In de eerste plaats dan: zijn eenige dezer gevoelens ooit door de kerk als ketterijen beschouwd, en zijn de verbreiders er van aan de kerkelijke straffen onderworpen geworden, waarmede de ketterij gestraft wordt?Na een tamelijk wijdloopig onderzoek op dit punt, heeft de schrijfster niet meer dan één voorbeeld van dien aard kunnen opsporen. Het is niettemin mogelijk dat er zulke gevallen in andere kerkelijke afdeelingen bestaan hebben, die aan de nasporing ontsnapt zijn.Een geestelijke in de „Cincinnati New school Presbytery,” predikte de leer, dat het houden van slaven door den Bijbelgebillijkt werd; en om zijne volharding in het handhaven van dat gevoelen, werd hij door die „Presbytery” in zijn dienstwerk geschorst. Hij beriep zich op de Synode, en de beslissing werd door de Synode van Cincinnati bekrachtigd. De „New School General Assembly” vernietigde nogtans deze beslissing der „Presbytery,” en herstelde den geestelijke in zijn ambt. Van hare zijde weigerde nu de „Presbytery” hem weder te aanvaarden, en men ontving hem in de „Old School Church.”De Presbyteriaansche kerk heeft waarschijnlijk alle andere kerken in de Vereenigde Staten door haren ijver voor leerstellige gevoelens overtroffen. Deze kerk is tot in hare grondvesten toe door kettertwisten geschokt en bewogen geworden; maar, dit enkele geval uitgezonderd, weet men niet dat eenige dier beginselen, welke door zuidelijke Presbyteriaansche ligchamen en individuën beweerd zijn geworden, ooit als onderwerpen van ketterij in hare Algemeene Vergadering zijn ter sprake gebragt.Omstreeks den tijd dat Smylie’s vlugschrift het licht zag, werd de Presbyteriaansche kerk geschokt door het regtsgeding, den Eerwaarden Albert Barnes om zekere door hem verdedigde kettersche gevoelens aangedaan. Deze ketterijen raakten het werkverbond, in Adam, als ons hoofd, gevestigd; de toerekening zijner zonde aan zijne gansche nakomelingschap; en de vraag of de mensch op eenigerlei wijze bekwaam is om Gods geboden te bewaren.Om de voorstelling van zekere gevoelens nopens deze onderwerpen, werd aan Mr. Barnes, door de Synode waartoe hij behoorde, het stilzwijgen opgelegd, en zijn regtsgeding over deze punten in de Algemeene Vergadering bleef een tijd lang het hoofd-onderwerp, waarvoor, in de Presbyteriaansche kerk, al het overige op den achtergrond geraakte. Ook de Eerwaarde Dr. L. Beecher werd in gelijksoortige gevoelens in een regtsgeding gewikkeld. Gedurende al dien tijd werd er geene notitie genomen van de ketterij (zoo zij dit is) dat het regt om, uit winstbejag, menschen te koopen, te verkoopen, of in slavernij te houden, uitdrukkelijk door God verleend werd; alhoewel die ketterij, in dezelfde Presbyteriaansche kerk, door Mr. Smylie en de Presbyterianen waarmede hij verbonden was, in het openbaar verbreid werd.Wilde men de reden daarvan hierin zoeken, dat de slavenkwestie eene vraag vanpraktikale zedekunde, en niet van dogmatische godgeleerdheid is, dan moeten wij doen opmerken dat zedekundige vraagstukken van veel minder belang met den vurigsten ijver zijn behandeld geworden.De Presbyteriaansche kerk der „Old School,” tot wier gemeente de meeste der slavenhoudende Presbyterianen in het Zuiden behooren, heeft nooit het voornemen aan den dag gelegd om hare leden eenige kerkelijke straf op te leggen voor de handhaving van een stelsel dat het wettig huwelijk aan alle slaven ontzegt. En toch werd deze kerk tot in hare grondvesten geschokt door de behandeling eener zedekundige vraag, die aan een onpartijdig opmerker waarschijnlijk veel minder belangrijk zal voorkomen; de vraag namelijk, of het een’ man vrijstaat, met de zuster zijner overledene vrouw te huwen. Voor een tijd lang scheen al de sterkte en aandacht van de kerk zich als in één brandpunt op dit belangrijk onderwerp te vestigen. De twistvraag werd door de „Presbytery” voor de Synode, en door deze voor de Algemeene Vergadering getrokken, en eindigde hiermede, dat een zeer achtenswaardig leeraar om deze misdaad van zijnen post ontzet werd.De Eerwaarde Robert J. Breckenridge, Theol. Dr., een lid der „Old School Assembly,” beschrijft den toestand der slavenbevolking met betrekking tot het huwelijk aldus: „het slavenstelsel ontzegt aan eene geheele klasse van menschelijke wezens de heiligheid des huwelijks en des huisgezins, terwijl het hen dwingt om in een staat van onwettige gemeenschap (concubinage) te leven; want in het oog der wet is geen gekleurde slaaf de echtgenoot van eenige bijzondere vrouw, noch eenige slavin de vrouw van eenigen bijzonderen man; is geen slaaf de vader van eenig bijzonder kind, en geen slavenkind het kind van eenigen bijzonderen vader of moeder.”Had deze kerk nu het feit, dat drie millioenen mannen en vrouwen, door de wetten des lands, verpligt waren om op deze wijze te leven, als niet minder gewigtig ter harte genomen, dan is het uit de opregtheid, de betoogkracht, de hevigheid, het Bijbel-onderzoek, en den onvermoeiden ijver, door haar aan het regtsgeding van Mr. Mac Queen te koste gelegd, klaarblijkelijk, dat zij ook met betrekking tot dit feit, zeer veel zou hebben kunnen verrigten.De geschiedenis van de eenstemmige handelwijze der kerken van alle benamingen, zoowel in de vrije als in de slaven-Staten, levert aan een nadenkend gemoed een treurig, door feiten opgehelderd voorbeeld op van die trapsgewijze verbastering des zedelijken gevoels, die het gevolg is van met eene erkende zonde in eenige, ook nog zoo geringe, schikking te treden. De beste gemoederen van de wereld kunnen zulk eene gemeenzaamheid niet doorstaan, zonder schade te lijden aan hun zedelijk gevoel. De feiten van het slavenstelsel en van de slavenwetten, aan belangelooze regters in Europa voorgesteld, hebben eene algemeene uitbarsting van afgrijzen te weeg gebragt; en toch zijn deze dingen, in vergaderingen uit de wijste en beste geestelijken van Amerika zaâmgesteld, telken jare beredeneerd geworden, zonder eenige uitkomsten op te leveren die het euvel slechts in het allerminste verzacht hebben. De reden daarvan is deze: een gedeelte der leden van deze ligchamen hadden zich verbonden om het stelsel vol te houden, en alle discussiën daarover stellig te weigeren en af te snijden; en het andere gedeelte van het ligchaam beschouwde de zaak niet als zulk eene levensvraag, dat zij eene afscheiding om harentwille zou kunnen wettigen.Niemand zal er aan twijfelen dat, indien de zuidelijke leden zich ten aanzien der Godheid onzes Zaligmakers op zulk een standpunt geplaatst hadden, de scheiding onmiddellijk en eenparig zou hebben plaats gehad; maar toch wordt door de Zuidelijke leden het regt gehandhaafd om menigten van mannen en vrouwen te koopen en te verkoopen, te huren, te verhuren en te verpanden, die zij, in denzelfden adem, verklaard hebben ledematen hunner kerken, en echte Christenen te zijn. De Bijbel verklaart van die allen, dat zij tempelen des Heiligen Geestes, dat zij leden van Christus ligchaam, dat zij Zijn vleesch en been zijn. Is nu niet de leer dat men de leden van Christus, Zijn ligchaam, Zijn vleesch en been, om winstbejag regtmatig verkoopen mag, eene zoo wezenlijke ketterij als de verloochening der Godheid van Christus; en wordt er Hem die over allen is, God, te prijzen in eeuwigheid, geene oneer door aangedaan, dit vreeselijk gevoelen, met zijne nog vreeselijker gevolgen, te dulden, terwijl de geringste ketterijen nopens de toerekening van Adam’s zonde met de grootste hevigheid vervolgd worden? Als het vervolg van de geschiedenisder handelingen van al de aldus vereenigde ligchamen eenmaal geschreven zal kunnen worden, dan zal het blijken dat, uit hoofde van deze dulding eener erkende zonde, het getuigenis tegen de slavernij van jaar tot jaar zwakker geworden is. Als wij de geschiedenis van alle kerkelijke afdeelingen overzien, dan zal het ons in het oog vallen dat zij in den beginne eene zeer sterke taal tegen de slavernij hebben doen hooren. Dit is inzonderheid het geval met de Methodistische en Presbyteriaansche ligchamen, om welke reden wij deze beide tot voorbeelden zullen kiezen. Het genootschap der Methodisten inzonderheid, als door John Wesley georganiseerd, was een anti-slavernij-gezind genootschap, en zijn Boek van kerkelijke tucht bevatte de stelligste wetten tegen het houden van slaven. De geschiedenis der achtereenvolgende besluiten van de Conferentie dezer kerk is zeer treffend. In 1780, eer de kerk nog wettig in de Vereenigde Staten geordend was, besloot zij het volgende:De Conferentie erkent dat de slavernij met de Goddelijke en menschelijke wetten en met die der natuur in strijd is; als ook dat zij schadelijk is voor de maatschappij; dat zij gekant is tegen de inspraken des gewetens en van de ware godsdienst; en dat zij aan anderen doet wat wij niet wenschen zouden dat anderen aan ons deden.In 1784, toen de kerk volkomen georganiseerd was, werden er maatregelen genomen, de tijdstippen voorschrijvende waarop leden die reeds slavenhouders waren, hunne slaven zouden emanciperen. Hierop volgden wederom deze:Een iegelijk wien het aangaat, en zich niet aan deze regelen wenscht te onderwerpen, zal volkomen vrijheid hebben om ons genootschap te verlaten binnen de twaalf maanden, volgende op de bovengemelde, hem gedane waarschuwing; zullende hij anders door de opzieners buiten het genootschap gesloten worden.Niemand die slaven houdt, zal in het vervolg tot het genootschap of tot ’s Heeren Avondmaal worden toegelaten, tenzij hij zich vooraf aan deze regelen, de slavernij betreffende, onderwerpe.Zij die slaven koopen, verkoopen, of wel er zich van ontdoen, anders dan om ze te bevrijden, zullen onmiddellijk worden uitgesloten.In 1801:Wij verklaren meer dan ooit overtuigd te zijn van het groote kwaad der Afrikaansche slavernij, die nog in deze Vereenigde Staten wordt aangetroffen.Ieder lid des genootschaps die een slaaf verkoopt, zal, na voldoend bewijs, terstond uit het genootschap worden verwijderd.De jaarlijksche Conferentiën zullen belast worden met het stellen van adressen aan de Wetgevende Magt, strekkende tot de trapsgewijze emancipatie der slaven. Door de jaarlijksche Conferentiën zullen speciale commissiën uit de achtenswaardigste onzer vrienden benoemd worden, tot leiding dier aangelegenheid; terwijl de voorzittende ouderlingen, diakenen, en reizende predikers zoo vele handteekeningen als mogelijk op de adressen zullen inwinnen, en al den bijstand zullen verleenen die hun in allen opzigte ten dienste staat, om de commissiën te helpen, en de gezegende onderneming te bevorderen. Dit zal van jaar tot jaar worden voortgezet, tot dat het beoogde doel bereikt is.Welk eene verandering in 1836! De Algemeene Conferentie hield hare jaarlijksche zitting te Cincinnati, en nam het volgende besluit:Door de afgevaardigden der jaarlijksche Conferentie, in Algemeene Conferentie vereenigd,is besloten, dat zij besliste tegenstanders zijn van het moderne abolitionismus, en dat zijalle regt, wensch of voornementot tusschenkomst in de burgerlijke en staatkundige betrekking tusschen meester en slaaf, zoo als zij in de slavenhoudende Staten dezer Unie bestaat,ten eenemale ontkennen of afwijzen.Deze besluiten gingen met eene zeer groote meerderheid door. Er kwam een adres in van de Wesleyaansch-Methodistische Conferentie in Engeland, dat zich over de zaakder slavernij ernstig, doch vriendbroederlijk uitliet. De Conferentie weigerde het openbaar te maken. In den herderlijken brief aan de kerken komen de volgende zinsneden voor:Het kan u niet onbekend zijn dat de slavernijkwestie in de Vereenigde Staten, door het constitutioneel verdrag hetwelk ons als natie vereenigt, aan de regeling van de Wetgevende Vergaderingen der afzonderlijke Staten zelven overgelaten, en alzoo buiten het toezigt der algemeene regering, zoowel als dat van alle kerkelijke ligchamen gebleven is; waaruit volgt dat in de slavenhoudende Staten de geheele verantwoordelijkheid wegens het al dan niet bestaan der slavernij, op de Wetgevende Vergaderingen dier Staten blijft rusten. **** Deze feiten, welke hier alleen vermeld worden als aanleiding tot de vriendschappelijke vermaning welke wij u wenschen te geven, leggen ons, als uwe herders, aan wie het opzigt over uwe zielen, waarvan zij eenmaal rekenschap moeten geven, is aanbevolen, de verpligting op, om u van alle abolitionistische bewegingen en vereenigingen af te manen, en u te verbieden eenige hunner schriften te beschermen of aan te moedigen, enz. ***De ondergeschikte Conferentiën leiden denzelfden geest aan den dag.In 1836 besloot de New-Yorksche jaarlijksche Conferentie dat niemand tot diaken of ouderling zou gekozen worden, ten ware hij zich jegens de kerk wilde verbinden om zich van alle discussie nopens dit onderwerp te onthouden.1In 1838 besloot de Conferentie,dat dezulke harer leden, of aankomelingen, die den „Zions Watchman” mogten voorstaan, hetzij door tot lof van dat blad te schrijven, door het te verspreiden, aan te bevelen, er inteekenaars aan te verschaffen, of gelden ervoor in te zamelen, als schuldig aan onbedachtheid beschouwd, en als zoodanig gestraft zullen worden.Men zal zich herinneren dat „Zions Watchman” door LeRoy Sunderland werd uitgegeven, voor wiens gevangenneming de Staat van Alabama vijftig duizend dollars had uitgeloofd.In 1840 nam de Algemeene Conferentie te Baltimore het reeds door ons aangehaalde besluit, hetwelk den predikanten verbood, kleurlingen tot het geven van getuigenis in hunne kerken toe te laten. Men heeft berekend dat door deze daad omstreeks tachtig duizend menschen van het regt van getuigenis beroofd zijn geworden. Deze Methodistische kerk splitste zich naderhand in eene noordelijke en zuidelijke Conferentie. De zuidelijke Conferentie is geheel en al vóór de slavernij gestemd, terwijl de noordelijke nog altoos slavenhoudende Conferentiën en leden telt.Van de noordelijke Conferentiën nam eene der uitgebreidste, die van Baltimore, het navolgende besluit:Is besloten, dat deze Conferentie alle deelneming in het abolitionismus afkeurt. En dewijl zij, integendeel, besloten heeft hare welbekende en lang gevestigde stelling te handhaven door de tot hare gemeenschap behoorende reizende predikanten buiten de slavernij-kwestie te houden, zoo is ook besloten geene betrekking te onderhouden met eenig kerkelijk ligchaam dat het niet houden van slaven tot voorwaarde van het lidmaatschap der kerk maakt, maar de kerkelijke tucht, zoo als zij bestaat, te ondersteunen en te handhaven.Het volgende uittreksel is genomen uit een adres van de Philadelphische jaarlijksche Conferentie aan de onder haar opzigt staande gemeenten, gedagteekend uit Wilmington (Staat Delaware) den 7denApril 1847:Zoo het plan van scheiding ons met de herderlijke zorg over u belast, dan blijft er te onderzoeken of wij, als Conferentie of als menschen, iets hebben gedaan, waardoor wij uwe liefde en vertrouwen verbeurd zouden hebben. Het is ons niet bekend dat wij, zelfs in de groote woeling die u, eenige maanden geleden, bedroefde, door iemand wien het ook zij, van eenige fout in ons zedelijk gedrag, van ongezondheid in de leer, of wel van dwingelandij of omkoopbaarheid in de handhaving der kerkelijke tucht beschuldigdzijn. Doch wij vernemen dat de oorzaak der ongelukkige spanning onder u alleen deze is, dat sommigen ons verdenken, of veinzen te verdenken, van abolitionisten te zijn. Doch geene bijzondere daad van de Conferentie, noch van iemand harer afzonderlijke leden, wordt als bewijs aangevoerd voor deze ongegronde en onregtvaardige verdenking. Wij mogen het vragen, broeders, of de loop onzer zestigjarige bediening onder u ons niet voor zulk eene beschuldiging behoorde te vrijwaren? Of de vraag, die wij sinds eenige jaren gewoon zijn den candidaten voor te leggen, namelijk,zijt gij een abolitionist?zonder wier ontkennende beantwoording geen hunner onder ons werd toegelaten, ons niet voor zulk eene beschuldiging behoorde te vrijwaren. Of de daad der laatste Conferentie met betrekking tot deze bijzondere zaak niet elken opregten en waarheidlievenden behoorde te overtuigen dat wij geene abolitionisten zijn, en het ook niet begeeren te zijn? *** Wij kunnen niet bevroeden hoe wij voor abolitionisten kunnen worden aangezien, ten ware men de predikanten der Methodistisch-Episcopaalsche kerk in het Zuiden in hetzelfde licht wilde beschouwen.Onder toewensching van alle hemelsche zegeningen, blijven wij, waarde broeders, de uwen in Christus Jezus,J. P. Durbin.J. Kennaday.Ignatius T. Cooper.William H. Gilder.Joseph Castle.Deze feiten mogen volstaan ter kenschetsing van de gevoelens der Methodistische kerk. De geschiedenis is treurig, doch leerzaam. Die der Presbyteriaansche kerk is evenzeer belangrijk.In 1793 werd de volgende verklarende noot op het achtste gebod bij het Boek der kerkelijke tucht ingelascht, als de leer der kerk met betrekking tot het houden van slaven uitdrukkende:1 Tim. I: 10. De wet is gemaakt tegenMENSCHENDIEVEN. Deze misdaad stelde hen die zich daaraan schuldig maakten, aan de zwaarste straf bloot, Exodus XXI: 16;en de Apostel plaatst hen hier onder de zondaars van den eersten rang. Het door hem gebezigde woord omvat, in zijne oorspronkelijke beteekenis, allen die medepligtig zijn aan het in slavernij brengen of houden van eenig menschelijk schepsel.Hominum fures, qui servos vel liberos, abducunt, retinent, vendunt, vel emunt.Menschendieven zijn zij alle, die slaven of vrije lieden wegleiden, en zeHOUDEN,KOOPENofVERKOOPEN. Een vrij mensch te stelen, zegt Grotius, is de ergste soort van diefstal. In andere gevallen stelen wij slechts menschelijk eigendom; doch wanneer wij menschen stelen of in slavernij houden, dan maken wij ons meester van hen, die, gemeenschappelijk met ons, tot heeren over de aarde gesteld zijn.Aan geene regelen der kerkelijke tucht werd kracht bijgezet, en leden die door de aangehaalde woorden aan deze misdaad schuldig verklaard werden, bleven ongestoord, als predikanten of ouderlingen, tot de gemeente behooren. Deze onbestaanbaarheid werd in 1816 uit den weg geruimd, door het aangehaalde uit het Boek der kerkelijke tucht te schrappen. In 1818 gaf zij eene verklaring harer inzigten nopens de slavernij. Dit document is zeer uitgebreid, in een echt christelijken geest gedacht en geschreven, en werdeenstemmigaangenomen. Het navolgende is zijne belijdenis opzigtelijk den aard der slavernij:Wij beschouwen het moedwillig in slavernij brengen van een gedeelte des menschelijken geslachts door een ander, als eene zware schending der kostelijkste en heiligste regten der menschelijke natuur; als ten uiterste onbestaanbaar met de wet Gods, die eischt dat wij onzen naasten zullen liefhebben als ons zelven; en als ten eenemale onvereenigbaar met den geest en de voorschriften van het Evangelie van Christus, die ons inscherpen: „alles wat gij wilt dat u de menschen doen zullen, doet gij hen ook alzoo.” De slavernij schept eene tegen de zedeleer aandruischende stelling (paradox); zij brengt zedelijke, voor hunne daden verantwoordelijke, en onsterfelijke wezens in eenen toestand, die hen naauwelijks het vermogen tot zedelijke werkzaamheid overlaat. Zij doet het van den wil van anderen afhangen of zij godsdienstig onderwijszullen ontvangen; of zij den waren God zullen kennen en vereeren; of zij in de zegeningen des Evangelies zullen deelen; of zij de pligten en genoegens van echtgenooten, ouders en kinderen, betrekkingen en vrienden, zullen volbrengen en genieten; of zij hunne kuischheid en zuiverheid zullen bewaren, of de voorschriften van regtvaardigheid en menschelijkheid zullen opvolgen. Deze zijn eenige der gevolgen van de slavernij; gevolgen, niet denkbeeldig, maar die in haar bestaan zelve liggen opgesloten. De rampen waaraan de slaafaltoosis blootgesteld, hebben dikwijls werkelijk plaats, en wel in hun ergsten trap en gedaante; en waar zij alle geen plaats hebben—zoo als wij met blijdschap zeggen, dat dikwijls, door den invloed der beginselen van Godsdienst en menschelijkheid op het gemoed der meesters, het geval is—is de slaaf niettemin beroofd van zijn natuurregt, als menschelijk wezen verlaagd, en aan het gevaar blootgesteld van in handen van een meester over te gaan, die hem alle ongemakken en beleedigingen kan doen ondergaan, die onmenschelijkheid en gierigheid hem kunnen doen uitdenken.Deze taal was voorzeker duidelijk en beslissend, en werd, door slavenhouders en niet-slavenhouders,eenpariggoedgekeurd. Men zou zonder twijfel gedacht hebben, dat nu de tijd der verlossing nabij was. De verklaring gaat nog verder, en zegt:Wanneer de onbestaanbaarheid der slavernij met de uitspraken van Godsdienst en menschelijkheid bewezen is, enalgemeen ingezien en erkendwordt, dan is het duidelijk de pligt van alle Christenen, die zich in het licht der tegenwoordige bedeeling verheugen mogen, om eerlijke, ijverige, onvermoeide pogingen aan te wenden tot verbetering der dwalingen van vorige tijden, en zoo spoedig mogelijk deze vlek op onze heilige Godsdienst af te wisschen door deVOLKOMENE AFSCHAFFINGder slavernij onder het Christendom en door de geheele wereld.Hier zien wij dan de geheele, slavenhoudende en niet-slavenhoudende, Presbyteriaansche kerk, daadwerkelijk tot een grootabolitie-genootschapgevormd, zoo als wij gezien hebben dat de Methodistische insgelijks was.De „Assembly” zegt verder dat de slavenvoor tegenwoordignog niet tot de vrijheid zijn voorbereid; dat zij (de „Assembly”) treurig is aangedaan over het op kerk en vaderland overgeërfde aandeel in dit kwaad; doch dat „een groot en het deugdzaamste gedeelte der gemeenteDE SLAVERNIJ VERAFSCHUWTenHARE VERNIETIGINGwenscht.” Wijders vermaant zij om het werk van het onderwijs der slaven onverwijld aan te vangen, met het doel om hen tot de vrijheid voor te bereiden; om geen langer uitstel te nemen dan „met betrekking tot het openbare welzijnonvermijdelijkgevorderd wordt;” en om zich „door geene andere inzigten te laten beheerschen dan „eene eerlijke en onpartijdige beschouwing van het welzijn der onderdrukte partij, op welke beschouwing denadeelen en ongelegenhedendie zij mogt medebrengen,geen invloed mogen uitoefenen.” Zij waarschuwt tegen eene „noodelooze uitbreiding dier redenen van noodzakelijkheid” als dekmantel voor de zucht tot instandhouding der slavernij. Zij eindigt met de bedreiging eener onmiddellijke censuur en schorsing jegens een ieder die een mede-Christen, zonder diens toestemming, verkoopen mogt.Wanneer wij in aanmerking nemen dat dit alles, zoowel door slavenhouders als anderen,eenstemmigwerd aangenomen, en toestemmen, zoo als wij ongetwijfeld doen, dat het eerlijk en ter goeder trouw geschiedde, dan zullen wij er voorzeker iets van verwachten. De onmiddellijke daarstelling en organisatie van scholen voor de slavenkinderen; een doelmatig godsdienstig onderrigt; eene volkomene staking van den handel in Christenslaven; wetten, die de familie-betrekkingen heiligen; dit alles zouden wij er van verwachten. En is er iets van dat alles gedaan of beproefd? Helaas! Twee jaren later kwam de admissie van Missouri tot de Unie, en de toenemende vraag op de Zuidelijke slavenmarkt, en de binnenlandsche slavenhandel. In plaats van school-onderwijzers had men slaven-handelaars; in plaats vanscholente verzamelen, verzamelde men slaven-hoopen; in plaats van schoolhuizen te bouwen, bouwde men slavenhokken, slavengevangenissen, factorijen, of hoe de handel ze verkiest te noemen; en dit was de geschiedenis van het plan van trapsgewijze emancipatie!Zestien jaren later, in 1834, gaf eene speciale commissie uit de synode van Kentucky, in welken Staat, naar het algemeengevoelen, de slavernij in haren zachtsten vorm bestaat, de volgende schildering van den toestand der slaven. In de eerste plaats zegt zij, met betrekking tot hunnen godsdienstigen toestand:Na alles wat billijk is te hebben laten gelden, kan onze bevolking van kleurlingen, op zijn best, nog maar als half-heidensch beschouwd worden.Wreede geeselingen en alle de verschillende soorten van persoonlijke vernederingen, zijn niet de eenige soort van wreedheid, die de slavernij medebrengt. De familie-betrekkingen van den slaaf worden niet door de wet erkend, terwijl zij hare bescherming van het genot des huiselijken geluks niet tot hem uitstrekt. De leden eener slavenfamilie mogen gewelddadig gescheiden worden, zoodat zij elkander vóór den oordeelsdag nooit wederzien. En de begeerlijkheid prikkelt den meester niet zelden, om te doen wat de wet veroorlooft. Broeders en zusters, ouders en kinderen, echtgenooten en vrouwen, worden van elkander afgerukt, en mogen elkander nooit wederzien.Deze dingen hebben dagelijks onder ons plaats.Het gegil en de doodsangsten, bij zulke gelegenheden dikwijls bijgewoond, verkondigen met de stem eener bazuin de onregtvaardigheid en wreedheid van ons stelsel. De noodkreten dezer lijders klimmen op tot het oor des Heeren Zebaoth.Er is geen vlek, waar deze hartverscheurende tooneelen geen plaats hebben.Er is geen dorp of landweg, waar de treurige optogten niet gezien worden van geboeide ongelukkigen, wier ketenen en nedergebogene houding verhalen, dat zij door geweld zijn weggerukt van allen, die aan hunne harten dierbaar zijn. Jaren geleden verhief onze kerk hare stem van plegtige waarschuwing tegen deze in het oog loopende schending aller beginselen van barmhartigheid, regtvaardigheid en menschelijkheid. Maar wij blozen, dat wij voor u en voor de wereld betuigen moeten, dat die waarschuwing dikwijls is verwaarloosd geworden, door de zoodanigen zelfs, die van onze gemeente zijn.In onze eigene kerkelijke afdeeling hebben er gevallen plaats gehad, dat belijders van de godsdienst der barmhartigheid de moeder van hare kinderen hebben afgescheurd, en haar in eene onbarmhartige, eeuwigdurende ballingschap hebben gezonden. Maar zelden heeft mende kerkelijke tucht voor zulk een gedrag jegens hen uitgeoefend.De Eerwaarde James G. Birney, die eenige jaren in Kentucky woonde, verbetert, in zijn vlugschrift het woordzelden, door ernooitvoor in de plaats te stellen. Wat kon nu duidelijk de uiterste ondoelmatigheid der laatste verklaring van de „Assembly,” en de noodzakelijkheid van meer krachtdadige maatregelen aantoonen? In 1835 werd uit dien hoofde door de Algemeene Vergadering op de zaak aangedrongen, terwijl de leden dringend gesmeekt werden, om de in 1818 door hen beledene beginselen en voornemens ten uitvoer te leggen.In eene door Mr. Stuart, uit Illinois, gehouden redevoering over dit onderwerp, zeide hij:Ik hoop, dat deze Vergadering bereid is, om onbewimpeld voor haar gevoelen uit te komen, en rondborstig hare meening te verklaren, dat het houden van slaven eene uiterst snoode en verfoeijelijkeZONDEis. Laten wij hier geene zijpaden inslaan, terwijl zoo vele duizenden en tienduizenden onzer medeschepselen onder de zweep krimpen, die zelfs door leeraars en ouderlingen van de Presbyteriaansche kerk gezwaaid wordt.In deze kerk mag iemand een vrijgeboren kind grijpen, het van zijne ouders afrukken, aan wien God het toevertrouwde, zeggende: „voedt het voor mij op,” het als een dier verkoopen of in altoosdurende slavernij houden—en niet alleen ligchamelijke straf ontgaan, maar nog daarenboven voor een uitmuntend Christen gehouden worden. Ja, zelfs bedienaars des Evangelies en doctoren in de Godgeleerdheid mogen zich met dezen snooden handel inlaten, en niettemin hunne verhevene en heilige roeping handhaven.Ouderlingen, leeraars en doctoren in de Godgeleerdheid, zijn, met beide handen, in dezen handel werkzaam.Men zou gedacht hebben, dat daadzaken als deze, in eene Vergadering van Christenen uitgesproken, genoeg zouden zijn om de dooden te wekken: maar helaas! men kan aan zeerafschuwelijke dingen gewoon worden. Op deze voorstellingen volgde niets anders dan dat men ze eene commissie in handen stelde, die op de volgende bijeenkomst, in 1836, haar verslag daarover zou uitbrengen.De bestuurder van de Vergadering in 1836 was een slavenhouder: Dr. T. S. Witherspoon, dezelfde die aan den uitgever van denEmancipatorschreef: „Ik bewijs mijne bevoegdheid, om den slaaf in dienstbaarheid te houden, uit de Schriften des Ouden en Nieuwen Testaments. Het beginsel om den Heiden in dienstbaarheid te houden, is door God erkend. Als de trage voortgang der wetten te talmachtig is, om onze grieven te herstellen, dan hebben wij hier in het Zuiden het onfeilbare middel van Regter Lynch aangenomen.”De meerderheid der speciale Commissie bragt een Verslag uit als volgt:Nademaal het onderwerp der slavernij onafscheidelijk verbonden is met de wetten van vele Staten in deze Unie, waarin het een kerkelijk regtsgebied geenszins vrijstaat, zich te mengen, en vele beschouwingen insluit nopens welke het bekend is, dat eene groote verscheidenheid van meeningen en gevoelens in de door deze Vergadering vertegenwoordigde kerken wordt aangetroffen: en nademaal er vele redenen bestaan, om te gelooven, dat eenige daad van wege deze Vergadering, met betrekking tot dit onderwerp strekken zoude, om onze kerken onderling te verwijderen en te verdeelen, en ongetwijfeld op geenerlei wijze diegenen bevoordeelen zoude, wier welzijn door de ingeleverde memoriën regtstreeks bedoeld wordt:Isuit dien hoofdebesloten:1. Dat de Vergadering het niet oorbaar acht, eenige verdere maatregelen in deze zaak te nemen.2. Dat, dewijl de ophelderingen (notes), die uit onze openbare formulieren zijn weggeschrapt, en wier herstelling door eenige der ingediende memoriën verlangd wordt, op eene onregelmatige wijze zijn ingevoerd, nooit door de kerk zijn bekrachtigd, en derhalve nooit eenig gezag hadden, de Algemeene Vergadering geene magt heeft, en het ook niet voegzaam acht, er eene plaats in de gewettigde kerkformulieren aan toe te wijzen.De minderheid der Commissie, de Eerwaarde heeren Dickey en Beman, bragten het volgende verslag uit:Is besloten:1. Dat het koopen, verkoopen of in eigendom bezitten van een menschelijk wezen, in het oog van God eene afschuwelijke zonde is, en hij, die er zich aan schuldig maakt, aan de kerkelijke censuur behoorde onderworpen te worden.2. Dat het de pligt is van een ieder, maar inzonderheid van elken Christen, die zich aan deze zonde mogt hebben schuldig gemaakt, zich zonder uitstel uit hare strikken los te maken.3. Dat het de pligt is van iedereen, maar inzonderheid van elken Christen, om in de kracht en in de liefde des Evangelies de zaak der armen en behoeftigen te bepleiten, door tegen het beginsel en de daad der slavernij te getuigen, en zijne beste pogingen aan te wenden, om de kerk des Heeren van dit euvel te bevrijden, en de emancipatie der slaven in deze Vereenigde Staten en over de geheele wereld te bevorderen.De slavenhoudende afgevaardigden, ten getale van acht-en-veertig, vergaderdenafzonderlijk, enbesloten:Dat, ingeval de Algemeene Vergadering ondernemen mogt, nopens het onderwerp der slavernij eenig gezag uit te oefenen, door haar b. v. eene onzedelijkheid te noemen, of op eenigerlei wijze te verklaren, dat Christenen, die slaven houden, zich aan misdaad schuldig maken, alsdan door de afgevaardigden uit het Zuiden eene verklaring zal worden ingeleverd, waardoor de regtsbevoegdheid der Vergadering ten deze ontkend, en ons voornemen uitgedrukt wordt, om ons aan zoodanige beslissing niet te onderwerpen.Ten aanzien dezer strijdige rapporten, besloot de vergadering als volgt:Nademaal de constitutie der Presbyteriaansche kerk, in hare aanleidende en grondwettige beginselen, verklaart datgeene kerkelijke overheden zich het regt mogen aanmatigen van wetten te maken om uitkrachte van hun gezaghet geweten te binden; en nademaal de spoedvorderende aard der bezigheden van de vergadering, en de kortheid des tijds dien zij aan hare zittingen kan besteden, het onmogelijk maken om met een rijp overleg over het onderwerp der slavernij in betrekking tot de Kerk te beraadslagen en te beslissen,is, derhalve,besloten, dat dit geheele onderwerp onbepaald zal worden uitgesteld.Het beloop van den slavenhandel,—tijdens de Algemeene Vergadering weigerde men het geheele onderwerp der slavernij te behandelen,—kan uit de volgendeitemsworden afgeleid. In een artikel van denVirginia Timesuit dat zelfde jaar 1836, wordt het getal der ten verkoop uitgevoerde slaven, uit dien staat alleen, gedurende de laatste twaalf maanden, op veertig duizend geschat. DeNatchez Courier(Mississippi) zegt, dat door de staten van Alabama, Missouri en Arkansas, in datzelfde jaar, twee honderd en vijftig duizend slaven uit de meer noordelijke Staten zijn ingevoerd. Zoo wij daar nu diegenen van aftrekken die men vermoeden kan dat met hunne meesters geëmigreerd zijn, welk een onmetelijke handel blijft er dan toch nog over!De Eerwaarde James H. Dickey, de voorsteller der bovengemelde besluiten, had eenige omstandigheden bijgewoond die hem natuurlijkerwijze den wensch moesten inboezemen dat de Vergadering de zaak ter harte name, zoo als blijkt uit het volgende, door hem geschrevene verhaal zijner ontmoeting van een slaventroep:In den zomer van 1822, toen ik met mijne familie van een bezoek naar de vlakten van Kentucky terugkeerde, was ik ooggetuige van een tooneel zoo als ik nog nooit te voren gezien had, en ook nooit weder hoop te zullen zien. Nadat wij Parijs, in Bourbon County (Staat Kentucky) waren doorgetrokken, werd mijne aandacht geboeid door de klanken eener muzijk, die van achter een eenigzins oprijzenden grond scheen voort te komen. Ik rigtte het oog derwaarts, en zag de vlag van mijn vaderland wapperen. In de meening van eene militaire parade te zullen ontmoeten,spoedde ik mij naar de zijde van den weg; en, de hoogte beklommen hebbende, ontdekte ik, naar gissing, omstreeks veertig zwarten, alle op de volgende wijze aan elkander geketend: zij waren in rij en gelid geplaatst, terwijl ieder afzonderlijk met een handboei gekluisterd was. Tusschen de twee rijen door, liep een keten van misschien veertig voet lang, waaraan kortere ketenen gehecht waren, die weder tot aan de handboeijen liepen. Achter hen waren, naar gissing, omstreeks dertig vrouwen, paarsgewijze met de handen aan elkander gebonden. Eene diepe droefheid lag op aller gelaat, en de akelige stilte van dezen wanhopigen optogt werd alleen door den klank van twee violen afgebroken; ja, alsof men beschimping bij het lijden had willen voegen, had men aan ieder van het voorste paar eene viool in handen gegeven; het tweede paar was met kokarden opgeschikt, en omtrent in het midden waaide de republikeinsche vlag, door eene hand gedragen dieletterlijk in ketenenwas. Ik kon mij niet bedwingen, den opziener, die, op zijn gemak, naast den troep reed, toe te roepen: „’s Hemels vloek ruste op den man die zulk een handel drijft, en op de regering die hem daarbij beschermt!” Ik zette mijne reis tot aan den avond voort, en maakte mijn nachtkwartier gereed, terwijl ik het tooneel verhaalde, waarvan ik getuige geweest was. „Ach!” riep mijne hospita, „dat is mijn broeder!” Van haar vernam ik dat hij Stone heette, uit Bourbon County (Kentucky), in compagnieschap met zekeren Kinningham, uit Parijs (Kentucky), en dat hij, weinige dagen te voren, van een man uit Nicholas County eene negerin gekocht had. Zij weigerde met hem mede te gaan; hij beproefde haar te dwingen, doch zij verdedigde zich. Zonder verdere pligtpleging trad hij achteruit, wierp haar, door een slag op het hoofd met den knop zijner zweep, op den grond, boeide haar, en nam haar mede. Verder vernam ik, dat behalve den troep dien ik gezien had, er omstreeks dertig, veiligheidshalve, in de gevangenis te Parijs waren opgesloten, om bij den troep gevoegd te worden, en dat zij voor de slavenmarkt van Orleans bestemd waren. En daartoe zijn zij om geene andere misdaad veroordeeld dan die eener zwarte huid en gekroesde lokken. Zou ik over die dingen geene bezoekingdoen? spreekt de Heere.Of zou mijne ziele zich niet wreken aan zulk een volk als dit is?Het kan niet mogelijk zijn, dat deze Christelijke mannen deze dingen ter harte namen; of, op zijn hoogst, zij namen die juist op die wijze ter harte als wij de ernstigste waarheden van de godsdienst doen, flaauw en oppervlakkig.Twee jaren later nam de Algemeene Vergadering, door eene plotselinge en zeer onverwachte beweging, een besluit, waarbij, zonder vorm van regtsgeding, vier synoden, de werkzaamste en meest beslist anti-slavernijgezinde gedeelten van de Kerk bevattende, van de gemeenschap der Kerk werden uitgesloten. De aangevoerde redenen waren, leerstellige verschillen en kerkelijke handelingen, onbestaanbaar met het Presbyterianisme. Door deze daad werden omstreeks vijf honderd leeraars en zestig duizend ledematen van de Presbyteriaansche kerk afgesneden.Dat gedeelte der Presbyteriaansche kerk, dat de „New School” genaamd wordt, deze handelwijze als onregtmatig beschouwende, weigerde er hare toestemming aan, voegde zich bij de uitgeslotene synoden, en vormde zich met dezen tot de „New School General Assembly.” In deze gemeenschap bleven slechts drie slaven-houdende „presbyteries.” In de oude waren er tusschen de dertig en veertig.Het gedrag der „Old School Assembly,” na de scheiding, met betrekking tot het onderwerp der slavernij, zal het best kunnen blijken door de aanhaling van een harer besluiten, in 1845 genomen. Daar zij eenige besliste tegenstanders der slavernij in haar midden telde, en daar, bovendien, door eenige vereenigde ligchamen, adressen over dit onderwerp aan haar waren ingediend, openbaarde zij, in dat jaar, haar gevoelen deswege op de volgende wijze:Is besloten, 1. Dat de Algemeene Vergadering der Presbyteriaansche kerk oorspronkelijk was georganiseerd, en, vervolgens, den band van vereeniging in de kerk heeft vastgehouden, op heterkende beginsel, dat het bestaan der huishoudelijke slavernij, onder de omstandigheden, waarin zij in het zuidelijke gedeelte des lands wordt aangetroffen, geen hinderpaal stelt aan de Christelijke gemeenschap.2. Dat de verzoekschriften, die van de Vergadering verlangen, dat zij het houden van slaven op zich zelve tot een onderwerp van kerkelijke tucht make, uit den aard der zaak van dit ligchaam vorderenzich zelve te ontbinden, en de organisatie te laten varen, waaronder het, door den Goddelijken zegen, zoo lang gebloeid heeft. De strekking is blijkbaar om het Noordelijke van het Zuidelijke gedeelte der Kerk af te scheiden,—een gevolg, hetwelk ieder goed Christen betreuren moet, als leidende tot de ontbinding der Unie van ons dierbaar vaderland, en waartegen ieder verlicht Christen zich verzetten zal, als eene verderfelijke en noodelooze scheuring met zich brengende tusschen broeders, die een gemeenschappelijk geloof belijden.Voordit besluit stemden honderd acht en zestig leeraars en ouderlingen, en daartegenslechts dertien.Het zal naauwelijks noodig zijn, eenige woorden bij deze zoo duidelijke verklaring te voegen. Zij is de onbewimpeldst mogelijke verloochening van ieder protest tegen de slavernij; de rondborstigst mogelijke betuiging, dat het bestaan der kerkelijke organisatie van meer belang is dan al de zedelijke en maatschappelijke beschouwingen, die in eene volkomene verdediging en uitoefening der Amerikaansche slavernij liggen opgesloten.In het volgende jaar werden een groot aantal verzoek- en vertoogschriften ingediend, waarbij de Vergadering verzocht werd eene nadere getuigenis tegen de slavernij te uiten.In antwoord op deze verzoekschriften, bevestigde de Algemeene Vergadering op nieuw alle hare vroegere getuigenissen tegen de slavernij, van over zestig jaren herwaarts; waardoor zij derhalve vaststelde, dat de verklaring des vorigen jaars niet als eene intrekking dier vroegere getuigenissen moest beschouwd worden. Met andere woorden: zij verklaarde, in de woorden van 1818, van gevoelen te zijn, dat de slavernij „TEN EENENMALE IN STRIJD IS MET DE GODDELIJKE WET,” en „VOLSTREKT ONVEREENIGBAAR MET DE VOORSCHRIFTEN DES EVANGELIES VAN CHRISTUS;” en toch niettemin „dat zij hare kerkelijke organisatie gevestigd had op het erkende beginsel, dat het bestaan der slavernij, onder de omstandigheden, waarinzij in de Zuidelijke Staten der Unie wordt aangetroffen, geen hinderpaal stelt aan de Christelijke gemeenschap.”Eenige leden protesteerden tegen deze handeling.In den beginne vatte men groote hoop op van het ligchaam der „New School.” Als ligchaam bestond het voor het grootste gedeelte uit anti-slavernijgezinden. Het had die synoden in zich opgenomen, wier anti-slavernijgezinde gevoelens en daden, om het minste te zeggen, eene voorname oorzaak harer uitsluiting van de kerk geweest waren. Het had slechts drie slaven-houdende „Presbyteries.” Het had de volle magt in handen. Nu, zoo ooit, was het de tijd, om dezen verfoeijelijken last geheel af te werpen, en, in deze eeuw van inwilliging aan en gelijkvormigheid met de wereld, als eene zuiver protesterende Kerk op te staan, vrij van alle medepligtigheid aan deze allervreeselijkste nationale ongeregtigheid.Bij de eerste zitting der Algemeene Vergadering werden deze maatregelen, door vele verzoek- en vertoogschriften, ten sterkste aangedrongen. Deze stukken werden aan eene commissie van besliste anti-slavernijgezinden in handen gesteld. Van de eene zijde werd beweerd, dat de tijd nu gekomen was om beslissende maatregelen te nemen tot afsnijding van alle medepligtigheid ten voordeele der slavernij, en om rondborstig voor zijne gevoelens uit te komen, al zou men ook alle kerken van de gemeenschap moeten afsnijden, die niet gereed waren om in eene onmiddellijke emancipatie te bewilligen.Van den anderen kant werd de meerderheid der commissie door tegenovergestelde beschouwingen geleid. De broeders uit slaven-Staten opperden bedenkingen, nagenoeg als deze: „Broeders, onze harten zijn eenstemmig met de uwe. Wij vereenigen ons met u in geloof, in liefde, in gebeden. Wij namen deel in den u aangedanen smaad door de uitsluiting. Wij stonden toen aan uwe zijde, en zijn er ook nu nog gereed toe. Wij sympathiseren niet met de partij die u heeft uitgedreven, en wenschen ook niet tot haar terug te keeren. Wat de zaak der slavernij betreft, hebben wij geen verschil met u. Wij beschouwen haar als een kwaad. Wij treuren en klagen er over. Wij stellen pogingen in het werk om haar van lieverlede en door vreedzame middelen uit onze kerken te bannen. Wij komen het gevoelen onzer kerken zoo verrete gemoet als ons doenlijk is. Wij kunnen tot geene meer doortastende maatregelen overgaan, zonder onzen invloed op haar te verliezen, en, naar ons oordeel, de zaak der emancipatie achteruit te zetten. Zoo gij op deze beslissende manier begint, kunnen wij onze kerken niet vereenigd houden; zij zullen zich van elkander scheiden, en tot de „Old School” overgaan.”Hier had men een zeer sterk pleit, door goede en opregte mannen uitgebragt. Daarenboven hield het een beroep in op de edelste gevoelens des harten. Het zeide inderdaad zooveel als: „Broeders, wij hebben u bijgestaan, en uwe zaak verdedigd, toen alles tegen u gekant was; en thans, nu gij de magt in handen hebt, zoudt gij haar bezigen om ons buiten te werpen?”Deze mannen, hoe sterk anti-slavernijgezind ook, konden niet onbelemmerd te werk gaan. Een lid der commissie voorzag en vreesde er de uitkomst van. Hij was van gevoelen, en gaf zulks te kennen, dat de voorgeslagene maatregel de geheele zaak zou doen schipbreuk lijden. De meerderheid was, ten slotte, van gevoelen, dat het best ware haar uit te stellen. De commissie rapporteerde dat de verzoekers, om voor hen voldoende redenen, hunne papieren hadden terug genomen.Het volgende jaar, in 1839, werd het onderwerp wederom opgevat, en bij vernieuwing werd er op aangedrongen dat de Vergadering op eene beslissende en onmiskenbare wijze er zich over uiten mogt; en voorzeker, wanneer wij in aanmerking nemen dat gedurende al dien tijd niet eene enkele kerk hare slaven geëmancipeerd had, en dat de magt der „instelling” allerwege was toegenomen en uitgebreid, dan zal het wel in het oog loopen dat er iets anders noodig was dan eene algemeene verklaring dat de Kerk met het in 1818 gegevene getuigenis overeenstemde. Het werd haar ten sterkste voorgehouden dat het tijd was om iets te doen. Dit jaar besloot de Vergadering den „Presbyteries” de zaak in handen te geven, om er in te doen wat zij raadzaam zouden achten. De gebezigde woorden waren deze: „De geheele zaak plegtiglijk aan de lagere regtskringen (judicatories) overgevende, om eene zoodanige beslissing te nemen, als naar hun gevoelen met de regtvaardigheid strookt, en geschikt is om het kwaad te verwijderen.” De Eerwaarde George Beecher stelde voor omhet woord:zedelijkvóór het woord:kwaadin te lasschen; dan, zulks werd van de hand gewezen.In 1840 werd een nog veel grooter aantal vertoog- en verzoekschriften ingeleverd; en door de abolitionisten werden zeer sterke pogingen gedaan om eenige bepaalde daad te verkrijgen.De commissie beriep zich dit jaar op hetgeen in het vorige jaar gedaan was, en verklaarde het onraadzaam, iets verder te doen. De zaak werd onbepaald uitgesteld. Thans werd besloten dat de Vergadering slechts eenmaal in de drie jaren zou bijeenkomen. Gevolgelijk kwam zij niet bijeen vóór 1843. In dat jaar werden wederom verscheidene memoriën ingediend, en eenige besluiten werden der Vergadering voorgelegd, waartoe ook het volgende behoorde:
In de eerste plaats dan: zijn eenige dezer gevoelens ooit door de kerk als ketterijen beschouwd, en zijn de verbreiders er van aan de kerkelijke straffen onderworpen geworden, waarmede de ketterij gestraft wordt?Na een tamelijk wijdloopig onderzoek op dit punt, heeft de schrijfster niet meer dan één voorbeeld van dien aard kunnen opsporen. Het is niettemin mogelijk dat er zulke gevallen in andere kerkelijke afdeelingen bestaan hebben, die aan de nasporing ontsnapt zijn.Een geestelijke in de „Cincinnati New school Presbytery,” predikte de leer, dat het houden van slaven door den Bijbelgebillijkt werd; en om zijne volharding in het handhaven van dat gevoelen, werd hij door die „Presbytery” in zijn dienstwerk geschorst. Hij beriep zich op de Synode, en de beslissing werd door de Synode van Cincinnati bekrachtigd. De „New School General Assembly” vernietigde nogtans deze beslissing der „Presbytery,” en herstelde den geestelijke in zijn ambt. Van hare zijde weigerde nu de „Presbytery” hem weder te aanvaarden, en men ontving hem in de „Old School Church.”De Presbyteriaansche kerk heeft waarschijnlijk alle andere kerken in de Vereenigde Staten door haren ijver voor leerstellige gevoelens overtroffen. Deze kerk is tot in hare grondvesten toe door kettertwisten geschokt en bewogen geworden; maar, dit enkele geval uitgezonderd, weet men niet dat eenige dier beginselen, welke door zuidelijke Presbyteriaansche ligchamen en individuën beweerd zijn geworden, ooit als onderwerpen van ketterij in hare Algemeene Vergadering zijn ter sprake gebragt.Omstreeks den tijd dat Smylie’s vlugschrift het licht zag, werd de Presbyteriaansche kerk geschokt door het regtsgeding, den Eerwaarden Albert Barnes om zekere door hem verdedigde kettersche gevoelens aangedaan. Deze ketterijen raakten het werkverbond, in Adam, als ons hoofd, gevestigd; de toerekening zijner zonde aan zijne gansche nakomelingschap; en de vraag of de mensch op eenigerlei wijze bekwaam is om Gods geboden te bewaren.Om de voorstelling van zekere gevoelens nopens deze onderwerpen, werd aan Mr. Barnes, door de Synode waartoe hij behoorde, het stilzwijgen opgelegd, en zijn regtsgeding over deze punten in de Algemeene Vergadering bleef een tijd lang het hoofd-onderwerp, waarvoor, in de Presbyteriaansche kerk, al het overige op den achtergrond geraakte. Ook de Eerwaarde Dr. L. Beecher werd in gelijksoortige gevoelens in een regtsgeding gewikkeld. Gedurende al dien tijd werd er geene notitie genomen van de ketterij (zoo zij dit is) dat het regt om, uit winstbejag, menschen te koopen, te verkoopen, of in slavernij te houden, uitdrukkelijk door God verleend werd; alhoewel die ketterij, in dezelfde Presbyteriaansche kerk, door Mr. Smylie en de Presbyterianen waarmede hij verbonden was, in het openbaar verbreid werd.Wilde men de reden daarvan hierin zoeken, dat de slavenkwestie eene vraag vanpraktikale zedekunde, en niet van dogmatische godgeleerdheid is, dan moeten wij doen opmerken dat zedekundige vraagstukken van veel minder belang met den vurigsten ijver zijn behandeld geworden.De Presbyteriaansche kerk der „Old School,” tot wier gemeente de meeste der slavenhoudende Presbyterianen in het Zuiden behooren, heeft nooit het voornemen aan den dag gelegd om hare leden eenige kerkelijke straf op te leggen voor de handhaving van een stelsel dat het wettig huwelijk aan alle slaven ontzegt. En toch werd deze kerk tot in hare grondvesten geschokt door de behandeling eener zedekundige vraag, die aan een onpartijdig opmerker waarschijnlijk veel minder belangrijk zal voorkomen; de vraag namelijk, of het een’ man vrijstaat, met de zuster zijner overledene vrouw te huwen. Voor een tijd lang scheen al de sterkte en aandacht van de kerk zich als in één brandpunt op dit belangrijk onderwerp te vestigen. De twistvraag werd door de „Presbytery” voor de Synode, en door deze voor de Algemeene Vergadering getrokken, en eindigde hiermede, dat een zeer achtenswaardig leeraar om deze misdaad van zijnen post ontzet werd.De Eerwaarde Robert J. Breckenridge, Theol. Dr., een lid der „Old School Assembly,” beschrijft den toestand der slavenbevolking met betrekking tot het huwelijk aldus: „het slavenstelsel ontzegt aan eene geheele klasse van menschelijke wezens de heiligheid des huwelijks en des huisgezins, terwijl het hen dwingt om in een staat van onwettige gemeenschap (concubinage) te leven; want in het oog der wet is geen gekleurde slaaf de echtgenoot van eenige bijzondere vrouw, noch eenige slavin de vrouw van eenigen bijzonderen man; is geen slaaf de vader van eenig bijzonder kind, en geen slavenkind het kind van eenigen bijzonderen vader of moeder.”Had deze kerk nu het feit, dat drie millioenen mannen en vrouwen, door de wetten des lands, verpligt waren om op deze wijze te leven, als niet minder gewigtig ter harte genomen, dan is het uit de opregtheid, de betoogkracht, de hevigheid, het Bijbel-onderzoek, en den onvermoeiden ijver, door haar aan het regtsgeding van Mr. Mac Queen te koste gelegd, klaarblijkelijk, dat zij ook met betrekking tot dit feit, zeer veel zou hebben kunnen verrigten.De geschiedenis van de eenstemmige handelwijze der kerken van alle benamingen, zoowel in de vrije als in de slaven-Staten, levert aan een nadenkend gemoed een treurig, door feiten opgehelderd voorbeeld op van die trapsgewijze verbastering des zedelijken gevoels, die het gevolg is van met eene erkende zonde in eenige, ook nog zoo geringe, schikking te treden. De beste gemoederen van de wereld kunnen zulk eene gemeenzaamheid niet doorstaan, zonder schade te lijden aan hun zedelijk gevoel. De feiten van het slavenstelsel en van de slavenwetten, aan belangelooze regters in Europa voorgesteld, hebben eene algemeene uitbarsting van afgrijzen te weeg gebragt; en toch zijn deze dingen, in vergaderingen uit de wijste en beste geestelijken van Amerika zaâmgesteld, telken jare beredeneerd geworden, zonder eenige uitkomsten op te leveren die het euvel slechts in het allerminste verzacht hebben. De reden daarvan is deze: een gedeelte der leden van deze ligchamen hadden zich verbonden om het stelsel vol te houden, en alle discussiën daarover stellig te weigeren en af te snijden; en het andere gedeelte van het ligchaam beschouwde de zaak niet als zulk eene levensvraag, dat zij eene afscheiding om harentwille zou kunnen wettigen.Niemand zal er aan twijfelen dat, indien de zuidelijke leden zich ten aanzien der Godheid onzes Zaligmakers op zulk een standpunt geplaatst hadden, de scheiding onmiddellijk en eenparig zou hebben plaats gehad; maar toch wordt door de Zuidelijke leden het regt gehandhaafd om menigten van mannen en vrouwen te koopen en te verkoopen, te huren, te verhuren en te verpanden, die zij, in denzelfden adem, verklaard hebben ledematen hunner kerken, en echte Christenen te zijn. De Bijbel verklaart van die allen, dat zij tempelen des Heiligen Geestes, dat zij leden van Christus ligchaam, dat zij Zijn vleesch en been zijn. Is nu niet de leer dat men de leden van Christus, Zijn ligchaam, Zijn vleesch en been, om winstbejag regtmatig verkoopen mag, eene zoo wezenlijke ketterij als de verloochening der Godheid van Christus; en wordt er Hem die over allen is, God, te prijzen in eeuwigheid, geene oneer door aangedaan, dit vreeselijk gevoelen, met zijne nog vreeselijker gevolgen, te dulden, terwijl de geringste ketterijen nopens de toerekening van Adam’s zonde met de grootste hevigheid vervolgd worden? Als het vervolg van de geschiedenisder handelingen van al de aldus vereenigde ligchamen eenmaal geschreven zal kunnen worden, dan zal het blijken dat, uit hoofde van deze dulding eener erkende zonde, het getuigenis tegen de slavernij van jaar tot jaar zwakker geworden is. Als wij de geschiedenis van alle kerkelijke afdeelingen overzien, dan zal het ons in het oog vallen dat zij in den beginne eene zeer sterke taal tegen de slavernij hebben doen hooren. Dit is inzonderheid het geval met de Methodistische en Presbyteriaansche ligchamen, om welke reden wij deze beide tot voorbeelden zullen kiezen. Het genootschap der Methodisten inzonderheid, als door John Wesley georganiseerd, was een anti-slavernij-gezind genootschap, en zijn Boek van kerkelijke tucht bevatte de stelligste wetten tegen het houden van slaven. De geschiedenis der achtereenvolgende besluiten van de Conferentie dezer kerk is zeer treffend. In 1780, eer de kerk nog wettig in de Vereenigde Staten geordend was, besloot zij het volgende:De Conferentie erkent dat de slavernij met de Goddelijke en menschelijke wetten en met die der natuur in strijd is; als ook dat zij schadelijk is voor de maatschappij; dat zij gekant is tegen de inspraken des gewetens en van de ware godsdienst; en dat zij aan anderen doet wat wij niet wenschen zouden dat anderen aan ons deden.In 1784, toen de kerk volkomen georganiseerd was, werden er maatregelen genomen, de tijdstippen voorschrijvende waarop leden die reeds slavenhouders waren, hunne slaven zouden emanciperen. Hierop volgden wederom deze:Een iegelijk wien het aangaat, en zich niet aan deze regelen wenscht te onderwerpen, zal volkomen vrijheid hebben om ons genootschap te verlaten binnen de twaalf maanden, volgende op de bovengemelde, hem gedane waarschuwing; zullende hij anders door de opzieners buiten het genootschap gesloten worden.Niemand die slaven houdt, zal in het vervolg tot het genootschap of tot ’s Heeren Avondmaal worden toegelaten, tenzij hij zich vooraf aan deze regelen, de slavernij betreffende, onderwerpe.Zij die slaven koopen, verkoopen, of wel er zich van ontdoen, anders dan om ze te bevrijden, zullen onmiddellijk worden uitgesloten.In 1801:Wij verklaren meer dan ooit overtuigd te zijn van het groote kwaad der Afrikaansche slavernij, die nog in deze Vereenigde Staten wordt aangetroffen.Ieder lid des genootschaps die een slaaf verkoopt, zal, na voldoend bewijs, terstond uit het genootschap worden verwijderd.De jaarlijksche Conferentiën zullen belast worden met het stellen van adressen aan de Wetgevende Magt, strekkende tot de trapsgewijze emancipatie der slaven. Door de jaarlijksche Conferentiën zullen speciale commissiën uit de achtenswaardigste onzer vrienden benoemd worden, tot leiding dier aangelegenheid; terwijl de voorzittende ouderlingen, diakenen, en reizende predikers zoo vele handteekeningen als mogelijk op de adressen zullen inwinnen, en al den bijstand zullen verleenen die hun in allen opzigte ten dienste staat, om de commissiën te helpen, en de gezegende onderneming te bevorderen. Dit zal van jaar tot jaar worden voortgezet, tot dat het beoogde doel bereikt is.Welk eene verandering in 1836! De Algemeene Conferentie hield hare jaarlijksche zitting te Cincinnati, en nam het volgende besluit:Door de afgevaardigden der jaarlijksche Conferentie, in Algemeene Conferentie vereenigd,is besloten, dat zij besliste tegenstanders zijn van het moderne abolitionismus, en dat zijalle regt, wensch of voornementot tusschenkomst in de burgerlijke en staatkundige betrekking tusschen meester en slaaf, zoo als zij in de slavenhoudende Staten dezer Unie bestaat,ten eenemale ontkennen of afwijzen.Deze besluiten gingen met eene zeer groote meerderheid door. Er kwam een adres in van de Wesleyaansch-Methodistische Conferentie in Engeland, dat zich over de zaakder slavernij ernstig, doch vriendbroederlijk uitliet. De Conferentie weigerde het openbaar te maken. In den herderlijken brief aan de kerken komen de volgende zinsneden voor:Het kan u niet onbekend zijn dat de slavernijkwestie in de Vereenigde Staten, door het constitutioneel verdrag hetwelk ons als natie vereenigt, aan de regeling van de Wetgevende Vergaderingen der afzonderlijke Staten zelven overgelaten, en alzoo buiten het toezigt der algemeene regering, zoowel als dat van alle kerkelijke ligchamen gebleven is; waaruit volgt dat in de slavenhoudende Staten de geheele verantwoordelijkheid wegens het al dan niet bestaan der slavernij, op de Wetgevende Vergaderingen dier Staten blijft rusten. **** Deze feiten, welke hier alleen vermeld worden als aanleiding tot de vriendschappelijke vermaning welke wij u wenschen te geven, leggen ons, als uwe herders, aan wie het opzigt over uwe zielen, waarvan zij eenmaal rekenschap moeten geven, is aanbevolen, de verpligting op, om u van alle abolitionistische bewegingen en vereenigingen af te manen, en u te verbieden eenige hunner schriften te beschermen of aan te moedigen, enz. ***De ondergeschikte Conferentiën leiden denzelfden geest aan den dag.In 1836 besloot de New-Yorksche jaarlijksche Conferentie dat niemand tot diaken of ouderling zou gekozen worden, ten ware hij zich jegens de kerk wilde verbinden om zich van alle discussie nopens dit onderwerp te onthouden.1In 1838 besloot de Conferentie,dat dezulke harer leden, of aankomelingen, die den „Zions Watchman” mogten voorstaan, hetzij door tot lof van dat blad te schrijven, door het te verspreiden, aan te bevelen, er inteekenaars aan te verschaffen, of gelden ervoor in te zamelen, als schuldig aan onbedachtheid beschouwd, en als zoodanig gestraft zullen worden.Men zal zich herinneren dat „Zions Watchman” door LeRoy Sunderland werd uitgegeven, voor wiens gevangenneming de Staat van Alabama vijftig duizend dollars had uitgeloofd.In 1840 nam de Algemeene Conferentie te Baltimore het reeds door ons aangehaalde besluit, hetwelk den predikanten verbood, kleurlingen tot het geven van getuigenis in hunne kerken toe te laten. Men heeft berekend dat door deze daad omstreeks tachtig duizend menschen van het regt van getuigenis beroofd zijn geworden. Deze Methodistische kerk splitste zich naderhand in eene noordelijke en zuidelijke Conferentie. De zuidelijke Conferentie is geheel en al vóór de slavernij gestemd, terwijl de noordelijke nog altoos slavenhoudende Conferentiën en leden telt.Van de noordelijke Conferentiën nam eene der uitgebreidste, die van Baltimore, het navolgende besluit:Is besloten, dat deze Conferentie alle deelneming in het abolitionismus afkeurt. En dewijl zij, integendeel, besloten heeft hare welbekende en lang gevestigde stelling te handhaven door de tot hare gemeenschap behoorende reizende predikanten buiten de slavernij-kwestie te houden, zoo is ook besloten geene betrekking te onderhouden met eenig kerkelijk ligchaam dat het niet houden van slaven tot voorwaarde van het lidmaatschap der kerk maakt, maar de kerkelijke tucht, zoo als zij bestaat, te ondersteunen en te handhaven.Het volgende uittreksel is genomen uit een adres van de Philadelphische jaarlijksche Conferentie aan de onder haar opzigt staande gemeenten, gedagteekend uit Wilmington (Staat Delaware) den 7denApril 1847:Zoo het plan van scheiding ons met de herderlijke zorg over u belast, dan blijft er te onderzoeken of wij, als Conferentie of als menschen, iets hebben gedaan, waardoor wij uwe liefde en vertrouwen verbeurd zouden hebben. Het is ons niet bekend dat wij, zelfs in de groote woeling die u, eenige maanden geleden, bedroefde, door iemand wien het ook zij, van eenige fout in ons zedelijk gedrag, van ongezondheid in de leer, of wel van dwingelandij of omkoopbaarheid in de handhaving der kerkelijke tucht beschuldigdzijn. Doch wij vernemen dat de oorzaak der ongelukkige spanning onder u alleen deze is, dat sommigen ons verdenken, of veinzen te verdenken, van abolitionisten te zijn. Doch geene bijzondere daad van de Conferentie, noch van iemand harer afzonderlijke leden, wordt als bewijs aangevoerd voor deze ongegronde en onregtvaardige verdenking. Wij mogen het vragen, broeders, of de loop onzer zestigjarige bediening onder u ons niet voor zulk eene beschuldiging behoorde te vrijwaren? Of de vraag, die wij sinds eenige jaren gewoon zijn den candidaten voor te leggen, namelijk,zijt gij een abolitionist?zonder wier ontkennende beantwoording geen hunner onder ons werd toegelaten, ons niet voor zulk eene beschuldiging behoorde te vrijwaren. Of de daad der laatste Conferentie met betrekking tot deze bijzondere zaak niet elken opregten en waarheidlievenden behoorde te overtuigen dat wij geene abolitionisten zijn, en het ook niet begeeren te zijn? *** Wij kunnen niet bevroeden hoe wij voor abolitionisten kunnen worden aangezien, ten ware men de predikanten der Methodistisch-Episcopaalsche kerk in het Zuiden in hetzelfde licht wilde beschouwen.Onder toewensching van alle hemelsche zegeningen, blijven wij, waarde broeders, de uwen in Christus Jezus,J. P. Durbin.J. Kennaday.Ignatius T. Cooper.William H. Gilder.Joseph Castle.Deze feiten mogen volstaan ter kenschetsing van de gevoelens der Methodistische kerk. De geschiedenis is treurig, doch leerzaam. Die der Presbyteriaansche kerk is evenzeer belangrijk.In 1793 werd de volgende verklarende noot op het achtste gebod bij het Boek der kerkelijke tucht ingelascht, als de leer der kerk met betrekking tot het houden van slaven uitdrukkende:1 Tim. I: 10. De wet is gemaakt tegenMENSCHENDIEVEN. Deze misdaad stelde hen die zich daaraan schuldig maakten, aan de zwaarste straf bloot, Exodus XXI: 16;en de Apostel plaatst hen hier onder de zondaars van den eersten rang. Het door hem gebezigde woord omvat, in zijne oorspronkelijke beteekenis, allen die medepligtig zijn aan het in slavernij brengen of houden van eenig menschelijk schepsel.Hominum fures, qui servos vel liberos, abducunt, retinent, vendunt, vel emunt.Menschendieven zijn zij alle, die slaven of vrije lieden wegleiden, en zeHOUDEN,KOOPENofVERKOOPEN. Een vrij mensch te stelen, zegt Grotius, is de ergste soort van diefstal. In andere gevallen stelen wij slechts menschelijk eigendom; doch wanneer wij menschen stelen of in slavernij houden, dan maken wij ons meester van hen, die, gemeenschappelijk met ons, tot heeren over de aarde gesteld zijn.Aan geene regelen der kerkelijke tucht werd kracht bijgezet, en leden die door de aangehaalde woorden aan deze misdaad schuldig verklaard werden, bleven ongestoord, als predikanten of ouderlingen, tot de gemeente behooren. Deze onbestaanbaarheid werd in 1816 uit den weg geruimd, door het aangehaalde uit het Boek der kerkelijke tucht te schrappen. In 1818 gaf zij eene verklaring harer inzigten nopens de slavernij. Dit document is zeer uitgebreid, in een echt christelijken geest gedacht en geschreven, en werdeenstemmigaangenomen. Het navolgende is zijne belijdenis opzigtelijk den aard der slavernij:Wij beschouwen het moedwillig in slavernij brengen van een gedeelte des menschelijken geslachts door een ander, als eene zware schending der kostelijkste en heiligste regten der menschelijke natuur; als ten uiterste onbestaanbaar met de wet Gods, die eischt dat wij onzen naasten zullen liefhebben als ons zelven; en als ten eenemale onvereenigbaar met den geest en de voorschriften van het Evangelie van Christus, die ons inscherpen: „alles wat gij wilt dat u de menschen doen zullen, doet gij hen ook alzoo.” De slavernij schept eene tegen de zedeleer aandruischende stelling (paradox); zij brengt zedelijke, voor hunne daden verantwoordelijke, en onsterfelijke wezens in eenen toestand, die hen naauwelijks het vermogen tot zedelijke werkzaamheid overlaat. Zij doet het van den wil van anderen afhangen of zij godsdienstig onderwijszullen ontvangen; of zij den waren God zullen kennen en vereeren; of zij in de zegeningen des Evangelies zullen deelen; of zij de pligten en genoegens van echtgenooten, ouders en kinderen, betrekkingen en vrienden, zullen volbrengen en genieten; of zij hunne kuischheid en zuiverheid zullen bewaren, of de voorschriften van regtvaardigheid en menschelijkheid zullen opvolgen. Deze zijn eenige der gevolgen van de slavernij; gevolgen, niet denkbeeldig, maar die in haar bestaan zelve liggen opgesloten. De rampen waaraan de slaafaltoosis blootgesteld, hebben dikwijls werkelijk plaats, en wel in hun ergsten trap en gedaante; en waar zij alle geen plaats hebben—zoo als wij met blijdschap zeggen, dat dikwijls, door den invloed der beginselen van Godsdienst en menschelijkheid op het gemoed der meesters, het geval is—is de slaaf niettemin beroofd van zijn natuurregt, als menschelijk wezen verlaagd, en aan het gevaar blootgesteld van in handen van een meester over te gaan, die hem alle ongemakken en beleedigingen kan doen ondergaan, die onmenschelijkheid en gierigheid hem kunnen doen uitdenken.Deze taal was voorzeker duidelijk en beslissend, en werd, door slavenhouders en niet-slavenhouders,eenpariggoedgekeurd. Men zou zonder twijfel gedacht hebben, dat nu de tijd der verlossing nabij was. De verklaring gaat nog verder, en zegt:Wanneer de onbestaanbaarheid der slavernij met de uitspraken van Godsdienst en menschelijkheid bewezen is, enalgemeen ingezien en erkendwordt, dan is het duidelijk de pligt van alle Christenen, die zich in het licht der tegenwoordige bedeeling verheugen mogen, om eerlijke, ijverige, onvermoeide pogingen aan te wenden tot verbetering der dwalingen van vorige tijden, en zoo spoedig mogelijk deze vlek op onze heilige Godsdienst af te wisschen door deVOLKOMENE AFSCHAFFINGder slavernij onder het Christendom en door de geheele wereld.Hier zien wij dan de geheele, slavenhoudende en niet-slavenhoudende, Presbyteriaansche kerk, daadwerkelijk tot een grootabolitie-genootschapgevormd, zoo als wij gezien hebben dat de Methodistische insgelijks was.De „Assembly” zegt verder dat de slavenvoor tegenwoordignog niet tot de vrijheid zijn voorbereid; dat zij (de „Assembly”) treurig is aangedaan over het op kerk en vaderland overgeërfde aandeel in dit kwaad; doch dat „een groot en het deugdzaamste gedeelte der gemeenteDE SLAVERNIJ VERAFSCHUWTenHARE VERNIETIGINGwenscht.” Wijders vermaant zij om het werk van het onderwijs der slaven onverwijld aan te vangen, met het doel om hen tot de vrijheid voor te bereiden; om geen langer uitstel te nemen dan „met betrekking tot het openbare welzijnonvermijdelijkgevorderd wordt;” en om zich „door geene andere inzigten te laten beheerschen dan „eene eerlijke en onpartijdige beschouwing van het welzijn der onderdrukte partij, op welke beschouwing denadeelen en ongelegenhedendie zij mogt medebrengen,geen invloed mogen uitoefenen.” Zij waarschuwt tegen eene „noodelooze uitbreiding dier redenen van noodzakelijkheid” als dekmantel voor de zucht tot instandhouding der slavernij. Zij eindigt met de bedreiging eener onmiddellijke censuur en schorsing jegens een ieder die een mede-Christen, zonder diens toestemming, verkoopen mogt.Wanneer wij in aanmerking nemen dat dit alles, zoowel door slavenhouders als anderen,eenstemmigwerd aangenomen, en toestemmen, zoo als wij ongetwijfeld doen, dat het eerlijk en ter goeder trouw geschiedde, dan zullen wij er voorzeker iets van verwachten. De onmiddellijke daarstelling en organisatie van scholen voor de slavenkinderen; een doelmatig godsdienstig onderrigt; eene volkomene staking van den handel in Christenslaven; wetten, die de familie-betrekkingen heiligen; dit alles zouden wij er van verwachten. En is er iets van dat alles gedaan of beproefd? Helaas! Twee jaren later kwam de admissie van Missouri tot de Unie, en de toenemende vraag op de Zuidelijke slavenmarkt, en de binnenlandsche slavenhandel. In plaats van school-onderwijzers had men slaven-handelaars; in plaats vanscholente verzamelen, verzamelde men slaven-hoopen; in plaats van schoolhuizen te bouwen, bouwde men slavenhokken, slavengevangenissen, factorijen, of hoe de handel ze verkiest te noemen; en dit was de geschiedenis van het plan van trapsgewijze emancipatie!Zestien jaren later, in 1834, gaf eene speciale commissie uit de synode van Kentucky, in welken Staat, naar het algemeengevoelen, de slavernij in haren zachtsten vorm bestaat, de volgende schildering van den toestand der slaven. In de eerste plaats zegt zij, met betrekking tot hunnen godsdienstigen toestand:Na alles wat billijk is te hebben laten gelden, kan onze bevolking van kleurlingen, op zijn best, nog maar als half-heidensch beschouwd worden.Wreede geeselingen en alle de verschillende soorten van persoonlijke vernederingen, zijn niet de eenige soort van wreedheid, die de slavernij medebrengt. De familie-betrekkingen van den slaaf worden niet door de wet erkend, terwijl zij hare bescherming van het genot des huiselijken geluks niet tot hem uitstrekt. De leden eener slavenfamilie mogen gewelddadig gescheiden worden, zoodat zij elkander vóór den oordeelsdag nooit wederzien. En de begeerlijkheid prikkelt den meester niet zelden, om te doen wat de wet veroorlooft. Broeders en zusters, ouders en kinderen, echtgenooten en vrouwen, worden van elkander afgerukt, en mogen elkander nooit wederzien.Deze dingen hebben dagelijks onder ons plaats.Het gegil en de doodsangsten, bij zulke gelegenheden dikwijls bijgewoond, verkondigen met de stem eener bazuin de onregtvaardigheid en wreedheid van ons stelsel. De noodkreten dezer lijders klimmen op tot het oor des Heeren Zebaoth.Er is geen vlek, waar deze hartverscheurende tooneelen geen plaats hebben.Er is geen dorp of landweg, waar de treurige optogten niet gezien worden van geboeide ongelukkigen, wier ketenen en nedergebogene houding verhalen, dat zij door geweld zijn weggerukt van allen, die aan hunne harten dierbaar zijn. Jaren geleden verhief onze kerk hare stem van plegtige waarschuwing tegen deze in het oog loopende schending aller beginselen van barmhartigheid, regtvaardigheid en menschelijkheid. Maar wij blozen, dat wij voor u en voor de wereld betuigen moeten, dat die waarschuwing dikwijls is verwaarloosd geworden, door de zoodanigen zelfs, die van onze gemeente zijn.In onze eigene kerkelijke afdeeling hebben er gevallen plaats gehad, dat belijders van de godsdienst der barmhartigheid de moeder van hare kinderen hebben afgescheurd, en haar in eene onbarmhartige, eeuwigdurende ballingschap hebben gezonden. Maar zelden heeft mende kerkelijke tucht voor zulk een gedrag jegens hen uitgeoefend.De Eerwaarde James G. Birney, die eenige jaren in Kentucky woonde, verbetert, in zijn vlugschrift het woordzelden, door ernooitvoor in de plaats te stellen. Wat kon nu duidelijk de uiterste ondoelmatigheid der laatste verklaring van de „Assembly,” en de noodzakelijkheid van meer krachtdadige maatregelen aantoonen? In 1835 werd uit dien hoofde door de Algemeene Vergadering op de zaak aangedrongen, terwijl de leden dringend gesmeekt werden, om de in 1818 door hen beledene beginselen en voornemens ten uitvoer te leggen.In eene door Mr. Stuart, uit Illinois, gehouden redevoering over dit onderwerp, zeide hij:Ik hoop, dat deze Vergadering bereid is, om onbewimpeld voor haar gevoelen uit te komen, en rondborstig hare meening te verklaren, dat het houden van slaven eene uiterst snoode en verfoeijelijkeZONDEis. Laten wij hier geene zijpaden inslaan, terwijl zoo vele duizenden en tienduizenden onzer medeschepselen onder de zweep krimpen, die zelfs door leeraars en ouderlingen van de Presbyteriaansche kerk gezwaaid wordt.In deze kerk mag iemand een vrijgeboren kind grijpen, het van zijne ouders afrukken, aan wien God het toevertrouwde, zeggende: „voedt het voor mij op,” het als een dier verkoopen of in altoosdurende slavernij houden—en niet alleen ligchamelijke straf ontgaan, maar nog daarenboven voor een uitmuntend Christen gehouden worden. Ja, zelfs bedienaars des Evangelies en doctoren in de Godgeleerdheid mogen zich met dezen snooden handel inlaten, en niettemin hunne verhevene en heilige roeping handhaven.Ouderlingen, leeraars en doctoren in de Godgeleerdheid, zijn, met beide handen, in dezen handel werkzaam.Men zou gedacht hebben, dat daadzaken als deze, in eene Vergadering van Christenen uitgesproken, genoeg zouden zijn om de dooden te wekken: maar helaas! men kan aan zeerafschuwelijke dingen gewoon worden. Op deze voorstellingen volgde niets anders dan dat men ze eene commissie in handen stelde, die op de volgende bijeenkomst, in 1836, haar verslag daarover zou uitbrengen.De bestuurder van de Vergadering in 1836 was een slavenhouder: Dr. T. S. Witherspoon, dezelfde die aan den uitgever van denEmancipatorschreef: „Ik bewijs mijne bevoegdheid, om den slaaf in dienstbaarheid te houden, uit de Schriften des Ouden en Nieuwen Testaments. Het beginsel om den Heiden in dienstbaarheid te houden, is door God erkend. Als de trage voortgang der wetten te talmachtig is, om onze grieven te herstellen, dan hebben wij hier in het Zuiden het onfeilbare middel van Regter Lynch aangenomen.”De meerderheid der speciale Commissie bragt een Verslag uit als volgt:Nademaal het onderwerp der slavernij onafscheidelijk verbonden is met de wetten van vele Staten in deze Unie, waarin het een kerkelijk regtsgebied geenszins vrijstaat, zich te mengen, en vele beschouwingen insluit nopens welke het bekend is, dat eene groote verscheidenheid van meeningen en gevoelens in de door deze Vergadering vertegenwoordigde kerken wordt aangetroffen: en nademaal er vele redenen bestaan, om te gelooven, dat eenige daad van wege deze Vergadering, met betrekking tot dit onderwerp strekken zoude, om onze kerken onderling te verwijderen en te verdeelen, en ongetwijfeld op geenerlei wijze diegenen bevoordeelen zoude, wier welzijn door de ingeleverde memoriën regtstreeks bedoeld wordt:Isuit dien hoofdebesloten:1. Dat de Vergadering het niet oorbaar acht, eenige verdere maatregelen in deze zaak te nemen.2. Dat, dewijl de ophelderingen (notes), die uit onze openbare formulieren zijn weggeschrapt, en wier herstelling door eenige der ingediende memoriën verlangd wordt, op eene onregelmatige wijze zijn ingevoerd, nooit door de kerk zijn bekrachtigd, en derhalve nooit eenig gezag hadden, de Algemeene Vergadering geene magt heeft, en het ook niet voegzaam acht, er eene plaats in de gewettigde kerkformulieren aan toe te wijzen.De minderheid der Commissie, de Eerwaarde heeren Dickey en Beman, bragten het volgende verslag uit:Is besloten:1. Dat het koopen, verkoopen of in eigendom bezitten van een menschelijk wezen, in het oog van God eene afschuwelijke zonde is, en hij, die er zich aan schuldig maakt, aan de kerkelijke censuur behoorde onderworpen te worden.2. Dat het de pligt is van een ieder, maar inzonderheid van elken Christen, die zich aan deze zonde mogt hebben schuldig gemaakt, zich zonder uitstel uit hare strikken los te maken.3. Dat het de pligt is van iedereen, maar inzonderheid van elken Christen, om in de kracht en in de liefde des Evangelies de zaak der armen en behoeftigen te bepleiten, door tegen het beginsel en de daad der slavernij te getuigen, en zijne beste pogingen aan te wenden, om de kerk des Heeren van dit euvel te bevrijden, en de emancipatie der slaven in deze Vereenigde Staten en over de geheele wereld te bevorderen.De slavenhoudende afgevaardigden, ten getale van acht-en-veertig, vergaderdenafzonderlijk, enbesloten:Dat, ingeval de Algemeene Vergadering ondernemen mogt, nopens het onderwerp der slavernij eenig gezag uit te oefenen, door haar b. v. eene onzedelijkheid te noemen, of op eenigerlei wijze te verklaren, dat Christenen, die slaven houden, zich aan misdaad schuldig maken, alsdan door de afgevaardigden uit het Zuiden eene verklaring zal worden ingeleverd, waardoor de regtsbevoegdheid der Vergadering ten deze ontkend, en ons voornemen uitgedrukt wordt, om ons aan zoodanige beslissing niet te onderwerpen.Ten aanzien dezer strijdige rapporten, besloot de vergadering als volgt:Nademaal de constitutie der Presbyteriaansche kerk, in hare aanleidende en grondwettige beginselen, verklaart datgeene kerkelijke overheden zich het regt mogen aanmatigen van wetten te maken om uitkrachte van hun gezaghet geweten te binden; en nademaal de spoedvorderende aard der bezigheden van de vergadering, en de kortheid des tijds dien zij aan hare zittingen kan besteden, het onmogelijk maken om met een rijp overleg over het onderwerp der slavernij in betrekking tot de Kerk te beraadslagen en te beslissen,is, derhalve,besloten, dat dit geheele onderwerp onbepaald zal worden uitgesteld.Het beloop van den slavenhandel,—tijdens de Algemeene Vergadering weigerde men het geheele onderwerp der slavernij te behandelen,—kan uit de volgendeitemsworden afgeleid. In een artikel van denVirginia Timesuit dat zelfde jaar 1836, wordt het getal der ten verkoop uitgevoerde slaven, uit dien staat alleen, gedurende de laatste twaalf maanden, op veertig duizend geschat. DeNatchez Courier(Mississippi) zegt, dat door de staten van Alabama, Missouri en Arkansas, in datzelfde jaar, twee honderd en vijftig duizend slaven uit de meer noordelijke Staten zijn ingevoerd. Zoo wij daar nu diegenen van aftrekken die men vermoeden kan dat met hunne meesters geëmigreerd zijn, welk een onmetelijke handel blijft er dan toch nog over!De Eerwaarde James H. Dickey, de voorsteller der bovengemelde besluiten, had eenige omstandigheden bijgewoond die hem natuurlijkerwijze den wensch moesten inboezemen dat de Vergadering de zaak ter harte name, zoo als blijkt uit het volgende, door hem geschrevene verhaal zijner ontmoeting van een slaventroep:In den zomer van 1822, toen ik met mijne familie van een bezoek naar de vlakten van Kentucky terugkeerde, was ik ooggetuige van een tooneel zoo als ik nog nooit te voren gezien had, en ook nooit weder hoop te zullen zien. Nadat wij Parijs, in Bourbon County (Staat Kentucky) waren doorgetrokken, werd mijne aandacht geboeid door de klanken eener muzijk, die van achter een eenigzins oprijzenden grond scheen voort te komen. Ik rigtte het oog derwaarts, en zag de vlag van mijn vaderland wapperen. In de meening van eene militaire parade te zullen ontmoeten,spoedde ik mij naar de zijde van den weg; en, de hoogte beklommen hebbende, ontdekte ik, naar gissing, omstreeks veertig zwarten, alle op de volgende wijze aan elkander geketend: zij waren in rij en gelid geplaatst, terwijl ieder afzonderlijk met een handboei gekluisterd was. Tusschen de twee rijen door, liep een keten van misschien veertig voet lang, waaraan kortere ketenen gehecht waren, die weder tot aan de handboeijen liepen. Achter hen waren, naar gissing, omstreeks dertig vrouwen, paarsgewijze met de handen aan elkander gebonden. Eene diepe droefheid lag op aller gelaat, en de akelige stilte van dezen wanhopigen optogt werd alleen door den klank van twee violen afgebroken; ja, alsof men beschimping bij het lijden had willen voegen, had men aan ieder van het voorste paar eene viool in handen gegeven; het tweede paar was met kokarden opgeschikt, en omtrent in het midden waaide de republikeinsche vlag, door eene hand gedragen dieletterlijk in ketenenwas. Ik kon mij niet bedwingen, den opziener, die, op zijn gemak, naast den troep reed, toe te roepen: „’s Hemels vloek ruste op den man die zulk een handel drijft, en op de regering die hem daarbij beschermt!” Ik zette mijne reis tot aan den avond voort, en maakte mijn nachtkwartier gereed, terwijl ik het tooneel verhaalde, waarvan ik getuige geweest was. „Ach!” riep mijne hospita, „dat is mijn broeder!” Van haar vernam ik dat hij Stone heette, uit Bourbon County (Kentucky), in compagnieschap met zekeren Kinningham, uit Parijs (Kentucky), en dat hij, weinige dagen te voren, van een man uit Nicholas County eene negerin gekocht had. Zij weigerde met hem mede te gaan; hij beproefde haar te dwingen, doch zij verdedigde zich. Zonder verdere pligtpleging trad hij achteruit, wierp haar, door een slag op het hoofd met den knop zijner zweep, op den grond, boeide haar, en nam haar mede. Verder vernam ik, dat behalve den troep dien ik gezien had, er omstreeks dertig, veiligheidshalve, in de gevangenis te Parijs waren opgesloten, om bij den troep gevoegd te worden, en dat zij voor de slavenmarkt van Orleans bestemd waren. En daartoe zijn zij om geene andere misdaad veroordeeld dan die eener zwarte huid en gekroesde lokken. Zou ik over die dingen geene bezoekingdoen? spreekt de Heere.Of zou mijne ziele zich niet wreken aan zulk een volk als dit is?Het kan niet mogelijk zijn, dat deze Christelijke mannen deze dingen ter harte namen; of, op zijn hoogst, zij namen die juist op die wijze ter harte als wij de ernstigste waarheden van de godsdienst doen, flaauw en oppervlakkig.Twee jaren later nam de Algemeene Vergadering, door eene plotselinge en zeer onverwachte beweging, een besluit, waarbij, zonder vorm van regtsgeding, vier synoden, de werkzaamste en meest beslist anti-slavernijgezinde gedeelten van de Kerk bevattende, van de gemeenschap der Kerk werden uitgesloten. De aangevoerde redenen waren, leerstellige verschillen en kerkelijke handelingen, onbestaanbaar met het Presbyterianisme. Door deze daad werden omstreeks vijf honderd leeraars en zestig duizend ledematen van de Presbyteriaansche kerk afgesneden.Dat gedeelte der Presbyteriaansche kerk, dat de „New School” genaamd wordt, deze handelwijze als onregtmatig beschouwende, weigerde er hare toestemming aan, voegde zich bij de uitgeslotene synoden, en vormde zich met dezen tot de „New School General Assembly.” In deze gemeenschap bleven slechts drie slaven-houdende „presbyteries.” In de oude waren er tusschen de dertig en veertig.Het gedrag der „Old School Assembly,” na de scheiding, met betrekking tot het onderwerp der slavernij, zal het best kunnen blijken door de aanhaling van een harer besluiten, in 1845 genomen. Daar zij eenige besliste tegenstanders der slavernij in haar midden telde, en daar, bovendien, door eenige vereenigde ligchamen, adressen over dit onderwerp aan haar waren ingediend, openbaarde zij, in dat jaar, haar gevoelen deswege op de volgende wijze:Is besloten, 1. Dat de Algemeene Vergadering der Presbyteriaansche kerk oorspronkelijk was georganiseerd, en, vervolgens, den band van vereeniging in de kerk heeft vastgehouden, op heterkende beginsel, dat het bestaan der huishoudelijke slavernij, onder de omstandigheden, waarin zij in het zuidelijke gedeelte des lands wordt aangetroffen, geen hinderpaal stelt aan de Christelijke gemeenschap.2. Dat de verzoekschriften, die van de Vergadering verlangen, dat zij het houden van slaven op zich zelve tot een onderwerp van kerkelijke tucht make, uit den aard der zaak van dit ligchaam vorderenzich zelve te ontbinden, en de organisatie te laten varen, waaronder het, door den Goddelijken zegen, zoo lang gebloeid heeft. De strekking is blijkbaar om het Noordelijke van het Zuidelijke gedeelte der Kerk af te scheiden,—een gevolg, hetwelk ieder goed Christen betreuren moet, als leidende tot de ontbinding der Unie van ons dierbaar vaderland, en waartegen ieder verlicht Christen zich verzetten zal, als eene verderfelijke en noodelooze scheuring met zich brengende tusschen broeders, die een gemeenschappelijk geloof belijden.Voordit besluit stemden honderd acht en zestig leeraars en ouderlingen, en daartegenslechts dertien.Het zal naauwelijks noodig zijn, eenige woorden bij deze zoo duidelijke verklaring te voegen. Zij is de onbewimpeldst mogelijke verloochening van ieder protest tegen de slavernij; de rondborstigst mogelijke betuiging, dat het bestaan der kerkelijke organisatie van meer belang is dan al de zedelijke en maatschappelijke beschouwingen, die in eene volkomene verdediging en uitoefening der Amerikaansche slavernij liggen opgesloten.In het volgende jaar werden een groot aantal verzoek- en vertoogschriften ingediend, waarbij de Vergadering verzocht werd eene nadere getuigenis tegen de slavernij te uiten.In antwoord op deze verzoekschriften, bevestigde de Algemeene Vergadering op nieuw alle hare vroegere getuigenissen tegen de slavernij, van over zestig jaren herwaarts; waardoor zij derhalve vaststelde, dat de verklaring des vorigen jaars niet als eene intrekking dier vroegere getuigenissen moest beschouwd worden. Met andere woorden: zij verklaarde, in de woorden van 1818, van gevoelen te zijn, dat de slavernij „TEN EENENMALE IN STRIJD IS MET DE GODDELIJKE WET,” en „VOLSTREKT ONVEREENIGBAAR MET DE VOORSCHRIFTEN DES EVANGELIES VAN CHRISTUS;” en toch niettemin „dat zij hare kerkelijke organisatie gevestigd had op het erkende beginsel, dat het bestaan der slavernij, onder de omstandigheden, waarinzij in de Zuidelijke Staten der Unie wordt aangetroffen, geen hinderpaal stelt aan de Christelijke gemeenschap.”Eenige leden protesteerden tegen deze handeling.In den beginne vatte men groote hoop op van het ligchaam der „New School.” Als ligchaam bestond het voor het grootste gedeelte uit anti-slavernijgezinden. Het had die synoden in zich opgenomen, wier anti-slavernijgezinde gevoelens en daden, om het minste te zeggen, eene voorname oorzaak harer uitsluiting van de kerk geweest waren. Het had slechts drie slaven-houdende „Presbyteries.” Het had de volle magt in handen. Nu, zoo ooit, was het de tijd, om dezen verfoeijelijken last geheel af te werpen, en, in deze eeuw van inwilliging aan en gelijkvormigheid met de wereld, als eene zuiver protesterende Kerk op te staan, vrij van alle medepligtigheid aan deze allervreeselijkste nationale ongeregtigheid.Bij de eerste zitting der Algemeene Vergadering werden deze maatregelen, door vele verzoek- en vertoogschriften, ten sterkste aangedrongen. Deze stukken werden aan eene commissie van besliste anti-slavernijgezinden in handen gesteld. Van de eene zijde werd beweerd, dat de tijd nu gekomen was om beslissende maatregelen te nemen tot afsnijding van alle medepligtigheid ten voordeele der slavernij, en om rondborstig voor zijne gevoelens uit te komen, al zou men ook alle kerken van de gemeenschap moeten afsnijden, die niet gereed waren om in eene onmiddellijke emancipatie te bewilligen.Van den anderen kant werd de meerderheid der commissie door tegenovergestelde beschouwingen geleid. De broeders uit slaven-Staten opperden bedenkingen, nagenoeg als deze: „Broeders, onze harten zijn eenstemmig met de uwe. Wij vereenigen ons met u in geloof, in liefde, in gebeden. Wij namen deel in den u aangedanen smaad door de uitsluiting. Wij stonden toen aan uwe zijde, en zijn er ook nu nog gereed toe. Wij sympathiseren niet met de partij die u heeft uitgedreven, en wenschen ook niet tot haar terug te keeren. Wat de zaak der slavernij betreft, hebben wij geen verschil met u. Wij beschouwen haar als een kwaad. Wij treuren en klagen er over. Wij stellen pogingen in het werk om haar van lieverlede en door vreedzame middelen uit onze kerken te bannen. Wij komen het gevoelen onzer kerken zoo verrete gemoet als ons doenlijk is. Wij kunnen tot geene meer doortastende maatregelen overgaan, zonder onzen invloed op haar te verliezen, en, naar ons oordeel, de zaak der emancipatie achteruit te zetten. Zoo gij op deze beslissende manier begint, kunnen wij onze kerken niet vereenigd houden; zij zullen zich van elkander scheiden, en tot de „Old School” overgaan.”Hier had men een zeer sterk pleit, door goede en opregte mannen uitgebragt. Daarenboven hield het een beroep in op de edelste gevoelens des harten. Het zeide inderdaad zooveel als: „Broeders, wij hebben u bijgestaan, en uwe zaak verdedigd, toen alles tegen u gekant was; en thans, nu gij de magt in handen hebt, zoudt gij haar bezigen om ons buiten te werpen?”Deze mannen, hoe sterk anti-slavernijgezind ook, konden niet onbelemmerd te werk gaan. Een lid der commissie voorzag en vreesde er de uitkomst van. Hij was van gevoelen, en gaf zulks te kennen, dat de voorgeslagene maatregel de geheele zaak zou doen schipbreuk lijden. De meerderheid was, ten slotte, van gevoelen, dat het best ware haar uit te stellen. De commissie rapporteerde dat de verzoekers, om voor hen voldoende redenen, hunne papieren hadden terug genomen.Het volgende jaar, in 1839, werd het onderwerp wederom opgevat, en bij vernieuwing werd er op aangedrongen dat de Vergadering op eene beslissende en onmiskenbare wijze er zich over uiten mogt; en voorzeker, wanneer wij in aanmerking nemen dat gedurende al dien tijd niet eene enkele kerk hare slaven geëmancipeerd had, en dat de magt der „instelling” allerwege was toegenomen en uitgebreid, dan zal het wel in het oog loopen dat er iets anders noodig was dan eene algemeene verklaring dat de Kerk met het in 1818 gegevene getuigenis overeenstemde. Het werd haar ten sterkste voorgehouden dat het tijd was om iets te doen. Dit jaar besloot de Vergadering den „Presbyteries” de zaak in handen te geven, om er in te doen wat zij raadzaam zouden achten. De gebezigde woorden waren deze: „De geheele zaak plegtiglijk aan de lagere regtskringen (judicatories) overgevende, om eene zoodanige beslissing te nemen, als naar hun gevoelen met de regtvaardigheid strookt, en geschikt is om het kwaad te verwijderen.” De Eerwaarde George Beecher stelde voor omhet woord:zedelijkvóór het woord:kwaadin te lasschen; dan, zulks werd van de hand gewezen.In 1840 werd een nog veel grooter aantal vertoog- en verzoekschriften ingeleverd; en door de abolitionisten werden zeer sterke pogingen gedaan om eenige bepaalde daad te verkrijgen.De commissie beriep zich dit jaar op hetgeen in het vorige jaar gedaan was, en verklaarde het onraadzaam, iets verder te doen. De zaak werd onbepaald uitgesteld. Thans werd besloten dat de Vergadering slechts eenmaal in de drie jaren zou bijeenkomen. Gevolgelijk kwam zij niet bijeen vóór 1843. In dat jaar werden wederom verscheidene memoriën ingediend, en eenige besluiten werden der Vergadering voorgelegd, waartoe ook het volgende behoorde:
In de eerste plaats dan: zijn eenige dezer gevoelens ooit door de kerk als ketterijen beschouwd, en zijn de verbreiders er van aan de kerkelijke straffen onderworpen geworden, waarmede de ketterij gestraft wordt?Na een tamelijk wijdloopig onderzoek op dit punt, heeft de schrijfster niet meer dan één voorbeeld van dien aard kunnen opsporen. Het is niettemin mogelijk dat er zulke gevallen in andere kerkelijke afdeelingen bestaan hebben, die aan de nasporing ontsnapt zijn.Een geestelijke in de „Cincinnati New school Presbytery,” predikte de leer, dat het houden van slaven door den Bijbelgebillijkt werd; en om zijne volharding in het handhaven van dat gevoelen, werd hij door die „Presbytery” in zijn dienstwerk geschorst. Hij beriep zich op de Synode, en de beslissing werd door de Synode van Cincinnati bekrachtigd. De „New School General Assembly” vernietigde nogtans deze beslissing der „Presbytery,” en herstelde den geestelijke in zijn ambt. Van hare zijde weigerde nu de „Presbytery” hem weder te aanvaarden, en men ontving hem in de „Old School Church.”De Presbyteriaansche kerk heeft waarschijnlijk alle andere kerken in de Vereenigde Staten door haren ijver voor leerstellige gevoelens overtroffen. Deze kerk is tot in hare grondvesten toe door kettertwisten geschokt en bewogen geworden; maar, dit enkele geval uitgezonderd, weet men niet dat eenige dier beginselen, welke door zuidelijke Presbyteriaansche ligchamen en individuën beweerd zijn geworden, ooit als onderwerpen van ketterij in hare Algemeene Vergadering zijn ter sprake gebragt.Omstreeks den tijd dat Smylie’s vlugschrift het licht zag, werd de Presbyteriaansche kerk geschokt door het regtsgeding, den Eerwaarden Albert Barnes om zekere door hem verdedigde kettersche gevoelens aangedaan. Deze ketterijen raakten het werkverbond, in Adam, als ons hoofd, gevestigd; de toerekening zijner zonde aan zijne gansche nakomelingschap; en de vraag of de mensch op eenigerlei wijze bekwaam is om Gods geboden te bewaren.Om de voorstelling van zekere gevoelens nopens deze onderwerpen, werd aan Mr. Barnes, door de Synode waartoe hij behoorde, het stilzwijgen opgelegd, en zijn regtsgeding over deze punten in de Algemeene Vergadering bleef een tijd lang het hoofd-onderwerp, waarvoor, in de Presbyteriaansche kerk, al het overige op den achtergrond geraakte. Ook de Eerwaarde Dr. L. Beecher werd in gelijksoortige gevoelens in een regtsgeding gewikkeld. Gedurende al dien tijd werd er geene notitie genomen van de ketterij (zoo zij dit is) dat het regt om, uit winstbejag, menschen te koopen, te verkoopen, of in slavernij te houden, uitdrukkelijk door God verleend werd; alhoewel die ketterij, in dezelfde Presbyteriaansche kerk, door Mr. Smylie en de Presbyterianen waarmede hij verbonden was, in het openbaar verbreid werd.Wilde men de reden daarvan hierin zoeken, dat de slavenkwestie eene vraag vanpraktikale zedekunde, en niet van dogmatische godgeleerdheid is, dan moeten wij doen opmerken dat zedekundige vraagstukken van veel minder belang met den vurigsten ijver zijn behandeld geworden.De Presbyteriaansche kerk der „Old School,” tot wier gemeente de meeste der slavenhoudende Presbyterianen in het Zuiden behooren, heeft nooit het voornemen aan den dag gelegd om hare leden eenige kerkelijke straf op te leggen voor de handhaving van een stelsel dat het wettig huwelijk aan alle slaven ontzegt. En toch werd deze kerk tot in hare grondvesten geschokt door de behandeling eener zedekundige vraag, die aan een onpartijdig opmerker waarschijnlijk veel minder belangrijk zal voorkomen; de vraag namelijk, of het een’ man vrijstaat, met de zuster zijner overledene vrouw te huwen. Voor een tijd lang scheen al de sterkte en aandacht van de kerk zich als in één brandpunt op dit belangrijk onderwerp te vestigen. De twistvraag werd door de „Presbytery” voor de Synode, en door deze voor de Algemeene Vergadering getrokken, en eindigde hiermede, dat een zeer achtenswaardig leeraar om deze misdaad van zijnen post ontzet werd.De Eerwaarde Robert J. Breckenridge, Theol. Dr., een lid der „Old School Assembly,” beschrijft den toestand der slavenbevolking met betrekking tot het huwelijk aldus: „het slavenstelsel ontzegt aan eene geheele klasse van menschelijke wezens de heiligheid des huwelijks en des huisgezins, terwijl het hen dwingt om in een staat van onwettige gemeenschap (concubinage) te leven; want in het oog der wet is geen gekleurde slaaf de echtgenoot van eenige bijzondere vrouw, noch eenige slavin de vrouw van eenigen bijzonderen man; is geen slaaf de vader van eenig bijzonder kind, en geen slavenkind het kind van eenigen bijzonderen vader of moeder.”Had deze kerk nu het feit, dat drie millioenen mannen en vrouwen, door de wetten des lands, verpligt waren om op deze wijze te leven, als niet minder gewigtig ter harte genomen, dan is het uit de opregtheid, de betoogkracht, de hevigheid, het Bijbel-onderzoek, en den onvermoeiden ijver, door haar aan het regtsgeding van Mr. Mac Queen te koste gelegd, klaarblijkelijk, dat zij ook met betrekking tot dit feit, zeer veel zou hebben kunnen verrigten.De geschiedenis van de eenstemmige handelwijze der kerken van alle benamingen, zoowel in de vrije als in de slaven-Staten, levert aan een nadenkend gemoed een treurig, door feiten opgehelderd voorbeeld op van die trapsgewijze verbastering des zedelijken gevoels, die het gevolg is van met eene erkende zonde in eenige, ook nog zoo geringe, schikking te treden. De beste gemoederen van de wereld kunnen zulk eene gemeenzaamheid niet doorstaan, zonder schade te lijden aan hun zedelijk gevoel. De feiten van het slavenstelsel en van de slavenwetten, aan belangelooze regters in Europa voorgesteld, hebben eene algemeene uitbarsting van afgrijzen te weeg gebragt; en toch zijn deze dingen, in vergaderingen uit de wijste en beste geestelijken van Amerika zaâmgesteld, telken jare beredeneerd geworden, zonder eenige uitkomsten op te leveren die het euvel slechts in het allerminste verzacht hebben. De reden daarvan is deze: een gedeelte der leden van deze ligchamen hadden zich verbonden om het stelsel vol te houden, en alle discussiën daarover stellig te weigeren en af te snijden; en het andere gedeelte van het ligchaam beschouwde de zaak niet als zulk eene levensvraag, dat zij eene afscheiding om harentwille zou kunnen wettigen.Niemand zal er aan twijfelen dat, indien de zuidelijke leden zich ten aanzien der Godheid onzes Zaligmakers op zulk een standpunt geplaatst hadden, de scheiding onmiddellijk en eenparig zou hebben plaats gehad; maar toch wordt door de Zuidelijke leden het regt gehandhaafd om menigten van mannen en vrouwen te koopen en te verkoopen, te huren, te verhuren en te verpanden, die zij, in denzelfden adem, verklaard hebben ledematen hunner kerken, en echte Christenen te zijn. De Bijbel verklaart van die allen, dat zij tempelen des Heiligen Geestes, dat zij leden van Christus ligchaam, dat zij Zijn vleesch en been zijn. Is nu niet de leer dat men de leden van Christus, Zijn ligchaam, Zijn vleesch en been, om winstbejag regtmatig verkoopen mag, eene zoo wezenlijke ketterij als de verloochening der Godheid van Christus; en wordt er Hem die over allen is, God, te prijzen in eeuwigheid, geene oneer door aangedaan, dit vreeselijk gevoelen, met zijne nog vreeselijker gevolgen, te dulden, terwijl de geringste ketterijen nopens de toerekening van Adam’s zonde met de grootste hevigheid vervolgd worden? Als het vervolg van de geschiedenisder handelingen van al de aldus vereenigde ligchamen eenmaal geschreven zal kunnen worden, dan zal het blijken dat, uit hoofde van deze dulding eener erkende zonde, het getuigenis tegen de slavernij van jaar tot jaar zwakker geworden is. Als wij de geschiedenis van alle kerkelijke afdeelingen overzien, dan zal het ons in het oog vallen dat zij in den beginne eene zeer sterke taal tegen de slavernij hebben doen hooren. Dit is inzonderheid het geval met de Methodistische en Presbyteriaansche ligchamen, om welke reden wij deze beide tot voorbeelden zullen kiezen. Het genootschap der Methodisten inzonderheid, als door John Wesley georganiseerd, was een anti-slavernij-gezind genootschap, en zijn Boek van kerkelijke tucht bevatte de stelligste wetten tegen het houden van slaven. De geschiedenis der achtereenvolgende besluiten van de Conferentie dezer kerk is zeer treffend. In 1780, eer de kerk nog wettig in de Vereenigde Staten geordend was, besloot zij het volgende:De Conferentie erkent dat de slavernij met de Goddelijke en menschelijke wetten en met die der natuur in strijd is; als ook dat zij schadelijk is voor de maatschappij; dat zij gekant is tegen de inspraken des gewetens en van de ware godsdienst; en dat zij aan anderen doet wat wij niet wenschen zouden dat anderen aan ons deden.In 1784, toen de kerk volkomen georganiseerd was, werden er maatregelen genomen, de tijdstippen voorschrijvende waarop leden die reeds slavenhouders waren, hunne slaven zouden emanciperen. Hierop volgden wederom deze:Een iegelijk wien het aangaat, en zich niet aan deze regelen wenscht te onderwerpen, zal volkomen vrijheid hebben om ons genootschap te verlaten binnen de twaalf maanden, volgende op de bovengemelde, hem gedane waarschuwing; zullende hij anders door de opzieners buiten het genootschap gesloten worden.Niemand die slaven houdt, zal in het vervolg tot het genootschap of tot ’s Heeren Avondmaal worden toegelaten, tenzij hij zich vooraf aan deze regelen, de slavernij betreffende, onderwerpe.Zij die slaven koopen, verkoopen, of wel er zich van ontdoen, anders dan om ze te bevrijden, zullen onmiddellijk worden uitgesloten.In 1801:Wij verklaren meer dan ooit overtuigd te zijn van het groote kwaad der Afrikaansche slavernij, die nog in deze Vereenigde Staten wordt aangetroffen.Ieder lid des genootschaps die een slaaf verkoopt, zal, na voldoend bewijs, terstond uit het genootschap worden verwijderd.De jaarlijksche Conferentiën zullen belast worden met het stellen van adressen aan de Wetgevende Magt, strekkende tot de trapsgewijze emancipatie der slaven. Door de jaarlijksche Conferentiën zullen speciale commissiën uit de achtenswaardigste onzer vrienden benoemd worden, tot leiding dier aangelegenheid; terwijl de voorzittende ouderlingen, diakenen, en reizende predikers zoo vele handteekeningen als mogelijk op de adressen zullen inwinnen, en al den bijstand zullen verleenen die hun in allen opzigte ten dienste staat, om de commissiën te helpen, en de gezegende onderneming te bevorderen. Dit zal van jaar tot jaar worden voortgezet, tot dat het beoogde doel bereikt is.Welk eene verandering in 1836! De Algemeene Conferentie hield hare jaarlijksche zitting te Cincinnati, en nam het volgende besluit:Door de afgevaardigden der jaarlijksche Conferentie, in Algemeene Conferentie vereenigd,is besloten, dat zij besliste tegenstanders zijn van het moderne abolitionismus, en dat zijalle regt, wensch of voornementot tusschenkomst in de burgerlijke en staatkundige betrekking tusschen meester en slaaf, zoo als zij in de slavenhoudende Staten dezer Unie bestaat,ten eenemale ontkennen of afwijzen.Deze besluiten gingen met eene zeer groote meerderheid door. Er kwam een adres in van de Wesleyaansch-Methodistische Conferentie in Engeland, dat zich over de zaakder slavernij ernstig, doch vriendbroederlijk uitliet. De Conferentie weigerde het openbaar te maken. In den herderlijken brief aan de kerken komen de volgende zinsneden voor:Het kan u niet onbekend zijn dat de slavernijkwestie in de Vereenigde Staten, door het constitutioneel verdrag hetwelk ons als natie vereenigt, aan de regeling van de Wetgevende Vergaderingen der afzonderlijke Staten zelven overgelaten, en alzoo buiten het toezigt der algemeene regering, zoowel als dat van alle kerkelijke ligchamen gebleven is; waaruit volgt dat in de slavenhoudende Staten de geheele verantwoordelijkheid wegens het al dan niet bestaan der slavernij, op de Wetgevende Vergaderingen dier Staten blijft rusten. **** Deze feiten, welke hier alleen vermeld worden als aanleiding tot de vriendschappelijke vermaning welke wij u wenschen te geven, leggen ons, als uwe herders, aan wie het opzigt over uwe zielen, waarvan zij eenmaal rekenschap moeten geven, is aanbevolen, de verpligting op, om u van alle abolitionistische bewegingen en vereenigingen af te manen, en u te verbieden eenige hunner schriften te beschermen of aan te moedigen, enz. ***De ondergeschikte Conferentiën leiden denzelfden geest aan den dag.In 1836 besloot de New-Yorksche jaarlijksche Conferentie dat niemand tot diaken of ouderling zou gekozen worden, ten ware hij zich jegens de kerk wilde verbinden om zich van alle discussie nopens dit onderwerp te onthouden.1In 1838 besloot de Conferentie,dat dezulke harer leden, of aankomelingen, die den „Zions Watchman” mogten voorstaan, hetzij door tot lof van dat blad te schrijven, door het te verspreiden, aan te bevelen, er inteekenaars aan te verschaffen, of gelden ervoor in te zamelen, als schuldig aan onbedachtheid beschouwd, en als zoodanig gestraft zullen worden.Men zal zich herinneren dat „Zions Watchman” door LeRoy Sunderland werd uitgegeven, voor wiens gevangenneming de Staat van Alabama vijftig duizend dollars had uitgeloofd.In 1840 nam de Algemeene Conferentie te Baltimore het reeds door ons aangehaalde besluit, hetwelk den predikanten verbood, kleurlingen tot het geven van getuigenis in hunne kerken toe te laten. Men heeft berekend dat door deze daad omstreeks tachtig duizend menschen van het regt van getuigenis beroofd zijn geworden. Deze Methodistische kerk splitste zich naderhand in eene noordelijke en zuidelijke Conferentie. De zuidelijke Conferentie is geheel en al vóór de slavernij gestemd, terwijl de noordelijke nog altoos slavenhoudende Conferentiën en leden telt.Van de noordelijke Conferentiën nam eene der uitgebreidste, die van Baltimore, het navolgende besluit:Is besloten, dat deze Conferentie alle deelneming in het abolitionismus afkeurt. En dewijl zij, integendeel, besloten heeft hare welbekende en lang gevestigde stelling te handhaven door de tot hare gemeenschap behoorende reizende predikanten buiten de slavernij-kwestie te houden, zoo is ook besloten geene betrekking te onderhouden met eenig kerkelijk ligchaam dat het niet houden van slaven tot voorwaarde van het lidmaatschap der kerk maakt, maar de kerkelijke tucht, zoo als zij bestaat, te ondersteunen en te handhaven.Het volgende uittreksel is genomen uit een adres van de Philadelphische jaarlijksche Conferentie aan de onder haar opzigt staande gemeenten, gedagteekend uit Wilmington (Staat Delaware) den 7denApril 1847:Zoo het plan van scheiding ons met de herderlijke zorg over u belast, dan blijft er te onderzoeken of wij, als Conferentie of als menschen, iets hebben gedaan, waardoor wij uwe liefde en vertrouwen verbeurd zouden hebben. Het is ons niet bekend dat wij, zelfs in de groote woeling die u, eenige maanden geleden, bedroefde, door iemand wien het ook zij, van eenige fout in ons zedelijk gedrag, van ongezondheid in de leer, of wel van dwingelandij of omkoopbaarheid in de handhaving der kerkelijke tucht beschuldigdzijn. Doch wij vernemen dat de oorzaak der ongelukkige spanning onder u alleen deze is, dat sommigen ons verdenken, of veinzen te verdenken, van abolitionisten te zijn. Doch geene bijzondere daad van de Conferentie, noch van iemand harer afzonderlijke leden, wordt als bewijs aangevoerd voor deze ongegronde en onregtvaardige verdenking. Wij mogen het vragen, broeders, of de loop onzer zestigjarige bediening onder u ons niet voor zulk eene beschuldiging behoorde te vrijwaren? Of de vraag, die wij sinds eenige jaren gewoon zijn den candidaten voor te leggen, namelijk,zijt gij een abolitionist?zonder wier ontkennende beantwoording geen hunner onder ons werd toegelaten, ons niet voor zulk eene beschuldiging behoorde te vrijwaren. Of de daad der laatste Conferentie met betrekking tot deze bijzondere zaak niet elken opregten en waarheidlievenden behoorde te overtuigen dat wij geene abolitionisten zijn, en het ook niet begeeren te zijn? *** Wij kunnen niet bevroeden hoe wij voor abolitionisten kunnen worden aangezien, ten ware men de predikanten der Methodistisch-Episcopaalsche kerk in het Zuiden in hetzelfde licht wilde beschouwen.Onder toewensching van alle hemelsche zegeningen, blijven wij, waarde broeders, de uwen in Christus Jezus,J. P. Durbin.J. Kennaday.Ignatius T. Cooper.William H. Gilder.Joseph Castle.Deze feiten mogen volstaan ter kenschetsing van de gevoelens der Methodistische kerk. De geschiedenis is treurig, doch leerzaam. Die der Presbyteriaansche kerk is evenzeer belangrijk.In 1793 werd de volgende verklarende noot op het achtste gebod bij het Boek der kerkelijke tucht ingelascht, als de leer der kerk met betrekking tot het houden van slaven uitdrukkende:1 Tim. I: 10. De wet is gemaakt tegenMENSCHENDIEVEN. Deze misdaad stelde hen die zich daaraan schuldig maakten, aan de zwaarste straf bloot, Exodus XXI: 16;en de Apostel plaatst hen hier onder de zondaars van den eersten rang. Het door hem gebezigde woord omvat, in zijne oorspronkelijke beteekenis, allen die medepligtig zijn aan het in slavernij brengen of houden van eenig menschelijk schepsel.Hominum fures, qui servos vel liberos, abducunt, retinent, vendunt, vel emunt.Menschendieven zijn zij alle, die slaven of vrije lieden wegleiden, en zeHOUDEN,KOOPENofVERKOOPEN. Een vrij mensch te stelen, zegt Grotius, is de ergste soort van diefstal. In andere gevallen stelen wij slechts menschelijk eigendom; doch wanneer wij menschen stelen of in slavernij houden, dan maken wij ons meester van hen, die, gemeenschappelijk met ons, tot heeren over de aarde gesteld zijn.Aan geene regelen der kerkelijke tucht werd kracht bijgezet, en leden die door de aangehaalde woorden aan deze misdaad schuldig verklaard werden, bleven ongestoord, als predikanten of ouderlingen, tot de gemeente behooren. Deze onbestaanbaarheid werd in 1816 uit den weg geruimd, door het aangehaalde uit het Boek der kerkelijke tucht te schrappen. In 1818 gaf zij eene verklaring harer inzigten nopens de slavernij. Dit document is zeer uitgebreid, in een echt christelijken geest gedacht en geschreven, en werdeenstemmigaangenomen. Het navolgende is zijne belijdenis opzigtelijk den aard der slavernij:Wij beschouwen het moedwillig in slavernij brengen van een gedeelte des menschelijken geslachts door een ander, als eene zware schending der kostelijkste en heiligste regten der menschelijke natuur; als ten uiterste onbestaanbaar met de wet Gods, die eischt dat wij onzen naasten zullen liefhebben als ons zelven; en als ten eenemale onvereenigbaar met den geest en de voorschriften van het Evangelie van Christus, die ons inscherpen: „alles wat gij wilt dat u de menschen doen zullen, doet gij hen ook alzoo.” De slavernij schept eene tegen de zedeleer aandruischende stelling (paradox); zij brengt zedelijke, voor hunne daden verantwoordelijke, en onsterfelijke wezens in eenen toestand, die hen naauwelijks het vermogen tot zedelijke werkzaamheid overlaat. Zij doet het van den wil van anderen afhangen of zij godsdienstig onderwijszullen ontvangen; of zij den waren God zullen kennen en vereeren; of zij in de zegeningen des Evangelies zullen deelen; of zij de pligten en genoegens van echtgenooten, ouders en kinderen, betrekkingen en vrienden, zullen volbrengen en genieten; of zij hunne kuischheid en zuiverheid zullen bewaren, of de voorschriften van regtvaardigheid en menschelijkheid zullen opvolgen. Deze zijn eenige der gevolgen van de slavernij; gevolgen, niet denkbeeldig, maar die in haar bestaan zelve liggen opgesloten. De rampen waaraan de slaafaltoosis blootgesteld, hebben dikwijls werkelijk plaats, en wel in hun ergsten trap en gedaante; en waar zij alle geen plaats hebben—zoo als wij met blijdschap zeggen, dat dikwijls, door den invloed der beginselen van Godsdienst en menschelijkheid op het gemoed der meesters, het geval is—is de slaaf niettemin beroofd van zijn natuurregt, als menschelijk wezen verlaagd, en aan het gevaar blootgesteld van in handen van een meester over te gaan, die hem alle ongemakken en beleedigingen kan doen ondergaan, die onmenschelijkheid en gierigheid hem kunnen doen uitdenken.Deze taal was voorzeker duidelijk en beslissend, en werd, door slavenhouders en niet-slavenhouders,eenpariggoedgekeurd. Men zou zonder twijfel gedacht hebben, dat nu de tijd der verlossing nabij was. De verklaring gaat nog verder, en zegt:Wanneer de onbestaanbaarheid der slavernij met de uitspraken van Godsdienst en menschelijkheid bewezen is, enalgemeen ingezien en erkendwordt, dan is het duidelijk de pligt van alle Christenen, die zich in het licht der tegenwoordige bedeeling verheugen mogen, om eerlijke, ijverige, onvermoeide pogingen aan te wenden tot verbetering der dwalingen van vorige tijden, en zoo spoedig mogelijk deze vlek op onze heilige Godsdienst af te wisschen door deVOLKOMENE AFSCHAFFINGder slavernij onder het Christendom en door de geheele wereld.Hier zien wij dan de geheele, slavenhoudende en niet-slavenhoudende, Presbyteriaansche kerk, daadwerkelijk tot een grootabolitie-genootschapgevormd, zoo als wij gezien hebben dat de Methodistische insgelijks was.De „Assembly” zegt verder dat de slavenvoor tegenwoordignog niet tot de vrijheid zijn voorbereid; dat zij (de „Assembly”) treurig is aangedaan over het op kerk en vaderland overgeërfde aandeel in dit kwaad; doch dat „een groot en het deugdzaamste gedeelte der gemeenteDE SLAVERNIJ VERAFSCHUWTenHARE VERNIETIGINGwenscht.” Wijders vermaant zij om het werk van het onderwijs der slaven onverwijld aan te vangen, met het doel om hen tot de vrijheid voor te bereiden; om geen langer uitstel te nemen dan „met betrekking tot het openbare welzijnonvermijdelijkgevorderd wordt;” en om zich „door geene andere inzigten te laten beheerschen dan „eene eerlijke en onpartijdige beschouwing van het welzijn der onderdrukte partij, op welke beschouwing denadeelen en ongelegenhedendie zij mogt medebrengen,geen invloed mogen uitoefenen.” Zij waarschuwt tegen eene „noodelooze uitbreiding dier redenen van noodzakelijkheid” als dekmantel voor de zucht tot instandhouding der slavernij. Zij eindigt met de bedreiging eener onmiddellijke censuur en schorsing jegens een ieder die een mede-Christen, zonder diens toestemming, verkoopen mogt.Wanneer wij in aanmerking nemen dat dit alles, zoowel door slavenhouders als anderen,eenstemmigwerd aangenomen, en toestemmen, zoo als wij ongetwijfeld doen, dat het eerlijk en ter goeder trouw geschiedde, dan zullen wij er voorzeker iets van verwachten. De onmiddellijke daarstelling en organisatie van scholen voor de slavenkinderen; een doelmatig godsdienstig onderrigt; eene volkomene staking van den handel in Christenslaven; wetten, die de familie-betrekkingen heiligen; dit alles zouden wij er van verwachten. En is er iets van dat alles gedaan of beproefd? Helaas! Twee jaren later kwam de admissie van Missouri tot de Unie, en de toenemende vraag op de Zuidelijke slavenmarkt, en de binnenlandsche slavenhandel. In plaats van school-onderwijzers had men slaven-handelaars; in plaats vanscholente verzamelen, verzamelde men slaven-hoopen; in plaats van schoolhuizen te bouwen, bouwde men slavenhokken, slavengevangenissen, factorijen, of hoe de handel ze verkiest te noemen; en dit was de geschiedenis van het plan van trapsgewijze emancipatie!Zestien jaren later, in 1834, gaf eene speciale commissie uit de synode van Kentucky, in welken Staat, naar het algemeengevoelen, de slavernij in haren zachtsten vorm bestaat, de volgende schildering van den toestand der slaven. In de eerste plaats zegt zij, met betrekking tot hunnen godsdienstigen toestand:Na alles wat billijk is te hebben laten gelden, kan onze bevolking van kleurlingen, op zijn best, nog maar als half-heidensch beschouwd worden.Wreede geeselingen en alle de verschillende soorten van persoonlijke vernederingen, zijn niet de eenige soort van wreedheid, die de slavernij medebrengt. De familie-betrekkingen van den slaaf worden niet door de wet erkend, terwijl zij hare bescherming van het genot des huiselijken geluks niet tot hem uitstrekt. De leden eener slavenfamilie mogen gewelddadig gescheiden worden, zoodat zij elkander vóór den oordeelsdag nooit wederzien. En de begeerlijkheid prikkelt den meester niet zelden, om te doen wat de wet veroorlooft. Broeders en zusters, ouders en kinderen, echtgenooten en vrouwen, worden van elkander afgerukt, en mogen elkander nooit wederzien.Deze dingen hebben dagelijks onder ons plaats.Het gegil en de doodsangsten, bij zulke gelegenheden dikwijls bijgewoond, verkondigen met de stem eener bazuin de onregtvaardigheid en wreedheid van ons stelsel. De noodkreten dezer lijders klimmen op tot het oor des Heeren Zebaoth.Er is geen vlek, waar deze hartverscheurende tooneelen geen plaats hebben.Er is geen dorp of landweg, waar de treurige optogten niet gezien worden van geboeide ongelukkigen, wier ketenen en nedergebogene houding verhalen, dat zij door geweld zijn weggerukt van allen, die aan hunne harten dierbaar zijn. Jaren geleden verhief onze kerk hare stem van plegtige waarschuwing tegen deze in het oog loopende schending aller beginselen van barmhartigheid, regtvaardigheid en menschelijkheid. Maar wij blozen, dat wij voor u en voor de wereld betuigen moeten, dat die waarschuwing dikwijls is verwaarloosd geworden, door de zoodanigen zelfs, die van onze gemeente zijn.In onze eigene kerkelijke afdeeling hebben er gevallen plaats gehad, dat belijders van de godsdienst der barmhartigheid de moeder van hare kinderen hebben afgescheurd, en haar in eene onbarmhartige, eeuwigdurende ballingschap hebben gezonden. Maar zelden heeft mende kerkelijke tucht voor zulk een gedrag jegens hen uitgeoefend.De Eerwaarde James G. Birney, die eenige jaren in Kentucky woonde, verbetert, in zijn vlugschrift het woordzelden, door ernooitvoor in de plaats te stellen. Wat kon nu duidelijk de uiterste ondoelmatigheid der laatste verklaring van de „Assembly,” en de noodzakelijkheid van meer krachtdadige maatregelen aantoonen? In 1835 werd uit dien hoofde door de Algemeene Vergadering op de zaak aangedrongen, terwijl de leden dringend gesmeekt werden, om de in 1818 door hen beledene beginselen en voornemens ten uitvoer te leggen.In eene door Mr. Stuart, uit Illinois, gehouden redevoering over dit onderwerp, zeide hij:Ik hoop, dat deze Vergadering bereid is, om onbewimpeld voor haar gevoelen uit te komen, en rondborstig hare meening te verklaren, dat het houden van slaven eene uiterst snoode en verfoeijelijkeZONDEis. Laten wij hier geene zijpaden inslaan, terwijl zoo vele duizenden en tienduizenden onzer medeschepselen onder de zweep krimpen, die zelfs door leeraars en ouderlingen van de Presbyteriaansche kerk gezwaaid wordt.In deze kerk mag iemand een vrijgeboren kind grijpen, het van zijne ouders afrukken, aan wien God het toevertrouwde, zeggende: „voedt het voor mij op,” het als een dier verkoopen of in altoosdurende slavernij houden—en niet alleen ligchamelijke straf ontgaan, maar nog daarenboven voor een uitmuntend Christen gehouden worden. Ja, zelfs bedienaars des Evangelies en doctoren in de Godgeleerdheid mogen zich met dezen snooden handel inlaten, en niettemin hunne verhevene en heilige roeping handhaven.Ouderlingen, leeraars en doctoren in de Godgeleerdheid, zijn, met beide handen, in dezen handel werkzaam.Men zou gedacht hebben, dat daadzaken als deze, in eene Vergadering van Christenen uitgesproken, genoeg zouden zijn om de dooden te wekken: maar helaas! men kan aan zeerafschuwelijke dingen gewoon worden. Op deze voorstellingen volgde niets anders dan dat men ze eene commissie in handen stelde, die op de volgende bijeenkomst, in 1836, haar verslag daarover zou uitbrengen.De bestuurder van de Vergadering in 1836 was een slavenhouder: Dr. T. S. Witherspoon, dezelfde die aan den uitgever van denEmancipatorschreef: „Ik bewijs mijne bevoegdheid, om den slaaf in dienstbaarheid te houden, uit de Schriften des Ouden en Nieuwen Testaments. Het beginsel om den Heiden in dienstbaarheid te houden, is door God erkend. Als de trage voortgang der wetten te talmachtig is, om onze grieven te herstellen, dan hebben wij hier in het Zuiden het onfeilbare middel van Regter Lynch aangenomen.”De meerderheid der speciale Commissie bragt een Verslag uit als volgt:Nademaal het onderwerp der slavernij onafscheidelijk verbonden is met de wetten van vele Staten in deze Unie, waarin het een kerkelijk regtsgebied geenszins vrijstaat, zich te mengen, en vele beschouwingen insluit nopens welke het bekend is, dat eene groote verscheidenheid van meeningen en gevoelens in de door deze Vergadering vertegenwoordigde kerken wordt aangetroffen: en nademaal er vele redenen bestaan, om te gelooven, dat eenige daad van wege deze Vergadering, met betrekking tot dit onderwerp strekken zoude, om onze kerken onderling te verwijderen en te verdeelen, en ongetwijfeld op geenerlei wijze diegenen bevoordeelen zoude, wier welzijn door de ingeleverde memoriën regtstreeks bedoeld wordt:Isuit dien hoofdebesloten:1. Dat de Vergadering het niet oorbaar acht, eenige verdere maatregelen in deze zaak te nemen.2. Dat, dewijl de ophelderingen (notes), die uit onze openbare formulieren zijn weggeschrapt, en wier herstelling door eenige der ingediende memoriën verlangd wordt, op eene onregelmatige wijze zijn ingevoerd, nooit door de kerk zijn bekrachtigd, en derhalve nooit eenig gezag hadden, de Algemeene Vergadering geene magt heeft, en het ook niet voegzaam acht, er eene plaats in de gewettigde kerkformulieren aan toe te wijzen.De minderheid der Commissie, de Eerwaarde heeren Dickey en Beman, bragten het volgende verslag uit:Is besloten:1. Dat het koopen, verkoopen of in eigendom bezitten van een menschelijk wezen, in het oog van God eene afschuwelijke zonde is, en hij, die er zich aan schuldig maakt, aan de kerkelijke censuur behoorde onderworpen te worden.2. Dat het de pligt is van een ieder, maar inzonderheid van elken Christen, die zich aan deze zonde mogt hebben schuldig gemaakt, zich zonder uitstel uit hare strikken los te maken.3. Dat het de pligt is van iedereen, maar inzonderheid van elken Christen, om in de kracht en in de liefde des Evangelies de zaak der armen en behoeftigen te bepleiten, door tegen het beginsel en de daad der slavernij te getuigen, en zijne beste pogingen aan te wenden, om de kerk des Heeren van dit euvel te bevrijden, en de emancipatie der slaven in deze Vereenigde Staten en over de geheele wereld te bevorderen.De slavenhoudende afgevaardigden, ten getale van acht-en-veertig, vergaderdenafzonderlijk, enbesloten:Dat, ingeval de Algemeene Vergadering ondernemen mogt, nopens het onderwerp der slavernij eenig gezag uit te oefenen, door haar b. v. eene onzedelijkheid te noemen, of op eenigerlei wijze te verklaren, dat Christenen, die slaven houden, zich aan misdaad schuldig maken, alsdan door de afgevaardigden uit het Zuiden eene verklaring zal worden ingeleverd, waardoor de regtsbevoegdheid der Vergadering ten deze ontkend, en ons voornemen uitgedrukt wordt, om ons aan zoodanige beslissing niet te onderwerpen.Ten aanzien dezer strijdige rapporten, besloot de vergadering als volgt:Nademaal de constitutie der Presbyteriaansche kerk, in hare aanleidende en grondwettige beginselen, verklaart datgeene kerkelijke overheden zich het regt mogen aanmatigen van wetten te maken om uitkrachte van hun gezaghet geweten te binden; en nademaal de spoedvorderende aard der bezigheden van de vergadering, en de kortheid des tijds dien zij aan hare zittingen kan besteden, het onmogelijk maken om met een rijp overleg over het onderwerp der slavernij in betrekking tot de Kerk te beraadslagen en te beslissen,is, derhalve,besloten, dat dit geheele onderwerp onbepaald zal worden uitgesteld.Het beloop van den slavenhandel,—tijdens de Algemeene Vergadering weigerde men het geheele onderwerp der slavernij te behandelen,—kan uit de volgendeitemsworden afgeleid. In een artikel van denVirginia Timesuit dat zelfde jaar 1836, wordt het getal der ten verkoop uitgevoerde slaven, uit dien staat alleen, gedurende de laatste twaalf maanden, op veertig duizend geschat. DeNatchez Courier(Mississippi) zegt, dat door de staten van Alabama, Missouri en Arkansas, in datzelfde jaar, twee honderd en vijftig duizend slaven uit de meer noordelijke Staten zijn ingevoerd. Zoo wij daar nu diegenen van aftrekken die men vermoeden kan dat met hunne meesters geëmigreerd zijn, welk een onmetelijke handel blijft er dan toch nog over!De Eerwaarde James H. Dickey, de voorsteller der bovengemelde besluiten, had eenige omstandigheden bijgewoond die hem natuurlijkerwijze den wensch moesten inboezemen dat de Vergadering de zaak ter harte name, zoo als blijkt uit het volgende, door hem geschrevene verhaal zijner ontmoeting van een slaventroep:In den zomer van 1822, toen ik met mijne familie van een bezoek naar de vlakten van Kentucky terugkeerde, was ik ooggetuige van een tooneel zoo als ik nog nooit te voren gezien had, en ook nooit weder hoop te zullen zien. Nadat wij Parijs, in Bourbon County (Staat Kentucky) waren doorgetrokken, werd mijne aandacht geboeid door de klanken eener muzijk, die van achter een eenigzins oprijzenden grond scheen voort te komen. Ik rigtte het oog derwaarts, en zag de vlag van mijn vaderland wapperen. In de meening van eene militaire parade te zullen ontmoeten,spoedde ik mij naar de zijde van den weg; en, de hoogte beklommen hebbende, ontdekte ik, naar gissing, omstreeks veertig zwarten, alle op de volgende wijze aan elkander geketend: zij waren in rij en gelid geplaatst, terwijl ieder afzonderlijk met een handboei gekluisterd was. Tusschen de twee rijen door, liep een keten van misschien veertig voet lang, waaraan kortere ketenen gehecht waren, die weder tot aan de handboeijen liepen. Achter hen waren, naar gissing, omstreeks dertig vrouwen, paarsgewijze met de handen aan elkander gebonden. Eene diepe droefheid lag op aller gelaat, en de akelige stilte van dezen wanhopigen optogt werd alleen door den klank van twee violen afgebroken; ja, alsof men beschimping bij het lijden had willen voegen, had men aan ieder van het voorste paar eene viool in handen gegeven; het tweede paar was met kokarden opgeschikt, en omtrent in het midden waaide de republikeinsche vlag, door eene hand gedragen dieletterlijk in ketenenwas. Ik kon mij niet bedwingen, den opziener, die, op zijn gemak, naast den troep reed, toe te roepen: „’s Hemels vloek ruste op den man die zulk een handel drijft, en op de regering die hem daarbij beschermt!” Ik zette mijne reis tot aan den avond voort, en maakte mijn nachtkwartier gereed, terwijl ik het tooneel verhaalde, waarvan ik getuige geweest was. „Ach!” riep mijne hospita, „dat is mijn broeder!” Van haar vernam ik dat hij Stone heette, uit Bourbon County (Kentucky), in compagnieschap met zekeren Kinningham, uit Parijs (Kentucky), en dat hij, weinige dagen te voren, van een man uit Nicholas County eene negerin gekocht had. Zij weigerde met hem mede te gaan; hij beproefde haar te dwingen, doch zij verdedigde zich. Zonder verdere pligtpleging trad hij achteruit, wierp haar, door een slag op het hoofd met den knop zijner zweep, op den grond, boeide haar, en nam haar mede. Verder vernam ik, dat behalve den troep dien ik gezien had, er omstreeks dertig, veiligheidshalve, in de gevangenis te Parijs waren opgesloten, om bij den troep gevoegd te worden, en dat zij voor de slavenmarkt van Orleans bestemd waren. En daartoe zijn zij om geene andere misdaad veroordeeld dan die eener zwarte huid en gekroesde lokken. Zou ik over die dingen geene bezoekingdoen? spreekt de Heere.Of zou mijne ziele zich niet wreken aan zulk een volk als dit is?Het kan niet mogelijk zijn, dat deze Christelijke mannen deze dingen ter harte namen; of, op zijn hoogst, zij namen die juist op die wijze ter harte als wij de ernstigste waarheden van de godsdienst doen, flaauw en oppervlakkig.Twee jaren later nam de Algemeene Vergadering, door eene plotselinge en zeer onverwachte beweging, een besluit, waarbij, zonder vorm van regtsgeding, vier synoden, de werkzaamste en meest beslist anti-slavernijgezinde gedeelten van de Kerk bevattende, van de gemeenschap der Kerk werden uitgesloten. De aangevoerde redenen waren, leerstellige verschillen en kerkelijke handelingen, onbestaanbaar met het Presbyterianisme. Door deze daad werden omstreeks vijf honderd leeraars en zestig duizend ledematen van de Presbyteriaansche kerk afgesneden.Dat gedeelte der Presbyteriaansche kerk, dat de „New School” genaamd wordt, deze handelwijze als onregtmatig beschouwende, weigerde er hare toestemming aan, voegde zich bij de uitgeslotene synoden, en vormde zich met dezen tot de „New School General Assembly.” In deze gemeenschap bleven slechts drie slaven-houdende „presbyteries.” In de oude waren er tusschen de dertig en veertig.Het gedrag der „Old School Assembly,” na de scheiding, met betrekking tot het onderwerp der slavernij, zal het best kunnen blijken door de aanhaling van een harer besluiten, in 1845 genomen. Daar zij eenige besliste tegenstanders der slavernij in haar midden telde, en daar, bovendien, door eenige vereenigde ligchamen, adressen over dit onderwerp aan haar waren ingediend, openbaarde zij, in dat jaar, haar gevoelen deswege op de volgende wijze:Is besloten, 1. Dat de Algemeene Vergadering der Presbyteriaansche kerk oorspronkelijk was georganiseerd, en, vervolgens, den band van vereeniging in de kerk heeft vastgehouden, op heterkende beginsel, dat het bestaan der huishoudelijke slavernij, onder de omstandigheden, waarin zij in het zuidelijke gedeelte des lands wordt aangetroffen, geen hinderpaal stelt aan de Christelijke gemeenschap.2. Dat de verzoekschriften, die van de Vergadering verlangen, dat zij het houden van slaven op zich zelve tot een onderwerp van kerkelijke tucht make, uit den aard der zaak van dit ligchaam vorderenzich zelve te ontbinden, en de organisatie te laten varen, waaronder het, door den Goddelijken zegen, zoo lang gebloeid heeft. De strekking is blijkbaar om het Noordelijke van het Zuidelijke gedeelte der Kerk af te scheiden,—een gevolg, hetwelk ieder goed Christen betreuren moet, als leidende tot de ontbinding der Unie van ons dierbaar vaderland, en waartegen ieder verlicht Christen zich verzetten zal, als eene verderfelijke en noodelooze scheuring met zich brengende tusschen broeders, die een gemeenschappelijk geloof belijden.Voordit besluit stemden honderd acht en zestig leeraars en ouderlingen, en daartegenslechts dertien.Het zal naauwelijks noodig zijn, eenige woorden bij deze zoo duidelijke verklaring te voegen. Zij is de onbewimpeldst mogelijke verloochening van ieder protest tegen de slavernij; de rondborstigst mogelijke betuiging, dat het bestaan der kerkelijke organisatie van meer belang is dan al de zedelijke en maatschappelijke beschouwingen, die in eene volkomene verdediging en uitoefening der Amerikaansche slavernij liggen opgesloten.In het volgende jaar werden een groot aantal verzoek- en vertoogschriften ingediend, waarbij de Vergadering verzocht werd eene nadere getuigenis tegen de slavernij te uiten.In antwoord op deze verzoekschriften, bevestigde de Algemeene Vergadering op nieuw alle hare vroegere getuigenissen tegen de slavernij, van over zestig jaren herwaarts; waardoor zij derhalve vaststelde, dat de verklaring des vorigen jaars niet als eene intrekking dier vroegere getuigenissen moest beschouwd worden. Met andere woorden: zij verklaarde, in de woorden van 1818, van gevoelen te zijn, dat de slavernij „TEN EENENMALE IN STRIJD IS MET DE GODDELIJKE WET,” en „VOLSTREKT ONVEREENIGBAAR MET DE VOORSCHRIFTEN DES EVANGELIES VAN CHRISTUS;” en toch niettemin „dat zij hare kerkelijke organisatie gevestigd had op het erkende beginsel, dat het bestaan der slavernij, onder de omstandigheden, waarinzij in de Zuidelijke Staten der Unie wordt aangetroffen, geen hinderpaal stelt aan de Christelijke gemeenschap.”Eenige leden protesteerden tegen deze handeling.In den beginne vatte men groote hoop op van het ligchaam der „New School.” Als ligchaam bestond het voor het grootste gedeelte uit anti-slavernijgezinden. Het had die synoden in zich opgenomen, wier anti-slavernijgezinde gevoelens en daden, om het minste te zeggen, eene voorname oorzaak harer uitsluiting van de kerk geweest waren. Het had slechts drie slaven-houdende „Presbyteries.” Het had de volle magt in handen. Nu, zoo ooit, was het de tijd, om dezen verfoeijelijken last geheel af te werpen, en, in deze eeuw van inwilliging aan en gelijkvormigheid met de wereld, als eene zuiver protesterende Kerk op te staan, vrij van alle medepligtigheid aan deze allervreeselijkste nationale ongeregtigheid.Bij de eerste zitting der Algemeene Vergadering werden deze maatregelen, door vele verzoek- en vertoogschriften, ten sterkste aangedrongen. Deze stukken werden aan eene commissie van besliste anti-slavernijgezinden in handen gesteld. Van de eene zijde werd beweerd, dat de tijd nu gekomen was om beslissende maatregelen te nemen tot afsnijding van alle medepligtigheid ten voordeele der slavernij, en om rondborstig voor zijne gevoelens uit te komen, al zou men ook alle kerken van de gemeenschap moeten afsnijden, die niet gereed waren om in eene onmiddellijke emancipatie te bewilligen.Van den anderen kant werd de meerderheid der commissie door tegenovergestelde beschouwingen geleid. De broeders uit slaven-Staten opperden bedenkingen, nagenoeg als deze: „Broeders, onze harten zijn eenstemmig met de uwe. Wij vereenigen ons met u in geloof, in liefde, in gebeden. Wij namen deel in den u aangedanen smaad door de uitsluiting. Wij stonden toen aan uwe zijde, en zijn er ook nu nog gereed toe. Wij sympathiseren niet met de partij die u heeft uitgedreven, en wenschen ook niet tot haar terug te keeren. Wat de zaak der slavernij betreft, hebben wij geen verschil met u. Wij beschouwen haar als een kwaad. Wij treuren en klagen er over. Wij stellen pogingen in het werk om haar van lieverlede en door vreedzame middelen uit onze kerken te bannen. Wij komen het gevoelen onzer kerken zoo verrete gemoet als ons doenlijk is. Wij kunnen tot geene meer doortastende maatregelen overgaan, zonder onzen invloed op haar te verliezen, en, naar ons oordeel, de zaak der emancipatie achteruit te zetten. Zoo gij op deze beslissende manier begint, kunnen wij onze kerken niet vereenigd houden; zij zullen zich van elkander scheiden, en tot de „Old School” overgaan.”Hier had men een zeer sterk pleit, door goede en opregte mannen uitgebragt. Daarenboven hield het een beroep in op de edelste gevoelens des harten. Het zeide inderdaad zooveel als: „Broeders, wij hebben u bijgestaan, en uwe zaak verdedigd, toen alles tegen u gekant was; en thans, nu gij de magt in handen hebt, zoudt gij haar bezigen om ons buiten te werpen?”Deze mannen, hoe sterk anti-slavernijgezind ook, konden niet onbelemmerd te werk gaan. Een lid der commissie voorzag en vreesde er de uitkomst van. Hij was van gevoelen, en gaf zulks te kennen, dat de voorgeslagene maatregel de geheele zaak zou doen schipbreuk lijden. De meerderheid was, ten slotte, van gevoelen, dat het best ware haar uit te stellen. De commissie rapporteerde dat de verzoekers, om voor hen voldoende redenen, hunne papieren hadden terug genomen.Het volgende jaar, in 1839, werd het onderwerp wederom opgevat, en bij vernieuwing werd er op aangedrongen dat de Vergadering op eene beslissende en onmiskenbare wijze er zich over uiten mogt; en voorzeker, wanneer wij in aanmerking nemen dat gedurende al dien tijd niet eene enkele kerk hare slaven geëmancipeerd had, en dat de magt der „instelling” allerwege was toegenomen en uitgebreid, dan zal het wel in het oog loopen dat er iets anders noodig was dan eene algemeene verklaring dat de Kerk met het in 1818 gegevene getuigenis overeenstemde. Het werd haar ten sterkste voorgehouden dat het tijd was om iets te doen. Dit jaar besloot de Vergadering den „Presbyteries” de zaak in handen te geven, om er in te doen wat zij raadzaam zouden achten. De gebezigde woorden waren deze: „De geheele zaak plegtiglijk aan de lagere regtskringen (judicatories) overgevende, om eene zoodanige beslissing te nemen, als naar hun gevoelen met de regtvaardigheid strookt, en geschikt is om het kwaad te verwijderen.” De Eerwaarde George Beecher stelde voor omhet woord:zedelijkvóór het woord:kwaadin te lasschen; dan, zulks werd van de hand gewezen.In 1840 werd een nog veel grooter aantal vertoog- en verzoekschriften ingeleverd; en door de abolitionisten werden zeer sterke pogingen gedaan om eenige bepaalde daad te verkrijgen.De commissie beriep zich dit jaar op hetgeen in het vorige jaar gedaan was, en verklaarde het onraadzaam, iets verder te doen. De zaak werd onbepaald uitgesteld. Thans werd besloten dat de Vergadering slechts eenmaal in de drie jaren zou bijeenkomen. Gevolgelijk kwam zij niet bijeen vóór 1843. In dat jaar werden wederom verscheidene memoriën ingediend, en eenige besluiten werden der Vergadering voorgelegd, waartoe ook het volgende behoorde:
In de eerste plaats dan: zijn eenige dezer gevoelens ooit door de kerk als ketterijen beschouwd, en zijn de verbreiders er van aan de kerkelijke straffen onderworpen geworden, waarmede de ketterij gestraft wordt?Na een tamelijk wijdloopig onderzoek op dit punt, heeft de schrijfster niet meer dan één voorbeeld van dien aard kunnen opsporen. Het is niettemin mogelijk dat er zulke gevallen in andere kerkelijke afdeelingen bestaan hebben, die aan de nasporing ontsnapt zijn.Een geestelijke in de „Cincinnati New school Presbytery,” predikte de leer, dat het houden van slaven door den Bijbelgebillijkt werd; en om zijne volharding in het handhaven van dat gevoelen, werd hij door die „Presbytery” in zijn dienstwerk geschorst. Hij beriep zich op de Synode, en de beslissing werd door de Synode van Cincinnati bekrachtigd. De „New School General Assembly” vernietigde nogtans deze beslissing der „Presbytery,” en herstelde den geestelijke in zijn ambt. Van hare zijde weigerde nu de „Presbytery” hem weder te aanvaarden, en men ontving hem in de „Old School Church.”De Presbyteriaansche kerk heeft waarschijnlijk alle andere kerken in de Vereenigde Staten door haren ijver voor leerstellige gevoelens overtroffen. Deze kerk is tot in hare grondvesten toe door kettertwisten geschokt en bewogen geworden; maar, dit enkele geval uitgezonderd, weet men niet dat eenige dier beginselen, welke door zuidelijke Presbyteriaansche ligchamen en individuën beweerd zijn geworden, ooit als onderwerpen van ketterij in hare Algemeene Vergadering zijn ter sprake gebragt.Omstreeks den tijd dat Smylie’s vlugschrift het licht zag, werd de Presbyteriaansche kerk geschokt door het regtsgeding, den Eerwaarden Albert Barnes om zekere door hem verdedigde kettersche gevoelens aangedaan. Deze ketterijen raakten het werkverbond, in Adam, als ons hoofd, gevestigd; de toerekening zijner zonde aan zijne gansche nakomelingschap; en de vraag of de mensch op eenigerlei wijze bekwaam is om Gods geboden te bewaren.Om de voorstelling van zekere gevoelens nopens deze onderwerpen, werd aan Mr. Barnes, door de Synode waartoe hij behoorde, het stilzwijgen opgelegd, en zijn regtsgeding over deze punten in de Algemeene Vergadering bleef een tijd lang het hoofd-onderwerp, waarvoor, in de Presbyteriaansche kerk, al het overige op den achtergrond geraakte. Ook de Eerwaarde Dr. L. Beecher werd in gelijksoortige gevoelens in een regtsgeding gewikkeld. Gedurende al dien tijd werd er geene notitie genomen van de ketterij (zoo zij dit is) dat het regt om, uit winstbejag, menschen te koopen, te verkoopen, of in slavernij te houden, uitdrukkelijk door God verleend werd; alhoewel die ketterij, in dezelfde Presbyteriaansche kerk, door Mr. Smylie en de Presbyterianen waarmede hij verbonden was, in het openbaar verbreid werd.Wilde men de reden daarvan hierin zoeken, dat de slavenkwestie eene vraag vanpraktikale zedekunde, en niet van dogmatische godgeleerdheid is, dan moeten wij doen opmerken dat zedekundige vraagstukken van veel minder belang met den vurigsten ijver zijn behandeld geworden.De Presbyteriaansche kerk der „Old School,” tot wier gemeente de meeste der slavenhoudende Presbyterianen in het Zuiden behooren, heeft nooit het voornemen aan den dag gelegd om hare leden eenige kerkelijke straf op te leggen voor de handhaving van een stelsel dat het wettig huwelijk aan alle slaven ontzegt. En toch werd deze kerk tot in hare grondvesten geschokt door de behandeling eener zedekundige vraag, die aan een onpartijdig opmerker waarschijnlijk veel minder belangrijk zal voorkomen; de vraag namelijk, of het een’ man vrijstaat, met de zuster zijner overledene vrouw te huwen. Voor een tijd lang scheen al de sterkte en aandacht van de kerk zich als in één brandpunt op dit belangrijk onderwerp te vestigen. De twistvraag werd door de „Presbytery” voor de Synode, en door deze voor de Algemeene Vergadering getrokken, en eindigde hiermede, dat een zeer achtenswaardig leeraar om deze misdaad van zijnen post ontzet werd.De Eerwaarde Robert J. Breckenridge, Theol. Dr., een lid der „Old School Assembly,” beschrijft den toestand der slavenbevolking met betrekking tot het huwelijk aldus: „het slavenstelsel ontzegt aan eene geheele klasse van menschelijke wezens de heiligheid des huwelijks en des huisgezins, terwijl het hen dwingt om in een staat van onwettige gemeenschap (concubinage) te leven; want in het oog der wet is geen gekleurde slaaf de echtgenoot van eenige bijzondere vrouw, noch eenige slavin de vrouw van eenigen bijzonderen man; is geen slaaf de vader van eenig bijzonder kind, en geen slavenkind het kind van eenigen bijzonderen vader of moeder.”Had deze kerk nu het feit, dat drie millioenen mannen en vrouwen, door de wetten des lands, verpligt waren om op deze wijze te leven, als niet minder gewigtig ter harte genomen, dan is het uit de opregtheid, de betoogkracht, de hevigheid, het Bijbel-onderzoek, en den onvermoeiden ijver, door haar aan het regtsgeding van Mr. Mac Queen te koste gelegd, klaarblijkelijk, dat zij ook met betrekking tot dit feit, zeer veel zou hebben kunnen verrigten.De geschiedenis van de eenstemmige handelwijze der kerken van alle benamingen, zoowel in de vrije als in de slaven-Staten, levert aan een nadenkend gemoed een treurig, door feiten opgehelderd voorbeeld op van die trapsgewijze verbastering des zedelijken gevoels, die het gevolg is van met eene erkende zonde in eenige, ook nog zoo geringe, schikking te treden. De beste gemoederen van de wereld kunnen zulk eene gemeenzaamheid niet doorstaan, zonder schade te lijden aan hun zedelijk gevoel. De feiten van het slavenstelsel en van de slavenwetten, aan belangelooze regters in Europa voorgesteld, hebben eene algemeene uitbarsting van afgrijzen te weeg gebragt; en toch zijn deze dingen, in vergaderingen uit de wijste en beste geestelijken van Amerika zaâmgesteld, telken jare beredeneerd geworden, zonder eenige uitkomsten op te leveren die het euvel slechts in het allerminste verzacht hebben. De reden daarvan is deze: een gedeelte der leden van deze ligchamen hadden zich verbonden om het stelsel vol te houden, en alle discussiën daarover stellig te weigeren en af te snijden; en het andere gedeelte van het ligchaam beschouwde de zaak niet als zulk eene levensvraag, dat zij eene afscheiding om harentwille zou kunnen wettigen.Niemand zal er aan twijfelen dat, indien de zuidelijke leden zich ten aanzien der Godheid onzes Zaligmakers op zulk een standpunt geplaatst hadden, de scheiding onmiddellijk en eenparig zou hebben plaats gehad; maar toch wordt door de Zuidelijke leden het regt gehandhaafd om menigten van mannen en vrouwen te koopen en te verkoopen, te huren, te verhuren en te verpanden, die zij, in denzelfden adem, verklaard hebben ledematen hunner kerken, en echte Christenen te zijn. De Bijbel verklaart van die allen, dat zij tempelen des Heiligen Geestes, dat zij leden van Christus ligchaam, dat zij Zijn vleesch en been zijn. Is nu niet de leer dat men de leden van Christus, Zijn ligchaam, Zijn vleesch en been, om winstbejag regtmatig verkoopen mag, eene zoo wezenlijke ketterij als de verloochening der Godheid van Christus; en wordt er Hem die over allen is, God, te prijzen in eeuwigheid, geene oneer door aangedaan, dit vreeselijk gevoelen, met zijne nog vreeselijker gevolgen, te dulden, terwijl de geringste ketterijen nopens de toerekening van Adam’s zonde met de grootste hevigheid vervolgd worden? Als het vervolg van de geschiedenisder handelingen van al de aldus vereenigde ligchamen eenmaal geschreven zal kunnen worden, dan zal het blijken dat, uit hoofde van deze dulding eener erkende zonde, het getuigenis tegen de slavernij van jaar tot jaar zwakker geworden is. Als wij de geschiedenis van alle kerkelijke afdeelingen overzien, dan zal het ons in het oog vallen dat zij in den beginne eene zeer sterke taal tegen de slavernij hebben doen hooren. Dit is inzonderheid het geval met de Methodistische en Presbyteriaansche ligchamen, om welke reden wij deze beide tot voorbeelden zullen kiezen. Het genootschap der Methodisten inzonderheid, als door John Wesley georganiseerd, was een anti-slavernij-gezind genootschap, en zijn Boek van kerkelijke tucht bevatte de stelligste wetten tegen het houden van slaven. De geschiedenis der achtereenvolgende besluiten van de Conferentie dezer kerk is zeer treffend. In 1780, eer de kerk nog wettig in de Vereenigde Staten geordend was, besloot zij het volgende:De Conferentie erkent dat de slavernij met de Goddelijke en menschelijke wetten en met die der natuur in strijd is; als ook dat zij schadelijk is voor de maatschappij; dat zij gekant is tegen de inspraken des gewetens en van de ware godsdienst; en dat zij aan anderen doet wat wij niet wenschen zouden dat anderen aan ons deden.In 1784, toen de kerk volkomen georganiseerd was, werden er maatregelen genomen, de tijdstippen voorschrijvende waarop leden die reeds slavenhouders waren, hunne slaven zouden emanciperen. Hierop volgden wederom deze:Een iegelijk wien het aangaat, en zich niet aan deze regelen wenscht te onderwerpen, zal volkomen vrijheid hebben om ons genootschap te verlaten binnen de twaalf maanden, volgende op de bovengemelde, hem gedane waarschuwing; zullende hij anders door de opzieners buiten het genootschap gesloten worden.Niemand die slaven houdt, zal in het vervolg tot het genootschap of tot ’s Heeren Avondmaal worden toegelaten, tenzij hij zich vooraf aan deze regelen, de slavernij betreffende, onderwerpe.Zij die slaven koopen, verkoopen, of wel er zich van ontdoen, anders dan om ze te bevrijden, zullen onmiddellijk worden uitgesloten.In 1801:Wij verklaren meer dan ooit overtuigd te zijn van het groote kwaad der Afrikaansche slavernij, die nog in deze Vereenigde Staten wordt aangetroffen.Ieder lid des genootschaps die een slaaf verkoopt, zal, na voldoend bewijs, terstond uit het genootschap worden verwijderd.De jaarlijksche Conferentiën zullen belast worden met het stellen van adressen aan de Wetgevende Magt, strekkende tot de trapsgewijze emancipatie der slaven. Door de jaarlijksche Conferentiën zullen speciale commissiën uit de achtenswaardigste onzer vrienden benoemd worden, tot leiding dier aangelegenheid; terwijl de voorzittende ouderlingen, diakenen, en reizende predikers zoo vele handteekeningen als mogelijk op de adressen zullen inwinnen, en al den bijstand zullen verleenen die hun in allen opzigte ten dienste staat, om de commissiën te helpen, en de gezegende onderneming te bevorderen. Dit zal van jaar tot jaar worden voortgezet, tot dat het beoogde doel bereikt is.Welk eene verandering in 1836! De Algemeene Conferentie hield hare jaarlijksche zitting te Cincinnati, en nam het volgende besluit:Door de afgevaardigden der jaarlijksche Conferentie, in Algemeene Conferentie vereenigd,is besloten, dat zij besliste tegenstanders zijn van het moderne abolitionismus, en dat zijalle regt, wensch of voornementot tusschenkomst in de burgerlijke en staatkundige betrekking tusschen meester en slaaf, zoo als zij in de slavenhoudende Staten dezer Unie bestaat,ten eenemale ontkennen of afwijzen.Deze besluiten gingen met eene zeer groote meerderheid door. Er kwam een adres in van de Wesleyaansch-Methodistische Conferentie in Engeland, dat zich over de zaakder slavernij ernstig, doch vriendbroederlijk uitliet. De Conferentie weigerde het openbaar te maken. In den herderlijken brief aan de kerken komen de volgende zinsneden voor:Het kan u niet onbekend zijn dat de slavernijkwestie in de Vereenigde Staten, door het constitutioneel verdrag hetwelk ons als natie vereenigt, aan de regeling van de Wetgevende Vergaderingen der afzonderlijke Staten zelven overgelaten, en alzoo buiten het toezigt der algemeene regering, zoowel als dat van alle kerkelijke ligchamen gebleven is; waaruit volgt dat in de slavenhoudende Staten de geheele verantwoordelijkheid wegens het al dan niet bestaan der slavernij, op de Wetgevende Vergaderingen dier Staten blijft rusten. **** Deze feiten, welke hier alleen vermeld worden als aanleiding tot de vriendschappelijke vermaning welke wij u wenschen te geven, leggen ons, als uwe herders, aan wie het opzigt over uwe zielen, waarvan zij eenmaal rekenschap moeten geven, is aanbevolen, de verpligting op, om u van alle abolitionistische bewegingen en vereenigingen af te manen, en u te verbieden eenige hunner schriften te beschermen of aan te moedigen, enz. ***De ondergeschikte Conferentiën leiden denzelfden geest aan den dag.In 1836 besloot de New-Yorksche jaarlijksche Conferentie dat niemand tot diaken of ouderling zou gekozen worden, ten ware hij zich jegens de kerk wilde verbinden om zich van alle discussie nopens dit onderwerp te onthouden.1In 1838 besloot de Conferentie,dat dezulke harer leden, of aankomelingen, die den „Zions Watchman” mogten voorstaan, hetzij door tot lof van dat blad te schrijven, door het te verspreiden, aan te bevelen, er inteekenaars aan te verschaffen, of gelden ervoor in te zamelen, als schuldig aan onbedachtheid beschouwd, en als zoodanig gestraft zullen worden.Men zal zich herinneren dat „Zions Watchman” door LeRoy Sunderland werd uitgegeven, voor wiens gevangenneming de Staat van Alabama vijftig duizend dollars had uitgeloofd.In 1840 nam de Algemeene Conferentie te Baltimore het reeds door ons aangehaalde besluit, hetwelk den predikanten verbood, kleurlingen tot het geven van getuigenis in hunne kerken toe te laten. Men heeft berekend dat door deze daad omstreeks tachtig duizend menschen van het regt van getuigenis beroofd zijn geworden. Deze Methodistische kerk splitste zich naderhand in eene noordelijke en zuidelijke Conferentie. De zuidelijke Conferentie is geheel en al vóór de slavernij gestemd, terwijl de noordelijke nog altoos slavenhoudende Conferentiën en leden telt.Van de noordelijke Conferentiën nam eene der uitgebreidste, die van Baltimore, het navolgende besluit:Is besloten, dat deze Conferentie alle deelneming in het abolitionismus afkeurt. En dewijl zij, integendeel, besloten heeft hare welbekende en lang gevestigde stelling te handhaven door de tot hare gemeenschap behoorende reizende predikanten buiten de slavernij-kwestie te houden, zoo is ook besloten geene betrekking te onderhouden met eenig kerkelijk ligchaam dat het niet houden van slaven tot voorwaarde van het lidmaatschap der kerk maakt, maar de kerkelijke tucht, zoo als zij bestaat, te ondersteunen en te handhaven.Het volgende uittreksel is genomen uit een adres van de Philadelphische jaarlijksche Conferentie aan de onder haar opzigt staande gemeenten, gedagteekend uit Wilmington (Staat Delaware) den 7denApril 1847:Zoo het plan van scheiding ons met de herderlijke zorg over u belast, dan blijft er te onderzoeken of wij, als Conferentie of als menschen, iets hebben gedaan, waardoor wij uwe liefde en vertrouwen verbeurd zouden hebben. Het is ons niet bekend dat wij, zelfs in de groote woeling die u, eenige maanden geleden, bedroefde, door iemand wien het ook zij, van eenige fout in ons zedelijk gedrag, van ongezondheid in de leer, of wel van dwingelandij of omkoopbaarheid in de handhaving der kerkelijke tucht beschuldigdzijn. Doch wij vernemen dat de oorzaak der ongelukkige spanning onder u alleen deze is, dat sommigen ons verdenken, of veinzen te verdenken, van abolitionisten te zijn. Doch geene bijzondere daad van de Conferentie, noch van iemand harer afzonderlijke leden, wordt als bewijs aangevoerd voor deze ongegronde en onregtvaardige verdenking. Wij mogen het vragen, broeders, of de loop onzer zestigjarige bediening onder u ons niet voor zulk eene beschuldiging behoorde te vrijwaren? Of de vraag, die wij sinds eenige jaren gewoon zijn den candidaten voor te leggen, namelijk,zijt gij een abolitionist?zonder wier ontkennende beantwoording geen hunner onder ons werd toegelaten, ons niet voor zulk eene beschuldiging behoorde te vrijwaren. Of de daad der laatste Conferentie met betrekking tot deze bijzondere zaak niet elken opregten en waarheidlievenden behoorde te overtuigen dat wij geene abolitionisten zijn, en het ook niet begeeren te zijn? *** Wij kunnen niet bevroeden hoe wij voor abolitionisten kunnen worden aangezien, ten ware men de predikanten der Methodistisch-Episcopaalsche kerk in het Zuiden in hetzelfde licht wilde beschouwen.Onder toewensching van alle hemelsche zegeningen, blijven wij, waarde broeders, de uwen in Christus Jezus,J. P. Durbin.J. Kennaday.Ignatius T. Cooper.William H. Gilder.Joseph Castle.Deze feiten mogen volstaan ter kenschetsing van de gevoelens der Methodistische kerk. De geschiedenis is treurig, doch leerzaam. Die der Presbyteriaansche kerk is evenzeer belangrijk.In 1793 werd de volgende verklarende noot op het achtste gebod bij het Boek der kerkelijke tucht ingelascht, als de leer der kerk met betrekking tot het houden van slaven uitdrukkende:1 Tim. I: 10. De wet is gemaakt tegenMENSCHENDIEVEN. Deze misdaad stelde hen die zich daaraan schuldig maakten, aan de zwaarste straf bloot, Exodus XXI: 16;en de Apostel plaatst hen hier onder de zondaars van den eersten rang. Het door hem gebezigde woord omvat, in zijne oorspronkelijke beteekenis, allen die medepligtig zijn aan het in slavernij brengen of houden van eenig menschelijk schepsel.Hominum fures, qui servos vel liberos, abducunt, retinent, vendunt, vel emunt.Menschendieven zijn zij alle, die slaven of vrije lieden wegleiden, en zeHOUDEN,KOOPENofVERKOOPEN. Een vrij mensch te stelen, zegt Grotius, is de ergste soort van diefstal. In andere gevallen stelen wij slechts menschelijk eigendom; doch wanneer wij menschen stelen of in slavernij houden, dan maken wij ons meester van hen, die, gemeenschappelijk met ons, tot heeren over de aarde gesteld zijn.Aan geene regelen der kerkelijke tucht werd kracht bijgezet, en leden die door de aangehaalde woorden aan deze misdaad schuldig verklaard werden, bleven ongestoord, als predikanten of ouderlingen, tot de gemeente behooren. Deze onbestaanbaarheid werd in 1816 uit den weg geruimd, door het aangehaalde uit het Boek der kerkelijke tucht te schrappen. In 1818 gaf zij eene verklaring harer inzigten nopens de slavernij. Dit document is zeer uitgebreid, in een echt christelijken geest gedacht en geschreven, en werdeenstemmigaangenomen. Het navolgende is zijne belijdenis opzigtelijk den aard der slavernij:Wij beschouwen het moedwillig in slavernij brengen van een gedeelte des menschelijken geslachts door een ander, als eene zware schending der kostelijkste en heiligste regten der menschelijke natuur; als ten uiterste onbestaanbaar met de wet Gods, die eischt dat wij onzen naasten zullen liefhebben als ons zelven; en als ten eenemale onvereenigbaar met den geest en de voorschriften van het Evangelie van Christus, die ons inscherpen: „alles wat gij wilt dat u de menschen doen zullen, doet gij hen ook alzoo.” De slavernij schept eene tegen de zedeleer aandruischende stelling (paradox); zij brengt zedelijke, voor hunne daden verantwoordelijke, en onsterfelijke wezens in eenen toestand, die hen naauwelijks het vermogen tot zedelijke werkzaamheid overlaat. Zij doet het van den wil van anderen afhangen of zij godsdienstig onderwijszullen ontvangen; of zij den waren God zullen kennen en vereeren; of zij in de zegeningen des Evangelies zullen deelen; of zij de pligten en genoegens van echtgenooten, ouders en kinderen, betrekkingen en vrienden, zullen volbrengen en genieten; of zij hunne kuischheid en zuiverheid zullen bewaren, of de voorschriften van regtvaardigheid en menschelijkheid zullen opvolgen. Deze zijn eenige der gevolgen van de slavernij; gevolgen, niet denkbeeldig, maar die in haar bestaan zelve liggen opgesloten. De rampen waaraan de slaafaltoosis blootgesteld, hebben dikwijls werkelijk plaats, en wel in hun ergsten trap en gedaante; en waar zij alle geen plaats hebben—zoo als wij met blijdschap zeggen, dat dikwijls, door den invloed der beginselen van Godsdienst en menschelijkheid op het gemoed der meesters, het geval is—is de slaaf niettemin beroofd van zijn natuurregt, als menschelijk wezen verlaagd, en aan het gevaar blootgesteld van in handen van een meester over te gaan, die hem alle ongemakken en beleedigingen kan doen ondergaan, die onmenschelijkheid en gierigheid hem kunnen doen uitdenken.Deze taal was voorzeker duidelijk en beslissend, en werd, door slavenhouders en niet-slavenhouders,eenpariggoedgekeurd. Men zou zonder twijfel gedacht hebben, dat nu de tijd der verlossing nabij was. De verklaring gaat nog verder, en zegt:Wanneer de onbestaanbaarheid der slavernij met de uitspraken van Godsdienst en menschelijkheid bewezen is, enalgemeen ingezien en erkendwordt, dan is het duidelijk de pligt van alle Christenen, die zich in het licht der tegenwoordige bedeeling verheugen mogen, om eerlijke, ijverige, onvermoeide pogingen aan te wenden tot verbetering der dwalingen van vorige tijden, en zoo spoedig mogelijk deze vlek op onze heilige Godsdienst af te wisschen door deVOLKOMENE AFSCHAFFINGder slavernij onder het Christendom en door de geheele wereld.Hier zien wij dan de geheele, slavenhoudende en niet-slavenhoudende, Presbyteriaansche kerk, daadwerkelijk tot een grootabolitie-genootschapgevormd, zoo als wij gezien hebben dat de Methodistische insgelijks was.De „Assembly” zegt verder dat de slavenvoor tegenwoordignog niet tot de vrijheid zijn voorbereid; dat zij (de „Assembly”) treurig is aangedaan over het op kerk en vaderland overgeërfde aandeel in dit kwaad; doch dat „een groot en het deugdzaamste gedeelte der gemeenteDE SLAVERNIJ VERAFSCHUWTenHARE VERNIETIGINGwenscht.” Wijders vermaant zij om het werk van het onderwijs der slaven onverwijld aan te vangen, met het doel om hen tot de vrijheid voor te bereiden; om geen langer uitstel te nemen dan „met betrekking tot het openbare welzijnonvermijdelijkgevorderd wordt;” en om zich „door geene andere inzigten te laten beheerschen dan „eene eerlijke en onpartijdige beschouwing van het welzijn der onderdrukte partij, op welke beschouwing denadeelen en ongelegenhedendie zij mogt medebrengen,geen invloed mogen uitoefenen.” Zij waarschuwt tegen eene „noodelooze uitbreiding dier redenen van noodzakelijkheid” als dekmantel voor de zucht tot instandhouding der slavernij. Zij eindigt met de bedreiging eener onmiddellijke censuur en schorsing jegens een ieder die een mede-Christen, zonder diens toestemming, verkoopen mogt.Wanneer wij in aanmerking nemen dat dit alles, zoowel door slavenhouders als anderen,eenstemmigwerd aangenomen, en toestemmen, zoo als wij ongetwijfeld doen, dat het eerlijk en ter goeder trouw geschiedde, dan zullen wij er voorzeker iets van verwachten. De onmiddellijke daarstelling en organisatie van scholen voor de slavenkinderen; een doelmatig godsdienstig onderrigt; eene volkomene staking van den handel in Christenslaven; wetten, die de familie-betrekkingen heiligen; dit alles zouden wij er van verwachten. En is er iets van dat alles gedaan of beproefd? Helaas! Twee jaren later kwam de admissie van Missouri tot de Unie, en de toenemende vraag op de Zuidelijke slavenmarkt, en de binnenlandsche slavenhandel. In plaats van school-onderwijzers had men slaven-handelaars; in plaats vanscholente verzamelen, verzamelde men slaven-hoopen; in plaats van schoolhuizen te bouwen, bouwde men slavenhokken, slavengevangenissen, factorijen, of hoe de handel ze verkiest te noemen; en dit was de geschiedenis van het plan van trapsgewijze emancipatie!Zestien jaren later, in 1834, gaf eene speciale commissie uit de synode van Kentucky, in welken Staat, naar het algemeengevoelen, de slavernij in haren zachtsten vorm bestaat, de volgende schildering van den toestand der slaven. In de eerste plaats zegt zij, met betrekking tot hunnen godsdienstigen toestand:Na alles wat billijk is te hebben laten gelden, kan onze bevolking van kleurlingen, op zijn best, nog maar als half-heidensch beschouwd worden.Wreede geeselingen en alle de verschillende soorten van persoonlijke vernederingen, zijn niet de eenige soort van wreedheid, die de slavernij medebrengt. De familie-betrekkingen van den slaaf worden niet door de wet erkend, terwijl zij hare bescherming van het genot des huiselijken geluks niet tot hem uitstrekt. De leden eener slavenfamilie mogen gewelddadig gescheiden worden, zoodat zij elkander vóór den oordeelsdag nooit wederzien. En de begeerlijkheid prikkelt den meester niet zelden, om te doen wat de wet veroorlooft. Broeders en zusters, ouders en kinderen, echtgenooten en vrouwen, worden van elkander afgerukt, en mogen elkander nooit wederzien.Deze dingen hebben dagelijks onder ons plaats.Het gegil en de doodsangsten, bij zulke gelegenheden dikwijls bijgewoond, verkondigen met de stem eener bazuin de onregtvaardigheid en wreedheid van ons stelsel. De noodkreten dezer lijders klimmen op tot het oor des Heeren Zebaoth.Er is geen vlek, waar deze hartverscheurende tooneelen geen plaats hebben.Er is geen dorp of landweg, waar de treurige optogten niet gezien worden van geboeide ongelukkigen, wier ketenen en nedergebogene houding verhalen, dat zij door geweld zijn weggerukt van allen, die aan hunne harten dierbaar zijn. Jaren geleden verhief onze kerk hare stem van plegtige waarschuwing tegen deze in het oog loopende schending aller beginselen van barmhartigheid, regtvaardigheid en menschelijkheid. Maar wij blozen, dat wij voor u en voor de wereld betuigen moeten, dat die waarschuwing dikwijls is verwaarloosd geworden, door de zoodanigen zelfs, die van onze gemeente zijn.In onze eigene kerkelijke afdeeling hebben er gevallen plaats gehad, dat belijders van de godsdienst der barmhartigheid de moeder van hare kinderen hebben afgescheurd, en haar in eene onbarmhartige, eeuwigdurende ballingschap hebben gezonden. Maar zelden heeft mende kerkelijke tucht voor zulk een gedrag jegens hen uitgeoefend.De Eerwaarde James G. Birney, die eenige jaren in Kentucky woonde, verbetert, in zijn vlugschrift het woordzelden, door ernooitvoor in de plaats te stellen. Wat kon nu duidelijk de uiterste ondoelmatigheid der laatste verklaring van de „Assembly,” en de noodzakelijkheid van meer krachtdadige maatregelen aantoonen? In 1835 werd uit dien hoofde door de Algemeene Vergadering op de zaak aangedrongen, terwijl de leden dringend gesmeekt werden, om de in 1818 door hen beledene beginselen en voornemens ten uitvoer te leggen.In eene door Mr. Stuart, uit Illinois, gehouden redevoering over dit onderwerp, zeide hij:Ik hoop, dat deze Vergadering bereid is, om onbewimpeld voor haar gevoelen uit te komen, en rondborstig hare meening te verklaren, dat het houden van slaven eene uiterst snoode en verfoeijelijkeZONDEis. Laten wij hier geene zijpaden inslaan, terwijl zoo vele duizenden en tienduizenden onzer medeschepselen onder de zweep krimpen, die zelfs door leeraars en ouderlingen van de Presbyteriaansche kerk gezwaaid wordt.In deze kerk mag iemand een vrijgeboren kind grijpen, het van zijne ouders afrukken, aan wien God het toevertrouwde, zeggende: „voedt het voor mij op,” het als een dier verkoopen of in altoosdurende slavernij houden—en niet alleen ligchamelijke straf ontgaan, maar nog daarenboven voor een uitmuntend Christen gehouden worden. Ja, zelfs bedienaars des Evangelies en doctoren in de Godgeleerdheid mogen zich met dezen snooden handel inlaten, en niettemin hunne verhevene en heilige roeping handhaven.Ouderlingen, leeraars en doctoren in de Godgeleerdheid, zijn, met beide handen, in dezen handel werkzaam.Men zou gedacht hebben, dat daadzaken als deze, in eene Vergadering van Christenen uitgesproken, genoeg zouden zijn om de dooden te wekken: maar helaas! men kan aan zeerafschuwelijke dingen gewoon worden. Op deze voorstellingen volgde niets anders dan dat men ze eene commissie in handen stelde, die op de volgende bijeenkomst, in 1836, haar verslag daarover zou uitbrengen.De bestuurder van de Vergadering in 1836 was een slavenhouder: Dr. T. S. Witherspoon, dezelfde die aan den uitgever van denEmancipatorschreef: „Ik bewijs mijne bevoegdheid, om den slaaf in dienstbaarheid te houden, uit de Schriften des Ouden en Nieuwen Testaments. Het beginsel om den Heiden in dienstbaarheid te houden, is door God erkend. Als de trage voortgang der wetten te talmachtig is, om onze grieven te herstellen, dan hebben wij hier in het Zuiden het onfeilbare middel van Regter Lynch aangenomen.”De meerderheid der speciale Commissie bragt een Verslag uit als volgt:Nademaal het onderwerp der slavernij onafscheidelijk verbonden is met de wetten van vele Staten in deze Unie, waarin het een kerkelijk regtsgebied geenszins vrijstaat, zich te mengen, en vele beschouwingen insluit nopens welke het bekend is, dat eene groote verscheidenheid van meeningen en gevoelens in de door deze Vergadering vertegenwoordigde kerken wordt aangetroffen: en nademaal er vele redenen bestaan, om te gelooven, dat eenige daad van wege deze Vergadering, met betrekking tot dit onderwerp strekken zoude, om onze kerken onderling te verwijderen en te verdeelen, en ongetwijfeld op geenerlei wijze diegenen bevoordeelen zoude, wier welzijn door de ingeleverde memoriën regtstreeks bedoeld wordt:Isuit dien hoofdebesloten:1. Dat de Vergadering het niet oorbaar acht, eenige verdere maatregelen in deze zaak te nemen.2. Dat, dewijl de ophelderingen (notes), die uit onze openbare formulieren zijn weggeschrapt, en wier herstelling door eenige der ingediende memoriën verlangd wordt, op eene onregelmatige wijze zijn ingevoerd, nooit door de kerk zijn bekrachtigd, en derhalve nooit eenig gezag hadden, de Algemeene Vergadering geene magt heeft, en het ook niet voegzaam acht, er eene plaats in de gewettigde kerkformulieren aan toe te wijzen.De minderheid der Commissie, de Eerwaarde heeren Dickey en Beman, bragten het volgende verslag uit:Is besloten:1. Dat het koopen, verkoopen of in eigendom bezitten van een menschelijk wezen, in het oog van God eene afschuwelijke zonde is, en hij, die er zich aan schuldig maakt, aan de kerkelijke censuur behoorde onderworpen te worden.2. Dat het de pligt is van een ieder, maar inzonderheid van elken Christen, die zich aan deze zonde mogt hebben schuldig gemaakt, zich zonder uitstel uit hare strikken los te maken.3. Dat het de pligt is van iedereen, maar inzonderheid van elken Christen, om in de kracht en in de liefde des Evangelies de zaak der armen en behoeftigen te bepleiten, door tegen het beginsel en de daad der slavernij te getuigen, en zijne beste pogingen aan te wenden, om de kerk des Heeren van dit euvel te bevrijden, en de emancipatie der slaven in deze Vereenigde Staten en over de geheele wereld te bevorderen.De slavenhoudende afgevaardigden, ten getale van acht-en-veertig, vergaderdenafzonderlijk, enbesloten:Dat, ingeval de Algemeene Vergadering ondernemen mogt, nopens het onderwerp der slavernij eenig gezag uit te oefenen, door haar b. v. eene onzedelijkheid te noemen, of op eenigerlei wijze te verklaren, dat Christenen, die slaven houden, zich aan misdaad schuldig maken, alsdan door de afgevaardigden uit het Zuiden eene verklaring zal worden ingeleverd, waardoor de regtsbevoegdheid der Vergadering ten deze ontkend, en ons voornemen uitgedrukt wordt, om ons aan zoodanige beslissing niet te onderwerpen.Ten aanzien dezer strijdige rapporten, besloot de vergadering als volgt:Nademaal de constitutie der Presbyteriaansche kerk, in hare aanleidende en grondwettige beginselen, verklaart datgeene kerkelijke overheden zich het regt mogen aanmatigen van wetten te maken om uitkrachte van hun gezaghet geweten te binden; en nademaal de spoedvorderende aard der bezigheden van de vergadering, en de kortheid des tijds dien zij aan hare zittingen kan besteden, het onmogelijk maken om met een rijp overleg over het onderwerp der slavernij in betrekking tot de Kerk te beraadslagen en te beslissen,is, derhalve,besloten, dat dit geheele onderwerp onbepaald zal worden uitgesteld.Het beloop van den slavenhandel,—tijdens de Algemeene Vergadering weigerde men het geheele onderwerp der slavernij te behandelen,—kan uit de volgendeitemsworden afgeleid. In een artikel van denVirginia Timesuit dat zelfde jaar 1836, wordt het getal der ten verkoop uitgevoerde slaven, uit dien staat alleen, gedurende de laatste twaalf maanden, op veertig duizend geschat. DeNatchez Courier(Mississippi) zegt, dat door de staten van Alabama, Missouri en Arkansas, in datzelfde jaar, twee honderd en vijftig duizend slaven uit de meer noordelijke Staten zijn ingevoerd. Zoo wij daar nu diegenen van aftrekken die men vermoeden kan dat met hunne meesters geëmigreerd zijn, welk een onmetelijke handel blijft er dan toch nog over!De Eerwaarde James H. Dickey, de voorsteller der bovengemelde besluiten, had eenige omstandigheden bijgewoond die hem natuurlijkerwijze den wensch moesten inboezemen dat de Vergadering de zaak ter harte name, zoo als blijkt uit het volgende, door hem geschrevene verhaal zijner ontmoeting van een slaventroep:In den zomer van 1822, toen ik met mijne familie van een bezoek naar de vlakten van Kentucky terugkeerde, was ik ooggetuige van een tooneel zoo als ik nog nooit te voren gezien had, en ook nooit weder hoop te zullen zien. Nadat wij Parijs, in Bourbon County (Staat Kentucky) waren doorgetrokken, werd mijne aandacht geboeid door de klanken eener muzijk, die van achter een eenigzins oprijzenden grond scheen voort te komen. Ik rigtte het oog derwaarts, en zag de vlag van mijn vaderland wapperen. In de meening van eene militaire parade te zullen ontmoeten,spoedde ik mij naar de zijde van den weg; en, de hoogte beklommen hebbende, ontdekte ik, naar gissing, omstreeks veertig zwarten, alle op de volgende wijze aan elkander geketend: zij waren in rij en gelid geplaatst, terwijl ieder afzonderlijk met een handboei gekluisterd was. Tusschen de twee rijen door, liep een keten van misschien veertig voet lang, waaraan kortere ketenen gehecht waren, die weder tot aan de handboeijen liepen. Achter hen waren, naar gissing, omstreeks dertig vrouwen, paarsgewijze met de handen aan elkander gebonden. Eene diepe droefheid lag op aller gelaat, en de akelige stilte van dezen wanhopigen optogt werd alleen door den klank van twee violen afgebroken; ja, alsof men beschimping bij het lijden had willen voegen, had men aan ieder van het voorste paar eene viool in handen gegeven; het tweede paar was met kokarden opgeschikt, en omtrent in het midden waaide de republikeinsche vlag, door eene hand gedragen dieletterlijk in ketenenwas. Ik kon mij niet bedwingen, den opziener, die, op zijn gemak, naast den troep reed, toe te roepen: „’s Hemels vloek ruste op den man die zulk een handel drijft, en op de regering die hem daarbij beschermt!” Ik zette mijne reis tot aan den avond voort, en maakte mijn nachtkwartier gereed, terwijl ik het tooneel verhaalde, waarvan ik getuige geweest was. „Ach!” riep mijne hospita, „dat is mijn broeder!” Van haar vernam ik dat hij Stone heette, uit Bourbon County (Kentucky), in compagnieschap met zekeren Kinningham, uit Parijs (Kentucky), en dat hij, weinige dagen te voren, van een man uit Nicholas County eene negerin gekocht had. Zij weigerde met hem mede te gaan; hij beproefde haar te dwingen, doch zij verdedigde zich. Zonder verdere pligtpleging trad hij achteruit, wierp haar, door een slag op het hoofd met den knop zijner zweep, op den grond, boeide haar, en nam haar mede. Verder vernam ik, dat behalve den troep dien ik gezien had, er omstreeks dertig, veiligheidshalve, in de gevangenis te Parijs waren opgesloten, om bij den troep gevoegd te worden, en dat zij voor de slavenmarkt van Orleans bestemd waren. En daartoe zijn zij om geene andere misdaad veroordeeld dan die eener zwarte huid en gekroesde lokken. Zou ik over die dingen geene bezoekingdoen? spreekt de Heere.Of zou mijne ziele zich niet wreken aan zulk een volk als dit is?Het kan niet mogelijk zijn, dat deze Christelijke mannen deze dingen ter harte namen; of, op zijn hoogst, zij namen die juist op die wijze ter harte als wij de ernstigste waarheden van de godsdienst doen, flaauw en oppervlakkig.Twee jaren later nam de Algemeene Vergadering, door eene plotselinge en zeer onverwachte beweging, een besluit, waarbij, zonder vorm van regtsgeding, vier synoden, de werkzaamste en meest beslist anti-slavernijgezinde gedeelten van de Kerk bevattende, van de gemeenschap der Kerk werden uitgesloten. De aangevoerde redenen waren, leerstellige verschillen en kerkelijke handelingen, onbestaanbaar met het Presbyterianisme. Door deze daad werden omstreeks vijf honderd leeraars en zestig duizend ledematen van de Presbyteriaansche kerk afgesneden.Dat gedeelte der Presbyteriaansche kerk, dat de „New School” genaamd wordt, deze handelwijze als onregtmatig beschouwende, weigerde er hare toestemming aan, voegde zich bij de uitgeslotene synoden, en vormde zich met dezen tot de „New School General Assembly.” In deze gemeenschap bleven slechts drie slaven-houdende „presbyteries.” In de oude waren er tusschen de dertig en veertig.Het gedrag der „Old School Assembly,” na de scheiding, met betrekking tot het onderwerp der slavernij, zal het best kunnen blijken door de aanhaling van een harer besluiten, in 1845 genomen. Daar zij eenige besliste tegenstanders der slavernij in haar midden telde, en daar, bovendien, door eenige vereenigde ligchamen, adressen over dit onderwerp aan haar waren ingediend, openbaarde zij, in dat jaar, haar gevoelen deswege op de volgende wijze:Is besloten, 1. Dat de Algemeene Vergadering der Presbyteriaansche kerk oorspronkelijk was georganiseerd, en, vervolgens, den band van vereeniging in de kerk heeft vastgehouden, op heterkende beginsel, dat het bestaan der huishoudelijke slavernij, onder de omstandigheden, waarin zij in het zuidelijke gedeelte des lands wordt aangetroffen, geen hinderpaal stelt aan de Christelijke gemeenschap.2. Dat de verzoekschriften, die van de Vergadering verlangen, dat zij het houden van slaven op zich zelve tot een onderwerp van kerkelijke tucht make, uit den aard der zaak van dit ligchaam vorderenzich zelve te ontbinden, en de organisatie te laten varen, waaronder het, door den Goddelijken zegen, zoo lang gebloeid heeft. De strekking is blijkbaar om het Noordelijke van het Zuidelijke gedeelte der Kerk af te scheiden,—een gevolg, hetwelk ieder goed Christen betreuren moet, als leidende tot de ontbinding der Unie van ons dierbaar vaderland, en waartegen ieder verlicht Christen zich verzetten zal, als eene verderfelijke en noodelooze scheuring met zich brengende tusschen broeders, die een gemeenschappelijk geloof belijden.Voordit besluit stemden honderd acht en zestig leeraars en ouderlingen, en daartegenslechts dertien.Het zal naauwelijks noodig zijn, eenige woorden bij deze zoo duidelijke verklaring te voegen. Zij is de onbewimpeldst mogelijke verloochening van ieder protest tegen de slavernij; de rondborstigst mogelijke betuiging, dat het bestaan der kerkelijke organisatie van meer belang is dan al de zedelijke en maatschappelijke beschouwingen, die in eene volkomene verdediging en uitoefening der Amerikaansche slavernij liggen opgesloten.In het volgende jaar werden een groot aantal verzoek- en vertoogschriften ingediend, waarbij de Vergadering verzocht werd eene nadere getuigenis tegen de slavernij te uiten.In antwoord op deze verzoekschriften, bevestigde de Algemeene Vergadering op nieuw alle hare vroegere getuigenissen tegen de slavernij, van over zestig jaren herwaarts; waardoor zij derhalve vaststelde, dat de verklaring des vorigen jaars niet als eene intrekking dier vroegere getuigenissen moest beschouwd worden. Met andere woorden: zij verklaarde, in de woorden van 1818, van gevoelen te zijn, dat de slavernij „TEN EENENMALE IN STRIJD IS MET DE GODDELIJKE WET,” en „VOLSTREKT ONVEREENIGBAAR MET DE VOORSCHRIFTEN DES EVANGELIES VAN CHRISTUS;” en toch niettemin „dat zij hare kerkelijke organisatie gevestigd had op het erkende beginsel, dat het bestaan der slavernij, onder de omstandigheden, waarinzij in de Zuidelijke Staten der Unie wordt aangetroffen, geen hinderpaal stelt aan de Christelijke gemeenschap.”Eenige leden protesteerden tegen deze handeling.In den beginne vatte men groote hoop op van het ligchaam der „New School.” Als ligchaam bestond het voor het grootste gedeelte uit anti-slavernijgezinden. Het had die synoden in zich opgenomen, wier anti-slavernijgezinde gevoelens en daden, om het minste te zeggen, eene voorname oorzaak harer uitsluiting van de kerk geweest waren. Het had slechts drie slaven-houdende „Presbyteries.” Het had de volle magt in handen. Nu, zoo ooit, was het de tijd, om dezen verfoeijelijken last geheel af te werpen, en, in deze eeuw van inwilliging aan en gelijkvormigheid met de wereld, als eene zuiver protesterende Kerk op te staan, vrij van alle medepligtigheid aan deze allervreeselijkste nationale ongeregtigheid.Bij de eerste zitting der Algemeene Vergadering werden deze maatregelen, door vele verzoek- en vertoogschriften, ten sterkste aangedrongen. Deze stukken werden aan eene commissie van besliste anti-slavernijgezinden in handen gesteld. Van de eene zijde werd beweerd, dat de tijd nu gekomen was om beslissende maatregelen te nemen tot afsnijding van alle medepligtigheid ten voordeele der slavernij, en om rondborstig voor zijne gevoelens uit te komen, al zou men ook alle kerken van de gemeenschap moeten afsnijden, die niet gereed waren om in eene onmiddellijke emancipatie te bewilligen.Van den anderen kant werd de meerderheid der commissie door tegenovergestelde beschouwingen geleid. De broeders uit slaven-Staten opperden bedenkingen, nagenoeg als deze: „Broeders, onze harten zijn eenstemmig met de uwe. Wij vereenigen ons met u in geloof, in liefde, in gebeden. Wij namen deel in den u aangedanen smaad door de uitsluiting. Wij stonden toen aan uwe zijde, en zijn er ook nu nog gereed toe. Wij sympathiseren niet met de partij die u heeft uitgedreven, en wenschen ook niet tot haar terug te keeren. Wat de zaak der slavernij betreft, hebben wij geen verschil met u. Wij beschouwen haar als een kwaad. Wij treuren en klagen er over. Wij stellen pogingen in het werk om haar van lieverlede en door vreedzame middelen uit onze kerken te bannen. Wij komen het gevoelen onzer kerken zoo verrete gemoet als ons doenlijk is. Wij kunnen tot geene meer doortastende maatregelen overgaan, zonder onzen invloed op haar te verliezen, en, naar ons oordeel, de zaak der emancipatie achteruit te zetten. Zoo gij op deze beslissende manier begint, kunnen wij onze kerken niet vereenigd houden; zij zullen zich van elkander scheiden, en tot de „Old School” overgaan.”Hier had men een zeer sterk pleit, door goede en opregte mannen uitgebragt. Daarenboven hield het een beroep in op de edelste gevoelens des harten. Het zeide inderdaad zooveel als: „Broeders, wij hebben u bijgestaan, en uwe zaak verdedigd, toen alles tegen u gekant was; en thans, nu gij de magt in handen hebt, zoudt gij haar bezigen om ons buiten te werpen?”Deze mannen, hoe sterk anti-slavernijgezind ook, konden niet onbelemmerd te werk gaan. Een lid der commissie voorzag en vreesde er de uitkomst van. Hij was van gevoelen, en gaf zulks te kennen, dat de voorgeslagene maatregel de geheele zaak zou doen schipbreuk lijden. De meerderheid was, ten slotte, van gevoelen, dat het best ware haar uit te stellen. De commissie rapporteerde dat de verzoekers, om voor hen voldoende redenen, hunne papieren hadden terug genomen.Het volgende jaar, in 1839, werd het onderwerp wederom opgevat, en bij vernieuwing werd er op aangedrongen dat de Vergadering op eene beslissende en onmiskenbare wijze er zich over uiten mogt; en voorzeker, wanneer wij in aanmerking nemen dat gedurende al dien tijd niet eene enkele kerk hare slaven geëmancipeerd had, en dat de magt der „instelling” allerwege was toegenomen en uitgebreid, dan zal het wel in het oog loopen dat er iets anders noodig was dan eene algemeene verklaring dat de Kerk met het in 1818 gegevene getuigenis overeenstemde. Het werd haar ten sterkste voorgehouden dat het tijd was om iets te doen. Dit jaar besloot de Vergadering den „Presbyteries” de zaak in handen te geven, om er in te doen wat zij raadzaam zouden achten. De gebezigde woorden waren deze: „De geheele zaak plegtiglijk aan de lagere regtskringen (judicatories) overgevende, om eene zoodanige beslissing te nemen, als naar hun gevoelen met de regtvaardigheid strookt, en geschikt is om het kwaad te verwijderen.” De Eerwaarde George Beecher stelde voor omhet woord:zedelijkvóór het woord:kwaadin te lasschen; dan, zulks werd van de hand gewezen.In 1840 werd een nog veel grooter aantal vertoog- en verzoekschriften ingeleverd; en door de abolitionisten werden zeer sterke pogingen gedaan om eenige bepaalde daad te verkrijgen.De commissie beriep zich dit jaar op hetgeen in het vorige jaar gedaan was, en verklaarde het onraadzaam, iets verder te doen. De zaak werd onbepaald uitgesteld. Thans werd besloten dat de Vergadering slechts eenmaal in de drie jaren zou bijeenkomen. Gevolgelijk kwam zij niet bijeen vóór 1843. In dat jaar werden wederom verscheidene memoriën ingediend, en eenige besluiten werden der Vergadering voorgelegd, waartoe ook het volgende behoorde:
In de eerste plaats dan: zijn eenige dezer gevoelens ooit door de kerk als ketterijen beschouwd, en zijn de verbreiders er van aan de kerkelijke straffen onderworpen geworden, waarmede de ketterij gestraft wordt?
Na een tamelijk wijdloopig onderzoek op dit punt, heeft de schrijfster niet meer dan één voorbeeld van dien aard kunnen opsporen. Het is niettemin mogelijk dat er zulke gevallen in andere kerkelijke afdeelingen bestaan hebben, die aan de nasporing ontsnapt zijn.
Een geestelijke in de „Cincinnati New school Presbytery,” predikte de leer, dat het houden van slaven door den Bijbelgebillijkt werd; en om zijne volharding in het handhaven van dat gevoelen, werd hij door die „Presbytery” in zijn dienstwerk geschorst. Hij beriep zich op de Synode, en de beslissing werd door de Synode van Cincinnati bekrachtigd. De „New School General Assembly” vernietigde nogtans deze beslissing der „Presbytery,” en herstelde den geestelijke in zijn ambt. Van hare zijde weigerde nu de „Presbytery” hem weder te aanvaarden, en men ontving hem in de „Old School Church.”
De Presbyteriaansche kerk heeft waarschijnlijk alle andere kerken in de Vereenigde Staten door haren ijver voor leerstellige gevoelens overtroffen. Deze kerk is tot in hare grondvesten toe door kettertwisten geschokt en bewogen geworden; maar, dit enkele geval uitgezonderd, weet men niet dat eenige dier beginselen, welke door zuidelijke Presbyteriaansche ligchamen en individuën beweerd zijn geworden, ooit als onderwerpen van ketterij in hare Algemeene Vergadering zijn ter sprake gebragt.
Omstreeks den tijd dat Smylie’s vlugschrift het licht zag, werd de Presbyteriaansche kerk geschokt door het regtsgeding, den Eerwaarden Albert Barnes om zekere door hem verdedigde kettersche gevoelens aangedaan. Deze ketterijen raakten het werkverbond, in Adam, als ons hoofd, gevestigd; de toerekening zijner zonde aan zijne gansche nakomelingschap; en de vraag of de mensch op eenigerlei wijze bekwaam is om Gods geboden te bewaren.
Om de voorstelling van zekere gevoelens nopens deze onderwerpen, werd aan Mr. Barnes, door de Synode waartoe hij behoorde, het stilzwijgen opgelegd, en zijn regtsgeding over deze punten in de Algemeene Vergadering bleef een tijd lang het hoofd-onderwerp, waarvoor, in de Presbyteriaansche kerk, al het overige op den achtergrond geraakte. Ook de Eerwaarde Dr. L. Beecher werd in gelijksoortige gevoelens in een regtsgeding gewikkeld. Gedurende al dien tijd werd er geene notitie genomen van de ketterij (zoo zij dit is) dat het regt om, uit winstbejag, menschen te koopen, te verkoopen, of in slavernij te houden, uitdrukkelijk door God verleend werd; alhoewel die ketterij, in dezelfde Presbyteriaansche kerk, door Mr. Smylie en de Presbyterianen waarmede hij verbonden was, in het openbaar verbreid werd.
Wilde men de reden daarvan hierin zoeken, dat de slavenkwestie eene vraag vanpraktikale zedekunde, en niet van dogmatische godgeleerdheid is, dan moeten wij doen opmerken dat zedekundige vraagstukken van veel minder belang met den vurigsten ijver zijn behandeld geworden.
De Presbyteriaansche kerk der „Old School,” tot wier gemeente de meeste der slavenhoudende Presbyterianen in het Zuiden behooren, heeft nooit het voornemen aan den dag gelegd om hare leden eenige kerkelijke straf op te leggen voor de handhaving van een stelsel dat het wettig huwelijk aan alle slaven ontzegt. En toch werd deze kerk tot in hare grondvesten geschokt door de behandeling eener zedekundige vraag, die aan een onpartijdig opmerker waarschijnlijk veel minder belangrijk zal voorkomen; de vraag namelijk, of het een’ man vrijstaat, met de zuster zijner overledene vrouw te huwen. Voor een tijd lang scheen al de sterkte en aandacht van de kerk zich als in één brandpunt op dit belangrijk onderwerp te vestigen. De twistvraag werd door de „Presbytery” voor de Synode, en door deze voor de Algemeene Vergadering getrokken, en eindigde hiermede, dat een zeer achtenswaardig leeraar om deze misdaad van zijnen post ontzet werd.
De Eerwaarde Robert J. Breckenridge, Theol. Dr., een lid der „Old School Assembly,” beschrijft den toestand der slavenbevolking met betrekking tot het huwelijk aldus: „het slavenstelsel ontzegt aan eene geheele klasse van menschelijke wezens de heiligheid des huwelijks en des huisgezins, terwijl het hen dwingt om in een staat van onwettige gemeenschap (concubinage) te leven; want in het oog der wet is geen gekleurde slaaf de echtgenoot van eenige bijzondere vrouw, noch eenige slavin de vrouw van eenigen bijzonderen man; is geen slaaf de vader van eenig bijzonder kind, en geen slavenkind het kind van eenigen bijzonderen vader of moeder.”
Had deze kerk nu het feit, dat drie millioenen mannen en vrouwen, door de wetten des lands, verpligt waren om op deze wijze te leven, als niet minder gewigtig ter harte genomen, dan is het uit de opregtheid, de betoogkracht, de hevigheid, het Bijbel-onderzoek, en den onvermoeiden ijver, door haar aan het regtsgeding van Mr. Mac Queen te koste gelegd, klaarblijkelijk, dat zij ook met betrekking tot dit feit, zeer veel zou hebben kunnen verrigten.
De geschiedenis van de eenstemmige handelwijze der kerken van alle benamingen, zoowel in de vrije als in de slaven-Staten, levert aan een nadenkend gemoed een treurig, door feiten opgehelderd voorbeeld op van die trapsgewijze verbastering des zedelijken gevoels, die het gevolg is van met eene erkende zonde in eenige, ook nog zoo geringe, schikking te treden. De beste gemoederen van de wereld kunnen zulk eene gemeenzaamheid niet doorstaan, zonder schade te lijden aan hun zedelijk gevoel. De feiten van het slavenstelsel en van de slavenwetten, aan belangelooze regters in Europa voorgesteld, hebben eene algemeene uitbarsting van afgrijzen te weeg gebragt; en toch zijn deze dingen, in vergaderingen uit de wijste en beste geestelijken van Amerika zaâmgesteld, telken jare beredeneerd geworden, zonder eenige uitkomsten op te leveren die het euvel slechts in het allerminste verzacht hebben. De reden daarvan is deze: een gedeelte der leden van deze ligchamen hadden zich verbonden om het stelsel vol te houden, en alle discussiën daarover stellig te weigeren en af te snijden; en het andere gedeelte van het ligchaam beschouwde de zaak niet als zulk eene levensvraag, dat zij eene afscheiding om harentwille zou kunnen wettigen.
Niemand zal er aan twijfelen dat, indien de zuidelijke leden zich ten aanzien der Godheid onzes Zaligmakers op zulk een standpunt geplaatst hadden, de scheiding onmiddellijk en eenparig zou hebben plaats gehad; maar toch wordt door de Zuidelijke leden het regt gehandhaafd om menigten van mannen en vrouwen te koopen en te verkoopen, te huren, te verhuren en te verpanden, die zij, in denzelfden adem, verklaard hebben ledematen hunner kerken, en echte Christenen te zijn. De Bijbel verklaart van die allen, dat zij tempelen des Heiligen Geestes, dat zij leden van Christus ligchaam, dat zij Zijn vleesch en been zijn. Is nu niet de leer dat men de leden van Christus, Zijn ligchaam, Zijn vleesch en been, om winstbejag regtmatig verkoopen mag, eene zoo wezenlijke ketterij als de verloochening der Godheid van Christus; en wordt er Hem die over allen is, God, te prijzen in eeuwigheid, geene oneer door aangedaan, dit vreeselijk gevoelen, met zijne nog vreeselijker gevolgen, te dulden, terwijl de geringste ketterijen nopens de toerekening van Adam’s zonde met de grootste hevigheid vervolgd worden? Als het vervolg van de geschiedenisder handelingen van al de aldus vereenigde ligchamen eenmaal geschreven zal kunnen worden, dan zal het blijken dat, uit hoofde van deze dulding eener erkende zonde, het getuigenis tegen de slavernij van jaar tot jaar zwakker geworden is. Als wij de geschiedenis van alle kerkelijke afdeelingen overzien, dan zal het ons in het oog vallen dat zij in den beginne eene zeer sterke taal tegen de slavernij hebben doen hooren. Dit is inzonderheid het geval met de Methodistische en Presbyteriaansche ligchamen, om welke reden wij deze beide tot voorbeelden zullen kiezen. Het genootschap der Methodisten inzonderheid, als door John Wesley georganiseerd, was een anti-slavernij-gezind genootschap, en zijn Boek van kerkelijke tucht bevatte de stelligste wetten tegen het houden van slaven. De geschiedenis der achtereenvolgende besluiten van de Conferentie dezer kerk is zeer treffend. In 1780, eer de kerk nog wettig in de Vereenigde Staten geordend was, besloot zij het volgende:
De Conferentie erkent dat de slavernij met de Goddelijke en menschelijke wetten en met die der natuur in strijd is; als ook dat zij schadelijk is voor de maatschappij; dat zij gekant is tegen de inspraken des gewetens en van de ware godsdienst; en dat zij aan anderen doet wat wij niet wenschen zouden dat anderen aan ons deden.
De Conferentie erkent dat de slavernij met de Goddelijke en menschelijke wetten en met die der natuur in strijd is; als ook dat zij schadelijk is voor de maatschappij; dat zij gekant is tegen de inspraken des gewetens en van de ware godsdienst; en dat zij aan anderen doet wat wij niet wenschen zouden dat anderen aan ons deden.
In 1784, toen de kerk volkomen georganiseerd was, werden er maatregelen genomen, de tijdstippen voorschrijvende waarop leden die reeds slavenhouders waren, hunne slaven zouden emanciperen. Hierop volgden wederom deze:
Een iegelijk wien het aangaat, en zich niet aan deze regelen wenscht te onderwerpen, zal volkomen vrijheid hebben om ons genootschap te verlaten binnen de twaalf maanden, volgende op de bovengemelde, hem gedane waarschuwing; zullende hij anders door de opzieners buiten het genootschap gesloten worden.Niemand die slaven houdt, zal in het vervolg tot het genootschap of tot ’s Heeren Avondmaal worden toegelaten, tenzij hij zich vooraf aan deze regelen, de slavernij betreffende, onderwerpe.Zij die slaven koopen, verkoopen, of wel er zich van ontdoen, anders dan om ze te bevrijden, zullen onmiddellijk worden uitgesloten.
Een iegelijk wien het aangaat, en zich niet aan deze regelen wenscht te onderwerpen, zal volkomen vrijheid hebben om ons genootschap te verlaten binnen de twaalf maanden, volgende op de bovengemelde, hem gedane waarschuwing; zullende hij anders door de opzieners buiten het genootschap gesloten worden.
Niemand die slaven houdt, zal in het vervolg tot het genootschap of tot ’s Heeren Avondmaal worden toegelaten, tenzij hij zich vooraf aan deze regelen, de slavernij betreffende, onderwerpe.
Zij die slaven koopen, verkoopen, of wel er zich van ontdoen, anders dan om ze te bevrijden, zullen onmiddellijk worden uitgesloten.
In 1801:
Wij verklaren meer dan ooit overtuigd te zijn van het groote kwaad der Afrikaansche slavernij, die nog in deze Vereenigde Staten wordt aangetroffen.Ieder lid des genootschaps die een slaaf verkoopt, zal, na voldoend bewijs, terstond uit het genootschap worden verwijderd.De jaarlijksche Conferentiën zullen belast worden met het stellen van adressen aan de Wetgevende Magt, strekkende tot de trapsgewijze emancipatie der slaven. Door de jaarlijksche Conferentiën zullen speciale commissiën uit de achtenswaardigste onzer vrienden benoemd worden, tot leiding dier aangelegenheid; terwijl de voorzittende ouderlingen, diakenen, en reizende predikers zoo vele handteekeningen als mogelijk op de adressen zullen inwinnen, en al den bijstand zullen verleenen die hun in allen opzigte ten dienste staat, om de commissiën te helpen, en de gezegende onderneming te bevorderen. Dit zal van jaar tot jaar worden voortgezet, tot dat het beoogde doel bereikt is.
Wij verklaren meer dan ooit overtuigd te zijn van het groote kwaad der Afrikaansche slavernij, die nog in deze Vereenigde Staten wordt aangetroffen.
Ieder lid des genootschaps die een slaaf verkoopt, zal, na voldoend bewijs, terstond uit het genootschap worden verwijderd.
De jaarlijksche Conferentiën zullen belast worden met het stellen van adressen aan de Wetgevende Magt, strekkende tot de trapsgewijze emancipatie der slaven. Door de jaarlijksche Conferentiën zullen speciale commissiën uit de achtenswaardigste onzer vrienden benoemd worden, tot leiding dier aangelegenheid; terwijl de voorzittende ouderlingen, diakenen, en reizende predikers zoo vele handteekeningen als mogelijk op de adressen zullen inwinnen, en al den bijstand zullen verleenen die hun in allen opzigte ten dienste staat, om de commissiën te helpen, en de gezegende onderneming te bevorderen. Dit zal van jaar tot jaar worden voortgezet, tot dat het beoogde doel bereikt is.
Welk eene verandering in 1836! De Algemeene Conferentie hield hare jaarlijksche zitting te Cincinnati, en nam het volgende besluit:
Door de afgevaardigden der jaarlijksche Conferentie, in Algemeene Conferentie vereenigd,is besloten, dat zij besliste tegenstanders zijn van het moderne abolitionismus, en dat zijalle regt, wensch of voornementot tusschenkomst in de burgerlijke en staatkundige betrekking tusschen meester en slaaf, zoo als zij in de slavenhoudende Staten dezer Unie bestaat,ten eenemale ontkennen of afwijzen.
Door de afgevaardigden der jaarlijksche Conferentie, in Algemeene Conferentie vereenigd,is besloten, dat zij besliste tegenstanders zijn van het moderne abolitionismus, en dat zijalle regt, wensch of voornementot tusschenkomst in de burgerlijke en staatkundige betrekking tusschen meester en slaaf, zoo als zij in de slavenhoudende Staten dezer Unie bestaat,ten eenemale ontkennen of afwijzen.
Deze besluiten gingen met eene zeer groote meerderheid door. Er kwam een adres in van de Wesleyaansch-Methodistische Conferentie in Engeland, dat zich over de zaakder slavernij ernstig, doch vriendbroederlijk uitliet. De Conferentie weigerde het openbaar te maken. In den herderlijken brief aan de kerken komen de volgende zinsneden voor:
Het kan u niet onbekend zijn dat de slavernijkwestie in de Vereenigde Staten, door het constitutioneel verdrag hetwelk ons als natie vereenigt, aan de regeling van de Wetgevende Vergaderingen der afzonderlijke Staten zelven overgelaten, en alzoo buiten het toezigt der algemeene regering, zoowel als dat van alle kerkelijke ligchamen gebleven is; waaruit volgt dat in de slavenhoudende Staten de geheele verantwoordelijkheid wegens het al dan niet bestaan der slavernij, op de Wetgevende Vergaderingen dier Staten blijft rusten. **** Deze feiten, welke hier alleen vermeld worden als aanleiding tot de vriendschappelijke vermaning welke wij u wenschen te geven, leggen ons, als uwe herders, aan wie het opzigt over uwe zielen, waarvan zij eenmaal rekenschap moeten geven, is aanbevolen, de verpligting op, om u van alle abolitionistische bewegingen en vereenigingen af te manen, en u te verbieden eenige hunner schriften te beschermen of aan te moedigen, enz. ***
Het kan u niet onbekend zijn dat de slavernijkwestie in de Vereenigde Staten, door het constitutioneel verdrag hetwelk ons als natie vereenigt, aan de regeling van de Wetgevende Vergaderingen der afzonderlijke Staten zelven overgelaten, en alzoo buiten het toezigt der algemeene regering, zoowel als dat van alle kerkelijke ligchamen gebleven is; waaruit volgt dat in de slavenhoudende Staten de geheele verantwoordelijkheid wegens het al dan niet bestaan der slavernij, op de Wetgevende Vergaderingen dier Staten blijft rusten. **** Deze feiten, welke hier alleen vermeld worden als aanleiding tot de vriendschappelijke vermaning welke wij u wenschen te geven, leggen ons, als uwe herders, aan wie het opzigt over uwe zielen, waarvan zij eenmaal rekenschap moeten geven, is aanbevolen, de verpligting op, om u van alle abolitionistische bewegingen en vereenigingen af te manen, en u te verbieden eenige hunner schriften te beschermen of aan te moedigen, enz. ***
De ondergeschikte Conferentiën leiden denzelfden geest aan den dag.
In 1836 besloot de New-Yorksche jaarlijksche Conferentie dat niemand tot diaken of ouderling zou gekozen worden, ten ware hij zich jegens de kerk wilde verbinden om zich van alle discussie nopens dit onderwerp te onthouden.1
In 1838 besloot de Conferentie,
dat dezulke harer leden, of aankomelingen, die den „Zions Watchman” mogten voorstaan, hetzij door tot lof van dat blad te schrijven, door het te verspreiden, aan te bevelen, er inteekenaars aan te verschaffen, of gelden ervoor in te zamelen, als schuldig aan onbedachtheid beschouwd, en als zoodanig gestraft zullen worden.
dat dezulke harer leden, of aankomelingen, die den „Zions Watchman” mogten voorstaan, hetzij door tot lof van dat blad te schrijven, door het te verspreiden, aan te bevelen, er inteekenaars aan te verschaffen, of gelden ervoor in te zamelen, als schuldig aan onbedachtheid beschouwd, en als zoodanig gestraft zullen worden.
Men zal zich herinneren dat „Zions Watchman” door LeRoy Sunderland werd uitgegeven, voor wiens gevangenneming de Staat van Alabama vijftig duizend dollars had uitgeloofd.
In 1840 nam de Algemeene Conferentie te Baltimore het reeds door ons aangehaalde besluit, hetwelk den predikanten verbood, kleurlingen tot het geven van getuigenis in hunne kerken toe te laten. Men heeft berekend dat door deze daad omstreeks tachtig duizend menschen van het regt van getuigenis beroofd zijn geworden. Deze Methodistische kerk splitste zich naderhand in eene noordelijke en zuidelijke Conferentie. De zuidelijke Conferentie is geheel en al vóór de slavernij gestemd, terwijl de noordelijke nog altoos slavenhoudende Conferentiën en leden telt.
Van de noordelijke Conferentiën nam eene der uitgebreidste, die van Baltimore, het navolgende besluit:
Is besloten, dat deze Conferentie alle deelneming in het abolitionismus afkeurt. En dewijl zij, integendeel, besloten heeft hare welbekende en lang gevestigde stelling te handhaven door de tot hare gemeenschap behoorende reizende predikanten buiten de slavernij-kwestie te houden, zoo is ook besloten geene betrekking te onderhouden met eenig kerkelijk ligchaam dat het niet houden van slaven tot voorwaarde van het lidmaatschap der kerk maakt, maar de kerkelijke tucht, zoo als zij bestaat, te ondersteunen en te handhaven.
Is besloten, dat deze Conferentie alle deelneming in het abolitionismus afkeurt. En dewijl zij, integendeel, besloten heeft hare welbekende en lang gevestigde stelling te handhaven door de tot hare gemeenschap behoorende reizende predikanten buiten de slavernij-kwestie te houden, zoo is ook besloten geene betrekking te onderhouden met eenig kerkelijk ligchaam dat het niet houden van slaven tot voorwaarde van het lidmaatschap der kerk maakt, maar de kerkelijke tucht, zoo als zij bestaat, te ondersteunen en te handhaven.
Het volgende uittreksel is genomen uit een adres van de Philadelphische jaarlijksche Conferentie aan de onder haar opzigt staande gemeenten, gedagteekend uit Wilmington (Staat Delaware) den 7denApril 1847:
Zoo het plan van scheiding ons met de herderlijke zorg over u belast, dan blijft er te onderzoeken of wij, als Conferentie of als menschen, iets hebben gedaan, waardoor wij uwe liefde en vertrouwen verbeurd zouden hebben. Het is ons niet bekend dat wij, zelfs in de groote woeling die u, eenige maanden geleden, bedroefde, door iemand wien het ook zij, van eenige fout in ons zedelijk gedrag, van ongezondheid in de leer, of wel van dwingelandij of omkoopbaarheid in de handhaving der kerkelijke tucht beschuldigdzijn. Doch wij vernemen dat de oorzaak der ongelukkige spanning onder u alleen deze is, dat sommigen ons verdenken, of veinzen te verdenken, van abolitionisten te zijn. Doch geene bijzondere daad van de Conferentie, noch van iemand harer afzonderlijke leden, wordt als bewijs aangevoerd voor deze ongegronde en onregtvaardige verdenking. Wij mogen het vragen, broeders, of de loop onzer zestigjarige bediening onder u ons niet voor zulk eene beschuldiging behoorde te vrijwaren? Of de vraag, die wij sinds eenige jaren gewoon zijn den candidaten voor te leggen, namelijk,zijt gij een abolitionist?zonder wier ontkennende beantwoording geen hunner onder ons werd toegelaten, ons niet voor zulk eene beschuldiging behoorde te vrijwaren. Of de daad der laatste Conferentie met betrekking tot deze bijzondere zaak niet elken opregten en waarheidlievenden behoorde te overtuigen dat wij geene abolitionisten zijn, en het ook niet begeeren te zijn? *** Wij kunnen niet bevroeden hoe wij voor abolitionisten kunnen worden aangezien, ten ware men de predikanten der Methodistisch-Episcopaalsche kerk in het Zuiden in hetzelfde licht wilde beschouwen.Onder toewensching van alle hemelsche zegeningen, blijven wij, waarde broeders, de uwen in Christus Jezus,J. P. Durbin.J. Kennaday.Ignatius T. Cooper.William H. Gilder.Joseph Castle.
Zoo het plan van scheiding ons met de herderlijke zorg over u belast, dan blijft er te onderzoeken of wij, als Conferentie of als menschen, iets hebben gedaan, waardoor wij uwe liefde en vertrouwen verbeurd zouden hebben. Het is ons niet bekend dat wij, zelfs in de groote woeling die u, eenige maanden geleden, bedroefde, door iemand wien het ook zij, van eenige fout in ons zedelijk gedrag, van ongezondheid in de leer, of wel van dwingelandij of omkoopbaarheid in de handhaving der kerkelijke tucht beschuldigdzijn. Doch wij vernemen dat de oorzaak der ongelukkige spanning onder u alleen deze is, dat sommigen ons verdenken, of veinzen te verdenken, van abolitionisten te zijn. Doch geene bijzondere daad van de Conferentie, noch van iemand harer afzonderlijke leden, wordt als bewijs aangevoerd voor deze ongegronde en onregtvaardige verdenking. Wij mogen het vragen, broeders, of de loop onzer zestigjarige bediening onder u ons niet voor zulk eene beschuldiging behoorde te vrijwaren? Of de vraag, die wij sinds eenige jaren gewoon zijn den candidaten voor te leggen, namelijk,zijt gij een abolitionist?zonder wier ontkennende beantwoording geen hunner onder ons werd toegelaten, ons niet voor zulk eene beschuldiging behoorde te vrijwaren. Of de daad der laatste Conferentie met betrekking tot deze bijzondere zaak niet elken opregten en waarheidlievenden behoorde te overtuigen dat wij geene abolitionisten zijn, en het ook niet begeeren te zijn? *** Wij kunnen niet bevroeden hoe wij voor abolitionisten kunnen worden aangezien, ten ware men de predikanten der Methodistisch-Episcopaalsche kerk in het Zuiden in hetzelfde licht wilde beschouwen.
Onder toewensching van alle hemelsche zegeningen, blijven wij, waarde broeders, de uwen in Christus Jezus,
J. P. Durbin.J. Kennaday.Ignatius T. Cooper.William H. Gilder.Joseph Castle.
Deze feiten mogen volstaan ter kenschetsing van de gevoelens der Methodistische kerk. De geschiedenis is treurig, doch leerzaam. Die der Presbyteriaansche kerk is evenzeer belangrijk.
In 1793 werd de volgende verklarende noot op het achtste gebod bij het Boek der kerkelijke tucht ingelascht, als de leer der kerk met betrekking tot het houden van slaven uitdrukkende:
1 Tim. I: 10. De wet is gemaakt tegenMENSCHENDIEVEN. Deze misdaad stelde hen die zich daaraan schuldig maakten, aan de zwaarste straf bloot, Exodus XXI: 16;en de Apostel plaatst hen hier onder de zondaars van den eersten rang. Het door hem gebezigde woord omvat, in zijne oorspronkelijke beteekenis, allen die medepligtig zijn aan het in slavernij brengen of houden van eenig menschelijk schepsel.Hominum fures, qui servos vel liberos, abducunt, retinent, vendunt, vel emunt.Menschendieven zijn zij alle, die slaven of vrije lieden wegleiden, en zeHOUDEN,KOOPENofVERKOOPEN. Een vrij mensch te stelen, zegt Grotius, is de ergste soort van diefstal. In andere gevallen stelen wij slechts menschelijk eigendom; doch wanneer wij menschen stelen of in slavernij houden, dan maken wij ons meester van hen, die, gemeenschappelijk met ons, tot heeren over de aarde gesteld zijn.
1 Tim. I: 10. De wet is gemaakt tegenMENSCHENDIEVEN. Deze misdaad stelde hen die zich daaraan schuldig maakten, aan de zwaarste straf bloot, Exodus XXI: 16;en de Apostel plaatst hen hier onder de zondaars van den eersten rang. Het door hem gebezigde woord omvat, in zijne oorspronkelijke beteekenis, allen die medepligtig zijn aan het in slavernij brengen of houden van eenig menschelijk schepsel.Hominum fures, qui servos vel liberos, abducunt, retinent, vendunt, vel emunt.Menschendieven zijn zij alle, die slaven of vrije lieden wegleiden, en zeHOUDEN,KOOPENofVERKOOPEN. Een vrij mensch te stelen, zegt Grotius, is de ergste soort van diefstal. In andere gevallen stelen wij slechts menschelijk eigendom; doch wanneer wij menschen stelen of in slavernij houden, dan maken wij ons meester van hen, die, gemeenschappelijk met ons, tot heeren over de aarde gesteld zijn.
Aan geene regelen der kerkelijke tucht werd kracht bijgezet, en leden die door de aangehaalde woorden aan deze misdaad schuldig verklaard werden, bleven ongestoord, als predikanten of ouderlingen, tot de gemeente behooren. Deze onbestaanbaarheid werd in 1816 uit den weg geruimd, door het aangehaalde uit het Boek der kerkelijke tucht te schrappen. In 1818 gaf zij eene verklaring harer inzigten nopens de slavernij. Dit document is zeer uitgebreid, in een echt christelijken geest gedacht en geschreven, en werdeenstemmigaangenomen. Het navolgende is zijne belijdenis opzigtelijk den aard der slavernij:
Wij beschouwen het moedwillig in slavernij brengen van een gedeelte des menschelijken geslachts door een ander, als eene zware schending der kostelijkste en heiligste regten der menschelijke natuur; als ten uiterste onbestaanbaar met de wet Gods, die eischt dat wij onzen naasten zullen liefhebben als ons zelven; en als ten eenemale onvereenigbaar met den geest en de voorschriften van het Evangelie van Christus, die ons inscherpen: „alles wat gij wilt dat u de menschen doen zullen, doet gij hen ook alzoo.” De slavernij schept eene tegen de zedeleer aandruischende stelling (paradox); zij brengt zedelijke, voor hunne daden verantwoordelijke, en onsterfelijke wezens in eenen toestand, die hen naauwelijks het vermogen tot zedelijke werkzaamheid overlaat. Zij doet het van den wil van anderen afhangen of zij godsdienstig onderwijszullen ontvangen; of zij den waren God zullen kennen en vereeren; of zij in de zegeningen des Evangelies zullen deelen; of zij de pligten en genoegens van echtgenooten, ouders en kinderen, betrekkingen en vrienden, zullen volbrengen en genieten; of zij hunne kuischheid en zuiverheid zullen bewaren, of de voorschriften van regtvaardigheid en menschelijkheid zullen opvolgen. Deze zijn eenige der gevolgen van de slavernij; gevolgen, niet denkbeeldig, maar die in haar bestaan zelve liggen opgesloten. De rampen waaraan de slaafaltoosis blootgesteld, hebben dikwijls werkelijk plaats, en wel in hun ergsten trap en gedaante; en waar zij alle geen plaats hebben—zoo als wij met blijdschap zeggen, dat dikwijls, door den invloed der beginselen van Godsdienst en menschelijkheid op het gemoed der meesters, het geval is—is de slaaf niettemin beroofd van zijn natuurregt, als menschelijk wezen verlaagd, en aan het gevaar blootgesteld van in handen van een meester over te gaan, die hem alle ongemakken en beleedigingen kan doen ondergaan, die onmenschelijkheid en gierigheid hem kunnen doen uitdenken.
Wij beschouwen het moedwillig in slavernij brengen van een gedeelte des menschelijken geslachts door een ander, als eene zware schending der kostelijkste en heiligste regten der menschelijke natuur; als ten uiterste onbestaanbaar met de wet Gods, die eischt dat wij onzen naasten zullen liefhebben als ons zelven; en als ten eenemale onvereenigbaar met den geest en de voorschriften van het Evangelie van Christus, die ons inscherpen: „alles wat gij wilt dat u de menschen doen zullen, doet gij hen ook alzoo.” De slavernij schept eene tegen de zedeleer aandruischende stelling (paradox); zij brengt zedelijke, voor hunne daden verantwoordelijke, en onsterfelijke wezens in eenen toestand, die hen naauwelijks het vermogen tot zedelijke werkzaamheid overlaat. Zij doet het van den wil van anderen afhangen of zij godsdienstig onderwijszullen ontvangen; of zij den waren God zullen kennen en vereeren; of zij in de zegeningen des Evangelies zullen deelen; of zij de pligten en genoegens van echtgenooten, ouders en kinderen, betrekkingen en vrienden, zullen volbrengen en genieten; of zij hunne kuischheid en zuiverheid zullen bewaren, of de voorschriften van regtvaardigheid en menschelijkheid zullen opvolgen. Deze zijn eenige der gevolgen van de slavernij; gevolgen, niet denkbeeldig, maar die in haar bestaan zelve liggen opgesloten. De rampen waaraan de slaafaltoosis blootgesteld, hebben dikwijls werkelijk plaats, en wel in hun ergsten trap en gedaante; en waar zij alle geen plaats hebben—zoo als wij met blijdschap zeggen, dat dikwijls, door den invloed der beginselen van Godsdienst en menschelijkheid op het gemoed der meesters, het geval is—is de slaaf niettemin beroofd van zijn natuurregt, als menschelijk wezen verlaagd, en aan het gevaar blootgesteld van in handen van een meester over te gaan, die hem alle ongemakken en beleedigingen kan doen ondergaan, die onmenschelijkheid en gierigheid hem kunnen doen uitdenken.
Deze taal was voorzeker duidelijk en beslissend, en werd, door slavenhouders en niet-slavenhouders,eenpariggoedgekeurd. Men zou zonder twijfel gedacht hebben, dat nu de tijd der verlossing nabij was. De verklaring gaat nog verder, en zegt:
Wanneer de onbestaanbaarheid der slavernij met de uitspraken van Godsdienst en menschelijkheid bewezen is, enalgemeen ingezien en erkendwordt, dan is het duidelijk de pligt van alle Christenen, die zich in het licht der tegenwoordige bedeeling verheugen mogen, om eerlijke, ijverige, onvermoeide pogingen aan te wenden tot verbetering der dwalingen van vorige tijden, en zoo spoedig mogelijk deze vlek op onze heilige Godsdienst af te wisschen door deVOLKOMENE AFSCHAFFINGder slavernij onder het Christendom en door de geheele wereld.
Wanneer de onbestaanbaarheid der slavernij met de uitspraken van Godsdienst en menschelijkheid bewezen is, enalgemeen ingezien en erkendwordt, dan is het duidelijk de pligt van alle Christenen, die zich in het licht der tegenwoordige bedeeling verheugen mogen, om eerlijke, ijverige, onvermoeide pogingen aan te wenden tot verbetering der dwalingen van vorige tijden, en zoo spoedig mogelijk deze vlek op onze heilige Godsdienst af te wisschen door deVOLKOMENE AFSCHAFFINGder slavernij onder het Christendom en door de geheele wereld.
Hier zien wij dan de geheele, slavenhoudende en niet-slavenhoudende, Presbyteriaansche kerk, daadwerkelijk tot een grootabolitie-genootschapgevormd, zoo als wij gezien hebben dat de Methodistische insgelijks was.
De „Assembly” zegt verder dat de slavenvoor tegenwoordignog niet tot de vrijheid zijn voorbereid; dat zij (de „Assembly”) treurig is aangedaan over het op kerk en vaderland overgeërfde aandeel in dit kwaad; doch dat „een groot en het deugdzaamste gedeelte der gemeenteDE SLAVERNIJ VERAFSCHUWTenHARE VERNIETIGINGwenscht.” Wijders vermaant zij om het werk van het onderwijs der slaven onverwijld aan te vangen, met het doel om hen tot de vrijheid voor te bereiden; om geen langer uitstel te nemen dan „met betrekking tot het openbare welzijnonvermijdelijkgevorderd wordt;” en om zich „door geene andere inzigten te laten beheerschen dan „eene eerlijke en onpartijdige beschouwing van het welzijn der onderdrukte partij, op welke beschouwing denadeelen en ongelegenhedendie zij mogt medebrengen,geen invloed mogen uitoefenen.” Zij waarschuwt tegen eene „noodelooze uitbreiding dier redenen van noodzakelijkheid” als dekmantel voor de zucht tot instandhouding der slavernij. Zij eindigt met de bedreiging eener onmiddellijke censuur en schorsing jegens een ieder die een mede-Christen, zonder diens toestemming, verkoopen mogt.
Wanneer wij in aanmerking nemen dat dit alles, zoowel door slavenhouders als anderen,eenstemmigwerd aangenomen, en toestemmen, zoo als wij ongetwijfeld doen, dat het eerlijk en ter goeder trouw geschiedde, dan zullen wij er voorzeker iets van verwachten. De onmiddellijke daarstelling en organisatie van scholen voor de slavenkinderen; een doelmatig godsdienstig onderrigt; eene volkomene staking van den handel in Christenslaven; wetten, die de familie-betrekkingen heiligen; dit alles zouden wij er van verwachten. En is er iets van dat alles gedaan of beproefd? Helaas! Twee jaren later kwam de admissie van Missouri tot de Unie, en de toenemende vraag op de Zuidelijke slavenmarkt, en de binnenlandsche slavenhandel. In plaats van school-onderwijzers had men slaven-handelaars; in plaats vanscholente verzamelen, verzamelde men slaven-hoopen; in plaats van schoolhuizen te bouwen, bouwde men slavenhokken, slavengevangenissen, factorijen, of hoe de handel ze verkiest te noemen; en dit was de geschiedenis van het plan van trapsgewijze emancipatie!
Zestien jaren later, in 1834, gaf eene speciale commissie uit de synode van Kentucky, in welken Staat, naar het algemeengevoelen, de slavernij in haren zachtsten vorm bestaat, de volgende schildering van den toestand der slaven. In de eerste plaats zegt zij, met betrekking tot hunnen godsdienstigen toestand:
Na alles wat billijk is te hebben laten gelden, kan onze bevolking van kleurlingen, op zijn best, nog maar als half-heidensch beschouwd worden.Wreede geeselingen en alle de verschillende soorten van persoonlijke vernederingen, zijn niet de eenige soort van wreedheid, die de slavernij medebrengt. De familie-betrekkingen van den slaaf worden niet door de wet erkend, terwijl zij hare bescherming van het genot des huiselijken geluks niet tot hem uitstrekt. De leden eener slavenfamilie mogen gewelddadig gescheiden worden, zoodat zij elkander vóór den oordeelsdag nooit wederzien. En de begeerlijkheid prikkelt den meester niet zelden, om te doen wat de wet veroorlooft. Broeders en zusters, ouders en kinderen, echtgenooten en vrouwen, worden van elkander afgerukt, en mogen elkander nooit wederzien.Deze dingen hebben dagelijks onder ons plaats.Het gegil en de doodsangsten, bij zulke gelegenheden dikwijls bijgewoond, verkondigen met de stem eener bazuin de onregtvaardigheid en wreedheid van ons stelsel. De noodkreten dezer lijders klimmen op tot het oor des Heeren Zebaoth.Er is geen vlek, waar deze hartverscheurende tooneelen geen plaats hebben.Er is geen dorp of landweg, waar de treurige optogten niet gezien worden van geboeide ongelukkigen, wier ketenen en nedergebogene houding verhalen, dat zij door geweld zijn weggerukt van allen, die aan hunne harten dierbaar zijn. Jaren geleden verhief onze kerk hare stem van plegtige waarschuwing tegen deze in het oog loopende schending aller beginselen van barmhartigheid, regtvaardigheid en menschelijkheid. Maar wij blozen, dat wij voor u en voor de wereld betuigen moeten, dat die waarschuwing dikwijls is verwaarloosd geworden, door de zoodanigen zelfs, die van onze gemeente zijn.In onze eigene kerkelijke afdeeling hebben er gevallen plaats gehad, dat belijders van de godsdienst der barmhartigheid de moeder van hare kinderen hebben afgescheurd, en haar in eene onbarmhartige, eeuwigdurende ballingschap hebben gezonden. Maar zelden heeft mende kerkelijke tucht voor zulk een gedrag jegens hen uitgeoefend.
Na alles wat billijk is te hebben laten gelden, kan onze bevolking van kleurlingen, op zijn best, nog maar als half-heidensch beschouwd worden.
Wreede geeselingen en alle de verschillende soorten van persoonlijke vernederingen, zijn niet de eenige soort van wreedheid, die de slavernij medebrengt. De familie-betrekkingen van den slaaf worden niet door de wet erkend, terwijl zij hare bescherming van het genot des huiselijken geluks niet tot hem uitstrekt. De leden eener slavenfamilie mogen gewelddadig gescheiden worden, zoodat zij elkander vóór den oordeelsdag nooit wederzien. En de begeerlijkheid prikkelt den meester niet zelden, om te doen wat de wet veroorlooft. Broeders en zusters, ouders en kinderen, echtgenooten en vrouwen, worden van elkander afgerukt, en mogen elkander nooit wederzien.Deze dingen hebben dagelijks onder ons plaats.Het gegil en de doodsangsten, bij zulke gelegenheden dikwijls bijgewoond, verkondigen met de stem eener bazuin de onregtvaardigheid en wreedheid van ons stelsel. De noodkreten dezer lijders klimmen op tot het oor des Heeren Zebaoth.Er is geen vlek, waar deze hartverscheurende tooneelen geen plaats hebben.Er is geen dorp of landweg, waar de treurige optogten niet gezien worden van geboeide ongelukkigen, wier ketenen en nedergebogene houding verhalen, dat zij door geweld zijn weggerukt van allen, die aan hunne harten dierbaar zijn. Jaren geleden verhief onze kerk hare stem van plegtige waarschuwing tegen deze in het oog loopende schending aller beginselen van barmhartigheid, regtvaardigheid en menschelijkheid. Maar wij blozen, dat wij voor u en voor de wereld betuigen moeten, dat die waarschuwing dikwijls is verwaarloosd geworden, door de zoodanigen zelfs, die van onze gemeente zijn.In onze eigene kerkelijke afdeeling hebben er gevallen plaats gehad, dat belijders van de godsdienst der barmhartigheid de moeder van hare kinderen hebben afgescheurd, en haar in eene onbarmhartige, eeuwigdurende ballingschap hebben gezonden. Maar zelden heeft mende kerkelijke tucht voor zulk een gedrag jegens hen uitgeoefend.
De Eerwaarde James G. Birney, die eenige jaren in Kentucky woonde, verbetert, in zijn vlugschrift het woordzelden, door ernooitvoor in de plaats te stellen. Wat kon nu duidelijk de uiterste ondoelmatigheid der laatste verklaring van de „Assembly,” en de noodzakelijkheid van meer krachtdadige maatregelen aantoonen? In 1835 werd uit dien hoofde door de Algemeene Vergadering op de zaak aangedrongen, terwijl de leden dringend gesmeekt werden, om de in 1818 door hen beledene beginselen en voornemens ten uitvoer te leggen.
In eene door Mr. Stuart, uit Illinois, gehouden redevoering over dit onderwerp, zeide hij:
Ik hoop, dat deze Vergadering bereid is, om onbewimpeld voor haar gevoelen uit te komen, en rondborstig hare meening te verklaren, dat het houden van slaven eene uiterst snoode en verfoeijelijkeZONDEis. Laten wij hier geene zijpaden inslaan, terwijl zoo vele duizenden en tienduizenden onzer medeschepselen onder de zweep krimpen, die zelfs door leeraars en ouderlingen van de Presbyteriaansche kerk gezwaaid wordt.In deze kerk mag iemand een vrijgeboren kind grijpen, het van zijne ouders afrukken, aan wien God het toevertrouwde, zeggende: „voedt het voor mij op,” het als een dier verkoopen of in altoosdurende slavernij houden—en niet alleen ligchamelijke straf ontgaan, maar nog daarenboven voor een uitmuntend Christen gehouden worden. Ja, zelfs bedienaars des Evangelies en doctoren in de Godgeleerdheid mogen zich met dezen snooden handel inlaten, en niettemin hunne verhevene en heilige roeping handhaven.Ouderlingen, leeraars en doctoren in de Godgeleerdheid, zijn, met beide handen, in dezen handel werkzaam.
Ik hoop, dat deze Vergadering bereid is, om onbewimpeld voor haar gevoelen uit te komen, en rondborstig hare meening te verklaren, dat het houden van slaven eene uiterst snoode en verfoeijelijkeZONDEis. Laten wij hier geene zijpaden inslaan, terwijl zoo vele duizenden en tienduizenden onzer medeschepselen onder de zweep krimpen, die zelfs door leeraars en ouderlingen van de Presbyteriaansche kerk gezwaaid wordt.
In deze kerk mag iemand een vrijgeboren kind grijpen, het van zijne ouders afrukken, aan wien God het toevertrouwde, zeggende: „voedt het voor mij op,” het als een dier verkoopen of in altoosdurende slavernij houden—en niet alleen ligchamelijke straf ontgaan, maar nog daarenboven voor een uitmuntend Christen gehouden worden. Ja, zelfs bedienaars des Evangelies en doctoren in de Godgeleerdheid mogen zich met dezen snooden handel inlaten, en niettemin hunne verhevene en heilige roeping handhaven.
Ouderlingen, leeraars en doctoren in de Godgeleerdheid, zijn, met beide handen, in dezen handel werkzaam.
Men zou gedacht hebben, dat daadzaken als deze, in eene Vergadering van Christenen uitgesproken, genoeg zouden zijn om de dooden te wekken: maar helaas! men kan aan zeerafschuwelijke dingen gewoon worden. Op deze voorstellingen volgde niets anders dan dat men ze eene commissie in handen stelde, die op de volgende bijeenkomst, in 1836, haar verslag daarover zou uitbrengen.
De bestuurder van de Vergadering in 1836 was een slavenhouder: Dr. T. S. Witherspoon, dezelfde die aan den uitgever van denEmancipatorschreef: „Ik bewijs mijne bevoegdheid, om den slaaf in dienstbaarheid te houden, uit de Schriften des Ouden en Nieuwen Testaments. Het beginsel om den Heiden in dienstbaarheid te houden, is door God erkend. Als de trage voortgang der wetten te talmachtig is, om onze grieven te herstellen, dan hebben wij hier in het Zuiden het onfeilbare middel van Regter Lynch aangenomen.”
De meerderheid der speciale Commissie bragt een Verslag uit als volgt:
Nademaal het onderwerp der slavernij onafscheidelijk verbonden is met de wetten van vele Staten in deze Unie, waarin het een kerkelijk regtsgebied geenszins vrijstaat, zich te mengen, en vele beschouwingen insluit nopens welke het bekend is, dat eene groote verscheidenheid van meeningen en gevoelens in de door deze Vergadering vertegenwoordigde kerken wordt aangetroffen: en nademaal er vele redenen bestaan, om te gelooven, dat eenige daad van wege deze Vergadering, met betrekking tot dit onderwerp strekken zoude, om onze kerken onderling te verwijderen en te verdeelen, en ongetwijfeld op geenerlei wijze diegenen bevoordeelen zoude, wier welzijn door de ingeleverde memoriën regtstreeks bedoeld wordt:Isuit dien hoofdebesloten:1. Dat de Vergadering het niet oorbaar acht, eenige verdere maatregelen in deze zaak te nemen.2. Dat, dewijl de ophelderingen (notes), die uit onze openbare formulieren zijn weggeschrapt, en wier herstelling door eenige der ingediende memoriën verlangd wordt, op eene onregelmatige wijze zijn ingevoerd, nooit door de kerk zijn bekrachtigd, en derhalve nooit eenig gezag hadden, de Algemeene Vergadering geene magt heeft, en het ook niet voegzaam acht, er eene plaats in de gewettigde kerkformulieren aan toe te wijzen.
Nademaal het onderwerp der slavernij onafscheidelijk verbonden is met de wetten van vele Staten in deze Unie, waarin het een kerkelijk regtsgebied geenszins vrijstaat, zich te mengen, en vele beschouwingen insluit nopens welke het bekend is, dat eene groote verscheidenheid van meeningen en gevoelens in de door deze Vergadering vertegenwoordigde kerken wordt aangetroffen: en nademaal er vele redenen bestaan, om te gelooven, dat eenige daad van wege deze Vergadering, met betrekking tot dit onderwerp strekken zoude, om onze kerken onderling te verwijderen en te verdeelen, en ongetwijfeld op geenerlei wijze diegenen bevoordeelen zoude, wier welzijn door de ingeleverde memoriën regtstreeks bedoeld wordt:
Isuit dien hoofdebesloten:
1. Dat de Vergadering het niet oorbaar acht, eenige verdere maatregelen in deze zaak te nemen.
2. Dat, dewijl de ophelderingen (notes), die uit onze openbare formulieren zijn weggeschrapt, en wier herstelling door eenige der ingediende memoriën verlangd wordt, op eene onregelmatige wijze zijn ingevoerd, nooit door de kerk zijn bekrachtigd, en derhalve nooit eenig gezag hadden, de Algemeene Vergadering geene magt heeft, en het ook niet voegzaam acht, er eene plaats in de gewettigde kerkformulieren aan toe te wijzen.
De minderheid der Commissie, de Eerwaarde heeren Dickey en Beman, bragten het volgende verslag uit:
Is besloten:1. Dat het koopen, verkoopen of in eigendom bezitten van een menschelijk wezen, in het oog van God eene afschuwelijke zonde is, en hij, die er zich aan schuldig maakt, aan de kerkelijke censuur behoorde onderworpen te worden.2. Dat het de pligt is van een ieder, maar inzonderheid van elken Christen, die zich aan deze zonde mogt hebben schuldig gemaakt, zich zonder uitstel uit hare strikken los te maken.3. Dat het de pligt is van iedereen, maar inzonderheid van elken Christen, om in de kracht en in de liefde des Evangelies de zaak der armen en behoeftigen te bepleiten, door tegen het beginsel en de daad der slavernij te getuigen, en zijne beste pogingen aan te wenden, om de kerk des Heeren van dit euvel te bevrijden, en de emancipatie der slaven in deze Vereenigde Staten en over de geheele wereld te bevorderen.
Is besloten:
1. Dat het koopen, verkoopen of in eigendom bezitten van een menschelijk wezen, in het oog van God eene afschuwelijke zonde is, en hij, die er zich aan schuldig maakt, aan de kerkelijke censuur behoorde onderworpen te worden.
2. Dat het de pligt is van een ieder, maar inzonderheid van elken Christen, die zich aan deze zonde mogt hebben schuldig gemaakt, zich zonder uitstel uit hare strikken los te maken.
3. Dat het de pligt is van iedereen, maar inzonderheid van elken Christen, om in de kracht en in de liefde des Evangelies de zaak der armen en behoeftigen te bepleiten, door tegen het beginsel en de daad der slavernij te getuigen, en zijne beste pogingen aan te wenden, om de kerk des Heeren van dit euvel te bevrijden, en de emancipatie der slaven in deze Vereenigde Staten en over de geheele wereld te bevorderen.
De slavenhoudende afgevaardigden, ten getale van acht-en-veertig, vergaderdenafzonderlijk, enbesloten:
Dat, ingeval de Algemeene Vergadering ondernemen mogt, nopens het onderwerp der slavernij eenig gezag uit te oefenen, door haar b. v. eene onzedelijkheid te noemen, of op eenigerlei wijze te verklaren, dat Christenen, die slaven houden, zich aan misdaad schuldig maken, alsdan door de afgevaardigden uit het Zuiden eene verklaring zal worden ingeleverd, waardoor de regtsbevoegdheid der Vergadering ten deze ontkend, en ons voornemen uitgedrukt wordt, om ons aan zoodanige beslissing niet te onderwerpen.
Dat, ingeval de Algemeene Vergadering ondernemen mogt, nopens het onderwerp der slavernij eenig gezag uit te oefenen, door haar b. v. eene onzedelijkheid te noemen, of op eenigerlei wijze te verklaren, dat Christenen, die slaven houden, zich aan misdaad schuldig maken, alsdan door de afgevaardigden uit het Zuiden eene verklaring zal worden ingeleverd, waardoor de regtsbevoegdheid der Vergadering ten deze ontkend, en ons voornemen uitgedrukt wordt, om ons aan zoodanige beslissing niet te onderwerpen.
Ten aanzien dezer strijdige rapporten, besloot de vergadering als volgt:
Nademaal de constitutie der Presbyteriaansche kerk, in hare aanleidende en grondwettige beginselen, verklaart datgeene kerkelijke overheden zich het regt mogen aanmatigen van wetten te maken om uitkrachte van hun gezaghet geweten te binden; en nademaal de spoedvorderende aard der bezigheden van de vergadering, en de kortheid des tijds dien zij aan hare zittingen kan besteden, het onmogelijk maken om met een rijp overleg over het onderwerp der slavernij in betrekking tot de Kerk te beraadslagen en te beslissen,is, derhalve,besloten, dat dit geheele onderwerp onbepaald zal worden uitgesteld.
Nademaal de constitutie der Presbyteriaansche kerk, in hare aanleidende en grondwettige beginselen, verklaart datgeene kerkelijke overheden zich het regt mogen aanmatigen van wetten te maken om uitkrachte van hun gezaghet geweten te binden; en nademaal de spoedvorderende aard der bezigheden van de vergadering, en de kortheid des tijds dien zij aan hare zittingen kan besteden, het onmogelijk maken om met een rijp overleg over het onderwerp der slavernij in betrekking tot de Kerk te beraadslagen en te beslissen,is, derhalve,besloten, dat dit geheele onderwerp onbepaald zal worden uitgesteld.
Het beloop van den slavenhandel,—tijdens de Algemeene Vergadering weigerde men het geheele onderwerp der slavernij te behandelen,—kan uit de volgendeitemsworden afgeleid. In een artikel van denVirginia Timesuit dat zelfde jaar 1836, wordt het getal der ten verkoop uitgevoerde slaven, uit dien staat alleen, gedurende de laatste twaalf maanden, op veertig duizend geschat. DeNatchez Courier(Mississippi) zegt, dat door de staten van Alabama, Missouri en Arkansas, in datzelfde jaar, twee honderd en vijftig duizend slaven uit de meer noordelijke Staten zijn ingevoerd. Zoo wij daar nu diegenen van aftrekken die men vermoeden kan dat met hunne meesters geëmigreerd zijn, welk een onmetelijke handel blijft er dan toch nog over!
De Eerwaarde James H. Dickey, de voorsteller der bovengemelde besluiten, had eenige omstandigheden bijgewoond die hem natuurlijkerwijze den wensch moesten inboezemen dat de Vergadering de zaak ter harte name, zoo als blijkt uit het volgende, door hem geschrevene verhaal zijner ontmoeting van een slaventroep:
In den zomer van 1822, toen ik met mijne familie van een bezoek naar de vlakten van Kentucky terugkeerde, was ik ooggetuige van een tooneel zoo als ik nog nooit te voren gezien had, en ook nooit weder hoop te zullen zien. Nadat wij Parijs, in Bourbon County (Staat Kentucky) waren doorgetrokken, werd mijne aandacht geboeid door de klanken eener muzijk, die van achter een eenigzins oprijzenden grond scheen voort te komen. Ik rigtte het oog derwaarts, en zag de vlag van mijn vaderland wapperen. In de meening van eene militaire parade te zullen ontmoeten,spoedde ik mij naar de zijde van den weg; en, de hoogte beklommen hebbende, ontdekte ik, naar gissing, omstreeks veertig zwarten, alle op de volgende wijze aan elkander geketend: zij waren in rij en gelid geplaatst, terwijl ieder afzonderlijk met een handboei gekluisterd was. Tusschen de twee rijen door, liep een keten van misschien veertig voet lang, waaraan kortere ketenen gehecht waren, die weder tot aan de handboeijen liepen. Achter hen waren, naar gissing, omstreeks dertig vrouwen, paarsgewijze met de handen aan elkander gebonden. Eene diepe droefheid lag op aller gelaat, en de akelige stilte van dezen wanhopigen optogt werd alleen door den klank van twee violen afgebroken; ja, alsof men beschimping bij het lijden had willen voegen, had men aan ieder van het voorste paar eene viool in handen gegeven; het tweede paar was met kokarden opgeschikt, en omtrent in het midden waaide de republikeinsche vlag, door eene hand gedragen dieletterlijk in ketenenwas. Ik kon mij niet bedwingen, den opziener, die, op zijn gemak, naast den troep reed, toe te roepen: „’s Hemels vloek ruste op den man die zulk een handel drijft, en op de regering die hem daarbij beschermt!” Ik zette mijne reis tot aan den avond voort, en maakte mijn nachtkwartier gereed, terwijl ik het tooneel verhaalde, waarvan ik getuige geweest was. „Ach!” riep mijne hospita, „dat is mijn broeder!” Van haar vernam ik dat hij Stone heette, uit Bourbon County (Kentucky), in compagnieschap met zekeren Kinningham, uit Parijs (Kentucky), en dat hij, weinige dagen te voren, van een man uit Nicholas County eene negerin gekocht had. Zij weigerde met hem mede te gaan; hij beproefde haar te dwingen, doch zij verdedigde zich. Zonder verdere pligtpleging trad hij achteruit, wierp haar, door een slag op het hoofd met den knop zijner zweep, op den grond, boeide haar, en nam haar mede. Verder vernam ik, dat behalve den troep dien ik gezien had, er omstreeks dertig, veiligheidshalve, in de gevangenis te Parijs waren opgesloten, om bij den troep gevoegd te worden, en dat zij voor de slavenmarkt van Orleans bestemd waren. En daartoe zijn zij om geene andere misdaad veroordeeld dan die eener zwarte huid en gekroesde lokken. Zou ik over die dingen geene bezoekingdoen? spreekt de Heere.Of zou mijne ziele zich niet wreken aan zulk een volk als dit is?
In den zomer van 1822, toen ik met mijne familie van een bezoek naar de vlakten van Kentucky terugkeerde, was ik ooggetuige van een tooneel zoo als ik nog nooit te voren gezien had, en ook nooit weder hoop te zullen zien. Nadat wij Parijs, in Bourbon County (Staat Kentucky) waren doorgetrokken, werd mijne aandacht geboeid door de klanken eener muzijk, die van achter een eenigzins oprijzenden grond scheen voort te komen. Ik rigtte het oog derwaarts, en zag de vlag van mijn vaderland wapperen. In de meening van eene militaire parade te zullen ontmoeten,spoedde ik mij naar de zijde van den weg; en, de hoogte beklommen hebbende, ontdekte ik, naar gissing, omstreeks veertig zwarten, alle op de volgende wijze aan elkander geketend: zij waren in rij en gelid geplaatst, terwijl ieder afzonderlijk met een handboei gekluisterd was. Tusschen de twee rijen door, liep een keten van misschien veertig voet lang, waaraan kortere ketenen gehecht waren, die weder tot aan de handboeijen liepen. Achter hen waren, naar gissing, omstreeks dertig vrouwen, paarsgewijze met de handen aan elkander gebonden. Eene diepe droefheid lag op aller gelaat, en de akelige stilte van dezen wanhopigen optogt werd alleen door den klank van twee violen afgebroken; ja, alsof men beschimping bij het lijden had willen voegen, had men aan ieder van het voorste paar eene viool in handen gegeven; het tweede paar was met kokarden opgeschikt, en omtrent in het midden waaide de republikeinsche vlag, door eene hand gedragen dieletterlijk in ketenenwas. Ik kon mij niet bedwingen, den opziener, die, op zijn gemak, naast den troep reed, toe te roepen: „’s Hemels vloek ruste op den man die zulk een handel drijft, en op de regering die hem daarbij beschermt!” Ik zette mijne reis tot aan den avond voort, en maakte mijn nachtkwartier gereed, terwijl ik het tooneel verhaalde, waarvan ik getuige geweest was. „Ach!” riep mijne hospita, „dat is mijn broeder!” Van haar vernam ik dat hij Stone heette, uit Bourbon County (Kentucky), in compagnieschap met zekeren Kinningham, uit Parijs (Kentucky), en dat hij, weinige dagen te voren, van een man uit Nicholas County eene negerin gekocht had. Zij weigerde met hem mede te gaan; hij beproefde haar te dwingen, doch zij verdedigde zich. Zonder verdere pligtpleging trad hij achteruit, wierp haar, door een slag op het hoofd met den knop zijner zweep, op den grond, boeide haar, en nam haar mede. Verder vernam ik, dat behalve den troep dien ik gezien had, er omstreeks dertig, veiligheidshalve, in de gevangenis te Parijs waren opgesloten, om bij den troep gevoegd te worden, en dat zij voor de slavenmarkt van Orleans bestemd waren. En daartoe zijn zij om geene andere misdaad veroordeeld dan die eener zwarte huid en gekroesde lokken. Zou ik over die dingen geene bezoekingdoen? spreekt de Heere.Of zou mijne ziele zich niet wreken aan zulk een volk als dit is?
Het kan niet mogelijk zijn, dat deze Christelijke mannen deze dingen ter harte namen; of, op zijn hoogst, zij namen die juist op die wijze ter harte als wij de ernstigste waarheden van de godsdienst doen, flaauw en oppervlakkig.
Twee jaren later nam de Algemeene Vergadering, door eene plotselinge en zeer onverwachte beweging, een besluit, waarbij, zonder vorm van regtsgeding, vier synoden, de werkzaamste en meest beslist anti-slavernijgezinde gedeelten van de Kerk bevattende, van de gemeenschap der Kerk werden uitgesloten. De aangevoerde redenen waren, leerstellige verschillen en kerkelijke handelingen, onbestaanbaar met het Presbyterianisme. Door deze daad werden omstreeks vijf honderd leeraars en zestig duizend ledematen van de Presbyteriaansche kerk afgesneden.
Dat gedeelte der Presbyteriaansche kerk, dat de „New School” genaamd wordt, deze handelwijze als onregtmatig beschouwende, weigerde er hare toestemming aan, voegde zich bij de uitgeslotene synoden, en vormde zich met dezen tot de „New School General Assembly.” In deze gemeenschap bleven slechts drie slaven-houdende „presbyteries.” In de oude waren er tusschen de dertig en veertig.
Het gedrag der „Old School Assembly,” na de scheiding, met betrekking tot het onderwerp der slavernij, zal het best kunnen blijken door de aanhaling van een harer besluiten, in 1845 genomen. Daar zij eenige besliste tegenstanders der slavernij in haar midden telde, en daar, bovendien, door eenige vereenigde ligchamen, adressen over dit onderwerp aan haar waren ingediend, openbaarde zij, in dat jaar, haar gevoelen deswege op de volgende wijze:
Is besloten, 1. Dat de Algemeene Vergadering der Presbyteriaansche kerk oorspronkelijk was georganiseerd, en, vervolgens, den band van vereeniging in de kerk heeft vastgehouden, op heterkende beginsel, dat het bestaan der huishoudelijke slavernij, onder de omstandigheden, waarin zij in het zuidelijke gedeelte des lands wordt aangetroffen, geen hinderpaal stelt aan de Christelijke gemeenschap.2. Dat de verzoekschriften, die van de Vergadering verlangen, dat zij het houden van slaven op zich zelve tot een onderwerp van kerkelijke tucht make, uit den aard der zaak van dit ligchaam vorderenzich zelve te ontbinden, en de organisatie te laten varen, waaronder het, door den Goddelijken zegen, zoo lang gebloeid heeft. De strekking is blijkbaar om het Noordelijke van het Zuidelijke gedeelte der Kerk af te scheiden,—een gevolg, hetwelk ieder goed Christen betreuren moet, als leidende tot de ontbinding der Unie van ons dierbaar vaderland, en waartegen ieder verlicht Christen zich verzetten zal, als eene verderfelijke en noodelooze scheuring met zich brengende tusschen broeders, die een gemeenschappelijk geloof belijden.
Is besloten, 1. Dat de Algemeene Vergadering der Presbyteriaansche kerk oorspronkelijk was georganiseerd, en, vervolgens, den band van vereeniging in de kerk heeft vastgehouden, op heterkende beginsel, dat het bestaan der huishoudelijke slavernij, onder de omstandigheden, waarin zij in het zuidelijke gedeelte des lands wordt aangetroffen, geen hinderpaal stelt aan de Christelijke gemeenschap.
2. Dat de verzoekschriften, die van de Vergadering verlangen, dat zij het houden van slaven op zich zelve tot een onderwerp van kerkelijke tucht make, uit den aard der zaak van dit ligchaam vorderenzich zelve te ontbinden, en de organisatie te laten varen, waaronder het, door den Goddelijken zegen, zoo lang gebloeid heeft. De strekking is blijkbaar om het Noordelijke van het Zuidelijke gedeelte der Kerk af te scheiden,—een gevolg, hetwelk ieder goed Christen betreuren moet, als leidende tot de ontbinding der Unie van ons dierbaar vaderland, en waartegen ieder verlicht Christen zich verzetten zal, als eene verderfelijke en noodelooze scheuring met zich brengende tusschen broeders, die een gemeenschappelijk geloof belijden.
Voordit besluit stemden honderd acht en zestig leeraars en ouderlingen, en daartegenslechts dertien.
Het zal naauwelijks noodig zijn, eenige woorden bij deze zoo duidelijke verklaring te voegen. Zij is de onbewimpeldst mogelijke verloochening van ieder protest tegen de slavernij; de rondborstigst mogelijke betuiging, dat het bestaan der kerkelijke organisatie van meer belang is dan al de zedelijke en maatschappelijke beschouwingen, die in eene volkomene verdediging en uitoefening der Amerikaansche slavernij liggen opgesloten.
In het volgende jaar werden een groot aantal verzoek- en vertoogschriften ingediend, waarbij de Vergadering verzocht werd eene nadere getuigenis tegen de slavernij te uiten.
In antwoord op deze verzoekschriften, bevestigde de Algemeene Vergadering op nieuw alle hare vroegere getuigenissen tegen de slavernij, van over zestig jaren herwaarts; waardoor zij derhalve vaststelde, dat de verklaring des vorigen jaars niet als eene intrekking dier vroegere getuigenissen moest beschouwd worden. Met andere woorden: zij verklaarde, in de woorden van 1818, van gevoelen te zijn, dat de slavernij „TEN EENENMALE IN STRIJD IS MET DE GODDELIJKE WET,” en „VOLSTREKT ONVEREENIGBAAR MET DE VOORSCHRIFTEN DES EVANGELIES VAN CHRISTUS;” en toch niettemin „dat zij hare kerkelijke organisatie gevestigd had op het erkende beginsel, dat het bestaan der slavernij, onder de omstandigheden, waarinzij in de Zuidelijke Staten der Unie wordt aangetroffen, geen hinderpaal stelt aan de Christelijke gemeenschap.”
Eenige leden protesteerden tegen deze handeling.
In den beginne vatte men groote hoop op van het ligchaam der „New School.” Als ligchaam bestond het voor het grootste gedeelte uit anti-slavernijgezinden. Het had die synoden in zich opgenomen, wier anti-slavernijgezinde gevoelens en daden, om het minste te zeggen, eene voorname oorzaak harer uitsluiting van de kerk geweest waren. Het had slechts drie slaven-houdende „Presbyteries.” Het had de volle magt in handen. Nu, zoo ooit, was het de tijd, om dezen verfoeijelijken last geheel af te werpen, en, in deze eeuw van inwilliging aan en gelijkvormigheid met de wereld, als eene zuiver protesterende Kerk op te staan, vrij van alle medepligtigheid aan deze allervreeselijkste nationale ongeregtigheid.
Bij de eerste zitting der Algemeene Vergadering werden deze maatregelen, door vele verzoek- en vertoogschriften, ten sterkste aangedrongen. Deze stukken werden aan eene commissie van besliste anti-slavernijgezinden in handen gesteld. Van de eene zijde werd beweerd, dat de tijd nu gekomen was om beslissende maatregelen te nemen tot afsnijding van alle medepligtigheid ten voordeele der slavernij, en om rondborstig voor zijne gevoelens uit te komen, al zou men ook alle kerken van de gemeenschap moeten afsnijden, die niet gereed waren om in eene onmiddellijke emancipatie te bewilligen.
Van den anderen kant werd de meerderheid der commissie door tegenovergestelde beschouwingen geleid. De broeders uit slaven-Staten opperden bedenkingen, nagenoeg als deze: „Broeders, onze harten zijn eenstemmig met de uwe. Wij vereenigen ons met u in geloof, in liefde, in gebeden. Wij namen deel in den u aangedanen smaad door de uitsluiting. Wij stonden toen aan uwe zijde, en zijn er ook nu nog gereed toe. Wij sympathiseren niet met de partij die u heeft uitgedreven, en wenschen ook niet tot haar terug te keeren. Wat de zaak der slavernij betreft, hebben wij geen verschil met u. Wij beschouwen haar als een kwaad. Wij treuren en klagen er over. Wij stellen pogingen in het werk om haar van lieverlede en door vreedzame middelen uit onze kerken te bannen. Wij komen het gevoelen onzer kerken zoo verrete gemoet als ons doenlijk is. Wij kunnen tot geene meer doortastende maatregelen overgaan, zonder onzen invloed op haar te verliezen, en, naar ons oordeel, de zaak der emancipatie achteruit te zetten. Zoo gij op deze beslissende manier begint, kunnen wij onze kerken niet vereenigd houden; zij zullen zich van elkander scheiden, en tot de „Old School” overgaan.”
Hier had men een zeer sterk pleit, door goede en opregte mannen uitgebragt. Daarenboven hield het een beroep in op de edelste gevoelens des harten. Het zeide inderdaad zooveel als: „Broeders, wij hebben u bijgestaan, en uwe zaak verdedigd, toen alles tegen u gekant was; en thans, nu gij de magt in handen hebt, zoudt gij haar bezigen om ons buiten te werpen?”
Deze mannen, hoe sterk anti-slavernijgezind ook, konden niet onbelemmerd te werk gaan. Een lid der commissie voorzag en vreesde er de uitkomst van. Hij was van gevoelen, en gaf zulks te kennen, dat de voorgeslagene maatregel de geheele zaak zou doen schipbreuk lijden. De meerderheid was, ten slotte, van gevoelen, dat het best ware haar uit te stellen. De commissie rapporteerde dat de verzoekers, om voor hen voldoende redenen, hunne papieren hadden terug genomen.
Het volgende jaar, in 1839, werd het onderwerp wederom opgevat, en bij vernieuwing werd er op aangedrongen dat de Vergadering op eene beslissende en onmiskenbare wijze er zich over uiten mogt; en voorzeker, wanneer wij in aanmerking nemen dat gedurende al dien tijd niet eene enkele kerk hare slaven geëmancipeerd had, en dat de magt der „instelling” allerwege was toegenomen en uitgebreid, dan zal het wel in het oog loopen dat er iets anders noodig was dan eene algemeene verklaring dat de Kerk met het in 1818 gegevene getuigenis overeenstemde. Het werd haar ten sterkste voorgehouden dat het tijd was om iets te doen. Dit jaar besloot de Vergadering den „Presbyteries” de zaak in handen te geven, om er in te doen wat zij raadzaam zouden achten. De gebezigde woorden waren deze: „De geheele zaak plegtiglijk aan de lagere regtskringen (judicatories) overgevende, om eene zoodanige beslissing te nemen, als naar hun gevoelen met de regtvaardigheid strookt, en geschikt is om het kwaad te verwijderen.” De Eerwaarde George Beecher stelde voor omhet woord:zedelijkvóór het woord:kwaadin te lasschen; dan, zulks werd van de hand gewezen.
In 1840 werd een nog veel grooter aantal vertoog- en verzoekschriften ingeleverd; en door de abolitionisten werden zeer sterke pogingen gedaan om eenige bepaalde daad te verkrijgen.
De commissie beriep zich dit jaar op hetgeen in het vorige jaar gedaan was, en verklaarde het onraadzaam, iets verder te doen. De zaak werd onbepaald uitgesteld. Thans werd besloten dat de Vergadering slechts eenmaal in de drie jaren zou bijeenkomen. Gevolgelijk kwam zij niet bijeen vóór 1843. In dat jaar werden wederom verscheidene memoriën ingediend, en eenige besluiten werden der Vergadering voorgelegd, waartoe ook het volgende behoorde: