HOOFDSTUK XXVIII.

Zij kortte haar nachtrust in, om zooveel mogelijk haar tijd den koortslijder te kunnen wijden. Zij vermaande hare huisgenooten tot de grootste stilte, en gaf in alles het goede voorbeeld. Telkens moest zij denken aan die arme moeder in het verre Engeland, van wie hij had gesproken in zijn ijlen, en een groot en diep medelijden vatte post in haar hart. Zij bevochtigde nu en dan zijn heete, verschroeide lippen met eenige druppels wijn, en op de geringste zijner bewegingen lettend, zat zij daar aan zijn ziekensponde als zijn goede engel.

Twee keeren sloeg hij even de oogen op, doch om ze onmiddellijk weer te sluiten.

Eenige dagen later, op zekeren namiddag, toen het bedrijf de afwezigheid van moeder Kloppers noodzakelijk maakte, had Lena de plaats van haar grootmoeder ingenomen.

Zij was in haar handwerk en in haar gedachten verdiept, en zij merkte het niet, dat de zieke haar reeds eenige minuten met groote, verwonderde oogen lag aan te staren.

Vervolgens staarde hij naar boven, naar de lage, ruwe zoldering, en naar buiten, naar het dichte, ruischende loover van den lindeboom, vlak vóór het kleine venster.

Hoe stil, hoe gezellig en vredig was dit eenvoudig kamerke! En nu en dan brak het zonnelicht door het lichte loover van den lindeboom heen, en straalde als goud in het kleine vertrek.

Hij wreef zich peinzend het voorhoofd. Er was een gaping in zijn herinnering, die hij trachtte aan te vullen, en nadenkend staarde hij op zijn bleeke, uitgeteerde vingers. Nu eerst kwam een vermoeden in hem op van de zware ziekte, die hij had te doorworstelen gehad, en hij herinnerde zich den hotsenden ossenwagen, waarmede hij was vervoerd geworden.

Doch hoe hij hier, in deze bedstede, was gekomen, kon hij zich niet meer herinneren, want toen had de ijlkoorts hem reeds te pakken gehad.

Nu trachtte hij zich op te richten, maar machteloos viel hij terug in het veeren kussen. Doch Lena had met haar scherp gehoor begrepen, wat hij wilde, en zij zeide op hareinnemende, bevallige manier: "Is onze patient eindelijk wakker?"

"Ja," zeide hij; "heb ik lang geslapen?"

"Ja, een heele tijd," antwoordde zij op vriendelijken toon.

"Waar ben ik eigentlijk?" vraagde hij met klimmende verbazing.

Zij deelde het hem mede.

"Ge zijt vriendelijke menschen," zeide hij bewogen; "ik ben u veel, veel dank verschuldigd," en hij strekte zijn magere uitgeteerde handen uit.

Doch zij bemerkte dit niet.

"Hebtgijmij opgepast?" vraagde hij.

"Neen," zeide ze, "mijn grootmoeder."

"Kijk, daar hangt mijn roode uniform," riep hij; "daar, tegen den muur."

Het scheen hem goed te doen, dat hij iets bekends zag.

"En mijn helm en mijn sabel! Maar wat hangt daar toch naast?"

"Ik weet het niet," antwoordde zij; "ik kan niet zien."

"Waarom niet?" vraagde hij verwonderd.

"Ik ben blind," antwoordde ze.

"Ach," zeide hij, "blind!"

"Maar moet ge niet wat te eten hebben?" vraagde Lena bezorgd.

"Nu," antwoordde hij met een hongerigen blik uit zijn diepliggende oogen, "ik lust wel wat!"

"Dan zullen wij je helpen," zeide Lena op vroolijken toon, en zij liep voorzichtig de trap af.

Het duurde niet lang, of zij kwam met grootmoeder terug.

Moeder Kloppers had reeds een bord soep meegebracht.

Zij kruiste de armen over elkander en zeide: "Zoo Roodbaatje, begin je honger te krijgen? Daar ben ik blij om. Hier heb ik al wat goeïe kost meegebracht, hoor," en zij stutte het kussen in zijn rug.

En terwijl zij het bord vasthield, greep hij haastig naar den lepel en begon te eten.

Maar zij verwonderde zich zeer, keek hem aan met strakken blik en zeide: "Bid je niet voor den eten?"

"Neen," antwoordde hij verlegen.

"En hebben je ouders je dan geen bidden geleerd?" ging zij voort.

"Ja," zeide hij met klimmende verlegenheid.

"En waarom bid jenudan niet?" vraagde ze in groote verbazing.

"Ik kan niet meer bidden," zeide hij treurig; "ik heb het verleerd."

"Ach, dat is erg," zuchtte de oude vrouw, en ook Lena zuchtte.

Zij waren beiden bedroefd. Het was, alsof de zon, die pas na een aantal sombere dagen op nieuw begon te schijnen, plotseling door een zwarte, duistere wolk werd onderschept.

Charles Marlingvoeldedie droefheid. Tegen harde, scherpe woorden ware hij bestand geweest, maar tegen deze droefheid had hij geen verweer.

Zwijgend nuttigde hij zijn bord soep en legde zich neder. Ware hij alleen geweest, dan had hij misschien zijn handen gevouwen, om te danken, doch nu wilde hij het niet doen, om den schijn van huichelen te vermijden.

Doch moeder Kloppers en haar kleinkind namen het anders op, en deze dag eindigde recht treurig op "Vredenoord".

En Charles Marling voelde zich diep ongelukkig.

De vreemdeling zit voor den eersten keer onder den lindeboom.

Hij is in gewone Boerenkleeding; in plaats van de roode uniform draagt hij den blauwen kiel.

Zijn wangen staan nog hol, en diep liggen de oogen in hun kassen. Hij heeft veel geleden.

Over zijn moeder heeft hij na zijn ijlen niet meer gesproken. Trouwens hij spreekt zoo weinig mogelijk.

Het beste kan het de blinde Lena nog met hem vinden.

Hij is ongelukkig door zijn verleden, en zij door hare blindheid — dat schijnt onbewust een geheimzinnigen band te vormen.

Droomend gaat zijn blik over den tuin en den boomgaard,over de golvende maïsvelden en de groene, schemerende heuvelen aan den horizon.

Liefelijk strekt zich het landschap met zijn tallooze bloemen uit voor zijn blik, maar zijn oog glijdt er onverschillig over heen.

Zijn geest is er niet bij. Zijn geest staart op zijn vervlogen leven — een diep treurig, verloren leven.

En op den achtergrond ziet hij een treurende, schreiende weduwe, die haar zoon beweent — en die zoon ishij.

Lena zet zich in zijn nabijheid neder. Hier, in de schaduw, heerscht een aangename koelte. Daar binnen, in huis, is het heet.

"Wij zijn beiden ongelukkig," zegt hij na een langdurig zwijgen.

"Datgijongelukkig zijt," zegt zij, "vermoed ik, maar dat blindheid een vreeselijk ongeluk is, datweetik."

"Zijt ge blind geboren?" vraagt hij met eenige belangstelling.

"Neen," antwoordt ze, "maar ik heb een ziekte op mijn oogen gekregen, en zoo ben ik blind geworden."

"Kreegt ge de ziekte op beide oogen tegelijk?"

"Neen," zegt ze; "ze ging over van het ééne oog op het andere."

"En hoe lang is dat geleden?" vraagt hij met ongewone belangstelling.

Zij deelt hem het verloop der ziekte mede.

"En heeft uw familie nooit een bekwamen oogarts geraadpleegd?" vorscht hij.

"Neen," antwoordt het eenvoudige meisje; "hoe heeft ze dat gekund? Wij leven hier in zeer bewogen tijden, en dan komt er niets van."

"Maar zou ik dan nog genezen kunnen worden?" vraagt zij met blijde verrassing in haar stem.

"Ik weet niet," zegt hij, "maar ik heb er wel eens van gehoord. In Londen — daar zou 't misschien gaan."

"Daar zal ik nooit komen," zegt zij treurig.

"Ik denk het ook niet," zegt hij, en hij haalt de schouders op.

Er volgt een langdurige pauze.

Een groote Ulmer dog komt met langzame schreden aanloopen, en vleit zich neder aan de voeten van zijn meesteres.

Van de groote duiventil achter het huis klinkt het gekir der duiven, en in den bloementuin gonzen de bijen.

Charles Marling wendt zich op nieuw tot het meisje, maar zij kijkt hem verwonderd aan, want zij begrijpt zijn spraakzaamheid niet.

"Ik ben ongelukkig," zegt hij; "ongelukkiger dan gij."

"Dat weet ik niet," zegt ze.

"Veronderstel eens, dat ge je moeder op het hart hebt getrapt, is dat niet erger dan blindheid?" vraagt hij.

"Ja," zegt ze, terwijl zich hare glanslooze oogen op hem richten, "dat is erger."

"En hebt gij dat gedaan?" vraagt ze op ernstigen toon.

"Ja," zegt hij, "dat heb ik gedaan."

En nu komt het er uit, wat hem foltert dag en nacht: in eens, plotseling, hartstochtelijk, als een opschuimende fontein. Hij vertelt, hoeveel smart hij zijn moeder heeft veroorzaakt, en hoe hij met allen godsdienst als het grootste struikelblok tot het ware geluk heeft gebroken.

Hij verhaalt van het bittere hartzeer, dat zijn moeder om zijnentwil heeft gevoeld, en van den wreeden spot, waarmede hij haar laatste vermaningen heeft aangehoord. Hij tracht zich niet te verschoonen, maar schijnt er behoefte aan te hebben, om ten minste aan één mensch in de wijde schepping te laten zien, welk een verworpeling hij is.

"'t Is verschrikkelijk," roept zij uit.

Zij rilt er van, maar aan een plotselinge ingeving gevolg gevend, zegt zij: "Gij zijt als de verloren zoon in het evangelie — keer terug naar het Vaderhuis!"

Op den avond van dezen dag knielt in het groote, drukke Londen een eenzame weduwe op haar kamer neder.

Op de tafel ligt een Zuid-Afrikaansche courant, waarin haar zoon onder de vermisten bij het gevecht van Lang-Nek is opgegeven.

Doch in spijt van deze vreeselijke tijding geeft de moederliefde den kamp nog niet op voor het behoud van haar kind.

Zóó sterk is de moederliefde — zij worstelt tegen den dood.

"Heere," zegt de eenzame weduwe, "red mijn kind, als het nog leeft! Red zijn arme ziel! Hij weet niet, wat hij doet — red hem uit de strikken van Satan, en breng hem terug als den verloren zoon!"

Dit gebed doet zij elken avond — ach, den ganschen dag! Het is haar kind, en hetblijfthaar kind, al is het verdoold op de paden der ongerechtigheid.

Kan een moeder ooit haar kind vergeten?

En ver weg, in de wildernissen van Zuid-Afrika, op een donker dakkamerke van "Vredesoord" buigt een jonge man zijn knieën en roept om genade!

En de engelen leggen het oor te luisteren naar het smeekgebed van een arm, gejaagd menschenhart, en zij nemen reeds de gouden harpen van de marmeren zuilen.

We zijn weer eenige dagen verder.

De slag van den Amajuba is voorbij, en met dankbare blijdschap is het goede nieuws op "Vredenoord" vernomen.

Stil en in zich zelven gekeerd zit Charles Marling op zijn oude plaats onder den lindeboom.

Hij sterkt langzaam aan, en de hoofdwond betert goed.

Hij heeft een Engelsch testament in de hand en leest het met groote aandacht.

Nogis het winter in zijn hart, maar reeds zweven de lentewolken er over heen, die het ijs zullen smelten.

Een groote, diepe droefheid vervult zijn ziel — ja, het zal lente worden!

De adem van den Eeuwige gaat over dit verloren hart — zou het daar geen lente worden?

Hij leest de gelijkenis van den verloren zoon.

En hij leest ze nòg eens en nòg eens.

Ach, dat is hij — trek voor trek!

Maar hij wordt bewaard voor de vertwijfeling, en de ster der hoop beschijnt zijn pad.

"En tot zich zelven gekomen zijnde, zeide hij: Hoevele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger!"

Nu beginnen de lentewolken te druppelen....

Nu zal het ijs gaan smelten...

"Ik zal opstaan en tot mijnen vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader! ik heb gezondigd tegen den Hemel en voor u; en ik ben niet meer waardig, uw zoon genaamd te worden; maak mij als éénen van uwe huurlingen!"

Reeds is de zon ondergegaan, en nog altijd zit Charles te peinzen en te lezen. En de tranen biggelen hem over de bleeke wangen.

"Kom, Marling," zegt Lena, die naar buiten komt, "het wordt te koud onder den lindeboom."

Hij gaat naar binnen, als in een droom.

En in dezen nacht look geen slaap zijn oogen. Er was ook geen tijd voor, want hij deed de reis naar zijn vader.

"En opstaande, ging hij naar zijnen vader. En als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toeloopende viel hem om zijnen hals en kuste hem."

En toen grepen de engelen in de snaren hunner gouden harpen, want er is bij hen blijdschap over éénen zondaar, die zich bekeert.

En nu was de lente waarlijk gekomen! Het lied van den zangvogel werd gehoord, en de bloesems botten uit. De hemel neigde zich tot de aarde, en weerspiegelde zich in het oog van een zalig menschenkind. Het verloren kind had zijn vader teruggevonden en het eeuwige rustpunt voor zijn hart.

Charles sprak dien morgen weinig, maar de verandering, die bij hem had plaats gehad, blonk uit zijn oog en straalde van zijn gelaat, en openbaarde zich in de teederheid, waarmede hij sprak.

Er was iets grootsch in dit huis geschied, en moeder Kloppers vermoedde het, al wist zij 't niet.

In den loop van den dag verzocht Charles papier en inkt, en schreef een langen brief. En telkens brak hij den brief af, en hier en daar waren de letters uitgewischt, en dat kwam van de tranen, die op het papier nedervielen.

Dezen brief sloot hij in een couvert, en adresseerde hem aan een weduwe in Londen.

En deze weduwe was zijn moeder.

Weduwe Marling houdt een brief in de hand.

Reeds het adres is voor haar een verkwikking, want het is de hand van Charles.

Dus hij leeft nog! En hij denkt aan haar!

Nu opent zij met een kloppend hart het couvert, en ze is blijde verwonderd, zoo'n langen, langen brief te ontvangen.

De inkt is wel wat bleek, en de pen schijnt niet van het beste soort te zijn geweest, doch dat hindert niet. Een lange brief is een bewijs van een warm hart.

En nu zet de weduwe zich neder en begint te lezen.

"Innig geliefde Moeder!"

Zie, zóó heeft hij in langen tijd niet geschreven. De aanhef was gewoonlijk koeler, harder.

"Dit is nu de eerste brief, dien Gij, lieve Moeder, in langen tijd van mij ontvangt, en ik ben diep bedroefd, dat ik zoo'n trouw moederhart zooveel pijn heb veroorzaakt."

Isdeze brief van Charles?

Ja, 'tiszijn brief, 'tiszijn hand.

"Ik hoop, dat de Heere mij in het leven moge sparen, om ten minste eenigszins uwe liefde te vergelden, waar gij om mij zooveel harteleed hebt doorgestaan."

De weduwe leest door — in wondere, blijde verbazing — maar de letters beginnen te dansen voor haar oogen — zij kan niet verder.

Het geluk is te groot, om het in eens te vatten.

Hier staat zij voor een buitengewone gebedsverhooring, en slechts aarzelend durft zij aan die verhooring te gelooven.

Doch er is geen twijfel aan; het is geen droom. En is de brief nat gemaakt door de tranen van haar kind, tranen van berouw, nu vallen er de tranen op van de moeder, tranen van overstroomende blijdschap.

Het wordt licht in haar woning; het wordt licht in haar hart.

Zij begeeft zich naar het raam.

Het gewoel der wereldstad dreunt en dondert onder haar vensters voorbij, en duizenden menschen dwarrelen dooréén, haastig en gejaagd, ieder naar zijn doel.

Ach, zij zou nu al die menschen wel bij elkander willen vergaderen, ja heel Londen, en tot hen roepen: "Zie, mijn kind was dood en het leeft; het was verloren en het is gevonden — weest nu blijde met mij!"

Veel smart, veel bitter zielewee heeft haar jongste zoon, haar Charles haar veroorzaakt, maar deze korte oogenblikken van zaligheid wegen er tegen op, en maken alles,allesgoed!

Zij wil de menschen deelgenoot maken van haar vreugde, en zou zij haarGodniet danken?

Op gebogen knieën dankt zij hem....

Nu neemt zij weer den brief ter hand, en met groote kalmte leest zij hem ten voeten uit.

"Als Eduard komt," zegt zij, "wat zal hij zich verblijden!" Eduard is haar oudste zoon — zij heeft slechts twee kinderen — en heeft gestudeerd voor arts. Hij heeft zijn doctoraal examen met lof afgelegd, en staat thans op het punt, zich te vestigen als arts in de oogheelkunde, waarvan hij een bizondere studie heeft gemaakt.

Hij zou zich reeds hebben gevestigd, doch daar zijn moeder in ruimere financiëele condities is gekomen, kan hij zich de weelde veroorloven, om zich in de kliniek voor zijn ernstige taak voor te bereiden.

Hij is ook heden morgen naar de kliniek gegaan, doch daar hoort zijn moeder reeds zijn welbekenden stap, de trappen op.

Ge kunt wel zien, dat hij een broeder van Charles is, doch hij is iets langer, heeft een donkerder opslag, en uit dat bleek gelaat staren twee donkere oogen.

Heel zijn houding verraadt den man van studie en wetenschap.

Verwonderd staart hij zijn moeder aan, want het stildroevig gelaat, dat hij zooveel jaren heeft gekend, heeft plaats gemaakt voor een gezicht, waarop blijde ontroering ligt.

"Wat is 't, moeder?" vraagt hij belangstellend.

"Lees maar, mijn jongen," zegt ze, en ze reikt, terwijl haar de tranen op nieuw in de oogen komen, aan Eduard den brief.

Eduard is niet als zijn moeder.

Hij is een man van zelf beheersching, en bedaard leest hij den brief. Maar toch beeft zijn stem, als hij zegt: "Moeder, moeder, wat een geluk!"

Hij leest den brief nog eens, langzamer dan zooeven.

"En hebt ge wel gelezen, dat hij wegens zwakte nog niet kan komen, en dat hij wenscht, dat wij hem zullen halen?" vraagt Eduard.

Zijn moeder knikt bevestigend.

"En dan heeft hij het over een blind meisje, uit eene familie, die hem van den dood heeft gered, zooals hij schrijft, en nu moet ik het meisje genezen."

"Kan dat?" vraagt zijn moeder met spanning; "zou dat kunnen, Eduard?"

"Het is mogelijk," antwoordt hij. "Wel te verstaan," laat hij er bedachtzaam op volgen, "als Charles zich niet vergist, en door een ziekte een verduistering van het hoornvlies is ontstaan. Datkangenezen. Verleden week heb ik nog zelf in de kliniek een operatie bij een dergelijke oogziekte met het beste resultaat uitgevoerd."

"Dan gaan wij er heen," zegt de weduwe op beslisten toon.

"Ik vind het uitstekend, moeder!"

"En gij moet dat kind zien te redden. Ik ben aan die familie — hoe heeten ze ook nog!"

"De familie Kloppers," zegt hij.

"Juist; ik ben aan die familie Kloppers mijn leven lang de grootste dankbaarheid verschuldigd."

"Dus wij gaan, moeder?"

"Wij gaan, zoo God wil. Zoo'n zeereisje zal u ook goed doen, Eduard; dan hebt ge eenige ontspanning."

"Uitstekend," zegt hij, en hij wrijft zich vergenoegd de handen, "uitstekend! Maar is zoo'n zeereis voor u niet bezwarend?"

"Een echte Engelsche vrouw heeft de zee lief, want daar ligt onze kracht!"

"En ik verlang er naar," roept hij uit, "om den oceaan eens te zien in zijn majesteit en heerlijkheid!"

"En wanneer zullen we gaan, moeder?"

"Hoe eerder, hoe liever; ik verlang naar mijn kind. De vrede is gesloten — laat ons over acht dagen gaan!"

"Over acht dagen, dat kan niet," lacht hij; "maar over veertien dagen, dat zou gaan!"

"Wel nu, dan over veertien dagen," zegt de energieke vrouw, "maar zeker niet later."

"Goed; ik zal straks bij het kantoor der Donald Currie-lijn aangaan, om voorloopige informaties te nemen, doch ik wacht eerst nog op Henri Stephens, met wien ik even naar het Park wilde wandelen."

Hij neemt den brief, die op de tafel ligt, nog eens ter hand.

"Is het u niet opgevallen, moeder, welk een gunstig getuigenis Charles aflegt van de Transvaalsche Boeren?"

"Ja," zegt ze; "hij dweept letterlijk met de Boeren."

"Hij is dan ook al bij bizonder hartelijke menschen aangeland," meent Eduard.

"Hij legt in elk geval een gunstiger getuigenis af van deBoeren, dan wij hier in de pers te lezen krijgen," zegt zij met eenigen klem.

"Ik heb reeds lang aan de waarheid van die couranten-berichten getwijfeld," zegt hij, "maar verleden week heb ik een lijvige brochure gelezen, waarin duidelijk en zakelijk wordt aangetoond, dat de Boeren gruwelijk zijn belasterd."

"Ik heb hart voor de Boeren," zegt de weduwe; "zij hebben mijn kind van den dood gered."

"Maar als zij uw kind, in de vijandelijke uniform, van den dood redden, dan zijn het niet de duivels, waarvoor zij worden uitgekreten," zegt hij met nadruk.

Onder dit gesprek is Henri Stephens, de vriend van Eduard en eveneens wordend arts, binnen gekomen.

"Wat een druk gesprek wordt hier gehouden," zegt hij met opgewekte stem.

"Ik heb zoo even een brief ontvangen van Charles," zegt de weduwe op levendigen toon, "en hij maakt het uitstekend."

"Kom aan, dat doet me pleizier," zegt Henri; "hij had licht op den Amajuba kunnen blijven."

"Hij werd bij Lang-Nek zwaar gewond," zegt Eduard, "en is toen in de handen der Boeren gevallen."

"In de handen der Boeren!" zegt Henri; "dan ben je ook voor je pleizier uit!"

"Zij hebben Charles verpleegd als hun eigen kind," zegt de weduwe met warmte.

"Dat gaat mijn verstand te boven," zegt hij schouderophalend.

"En van den dood gered," voegt de weduwe er aan toe, "dat zult ge nog minder kunnen begrijpen?"

"Inderdaad, Mevrouw," zegt Henri, "dat begrijp ik nog minder."

"En waarom begrijpt ge dat niet?" vraagt Eduard, terwijl hij zijn vriend met zijn donkere oogen vorschend aankijkt.

"Omdat het toch bekend genoeg is, dat de Boeren niet deugen," zegt Henri.

"Ja, bekend genoeg — maar is het waar?" vraagt Eduard met eenigen nadruk.

"Natuurlijk is het waar," antwoordt de aangesprokene eenigszins uit de hoogte.

"Maar laten wij daar nu niet verder op ingaan," zegt hij vriendelijker; "je broer is er goed afgekomen, en dat is de hoofdzaak. Ik ben er blij om en feliciteer je er mee."

Hij reikt Eduard en diens moeder de hand, die hartelijk wordt aanvaard.

"Doch ik moet toch nog even op de Boeren terug komen," zegt Eduard op bedaarden toon. "Ik laat ze maar zoo niet afmaken zonder bewijzen. Dat er onder de Boeren schurftige schapen loopen, dat kan wel waar zijn —"

"Dat denk ik ook wel," roept Henri er tusschen in met schamperen lach.

"Maar onder ons volk loopen ook schurftige schapen," gaat Eduard voort. "Doch dat het vòlk niet deugt, voor die bewering moet je bewijzen hebben, Henri. En naar die bewijzen ben ik toch nieuwsgierig."

"Nu, ik heb ze," antwoordt Henri met nadruk. "En nu gij er mij toe dwingt, om er over te spreken, ga ik nog wat verder. Ik heb zoo even beweerd, dat de Boeren niet deugen, maar ik heb me niet sterk genoeg uitgedrukt. Het zijnbeulenendieven; zijmishandelende Kaffers enstelenhun vee; zijschendende Kaffervrouwen en jagen ze dan de woestijn in.Datzijn jou lieve Boertjes!"

"Mijnheer Stephens," zegt de weduwe met verontwaardiging in haar stem, "zulke taal duld ik niet in mijn huis."

"Mevrouw," antwoordt Henri op beleefden toon, "het spijt mij zelf, doch uw zoon heeft er mij toe genoodzaakt."

"Breng mij bewijzen," zegt Eduard, met moeite zijn zelfbeheersching bewarend — "bewijzen!"

"Ik heb ze," tart Henri.

"Dr. Philip?" vraagt Eduard op minachtenden toon.

"Neen, niet Dr. Philip," antwoordt de aangesprokene, "ofschoon Dr. Philip alleszins een geloofwaardige getuige is. Maar ik zal een onwraakbaren getuige oproepen, een man, met wien gij altijd hebt gedweept; een man, die meer voor de Kaffers heeft gedaan dan al de Boeren te samen. Ik bedoel Dr. Livingstone. Ge wilt bewijzen? Hier heb ik een boek van Livingstone, dat over de Transvaalsche Boeren handelt — hier!"1)

Hij haalt het boek uit den zak.

"Ik ken het," zegt Eduard; "'t is zonder toestemming van Livingstone na zijn dood uitgegeven."

"Dat zegt niets," beweert Henri.

Hij slaat het boek op.

"Lees hier:De van Riebeek2)beginselen bestaan daarindat men zonder gewetenswroeging de inboorlingen van land en vee en vrijheid kan berooven. Uit het journaal van dezen zelfden van Riebeek blijkt, dat in zijn persoon vereenigd waren de invoering van het christendom plus een beginsel, rijk in tranen en rouw en weedom. Wij zien den apostel 'van vrede op aarde, en welbehagen in menschen' onmachtig, om zijne hongerige ziel in toom te houden bij het gezicht van het vee der Hottentotten, in de nabijheid der forten grazende... De kerk der Boeren is en is altijd geweest het groote bolwerk van slavernij, veediefstallen en strooptochten tegen de Kaffers. De kerk sloot de oogen, als het vee van Kaffers, Boschjesmannen en Hottentotten werd gestolen, hun bloed als water werd uitgegoten, hunne vrouwen werden verkracht, en hunne kinderen tot slaven werden gemaakt."

"Zijt genuovertuigd, Eduard?" vroeg Henri.

"Ik vraagbewijzen," zegt Eduard.

"Wel nu, isLivingstonenog niet voldoende?" vraagt Henri met bevreemding.

"Neen, Livingstone is mezekerniet voldoende," zegt Eduard. "Hij blijft voor mij een der grootste zendelingen onder de heidenen, die ooit hebben geleefd, maar hij was een feilbaar en lichtgeloovig mensch. Hij spreekt van het journaal van van Riebeek, doch dit journaal rept met geen woord van dat monsterachtig beginsel, waarvan Livingstone spreekt. Hij heeft over de Boeren geschreven, zonder hun taal te kennen, zonder hun zeden te verstaan, zonder hun geschiedenis te begrijpen. Waarschijnlijk heeft hij ter kwader ure zijn oor geleend aan den één of anderen Boerenhater, en met zijn eerbiedwaardigen naam — ter goeder trouw, doch met groote lichtvaardigheid! — den afschuwelijksten laster gedekt. En zijn vrienden hebben op die lichtvaardigheid de kroon gezet, door het schotschrift, dat hij misschien voor het vuur had bestemd, in druk te laten verschijnen."

"Ik vraag bewijzen, bewijzen!" gaat hij voort met klimmenden nadruk, "geef mijeenbewijs, hetkleinstebewijs, maar ge kunt het niet, omdat alles leugen en laster is, van a tot z."

"Livingstone is mijn zegsman," zegt Henri op koelen toon, "en als Livingstone je niet voldoende is, dan spijt me dat. Ik betreur het dan ook, dat Engeland aan de Boeren de vrijheid heeft teruggegeven."

"Ik vind het een edele daad van het ministerie Gladstone, dat het de vijandelijkheden heeft gestaakt," meent Eduard, terwijl hij den huisvriend een sigaar presenteert.

"Edel?" zegt Henri, terwijl hij de sigaar opsteekt, "edel? In de politiek komt geen edel of onedel te pas. Onze mineralogen hebben den Transvaalschen grond onderzocht, en niet voldoende goud gevonden; dat is de hoofdreden van ons toegeven."

"Ik zou het betreuren," zegt Eduard, "als dit de hoofdreden was. Ik meende toch, dat er vroeger goud is gedolven in de Transvaal."

"Dat is er ook," zegt Henri.

"En nu niet meer?"

"Ten minste niet voldoende," antwoordt Henri.

"Dan heeft God het goud van de Transvaal misschien voor onze wijze mannen opgeborgen," meent Eduard.

"Dat denk ik ook," lacht Henri; "in elk geval is de bewering van jou een gissing, maar wat geen gissing is, is dit, dat wij Engelschen den aanleg hebben ontvangen, om de wereld te regeeren. En waar een aanleg is, is een roeping ook!"

"Een mooie redeneering!" spot Eduard. "Een dief heeft aanleg, om te stelen; anders zou hij geen dief zijn. En met te stelen vervult hij juist zijn roeping — bepaald een mooie redeneering!"

"Ja, jij met je ziekelijk idealisme zoudt de macht van ons volk helpen afbreken," zegt Henri met bitterheid.

"En jij met je brutaal machtsbegrip," antwoordt Eduard, "wilt mijn volk, dat ik liefheb, vernederen tot een roofridder en zeeschuimer. Wanneer is Engeland ooit grooter geweest dan in het begin dezer eeuw, toen de Europeesche vrijheid achter onze krijtrotsen een veilig Pella vond? Toen streed het voor de vrijheid der volken, en zal het nu de eeuw eindigen met de vrijheid der volken te knechten? Moeten de Transvalers, omdat zij een klein, nietig volk zijn, onder het juk?"

Hij sprak met toorn; zijn bleeke wangen kleurden.

"Hebt ge ooit," ging hij voort, "Barker's pakkende schilderij gezien, waarop een zwart inlandsch opperhoofd uit Midden-Afrika aan onze blanke koningin den bijbel overhandigt met de woorden: Hare Majesteit, zie daar het geheim van Engelands grootheid?"

"Ik heb de schilderij gezien," zegt Henri, "er zat poëzie in."

"Enwaarheid!" vroegt Eduard er aan toe.

"Nu — ga je mee?" vraagt Henri, terwijl hij opstaat.

"Als ge uw oordeel over de Boeren herroept — dan ja!"

"En anders —?" vraagt Henri op ijskouder toon.

"En anders — niet!" antwoordt Eduard met nadruk.

"Dan ga ik alleen," roept Henri met harde stem, "want ik herroep mijn oordeel niet. De Boeren zijn en blijven voor mij een troep psalmzingende schurken!"

Nauwelijks groet hij, en met snelle, driftige treden gaat hij de trap af.

Moeder en zoon staren elkander eenige oogenblikken aan.

"Daar gaat de opinie van Engeland," zucht de moeder.

"Ik vrees het ook," zegt de zoon, "maar die opinie zal ons toch dezen heerlijken dag niet bederven!"

"Neen;" zegt de moeder, en de vreugde straalt opnieuw uit haar oogen, "dat zal ze ook niet. Want mijn kind was dood, en zie — het leeft! Het was verloren, en zie — het is gevonden!"

1) "The Transvaal Boer," by Livingstone.2) Antonie van Riebeek, geboren te wijk bij Duurstede, was de stichter der Hollandsche kolonie aan de Kaap.

't Zal van daag een feestdag worden voor "Vredenoord". Ge kunt het aan alles merken.

De Kafferdienstmeiden zijn op hun Zondags uitgedoscht, met strikken en linten van schelle, schreeuwende kleuren, en zij loopen zoo vlug als antilopen, want moeder Kloppers heeft hen van daag, nu de Boeren van het oorlogsveld worden terugverwacht, een bijzondere traktatie beloofd, en zij lachen en giegelen en knijpen elkander onder den arbeid in de dikke ooren.

En moeder Kloppers staat met opgestroopte mouwen in het kookhuis, en eenige Kaffers zijn bezig, om met vaardige hand groote lappen malsch vleesch te braden, want dat kunnen ze, en een paar anderen snijden groote stapels brood, en moeder Kloppers zorgt voor de koffie.

Maar Charles Marling kan nog niet veel doen, want hij is nog zwak, doch hij doet wat hij kan, en smukt de huisdeur met lover en bloemen. En Lena kan in 't geheel nietsdoen, en leunt zwijgend tegen den breeden stam van den lindeboom vóór het huis.

En nu alles gereed begint te komen, om de verwachte gasten een waardige ontvangst te bereiden, neemt de oude, krasse vrouw het geheele huis nog eens zorgvuldig in oogenschouw, schikt den grooten, rieten stoel in den hoek bij de tafel, waar haar man placht te zitten, kijkt het wagenhuis na, of de wagens, de ploegen, de eggen en de andere landbouwgereedschappen in nette orde zijn geplaatst, heeft voor den eenen Kaffer, die vlug door werkt, een woord van lof, en voor den anderen, die wat trager van inhoud is, een klinkende oorveeg over, en neemt de blank gepoetste voorwerpen, die van daag als spiegels blinken, met een goedkeurende glimlach op. Dan gaat zij naar binnen en kleedt zich in haar beste kleed, zooals het de vrouw des huizes betaamt, als het op "Vredenoord" feesttij is.

Nu kijkt zij op de oude, groote hangklok met de zware koperen gewichten en de zwarte, dikke wijzers.

"Binnen een half uur kunnen zij hier zijn," zegt zij binnensmonds, en zij gaat naar buiten, en plaatst zich vlak voor de oprijlaan en Lena voegt zich bij haar.

En zoo staat moeder Kloppers daar te wachten, en dat oude, verweerde gelaat wordt schoon in den dubbelen glans van liefde en blijdschap. En geen bruid kan reikhalzender uitzien naar haren bruidegom, dan zij naar haar man, haren dapperen, onversaagden Voortrekker!

Nu bukt zich Lena, en zij legt het oor luisterend op den grond, en zij zegt na een pauze: "De grond begint te dreunen onder het getrappel van vele hoeven." En in het volgend oogenblik wordt er een knetterend geweersalvo gehoord, en daar boven op den laatsten heuvelkam, daar verschijnen zij, op hun vlugge paarden, de Scherpschutters van Zuid-Afrika!

En sneller jagen zij van de heuvelen naar beneden, en de oude Boerenvlag wappert op den wind, alsof zij vleugels heeft, en nu buigen de ruiters de oprijlaan in, tien, twintig, tachtig man, en kletterend gaan de vlugge hoeven over de harde steenen van de werf. En terwijl het zweet van hun flanken spat, houden de paarden, onder de luide hoera-kreten der Boeren, als met een ruk midden op het erf stil.

Aan de spits, naast den kommandant, rijdt Dirk Kloppers.

Met de vaardigheid van een jongeling springt hij uit hetzaâl, en met een vreugdekreet begroet hem zijn vrouw. En even als veertig jaar geleden, toen hij uit den eersten Engelschen oorlog kwam, zegt hij: "Anna, liefste!" en hij kust haar.

Met vochtige oogen staart zij hem aan, en zij fluistert: "God heeft alles wel gemaakt!"

"En hier is je jongen, je Benjamin!" roept de oude Voortrekker met een tinteling van trots in zijn van vreugde stralend oog.

En Jan snelt op zijn moeder aan, en hij kust die oude wangen, en zij fluistert geroerd: "Heb ik je weer terug, mijn licht en mijn zonneschijn!"

En daar komt Arie zich tusschen de uit het zaâl gesprongen ruiters doorwringen, en hij zwaait met zijn hoed en hij roept met zijn frissche stem: "Grootmoeder, wij zijn de Roodbaatjes op den rug geweest," en zij zegt op haar hartelijken toon: "Zoo, mijn wildzang, ben jij daar ook?" En nu schuift Herman Hoogerhuis zich in den kring, en zijn bruine oogen staan vroolijker dan ooit, en moeder Kloppers zegt: "Herman, van nu af aan behoort gij tot de familie Kloppers, alsof gij mijn eigen kind waart, want uw zelfopofferende daad is mij ter oore gekomen."

Maar nu heft moeder Kloppers haar oogen op naar de ruiterschaar, en zegt met een weemoedigen klank in haar stem: "Ik mis Teunis den leeuwenjager."

En de oude Kloppers antwoordt: "De groote leeuwenjager rust in het koele graf, in de passen van het Drakengebergte, en als een eenzaam schildwacht is hij achtergebleven."

En Lena staat er bij, zwijgend en luisterend.

Maar nù gaat er een trilling door haar gansche lichaam,want dicht in haarnabijheid hoort zij het ruischen der geliefde Boerenvlag. En zij legt de hand om den ouden vlaggestok, maar hij is afgesplinterd, en de zwaar gebaarde vaandeldrager zegt: "Dat hebben de Engelsche granaatscherven gedaan." En zij neemt het verweerde doek en drukt het vol eerbied aan haar lippen.

En daar heb je waarlijk ookden ouden Columbus!

Hij ziet er al wonderlijk uit, met den witten helm op het zwarte hoofd, en een dragondersabel op zij. Hij zwaait met zijn lange armen, en het hoofd fier in den nek geworpen, stapt hij met groote waardigheid naar de Kafferhutten, die achter op het erf staan.

Hij is spoedig herkend, en al wat Kaffer is, schaart zichom hem heen, en ze roepen: "Daar is de ouwe Columbus — o ouwe Columbus, wat ben jij mooi!" Zelfs de kleine, halfnaakte Kafferkinderen met hun zwarte kroeskopjes rijzen uit de mulle zandhoopen op, waarin zij liggen te wentelen, en roepen, terwijl zij komen aanwaggelen: "O ou Colum! ou Colum!"

En ze joelen en schateren van pret.

En de zwarte Kafferdeernen, met de glinsterende glaskralen om den hals, vragen: "O ouwe Columbus, waar zijn jou bloote voeten gebleven?"

"Die zitten in deze dragonderlaarzen," antwoordt hij heel deftig, en hij stampt met de laarzen, dat de lange sporen rinkelen.

"En waar heb jij jou kousen van daan gehaald?" vragen zij met groote nieuwsgierigheid.

"Wel," grinnikt hij, "ik kwam bij een verbandplaats voorbij, waar een Roodbaatje zat, wiens beide beenen moesten worden afgezet. En ik zeide aan den dokter: Baas, geef mij de kousen van dat Roodbaatje. En hij vraagde: Waarom, Kaffer? en ik antwoordde: Wel, dat Roodbaatje heeft geen kousen meer noodig, als hem beide beenen worden afgezet. Toen zeide de dokter: Kaffer, jij bent een wijs schepsel, en jij zult de kousen hebben. En zoo kreeg ik de kousen."

En de vroolijke Kafferdeernen lachen, terwijl zij dit verhaal aanhooren, zoodat hun witte tanden blinken als elpenbeen, en zij roepen opgetogen: "O ouwe Columbus, jij bent slim als de slangen van Zoeloe-land!"

En de oogen van den ouden Columbus beginnen bij die lofprijzingen te schitteren als de oogen van zijn grooten naamgenoot, toen hij aan den horizon der deinende watervlakte de groene oevers van een onbekend werelddeel zag opdoemen.

Intusschen hebben zich de huiswaarts keerende Boerenkrijgers in gezellige groepen in den uitgestrekten boomgaard onder het groen gebladerte neergevleid, en onophoudelijk loopen de Kaffers rond, om voor de hongerige en dorstige magen hooge stapels boterhammen en dampende ketels koffie rond te dragen.

De boomgaard levert op dit oogenblik in zijn bewegelijkheid een tafereel, het penseel van een beroemden kunstenaar waardig, en Charles Marling wandelt, door de levendigheid van het tooneel aangetrokken, met belangstellenden blik tusschen die druk pratende groepen door.

Zijn geschiedenis is onder de Boeren ook gauw bekend, en de jonge Barend Jansen roept: "Kom, Roodbaatje, en schik hier bij ons aan!"

"Goed," zegt hij opgeruimd, "dat zal ik ook doen," en hij reikt de Boeren, die hier in de schaduw van eenige groote kastanjeboomen zich hebben neergevleid, de hand.

"Maak jij wat ruimte voor ons Roodbaatje," roept Barend tot Leen Blok, "en gooi je lange, smalle beenen eens den anderen kant uit!"

Leen voldoet aan deze order, en Charles vleit zich in het malsche gras bij de jonge Boeren neer, die vol scherts en vroolijkheid zijn. Niemand laat hem merken, dat hij als Engelschman een vijand van hun volk is, en de jonge Boeren behandelen hem als een kameraad.

Zij hebben misschien een uur bij elkander doorgebracht, daar komt een kort, dik vrouwtje aanloopen, met een jongen hond aan haar zijde. Haar gezicht gloeit van de warmte, en zij rent regelrecht op Leen Blok aan.

"Leen, daar is je vrouw," lachen de Boeren, "ontvang ze met waardigheid!"

Onmiddellijk staat Leen op, en het kleine vrouwtje slaat haar korte, dikke armen om zijn mageren hals, en strijkt hem het gele, sluike haar uit het gezicht en snikt: "O Leentje, wat ben ik blij, dat ik je weer heb!" Maar uit haar stem klinkt zooveel teederheid en liefde, dat de jonge Boeren zelf worden getroffen.

"En wij hebben er negen lammeren bij gekregen," zegt ze, "en twee kalveren, maar gij zijt mij meer waard dan alle lammeren en kalveren, die er in de Transvaal zijn. En kom nu mee, Leentje, dadelijk, want gij krijgt van daag je lijfgerecht!"

"Rijst met rozijnen?" vraagt de altijd hongerige Leen.

"Rijst met rozijnen," zegt ze plechtig, maar bij deze wending van het gesprek barsten de jonge Boeren uit in een luid gelach.

Doch Trijntje stoort er zich niet aan, en slaat op nieuw de armen om den mageren hals van haar echtgenoot.

Vlak achter Leen Blok graast zijn baloorige poney, en tusschen die ruige, bruine oogharen flikkeren de kleine oogen kwaadaardiger dan ooit.

Oogenschijnlijk begint hem het tafereel daar vóór hem schrikkelijk te vervelen, en na twee keeren misgehapt te hebben, slaat hij zijn bruingele tanden den derden keer vastin den rechter jaspand van zijn meester, en tracht hem met de halsstarrigheid, waarmede dit beest blijkbaar ter wereld is gekomen, uit de armen van zijn vrouw te rukken.

Maar ook de vrouw houdt vast wat zij heeft, en zoo vechten Trijntje en de poney beide om het bezit van den langen Leen. En het spijt me, dat ik het zeggen moet, maar de Boeren steken geen hand uit, om de strijdenden te scheiden, ja zij vinden de zaak integendeel heel vermakelijk, en terwijl Barend Jansen heel bedaard een pijp stopt, zegt hij: "Dat zaakje daar kan nog wel een poosje duren!" Doch nu vermant zich de lange Leen, en met een krachtigen ruk en het verlies van zijn rechter jaspand scheurt hij zich los uit den muil van het ondier.

Het duurt nu niet lang, of hij heeft den poney getuigd en plaatst zich in het zadel. En na de Boeren gegroet te hebben, zet zich de kleine stoet in beweging.

De vrouw loopt naast haar man, en de jonge, speelzieke hond blaft luid en driftig tegen de lange beenen van Leen Blok, die bijna den grond raken.


Back to IndexNext