouwt op Hem!
De Regeering der Zuid-Afrikaansche Republiek.
1) Thans Regeerings-Commissaris der Transvaalsche sporen.
Het was de Boeren tot nog toe wonderlijk meegeloopen. Bij het begin van den veldtocht hadden zij aan alles gebrek, en geen ammunitie genoeg, om een gevecht eenige uren vol te houden, en nu heerschte er in de Boerenlagers overvloed aan ammunitie, levensmiddelen en kleedingstukken, alles op den Engelschman buit gemaakt.
Doch ook de burgers, die thuis waren gebleven, zaten niet stil. Jan Ferreira van Gatsrand maakte een groote hoeveelheid kruit, waarvan de kwaliteit zeer werd geroemd, en patronen, die met het Engelsche fabrikaat konden concurreeren, terwijl de smid H. Ras te Rustenburg van wagenbandijzer een kanon smeedde, dat goed schoot, en vervolgens aan een rifle-kanon begon.
Intusschen kwam er een formeele wapenstilstand tot stand, en vele harten smeekten tot God om een eervollen vrede. Met bekwamen spoed werden ook de vredesonderhandelingen aangeknoopt, doch er kwam een plotselinge stremming, daar Engeland eischen stelde, die de Transvaalsche regeering onmogelijk kon inwilligen.
Op nieuw verduisterden de oorlogswolken de lucht.
"Dat houd ik niet langer uit," zeide Lodewijk Jansen, terwijl hij zijn forsche wenkbrauwen fronsde; "de Engelsche staatslui zullen ons te glad af zijn in de politiek, en wij liggen hier werkeloos in ons lager. Laten wij den stier bij de horens grijpen, en het Engelsche kamp bestormen!"
"Dat is goed gezegd," riepen een aantal Boeren, die in de nabijheid stonden.
"Wie doet er mee?" vraagde Jansen op luiden toon.
"Wij! En wij! En wij!" klonk het in het rond.
"Enikwil niet de laatste zijn!" zeide de jonge Jan Kloppers, terwijl zijn blauwe oogen begonnen te schitteren van geestdrift.
"En gij?" vraagden de Boeren, zich tot zijn vader wendend.
"Me dunkt," zeide de grijze voortrekker, "dat mijn hand nog sterk genoeg is, om den Engelschen standaard naar beneden te rukken!"
"Hoera!" riepen de Boeren.
"Maar laten wij niet vooruit loopen op den gang der onderhandelingen," voegde hij er aan toe op bedachtzamen toon; "onze voormannen hebben getoond, goed en bloed over te hebben voor ons volk, en wij mogen hun plannen niet doorkruisen."
"Dat is een verstandig woord," zeide Lodewijk Jansen, "maar geeft generaal Wood ons de onafhankelijkheid niet terug, dan zullen wij stormen, niet waar mannen?"
"Ja," riepen ze, "dan zullen wij het Engelsche kamp bestormen!"
"Want wij zijn voor generaal Wood evenmin bang als voor generaal Colley," zeide de jonge Kloppers.
"Laten wij het elkander als mannen beloven," zeide Jansen, de krachtvolle Voortrekker, "met woord en handslag — houw en trouw in nood en dood! In den strijd voor vrijheid en recht!"
Toen beloofden zij het elkander bij woord en handslag. Maar de Transvaalsche regeering ontwierp met het oog op den dreigenden toestand eene nieuwe proklamatie, die bij het ontbranden van een nieuwen oorlog onder de Hollandsche Afrikaanders van de Kaapkolonie en van Natal zou worden verspreid.
Het is de zoogenaamde "Derde Proklamatie"; zij tintelde van ernst, gloed en verontwaardiging.
Zonder twijfel zou deze proklamatie bij de spanning, die er heerschte in de Afrikaansche gemoederen, heel Zuid-Afrika in vuur en vlam hebben gezet. En President Brand, de even schrandere als voorzichtige President van den Oranje-Vrijstaat, van wien het gevleugelde woord afkomstig is: "Alles komt terecht," stelde, van den inhoud der proklamatie op de hoogte gesteld en zich volkomen bewust van het hoogernstige van den toestand, alle middelen in het werk, om nog tot een vreedzaam vergelijk te komen.
In den morgen van den 15denMaart verscheen Paul Kruger in het Boerenlager van het Drakengebergte.
Het was een heerlijke morgen; de zon scheen aan den onbewolkten hemel, en alles beloofde een schitterenden zomerdag.
Achthonderd Boeren gingen Kruger als een eerewacht tegemoet.
In de linkerhand hielden zij den teugel, en in de rechterhand, rustend op de rechter dij, het geweer.
In onberispelijke orde trok de eerewacht, met de oude Boerenvlag voorop, de hoogte op tot vóór de groote generaalstent van den Kommandant-Generaal. De vierkleur wapperde in den frisschen noordewind zoo vroolijk, alsof zij van zelf tegen de hoogte zou opgaan, en de damp uit de neuzen der paarden was duidelijk zichtbaar.
Nu werd halt gehouden, en Paul Kruger nam, op eenverhooging plaats nemende, onder eene ademlooze stilte het woord.
"Mannen, Broeders," zeide hij met bewogen stem, "ik ben zoo recht verwonderd en verbaasd over de trouw, standvastigheid en geestkracht, waarmede gij burgers zijt bezield geweest. Voorts vermaan ik u, om toch steeds op God te vertrouwen, en te erkennen en te weten, dat God met ons werkt. Niet door onze dapperheid of kracht hebben wij dezen wonderbaren strijd gewonnen, maar wij moeten het erkennen, dat het de Heere was, Die voor ons heeft gestreden. En nu moedig ik u aan, om niet bij dat erkennen te blijven staan, maar alles aan den Heere over te geven, al uwe bekommernissen voor de toekomst Hem op te dragen, en aan Hem uwe geloften te betalen."
Op een wenk van den spreker nam nu Ds. Ackerman het woord, die de Boeren opriep, met hem in te stemmen in den kreet: "God zegene onze Republiek!"
Tot drie keeren toe werd de kreet vol geestdrift herhaald, en op den uitdrukkelijken wensch van Piet Joubert werd er met niet minder warmte, tot drie malen toe, aan toegevoegd: "God zegene geheel Zuid-Afrika!"
Nu wendde zich de Kommandant-Generaal tot de burgers, dankte hen voor hun vaderlandsliefde, en verzocht hen, zich thans van de generaalstent te verwijderen, daar de voormannen nog een zwaren en hoogst verantwoordelijken arbeid voor zich hadden.
Zonder morren trokken zich de Boeren onmiddellijk terug. Halverwege tusschen het Engelsche en het Boeren-kamp stond de groote tent, waar de vredesonderhandelingen werden gevoerd.
Het Engelsche gouvernement was vertegenwoordigd door generaal Wood en vier leden van zijn staf; het Transvaalsche gouvernement door de leden van het driemanschap: Paul Kruger, Piet Joubert en M. J. Pretorius, alsmede door een viertal aanzienlijke burgers, terwijl president Brand als vriend van beide partijen aan de beraadslagingen deel nam.
De conferentiën duurden van 16 tot 23 Maart, en dank zij de gematigdheid der Transvaalsche voormannen, het beleid van president Brand en de ontegenzeggelijk milde houding der Engelsche regeering, werden tot blijdschap van alle voor de Boeren kloppende harten, de onderhandelingen met een gunstig gevolg bekroond en in den avond van den 23stenMaart 1881 de vrede gesloten.
Het Transvaalsche volk herkreeg de zoo vurig begeerde staatkundige vrijheid, doch Engeland bedong voor zich het laatste woord, zoo de Zuid-Afrikaansche Republiek betrekkingen wilde aanknoopen met het buitenland.
Dus verkregen de Boeren niet alles, wat zij wenschten, maar tochdat, waarvoor zij hunbloedhadden gestort, namelijk volkomen onafhankelijkheid in eigen huishouding, en de oude Dirk Kloppers zeide, met het oog op het jonge Transvaal, op vroolijken toon: "Er moet later voor de jongeren ook nog wat werk aan den winkel blijven."
"Al de lagers worden opgebroken, de wagens ingespannen, en de Burgers verschijnen te tien uur marschvaardig vóór de groote generaalstent van den Opperbevelhebber!"
Met deze order worden de Boeren in den vroegen morgen van den volgenden dag, Woensdag 24 Maart, verrast.
Intusschen zijn Roos, Malan en Ferreira, de drie wakkere aanvoerders bij de bestorming van den Amajuba, boven op den kop van den berg verschenen, waar zij volgens afspraak den opperbevelhebber van het Engelsche leger, generaal Wood, met zijn staf ontvangen.
De generaal bezoekt de plek, waar de Bergschotten werden vernietigd, en vraagt eenige inlichtingen omtrent het verloop van het gevecht, die hem bereidwillig worden verstrekt.
Zoo daalt men neder van den hoogen berg en begeeft zich naar de generaalstent van Piet Joubert, terwijl de weg daarheen, aan beide zijden drie dicht aaneengesloten rijen diep, is afgezet door 2500 Boeren te paard in hun gewone velduitrusting: de gevulde bandelier over de borst, en het geweer rustend op de rechter dij.
Paul Kruger bevindt zich in de tent, doch generaal Joubert staat vóór de tent, om den hoogen bezoeker te ontvangen.
Met ernstige blikken nemen de Boeren over de koppen van hun paarden den Engelschen generaal op, van wiens beleid en onverschrokkenheid zij reeds zooveel hebben gehoord. Maar hij wandelt met zijn schitterenden staf van officieren tusschen hun rijen door, en ontbloot zijn hoofd voor de dappere wacht van het Drakengebergte.
Vóór de generaalstent wordt hij ontvangen door Piet Joubert, en beide bevelhebbers drukken elkander welgemeend en oprecht de hand.
Nu monstert Wood de Boerentroepen, en vorschend gaat zijn blik over die gelederen, waar hij naast den baardeloozen jongeling den grijsaard ziet, tot zijn oog blijft hangen aan een jongen, die, met den gevulden bandelier over de borst en het geweer in de hand, dicht in zijn nabijheid staat.
Hij wendt zich tot den jongen, en vraagt hem naar zijn ouderdom.
"Dertien jaar, baas," antwoordt de jongen.
Hij verwondert zich over dien jeugdigen leeftijd.
Nu neemt hij het geweer en den bandelier van den jongen, weegt het te samen op zijn handen en verwondert zich nog sterker.
"Is dat geweer je niet te zwaar, ventje?" vraagt hij op vriendelijken toon.
"Niks te zwaar," antwoordt de jongen; "ik kan er de Roodbaatjes zoo lekker mee schieten."
"Pas op!" zegt de generaal, en hij heft den vinger schertsend omhoog, "weet jij wel, dat ik ook een Roodbaatje ben?"
"Ik weet het," antwoordt de jongen; "doch wees maar gerust, baas, ik zal je nou geen kwaad doen, want het is vrede."
"Kom, dat is eene heele troost voor mij," lacht de generaal, en hij reikt den jongen op de hem eigen innemende manier de hand.
Intusschen is er in de generaalstent een koud middagmaal gereed gemaakt, en de tafel is versierd met ruikers van prachtige gele en roode bloemen, langs de hellingen van den Amajuba geplukt. Hier vereenigen zich de gasten, terwijl Paul Kruger en Piet Joubert de gastheeren zijn.
Er heerscht aan tafel een prettige, gezellige toon, en snel is een uur verstreken. Nu neemt generaal Wood met zijn officieren een hartelijk afscheid, en vertrekt, door een eeregeleide der Boeren een eind weegs vergezeld, terug naar zijn kamp.
Maar Kruger, Joubert en Pretorius, de leden van het driemanschap, wenden zich tot hun volk, danken hen voor de onvergetelijke diensten, in bange uren aan het vaderland bewezen, prijzen hun moed en hun lijdzaamheid in de moeilijkste omstandigheden, herinneren hen aan de weldadigheden des Heeren en de treffende gebedsverhooringen, en vermanen hen,om God de eerete geven der zegepraal, en met een vast voornemen des harten te wandelen in Zijne inzettingen.
En nu is het oogenblik van vertrekken aangebroken.
Het Boeren-kommando zal, na een veldtocht van drie maanden, huiswaarts keeren.
Reeds staan de wagens in drie rijen naast elkander gereed om te vertrekken.
De jukken stootten tegen de harde hoornen der trekossen, de lange zweepen klieven de lucht, de stijgbeugels rammelen, luide klinken de kommando's, de ossen buigen den sterken nek, en knarsend, krakend en stampend zetten zich de tweehonderd zeventig ossenwagens in beweging.
De wagens vormen de voorhoede, en achter hen aan komen, in gesloten gelederen, op hun vlugge, taaie, trappelende paarden, de helden van Bronkhorstspruit en Lang-Nek, van Schuinshoogte en Amajuba.
Zij trekken voort zonder geschal of rumoer; kalm, bedaard en ernstig. Maar in hun oogen blinkt ingehouden, mannelijke vreugde, en de blanke loop hunner geweren schittert in de namiddagzon.
En boven op een berghoogte staat, in den kring zijner officieren, de opperbevelhebber van het Engelsche leger.
Hij leunt op zijn sabel, en hij oogt de vertrekkende Boerenkrijgers na.
En zij heffen het moedige psalmlied aan:
"Als God mijn schild en hulp wil wezen,Wat zou een nietig mensch mij doen?"
En de wind neemt de toonen op van het lied, en draagt het tot de berghoogte, waar hij staat, de dappere generaal Wood.
En zijn gelaat neemt een peinzende houding aan, en niemand zijner officieren spreekt een woord.
Maar als de stofwolken in de verte oprijzen, en ros en ruiter voor zijn oogen verdwenen zijn, wendt hij zich tot zijn staf en zegt, de handen naar het noorden uitstrekkend: "Mijne Heeren, daar gaan de helden van Zuid-Afrika!"
En hij knoopt den rooden wapenrok dicht, want het begint koeler te worden, en zwijgend keert hij met zijn staf naar het Engelsche kamp terug.En de passen van het Drakengebergte, de poorten der Transvaal liggen eenzaam en verlaten.... En de trouwe wacht van het Drakengebergte spoedt huiswaarts, naar vrouwen en kinderen, want geen vijand bedreigt meer de poorten des lands....
Wij hebben den gewonden Engelschen infanterist Charles Marling, in den avond van den 28stenJanuari onder de hoede van Dirk Kloppers in een wagen van gekwetsten bij den Lang-Nek achtergelaten.
De wagen was den volgenden dag noordwaarts getrokken de Transvaal in, om de gewonden zoo mogelijk bij de hunnen terug te brengen.
Eén der geblesseerden behoorde thuis in de buurt van "Vredenoord", en dit had Dirk Kloppers doen besluiten, om den gewonden soldaat aan zijn vrouw ter verpleging te zenden.
Hij had er een brief bijgevoegd, dien de voerman af zou geven, en waarin met betrekking tot den gekwetste het volgende stond te lezen:
.... "Gisteren avond vonden wij een Roodbaatje, die in het gevecht een kogelwond aan het hoofd heeft gekregen, en die door bloedverlies bewusteloos was geworden. Wij hadden hem wel naar het Engelsche kamp kunnen zenden, maar ik denk, dat die kogelwond een langdurige en zorgvuldige verpleging zal noodzakelijk maken, en ik vrees, dat de Engelsche dokters, die de handen meer dan vol hebben, daaraan niet zullen kunnen beantwoorden. En daarom zend ik het Roodbaatje aan jou, Anneke!
Hier kwam van morgen een erg geleerd man in ons lager en zeide: "Wat ben jullie Boeren toch rare menschen! Eerst schiet je de Engelschen zooveel mogelijk dood, en later, als het gevecht over is, doet ge je best, om de Engelschen,die nog niet heelemaal dood zijn, met kunst- en vliegwerk op te knappen. Dat begrijpt ik niet!" Maar je broer Lodewijk antwoordde hem: 'Jij bent te geleerd, om dat te begrijpen, mijnheer, en daarom moet je maar in je eigen sop gaar kooken!'
Dus denk maar goed om het gekwetste Roodbaatje, lieve vrouw, en wij willen hopen, dat hij moge genezen, en nog tot iets beters moge worden opgeleid dan tot het dooden van menschen, wier eenige misdaad het is, dat zij geen onderdanen willen zijn van de Engelsche koningin!"
De brief bereikte even als de wagen met den gekwetste de oude vrouw Kloppers, en terwijl zij zich verblijdde over het goede nieuws, dat de brief bevatte, verwonderde zij zich toch over het gewonde Roodbaatje.
Maar zij was een gulle, hartelijke, Afrikaansche vrouw, en zij zeide: "Wat mijn baas doet, is nog altijd goed uitgekomen." En zij spoedde zich naar den ossenwagen, en haar hart werd vervuld met medelijden, toen zij in het holle gelaat van den gewonde staarde. Snel riep zij eenige Kaffers, die den gekwetste voorzichtig naar boven droegen, en in het kamerke van Jan, in de bruine houten bedstede, werd hij op een zacht, veeren bed behoedzaam neergelegd.
Vrouw Kloppers onderzocht nu de wond, bette ze zorgvuldig met versch koud water, belegde ze met linnen pluksel en legde een nieuw, stevig verband.
Zij deed dit met vlugge, vaardige hand, zooals een huismoeder het heeft geleerd, die haar gansche leven heeft geworsteld met de gevaren en de wisselvalligheden der Afrikaansche wildernis.
Intusschen had zij één der Kaffermeiden reeds gelast, om een krachtige bouillon gereed te maken, doch de gewonde staarde haar aan,met den koortsgloed in de oogen.
Hij wierp zich rusteloos van de ééne zijde op de andere; hij was inderdaad zeer ziek.
Met een ernstig gelaat zette zich moeder Kloppers bij den vreemdeling neer, en het bord bouillon, dat de Kaffermeid bracht, schoof zij zwijgend ter zijde.
Zij deed zelfs geen poging, om den zieke te doen eten, doch nu en dan verkwikte zij zijn brandende lippen met een teug water.
Het werd namiddag — zij zat nog bij de ziekensponde. Het werd avond — zij zat er nog.
Zij liet zich het eten boven brengen, en opeen fluisterende vraagvan haar kleindochter Lena antwoordde zij: "Hij krijgt een harde koorts; ik blijf van nacht bij hem op."
En zij deed het.
Bij het sobere licht eener brandende vetkaars hield zij den ganschen nacht de wacht, en met de liefde en het geduld der echte ziekenverpleegster lette zij op de geringste beweging van den koortslijder.
Maar de koorts klom, en die ingevallen kaken begonnen te gloeien met een bedriegelijk rood. Zijn onrust nam toe, en het scheen, alsof zijn geest, door furiën werd voortgezweept.
Onophoudelijk wendde zich zijne blik naar het houten beschot aan zijn voeten, en het scheen, alsof hij daar schrikwekkende visioenen zag. Maar plotseling kon die angst en vertwijfeling, die hem bezielde, overgaan in een groote diepe droefheid, en de toon, waarop hij in die oogenblikken uitriep: "Mijn arme moeder, wat is er van uw kind geworden!" had iets onbeschrijfelijk treurigs.
"Als hij maar tot rust konde komen!" zuchtte moeder Kloppers, terwijl zij den zieke koude compressen met water op het hoofd legde, maar ach! daar haperde het aan!
Tegen den nanacht nam het ijlen nog toe, en de verpleegster had handen vol werk, om den koortslijder in bed te houden.
"Nog één zoo'n koorts, en hij is weg," steunde zij, en zijn beurtelings geroep om zijn moederdeed de teederste snaren trillenvan haar eigen moederhart.
Zij was diep bewogen en wischte het klamme zweet van zijn gelaat.
En zij knielde vóór de bruine bedstede neder, smeekte dringend en ernstig om de genezing van dezen vijand van haar volk.
En God verhoorde dat gebed.
Plotseling vloog hij overeind, en de koorts schudde hem als een espenblad.
Toen viel hij machteloos neer en sloot de oogen.
Moeder Kloppers voelde in ongewone spanning zijn pols, en langzaam verhelderde zich haar gelaat.
"Er komt hoop!" fluisterde zij tot zich zelven, en luisterend zette zij zich aan het hoofdeinde neder.
De vreemdeling lag daar als een schijndoode; dat deed de uitputting. Men kon nauwelijks merken, dat hij ademhaalde, maar moeder Kloppers zeide: "Hij slaapt, en die slaap zal hem genezen."