Chapter 48

Is besloten, dat wij de met deze Vergadering verbondene leeraars, „Presbyteries” en Synoden, minzaam en ernstig vermanen, deze zonde even als alle andere zware zonden te behandelen; en door eene vlijtige, minzame en getrouwe aanwending der hen door God verleende middelen, door onderwijzing, vermaning, berisping en daadwerkelijke tucht, de kerk van deze groote ongeregtigheid trachten te zuiveren.Dit besluit werd van de hand gewezen, en men nam het volgende:Nademaal in deze Vergadering eene groote verscheidenheid van gevoelens bestaat met betrekking tot de geschiktste en beste handelwijze in de zaak der slavernij; en nademaal, onder zulke omstandigheden, deze of gene uitdrukking van gevoelen slechts weinig gewigt zou aanbrengen wanneer zij met eene geringe meerderheid doorging, maar veeleer verwijdering en verdeeling zou veroorzaken; en nademaal de Vergadering van 1839, met groote eenstemmigheid, deze geheele zaak aan de lagere regtskringen heeft overgegeven, om eene zoodanige beslissing te nemen als naar hun gevoelen geschikt is om het kwaad te verwijderen;—is besloten, dat de Vergadering het tot stichting der Kerk ondienstig acht, in dezen iets te verrigten.Niettemin ging het volgende besluit door:Is besloten, Dat het fatsoenlijk vermaak van gemengde dansen zoo geheel onschriftmatig, en voornamelijk en uitsluitend dat der „wereld” is „die in het booze ligt,” en zoo geheel onbestaanbaar met den geest van Christus, met het den Christen voegende gedrag, en met die reinheid des harten, welke zijne volgelingen verpligt zijn te bewaren, dat het niet slechts onvoegzaam en schadelijk voor Christenbelijders is er deel in te nemen, of hunne kinderen daartoe in staat te stellen, door hen dekunstte onderwijzen, maar ook eene getrouwe en regtmatige uitoefening der kerktucht van de zijde der kerkelijke opzieners vordert, wanneer eenig lid der gemeente zich daaraan heeft schuldig gemaakt.Drie jaren later, in 1846, openbaarde de Algemeene Vergadering de volgende verklaring harer gevoelens:1. Het slavernijstelsel, zoo als het in deze Vereenigde Staten aanwezig is, hetzij uit het oogpunt der wetten van de verschillende Staten, die het goedkeuren, of uit dat zijner tegenwoordige werking en gevolgen in en voor de maatschappij beschouwd, is uit zijnen aard onregtvaardig en verdrukkend; terwijl het evenzeer gekant is tegen de voorschriften van Gods wet, den geest en de leeringen des Evangelies, en de hoogste belangen der menschheid.2. Het getuigenis der Algemeene Vergadering, van de jaren 1787 tot 1818 ingesloten, heeft het veroordeeld, en blijft nog altijd het opgeschreven getuigenis der Presbyteriaansche kerk dezer Vereenigde Staten, hetwelk wij niet terug nemen.3. Wij kunnen, derhalve, de uitdrukking van ons grievend leedwezen niet achterhouden, dat de slavernij door eenige der leden van onze kerken wordt volgehouden en verdedigd; en wij vermanen zoowel dezen, als de kerken, waaronder zij bestaat, met den meesten ernst, tot het aanwenden van alle in hunne magt staande middelen, ten einde dit kwaad uit hun midden worde weggedaan. De voortduring er van kan niet missen, bij eene menigte menschen, door den invloed van hun voorbeeld geleid, het begrip te doen ontstaan, als of door dat voorbeeld het daarin zigtbare en door de verordeningender slaven-houdende Staten, waarin zij wonen, gehandhaafde stelsel, werd gewettigd. Daarenboven kan geene bloote verzachting zijner gestrengheid, door de menschelijkheid en het Christelijk gevoel van eenigen die voortgaan met hunne medemenschen in slavernij te houden, aangebragt, als een getuigenis tegen het systeem, of als in het geringste zijn wezenlijk karakter veranderende, beschouwd worden.4. Maar, hoezeer wij gelooven, dat vele van het stelsel onafscheidelijke boosheden het noodzakelijk en verpligtend maken, om er tegen te getuigen, nogtans ondernemen wij niet, den graad van zedelijke verdorvenheid te bepalen van de zijde der individuën, die er in betrokken zijn. Ongetwijfeld zal deze, in het oog van God, afhangen van de mate van het geschonken licht, en van andere omstandigheden, tot elk in het bijzonder betrekkelijk. Wanneer wij het oog vestigen op al de hinderpalen en belemmeringen der emancipatie, door de verordeningen der slaven-houdende Staten, en door den maatschappelijken invloed op de zienswijze en het gedrag der bedoelde personen in den weg geworpen, dan kunnen wij geen vonnis van algemeene en onbepaalde veroordeeling uitspreken,datgemis van Christelijke beginselen en gevoelens medebrengende, waardoor allen, die in de wettige betrekking van meesters tot slaven staan, van des Heeren tafel geweerd zouden worden, of ons regtvaardigen, wanneer wij hen onze kerkelijke en Christelijke gemeenschap onttrekken wilden. Veeleer hebben wij medelijden met hunne gemoedelijke bezwaren, en zouden hen daarin wenschen te hulp te komen, als van oordeel zijnde, dat scheiding en verwijdering tusschen de kerken en hare leden, niet de door God goedgekeurde en bekrachtigde middelen tot de hervorming Zijner kerk zijn.5. Terwijl wij ons, derhalve, verpligt achten, ons getuigenis tegen de slavernij in te brengen, en onze geliefde broederen te vermanen haar zoo spoedig mogelijk, door alle gepaste en voegzame middelen, uit hun midden weg te doen, veroordeelen wij te gelijkertijd alle verdeelende en scheuring veroorzakende maatregelen, strekkende om de eenigheid onzer kerk te ontbinden en haren vrede te verwoesten, en schromen wij den geest van beschuldiging en straf-opleggende gestrengheid, die dezulken buiten de kudde zou drijven, welkewij veeleer, om den geest des Evangelies en de pligten onzer belijdenis, gehouden zijn te onderwijzen, te raden, te vermanen, en aldus in de wegen Gods te leiden; en jegens welken, ofschoon zij dwalen mogen, wij geduld en broederlijke liefde behooren te oefenen.6. Als eene regtbank van onzen Heer Jezus Christus, bezitten wij geene wetgevende magt; en als de Algemeene Vergadering der Presbyteriaansche kerk, bezitten wij geene regterlijke magt. Wij hebben geen regt om een toetssteen van het Christelijk karakter en lidmaatschap der kerk in te stellen en voor te schrijven, die in de Heilige Schriften, en in de belijdenissen, waarnaar wij beloofd hebben, onzen wandel te rigten, niet erkend en bekrachtigd is. Wij moeten, derhalve, deze zaak overlaten aan de kerkbesturen (sessions), „Presbyteries” en Synoden, als de regtskringen (judicatories), aan welken het oordeel toekomt in de besturing der kerkelijke tucht naar pligt en geweten, als aan de Algemeene Vergadering alleen bij wege van algemeen op- en toezigt ondergeschikt zijnde.Wanneer eene boot op een effen doch sterken stroom onmerkbaar afdrijft, dan kunnen wij haren voortgang slechts door vergelijking met andere voorwerpen op het strand bespeuren.Wanneer men deze verklaring der Algemeene Vergadering van de „New School” met die van 1818 vergelijkt, dan zal men bevinden, dat zij veel minder rondborstig en beslissend van toon is dan deze laatste, terwijl inmiddels de slavernij viervoudig in magt is toegenomen. In 1818 verklaart de Vergadering, dat het deugdzaamste deel der gemeente in de slaven-Staten de slavernij verafschuwt en harevernietigingwenscht.In 1846 betuigt de Vergadering met leedwezen, dat de slavernij door eenige leden onzer kerken nog altoos volgehouden en verdedigd wordt. Het getuigenis van 1818 heeft het openhartig en stoutmoedig voorkomen van een eenstemmig document, waaruit slechts één gevoelen spreekt. Dat van 1846 heeft het behoedzaam aanzien van een onzijdigen grond tusschen twee strijdende legers; het is uitziftend, behoedzaam vreesachtig en zorgvuldig.Doch wanneer men, met dat alles, het document op zich zelven beschouwt, dan is het zekerlijk een zeer goed stuk tenoemen; en het zou eene zeer gepaste uitdrukking van Christelijk gevoel zijn, zoo het betrekking had tot eenig ander gewoon groot kwaad, en in deze of gene algemeene crisis waregeuitgeworden; doch laat ons zien, wat het aangegrepen kwaad, en wat de crisis was. Beschouwen wij het door de Synode van Kentucky opgehangen tafereel van den tegenwoordigen staat van zaken ten harent: „De leden van slaven-familiën gescheiden, om elkander niet weder te zien vóór den oordeelsdag; broeders en zusters, ouders en kinderen, echtgenooten en vrouwen, dagelijks van elkander afgerukt, zonder elkander ooit te mogen wederzien; het gegil en de doodsangsten, die als met de stem eener bazuin de onregtvaardigheid en wreedheid van het stelsel verkondigen; de kreten der lijders, die opgaan tot het oor des Heeren Zebaoth; geen gehucht waar deze hartverscheurende tooneelen niet gezien worden; geen dorp of landweg zonder den treurigen optogt van geboeide ballingen, wier ketenen en gebogene houding verhalen, dat zij met geweld zijn afgerukt van alles, wat hunnen harten dierbaar is; Christenleeraars, de moeder van haar kind afscheurende, om haar in eeuwigdurende ballingschap te verkoopen.”Dit was de taal der Synode van Kentucky, veertien jaren te voren; en die tooneelen zijn sedert dien tijd altoos voorgevallen, en vallen nog dagelijks voor, zoo als de berigten van elk zuidelijk nieuwspapier aantoonen; en toch heeft de kerk van Christus sedert 1818 niets anders gedaan dan haar leedwezen te betuigen, en deftige bovennatuurkundige beraadslagingen te houden of de slavernij eene zondeper sewas, en de voorbarige handelwijze te berispen van mannen, die, de onmogelijkheid ziende om het kwaad op eenige andere wijze te doen ophouden, zulks beproefden door de slavenhouders van de gemeenschap der kerk uit te sluiten. Alsof het niet beter ware dat één slavenhouder op de honderd, wanneer het hem meer in het bijzonder betreft, buiten de kerk zou staan, dan dat al dievreeselijkefoltering en ongeregtigheid bij voortduring de wettiging van het voorbeeld der kerk ontvangen zoude! Zou een edelmoedig Christen niet zeggen: „Als de kerkban dit verschrikkelijke kwaad kan ten onder brengen, laat hij komen, al zou hij ook zwaar op mij drukken! Het is beter, dat ik eene geringe onregtvaardigheid lijde, dan dat deze afschuwelijke ongeregtigheid steeds op de rekening derKerk van Christus blijve! Zal ik de geheele Kerk met mijne bezwaren belasten? Wanneer ik in de behandeling mijner slaven liefderijk en zorgvuldig te werk ga; wanneer ik de slechte leerstelling, dat zij mijn eigendom zijn, uit mijn hart verworpen heb, en ze als mijne broeders behandel—wat doe ik dan? Al het gewigt van mijn voorbeeld zet het systeem kracht bij. De Kerk moet deze vreeselijke ongeregtigheid bestraffen, en de bestraffer behoort zuivere handen te hebben; en als ik mij niet ten volle van dit kwaad kan losmaken, dan is het beter dat ik buiten de Kerk blijve, totdat ik het kan.”Laat ons nu ook de geduchte verschansingen en de sterkte van het kwaad beschouwen, waar tegen dit zeer gematigd besluit gerigt was. „Eene geldmagt van twee duizend millioenen dollars, in handen eener kleine vereeniging van bekwame en wanhopige lieden; die vereeniging door bijzondere wettelijke bepalingen tot eene staatkundige aristocratie verheven; het katoen, het voortbrengsel van den slaven-arbeid, de grondslag uitmakende van onzen geheelen buitenlandschen koophandel, en de handelsklasse alzoo bevoorregt; de drukpers omgekocht; de zuidelijke kansel tot vasal vernederd; het hart der lagere klasse door een bitter vooroordeel tegen het zwarte menschenras verkild, en onze hoofdleiders door eerzucht óf tot stilzwijgen óf tot openbare vijandschap verleid.”2En nu, in dezen staat van zaken, wordt de slavernij door het gansche gewigt dezer kerken ondersteund, omdat zij slavenhouders bevatten. Dat zij geen deel hebben aan de misbruiken van het stelsel, doet niets ter zake; het wordt haar door niemand gevergd. De slavenmagt wenscht niet dat belijders van de godsdienst familiën scheiden, of hunne slaven bovenmatigen arbeid opleggen, of eenige schanddaad bedrijven: dat ishaar belangniet. De slavenmagt behoeft vrome, teederhartige, edelmoedige en menschelijke meesters, en behoeft ze, om het systeem tegen het toenemend zedelijk gevoel der wereld staande te houden; en hoe vromer en edelmoediger zij zijn, des te beter. Zonder deze lieden zou de slavernij geen uur lang kunnen staande blijven. Wat is het derhalve? Deze lieden houden het systeem, en dat groote anti-slavernijgezinde ligchaam vanleeraars houdt deze lieden staande. Dit is het slot van de geheele zaak.Paulus zegt, dat wij aan diegenen moeten gedenken, die in banden zijn, als met welke ook hij gebonden is. Verondersteld eens, dat deze Algemeene Vergadering uit mannen bestaan had, die vlugtelingen geweest waren. Verondersteld dat een hunner zijne dochters naar de slavenmarkt van New-Orleans had zien wegvoeren, zoo als Emily en Mary Edmondson; dat de dochter van een’ ander’ op dezen overlandstogt in een slaventroep gestorven was, met geene andere oppassing dan die van een slavendrijver, zoo als de arme Emily Russell; dat de vrouw van een’ derden met een gebroken hart gestorven was, toen men haar hare kinderen van de borst rukte om ze te verkoopen; en dat een vierde eene half krankzinnig gemaakte moeder had, wier haren door zielsangst vóór den tijd waren grijs geworden. Verondersteld dat die hartverscheurende tooneelen van scheiding, met gillen en snikken, waarvan de Synode van Kentucky zegt zoo langen tijd getuige geweest te zijn, in de familiën dier leeraars hadden plaats gehad, en dat zij tot deze beraadslaging waren opgegaan met harten, zoo doorpriemd en verscheurd als het hart van den armen ouden Paul Edmondson, toen hij naar New-York ging om voor zijne dochters te bedelen. Verondersteld dat zij het afschuwelijk stelsel, waaronder dit alles was voorgevallen, nog ieder uur zagen uitbreiden; dat leeraars onder de Christenen van alle gezindheden in het Zuiden het voor eene door God bekrachtigde instelling verklaarden; dat al de rijkdom, al de rang en al defashiondes lands te zijnen gunste vereenigd waren; en dat zij, zoo als Aäron, gezonden waren om tusschen de levenden en de dooden te staan, opdat de pest mogt ophouden.En laat het nu zoo nederig en zoo ernstig mogelijk aan de Christenen dezer natie, en aan de Christenen van alle natiën, gevraagd mogen worden, of op zulk een tijdstip, en onder zulk eene crisis, deze handeling voldoende was? Heeft zij ietsuitgewerkt? Heeft zij ook maar het minste te weeg gebragt om het kwaad te stuiten? En behoorde er in zulk een vreeselijken tijd niet ietsgedaante worden wat die uitwerking kan hebben?Laat ons de geschiedenis voortzetten. Men zal hebben opgemerktdat het besluit eindigt met het onderwerp aan ondergeschikte regtskringen over te laten. De „New School Presbytery” van Cincinnati, waarin de hoogleeraars van het seminarium van Lane zitting hadden, schorsten Mr. Graham in zijne bediening, om zijne leerstelling, dat de Bijbel de slavernij regtvaardigde; bij dit vonnis de stelling voegende, dat zulks eene ketterij was, onbestaanbaar met de Christelijke gemeenschap. De Synode van Cincinnati bevestigde deze uitspraak. De Algemeene Vergadering wierp deze beslissing omverre, en herstelde Mr. Graham. De afgezondene van die „Presbytery” zeide, dat zijnooitop hare schreden zou terugkeeren, en zoo gebeurde het ook. De „Presbytery” van Cincinnati weigerde hem terug te ontvangen. Haar zij er alle eer voor toegebragt! Hier, ten minste, werd een beginsel vastgesteld, voor zoo veel de „New School Presbytery” van Cincinnati, en een beginsel voor zoo veel de Algemeene Vergadering betreft. Door deze daad stelde de Algemeene Vergadering het feit vast, dat de Presbyteriaansche kerk der „New School” niet beslisthad, dat de verdediging der slavernij uit den Bijbel eene ketterij was.De leer te verkondigen, dat er geene drie Personen in de Drieëenheid zijn, is ketterij.De leer te verkondigen, dat al deze drie Personen een systeem bekrachtigen, hetwelk zelfs door Mahomedaansche vorsten uit louter natuurlijke schaamte en gewetenshalve is vernietigd, is geene ketterij!De Algemeene Vergadering ging voort met te bewijzen, dat zij deze leer niet als ketterij beschouwde, door in 1846 de Algemeene Vergadering der „Old School” tot gemeenschappelijke viering van ’s Heeren Avondmaal uit te noodigen. Onder die Vergadering behoorden niet alleen Dr. Smylie, en al die ligchamen onder haar, die niet alleen de slavernij in het afgetrokkene, maar zelfs eenige harer ergste misbruiken, uit Gods woord hadden verdedigd; maar het ligchaam der „New School” hield deze gevoelens voorgeene ketterij, die de Christelijke gemeenschap zou verhinderen!In 1849 verklaarde de Algemeene Vergadering, dat bij haar geene berigten waren ingekomen ten bewijze, dat de leden in Slavenstaten niet alles deden wat zij konden om, onder opzien tot God, den slaven het bezit en genot der vrijheid te bezorgen. Dit is eene merkwaardige verklaring, wanneer wijin aanmerking nemen, dat in Kentucky geene strenge wetten tegen de emancipatie bestaan, en dat, in Kentucky of in Virginia, de slaaf kan worden in vrijheid gesteld door hem eenvoudig een paspoort te geven om de grenslijn van den naburigen Staat te overschrijden.In 1850 werd door den Eerwaarden H. Curtiss, van Indiana, een voorstel aan de Vergadering gedaan, ten volgenden einde: „Dat het tot slaven maken of als eigendom bezitten van menschen, een vergrijp is, zoo als in ons Boek van kerkelijke tucht, hoofdstuk 1, afdeeling 3, bepaald is; en als zoodanig onderworpen aan onderzoek, bestraffing en afsnijding, op de wijze, door onze regelen voorgeschreven; en dat het met behoorlijke inachtneming van alle verzwarende of verzachtende omstandigheden voor ieder bijzonder geval behoort behandeld te worden.” Een ander voorstel was van een ouderling uitPennsylvanië, en stelde vast, dat de slavernij,primafacie, een vergrijp was in de bedoeling van ons Boek van kerkelijke tucht, en den slavenhouder den last oplegde van zulke omstandigheden aan te voeren, als strekken konden om hem van de schuld der overtreding te ontheffen.Beide deze voorstellen werden verworpen. Het volgende werd aangenomen: „Dat de slavernij met vele en groote boosheden beladen is; dat men de uitwerkselen van het geheele slavernijstelsel betreurt; dat het houden onzer medemenschen in den staat van slavernij, uitgezonderd in die gevallen, waarin hetuit hoofde der wetten van den Staat, de pligten van voogdijschap, of de eischen der menschelijkheid onvermijdelijk is, een vergrijp (offence) is, naar de eigenlijke meening dier uitdrukking, zoo als zij in het Boek der kerkelijke tucht gebezigd wordt, en op dezelfde wijze als andere vergrijpen te beschouwen en te behandelen is; en dat dit onderwerp derhalve aan de kerkbesturen (sessions) en „presbyteries” wordt overgelaten.” De stemmen waren acht-en-veertig tegen zestien, onder een schriftelijk protest van de minderheid, die in den tegenwoordigen toestand des lands alle handeling afkeurde. Laat de lezer deze handeling wederom met die van 1818 vergelijken, en hij zal zien dat de boot nog altoos afdrijft—inzonderheid dewijl zelfs deze gematigde verklaring niet eens met algemeene stemmen gegeven werd. Op nieuw, in dit jaar 1850, verklaart men zich bereid om in den geest van broederlijkeen Christelijke liefde, eenige voorslagen tot hereeniging te ontvangen, die het ligchaam der „Old School” voornemens was te doen.In 1850 kwam de verschrikkelijke wet tegen de weggevlugte slaven. Welke daden werden toen bedreven? Toen werden de tooneelen van schrik en doodsangst, die te voren slechts op den slavenbodem aanschouwd werden, naar onze vrije Staten overgebragt. Kerken werden open gebroken. Bevende Christenen vloden. Echtgenooten en vrouwen werden gescheiden. Toen werd aan den armen Afrikaan het vreeselijk doemvonnis voltrokken, over den wandelenden Jood uitgesproken: „Gij zult geene rust vinden, en uwe voetzolen zullen geene rust hebben; maar uw leven zal altoos in gevaar zijn, en gij zult dag en nacht vreezen, en geene veiligheid voor uw leven hebben.” De gansche maatschappij ging toen éénen weg op—al de rijkdom, al de magt, al defashion. Nu, zoo ooit, was het tijd voor de Kerk van Christus om op te staan en voor de armen te spreken.De Algemeene Vergadering kwam bijeen. Zij was ernstig aangemaand om zich te uiten. Nooit bestond er eene schitterender gelegenheid om te toonen, dat het koningrijk van Christus niet van deze wereld is. Een protest derhalve van een zoo talrijk en achtenswaardig ligchaam zou de Amerikaansche Kerk voor de schande bewaard hebben, die zij thans in het oog van alle natiën draagt. O, dat zij eenmaal gesproken had! Wat zeide de Presbyteriaansche Kerk? Zij zeideniets, en oogstte er den dank der staatkundige leiders voor in. Zij hadallesgedaan, wat zij verlangden.Intusschen was onder dezen gang van zaken het getal der „Presbyteries” in slaven-houdende Staten vandrietottwintiggeklommen! en deze kerk had nu van vijftien- tot twintigduizend leden in Slavenstaten onder hare hoede.Genoeg over de handelwijze van een beslist anti-slavernijgezind ligchaam, in vereeniging met eenige weinige slavenhoudende Kerken. Genoeg over eene bescheidene, voorzigtige, liefderijke en broederlijke poging om de zaak door ondervinding te toetsen. Welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis, en welke overeenstemming heeft Christus met Belial? Het slavensysteem is de duisternis—het slavensysteem is Belial! en elke poging om het met de belijdenis des Christendomsovereen te brengen, zal denzelfden uitslag hebben als deze. Het behoort nogtans hier gezegd te worden, dat een klein ligchaam van de meest besliste tegenstanders der slavernij in de Presbyteriaansche Kerk zich afscheidde, en devrije Presbyteriaansche Kerkvormde, wier voorwaarde van gemeenschap eene volkomene verzaking van het slaven-houden is. Ook moet het worden opgemerkt, dat deze grondregel door de Kwakers aangenomen en ten uitvoer gebragt werd—het eenige met dit kwaad besmette ligchaam van Christenen, wien het ooit gelukt is er zich van te bevrijden.Het zij nu dat censuur en kerktucht al dan niet geschikte middelen zijn om zulke zedeloosheden en ketterijen bij individuën tegen te gaan,—genoeg is het, dat zulks het verklaarde en in uitoefening gebragte gevoelen van de Presbyteriaansche Kerk geweest is.Wanneer men de redenering van Charles Summer overweegt, dan zal het in het oog vallen dat de geschiedenis dezer Presbyteriaansche Kerk aanmerkelijke punten van overeenkomst oplevert met die onzer Vereenigde Staten. In beide was, in den beginne, anti-slavernij de heerschende invloed, zelfs onder slavenhouders. In beide was er geen verschil van gevoelen omtrent de wenschelijkheid van de volkomene vernietiging der slavernij; beide gaven iets toe, zoo weinig als men zich met mogelijkheid verbeelden kan; beide deden dit volkomen ter goeder trouw, met het doel eener spoedige verwijdering en vernietiging van het kwaad; en beider geschiedenis is dezelfde. Het kleine punt van toegeving breidde zich uit, won meer en meer veld, en ging, van jaar tot jaar, verslindende voort, tot dat èn de Vereenigde Staten, èn de Presbyteriaansche Kerk, het standpunt bereikt hadden waarop zij zich thans bevinden. Nog erger was de geschiedenis der Methodistische Kerk. Die van de Kerk der Baptisten toont hetzelfde beginsel; en, wat de Episcopaalsche kerk zoowel in het Noorden als in het Zuiden betreft, deze heeft nooit iets anders gedaan dan toegeven. Zij verschilt hierin van al de overige, dat zij nooit eenig tegenstandbiedend element had, met uitzondering nu en dan van een Protestant, zoo als William Jay, een waardige zoon van hem, die de Verklaring van Onafhankelijkheid onderteekende.De slavenmagt is een wel zamenhangend, vast, stevig, onwrikbaar stelsel geweest, dat van geen schikken of toegevenwist. De wederstand biedende magt was, vele jaren lang, wankelend, toegeeflijk, met zich zelve in tegenspraak. Er heeft, wel is waar, eene diepe en steeds toenemende vijandschap jegens de slavernij, bij eene besliste meerderheid van leeraars en ledematen in vrije staten bestaan,als individuën beschouwd. Doch ongelukkigerwijze zijn de opregte tegenstanders der slavernij onderling verdeeld geweest nopens grondstellingen en maatregelen, daar de tot uitersten gedrevene grondstellingen en maatregelen van sommigen eene schadelijke terugwerking bij anderen te weeg bragten. Daarenboven hebben andere groote plannen van weldadigheid hun tijd en aandacht gevorderd; en de uitslag is geweest dat zij alle zich onjuiste begrippen gevormd hebben van de uitgebreidheid des gevaars, waarmede de zaak van God op aarde door de Amerikaansche slavernij bedreigd wordt, en van den pligt des Christens onder zulk eene crisis. Zij hebben hieromtrent nooit zulk eene overtuiging gehad als die, welke in andere groote aangelegenheden hunne geestkracht gewekt, aangevuurd en vereenigd heeft. Intusschen hebben groote organische invloeden in Kerk en Staat, zeer tegen hunnen wensch, hunnen invloed tegen de slavernij opgewogen—ja somwijlen in haar voordeel doen werken. De volslagene onwrikbaarheid van het slavernij-systeem, en zijne volstrekte weigering om eenige beraadslaging er over toe te laten, hebben alle diegenen, die gemeenschap met slaven-houdende Kerken wenschen, slechts de keuze gelaten om òf de ondersteuning van het Zuiden in deze zaak, òf hun protest tegen de slavernij te laten varen.Dit is eene sterke verzoeking geweest voor menschen die weldadige en loffelijke zaken behartigden, doch niet genoeg doordrongen waren van het volle gevaar van het slavensysteem, noch de zedelijke kracht van het Christelijke protest daartegen wisten te schatten. Wanneer er zich, dien ten gevolge, gevallen voordeden waarin hun slechts de keuze bleef tusschen de opoffering van hetgeen zij voor de belangen eener goede zaak hielden, en tusschen het opgeven van hun regt van protest, hebben zij algemeen het laatste gekozen. De beslissing had altoos op deze wijze plaats: De slavenmagtwil niettoegeven,—wijmoetenhet. Het Zuiden zegt: „Wij willen geen godsdienstig boek nemen dat anti-slavernijgezinde grondstellingen bevat.” De Vereeniging der zondagsscholenheeft Mr. Gallaudet’s geschiedenis van Joseph afgewezen. Waarom? Omdat zij de slavernij begunstigt? Volstrekt niet. Zij verafschuwt de slavernij. Waarom dan? „Het Zuiden wil onze boeken niet lezen, als wij niet toegeven. Zij willen niet toegeven, en wij moeten. Wijkunnen meer goed doendoor de verspreiding van Evangelische waarheid, wanneer wij onze Protestantsche magt ongebruikt laten, dan wanneer wij haar aanwenden.” Dit werd, waarschijnlijk, ter goeder trouw gedacht en gezegd. Het argument laat zich wel hooren, maar de zaak wordt er niet te minder om toegegeven. De slavenmagt heeft de overwinning behaald, en heeft ze juist door de beste menschen, en juist door den invloed van de beste beweegredenen behaald; en zoo zij slechts de overwinning verkreeg, is het haar om het evenhoezij ze verkreeg. En al moge het ook gezegd kunnen worden dat hetgeen in ieder bijzonder geval wordt toegegeven, op zich zelve slechts gering is, toch zal, wanneer wij alles bij elkander nemen wat van tijd tot tijd door iedere kerkelijke gezindheid, en door iedere afzonderlijke weldadige inrigting is afgestaan, het beloop inderdaad verbazend zijn. En waar zijn wij, ten slotte van dat alles, nu toe gekomen?Hier zijn wij, in deze crisis,—hier, in deze negentiende eeuw, terwijl de geheele wereld grondstellingen van algemeene vrijheid om verre werpt en weder opbouwt,—wij, Amerikanen, die onze Bijbels en zendelingen uitvaardigen om Mahomedaansche landen tot Christelijke te maken, wij, al onze magt en invloed aanwendende tot instandhouding van een stelsel van afgesleten heidendom, dat zelfs door den Bey van Tunis verworpen wordt!De zuidelijke Kerk heeft het gedoopt in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Dit afgesletene, verouderde, verjaarde stelsel van Romeinsche slavernij, eenmaal, langzaam maar zeker, door het Christendom vernietigd, is uit zijn eerloos graf opgedolven; eenige weinige wetten van buitensporige wreedheid, zoo als Rome ze nimmer kende, zijn er aan toegevoegd; en thans, door de geheele zuidelijke Kerk gedoopt en geheiligd, gaat het uit, overwinnende en om te overwinnen! De eenige magt, die der noordelijke Kerk, is overgebleven, is de protesterende magt, en zal zij daar gebruik van maken? Vraag het Traktaatgenootschap of het een traktaatover het zondige der slavernij wil uitgeven, al zou zulk een traktaat maaralleenuit de schriften van Jonathan Edwards of Dr. Hopkins worden zamengesteld! Vraag de Vereeniging der zondagsscholen of zij de feiten betrekkelijk dit heidendom wil openbaar maken, zoo als zij de feiten betrekkelijk Burmah en Hindostan geopenbaard heeft! Willen zij? O, dat zij ja mogten zeggen!Nu zal het wel niet betwijfeld worden dat al deze treurige uitkomsten de gevolgen zijn van de voorstellen en beraadslagingen van goede mannen, die het goede bedoelden; doch men heeft met waarheid gezegd dat, in gevaarlijke tijden, wanneer één misstap de noodlottigste gevolgen te weeg brengt, eene goedebedoelingniet genoeg is.In de crisis eener ziekte het goede te bedoelen en den lijder te doen sterven; onder het woeden van een storm het goede te bedoelen en het schip te doen stranden; in een grooten zedelijken strijd het goede te bedoelen en den strijd te verliezen;—dit zijn betreurenswaardige zaken. Door onze schuld gaat het schip te gronde—dooronzeschuld wordt de strijd verloren. Een weinig meer slapens, een weinig meer sluimerens, een weinig meer handenvouwens al nederliggende, en wij zullen in de draaijing van dien maalstroom ontwaken die slechts één uitgang heeft—naar den afgrond!Er is nog één ligchaam van Christenen, welks invloed wij niet beschouwd hebben, en dat wel van een zeer aanzienlijk,—de Congregationalisten van Nieuw-Engeland en van het Westen namelijk. Uit den aard zelve van het Congregationalisme kan het geen zoo eenstemmig getuigenis geven als het Presbyterianisme; maar toch heeft het Congregationalisme zich tegen de slavernij geuit. Individuëele ligchamen hebben zeer sterk gesproken, en individuëele geestelijken nog sterker. Zij hebben vertoogen bij de Algemeene Vergadering ingeleverd, en hebben zeer sterke anti-slavernijgezinde bladen. Doch, den geheelen staat van het openbaar gevoelen, den dringenden aard der zaak, en de geweldige kracht en drang van al de slavernij begunstigende oorzaken in aanmerking genomen, mag men vragen of de hevigheid en kracht van het getuigenis van het Congregationalisme,als ligchaam beschouwd, wel gelijk stond met de vreeselijke dringende noodzaak? Het heeft zeer volledige en duidelijkegetuigenissen opgeteekend over de rampen der slavernij; doch er is meer noodig dan getuigenissen. De Presbyteriaansche Kerk bezit een overvloed van opgeteekende getuigenissen, even zoo goed en even zoo sterk als die het Congregationalisme heeft doen hooren. De Presbyteriaansche Kerk der „New School” heeft voor het minst even zoo vele anti-slavernijgezinde mannen, even zoo vele sterk anti-slavernijgezinde nieuwspapieren gehad als de Congregationale; en de Presbyteriaansche Kerk heeft eene beproeving voor deze zaak doorgestaan, waaraan de Congregationale nooit was blootgesteld. Zij heeft slavenhouders in hare gemeenschap gehad, en van deze proef is de Congregationale, tot nog toe, zoo goed als vrij gebleven. Had het Congregationalisme, van dit vrije standpunt, niet een getuigenis moeten geven dat meer dan gelijk stond? Had het niet meer moeten doen dan betuigen?—had het niet voor de zaak moeten strijden? Had het, zoo als de drie honderd dapperen in Thermopylae, alleen gelaten om Griekenlands vrijheid te verdedigen, toen al de anderen gevloden waren, niet hart en ziel, ligchaam en geest, voor de goede zaak moeten over hebben? Heeft het zulks gedaan?Breng den ijver door het Congregationalisme aan andere vraagstukken te koste gelegd, eens in vergelijking met den ijver aan deze zaak besteed. Dr. Taylor leerde dat alle zonde in zondigen bestaat, en dat er daarom geene zonde kon zijn, tot dat een persoon gezondigd had; en Dr. Bushnell opperde eenige wijzigingen van het leerstuk der Drieëenheid, die niemand regt scheen te begrijpen. De „Presbyteries” van Zuid-Carolina leeren dat God de slavernij goedgekeurd, en door het voorbeeld van patriarchen en profeten gewettigd heeft. Verondersteld nu dat dit altemaal ketterijen zijn, welke daarvan is dan wel de ergste?—Welke daarvan zal de ergste praktikale gevolgen te weeg brengen? En, zoo het Congregationalisme deze ketterij bestreden had zoo als sommige zijner leiders Dr. Bushnell en Dr. Taylor bestreden hebben, zou de strijd dan niet met meer ijver gevoerd zijn? Zijn deze beide mannen niet als gevaarlijke ketters ten toon gesteld, als leeringen predikende die tot ongeloof leiden? En, eilieve, waartoe leidt dan die andere leerstelling? Zoo zeker als er een God in den hemel is, zoo zeker is het, dat, zoo de Bijbel inderdaad de slavernij verdedigde, ieder eerlijk en gevoelig menschal sedert vijftig jaren herwaarts een ongeloovige zou geweest zijn.Is derhalve de invloed van het Congregationalisme geëvenredigd geweest aan den aard en de dringende gewigtigheid der zaak? Maar de laatst gehoudene bijeenkomst van Congregationalisten te Albany, waarop leeraars uit Nieuw-Engeland en uit de westelijke Staten verschenen, drukte zich stelliger en beslissender uit. Zie hier haar besluit:Is besloten, dat, naar het gevoelen dezer Vergadering, het doel des Evangelies, waar het in zijne zuiverheid gepredikt wordt, daarheen strekt om alle maatschappelijke gebreken te verbeteren, en de zonde in alle hare vormen te dooden; en dat het de pligt der Zendeling-genootschappen is, de kerken in slaven-houdende Staten behulpzaam te zijn in de ondersteuning alleen van zulke leeraars, die het Evangelie alzoo zullen prediken, en de regelen en de aanwending der Evangelische tucht alzoo zullen inscherpen, dat zulks, onder den Goddelijken zegen, zijne volle uitwerking hebbe tot opwekking en leiding van het zedelijk gevoel met betrekking tot de slavernij, en tot bevordering der spoedige vernietiging van dat verbazende kwaad; en dat daar, waar het een leeraar niet geoorloofd is alzoo te prediken, hij, overeenkomstig de vermaning van Christus, „uit die stad vertrekke.”Dit besluit geeft in vele opzigten stoffe tot hoop en blijdschap. Het werd door eene zeer groote kerkelijke vergadering genomen, de grootste, die ooit in dit land bijeen kwam, en die het gansche Congregationalisme der Vereenigde Staten vertegenwoordigde; terwijl de aanleiding tot hare bijeenkomst, in zeker opzigt als de aanvang een nieuw tijdperk in het bestaan dezer gezindheid mogt beschouwd worden.Het besluit werd met eenparige stemmen genomen. Het is zeer bepaald in zijne uitdrukking, en beoogt practische werkzaamheid, die juist behoefte is. Het zegt, dat het geene leeraars in Slavenstaten ondersteunen wil, wier prediking niet strekt tot vernietiging der slavernij; en dat, zoo hen geene vrije prediking daartegen vergund wordt, zij vertrekken moeten.Dat het alzoo gewonnen terrein krachtdadig zal verdedigd worden, is af te leiden uit het feit, dat de „Home Missionary Society,” die het orgaan van dit ligchaam, zoowel als van de„New School” der Presbyteriaansche Kerk is, in hare instructiën voor de zendelingen in Slavenstaten, eene bepaalde stelling ten opzigte van dit onderwerp genomen heeft. In hun verslag van Maart 1853 worden die instructiën met bekwaamheid op den voorgrond gesteld. Toen zij, in 1850, door een der Slavenstaten werden aangehaald ten gunste van zendelingen, die de slavernij wilden daarlaten, werd er, in de beslissendste bewoordingen, op geantwoord, dat men daar niet in treden konde; dat men, integendeel, begrijpen moest, dat een voornaam doel in de afvaardiging van zendelingen naar de Slavenstaten, is, de maatschappij, zoo veel zulks mogelijk is, van de zonde onder alle gedaanten te bevrijden, en dat, „zoo men het stilzwijgen over de slavernij naar buiten bewaren wilde, een der grootste beweegredenen om zendelingen naar de Slavenstaten af te vaardigen, of ze daarin te houden, zou zijn weggenomen.”Wijders gebood de Maatschappij haren zendelingen om, zoo men hen in de eene stad of dorp niet over dit onderwerp hooren wilde, naar eene andere te gaan; terwijl zij hare overtuiging uitdrukte, dat hare zendelingen er aanvankelijk in geslaagd zijn om de gewetens der menschen wakker te maken. Zij zegt, dat zij de zaak steeds levendig houden, dat zij ze niet laten rusten, omdat het een teeder onderwerp is, maar dat zij hunne conscientiën kwijten, hetzij dan dat hunne boodschap een goed onthaal vindt, of dat zij hen, zoo als in sommige gevallen, aan tegenstand, verdrukking of persoonlijk gevaar blootstelt; en dat, waar men hunne pogingen niet heeft willen toelaten, zij, in herhaalde gevallen, als eene groote opoffering, hunne stelling verlaten hebben, en naar andere streken vertrokken zijn. In hun verslag van dit jaar deelen zij ook brieven mede van leeraars in slaven-houdende Staten, waaruit blijkt, dat zij, ondanks veel tegenstand, zich het regt verzekerd hebben, om hunne gevoelens over dit onderwerp openlijk te prediken en te verbreiden.Een dier zendelingen, van de slavernij sprekende, zegt: „Wij zijn vast besloten, om dit groote struikelblok uit onzen weg te ruimen, of onder de poging te bezwijken. Als Christenen en als vrijmannen willen wij deze schandvlek op onze godsdienst en wetten niet langer dulden.”Dit is een edel standpunt.Doch, terwijl wij de protesterende magt beschouwen, mogen wij ook de Schotsche afgescheidenen en „Covenanters” niet vergeten, die, met eene standvastigheid en vastbeslotenheid, het kroost der oude Schotsche belijders waardig, zich van de zonde der slavernij rein gehouden, en er eenparig tegen geprotesteerd hebben. En laat ons niet minder opmerken, dat de Kwakers een maatregel volgden, die hun gansche ligchaam van de zonde der slaven-houding bevrijd hield; aldus aan al de andere gezindheden toonende, dat wat eenmaal gedaan werd, weder gedaan kan worden. Alzoo zijn er, onder alle kerkelijke gezindheden, individuëele leeraars en Christenen, in uren die der menschen zielen beproefden, met hun getuigenis opgetreden. Albert Barnes, in Philadelphia, te midden eener groote, rijke gemeente op de grenzen van een Slavenstaat gevestigd, en onder al de verlokkingen tot medepligtigheid, die er zoo menigeen tot zwijgen bragten, is in kalme getrouwheid opgestaan, en heeft den geheelen raad Gods in deze zaak verkondigd. Ja, nog meer: hij teekende zijn plegtig protest aan, dat „GEENE INVLOEDEN BUITEN DE KERK DE SLAVERNIJ EEN UUR LANG KONDEN STAANDE HOUDEN, ZOO ZIJ ZELVE ZE NIET STAANDE HIELD;” en in de laatste zitting der Algemeene Vergadering, die te Washington bijeen kwam, hield hij, in spijt van alle staatkundige inblazingen, de Presbyteriaansche Kerk de sterkte harer laatste verklaringen voor, en verklaarde het haar pligt, de volkomen vernietiging der slavernij door de geheele wereld te beproeven. Zoo leide, in het donkerste uur, Dr. Channing te Boston een edel getuigenis af, dat zijn naam onsterfelijk zal maken. Zoo vormden, in Illinois, E. P. Lovejoy en Edward Beecher, met hunne vrienden, de „Illinois Anti-slavery Society” onder zamenrottingen van het gemeen, en met gevaar van hun leven, terwijl, weinige uren later, Lovejoy, bij de verdediging der twee malen vernielde drukpers der abolitionisten, doorschoten werd. In de Presbyteriaansche kerk der „Old School” hebben William en Robert Breckenridge, de President Young, en anderen, ten voordeele der emancipatie in Kentucky gepredikt. In de Methodistische Kerk hield Le Roy Sunderland zijn dagblad onder den ban zijner superieuren staande, terwijl eene premie van vijftig duizend dollars op zijn lijf gesteld was. De zachtmoedige, geduldige Torrey stierf in eene gevangenis, zeggende: „Zoo ik een misdadigerben, ben ik een groot misdadiger, want ik heb vier honderd slaven aan de vrijheid geholpen, die, zonder mij, als slaven zouden gestorven zijn.”Dr. Nelson werd door het gepeupel uit Missouri verdreven, om zijne moedige prediking der waarheid op slavenbodem. Deze allen behoorden tot de leeraars, en zij zijn niet de eenige. Jezus Christus heeft ons nog niet geheel verlaten. Er zijn er, die de vreugde hebben leeren kennen van voor eene goede zaak schande te lijden en den dood te trotseren.Er zijn dus ondeelige Christenen geweest, die voor deze heilige zaak niets te dierbaar geacht hebben. Getuige Richard Dillingham en John Garette, en eene schare anderen, die met vreugde de berooving hunner goederen hebben aangezien.Maar niettegenstaande dit alles blijft het de vreeselijke waarheid, dat alles, wat tot dusverre door de kerk gedaan is, het kwaad niet merkbaar heeft doen verminderen. Het groote systeem is sterker dan ooit. Het is, zoo als algemeen bekend is, de heerschende magt der natie. De geheele magt van het gouvernement, en de geheele magt van den rijkdom, en de geheele magt van defashion, en de practisch-organische werking der groote kerkelijke ligchamen, zijn alle denzelfden weg opgegaan. De Kerk wordt gemeenzaam genoemd, als aan de zijde der slavernij te staan. Staatslieden vóór en tegen het vraagstuk hebben dit als een bewezen feit vermeld. De ongeloovigen wijzen er met triomferenden blik op; en Amerika aanschouwt nog eene andere klasse van ongeloovigen—eene klasse, die alleen onder zulk een invloed ontstaan kon. Mannen, wier geheele leven slechts ééne studie en praktijk van weldadigheid is, worden nu onder de ongeloovigen gerangschikt, omdat de gesteldheid der kerkelijke organisatiën het Christendom valschelijk voorstelt, en zij zich van de kerk afscheiden. Wij willen geene verdediging inbrengen voor zoodanige ongeloovigen, die bloot anti-slavernijgezinden ijver voor hunne Godsdienst houden, en onder dit masker een boosaardigen haat jegens het ware Christendom verbergen. Maar zulke verdedigingen van de slavernij uit den Bijbel, als waarmede sommige leden der Amerikaansche geestelijkheid zijn opgetreden, zijn juist geschikt om alle eerlijke en regtschapene lieden tot ongeloovigen te maken. De ongeloovigen uit vroegere tijden waren niet veel te duchten, maar zulke ongeloovigen als deze,zijn niet te verachten. Wee der kerk, wanneer het zedelijk allooi van den ongeloovigen beter is, dan dat van den Christenbelijder! want het eenigste harnas, dat voor het ongeloof altoos onverwinnelijk was, is hetharnas der regtvaardigheid.Laat ons zien welke practische uitwerking thans door de kerkelijke organisatiën wordt te weeg gebragt. Waarop vertrouwen Bruin en Hill, Pulliam en Davis, Bolton, Dickens & Co., en Matthews, Branton & Co., om hunne slavenfokkerijen en slavenloodsen vol, en hun vertier levendig te houden? Is het te veronderstellen dat zij geene menschen zijn zoo als wij? Beven zij niet somtijds bij de geduchte uitwerkselen van vrees, en wanhoop, en zielsangst, waarvan zij getuige zijn wanneer zij, in de diepten dier vreeselijke slavengevangenissen, levende harten van een scheuren? Wat onderdrukt dan de gewetens dier handelaars? Het is het algemeen gevoelen van de maatschappij waarin zij leven; en dat algemeen gevoelen wordt door leeraars en ledematen der Kerk gevormd. De handelaar bespeurt duidelijk genoeg een logisch verband tusschen de verklaringen der kerk en de praktijk van zijn handel. Hij ziet duidelijk genoeg dat, zoo de slavernij door God wordt goedgekeurd, en het regtmatig is haar in een nieuw grondgebied op te rigten, het ook regtmatig is de middelen te bezigen die daartoe strekken; en, daar de slaven in Texas niet aan de struiken groeijen, het noodig is dat er handelaars zijn om er troepen van te vergaderen en ze derwaarts te brengen; en, daar zij niet altoos geheele familiën kunnen nemen, het noodig is dat zij ze van elkander scheiden; en, daar de slaven door geene zedelijke overreding daartoe te krijgen zijn, het noodig is dat zij er toe gedwongen worden; en, waar zachte dwang niet helpen wil, zij gegeeseld en gepijnigd moeten worden. Van daar mondproppen, duimschroeven, ketenen, bloed,—alles als noodzakelijke middelen ter uitvoering van hetgeen Christenen zeggen dat God goedkeurt.Ziedaar de eene zijde van de redenering. Bezien wij nu ook de andere. De „Presbyteries” van Zuid-Carolina en Mississippi houden gevoelens staande, die, bij wettige gevolgtrekking, den slavenhandelaar stijven. De Algemeene Vergadering der „Old School” houdt, zonder tucht of protest, met deze „Presbyteries” gemeenschap. De Vergadering der „New School”betuigt hare bereidvaardigheid tot hereeniging met de „Old School,” terwijl zij te gelijker tijd het slavernij-systeem eene verfoeijelijkheid, eene zware schending der heiligste regten, en zoo voorts noemt. Welnu, dan is de keten zoo juist gesloten, als hij behoort. Alle schakels zijn er in; ieder vindt er zijne plaats, en zegt juist wat noodig is, en niets meer. De handelaar verrigt den stuitenden arbeid, de zuidelijke Kerk verdedigt hem, en de noordelijke Kerk verdedigt de zuidelijke. Ieder doet zoo veel voor de slavernij als hij kan, naar mate van de ruimte, waarin hij zich beweegt. Ziedaar de practische uitkomst van de zaak.Het treurigste van de zaak is, dat, terwijl een groot ligchaam van mannen der „New School,” en ook vele der „Old School,” besliste anti-slavernijgezinden zijn, deze tot de kerkelijke gezindheid betrekkelijke stelling hun invloed naar de andere zijde overbrengt. Hun invloed volgt dien der Algemeene Vergadering. De volgende aandoenlijke brief werd door dien uitmuntend vromen man, Dr. Nelson, geschreven, wiens werk over het ongeloof een der krachtigste populaire stemmen is, die ooit verschenen zijn:

Is besloten, dat wij de met deze Vergadering verbondene leeraars, „Presbyteries” en Synoden, minzaam en ernstig vermanen, deze zonde even als alle andere zware zonden te behandelen; en door eene vlijtige, minzame en getrouwe aanwending der hen door God verleende middelen, door onderwijzing, vermaning, berisping en daadwerkelijke tucht, de kerk van deze groote ongeregtigheid trachten te zuiveren.Dit besluit werd van de hand gewezen, en men nam het volgende:Nademaal in deze Vergadering eene groote verscheidenheid van gevoelens bestaat met betrekking tot de geschiktste en beste handelwijze in de zaak der slavernij; en nademaal, onder zulke omstandigheden, deze of gene uitdrukking van gevoelen slechts weinig gewigt zou aanbrengen wanneer zij met eene geringe meerderheid doorging, maar veeleer verwijdering en verdeeling zou veroorzaken; en nademaal de Vergadering van 1839, met groote eenstemmigheid, deze geheele zaak aan de lagere regtskringen heeft overgegeven, om eene zoodanige beslissing te nemen als naar hun gevoelen geschikt is om het kwaad te verwijderen;—is besloten, dat de Vergadering het tot stichting der Kerk ondienstig acht, in dezen iets te verrigten.Niettemin ging het volgende besluit door:Is besloten, Dat het fatsoenlijk vermaak van gemengde dansen zoo geheel onschriftmatig, en voornamelijk en uitsluitend dat der „wereld” is „die in het booze ligt,” en zoo geheel onbestaanbaar met den geest van Christus, met het den Christen voegende gedrag, en met die reinheid des harten, welke zijne volgelingen verpligt zijn te bewaren, dat het niet slechts onvoegzaam en schadelijk voor Christenbelijders is er deel in te nemen, of hunne kinderen daartoe in staat te stellen, door hen dekunstte onderwijzen, maar ook eene getrouwe en regtmatige uitoefening der kerktucht van de zijde der kerkelijke opzieners vordert, wanneer eenig lid der gemeente zich daaraan heeft schuldig gemaakt.Drie jaren later, in 1846, openbaarde de Algemeene Vergadering de volgende verklaring harer gevoelens:1. Het slavernijstelsel, zoo als het in deze Vereenigde Staten aanwezig is, hetzij uit het oogpunt der wetten van de verschillende Staten, die het goedkeuren, of uit dat zijner tegenwoordige werking en gevolgen in en voor de maatschappij beschouwd, is uit zijnen aard onregtvaardig en verdrukkend; terwijl het evenzeer gekant is tegen de voorschriften van Gods wet, den geest en de leeringen des Evangelies, en de hoogste belangen der menschheid.2. Het getuigenis der Algemeene Vergadering, van de jaren 1787 tot 1818 ingesloten, heeft het veroordeeld, en blijft nog altijd het opgeschreven getuigenis der Presbyteriaansche kerk dezer Vereenigde Staten, hetwelk wij niet terug nemen.3. Wij kunnen, derhalve, de uitdrukking van ons grievend leedwezen niet achterhouden, dat de slavernij door eenige der leden van onze kerken wordt volgehouden en verdedigd; en wij vermanen zoowel dezen, als de kerken, waaronder zij bestaat, met den meesten ernst, tot het aanwenden van alle in hunne magt staande middelen, ten einde dit kwaad uit hun midden worde weggedaan. De voortduring er van kan niet missen, bij eene menigte menschen, door den invloed van hun voorbeeld geleid, het begrip te doen ontstaan, als of door dat voorbeeld het daarin zigtbare en door de verordeningender slaven-houdende Staten, waarin zij wonen, gehandhaafde stelsel, werd gewettigd. Daarenboven kan geene bloote verzachting zijner gestrengheid, door de menschelijkheid en het Christelijk gevoel van eenigen die voortgaan met hunne medemenschen in slavernij te houden, aangebragt, als een getuigenis tegen het systeem, of als in het geringste zijn wezenlijk karakter veranderende, beschouwd worden.4. Maar, hoezeer wij gelooven, dat vele van het stelsel onafscheidelijke boosheden het noodzakelijk en verpligtend maken, om er tegen te getuigen, nogtans ondernemen wij niet, den graad van zedelijke verdorvenheid te bepalen van de zijde der individuën, die er in betrokken zijn. Ongetwijfeld zal deze, in het oog van God, afhangen van de mate van het geschonken licht, en van andere omstandigheden, tot elk in het bijzonder betrekkelijk. Wanneer wij het oog vestigen op al de hinderpalen en belemmeringen der emancipatie, door de verordeningen der slaven-houdende Staten, en door den maatschappelijken invloed op de zienswijze en het gedrag der bedoelde personen in den weg geworpen, dan kunnen wij geen vonnis van algemeene en onbepaalde veroordeeling uitspreken,datgemis van Christelijke beginselen en gevoelens medebrengende, waardoor allen, die in de wettige betrekking van meesters tot slaven staan, van des Heeren tafel geweerd zouden worden, of ons regtvaardigen, wanneer wij hen onze kerkelijke en Christelijke gemeenschap onttrekken wilden. Veeleer hebben wij medelijden met hunne gemoedelijke bezwaren, en zouden hen daarin wenschen te hulp te komen, als van oordeel zijnde, dat scheiding en verwijdering tusschen de kerken en hare leden, niet de door God goedgekeurde en bekrachtigde middelen tot de hervorming Zijner kerk zijn.5. Terwijl wij ons, derhalve, verpligt achten, ons getuigenis tegen de slavernij in te brengen, en onze geliefde broederen te vermanen haar zoo spoedig mogelijk, door alle gepaste en voegzame middelen, uit hun midden weg te doen, veroordeelen wij te gelijkertijd alle verdeelende en scheuring veroorzakende maatregelen, strekkende om de eenigheid onzer kerk te ontbinden en haren vrede te verwoesten, en schromen wij den geest van beschuldiging en straf-opleggende gestrengheid, die dezulken buiten de kudde zou drijven, welkewij veeleer, om den geest des Evangelies en de pligten onzer belijdenis, gehouden zijn te onderwijzen, te raden, te vermanen, en aldus in de wegen Gods te leiden; en jegens welken, ofschoon zij dwalen mogen, wij geduld en broederlijke liefde behooren te oefenen.6. Als eene regtbank van onzen Heer Jezus Christus, bezitten wij geene wetgevende magt; en als de Algemeene Vergadering der Presbyteriaansche kerk, bezitten wij geene regterlijke magt. Wij hebben geen regt om een toetssteen van het Christelijk karakter en lidmaatschap der kerk in te stellen en voor te schrijven, die in de Heilige Schriften, en in de belijdenissen, waarnaar wij beloofd hebben, onzen wandel te rigten, niet erkend en bekrachtigd is. Wij moeten, derhalve, deze zaak overlaten aan de kerkbesturen (sessions), „Presbyteries” en Synoden, als de regtskringen (judicatories), aan welken het oordeel toekomt in de besturing der kerkelijke tucht naar pligt en geweten, als aan de Algemeene Vergadering alleen bij wege van algemeen op- en toezigt ondergeschikt zijnde.Wanneer eene boot op een effen doch sterken stroom onmerkbaar afdrijft, dan kunnen wij haren voortgang slechts door vergelijking met andere voorwerpen op het strand bespeuren.Wanneer men deze verklaring der Algemeene Vergadering van de „New School” met die van 1818 vergelijkt, dan zal men bevinden, dat zij veel minder rondborstig en beslissend van toon is dan deze laatste, terwijl inmiddels de slavernij viervoudig in magt is toegenomen. In 1818 verklaart de Vergadering, dat het deugdzaamste deel der gemeente in de slaven-Staten de slavernij verafschuwt en harevernietigingwenscht.In 1846 betuigt de Vergadering met leedwezen, dat de slavernij door eenige leden onzer kerken nog altoos volgehouden en verdedigd wordt. Het getuigenis van 1818 heeft het openhartig en stoutmoedig voorkomen van een eenstemmig document, waaruit slechts één gevoelen spreekt. Dat van 1846 heeft het behoedzaam aanzien van een onzijdigen grond tusschen twee strijdende legers; het is uitziftend, behoedzaam vreesachtig en zorgvuldig.Doch wanneer men, met dat alles, het document op zich zelven beschouwt, dan is het zekerlijk een zeer goed stuk tenoemen; en het zou eene zeer gepaste uitdrukking van Christelijk gevoel zijn, zoo het betrekking had tot eenig ander gewoon groot kwaad, en in deze of gene algemeene crisis waregeuitgeworden; doch laat ons zien, wat het aangegrepen kwaad, en wat de crisis was. Beschouwen wij het door de Synode van Kentucky opgehangen tafereel van den tegenwoordigen staat van zaken ten harent: „De leden van slaven-familiën gescheiden, om elkander niet weder te zien vóór den oordeelsdag; broeders en zusters, ouders en kinderen, echtgenooten en vrouwen, dagelijks van elkander afgerukt, zonder elkander ooit te mogen wederzien; het gegil en de doodsangsten, die als met de stem eener bazuin de onregtvaardigheid en wreedheid van het stelsel verkondigen; de kreten der lijders, die opgaan tot het oor des Heeren Zebaoth; geen gehucht waar deze hartverscheurende tooneelen niet gezien worden; geen dorp of landweg zonder den treurigen optogt van geboeide ballingen, wier ketenen en gebogene houding verhalen, dat zij met geweld zijn afgerukt van alles, wat hunnen harten dierbaar is; Christenleeraars, de moeder van haar kind afscheurende, om haar in eeuwigdurende ballingschap te verkoopen.”Dit was de taal der Synode van Kentucky, veertien jaren te voren; en die tooneelen zijn sedert dien tijd altoos voorgevallen, en vallen nog dagelijks voor, zoo als de berigten van elk zuidelijk nieuwspapier aantoonen; en toch heeft de kerk van Christus sedert 1818 niets anders gedaan dan haar leedwezen te betuigen, en deftige bovennatuurkundige beraadslagingen te houden of de slavernij eene zondeper sewas, en de voorbarige handelwijze te berispen van mannen, die, de onmogelijkheid ziende om het kwaad op eenige andere wijze te doen ophouden, zulks beproefden door de slavenhouders van de gemeenschap der kerk uit te sluiten. Alsof het niet beter ware dat één slavenhouder op de honderd, wanneer het hem meer in het bijzonder betreft, buiten de kerk zou staan, dan dat al dievreeselijkefoltering en ongeregtigheid bij voortduring de wettiging van het voorbeeld der kerk ontvangen zoude! Zou een edelmoedig Christen niet zeggen: „Als de kerkban dit verschrikkelijke kwaad kan ten onder brengen, laat hij komen, al zou hij ook zwaar op mij drukken! Het is beter, dat ik eene geringe onregtvaardigheid lijde, dan dat deze afschuwelijke ongeregtigheid steeds op de rekening derKerk van Christus blijve! Zal ik de geheele Kerk met mijne bezwaren belasten? Wanneer ik in de behandeling mijner slaven liefderijk en zorgvuldig te werk ga; wanneer ik de slechte leerstelling, dat zij mijn eigendom zijn, uit mijn hart verworpen heb, en ze als mijne broeders behandel—wat doe ik dan? Al het gewigt van mijn voorbeeld zet het systeem kracht bij. De Kerk moet deze vreeselijke ongeregtigheid bestraffen, en de bestraffer behoort zuivere handen te hebben; en als ik mij niet ten volle van dit kwaad kan losmaken, dan is het beter dat ik buiten de Kerk blijve, totdat ik het kan.”Laat ons nu ook de geduchte verschansingen en de sterkte van het kwaad beschouwen, waar tegen dit zeer gematigd besluit gerigt was. „Eene geldmagt van twee duizend millioenen dollars, in handen eener kleine vereeniging van bekwame en wanhopige lieden; die vereeniging door bijzondere wettelijke bepalingen tot eene staatkundige aristocratie verheven; het katoen, het voortbrengsel van den slaven-arbeid, de grondslag uitmakende van onzen geheelen buitenlandschen koophandel, en de handelsklasse alzoo bevoorregt; de drukpers omgekocht; de zuidelijke kansel tot vasal vernederd; het hart der lagere klasse door een bitter vooroordeel tegen het zwarte menschenras verkild, en onze hoofdleiders door eerzucht óf tot stilzwijgen óf tot openbare vijandschap verleid.”2En nu, in dezen staat van zaken, wordt de slavernij door het gansche gewigt dezer kerken ondersteund, omdat zij slavenhouders bevatten. Dat zij geen deel hebben aan de misbruiken van het stelsel, doet niets ter zake; het wordt haar door niemand gevergd. De slavenmagt wenscht niet dat belijders van de godsdienst familiën scheiden, of hunne slaven bovenmatigen arbeid opleggen, of eenige schanddaad bedrijven: dat ishaar belangniet. De slavenmagt behoeft vrome, teederhartige, edelmoedige en menschelijke meesters, en behoeft ze, om het systeem tegen het toenemend zedelijk gevoel der wereld staande te houden; en hoe vromer en edelmoediger zij zijn, des te beter. Zonder deze lieden zou de slavernij geen uur lang kunnen staande blijven. Wat is het derhalve? Deze lieden houden het systeem, en dat groote anti-slavernijgezinde ligchaam vanleeraars houdt deze lieden staande. Dit is het slot van de geheele zaak.Paulus zegt, dat wij aan diegenen moeten gedenken, die in banden zijn, als met welke ook hij gebonden is. Verondersteld eens, dat deze Algemeene Vergadering uit mannen bestaan had, die vlugtelingen geweest waren. Verondersteld dat een hunner zijne dochters naar de slavenmarkt van New-Orleans had zien wegvoeren, zoo als Emily en Mary Edmondson; dat de dochter van een’ ander’ op dezen overlandstogt in een slaventroep gestorven was, met geene andere oppassing dan die van een slavendrijver, zoo als de arme Emily Russell; dat de vrouw van een’ derden met een gebroken hart gestorven was, toen men haar hare kinderen van de borst rukte om ze te verkoopen; en dat een vierde eene half krankzinnig gemaakte moeder had, wier haren door zielsangst vóór den tijd waren grijs geworden. Verondersteld dat die hartverscheurende tooneelen van scheiding, met gillen en snikken, waarvan de Synode van Kentucky zegt zoo langen tijd getuige geweest te zijn, in de familiën dier leeraars hadden plaats gehad, en dat zij tot deze beraadslaging waren opgegaan met harten, zoo doorpriemd en verscheurd als het hart van den armen ouden Paul Edmondson, toen hij naar New-York ging om voor zijne dochters te bedelen. Verondersteld dat zij het afschuwelijk stelsel, waaronder dit alles was voorgevallen, nog ieder uur zagen uitbreiden; dat leeraars onder de Christenen van alle gezindheden in het Zuiden het voor eene door God bekrachtigde instelling verklaarden; dat al de rijkdom, al de rang en al defashiondes lands te zijnen gunste vereenigd waren; en dat zij, zoo als Aäron, gezonden waren om tusschen de levenden en de dooden te staan, opdat de pest mogt ophouden.En laat het nu zoo nederig en zoo ernstig mogelijk aan de Christenen dezer natie, en aan de Christenen van alle natiën, gevraagd mogen worden, of op zulk een tijdstip, en onder zulk eene crisis, deze handeling voldoende was? Heeft zij ietsuitgewerkt? Heeft zij ook maar het minste te weeg gebragt om het kwaad te stuiten? En behoorde er in zulk een vreeselijken tijd niet ietsgedaante worden wat die uitwerking kan hebben?Laat ons de geschiedenis voortzetten. Men zal hebben opgemerktdat het besluit eindigt met het onderwerp aan ondergeschikte regtskringen over te laten. De „New School Presbytery” van Cincinnati, waarin de hoogleeraars van het seminarium van Lane zitting hadden, schorsten Mr. Graham in zijne bediening, om zijne leerstelling, dat de Bijbel de slavernij regtvaardigde; bij dit vonnis de stelling voegende, dat zulks eene ketterij was, onbestaanbaar met de Christelijke gemeenschap. De Synode van Cincinnati bevestigde deze uitspraak. De Algemeene Vergadering wierp deze beslissing omverre, en herstelde Mr. Graham. De afgezondene van die „Presbytery” zeide, dat zijnooitop hare schreden zou terugkeeren, en zoo gebeurde het ook. De „Presbytery” van Cincinnati weigerde hem terug te ontvangen. Haar zij er alle eer voor toegebragt! Hier, ten minste, werd een beginsel vastgesteld, voor zoo veel de „New School Presbytery” van Cincinnati, en een beginsel voor zoo veel de Algemeene Vergadering betreft. Door deze daad stelde de Algemeene Vergadering het feit vast, dat de Presbyteriaansche kerk der „New School” niet beslisthad, dat de verdediging der slavernij uit den Bijbel eene ketterij was.De leer te verkondigen, dat er geene drie Personen in de Drieëenheid zijn, is ketterij.De leer te verkondigen, dat al deze drie Personen een systeem bekrachtigen, hetwelk zelfs door Mahomedaansche vorsten uit louter natuurlijke schaamte en gewetenshalve is vernietigd, is geene ketterij!De Algemeene Vergadering ging voort met te bewijzen, dat zij deze leer niet als ketterij beschouwde, door in 1846 de Algemeene Vergadering der „Old School” tot gemeenschappelijke viering van ’s Heeren Avondmaal uit te noodigen. Onder die Vergadering behoorden niet alleen Dr. Smylie, en al die ligchamen onder haar, die niet alleen de slavernij in het afgetrokkene, maar zelfs eenige harer ergste misbruiken, uit Gods woord hadden verdedigd; maar het ligchaam der „New School” hield deze gevoelens voorgeene ketterij, die de Christelijke gemeenschap zou verhinderen!In 1849 verklaarde de Algemeene Vergadering, dat bij haar geene berigten waren ingekomen ten bewijze, dat de leden in Slavenstaten niet alles deden wat zij konden om, onder opzien tot God, den slaven het bezit en genot der vrijheid te bezorgen. Dit is eene merkwaardige verklaring, wanneer wijin aanmerking nemen, dat in Kentucky geene strenge wetten tegen de emancipatie bestaan, en dat, in Kentucky of in Virginia, de slaaf kan worden in vrijheid gesteld door hem eenvoudig een paspoort te geven om de grenslijn van den naburigen Staat te overschrijden.In 1850 werd door den Eerwaarden H. Curtiss, van Indiana, een voorstel aan de Vergadering gedaan, ten volgenden einde: „Dat het tot slaven maken of als eigendom bezitten van menschen, een vergrijp is, zoo als in ons Boek van kerkelijke tucht, hoofdstuk 1, afdeeling 3, bepaald is; en als zoodanig onderworpen aan onderzoek, bestraffing en afsnijding, op de wijze, door onze regelen voorgeschreven; en dat het met behoorlijke inachtneming van alle verzwarende of verzachtende omstandigheden voor ieder bijzonder geval behoort behandeld te worden.” Een ander voorstel was van een ouderling uitPennsylvanië, en stelde vast, dat de slavernij,primafacie, een vergrijp was in de bedoeling van ons Boek van kerkelijke tucht, en den slavenhouder den last oplegde van zulke omstandigheden aan te voeren, als strekken konden om hem van de schuld der overtreding te ontheffen.Beide deze voorstellen werden verworpen. Het volgende werd aangenomen: „Dat de slavernij met vele en groote boosheden beladen is; dat men de uitwerkselen van het geheele slavernijstelsel betreurt; dat het houden onzer medemenschen in den staat van slavernij, uitgezonderd in die gevallen, waarin hetuit hoofde der wetten van den Staat, de pligten van voogdijschap, of de eischen der menschelijkheid onvermijdelijk is, een vergrijp (offence) is, naar de eigenlijke meening dier uitdrukking, zoo als zij in het Boek der kerkelijke tucht gebezigd wordt, en op dezelfde wijze als andere vergrijpen te beschouwen en te behandelen is; en dat dit onderwerp derhalve aan de kerkbesturen (sessions) en „presbyteries” wordt overgelaten.” De stemmen waren acht-en-veertig tegen zestien, onder een schriftelijk protest van de minderheid, die in den tegenwoordigen toestand des lands alle handeling afkeurde. Laat de lezer deze handeling wederom met die van 1818 vergelijken, en hij zal zien dat de boot nog altoos afdrijft—inzonderheid dewijl zelfs deze gematigde verklaring niet eens met algemeene stemmen gegeven werd. Op nieuw, in dit jaar 1850, verklaart men zich bereid om in den geest van broederlijkeen Christelijke liefde, eenige voorslagen tot hereeniging te ontvangen, die het ligchaam der „Old School” voornemens was te doen.In 1850 kwam de verschrikkelijke wet tegen de weggevlugte slaven. Welke daden werden toen bedreven? Toen werden de tooneelen van schrik en doodsangst, die te voren slechts op den slavenbodem aanschouwd werden, naar onze vrije Staten overgebragt. Kerken werden open gebroken. Bevende Christenen vloden. Echtgenooten en vrouwen werden gescheiden. Toen werd aan den armen Afrikaan het vreeselijk doemvonnis voltrokken, over den wandelenden Jood uitgesproken: „Gij zult geene rust vinden, en uwe voetzolen zullen geene rust hebben; maar uw leven zal altoos in gevaar zijn, en gij zult dag en nacht vreezen, en geene veiligheid voor uw leven hebben.” De gansche maatschappij ging toen éénen weg op—al de rijkdom, al de magt, al defashion. Nu, zoo ooit, was het tijd voor de Kerk van Christus om op te staan en voor de armen te spreken.De Algemeene Vergadering kwam bijeen. Zij was ernstig aangemaand om zich te uiten. Nooit bestond er eene schitterender gelegenheid om te toonen, dat het koningrijk van Christus niet van deze wereld is. Een protest derhalve van een zoo talrijk en achtenswaardig ligchaam zou de Amerikaansche Kerk voor de schande bewaard hebben, die zij thans in het oog van alle natiën draagt. O, dat zij eenmaal gesproken had! Wat zeide de Presbyteriaansche Kerk? Zij zeideniets, en oogstte er den dank der staatkundige leiders voor in. Zij hadallesgedaan, wat zij verlangden.Intusschen was onder dezen gang van zaken het getal der „Presbyteries” in slaven-houdende Staten vandrietottwintiggeklommen! en deze kerk had nu van vijftien- tot twintigduizend leden in Slavenstaten onder hare hoede.Genoeg over de handelwijze van een beslist anti-slavernijgezind ligchaam, in vereeniging met eenige weinige slavenhoudende Kerken. Genoeg over eene bescheidene, voorzigtige, liefderijke en broederlijke poging om de zaak door ondervinding te toetsen. Welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis, en welke overeenstemming heeft Christus met Belial? Het slavensysteem is de duisternis—het slavensysteem is Belial! en elke poging om het met de belijdenis des Christendomsovereen te brengen, zal denzelfden uitslag hebben als deze. Het behoort nogtans hier gezegd te worden, dat een klein ligchaam van de meest besliste tegenstanders der slavernij in de Presbyteriaansche Kerk zich afscheidde, en devrije Presbyteriaansche Kerkvormde, wier voorwaarde van gemeenschap eene volkomene verzaking van het slaven-houden is. Ook moet het worden opgemerkt, dat deze grondregel door de Kwakers aangenomen en ten uitvoer gebragt werd—het eenige met dit kwaad besmette ligchaam van Christenen, wien het ooit gelukt is er zich van te bevrijden.Het zij nu dat censuur en kerktucht al dan niet geschikte middelen zijn om zulke zedeloosheden en ketterijen bij individuën tegen te gaan,—genoeg is het, dat zulks het verklaarde en in uitoefening gebragte gevoelen van de Presbyteriaansche Kerk geweest is.Wanneer men de redenering van Charles Summer overweegt, dan zal het in het oog vallen dat de geschiedenis dezer Presbyteriaansche Kerk aanmerkelijke punten van overeenkomst oplevert met die onzer Vereenigde Staten. In beide was, in den beginne, anti-slavernij de heerschende invloed, zelfs onder slavenhouders. In beide was er geen verschil van gevoelen omtrent de wenschelijkheid van de volkomene vernietiging der slavernij; beide gaven iets toe, zoo weinig als men zich met mogelijkheid verbeelden kan; beide deden dit volkomen ter goeder trouw, met het doel eener spoedige verwijdering en vernietiging van het kwaad; en beider geschiedenis is dezelfde. Het kleine punt van toegeving breidde zich uit, won meer en meer veld, en ging, van jaar tot jaar, verslindende voort, tot dat èn de Vereenigde Staten, èn de Presbyteriaansche Kerk, het standpunt bereikt hadden waarop zij zich thans bevinden. Nog erger was de geschiedenis der Methodistische Kerk. Die van de Kerk der Baptisten toont hetzelfde beginsel; en, wat de Episcopaalsche kerk zoowel in het Noorden als in het Zuiden betreft, deze heeft nooit iets anders gedaan dan toegeven. Zij verschilt hierin van al de overige, dat zij nooit eenig tegenstandbiedend element had, met uitzondering nu en dan van een Protestant, zoo als William Jay, een waardige zoon van hem, die de Verklaring van Onafhankelijkheid onderteekende.De slavenmagt is een wel zamenhangend, vast, stevig, onwrikbaar stelsel geweest, dat van geen schikken of toegevenwist. De wederstand biedende magt was, vele jaren lang, wankelend, toegeeflijk, met zich zelve in tegenspraak. Er heeft, wel is waar, eene diepe en steeds toenemende vijandschap jegens de slavernij, bij eene besliste meerderheid van leeraars en ledematen in vrije staten bestaan,als individuën beschouwd. Doch ongelukkigerwijze zijn de opregte tegenstanders der slavernij onderling verdeeld geweest nopens grondstellingen en maatregelen, daar de tot uitersten gedrevene grondstellingen en maatregelen van sommigen eene schadelijke terugwerking bij anderen te weeg bragten. Daarenboven hebben andere groote plannen van weldadigheid hun tijd en aandacht gevorderd; en de uitslag is geweest dat zij alle zich onjuiste begrippen gevormd hebben van de uitgebreidheid des gevaars, waarmede de zaak van God op aarde door de Amerikaansche slavernij bedreigd wordt, en van den pligt des Christens onder zulk eene crisis. Zij hebben hieromtrent nooit zulk eene overtuiging gehad als die, welke in andere groote aangelegenheden hunne geestkracht gewekt, aangevuurd en vereenigd heeft. Intusschen hebben groote organische invloeden in Kerk en Staat, zeer tegen hunnen wensch, hunnen invloed tegen de slavernij opgewogen—ja somwijlen in haar voordeel doen werken. De volslagene onwrikbaarheid van het slavernij-systeem, en zijne volstrekte weigering om eenige beraadslaging er over toe te laten, hebben alle diegenen, die gemeenschap met slaven-houdende Kerken wenschen, slechts de keuze gelaten om òf de ondersteuning van het Zuiden in deze zaak, òf hun protest tegen de slavernij te laten varen.Dit is eene sterke verzoeking geweest voor menschen die weldadige en loffelijke zaken behartigden, doch niet genoeg doordrongen waren van het volle gevaar van het slavensysteem, noch de zedelijke kracht van het Christelijke protest daartegen wisten te schatten. Wanneer er zich, dien ten gevolge, gevallen voordeden waarin hun slechts de keuze bleef tusschen de opoffering van hetgeen zij voor de belangen eener goede zaak hielden, en tusschen het opgeven van hun regt van protest, hebben zij algemeen het laatste gekozen. De beslissing had altoos op deze wijze plaats: De slavenmagtwil niettoegeven,—wijmoetenhet. Het Zuiden zegt: „Wij willen geen godsdienstig boek nemen dat anti-slavernijgezinde grondstellingen bevat.” De Vereeniging der zondagsscholenheeft Mr. Gallaudet’s geschiedenis van Joseph afgewezen. Waarom? Omdat zij de slavernij begunstigt? Volstrekt niet. Zij verafschuwt de slavernij. Waarom dan? „Het Zuiden wil onze boeken niet lezen, als wij niet toegeven. Zij willen niet toegeven, en wij moeten. Wijkunnen meer goed doendoor de verspreiding van Evangelische waarheid, wanneer wij onze Protestantsche magt ongebruikt laten, dan wanneer wij haar aanwenden.” Dit werd, waarschijnlijk, ter goeder trouw gedacht en gezegd. Het argument laat zich wel hooren, maar de zaak wordt er niet te minder om toegegeven. De slavenmagt heeft de overwinning behaald, en heeft ze juist door de beste menschen, en juist door den invloed van de beste beweegredenen behaald; en zoo zij slechts de overwinning verkreeg, is het haar om het evenhoezij ze verkreeg. En al moge het ook gezegd kunnen worden dat hetgeen in ieder bijzonder geval wordt toegegeven, op zich zelve slechts gering is, toch zal, wanneer wij alles bij elkander nemen wat van tijd tot tijd door iedere kerkelijke gezindheid, en door iedere afzonderlijke weldadige inrigting is afgestaan, het beloop inderdaad verbazend zijn. En waar zijn wij, ten slotte van dat alles, nu toe gekomen?Hier zijn wij, in deze crisis,—hier, in deze negentiende eeuw, terwijl de geheele wereld grondstellingen van algemeene vrijheid om verre werpt en weder opbouwt,—wij, Amerikanen, die onze Bijbels en zendelingen uitvaardigen om Mahomedaansche landen tot Christelijke te maken, wij, al onze magt en invloed aanwendende tot instandhouding van een stelsel van afgesleten heidendom, dat zelfs door den Bey van Tunis verworpen wordt!De zuidelijke Kerk heeft het gedoopt in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Dit afgesletene, verouderde, verjaarde stelsel van Romeinsche slavernij, eenmaal, langzaam maar zeker, door het Christendom vernietigd, is uit zijn eerloos graf opgedolven; eenige weinige wetten van buitensporige wreedheid, zoo als Rome ze nimmer kende, zijn er aan toegevoegd; en thans, door de geheele zuidelijke Kerk gedoopt en geheiligd, gaat het uit, overwinnende en om te overwinnen! De eenige magt, die der noordelijke Kerk, is overgebleven, is de protesterende magt, en zal zij daar gebruik van maken? Vraag het Traktaatgenootschap of het een traktaatover het zondige der slavernij wil uitgeven, al zou zulk een traktaat maaralleenuit de schriften van Jonathan Edwards of Dr. Hopkins worden zamengesteld! Vraag de Vereeniging der zondagsscholen of zij de feiten betrekkelijk dit heidendom wil openbaar maken, zoo als zij de feiten betrekkelijk Burmah en Hindostan geopenbaard heeft! Willen zij? O, dat zij ja mogten zeggen!Nu zal het wel niet betwijfeld worden dat al deze treurige uitkomsten de gevolgen zijn van de voorstellen en beraadslagingen van goede mannen, die het goede bedoelden; doch men heeft met waarheid gezegd dat, in gevaarlijke tijden, wanneer één misstap de noodlottigste gevolgen te weeg brengt, eene goedebedoelingniet genoeg is.In de crisis eener ziekte het goede te bedoelen en den lijder te doen sterven; onder het woeden van een storm het goede te bedoelen en het schip te doen stranden; in een grooten zedelijken strijd het goede te bedoelen en den strijd te verliezen;—dit zijn betreurenswaardige zaken. Door onze schuld gaat het schip te gronde—dooronzeschuld wordt de strijd verloren. Een weinig meer slapens, een weinig meer sluimerens, een weinig meer handenvouwens al nederliggende, en wij zullen in de draaijing van dien maalstroom ontwaken die slechts één uitgang heeft—naar den afgrond!Er is nog één ligchaam van Christenen, welks invloed wij niet beschouwd hebben, en dat wel van een zeer aanzienlijk,—de Congregationalisten van Nieuw-Engeland en van het Westen namelijk. Uit den aard zelve van het Congregationalisme kan het geen zoo eenstemmig getuigenis geven als het Presbyterianisme; maar toch heeft het Congregationalisme zich tegen de slavernij geuit. Individuëele ligchamen hebben zeer sterk gesproken, en individuëele geestelijken nog sterker. Zij hebben vertoogen bij de Algemeene Vergadering ingeleverd, en hebben zeer sterke anti-slavernijgezinde bladen. Doch, den geheelen staat van het openbaar gevoelen, den dringenden aard der zaak, en de geweldige kracht en drang van al de slavernij begunstigende oorzaken in aanmerking genomen, mag men vragen of de hevigheid en kracht van het getuigenis van het Congregationalisme,als ligchaam beschouwd, wel gelijk stond met de vreeselijke dringende noodzaak? Het heeft zeer volledige en duidelijkegetuigenissen opgeteekend over de rampen der slavernij; doch er is meer noodig dan getuigenissen. De Presbyteriaansche Kerk bezit een overvloed van opgeteekende getuigenissen, even zoo goed en even zoo sterk als die het Congregationalisme heeft doen hooren. De Presbyteriaansche Kerk der „New School” heeft voor het minst even zoo vele anti-slavernijgezinde mannen, even zoo vele sterk anti-slavernijgezinde nieuwspapieren gehad als de Congregationale; en de Presbyteriaansche Kerk heeft eene beproeving voor deze zaak doorgestaan, waaraan de Congregationale nooit was blootgesteld. Zij heeft slavenhouders in hare gemeenschap gehad, en van deze proef is de Congregationale, tot nog toe, zoo goed als vrij gebleven. Had het Congregationalisme, van dit vrije standpunt, niet een getuigenis moeten geven dat meer dan gelijk stond? Had het niet meer moeten doen dan betuigen?—had het niet voor de zaak moeten strijden? Had het, zoo als de drie honderd dapperen in Thermopylae, alleen gelaten om Griekenlands vrijheid te verdedigen, toen al de anderen gevloden waren, niet hart en ziel, ligchaam en geest, voor de goede zaak moeten over hebben? Heeft het zulks gedaan?Breng den ijver door het Congregationalisme aan andere vraagstukken te koste gelegd, eens in vergelijking met den ijver aan deze zaak besteed. Dr. Taylor leerde dat alle zonde in zondigen bestaat, en dat er daarom geene zonde kon zijn, tot dat een persoon gezondigd had; en Dr. Bushnell opperde eenige wijzigingen van het leerstuk der Drieëenheid, die niemand regt scheen te begrijpen. De „Presbyteries” van Zuid-Carolina leeren dat God de slavernij goedgekeurd, en door het voorbeeld van patriarchen en profeten gewettigd heeft. Verondersteld nu dat dit altemaal ketterijen zijn, welke daarvan is dan wel de ergste?—Welke daarvan zal de ergste praktikale gevolgen te weeg brengen? En, zoo het Congregationalisme deze ketterij bestreden had zoo als sommige zijner leiders Dr. Bushnell en Dr. Taylor bestreden hebben, zou de strijd dan niet met meer ijver gevoerd zijn? Zijn deze beide mannen niet als gevaarlijke ketters ten toon gesteld, als leeringen predikende die tot ongeloof leiden? En, eilieve, waartoe leidt dan die andere leerstelling? Zoo zeker als er een God in den hemel is, zoo zeker is het, dat, zoo de Bijbel inderdaad de slavernij verdedigde, ieder eerlijk en gevoelig menschal sedert vijftig jaren herwaarts een ongeloovige zou geweest zijn.Is derhalve de invloed van het Congregationalisme geëvenredigd geweest aan den aard en de dringende gewigtigheid der zaak? Maar de laatst gehoudene bijeenkomst van Congregationalisten te Albany, waarop leeraars uit Nieuw-Engeland en uit de westelijke Staten verschenen, drukte zich stelliger en beslissender uit. Zie hier haar besluit:Is besloten, dat, naar het gevoelen dezer Vergadering, het doel des Evangelies, waar het in zijne zuiverheid gepredikt wordt, daarheen strekt om alle maatschappelijke gebreken te verbeteren, en de zonde in alle hare vormen te dooden; en dat het de pligt der Zendeling-genootschappen is, de kerken in slaven-houdende Staten behulpzaam te zijn in de ondersteuning alleen van zulke leeraars, die het Evangelie alzoo zullen prediken, en de regelen en de aanwending der Evangelische tucht alzoo zullen inscherpen, dat zulks, onder den Goddelijken zegen, zijne volle uitwerking hebbe tot opwekking en leiding van het zedelijk gevoel met betrekking tot de slavernij, en tot bevordering der spoedige vernietiging van dat verbazende kwaad; en dat daar, waar het een leeraar niet geoorloofd is alzoo te prediken, hij, overeenkomstig de vermaning van Christus, „uit die stad vertrekke.”Dit besluit geeft in vele opzigten stoffe tot hoop en blijdschap. Het werd door eene zeer groote kerkelijke vergadering genomen, de grootste, die ooit in dit land bijeen kwam, en die het gansche Congregationalisme der Vereenigde Staten vertegenwoordigde; terwijl de aanleiding tot hare bijeenkomst, in zeker opzigt als de aanvang een nieuw tijdperk in het bestaan dezer gezindheid mogt beschouwd worden.Het besluit werd met eenparige stemmen genomen. Het is zeer bepaald in zijne uitdrukking, en beoogt practische werkzaamheid, die juist behoefte is. Het zegt, dat het geene leeraars in Slavenstaten ondersteunen wil, wier prediking niet strekt tot vernietiging der slavernij; en dat, zoo hen geene vrije prediking daartegen vergund wordt, zij vertrekken moeten.Dat het alzoo gewonnen terrein krachtdadig zal verdedigd worden, is af te leiden uit het feit, dat de „Home Missionary Society,” die het orgaan van dit ligchaam, zoowel als van de„New School” der Presbyteriaansche Kerk is, in hare instructiën voor de zendelingen in Slavenstaten, eene bepaalde stelling ten opzigte van dit onderwerp genomen heeft. In hun verslag van Maart 1853 worden die instructiën met bekwaamheid op den voorgrond gesteld. Toen zij, in 1850, door een der Slavenstaten werden aangehaald ten gunste van zendelingen, die de slavernij wilden daarlaten, werd er, in de beslissendste bewoordingen, op geantwoord, dat men daar niet in treden konde; dat men, integendeel, begrijpen moest, dat een voornaam doel in de afvaardiging van zendelingen naar de Slavenstaten, is, de maatschappij, zoo veel zulks mogelijk is, van de zonde onder alle gedaanten te bevrijden, en dat, „zoo men het stilzwijgen over de slavernij naar buiten bewaren wilde, een der grootste beweegredenen om zendelingen naar de Slavenstaten af te vaardigen, of ze daarin te houden, zou zijn weggenomen.”Wijders gebood de Maatschappij haren zendelingen om, zoo men hen in de eene stad of dorp niet over dit onderwerp hooren wilde, naar eene andere te gaan; terwijl zij hare overtuiging uitdrukte, dat hare zendelingen er aanvankelijk in geslaagd zijn om de gewetens der menschen wakker te maken. Zij zegt, dat zij de zaak steeds levendig houden, dat zij ze niet laten rusten, omdat het een teeder onderwerp is, maar dat zij hunne conscientiën kwijten, hetzij dan dat hunne boodschap een goed onthaal vindt, of dat zij hen, zoo als in sommige gevallen, aan tegenstand, verdrukking of persoonlijk gevaar blootstelt; en dat, waar men hunne pogingen niet heeft willen toelaten, zij, in herhaalde gevallen, als eene groote opoffering, hunne stelling verlaten hebben, en naar andere streken vertrokken zijn. In hun verslag van dit jaar deelen zij ook brieven mede van leeraars in slaven-houdende Staten, waaruit blijkt, dat zij, ondanks veel tegenstand, zich het regt verzekerd hebben, om hunne gevoelens over dit onderwerp openlijk te prediken en te verbreiden.Een dier zendelingen, van de slavernij sprekende, zegt: „Wij zijn vast besloten, om dit groote struikelblok uit onzen weg te ruimen, of onder de poging te bezwijken. Als Christenen en als vrijmannen willen wij deze schandvlek op onze godsdienst en wetten niet langer dulden.”Dit is een edel standpunt.Doch, terwijl wij de protesterende magt beschouwen, mogen wij ook de Schotsche afgescheidenen en „Covenanters” niet vergeten, die, met eene standvastigheid en vastbeslotenheid, het kroost der oude Schotsche belijders waardig, zich van de zonde der slavernij rein gehouden, en er eenparig tegen geprotesteerd hebben. En laat ons niet minder opmerken, dat de Kwakers een maatregel volgden, die hun gansche ligchaam van de zonde der slaven-houding bevrijd hield; aldus aan al de andere gezindheden toonende, dat wat eenmaal gedaan werd, weder gedaan kan worden. Alzoo zijn er, onder alle kerkelijke gezindheden, individuëele leeraars en Christenen, in uren die der menschen zielen beproefden, met hun getuigenis opgetreden. Albert Barnes, in Philadelphia, te midden eener groote, rijke gemeente op de grenzen van een Slavenstaat gevestigd, en onder al de verlokkingen tot medepligtigheid, die er zoo menigeen tot zwijgen bragten, is in kalme getrouwheid opgestaan, en heeft den geheelen raad Gods in deze zaak verkondigd. Ja, nog meer: hij teekende zijn plegtig protest aan, dat „GEENE INVLOEDEN BUITEN DE KERK DE SLAVERNIJ EEN UUR LANG KONDEN STAANDE HOUDEN, ZOO ZIJ ZELVE ZE NIET STAANDE HIELD;” en in de laatste zitting der Algemeene Vergadering, die te Washington bijeen kwam, hield hij, in spijt van alle staatkundige inblazingen, de Presbyteriaansche Kerk de sterkte harer laatste verklaringen voor, en verklaarde het haar pligt, de volkomen vernietiging der slavernij door de geheele wereld te beproeven. Zoo leide, in het donkerste uur, Dr. Channing te Boston een edel getuigenis af, dat zijn naam onsterfelijk zal maken. Zoo vormden, in Illinois, E. P. Lovejoy en Edward Beecher, met hunne vrienden, de „Illinois Anti-slavery Society” onder zamenrottingen van het gemeen, en met gevaar van hun leven, terwijl, weinige uren later, Lovejoy, bij de verdediging der twee malen vernielde drukpers der abolitionisten, doorschoten werd. In de Presbyteriaansche kerk der „Old School” hebben William en Robert Breckenridge, de President Young, en anderen, ten voordeele der emancipatie in Kentucky gepredikt. In de Methodistische Kerk hield Le Roy Sunderland zijn dagblad onder den ban zijner superieuren staande, terwijl eene premie van vijftig duizend dollars op zijn lijf gesteld was. De zachtmoedige, geduldige Torrey stierf in eene gevangenis, zeggende: „Zoo ik een misdadigerben, ben ik een groot misdadiger, want ik heb vier honderd slaven aan de vrijheid geholpen, die, zonder mij, als slaven zouden gestorven zijn.”Dr. Nelson werd door het gepeupel uit Missouri verdreven, om zijne moedige prediking der waarheid op slavenbodem. Deze allen behoorden tot de leeraars, en zij zijn niet de eenige. Jezus Christus heeft ons nog niet geheel verlaten. Er zijn er, die de vreugde hebben leeren kennen van voor eene goede zaak schande te lijden en den dood te trotseren.Er zijn dus ondeelige Christenen geweest, die voor deze heilige zaak niets te dierbaar geacht hebben. Getuige Richard Dillingham en John Garette, en eene schare anderen, die met vreugde de berooving hunner goederen hebben aangezien.Maar niettegenstaande dit alles blijft het de vreeselijke waarheid, dat alles, wat tot dusverre door de kerk gedaan is, het kwaad niet merkbaar heeft doen verminderen. Het groote systeem is sterker dan ooit. Het is, zoo als algemeen bekend is, de heerschende magt der natie. De geheele magt van het gouvernement, en de geheele magt van den rijkdom, en de geheele magt van defashion, en de practisch-organische werking der groote kerkelijke ligchamen, zijn alle denzelfden weg opgegaan. De Kerk wordt gemeenzaam genoemd, als aan de zijde der slavernij te staan. Staatslieden vóór en tegen het vraagstuk hebben dit als een bewezen feit vermeld. De ongeloovigen wijzen er met triomferenden blik op; en Amerika aanschouwt nog eene andere klasse van ongeloovigen—eene klasse, die alleen onder zulk een invloed ontstaan kon. Mannen, wier geheele leven slechts ééne studie en praktijk van weldadigheid is, worden nu onder de ongeloovigen gerangschikt, omdat de gesteldheid der kerkelijke organisatiën het Christendom valschelijk voorstelt, en zij zich van de kerk afscheiden. Wij willen geene verdediging inbrengen voor zoodanige ongeloovigen, die bloot anti-slavernijgezinden ijver voor hunne Godsdienst houden, en onder dit masker een boosaardigen haat jegens het ware Christendom verbergen. Maar zulke verdedigingen van de slavernij uit den Bijbel, als waarmede sommige leden der Amerikaansche geestelijkheid zijn opgetreden, zijn juist geschikt om alle eerlijke en regtschapene lieden tot ongeloovigen te maken. De ongeloovigen uit vroegere tijden waren niet veel te duchten, maar zulke ongeloovigen als deze,zijn niet te verachten. Wee der kerk, wanneer het zedelijk allooi van den ongeloovigen beter is, dan dat van den Christenbelijder! want het eenigste harnas, dat voor het ongeloof altoos onverwinnelijk was, is hetharnas der regtvaardigheid.Laat ons zien welke practische uitwerking thans door de kerkelijke organisatiën wordt te weeg gebragt. Waarop vertrouwen Bruin en Hill, Pulliam en Davis, Bolton, Dickens & Co., en Matthews, Branton & Co., om hunne slavenfokkerijen en slavenloodsen vol, en hun vertier levendig te houden? Is het te veronderstellen dat zij geene menschen zijn zoo als wij? Beven zij niet somtijds bij de geduchte uitwerkselen van vrees, en wanhoop, en zielsangst, waarvan zij getuige zijn wanneer zij, in de diepten dier vreeselijke slavengevangenissen, levende harten van een scheuren? Wat onderdrukt dan de gewetens dier handelaars? Het is het algemeen gevoelen van de maatschappij waarin zij leven; en dat algemeen gevoelen wordt door leeraars en ledematen der Kerk gevormd. De handelaar bespeurt duidelijk genoeg een logisch verband tusschen de verklaringen der kerk en de praktijk van zijn handel. Hij ziet duidelijk genoeg dat, zoo de slavernij door God wordt goedgekeurd, en het regtmatig is haar in een nieuw grondgebied op te rigten, het ook regtmatig is de middelen te bezigen die daartoe strekken; en, daar de slaven in Texas niet aan de struiken groeijen, het noodig is dat er handelaars zijn om er troepen van te vergaderen en ze derwaarts te brengen; en, daar zij niet altoos geheele familiën kunnen nemen, het noodig is dat zij ze van elkander scheiden; en, daar de slaven door geene zedelijke overreding daartoe te krijgen zijn, het noodig is dat zij er toe gedwongen worden; en, waar zachte dwang niet helpen wil, zij gegeeseld en gepijnigd moeten worden. Van daar mondproppen, duimschroeven, ketenen, bloed,—alles als noodzakelijke middelen ter uitvoering van hetgeen Christenen zeggen dat God goedkeurt.Ziedaar de eene zijde van de redenering. Bezien wij nu ook de andere. De „Presbyteries” van Zuid-Carolina en Mississippi houden gevoelens staande, die, bij wettige gevolgtrekking, den slavenhandelaar stijven. De Algemeene Vergadering der „Old School” houdt, zonder tucht of protest, met deze „Presbyteries” gemeenschap. De Vergadering der „New School”betuigt hare bereidvaardigheid tot hereeniging met de „Old School,” terwijl zij te gelijker tijd het slavernij-systeem eene verfoeijelijkheid, eene zware schending der heiligste regten, en zoo voorts noemt. Welnu, dan is de keten zoo juist gesloten, als hij behoort. Alle schakels zijn er in; ieder vindt er zijne plaats, en zegt juist wat noodig is, en niets meer. De handelaar verrigt den stuitenden arbeid, de zuidelijke Kerk verdedigt hem, en de noordelijke Kerk verdedigt de zuidelijke. Ieder doet zoo veel voor de slavernij als hij kan, naar mate van de ruimte, waarin hij zich beweegt. Ziedaar de practische uitkomst van de zaak.Het treurigste van de zaak is, dat, terwijl een groot ligchaam van mannen der „New School,” en ook vele der „Old School,” besliste anti-slavernijgezinden zijn, deze tot de kerkelijke gezindheid betrekkelijke stelling hun invloed naar de andere zijde overbrengt. Hun invloed volgt dien der Algemeene Vergadering. De volgende aandoenlijke brief werd door dien uitmuntend vromen man, Dr. Nelson, geschreven, wiens werk over het ongeloof een der krachtigste populaire stemmen is, die ooit verschenen zijn:

Is besloten, dat wij de met deze Vergadering verbondene leeraars, „Presbyteries” en Synoden, minzaam en ernstig vermanen, deze zonde even als alle andere zware zonden te behandelen; en door eene vlijtige, minzame en getrouwe aanwending der hen door God verleende middelen, door onderwijzing, vermaning, berisping en daadwerkelijke tucht, de kerk van deze groote ongeregtigheid trachten te zuiveren.Dit besluit werd van de hand gewezen, en men nam het volgende:Nademaal in deze Vergadering eene groote verscheidenheid van gevoelens bestaat met betrekking tot de geschiktste en beste handelwijze in de zaak der slavernij; en nademaal, onder zulke omstandigheden, deze of gene uitdrukking van gevoelen slechts weinig gewigt zou aanbrengen wanneer zij met eene geringe meerderheid doorging, maar veeleer verwijdering en verdeeling zou veroorzaken; en nademaal de Vergadering van 1839, met groote eenstemmigheid, deze geheele zaak aan de lagere regtskringen heeft overgegeven, om eene zoodanige beslissing te nemen als naar hun gevoelen geschikt is om het kwaad te verwijderen;—is besloten, dat de Vergadering het tot stichting der Kerk ondienstig acht, in dezen iets te verrigten.Niettemin ging het volgende besluit door:Is besloten, Dat het fatsoenlijk vermaak van gemengde dansen zoo geheel onschriftmatig, en voornamelijk en uitsluitend dat der „wereld” is „die in het booze ligt,” en zoo geheel onbestaanbaar met den geest van Christus, met het den Christen voegende gedrag, en met die reinheid des harten, welke zijne volgelingen verpligt zijn te bewaren, dat het niet slechts onvoegzaam en schadelijk voor Christenbelijders is er deel in te nemen, of hunne kinderen daartoe in staat te stellen, door hen dekunstte onderwijzen, maar ook eene getrouwe en regtmatige uitoefening der kerktucht van de zijde der kerkelijke opzieners vordert, wanneer eenig lid der gemeente zich daaraan heeft schuldig gemaakt.Drie jaren later, in 1846, openbaarde de Algemeene Vergadering de volgende verklaring harer gevoelens:1. Het slavernijstelsel, zoo als het in deze Vereenigde Staten aanwezig is, hetzij uit het oogpunt der wetten van de verschillende Staten, die het goedkeuren, of uit dat zijner tegenwoordige werking en gevolgen in en voor de maatschappij beschouwd, is uit zijnen aard onregtvaardig en verdrukkend; terwijl het evenzeer gekant is tegen de voorschriften van Gods wet, den geest en de leeringen des Evangelies, en de hoogste belangen der menschheid.2. Het getuigenis der Algemeene Vergadering, van de jaren 1787 tot 1818 ingesloten, heeft het veroordeeld, en blijft nog altijd het opgeschreven getuigenis der Presbyteriaansche kerk dezer Vereenigde Staten, hetwelk wij niet terug nemen.3. Wij kunnen, derhalve, de uitdrukking van ons grievend leedwezen niet achterhouden, dat de slavernij door eenige der leden van onze kerken wordt volgehouden en verdedigd; en wij vermanen zoowel dezen, als de kerken, waaronder zij bestaat, met den meesten ernst, tot het aanwenden van alle in hunne magt staande middelen, ten einde dit kwaad uit hun midden worde weggedaan. De voortduring er van kan niet missen, bij eene menigte menschen, door den invloed van hun voorbeeld geleid, het begrip te doen ontstaan, als of door dat voorbeeld het daarin zigtbare en door de verordeningender slaven-houdende Staten, waarin zij wonen, gehandhaafde stelsel, werd gewettigd. Daarenboven kan geene bloote verzachting zijner gestrengheid, door de menschelijkheid en het Christelijk gevoel van eenigen die voortgaan met hunne medemenschen in slavernij te houden, aangebragt, als een getuigenis tegen het systeem, of als in het geringste zijn wezenlijk karakter veranderende, beschouwd worden.4. Maar, hoezeer wij gelooven, dat vele van het stelsel onafscheidelijke boosheden het noodzakelijk en verpligtend maken, om er tegen te getuigen, nogtans ondernemen wij niet, den graad van zedelijke verdorvenheid te bepalen van de zijde der individuën, die er in betrokken zijn. Ongetwijfeld zal deze, in het oog van God, afhangen van de mate van het geschonken licht, en van andere omstandigheden, tot elk in het bijzonder betrekkelijk. Wanneer wij het oog vestigen op al de hinderpalen en belemmeringen der emancipatie, door de verordeningen der slaven-houdende Staten, en door den maatschappelijken invloed op de zienswijze en het gedrag der bedoelde personen in den weg geworpen, dan kunnen wij geen vonnis van algemeene en onbepaalde veroordeeling uitspreken,datgemis van Christelijke beginselen en gevoelens medebrengende, waardoor allen, die in de wettige betrekking van meesters tot slaven staan, van des Heeren tafel geweerd zouden worden, of ons regtvaardigen, wanneer wij hen onze kerkelijke en Christelijke gemeenschap onttrekken wilden. Veeleer hebben wij medelijden met hunne gemoedelijke bezwaren, en zouden hen daarin wenschen te hulp te komen, als van oordeel zijnde, dat scheiding en verwijdering tusschen de kerken en hare leden, niet de door God goedgekeurde en bekrachtigde middelen tot de hervorming Zijner kerk zijn.5. Terwijl wij ons, derhalve, verpligt achten, ons getuigenis tegen de slavernij in te brengen, en onze geliefde broederen te vermanen haar zoo spoedig mogelijk, door alle gepaste en voegzame middelen, uit hun midden weg te doen, veroordeelen wij te gelijkertijd alle verdeelende en scheuring veroorzakende maatregelen, strekkende om de eenigheid onzer kerk te ontbinden en haren vrede te verwoesten, en schromen wij den geest van beschuldiging en straf-opleggende gestrengheid, die dezulken buiten de kudde zou drijven, welkewij veeleer, om den geest des Evangelies en de pligten onzer belijdenis, gehouden zijn te onderwijzen, te raden, te vermanen, en aldus in de wegen Gods te leiden; en jegens welken, ofschoon zij dwalen mogen, wij geduld en broederlijke liefde behooren te oefenen.6. Als eene regtbank van onzen Heer Jezus Christus, bezitten wij geene wetgevende magt; en als de Algemeene Vergadering der Presbyteriaansche kerk, bezitten wij geene regterlijke magt. Wij hebben geen regt om een toetssteen van het Christelijk karakter en lidmaatschap der kerk in te stellen en voor te schrijven, die in de Heilige Schriften, en in de belijdenissen, waarnaar wij beloofd hebben, onzen wandel te rigten, niet erkend en bekrachtigd is. Wij moeten, derhalve, deze zaak overlaten aan de kerkbesturen (sessions), „Presbyteries” en Synoden, als de regtskringen (judicatories), aan welken het oordeel toekomt in de besturing der kerkelijke tucht naar pligt en geweten, als aan de Algemeene Vergadering alleen bij wege van algemeen op- en toezigt ondergeschikt zijnde.Wanneer eene boot op een effen doch sterken stroom onmerkbaar afdrijft, dan kunnen wij haren voortgang slechts door vergelijking met andere voorwerpen op het strand bespeuren.Wanneer men deze verklaring der Algemeene Vergadering van de „New School” met die van 1818 vergelijkt, dan zal men bevinden, dat zij veel minder rondborstig en beslissend van toon is dan deze laatste, terwijl inmiddels de slavernij viervoudig in magt is toegenomen. In 1818 verklaart de Vergadering, dat het deugdzaamste deel der gemeente in de slaven-Staten de slavernij verafschuwt en harevernietigingwenscht.In 1846 betuigt de Vergadering met leedwezen, dat de slavernij door eenige leden onzer kerken nog altoos volgehouden en verdedigd wordt. Het getuigenis van 1818 heeft het openhartig en stoutmoedig voorkomen van een eenstemmig document, waaruit slechts één gevoelen spreekt. Dat van 1846 heeft het behoedzaam aanzien van een onzijdigen grond tusschen twee strijdende legers; het is uitziftend, behoedzaam vreesachtig en zorgvuldig.Doch wanneer men, met dat alles, het document op zich zelven beschouwt, dan is het zekerlijk een zeer goed stuk tenoemen; en het zou eene zeer gepaste uitdrukking van Christelijk gevoel zijn, zoo het betrekking had tot eenig ander gewoon groot kwaad, en in deze of gene algemeene crisis waregeuitgeworden; doch laat ons zien, wat het aangegrepen kwaad, en wat de crisis was. Beschouwen wij het door de Synode van Kentucky opgehangen tafereel van den tegenwoordigen staat van zaken ten harent: „De leden van slaven-familiën gescheiden, om elkander niet weder te zien vóór den oordeelsdag; broeders en zusters, ouders en kinderen, echtgenooten en vrouwen, dagelijks van elkander afgerukt, zonder elkander ooit te mogen wederzien; het gegil en de doodsangsten, die als met de stem eener bazuin de onregtvaardigheid en wreedheid van het stelsel verkondigen; de kreten der lijders, die opgaan tot het oor des Heeren Zebaoth; geen gehucht waar deze hartverscheurende tooneelen niet gezien worden; geen dorp of landweg zonder den treurigen optogt van geboeide ballingen, wier ketenen en gebogene houding verhalen, dat zij met geweld zijn afgerukt van alles, wat hunnen harten dierbaar is; Christenleeraars, de moeder van haar kind afscheurende, om haar in eeuwigdurende ballingschap te verkoopen.”Dit was de taal der Synode van Kentucky, veertien jaren te voren; en die tooneelen zijn sedert dien tijd altoos voorgevallen, en vallen nog dagelijks voor, zoo als de berigten van elk zuidelijk nieuwspapier aantoonen; en toch heeft de kerk van Christus sedert 1818 niets anders gedaan dan haar leedwezen te betuigen, en deftige bovennatuurkundige beraadslagingen te houden of de slavernij eene zondeper sewas, en de voorbarige handelwijze te berispen van mannen, die, de onmogelijkheid ziende om het kwaad op eenige andere wijze te doen ophouden, zulks beproefden door de slavenhouders van de gemeenschap der kerk uit te sluiten. Alsof het niet beter ware dat één slavenhouder op de honderd, wanneer het hem meer in het bijzonder betreft, buiten de kerk zou staan, dan dat al dievreeselijkefoltering en ongeregtigheid bij voortduring de wettiging van het voorbeeld der kerk ontvangen zoude! Zou een edelmoedig Christen niet zeggen: „Als de kerkban dit verschrikkelijke kwaad kan ten onder brengen, laat hij komen, al zou hij ook zwaar op mij drukken! Het is beter, dat ik eene geringe onregtvaardigheid lijde, dan dat deze afschuwelijke ongeregtigheid steeds op de rekening derKerk van Christus blijve! Zal ik de geheele Kerk met mijne bezwaren belasten? Wanneer ik in de behandeling mijner slaven liefderijk en zorgvuldig te werk ga; wanneer ik de slechte leerstelling, dat zij mijn eigendom zijn, uit mijn hart verworpen heb, en ze als mijne broeders behandel—wat doe ik dan? Al het gewigt van mijn voorbeeld zet het systeem kracht bij. De Kerk moet deze vreeselijke ongeregtigheid bestraffen, en de bestraffer behoort zuivere handen te hebben; en als ik mij niet ten volle van dit kwaad kan losmaken, dan is het beter dat ik buiten de Kerk blijve, totdat ik het kan.”Laat ons nu ook de geduchte verschansingen en de sterkte van het kwaad beschouwen, waar tegen dit zeer gematigd besluit gerigt was. „Eene geldmagt van twee duizend millioenen dollars, in handen eener kleine vereeniging van bekwame en wanhopige lieden; die vereeniging door bijzondere wettelijke bepalingen tot eene staatkundige aristocratie verheven; het katoen, het voortbrengsel van den slaven-arbeid, de grondslag uitmakende van onzen geheelen buitenlandschen koophandel, en de handelsklasse alzoo bevoorregt; de drukpers omgekocht; de zuidelijke kansel tot vasal vernederd; het hart der lagere klasse door een bitter vooroordeel tegen het zwarte menschenras verkild, en onze hoofdleiders door eerzucht óf tot stilzwijgen óf tot openbare vijandschap verleid.”2En nu, in dezen staat van zaken, wordt de slavernij door het gansche gewigt dezer kerken ondersteund, omdat zij slavenhouders bevatten. Dat zij geen deel hebben aan de misbruiken van het stelsel, doet niets ter zake; het wordt haar door niemand gevergd. De slavenmagt wenscht niet dat belijders van de godsdienst familiën scheiden, of hunne slaven bovenmatigen arbeid opleggen, of eenige schanddaad bedrijven: dat ishaar belangniet. De slavenmagt behoeft vrome, teederhartige, edelmoedige en menschelijke meesters, en behoeft ze, om het systeem tegen het toenemend zedelijk gevoel der wereld staande te houden; en hoe vromer en edelmoediger zij zijn, des te beter. Zonder deze lieden zou de slavernij geen uur lang kunnen staande blijven. Wat is het derhalve? Deze lieden houden het systeem, en dat groote anti-slavernijgezinde ligchaam vanleeraars houdt deze lieden staande. Dit is het slot van de geheele zaak.Paulus zegt, dat wij aan diegenen moeten gedenken, die in banden zijn, als met welke ook hij gebonden is. Verondersteld eens, dat deze Algemeene Vergadering uit mannen bestaan had, die vlugtelingen geweest waren. Verondersteld dat een hunner zijne dochters naar de slavenmarkt van New-Orleans had zien wegvoeren, zoo als Emily en Mary Edmondson; dat de dochter van een’ ander’ op dezen overlandstogt in een slaventroep gestorven was, met geene andere oppassing dan die van een slavendrijver, zoo als de arme Emily Russell; dat de vrouw van een’ derden met een gebroken hart gestorven was, toen men haar hare kinderen van de borst rukte om ze te verkoopen; en dat een vierde eene half krankzinnig gemaakte moeder had, wier haren door zielsangst vóór den tijd waren grijs geworden. Verondersteld dat die hartverscheurende tooneelen van scheiding, met gillen en snikken, waarvan de Synode van Kentucky zegt zoo langen tijd getuige geweest te zijn, in de familiën dier leeraars hadden plaats gehad, en dat zij tot deze beraadslaging waren opgegaan met harten, zoo doorpriemd en verscheurd als het hart van den armen ouden Paul Edmondson, toen hij naar New-York ging om voor zijne dochters te bedelen. Verondersteld dat zij het afschuwelijk stelsel, waaronder dit alles was voorgevallen, nog ieder uur zagen uitbreiden; dat leeraars onder de Christenen van alle gezindheden in het Zuiden het voor eene door God bekrachtigde instelling verklaarden; dat al de rijkdom, al de rang en al defashiondes lands te zijnen gunste vereenigd waren; en dat zij, zoo als Aäron, gezonden waren om tusschen de levenden en de dooden te staan, opdat de pest mogt ophouden.En laat het nu zoo nederig en zoo ernstig mogelijk aan de Christenen dezer natie, en aan de Christenen van alle natiën, gevraagd mogen worden, of op zulk een tijdstip, en onder zulk eene crisis, deze handeling voldoende was? Heeft zij ietsuitgewerkt? Heeft zij ook maar het minste te weeg gebragt om het kwaad te stuiten? En behoorde er in zulk een vreeselijken tijd niet ietsgedaante worden wat die uitwerking kan hebben?Laat ons de geschiedenis voortzetten. Men zal hebben opgemerktdat het besluit eindigt met het onderwerp aan ondergeschikte regtskringen over te laten. De „New School Presbytery” van Cincinnati, waarin de hoogleeraars van het seminarium van Lane zitting hadden, schorsten Mr. Graham in zijne bediening, om zijne leerstelling, dat de Bijbel de slavernij regtvaardigde; bij dit vonnis de stelling voegende, dat zulks eene ketterij was, onbestaanbaar met de Christelijke gemeenschap. De Synode van Cincinnati bevestigde deze uitspraak. De Algemeene Vergadering wierp deze beslissing omverre, en herstelde Mr. Graham. De afgezondene van die „Presbytery” zeide, dat zijnooitop hare schreden zou terugkeeren, en zoo gebeurde het ook. De „Presbytery” van Cincinnati weigerde hem terug te ontvangen. Haar zij er alle eer voor toegebragt! Hier, ten minste, werd een beginsel vastgesteld, voor zoo veel de „New School Presbytery” van Cincinnati, en een beginsel voor zoo veel de Algemeene Vergadering betreft. Door deze daad stelde de Algemeene Vergadering het feit vast, dat de Presbyteriaansche kerk der „New School” niet beslisthad, dat de verdediging der slavernij uit den Bijbel eene ketterij was.De leer te verkondigen, dat er geene drie Personen in de Drieëenheid zijn, is ketterij.De leer te verkondigen, dat al deze drie Personen een systeem bekrachtigen, hetwelk zelfs door Mahomedaansche vorsten uit louter natuurlijke schaamte en gewetenshalve is vernietigd, is geene ketterij!De Algemeene Vergadering ging voort met te bewijzen, dat zij deze leer niet als ketterij beschouwde, door in 1846 de Algemeene Vergadering der „Old School” tot gemeenschappelijke viering van ’s Heeren Avondmaal uit te noodigen. Onder die Vergadering behoorden niet alleen Dr. Smylie, en al die ligchamen onder haar, die niet alleen de slavernij in het afgetrokkene, maar zelfs eenige harer ergste misbruiken, uit Gods woord hadden verdedigd; maar het ligchaam der „New School” hield deze gevoelens voorgeene ketterij, die de Christelijke gemeenschap zou verhinderen!In 1849 verklaarde de Algemeene Vergadering, dat bij haar geene berigten waren ingekomen ten bewijze, dat de leden in Slavenstaten niet alles deden wat zij konden om, onder opzien tot God, den slaven het bezit en genot der vrijheid te bezorgen. Dit is eene merkwaardige verklaring, wanneer wijin aanmerking nemen, dat in Kentucky geene strenge wetten tegen de emancipatie bestaan, en dat, in Kentucky of in Virginia, de slaaf kan worden in vrijheid gesteld door hem eenvoudig een paspoort te geven om de grenslijn van den naburigen Staat te overschrijden.In 1850 werd door den Eerwaarden H. Curtiss, van Indiana, een voorstel aan de Vergadering gedaan, ten volgenden einde: „Dat het tot slaven maken of als eigendom bezitten van menschen, een vergrijp is, zoo als in ons Boek van kerkelijke tucht, hoofdstuk 1, afdeeling 3, bepaald is; en als zoodanig onderworpen aan onderzoek, bestraffing en afsnijding, op de wijze, door onze regelen voorgeschreven; en dat het met behoorlijke inachtneming van alle verzwarende of verzachtende omstandigheden voor ieder bijzonder geval behoort behandeld te worden.” Een ander voorstel was van een ouderling uitPennsylvanië, en stelde vast, dat de slavernij,primafacie, een vergrijp was in de bedoeling van ons Boek van kerkelijke tucht, en den slavenhouder den last oplegde van zulke omstandigheden aan te voeren, als strekken konden om hem van de schuld der overtreding te ontheffen.Beide deze voorstellen werden verworpen. Het volgende werd aangenomen: „Dat de slavernij met vele en groote boosheden beladen is; dat men de uitwerkselen van het geheele slavernijstelsel betreurt; dat het houden onzer medemenschen in den staat van slavernij, uitgezonderd in die gevallen, waarin hetuit hoofde der wetten van den Staat, de pligten van voogdijschap, of de eischen der menschelijkheid onvermijdelijk is, een vergrijp (offence) is, naar de eigenlijke meening dier uitdrukking, zoo als zij in het Boek der kerkelijke tucht gebezigd wordt, en op dezelfde wijze als andere vergrijpen te beschouwen en te behandelen is; en dat dit onderwerp derhalve aan de kerkbesturen (sessions) en „presbyteries” wordt overgelaten.” De stemmen waren acht-en-veertig tegen zestien, onder een schriftelijk protest van de minderheid, die in den tegenwoordigen toestand des lands alle handeling afkeurde. Laat de lezer deze handeling wederom met die van 1818 vergelijken, en hij zal zien dat de boot nog altoos afdrijft—inzonderheid dewijl zelfs deze gematigde verklaring niet eens met algemeene stemmen gegeven werd. Op nieuw, in dit jaar 1850, verklaart men zich bereid om in den geest van broederlijkeen Christelijke liefde, eenige voorslagen tot hereeniging te ontvangen, die het ligchaam der „Old School” voornemens was te doen.In 1850 kwam de verschrikkelijke wet tegen de weggevlugte slaven. Welke daden werden toen bedreven? Toen werden de tooneelen van schrik en doodsangst, die te voren slechts op den slavenbodem aanschouwd werden, naar onze vrije Staten overgebragt. Kerken werden open gebroken. Bevende Christenen vloden. Echtgenooten en vrouwen werden gescheiden. Toen werd aan den armen Afrikaan het vreeselijk doemvonnis voltrokken, over den wandelenden Jood uitgesproken: „Gij zult geene rust vinden, en uwe voetzolen zullen geene rust hebben; maar uw leven zal altoos in gevaar zijn, en gij zult dag en nacht vreezen, en geene veiligheid voor uw leven hebben.” De gansche maatschappij ging toen éénen weg op—al de rijkdom, al de magt, al defashion. Nu, zoo ooit, was het tijd voor de Kerk van Christus om op te staan en voor de armen te spreken.De Algemeene Vergadering kwam bijeen. Zij was ernstig aangemaand om zich te uiten. Nooit bestond er eene schitterender gelegenheid om te toonen, dat het koningrijk van Christus niet van deze wereld is. Een protest derhalve van een zoo talrijk en achtenswaardig ligchaam zou de Amerikaansche Kerk voor de schande bewaard hebben, die zij thans in het oog van alle natiën draagt. O, dat zij eenmaal gesproken had! Wat zeide de Presbyteriaansche Kerk? Zij zeideniets, en oogstte er den dank der staatkundige leiders voor in. Zij hadallesgedaan, wat zij verlangden.Intusschen was onder dezen gang van zaken het getal der „Presbyteries” in slaven-houdende Staten vandrietottwintiggeklommen! en deze kerk had nu van vijftien- tot twintigduizend leden in Slavenstaten onder hare hoede.Genoeg over de handelwijze van een beslist anti-slavernijgezind ligchaam, in vereeniging met eenige weinige slavenhoudende Kerken. Genoeg over eene bescheidene, voorzigtige, liefderijke en broederlijke poging om de zaak door ondervinding te toetsen. Welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis, en welke overeenstemming heeft Christus met Belial? Het slavensysteem is de duisternis—het slavensysteem is Belial! en elke poging om het met de belijdenis des Christendomsovereen te brengen, zal denzelfden uitslag hebben als deze. Het behoort nogtans hier gezegd te worden, dat een klein ligchaam van de meest besliste tegenstanders der slavernij in de Presbyteriaansche Kerk zich afscheidde, en devrije Presbyteriaansche Kerkvormde, wier voorwaarde van gemeenschap eene volkomene verzaking van het slaven-houden is. Ook moet het worden opgemerkt, dat deze grondregel door de Kwakers aangenomen en ten uitvoer gebragt werd—het eenige met dit kwaad besmette ligchaam van Christenen, wien het ooit gelukt is er zich van te bevrijden.Het zij nu dat censuur en kerktucht al dan niet geschikte middelen zijn om zulke zedeloosheden en ketterijen bij individuën tegen te gaan,—genoeg is het, dat zulks het verklaarde en in uitoefening gebragte gevoelen van de Presbyteriaansche Kerk geweest is.Wanneer men de redenering van Charles Summer overweegt, dan zal het in het oog vallen dat de geschiedenis dezer Presbyteriaansche Kerk aanmerkelijke punten van overeenkomst oplevert met die onzer Vereenigde Staten. In beide was, in den beginne, anti-slavernij de heerschende invloed, zelfs onder slavenhouders. In beide was er geen verschil van gevoelen omtrent de wenschelijkheid van de volkomene vernietiging der slavernij; beide gaven iets toe, zoo weinig als men zich met mogelijkheid verbeelden kan; beide deden dit volkomen ter goeder trouw, met het doel eener spoedige verwijdering en vernietiging van het kwaad; en beider geschiedenis is dezelfde. Het kleine punt van toegeving breidde zich uit, won meer en meer veld, en ging, van jaar tot jaar, verslindende voort, tot dat èn de Vereenigde Staten, èn de Presbyteriaansche Kerk, het standpunt bereikt hadden waarop zij zich thans bevinden. Nog erger was de geschiedenis der Methodistische Kerk. Die van de Kerk der Baptisten toont hetzelfde beginsel; en, wat de Episcopaalsche kerk zoowel in het Noorden als in het Zuiden betreft, deze heeft nooit iets anders gedaan dan toegeven. Zij verschilt hierin van al de overige, dat zij nooit eenig tegenstandbiedend element had, met uitzondering nu en dan van een Protestant, zoo als William Jay, een waardige zoon van hem, die de Verklaring van Onafhankelijkheid onderteekende.De slavenmagt is een wel zamenhangend, vast, stevig, onwrikbaar stelsel geweest, dat van geen schikken of toegevenwist. De wederstand biedende magt was, vele jaren lang, wankelend, toegeeflijk, met zich zelve in tegenspraak. Er heeft, wel is waar, eene diepe en steeds toenemende vijandschap jegens de slavernij, bij eene besliste meerderheid van leeraars en ledematen in vrije staten bestaan,als individuën beschouwd. Doch ongelukkigerwijze zijn de opregte tegenstanders der slavernij onderling verdeeld geweest nopens grondstellingen en maatregelen, daar de tot uitersten gedrevene grondstellingen en maatregelen van sommigen eene schadelijke terugwerking bij anderen te weeg bragten. Daarenboven hebben andere groote plannen van weldadigheid hun tijd en aandacht gevorderd; en de uitslag is geweest dat zij alle zich onjuiste begrippen gevormd hebben van de uitgebreidheid des gevaars, waarmede de zaak van God op aarde door de Amerikaansche slavernij bedreigd wordt, en van den pligt des Christens onder zulk eene crisis. Zij hebben hieromtrent nooit zulk eene overtuiging gehad als die, welke in andere groote aangelegenheden hunne geestkracht gewekt, aangevuurd en vereenigd heeft. Intusschen hebben groote organische invloeden in Kerk en Staat, zeer tegen hunnen wensch, hunnen invloed tegen de slavernij opgewogen—ja somwijlen in haar voordeel doen werken. De volslagene onwrikbaarheid van het slavernij-systeem, en zijne volstrekte weigering om eenige beraadslaging er over toe te laten, hebben alle diegenen, die gemeenschap met slaven-houdende Kerken wenschen, slechts de keuze gelaten om òf de ondersteuning van het Zuiden in deze zaak, òf hun protest tegen de slavernij te laten varen.Dit is eene sterke verzoeking geweest voor menschen die weldadige en loffelijke zaken behartigden, doch niet genoeg doordrongen waren van het volle gevaar van het slavensysteem, noch de zedelijke kracht van het Christelijke protest daartegen wisten te schatten. Wanneer er zich, dien ten gevolge, gevallen voordeden waarin hun slechts de keuze bleef tusschen de opoffering van hetgeen zij voor de belangen eener goede zaak hielden, en tusschen het opgeven van hun regt van protest, hebben zij algemeen het laatste gekozen. De beslissing had altoos op deze wijze plaats: De slavenmagtwil niettoegeven,—wijmoetenhet. Het Zuiden zegt: „Wij willen geen godsdienstig boek nemen dat anti-slavernijgezinde grondstellingen bevat.” De Vereeniging der zondagsscholenheeft Mr. Gallaudet’s geschiedenis van Joseph afgewezen. Waarom? Omdat zij de slavernij begunstigt? Volstrekt niet. Zij verafschuwt de slavernij. Waarom dan? „Het Zuiden wil onze boeken niet lezen, als wij niet toegeven. Zij willen niet toegeven, en wij moeten. Wijkunnen meer goed doendoor de verspreiding van Evangelische waarheid, wanneer wij onze Protestantsche magt ongebruikt laten, dan wanneer wij haar aanwenden.” Dit werd, waarschijnlijk, ter goeder trouw gedacht en gezegd. Het argument laat zich wel hooren, maar de zaak wordt er niet te minder om toegegeven. De slavenmagt heeft de overwinning behaald, en heeft ze juist door de beste menschen, en juist door den invloed van de beste beweegredenen behaald; en zoo zij slechts de overwinning verkreeg, is het haar om het evenhoezij ze verkreeg. En al moge het ook gezegd kunnen worden dat hetgeen in ieder bijzonder geval wordt toegegeven, op zich zelve slechts gering is, toch zal, wanneer wij alles bij elkander nemen wat van tijd tot tijd door iedere kerkelijke gezindheid, en door iedere afzonderlijke weldadige inrigting is afgestaan, het beloop inderdaad verbazend zijn. En waar zijn wij, ten slotte van dat alles, nu toe gekomen?Hier zijn wij, in deze crisis,—hier, in deze negentiende eeuw, terwijl de geheele wereld grondstellingen van algemeene vrijheid om verre werpt en weder opbouwt,—wij, Amerikanen, die onze Bijbels en zendelingen uitvaardigen om Mahomedaansche landen tot Christelijke te maken, wij, al onze magt en invloed aanwendende tot instandhouding van een stelsel van afgesleten heidendom, dat zelfs door den Bey van Tunis verworpen wordt!De zuidelijke Kerk heeft het gedoopt in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Dit afgesletene, verouderde, verjaarde stelsel van Romeinsche slavernij, eenmaal, langzaam maar zeker, door het Christendom vernietigd, is uit zijn eerloos graf opgedolven; eenige weinige wetten van buitensporige wreedheid, zoo als Rome ze nimmer kende, zijn er aan toegevoegd; en thans, door de geheele zuidelijke Kerk gedoopt en geheiligd, gaat het uit, overwinnende en om te overwinnen! De eenige magt, die der noordelijke Kerk, is overgebleven, is de protesterende magt, en zal zij daar gebruik van maken? Vraag het Traktaatgenootschap of het een traktaatover het zondige der slavernij wil uitgeven, al zou zulk een traktaat maaralleenuit de schriften van Jonathan Edwards of Dr. Hopkins worden zamengesteld! Vraag de Vereeniging der zondagsscholen of zij de feiten betrekkelijk dit heidendom wil openbaar maken, zoo als zij de feiten betrekkelijk Burmah en Hindostan geopenbaard heeft! Willen zij? O, dat zij ja mogten zeggen!Nu zal het wel niet betwijfeld worden dat al deze treurige uitkomsten de gevolgen zijn van de voorstellen en beraadslagingen van goede mannen, die het goede bedoelden; doch men heeft met waarheid gezegd dat, in gevaarlijke tijden, wanneer één misstap de noodlottigste gevolgen te weeg brengt, eene goedebedoelingniet genoeg is.In de crisis eener ziekte het goede te bedoelen en den lijder te doen sterven; onder het woeden van een storm het goede te bedoelen en het schip te doen stranden; in een grooten zedelijken strijd het goede te bedoelen en den strijd te verliezen;—dit zijn betreurenswaardige zaken. Door onze schuld gaat het schip te gronde—dooronzeschuld wordt de strijd verloren. Een weinig meer slapens, een weinig meer sluimerens, een weinig meer handenvouwens al nederliggende, en wij zullen in de draaijing van dien maalstroom ontwaken die slechts één uitgang heeft—naar den afgrond!Er is nog één ligchaam van Christenen, welks invloed wij niet beschouwd hebben, en dat wel van een zeer aanzienlijk,—de Congregationalisten van Nieuw-Engeland en van het Westen namelijk. Uit den aard zelve van het Congregationalisme kan het geen zoo eenstemmig getuigenis geven als het Presbyterianisme; maar toch heeft het Congregationalisme zich tegen de slavernij geuit. Individuëele ligchamen hebben zeer sterk gesproken, en individuëele geestelijken nog sterker. Zij hebben vertoogen bij de Algemeene Vergadering ingeleverd, en hebben zeer sterke anti-slavernijgezinde bladen. Doch, den geheelen staat van het openbaar gevoelen, den dringenden aard der zaak, en de geweldige kracht en drang van al de slavernij begunstigende oorzaken in aanmerking genomen, mag men vragen of de hevigheid en kracht van het getuigenis van het Congregationalisme,als ligchaam beschouwd, wel gelijk stond met de vreeselijke dringende noodzaak? Het heeft zeer volledige en duidelijkegetuigenissen opgeteekend over de rampen der slavernij; doch er is meer noodig dan getuigenissen. De Presbyteriaansche Kerk bezit een overvloed van opgeteekende getuigenissen, even zoo goed en even zoo sterk als die het Congregationalisme heeft doen hooren. De Presbyteriaansche Kerk der „New School” heeft voor het minst even zoo vele anti-slavernijgezinde mannen, even zoo vele sterk anti-slavernijgezinde nieuwspapieren gehad als de Congregationale; en de Presbyteriaansche Kerk heeft eene beproeving voor deze zaak doorgestaan, waaraan de Congregationale nooit was blootgesteld. Zij heeft slavenhouders in hare gemeenschap gehad, en van deze proef is de Congregationale, tot nog toe, zoo goed als vrij gebleven. Had het Congregationalisme, van dit vrije standpunt, niet een getuigenis moeten geven dat meer dan gelijk stond? Had het niet meer moeten doen dan betuigen?—had het niet voor de zaak moeten strijden? Had het, zoo als de drie honderd dapperen in Thermopylae, alleen gelaten om Griekenlands vrijheid te verdedigen, toen al de anderen gevloden waren, niet hart en ziel, ligchaam en geest, voor de goede zaak moeten over hebben? Heeft het zulks gedaan?Breng den ijver door het Congregationalisme aan andere vraagstukken te koste gelegd, eens in vergelijking met den ijver aan deze zaak besteed. Dr. Taylor leerde dat alle zonde in zondigen bestaat, en dat er daarom geene zonde kon zijn, tot dat een persoon gezondigd had; en Dr. Bushnell opperde eenige wijzigingen van het leerstuk der Drieëenheid, die niemand regt scheen te begrijpen. De „Presbyteries” van Zuid-Carolina leeren dat God de slavernij goedgekeurd, en door het voorbeeld van patriarchen en profeten gewettigd heeft. Verondersteld nu dat dit altemaal ketterijen zijn, welke daarvan is dan wel de ergste?—Welke daarvan zal de ergste praktikale gevolgen te weeg brengen? En, zoo het Congregationalisme deze ketterij bestreden had zoo als sommige zijner leiders Dr. Bushnell en Dr. Taylor bestreden hebben, zou de strijd dan niet met meer ijver gevoerd zijn? Zijn deze beide mannen niet als gevaarlijke ketters ten toon gesteld, als leeringen predikende die tot ongeloof leiden? En, eilieve, waartoe leidt dan die andere leerstelling? Zoo zeker als er een God in den hemel is, zoo zeker is het, dat, zoo de Bijbel inderdaad de slavernij verdedigde, ieder eerlijk en gevoelig menschal sedert vijftig jaren herwaarts een ongeloovige zou geweest zijn.Is derhalve de invloed van het Congregationalisme geëvenredigd geweest aan den aard en de dringende gewigtigheid der zaak? Maar de laatst gehoudene bijeenkomst van Congregationalisten te Albany, waarop leeraars uit Nieuw-Engeland en uit de westelijke Staten verschenen, drukte zich stelliger en beslissender uit. Zie hier haar besluit:Is besloten, dat, naar het gevoelen dezer Vergadering, het doel des Evangelies, waar het in zijne zuiverheid gepredikt wordt, daarheen strekt om alle maatschappelijke gebreken te verbeteren, en de zonde in alle hare vormen te dooden; en dat het de pligt der Zendeling-genootschappen is, de kerken in slaven-houdende Staten behulpzaam te zijn in de ondersteuning alleen van zulke leeraars, die het Evangelie alzoo zullen prediken, en de regelen en de aanwending der Evangelische tucht alzoo zullen inscherpen, dat zulks, onder den Goddelijken zegen, zijne volle uitwerking hebbe tot opwekking en leiding van het zedelijk gevoel met betrekking tot de slavernij, en tot bevordering der spoedige vernietiging van dat verbazende kwaad; en dat daar, waar het een leeraar niet geoorloofd is alzoo te prediken, hij, overeenkomstig de vermaning van Christus, „uit die stad vertrekke.”Dit besluit geeft in vele opzigten stoffe tot hoop en blijdschap. Het werd door eene zeer groote kerkelijke vergadering genomen, de grootste, die ooit in dit land bijeen kwam, en die het gansche Congregationalisme der Vereenigde Staten vertegenwoordigde; terwijl de aanleiding tot hare bijeenkomst, in zeker opzigt als de aanvang een nieuw tijdperk in het bestaan dezer gezindheid mogt beschouwd worden.Het besluit werd met eenparige stemmen genomen. Het is zeer bepaald in zijne uitdrukking, en beoogt practische werkzaamheid, die juist behoefte is. Het zegt, dat het geene leeraars in Slavenstaten ondersteunen wil, wier prediking niet strekt tot vernietiging der slavernij; en dat, zoo hen geene vrije prediking daartegen vergund wordt, zij vertrekken moeten.Dat het alzoo gewonnen terrein krachtdadig zal verdedigd worden, is af te leiden uit het feit, dat de „Home Missionary Society,” die het orgaan van dit ligchaam, zoowel als van de„New School” der Presbyteriaansche Kerk is, in hare instructiën voor de zendelingen in Slavenstaten, eene bepaalde stelling ten opzigte van dit onderwerp genomen heeft. In hun verslag van Maart 1853 worden die instructiën met bekwaamheid op den voorgrond gesteld. Toen zij, in 1850, door een der Slavenstaten werden aangehaald ten gunste van zendelingen, die de slavernij wilden daarlaten, werd er, in de beslissendste bewoordingen, op geantwoord, dat men daar niet in treden konde; dat men, integendeel, begrijpen moest, dat een voornaam doel in de afvaardiging van zendelingen naar de Slavenstaten, is, de maatschappij, zoo veel zulks mogelijk is, van de zonde onder alle gedaanten te bevrijden, en dat, „zoo men het stilzwijgen over de slavernij naar buiten bewaren wilde, een der grootste beweegredenen om zendelingen naar de Slavenstaten af te vaardigen, of ze daarin te houden, zou zijn weggenomen.”Wijders gebood de Maatschappij haren zendelingen om, zoo men hen in de eene stad of dorp niet over dit onderwerp hooren wilde, naar eene andere te gaan; terwijl zij hare overtuiging uitdrukte, dat hare zendelingen er aanvankelijk in geslaagd zijn om de gewetens der menschen wakker te maken. Zij zegt, dat zij de zaak steeds levendig houden, dat zij ze niet laten rusten, omdat het een teeder onderwerp is, maar dat zij hunne conscientiën kwijten, hetzij dan dat hunne boodschap een goed onthaal vindt, of dat zij hen, zoo als in sommige gevallen, aan tegenstand, verdrukking of persoonlijk gevaar blootstelt; en dat, waar men hunne pogingen niet heeft willen toelaten, zij, in herhaalde gevallen, als eene groote opoffering, hunne stelling verlaten hebben, en naar andere streken vertrokken zijn. In hun verslag van dit jaar deelen zij ook brieven mede van leeraars in slaven-houdende Staten, waaruit blijkt, dat zij, ondanks veel tegenstand, zich het regt verzekerd hebben, om hunne gevoelens over dit onderwerp openlijk te prediken en te verbreiden.Een dier zendelingen, van de slavernij sprekende, zegt: „Wij zijn vast besloten, om dit groote struikelblok uit onzen weg te ruimen, of onder de poging te bezwijken. Als Christenen en als vrijmannen willen wij deze schandvlek op onze godsdienst en wetten niet langer dulden.”Dit is een edel standpunt.Doch, terwijl wij de protesterende magt beschouwen, mogen wij ook de Schotsche afgescheidenen en „Covenanters” niet vergeten, die, met eene standvastigheid en vastbeslotenheid, het kroost der oude Schotsche belijders waardig, zich van de zonde der slavernij rein gehouden, en er eenparig tegen geprotesteerd hebben. En laat ons niet minder opmerken, dat de Kwakers een maatregel volgden, die hun gansche ligchaam van de zonde der slaven-houding bevrijd hield; aldus aan al de andere gezindheden toonende, dat wat eenmaal gedaan werd, weder gedaan kan worden. Alzoo zijn er, onder alle kerkelijke gezindheden, individuëele leeraars en Christenen, in uren die der menschen zielen beproefden, met hun getuigenis opgetreden. Albert Barnes, in Philadelphia, te midden eener groote, rijke gemeente op de grenzen van een Slavenstaat gevestigd, en onder al de verlokkingen tot medepligtigheid, die er zoo menigeen tot zwijgen bragten, is in kalme getrouwheid opgestaan, en heeft den geheelen raad Gods in deze zaak verkondigd. Ja, nog meer: hij teekende zijn plegtig protest aan, dat „GEENE INVLOEDEN BUITEN DE KERK DE SLAVERNIJ EEN UUR LANG KONDEN STAANDE HOUDEN, ZOO ZIJ ZELVE ZE NIET STAANDE HIELD;” en in de laatste zitting der Algemeene Vergadering, die te Washington bijeen kwam, hield hij, in spijt van alle staatkundige inblazingen, de Presbyteriaansche Kerk de sterkte harer laatste verklaringen voor, en verklaarde het haar pligt, de volkomen vernietiging der slavernij door de geheele wereld te beproeven. Zoo leide, in het donkerste uur, Dr. Channing te Boston een edel getuigenis af, dat zijn naam onsterfelijk zal maken. Zoo vormden, in Illinois, E. P. Lovejoy en Edward Beecher, met hunne vrienden, de „Illinois Anti-slavery Society” onder zamenrottingen van het gemeen, en met gevaar van hun leven, terwijl, weinige uren later, Lovejoy, bij de verdediging der twee malen vernielde drukpers der abolitionisten, doorschoten werd. In de Presbyteriaansche kerk der „Old School” hebben William en Robert Breckenridge, de President Young, en anderen, ten voordeele der emancipatie in Kentucky gepredikt. In de Methodistische Kerk hield Le Roy Sunderland zijn dagblad onder den ban zijner superieuren staande, terwijl eene premie van vijftig duizend dollars op zijn lijf gesteld was. De zachtmoedige, geduldige Torrey stierf in eene gevangenis, zeggende: „Zoo ik een misdadigerben, ben ik een groot misdadiger, want ik heb vier honderd slaven aan de vrijheid geholpen, die, zonder mij, als slaven zouden gestorven zijn.”Dr. Nelson werd door het gepeupel uit Missouri verdreven, om zijne moedige prediking der waarheid op slavenbodem. Deze allen behoorden tot de leeraars, en zij zijn niet de eenige. Jezus Christus heeft ons nog niet geheel verlaten. Er zijn er, die de vreugde hebben leeren kennen van voor eene goede zaak schande te lijden en den dood te trotseren.Er zijn dus ondeelige Christenen geweest, die voor deze heilige zaak niets te dierbaar geacht hebben. Getuige Richard Dillingham en John Garette, en eene schare anderen, die met vreugde de berooving hunner goederen hebben aangezien.Maar niettegenstaande dit alles blijft het de vreeselijke waarheid, dat alles, wat tot dusverre door de kerk gedaan is, het kwaad niet merkbaar heeft doen verminderen. Het groote systeem is sterker dan ooit. Het is, zoo als algemeen bekend is, de heerschende magt der natie. De geheele magt van het gouvernement, en de geheele magt van den rijkdom, en de geheele magt van defashion, en de practisch-organische werking der groote kerkelijke ligchamen, zijn alle denzelfden weg opgegaan. De Kerk wordt gemeenzaam genoemd, als aan de zijde der slavernij te staan. Staatslieden vóór en tegen het vraagstuk hebben dit als een bewezen feit vermeld. De ongeloovigen wijzen er met triomferenden blik op; en Amerika aanschouwt nog eene andere klasse van ongeloovigen—eene klasse, die alleen onder zulk een invloed ontstaan kon. Mannen, wier geheele leven slechts ééne studie en praktijk van weldadigheid is, worden nu onder de ongeloovigen gerangschikt, omdat de gesteldheid der kerkelijke organisatiën het Christendom valschelijk voorstelt, en zij zich van de kerk afscheiden. Wij willen geene verdediging inbrengen voor zoodanige ongeloovigen, die bloot anti-slavernijgezinden ijver voor hunne Godsdienst houden, en onder dit masker een boosaardigen haat jegens het ware Christendom verbergen. Maar zulke verdedigingen van de slavernij uit den Bijbel, als waarmede sommige leden der Amerikaansche geestelijkheid zijn opgetreden, zijn juist geschikt om alle eerlijke en regtschapene lieden tot ongeloovigen te maken. De ongeloovigen uit vroegere tijden waren niet veel te duchten, maar zulke ongeloovigen als deze,zijn niet te verachten. Wee der kerk, wanneer het zedelijk allooi van den ongeloovigen beter is, dan dat van den Christenbelijder! want het eenigste harnas, dat voor het ongeloof altoos onverwinnelijk was, is hetharnas der regtvaardigheid.Laat ons zien welke practische uitwerking thans door de kerkelijke organisatiën wordt te weeg gebragt. Waarop vertrouwen Bruin en Hill, Pulliam en Davis, Bolton, Dickens & Co., en Matthews, Branton & Co., om hunne slavenfokkerijen en slavenloodsen vol, en hun vertier levendig te houden? Is het te veronderstellen dat zij geene menschen zijn zoo als wij? Beven zij niet somtijds bij de geduchte uitwerkselen van vrees, en wanhoop, en zielsangst, waarvan zij getuige zijn wanneer zij, in de diepten dier vreeselijke slavengevangenissen, levende harten van een scheuren? Wat onderdrukt dan de gewetens dier handelaars? Het is het algemeen gevoelen van de maatschappij waarin zij leven; en dat algemeen gevoelen wordt door leeraars en ledematen der Kerk gevormd. De handelaar bespeurt duidelijk genoeg een logisch verband tusschen de verklaringen der kerk en de praktijk van zijn handel. Hij ziet duidelijk genoeg dat, zoo de slavernij door God wordt goedgekeurd, en het regtmatig is haar in een nieuw grondgebied op te rigten, het ook regtmatig is de middelen te bezigen die daartoe strekken; en, daar de slaven in Texas niet aan de struiken groeijen, het noodig is dat er handelaars zijn om er troepen van te vergaderen en ze derwaarts te brengen; en, daar zij niet altoos geheele familiën kunnen nemen, het noodig is dat zij ze van elkander scheiden; en, daar de slaven door geene zedelijke overreding daartoe te krijgen zijn, het noodig is dat zij er toe gedwongen worden; en, waar zachte dwang niet helpen wil, zij gegeeseld en gepijnigd moeten worden. Van daar mondproppen, duimschroeven, ketenen, bloed,—alles als noodzakelijke middelen ter uitvoering van hetgeen Christenen zeggen dat God goedkeurt.Ziedaar de eene zijde van de redenering. Bezien wij nu ook de andere. De „Presbyteries” van Zuid-Carolina en Mississippi houden gevoelens staande, die, bij wettige gevolgtrekking, den slavenhandelaar stijven. De Algemeene Vergadering der „Old School” houdt, zonder tucht of protest, met deze „Presbyteries” gemeenschap. De Vergadering der „New School”betuigt hare bereidvaardigheid tot hereeniging met de „Old School,” terwijl zij te gelijker tijd het slavernij-systeem eene verfoeijelijkheid, eene zware schending der heiligste regten, en zoo voorts noemt. Welnu, dan is de keten zoo juist gesloten, als hij behoort. Alle schakels zijn er in; ieder vindt er zijne plaats, en zegt juist wat noodig is, en niets meer. De handelaar verrigt den stuitenden arbeid, de zuidelijke Kerk verdedigt hem, en de noordelijke Kerk verdedigt de zuidelijke. Ieder doet zoo veel voor de slavernij als hij kan, naar mate van de ruimte, waarin hij zich beweegt. Ziedaar de practische uitkomst van de zaak.Het treurigste van de zaak is, dat, terwijl een groot ligchaam van mannen der „New School,” en ook vele der „Old School,” besliste anti-slavernijgezinden zijn, deze tot de kerkelijke gezindheid betrekkelijke stelling hun invloed naar de andere zijde overbrengt. Hun invloed volgt dien der Algemeene Vergadering. De volgende aandoenlijke brief werd door dien uitmuntend vromen man, Dr. Nelson, geschreven, wiens werk over het ongeloof een der krachtigste populaire stemmen is, die ooit verschenen zijn:

Is besloten, dat wij de met deze Vergadering verbondene leeraars, „Presbyteries” en Synoden, minzaam en ernstig vermanen, deze zonde even als alle andere zware zonden te behandelen; en door eene vlijtige, minzame en getrouwe aanwending der hen door God verleende middelen, door onderwijzing, vermaning, berisping en daadwerkelijke tucht, de kerk van deze groote ongeregtigheid trachten te zuiveren.Dit besluit werd van de hand gewezen, en men nam het volgende:Nademaal in deze Vergadering eene groote verscheidenheid van gevoelens bestaat met betrekking tot de geschiktste en beste handelwijze in de zaak der slavernij; en nademaal, onder zulke omstandigheden, deze of gene uitdrukking van gevoelen slechts weinig gewigt zou aanbrengen wanneer zij met eene geringe meerderheid doorging, maar veeleer verwijdering en verdeeling zou veroorzaken; en nademaal de Vergadering van 1839, met groote eenstemmigheid, deze geheele zaak aan de lagere regtskringen heeft overgegeven, om eene zoodanige beslissing te nemen als naar hun gevoelen geschikt is om het kwaad te verwijderen;—is besloten, dat de Vergadering het tot stichting der Kerk ondienstig acht, in dezen iets te verrigten.Niettemin ging het volgende besluit door:Is besloten, Dat het fatsoenlijk vermaak van gemengde dansen zoo geheel onschriftmatig, en voornamelijk en uitsluitend dat der „wereld” is „die in het booze ligt,” en zoo geheel onbestaanbaar met den geest van Christus, met het den Christen voegende gedrag, en met die reinheid des harten, welke zijne volgelingen verpligt zijn te bewaren, dat het niet slechts onvoegzaam en schadelijk voor Christenbelijders is er deel in te nemen, of hunne kinderen daartoe in staat te stellen, door hen dekunstte onderwijzen, maar ook eene getrouwe en regtmatige uitoefening der kerktucht van de zijde der kerkelijke opzieners vordert, wanneer eenig lid der gemeente zich daaraan heeft schuldig gemaakt.Drie jaren later, in 1846, openbaarde de Algemeene Vergadering de volgende verklaring harer gevoelens:1. Het slavernijstelsel, zoo als het in deze Vereenigde Staten aanwezig is, hetzij uit het oogpunt der wetten van de verschillende Staten, die het goedkeuren, of uit dat zijner tegenwoordige werking en gevolgen in en voor de maatschappij beschouwd, is uit zijnen aard onregtvaardig en verdrukkend; terwijl het evenzeer gekant is tegen de voorschriften van Gods wet, den geest en de leeringen des Evangelies, en de hoogste belangen der menschheid.2. Het getuigenis der Algemeene Vergadering, van de jaren 1787 tot 1818 ingesloten, heeft het veroordeeld, en blijft nog altijd het opgeschreven getuigenis der Presbyteriaansche kerk dezer Vereenigde Staten, hetwelk wij niet terug nemen.3. Wij kunnen, derhalve, de uitdrukking van ons grievend leedwezen niet achterhouden, dat de slavernij door eenige der leden van onze kerken wordt volgehouden en verdedigd; en wij vermanen zoowel dezen, als de kerken, waaronder zij bestaat, met den meesten ernst, tot het aanwenden van alle in hunne magt staande middelen, ten einde dit kwaad uit hun midden worde weggedaan. De voortduring er van kan niet missen, bij eene menigte menschen, door den invloed van hun voorbeeld geleid, het begrip te doen ontstaan, als of door dat voorbeeld het daarin zigtbare en door de verordeningender slaven-houdende Staten, waarin zij wonen, gehandhaafde stelsel, werd gewettigd. Daarenboven kan geene bloote verzachting zijner gestrengheid, door de menschelijkheid en het Christelijk gevoel van eenigen die voortgaan met hunne medemenschen in slavernij te houden, aangebragt, als een getuigenis tegen het systeem, of als in het geringste zijn wezenlijk karakter veranderende, beschouwd worden.4. Maar, hoezeer wij gelooven, dat vele van het stelsel onafscheidelijke boosheden het noodzakelijk en verpligtend maken, om er tegen te getuigen, nogtans ondernemen wij niet, den graad van zedelijke verdorvenheid te bepalen van de zijde der individuën, die er in betrokken zijn. Ongetwijfeld zal deze, in het oog van God, afhangen van de mate van het geschonken licht, en van andere omstandigheden, tot elk in het bijzonder betrekkelijk. Wanneer wij het oog vestigen op al de hinderpalen en belemmeringen der emancipatie, door de verordeningen der slaven-houdende Staten, en door den maatschappelijken invloed op de zienswijze en het gedrag der bedoelde personen in den weg geworpen, dan kunnen wij geen vonnis van algemeene en onbepaalde veroordeeling uitspreken,datgemis van Christelijke beginselen en gevoelens medebrengende, waardoor allen, die in de wettige betrekking van meesters tot slaven staan, van des Heeren tafel geweerd zouden worden, of ons regtvaardigen, wanneer wij hen onze kerkelijke en Christelijke gemeenschap onttrekken wilden. Veeleer hebben wij medelijden met hunne gemoedelijke bezwaren, en zouden hen daarin wenschen te hulp te komen, als van oordeel zijnde, dat scheiding en verwijdering tusschen de kerken en hare leden, niet de door God goedgekeurde en bekrachtigde middelen tot de hervorming Zijner kerk zijn.5. Terwijl wij ons, derhalve, verpligt achten, ons getuigenis tegen de slavernij in te brengen, en onze geliefde broederen te vermanen haar zoo spoedig mogelijk, door alle gepaste en voegzame middelen, uit hun midden weg te doen, veroordeelen wij te gelijkertijd alle verdeelende en scheuring veroorzakende maatregelen, strekkende om de eenigheid onzer kerk te ontbinden en haren vrede te verwoesten, en schromen wij den geest van beschuldiging en straf-opleggende gestrengheid, die dezulken buiten de kudde zou drijven, welkewij veeleer, om den geest des Evangelies en de pligten onzer belijdenis, gehouden zijn te onderwijzen, te raden, te vermanen, en aldus in de wegen Gods te leiden; en jegens welken, ofschoon zij dwalen mogen, wij geduld en broederlijke liefde behooren te oefenen.6. Als eene regtbank van onzen Heer Jezus Christus, bezitten wij geene wetgevende magt; en als de Algemeene Vergadering der Presbyteriaansche kerk, bezitten wij geene regterlijke magt. Wij hebben geen regt om een toetssteen van het Christelijk karakter en lidmaatschap der kerk in te stellen en voor te schrijven, die in de Heilige Schriften, en in de belijdenissen, waarnaar wij beloofd hebben, onzen wandel te rigten, niet erkend en bekrachtigd is. Wij moeten, derhalve, deze zaak overlaten aan de kerkbesturen (sessions), „Presbyteries” en Synoden, als de regtskringen (judicatories), aan welken het oordeel toekomt in de besturing der kerkelijke tucht naar pligt en geweten, als aan de Algemeene Vergadering alleen bij wege van algemeen op- en toezigt ondergeschikt zijnde.Wanneer eene boot op een effen doch sterken stroom onmerkbaar afdrijft, dan kunnen wij haren voortgang slechts door vergelijking met andere voorwerpen op het strand bespeuren.Wanneer men deze verklaring der Algemeene Vergadering van de „New School” met die van 1818 vergelijkt, dan zal men bevinden, dat zij veel minder rondborstig en beslissend van toon is dan deze laatste, terwijl inmiddels de slavernij viervoudig in magt is toegenomen. In 1818 verklaart de Vergadering, dat het deugdzaamste deel der gemeente in de slaven-Staten de slavernij verafschuwt en harevernietigingwenscht.In 1846 betuigt de Vergadering met leedwezen, dat de slavernij door eenige leden onzer kerken nog altoos volgehouden en verdedigd wordt. Het getuigenis van 1818 heeft het openhartig en stoutmoedig voorkomen van een eenstemmig document, waaruit slechts één gevoelen spreekt. Dat van 1846 heeft het behoedzaam aanzien van een onzijdigen grond tusschen twee strijdende legers; het is uitziftend, behoedzaam vreesachtig en zorgvuldig.Doch wanneer men, met dat alles, het document op zich zelven beschouwt, dan is het zekerlijk een zeer goed stuk tenoemen; en het zou eene zeer gepaste uitdrukking van Christelijk gevoel zijn, zoo het betrekking had tot eenig ander gewoon groot kwaad, en in deze of gene algemeene crisis waregeuitgeworden; doch laat ons zien, wat het aangegrepen kwaad, en wat de crisis was. Beschouwen wij het door de Synode van Kentucky opgehangen tafereel van den tegenwoordigen staat van zaken ten harent: „De leden van slaven-familiën gescheiden, om elkander niet weder te zien vóór den oordeelsdag; broeders en zusters, ouders en kinderen, echtgenooten en vrouwen, dagelijks van elkander afgerukt, zonder elkander ooit te mogen wederzien; het gegil en de doodsangsten, die als met de stem eener bazuin de onregtvaardigheid en wreedheid van het stelsel verkondigen; de kreten der lijders, die opgaan tot het oor des Heeren Zebaoth; geen gehucht waar deze hartverscheurende tooneelen niet gezien worden; geen dorp of landweg zonder den treurigen optogt van geboeide ballingen, wier ketenen en gebogene houding verhalen, dat zij met geweld zijn afgerukt van alles, wat hunnen harten dierbaar is; Christenleeraars, de moeder van haar kind afscheurende, om haar in eeuwigdurende ballingschap te verkoopen.”Dit was de taal der Synode van Kentucky, veertien jaren te voren; en die tooneelen zijn sedert dien tijd altoos voorgevallen, en vallen nog dagelijks voor, zoo als de berigten van elk zuidelijk nieuwspapier aantoonen; en toch heeft de kerk van Christus sedert 1818 niets anders gedaan dan haar leedwezen te betuigen, en deftige bovennatuurkundige beraadslagingen te houden of de slavernij eene zondeper sewas, en de voorbarige handelwijze te berispen van mannen, die, de onmogelijkheid ziende om het kwaad op eenige andere wijze te doen ophouden, zulks beproefden door de slavenhouders van de gemeenschap der kerk uit te sluiten. Alsof het niet beter ware dat één slavenhouder op de honderd, wanneer het hem meer in het bijzonder betreft, buiten de kerk zou staan, dan dat al dievreeselijkefoltering en ongeregtigheid bij voortduring de wettiging van het voorbeeld der kerk ontvangen zoude! Zou een edelmoedig Christen niet zeggen: „Als de kerkban dit verschrikkelijke kwaad kan ten onder brengen, laat hij komen, al zou hij ook zwaar op mij drukken! Het is beter, dat ik eene geringe onregtvaardigheid lijde, dan dat deze afschuwelijke ongeregtigheid steeds op de rekening derKerk van Christus blijve! Zal ik de geheele Kerk met mijne bezwaren belasten? Wanneer ik in de behandeling mijner slaven liefderijk en zorgvuldig te werk ga; wanneer ik de slechte leerstelling, dat zij mijn eigendom zijn, uit mijn hart verworpen heb, en ze als mijne broeders behandel—wat doe ik dan? Al het gewigt van mijn voorbeeld zet het systeem kracht bij. De Kerk moet deze vreeselijke ongeregtigheid bestraffen, en de bestraffer behoort zuivere handen te hebben; en als ik mij niet ten volle van dit kwaad kan losmaken, dan is het beter dat ik buiten de Kerk blijve, totdat ik het kan.”Laat ons nu ook de geduchte verschansingen en de sterkte van het kwaad beschouwen, waar tegen dit zeer gematigd besluit gerigt was. „Eene geldmagt van twee duizend millioenen dollars, in handen eener kleine vereeniging van bekwame en wanhopige lieden; die vereeniging door bijzondere wettelijke bepalingen tot eene staatkundige aristocratie verheven; het katoen, het voortbrengsel van den slaven-arbeid, de grondslag uitmakende van onzen geheelen buitenlandschen koophandel, en de handelsklasse alzoo bevoorregt; de drukpers omgekocht; de zuidelijke kansel tot vasal vernederd; het hart der lagere klasse door een bitter vooroordeel tegen het zwarte menschenras verkild, en onze hoofdleiders door eerzucht óf tot stilzwijgen óf tot openbare vijandschap verleid.”2En nu, in dezen staat van zaken, wordt de slavernij door het gansche gewigt dezer kerken ondersteund, omdat zij slavenhouders bevatten. Dat zij geen deel hebben aan de misbruiken van het stelsel, doet niets ter zake; het wordt haar door niemand gevergd. De slavenmagt wenscht niet dat belijders van de godsdienst familiën scheiden, of hunne slaven bovenmatigen arbeid opleggen, of eenige schanddaad bedrijven: dat ishaar belangniet. De slavenmagt behoeft vrome, teederhartige, edelmoedige en menschelijke meesters, en behoeft ze, om het systeem tegen het toenemend zedelijk gevoel der wereld staande te houden; en hoe vromer en edelmoediger zij zijn, des te beter. Zonder deze lieden zou de slavernij geen uur lang kunnen staande blijven. Wat is het derhalve? Deze lieden houden het systeem, en dat groote anti-slavernijgezinde ligchaam vanleeraars houdt deze lieden staande. Dit is het slot van de geheele zaak.Paulus zegt, dat wij aan diegenen moeten gedenken, die in banden zijn, als met welke ook hij gebonden is. Verondersteld eens, dat deze Algemeene Vergadering uit mannen bestaan had, die vlugtelingen geweest waren. Verondersteld dat een hunner zijne dochters naar de slavenmarkt van New-Orleans had zien wegvoeren, zoo als Emily en Mary Edmondson; dat de dochter van een’ ander’ op dezen overlandstogt in een slaventroep gestorven was, met geene andere oppassing dan die van een slavendrijver, zoo als de arme Emily Russell; dat de vrouw van een’ derden met een gebroken hart gestorven was, toen men haar hare kinderen van de borst rukte om ze te verkoopen; en dat een vierde eene half krankzinnig gemaakte moeder had, wier haren door zielsangst vóór den tijd waren grijs geworden. Verondersteld dat die hartverscheurende tooneelen van scheiding, met gillen en snikken, waarvan de Synode van Kentucky zegt zoo langen tijd getuige geweest te zijn, in de familiën dier leeraars hadden plaats gehad, en dat zij tot deze beraadslaging waren opgegaan met harten, zoo doorpriemd en verscheurd als het hart van den armen ouden Paul Edmondson, toen hij naar New-York ging om voor zijne dochters te bedelen. Verondersteld dat zij het afschuwelijk stelsel, waaronder dit alles was voorgevallen, nog ieder uur zagen uitbreiden; dat leeraars onder de Christenen van alle gezindheden in het Zuiden het voor eene door God bekrachtigde instelling verklaarden; dat al de rijkdom, al de rang en al defashiondes lands te zijnen gunste vereenigd waren; en dat zij, zoo als Aäron, gezonden waren om tusschen de levenden en de dooden te staan, opdat de pest mogt ophouden.En laat het nu zoo nederig en zoo ernstig mogelijk aan de Christenen dezer natie, en aan de Christenen van alle natiën, gevraagd mogen worden, of op zulk een tijdstip, en onder zulk eene crisis, deze handeling voldoende was? Heeft zij ietsuitgewerkt? Heeft zij ook maar het minste te weeg gebragt om het kwaad te stuiten? En behoorde er in zulk een vreeselijken tijd niet ietsgedaante worden wat die uitwerking kan hebben?Laat ons de geschiedenis voortzetten. Men zal hebben opgemerktdat het besluit eindigt met het onderwerp aan ondergeschikte regtskringen over te laten. De „New School Presbytery” van Cincinnati, waarin de hoogleeraars van het seminarium van Lane zitting hadden, schorsten Mr. Graham in zijne bediening, om zijne leerstelling, dat de Bijbel de slavernij regtvaardigde; bij dit vonnis de stelling voegende, dat zulks eene ketterij was, onbestaanbaar met de Christelijke gemeenschap. De Synode van Cincinnati bevestigde deze uitspraak. De Algemeene Vergadering wierp deze beslissing omverre, en herstelde Mr. Graham. De afgezondene van die „Presbytery” zeide, dat zijnooitop hare schreden zou terugkeeren, en zoo gebeurde het ook. De „Presbytery” van Cincinnati weigerde hem terug te ontvangen. Haar zij er alle eer voor toegebragt! Hier, ten minste, werd een beginsel vastgesteld, voor zoo veel de „New School Presbytery” van Cincinnati, en een beginsel voor zoo veel de Algemeene Vergadering betreft. Door deze daad stelde de Algemeene Vergadering het feit vast, dat de Presbyteriaansche kerk der „New School” niet beslisthad, dat de verdediging der slavernij uit den Bijbel eene ketterij was.De leer te verkondigen, dat er geene drie Personen in de Drieëenheid zijn, is ketterij.De leer te verkondigen, dat al deze drie Personen een systeem bekrachtigen, hetwelk zelfs door Mahomedaansche vorsten uit louter natuurlijke schaamte en gewetenshalve is vernietigd, is geene ketterij!De Algemeene Vergadering ging voort met te bewijzen, dat zij deze leer niet als ketterij beschouwde, door in 1846 de Algemeene Vergadering der „Old School” tot gemeenschappelijke viering van ’s Heeren Avondmaal uit te noodigen. Onder die Vergadering behoorden niet alleen Dr. Smylie, en al die ligchamen onder haar, die niet alleen de slavernij in het afgetrokkene, maar zelfs eenige harer ergste misbruiken, uit Gods woord hadden verdedigd; maar het ligchaam der „New School” hield deze gevoelens voorgeene ketterij, die de Christelijke gemeenschap zou verhinderen!In 1849 verklaarde de Algemeene Vergadering, dat bij haar geene berigten waren ingekomen ten bewijze, dat de leden in Slavenstaten niet alles deden wat zij konden om, onder opzien tot God, den slaven het bezit en genot der vrijheid te bezorgen. Dit is eene merkwaardige verklaring, wanneer wijin aanmerking nemen, dat in Kentucky geene strenge wetten tegen de emancipatie bestaan, en dat, in Kentucky of in Virginia, de slaaf kan worden in vrijheid gesteld door hem eenvoudig een paspoort te geven om de grenslijn van den naburigen Staat te overschrijden.In 1850 werd door den Eerwaarden H. Curtiss, van Indiana, een voorstel aan de Vergadering gedaan, ten volgenden einde: „Dat het tot slaven maken of als eigendom bezitten van menschen, een vergrijp is, zoo als in ons Boek van kerkelijke tucht, hoofdstuk 1, afdeeling 3, bepaald is; en als zoodanig onderworpen aan onderzoek, bestraffing en afsnijding, op de wijze, door onze regelen voorgeschreven; en dat het met behoorlijke inachtneming van alle verzwarende of verzachtende omstandigheden voor ieder bijzonder geval behoort behandeld te worden.” Een ander voorstel was van een ouderling uitPennsylvanië, en stelde vast, dat de slavernij,primafacie, een vergrijp was in de bedoeling van ons Boek van kerkelijke tucht, en den slavenhouder den last oplegde van zulke omstandigheden aan te voeren, als strekken konden om hem van de schuld der overtreding te ontheffen.Beide deze voorstellen werden verworpen. Het volgende werd aangenomen: „Dat de slavernij met vele en groote boosheden beladen is; dat men de uitwerkselen van het geheele slavernijstelsel betreurt; dat het houden onzer medemenschen in den staat van slavernij, uitgezonderd in die gevallen, waarin hetuit hoofde der wetten van den Staat, de pligten van voogdijschap, of de eischen der menschelijkheid onvermijdelijk is, een vergrijp (offence) is, naar de eigenlijke meening dier uitdrukking, zoo als zij in het Boek der kerkelijke tucht gebezigd wordt, en op dezelfde wijze als andere vergrijpen te beschouwen en te behandelen is; en dat dit onderwerp derhalve aan de kerkbesturen (sessions) en „presbyteries” wordt overgelaten.” De stemmen waren acht-en-veertig tegen zestien, onder een schriftelijk protest van de minderheid, die in den tegenwoordigen toestand des lands alle handeling afkeurde. Laat de lezer deze handeling wederom met die van 1818 vergelijken, en hij zal zien dat de boot nog altoos afdrijft—inzonderheid dewijl zelfs deze gematigde verklaring niet eens met algemeene stemmen gegeven werd. Op nieuw, in dit jaar 1850, verklaart men zich bereid om in den geest van broederlijkeen Christelijke liefde, eenige voorslagen tot hereeniging te ontvangen, die het ligchaam der „Old School” voornemens was te doen.In 1850 kwam de verschrikkelijke wet tegen de weggevlugte slaven. Welke daden werden toen bedreven? Toen werden de tooneelen van schrik en doodsangst, die te voren slechts op den slavenbodem aanschouwd werden, naar onze vrije Staten overgebragt. Kerken werden open gebroken. Bevende Christenen vloden. Echtgenooten en vrouwen werden gescheiden. Toen werd aan den armen Afrikaan het vreeselijk doemvonnis voltrokken, over den wandelenden Jood uitgesproken: „Gij zult geene rust vinden, en uwe voetzolen zullen geene rust hebben; maar uw leven zal altoos in gevaar zijn, en gij zult dag en nacht vreezen, en geene veiligheid voor uw leven hebben.” De gansche maatschappij ging toen éénen weg op—al de rijkdom, al de magt, al defashion. Nu, zoo ooit, was het tijd voor de Kerk van Christus om op te staan en voor de armen te spreken.De Algemeene Vergadering kwam bijeen. Zij was ernstig aangemaand om zich te uiten. Nooit bestond er eene schitterender gelegenheid om te toonen, dat het koningrijk van Christus niet van deze wereld is. Een protest derhalve van een zoo talrijk en achtenswaardig ligchaam zou de Amerikaansche Kerk voor de schande bewaard hebben, die zij thans in het oog van alle natiën draagt. O, dat zij eenmaal gesproken had! Wat zeide de Presbyteriaansche Kerk? Zij zeideniets, en oogstte er den dank der staatkundige leiders voor in. Zij hadallesgedaan, wat zij verlangden.Intusschen was onder dezen gang van zaken het getal der „Presbyteries” in slaven-houdende Staten vandrietottwintiggeklommen! en deze kerk had nu van vijftien- tot twintigduizend leden in Slavenstaten onder hare hoede.Genoeg over de handelwijze van een beslist anti-slavernijgezind ligchaam, in vereeniging met eenige weinige slavenhoudende Kerken. Genoeg over eene bescheidene, voorzigtige, liefderijke en broederlijke poging om de zaak door ondervinding te toetsen. Welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis, en welke overeenstemming heeft Christus met Belial? Het slavensysteem is de duisternis—het slavensysteem is Belial! en elke poging om het met de belijdenis des Christendomsovereen te brengen, zal denzelfden uitslag hebben als deze. Het behoort nogtans hier gezegd te worden, dat een klein ligchaam van de meest besliste tegenstanders der slavernij in de Presbyteriaansche Kerk zich afscheidde, en devrije Presbyteriaansche Kerkvormde, wier voorwaarde van gemeenschap eene volkomene verzaking van het slaven-houden is. Ook moet het worden opgemerkt, dat deze grondregel door de Kwakers aangenomen en ten uitvoer gebragt werd—het eenige met dit kwaad besmette ligchaam van Christenen, wien het ooit gelukt is er zich van te bevrijden.Het zij nu dat censuur en kerktucht al dan niet geschikte middelen zijn om zulke zedeloosheden en ketterijen bij individuën tegen te gaan,—genoeg is het, dat zulks het verklaarde en in uitoefening gebragte gevoelen van de Presbyteriaansche Kerk geweest is.Wanneer men de redenering van Charles Summer overweegt, dan zal het in het oog vallen dat de geschiedenis dezer Presbyteriaansche Kerk aanmerkelijke punten van overeenkomst oplevert met die onzer Vereenigde Staten. In beide was, in den beginne, anti-slavernij de heerschende invloed, zelfs onder slavenhouders. In beide was er geen verschil van gevoelen omtrent de wenschelijkheid van de volkomene vernietiging der slavernij; beide gaven iets toe, zoo weinig als men zich met mogelijkheid verbeelden kan; beide deden dit volkomen ter goeder trouw, met het doel eener spoedige verwijdering en vernietiging van het kwaad; en beider geschiedenis is dezelfde. Het kleine punt van toegeving breidde zich uit, won meer en meer veld, en ging, van jaar tot jaar, verslindende voort, tot dat èn de Vereenigde Staten, èn de Presbyteriaansche Kerk, het standpunt bereikt hadden waarop zij zich thans bevinden. Nog erger was de geschiedenis der Methodistische Kerk. Die van de Kerk der Baptisten toont hetzelfde beginsel; en, wat de Episcopaalsche kerk zoowel in het Noorden als in het Zuiden betreft, deze heeft nooit iets anders gedaan dan toegeven. Zij verschilt hierin van al de overige, dat zij nooit eenig tegenstandbiedend element had, met uitzondering nu en dan van een Protestant, zoo als William Jay, een waardige zoon van hem, die de Verklaring van Onafhankelijkheid onderteekende.De slavenmagt is een wel zamenhangend, vast, stevig, onwrikbaar stelsel geweest, dat van geen schikken of toegevenwist. De wederstand biedende magt was, vele jaren lang, wankelend, toegeeflijk, met zich zelve in tegenspraak. Er heeft, wel is waar, eene diepe en steeds toenemende vijandschap jegens de slavernij, bij eene besliste meerderheid van leeraars en ledematen in vrije staten bestaan,als individuën beschouwd. Doch ongelukkigerwijze zijn de opregte tegenstanders der slavernij onderling verdeeld geweest nopens grondstellingen en maatregelen, daar de tot uitersten gedrevene grondstellingen en maatregelen van sommigen eene schadelijke terugwerking bij anderen te weeg bragten. Daarenboven hebben andere groote plannen van weldadigheid hun tijd en aandacht gevorderd; en de uitslag is geweest dat zij alle zich onjuiste begrippen gevormd hebben van de uitgebreidheid des gevaars, waarmede de zaak van God op aarde door de Amerikaansche slavernij bedreigd wordt, en van den pligt des Christens onder zulk eene crisis. Zij hebben hieromtrent nooit zulk eene overtuiging gehad als die, welke in andere groote aangelegenheden hunne geestkracht gewekt, aangevuurd en vereenigd heeft. Intusschen hebben groote organische invloeden in Kerk en Staat, zeer tegen hunnen wensch, hunnen invloed tegen de slavernij opgewogen—ja somwijlen in haar voordeel doen werken. De volslagene onwrikbaarheid van het slavernij-systeem, en zijne volstrekte weigering om eenige beraadslaging er over toe te laten, hebben alle diegenen, die gemeenschap met slaven-houdende Kerken wenschen, slechts de keuze gelaten om òf de ondersteuning van het Zuiden in deze zaak, òf hun protest tegen de slavernij te laten varen.Dit is eene sterke verzoeking geweest voor menschen die weldadige en loffelijke zaken behartigden, doch niet genoeg doordrongen waren van het volle gevaar van het slavensysteem, noch de zedelijke kracht van het Christelijke protest daartegen wisten te schatten. Wanneer er zich, dien ten gevolge, gevallen voordeden waarin hun slechts de keuze bleef tusschen de opoffering van hetgeen zij voor de belangen eener goede zaak hielden, en tusschen het opgeven van hun regt van protest, hebben zij algemeen het laatste gekozen. De beslissing had altoos op deze wijze plaats: De slavenmagtwil niettoegeven,—wijmoetenhet. Het Zuiden zegt: „Wij willen geen godsdienstig boek nemen dat anti-slavernijgezinde grondstellingen bevat.” De Vereeniging der zondagsscholenheeft Mr. Gallaudet’s geschiedenis van Joseph afgewezen. Waarom? Omdat zij de slavernij begunstigt? Volstrekt niet. Zij verafschuwt de slavernij. Waarom dan? „Het Zuiden wil onze boeken niet lezen, als wij niet toegeven. Zij willen niet toegeven, en wij moeten. Wijkunnen meer goed doendoor de verspreiding van Evangelische waarheid, wanneer wij onze Protestantsche magt ongebruikt laten, dan wanneer wij haar aanwenden.” Dit werd, waarschijnlijk, ter goeder trouw gedacht en gezegd. Het argument laat zich wel hooren, maar de zaak wordt er niet te minder om toegegeven. De slavenmagt heeft de overwinning behaald, en heeft ze juist door de beste menschen, en juist door den invloed van de beste beweegredenen behaald; en zoo zij slechts de overwinning verkreeg, is het haar om het evenhoezij ze verkreeg. En al moge het ook gezegd kunnen worden dat hetgeen in ieder bijzonder geval wordt toegegeven, op zich zelve slechts gering is, toch zal, wanneer wij alles bij elkander nemen wat van tijd tot tijd door iedere kerkelijke gezindheid, en door iedere afzonderlijke weldadige inrigting is afgestaan, het beloop inderdaad verbazend zijn. En waar zijn wij, ten slotte van dat alles, nu toe gekomen?Hier zijn wij, in deze crisis,—hier, in deze negentiende eeuw, terwijl de geheele wereld grondstellingen van algemeene vrijheid om verre werpt en weder opbouwt,—wij, Amerikanen, die onze Bijbels en zendelingen uitvaardigen om Mahomedaansche landen tot Christelijke te maken, wij, al onze magt en invloed aanwendende tot instandhouding van een stelsel van afgesleten heidendom, dat zelfs door den Bey van Tunis verworpen wordt!De zuidelijke Kerk heeft het gedoopt in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Dit afgesletene, verouderde, verjaarde stelsel van Romeinsche slavernij, eenmaal, langzaam maar zeker, door het Christendom vernietigd, is uit zijn eerloos graf opgedolven; eenige weinige wetten van buitensporige wreedheid, zoo als Rome ze nimmer kende, zijn er aan toegevoegd; en thans, door de geheele zuidelijke Kerk gedoopt en geheiligd, gaat het uit, overwinnende en om te overwinnen! De eenige magt, die der noordelijke Kerk, is overgebleven, is de protesterende magt, en zal zij daar gebruik van maken? Vraag het Traktaatgenootschap of het een traktaatover het zondige der slavernij wil uitgeven, al zou zulk een traktaat maaralleenuit de schriften van Jonathan Edwards of Dr. Hopkins worden zamengesteld! Vraag de Vereeniging der zondagsscholen of zij de feiten betrekkelijk dit heidendom wil openbaar maken, zoo als zij de feiten betrekkelijk Burmah en Hindostan geopenbaard heeft! Willen zij? O, dat zij ja mogten zeggen!Nu zal het wel niet betwijfeld worden dat al deze treurige uitkomsten de gevolgen zijn van de voorstellen en beraadslagingen van goede mannen, die het goede bedoelden; doch men heeft met waarheid gezegd dat, in gevaarlijke tijden, wanneer één misstap de noodlottigste gevolgen te weeg brengt, eene goedebedoelingniet genoeg is.In de crisis eener ziekte het goede te bedoelen en den lijder te doen sterven; onder het woeden van een storm het goede te bedoelen en het schip te doen stranden; in een grooten zedelijken strijd het goede te bedoelen en den strijd te verliezen;—dit zijn betreurenswaardige zaken. Door onze schuld gaat het schip te gronde—dooronzeschuld wordt de strijd verloren. Een weinig meer slapens, een weinig meer sluimerens, een weinig meer handenvouwens al nederliggende, en wij zullen in de draaijing van dien maalstroom ontwaken die slechts één uitgang heeft—naar den afgrond!Er is nog één ligchaam van Christenen, welks invloed wij niet beschouwd hebben, en dat wel van een zeer aanzienlijk,—de Congregationalisten van Nieuw-Engeland en van het Westen namelijk. Uit den aard zelve van het Congregationalisme kan het geen zoo eenstemmig getuigenis geven als het Presbyterianisme; maar toch heeft het Congregationalisme zich tegen de slavernij geuit. Individuëele ligchamen hebben zeer sterk gesproken, en individuëele geestelijken nog sterker. Zij hebben vertoogen bij de Algemeene Vergadering ingeleverd, en hebben zeer sterke anti-slavernijgezinde bladen. Doch, den geheelen staat van het openbaar gevoelen, den dringenden aard der zaak, en de geweldige kracht en drang van al de slavernij begunstigende oorzaken in aanmerking genomen, mag men vragen of de hevigheid en kracht van het getuigenis van het Congregationalisme,als ligchaam beschouwd, wel gelijk stond met de vreeselijke dringende noodzaak? Het heeft zeer volledige en duidelijkegetuigenissen opgeteekend over de rampen der slavernij; doch er is meer noodig dan getuigenissen. De Presbyteriaansche Kerk bezit een overvloed van opgeteekende getuigenissen, even zoo goed en even zoo sterk als die het Congregationalisme heeft doen hooren. De Presbyteriaansche Kerk der „New School” heeft voor het minst even zoo vele anti-slavernijgezinde mannen, even zoo vele sterk anti-slavernijgezinde nieuwspapieren gehad als de Congregationale; en de Presbyteriaansche Kerk heeft eene beproeving voor deze zaak doorgestaan, waaraan de Congregationale nooit was blootgesteld. Zij heeft slavenhouders in hare gemeenschap gehad, en van deze proef is de Congregationale, tot nog toe, zoo goed als vrij gebleven. Had het Congregationalisme, van dit vrije standpunt, niet een getuigenis moeten geven dat meer dan gelijk stond? Had het niet meer moeten doen dan betuigen?—had het niet voor de zaak moeten strijden? Had het, zoo als de drie honderd dapperen in Thermopylae, alleen gelaten om Griekenlands vrijheid te verdedigen, toen al de anderen gevloden waren, niet hart en ziel, ligchaam en geest, voor de goede zaak moeten over hebben? Heeft het zulks gedaan?Breng den ijver door het Congregationalisme aan andere vraagstukken te koste gelegd, eens in vergelijking met den ijver aan deze zaak besteed. Dr. Taylor leerde dat alle zonde in zondigen bestaat, en dat er daarom geene zonde kon zijn, tot dat een persoon gezondigd had; en Dr. Bushnell opperde eenige wijzigingen van het leerstuk der Drieëenheid, die niemand regt scheen te begrijpen. De „Presbyteries” van Zuid-Carolina leeren dat God de slavernij goedgekeurd, en door het voorbeeld van patriarchen en profeten gewettigd heeft. Verondersteld nu dat dit altemaal ketterijen zijn, welke daarvan is dan wel de ergste?—Welke daarvan zal de ergste praktikale gevolgen te weeg brengen? En, zoo het Congregationalisme deze ketterij bestreden had zoo als sommige zijner leiders Dr. Bushnell en Dr. Taylor bestreden hebben, zou de strijd dan niet met meer ijver gevoerd zijn? Zijn deze beide mannen niet als gevaarlijke ketters ten toon gesteld, als leeringen predikende die tot ongeloof leiden? En, eilieve, waartoe leidt dan die andere leerstelling? Zoo zeker als er een God in den hemel is, zoo zeker is het, dat, zoo de Bijbel inderdaad de slavernij verdedigde, ieder eerlijk en gevoelig menschal sedert vijftig jaren herwaarts een ongeloovige zou geweest zijn.Is derhalve de invloed van het Congregationalisme geëvenredigd geweest aan den aard en de dringende gewigtigheid der zaak? Maar de laatst gehoudene bijeenkomst van Congregationalisten te Albany, waarop leeraars uit Nieuw-Engeland en uit de westelijke Staten verschenen, drukte zich stelliger en beslissender uit. Zie hier haar besluit:Is besloten, dat, naar het gevoelen dezer Vergadering, het doel des Evangelies, waar het in zijne zuiverheid gepredikt wordt, daarheen strekt om alle maatschappelijke gebreken te verbeteren, en de zonde in alle hare vormen te dooden; en dat het de pligt der Zendeling-genootschappen is, de kerken in slaven-houdende Staten behulpzaam te zijn in de ondersteuning alleen van zulke leeraars, die het Evangelie alzoo zullen prediken, en de regelen en de aanwending der Evangelische tucht alzoo zullen inscherpen, dat zulks, onder den Goddelijken zegen, zijne volle uitwerking hebbe tot opwekking en leiding van het zedelijk gevoel met betrekking tot de slavernij, en tot bevordering der spoedige vernietiging van dat verbazende kwaad; en dat daar, waar het een leeraar niet geoorloofd is alzoo te prediken, hij, overeenkomstig de vermaning van Christus, „uit die stad vertrekke.”Dit besluit geeft in vele opzigten stoffe tot hoop en blijdschap. Het werd door eene zeer groote kerkelijke vergadering genomen, de grootste, die ooit in dit land bijeen kwam, en die het gansche Congregationalisme der Vereenigde Staten vertegenwoordigde; terwijl de aanleiding tot hare bijeenkomst, in zeker opzigt als de aanvang een nieuw tijdperk in het bestaan dezer gezindheid mogt beschouwd worden.Het besluit werd met eenparige stemmen genomen. Het is zeer bepaald in zijne uitdrukking, en beoogt practische werkzaamheid, die juist behoefte is. Het zegt, dat het geene leeraars in Slavenstaten ondersteunen wil, wier prediking niet strekt tot vernietiging der slavernij; en dat, zoo hen geene vrije prediking daartegen vergund wordt, zij vertrekken moeten.Dat het alzoo gewonnen terrein krachtdadig zal verdedigd worden, is af te leiden uit het feit, dat de „Home Missionary Society,” die het orgaan van dit ligchaam, zoowel als van de„New School” der Presbyteriaansche Kerk is, in hare instructiën voor de zendelingen in Slavenstaten, eene bepaalde stelling ten opzigte van dit onderwerp genomen heeft. In hun verslag van Maart 1853 worden die instructiën met bekwaamheid op den voorgrond gesteld. Toen zij, in 1850, door een der Slavenstaten werden aangehaald ten gunste van zendelingen, die de slavernij wilden daarlaten, werd er, in de beslissendste bewoordingen, op geantwoord, dat men daar niet in treden konde; dat men, integendeel, begrijpen moest, dat een voornaam doel in de afvaardiging van zendelingen naar de Slavenstaten, is, de maatschappij, zoo veel zulks mogelijk is, van de zonde onder alle gedaanten te bevrijden, en dat, „zoo men het stilzwijgen over de slavernij naar buiten bewaren wilde, een der grootste beweegredenen om zendelingen naar de Slavenstaten af te vaardigen, of ze daarin te houden, zou zijn weggenomen.”Wijders gebood de Maatschappij haren zendelingen om, zoo men hen in de eene stad of dorp niet over dit onderwerp hooren wilde, naar eene andere te gaan; terwijl zij hare overtuiging uitdrukte, dat hare zendelingen er aanvankelijk in geslaagd zijn om de gewetens der menschen wakker te maken. Zij zegt, dat zij de zaak steeds levendig houden, dat zij ze niet laten rusten, omdat het een teeder onderwerp is, maar dat zij hunne conscientiën kwijten, hetzij dan dat hunne boodschap een goed onthaal vindt, of dat zij hen, zoo als in sommige gevallen, aan tegenstand, verdrukking of persoonlijk gevaar blootstelt; en dat, waar men hunne pogingen niet heeft willen toelaten, zij, in herhaalde gevallen, als eene groote opoffering, hunne stelling verlaten hebben, en naar andere streken vertrokken zijn. In hun verslag van dit jaar deelen zij ook brieven mede van leeraars in slaven-houdende Staten, waaruit blijkt, dat zij, ondanks veel tegenstand, zich het regt verzekerd hebben, om hunne gevoelens over dit onderwerp openlijk te prediken en te verbreiden.Een dier zendelingen, van de slavernij sprekende, zegt: „Wij zijn vast besloten, om dit groote struikelblok uit onzen weg te ruimen, of onder de poging te bezwijken. Als Christenen en als vrijmannen willen wij deze schandvlek op onze godsdienst en wetten niet langer dulden.”Dit is een edel standpunt.Doch, terwijl wij de protesterende magt beschouwen, mogen wij ook de Schotsche afgescheidenen en „Covenanters” niet vergeten, die, met eene standvastigheid en vastbeslotenheid, het kroost der oude Schotsche belijders waardig, zich van de zonde der slavernij rein gehouden, en er eenparig tegen geprotesteerd hebben. En laat ons niet minder opmerken, dat de Kwakers een maatregel volgden, die hun gansche ligchaam van de zonde der slaven-houding bevrijd hield; aldus aan al de andere gezindheden toonende, dat wat eenmaal gedaan werd, weder gedaan kan worden. Alzoo zijn er, onder alle kerkelijke gezindheden, individuëele leeraars en Christenen, in uren die der menschen zielen beproefden, met hun getuigenis opgetreden. Albert Barnes, in Philadelphia, te midden eener groote, rijke gemeente op de grenzen van een Slavenstaat gevestigd, en onder al de verlokkingen tot medepligtigheid, die er zoo menigeen tot zwijgen bragten, is in kalme getrouwheid opgestaan, en heeft den geheelen raad Gods in deze zaak verkondigd. Ja, nog meer: hij teekende zijn plegtig protest aan, dat „GEENE INVLOEDEN BUITEN DE KERK DE SLAVERNIJ EEN UUR LANG KONDEN STAANDE HOUDEN, ZOO ZIJ ZELVE ZE NIET STAANDE HIELD;” en in de laatste zitting der Algemeene Vergadering, die te Washington bijeen kwam, hield hij, in spijt van alle staatkundige inblazingen, de Presbyteriaansche Kerk de sterkte harer laatste verklaringen voor, en verklaarde het haar pligt, de volkomen vernietiging der slavernij door de geheele wereld te beproeven. Zoo leide, in het donkerste uur, Dr. Channing te Boston een edel getuigenis af, dat zijn naam onsterfelijk zal maken. Zoo vormden, in Illinois, E. P. Lovejoy en Edward Beecher, met hunne vrienden, de „Illinois Anti-slavery Society” onder zamenrottingen van het gemeen, en met gevaar van hun leven, terwijl, weinige uren later, Lovejoy, bij de verdediging der twee malen vernielde drukpers der abolitionisten, doorschoten werd. In de Presbyteriaansche kerk der „Old School” hebben William en Robert Breckenridge, de President Young, en anderen, ten voordeele der emancipatie in Kentucky gepredikt. In de Methodistische Kerk hield Le Roy Sunderland zijn dagblad onder den ban zijner superieuren staande, terwijl eene premie van vijftig duizend dollars op zijn lijf gesteld was. De zachtmoedige, geduldige Torrey stierf in eene gevangenis, zeggende: „Zoo ik een misdadigerben, ben ik een groot misdadiger, want ik heb vier honderd slaven aan de vrijheid geholpen, die, zonder mij, als slaven zouden gestorven zijn.”Dr. Nelson werd door het gepeupel uit Missouri verdreven, om zijne moedige prediking der waarheid op slavenbodem. Deze allen behoorden tot de leeraars, en zij zijn niet de eenige. Jezus Christus heeft ons nog niet geheel verlaten. Er zijn er, die de vreugde hebben leeren kennen van voor eene goede zaak schande te lijden en den dood te trotseren.Er zijn dus ondeelige Christenen geweest, die voor deze heilige zaak niets te dierbaar geacht hebben. Getuige Richard Dillingham en John Garette, en eene schare anderen, die met vreugde de berooving hunner goederen hebben aangezien.Maar niettegenstaande dit alles blijft het de vreeselijke waarheid, dat alles, wat tot dusverre door de kerk gedaan is, het kwaad niet merkbaar heeft doen verminderen. Het groote systeem is sterker dan ooit. Het is, zoo als algemeen bekend is, de heerschende magt der natie. De geheele magt van het gouvernement, en de geheele magt van den rijkdom, en de geheele magt van defashion, en de practisch-organische werking der groote kerkelijke ligchamen, zijn alle denzelfden weg opgegaan. De Kerk wordt gemeenzaam genoemd, als aan de zijde der slavernij te staan. Staatslieden vóór en tegen het vraagstuk hebben dit als een bewezen feit vermeld. De ongeloovigen wijzen er met triomferenden blik op; en Amerika aanschouwt nog eene andere klasse van ongeloovigen—eene klasse, die alleen onder zulk een invloed ontstaan kon. Mannen, wier geheele leven slechts ééne studie en praktijk van weldadigheid is, worden nu onder de ongeloovigen gerangschikt, omdat de gesteldheid der kerkelijke organisatiën het Christendom valschelijk voorstelt, en zij zich van de kerk afscheiden. Wij willen geene verdediging inbrengen voor zoodanige ongeloovigen, die bloot anti-slavernijgezinden ijver voor hunne Godsdienst houden, en onder dit masker een boosaardigen haat jegens het ware Christendom verbergen. Maar zulke verdedigingen van de slavernij uit den Bijbel, als waarmede sommige leden der Amerikaansche geestelijkheid zijn opgetreden, zijn juist geschikt om alle eerlijke en regtschapene lieden tot ongeloovigen te maken. De ongeloovigen uit vroegere tijden waren niet veel te duchten, maar zulke ongeloovigen als deze,zijn niet te verachten. Wee der kerk, wanneer het zedelijk allooi van den ongeloovigen beter is, dan dat van den Christenbelijder! want het eenigste harnas, dat voor het ongeloof altoos onverwinnelijk was, is hetharnas der regtvaardigheid.Laat ons zien welke practische uitwerking thans door de kerkelijke organisatiën wordt te weeg gebragt. Waarop vertrouwen Bruin en Hill, Pulliam en Davis, Bolton, Dickens & Co., en Matthews, Branton & Co., om hunne slavenfokkerijen en slavenloodsen vol, en hun vertier levendig te houden? Is het te veronderstellen dat zij geene menschen zijn zoo als wij? Beven zij niet somtijds bij de geduchte uitwerkselen van vrees, en wanhoop, en zielsangst, waarvan zij getuige zijn wanneer zij, in de diepten dier vreeselijke slavengevangenissen, levende harten van een scheuren? Wat onderdrukt dan de gewetens dier handelaars? Het is het algemeen gevoelen van de maatschappij waarin zij leven; en dat algemeen gevoelen wordt door leeraars en ledematen der Kerk gevormd. De handelaar bespeurt duidelijk genoeg een logisch verband tusschen de verklaringen der kerk en de praktijk van zijn handel. Hij ziet duidelijk genoeg dat, zoo de slavernij door God wordt goedgekeurd, en het regtmatig is haar in een nieuw grondgebied op te rigten, het ook regtmatig is de middelen te bezigen die daartoe strekken; en, daar de slaven in Texas niet aan de struiken groeijen, het noodig is dat er handelaars zijn om er troepen van te vergaderen en ze derwaarts te brengen; en, daar zij niet altoos geheele familiën kunnen nemen, het noodig is dat zij ze van elkander scheiden; en, daar de slaven door geene zedelijke overreding daartoe te krijgen zijn, het noodig is dat zij er toe gedwongen worden; en, waar zachte dwang niet helpen wil, zij gegeeseld en gepijnigd moeten worden. Van daar mondproppen, duimschroeven, ketenen, bloed,—alles als noodzakelijke middelen ter uitvoering van hetgeen Christenen zeggen dat God goedkeurt.Ziedaar de eene zijde van de redenering. Bezien wij nu ook de andere. De „Presbyteries” van Zuid-Carolina en Mississippi houden gevoelens staande, die, bij wettige gevolgtrekking, den slavenhandelaar stijven. De Algemeene Vergadering der „Old School” houdt, zonder tucht of protest, met deze „Presbyteries” gemeenschap. De Vergadering der „New School”betuigt hare bereidvaardigheid tot hereeniging met de „Old School,” terwijl zij te gelijker tijd het slavernij-systeem eene verfoeijelijkheid, eene zware schending der heiligste regten, en zoo voorts noemt. Welnu, dan is de keten zoo juist gesloten, als hij behoort. Alle schakels zijn er in; ieder vindt er zijne plaats, en zegt juist wat noodig is, en niets meer. De handelaar verrigt den stuitenden arbeid, de zuidelijke Kerk verdedigt hem, en de noordelijke Kerk verdedigt de zuidelijke. Ieder doet zoo veel voor de slavernij als hij kan, naar mate van de ruimte, waarin hij zich beweegt. Ziedaar de practische uitkomst van de zaak.Het treurigste van de zaak is, dat, terwijl een groot ligchaam van mannen der „New School,” en ook vele der „Old School,” besliste anti-slavernijgezinden zijn, deze tot de kerkelijke gezindheid betrekkelijke stelling hun invloed naar de andere zijde overbrengt. Hun invloed volgt dien der Algemeene Vergadering. De volgende aandoenlijke brief werd door dien uitmuntend vromen man, Dr. Nelson, geschreven, wiens werk over het ongeloof een der krachtigste populaire stemmen is, die ooit verschenen zijn:

Is besloten, dat wij de met deze Vergadering verbondene leeraars, „Presbyteries” en Synoden, minzaam en ernstig vermanen, deze zonde even als alle andere zware zonden te behandelen; en door eene vlijtige, minzame en getrouwe aanwending der hen door God verleende middelen, door onderwijzing, vermaning, berisping en daadwerkelijke tucht, de kerk van deze groote ongeregtigheid trachten te zuiveren.

Is besloten, dat wij de met deze Vergadering verbondene leeraars, „Presbyteries” en Synoden, minzaam en ernstig vermanen, deze zonde even als alle andere zware zonden te behandelen; en door eene vlijtige, minzame en getrouwe aanwending der hen door God verleende middelen, door onderwijzing, vermaning, berisping en daadwerkelijke tucht, de kerk van deze groote ongeregtigheid trachten te zuiveren.

Dit besluit werd van de hand gewezen, en men nam het volgende:

Nademaal in deze Vergadering eene groote verscheidenheid van gevoelens bestaat met betrekking tot de geschiktste en beste handelwijze in de zaak der slavernij; en nademaal, onder zulke omstandigheden, deze of gene uitdrukking van gevoelen slechts weinig gewigt zou aanbrengen wanneer zij met eene geringe meerderheid doorging, maar veeleer verwijdering en verdeeling zou veroorzaken; en nademaal de Vergadering van 1839, met groote eenstemmigheid, deze geheele zaak aan de lagere regtskringen heeft overgegeven, om eene zoodanige beslissing te nemen als naar hun gevoelen geschikt is om het kwaad te verwijderen;—is besloten, dat de Vergadering het tot stichting der Kerk ondienstig acht, in dezen iets te verrigten.

Nademaal in deze Vergadering eene groote verscheidenheid van gevoelens bestaat met betrekking tot de geschiktste en beste handelwijze in de zaak der slavernij; en nademaal, onder zulke omstandigheden, deze of gene uitdrukking van gevoelen slechts weinig gewigt zou aanbrengen wanneer zij met eene geringe meerderheid doorging, maar veeleer verwijdering en verdeeling zou veroorzaken; en nademaal de Vergadering van 1839, met groote eenstemmigheid, deze geheele zaak aan de lagere regtskringen heeft overgegeven, om eene zoodanige beslissing te nemen als naar hun gevoelen geschikt is om het kwaad te verwijderen;—is besloten, dat de Vergadering het tot stichting der Kerk ondienstig acht, in dezen iets te verrigten.

Niettemin ging het volgende besluit door:

Is besloten, Dat het fatsoenlijk vermaak van gemengde dansen zoo geheel onschriftmatig, en voornamelijk en uitsluitend dat der „wereld” is „die in het booze ligt,” en zoo geheel onbestaanbaar met den geest van Christus, met het den Christen voegende gedrag, en met die reinheid des harten, welke zijne volgelingen verpligt zijn te bewaren, dat het niet slechts onvoegzaam en schadelijk voor Christenbelijders is er deel in te nemen, of hunne kinderen daartoe in staat te stellen, door hen dekunstte onderwijzen, maar ook eene getrouwe en regtmatige uitoefening der kerktucht van de zijde der kerkelijke opzieners vordert, wanneer eenig lid der gemeente zich daaraan heeft schuldig gemaakt.

Is besloten, Dat het fatsoenlijk vermaak van gemengde dansen zoo geheel onschriftmatig, en voornamelijk en uitsluitend dat der „wereld” is „die in het booze ligt,” en zoo geheel onbestaanbaar met den geest van Christus, met het den Christen voegende gedrag, en met die reinheid des harten, welke zijne volgelingen verpligt zijn te bewaren, dat het niet slechts onvoegzaam en schadelijk voor Christenbelijders is er deel in te nemen, of hunne kinderen daartoe in staat te stellen, door hen dekunstte onderwijzen, maar ook eene getrouwe en regtmatige uitoefening der kerktucht van de zijde der kerkelijke opzieners vordert, wanneer eenig lid der gemeente zich daaraan heeft schuldig gemaakt.

Drie jaren later, in 1846, openbaarde de Algemeene Vergadering de volgende verklaring harer gevoelens:

1. Het slavernijstelsel, zoo als het in deze Vereenigde Staten aanwezig is, hetzij uit het oogpunt der wetten van de verschillende Staten, die het goedkeuren, of uit dat zijner tegenwoordige werking en gevolgen in en voor de maatschappij beschouwd, is uit zijnen aard onregtvaardig en verdrukkend; terwijl het evenzeer gekant is tegen de voorschriften van Gods wet, den geest en de leeringen des Evangelies, en de hoogste belangen der menschheid.2. Het getuigenis der Algemeene Vergadering, van de jaren 1787 tot 1818 ingesloten, heeft het veroordeeld, en blijft nog altijd het opgeschreven getuigenis der Presbyteriaansche kerk dezer Vereenigde Staten, hetwelk wij niet terug nemen.3. Wij kunnen, derhalve, de uitdrukking van ons grievend leedwezen niet achterhouden, dat de slavernij door eenige der leden van onze kerken wordt volgehouden en verdedigd; en wij vermanen zoowel dezen, als de kerken, waaronder zij bestaat, met den meesten ernst, tot het aanwenden van alle in hunne magt staande middelen, ten einde dit kwaad uit hun midden worde weggedaan. De voortduring er van kan niet missen, bij eene menigte menschen, door den invloed van hun voorbeeld geleid, het begrip te doen ontstaan, als of door dat voorbeeld het daarin zigtbare en door de verordeningender slaven-houdende Staten, waarin zij wonen, gehandhaafde stelsel, werd gewettigd. Daarenboven kan geene bloote verzachting zijner gestrengheid, door de menschelijkheid en het Christelijk gevoel van eenigen die voortgaan met hunne medemenschen in slavernij te houden, aangebragt, als een getuigenis tegen het systeem, of als in het geringste zijn wezenlijk karakter veranderende, beschouwd worden.4. Maar, hoezeer wij gelooven, dat vele van het stelsel onafscheidelijke boosheden het noodzakelijk en verpligtend maken, om er tegen te getuigen, nogtans ondernemen wij niet, den graad van zedelijke verdorvenheid te bepalen van de zijde der individuën, die er in betrokken zijn. Ongetwijfeld zal deze, in het oog van God, afhangen van de mate van het geschonken licht, en van andere omstandigheden, tot elk in het bijzonder betrekkelijk. Wanneer wij het oog vestigen op al de hinderpalen en belemmeringen der emancipatie, door de verordeningen der slaven-houdende Staten, en door den maatschappelijken invloed op de zienswijze en het gedrag der bedoelde personen in den weg geworpen, dan kunnen wij geen vonnis van algemeene en onbepaalde veroordeeling uitspreken,datgemis van Christelijke beginselen en gevoelens medebrengende, waardoor allen, die in de wettige betrekking van meesters tot slaven staan, van des Heeren tafel geweerd zouden worden, of ons regtvaardigen, wanneer wij hen onze kerkelijke en Christelijke gemeenschap onttrekken wilden. Veeleer hebben wij medelijden met hunne gemoedelijke bezwaren, en zouden hen daarin wenschen te hulp te komen, als van oordeel zijnde, dat scheiding en verwijdering tusschen de kerken en hare leden, niet de door God goedgekeurde en bekrachtigde middelen tot de hervorming Zijner kerk zijn.5. Terwijl wij ons, derhalve, verpligt achten, ons getuigenis tegen de slavernij in te brengen, en onze geliefde broederen te vermanen haar zoo spoedig mogelijk, door alle gepaste en voegzame middelen, uit hun midden weg te doen, veroordeelen wij te gelijkertijd alle verdeelende en scheuring veroorzakende maatregelen, strekkende om de eenigheid onzer kerk te ontbinden en haren vrede te verwoesten, en schromen wij den geest van beschuldiging en straf-opleggende gestrengheid, die dezulken buiten de kudde zou drijven, welkewij veeleer, om den geest des Evangelies en de pligten onzer belijdenis, gehouden zijn te onderwijzen, te raden, te vermanen, en aldus in de wegen Gods te leiden; en jegens welken, ofschoon zij dwalen mogen, wij geduld en broederlijke liefde behooren te oefenen.6. Als eene regtbank van onzen Heer Jezus Christus, bezitten wij geene wetgevende magt; en als de Algemeene Vergadering der Presbyteriaansche kerk, bezitten wij geene regterlijke magt. Wij hebben geen regt om een toetssteen van het Christelijk karakter en lidmaatschap der kerk in te stellen en voor te schrijven, die in de Heilige Schriften, en in de belijdenissen, waarnaar wij beloofd hebben, onzen wandel te rigten, niet erkend en bekrachtigd is. Wij moeten, derhalve, deze zaak overlaten aan de kerkbesturen (sessions), „Presbyteries” en Synoden, als de regtskringen (judicatories), aan welken het oordeel toekomt in de besturing der kerkelijke tucht naar pligt en geweten, als aan de Algemeene Vergadering alleen bij wege van algemeen op- en toezigt ondergeschikt zijnde.

1. Het slavernijstelsel, zoo als het in deze Vereenigde Staten aanwezig is, hetzij uit het oogpunt der wetten van de verschillende Staten, die het goedkeuren, of uit dat zijner tegenwoordige werking en gevolgen in en voor de maatschappij beschouwd, is uit zijnen aard onregtvaardig en verdrukkend; terwijl het evenzeer gekant is tegen de voorschriften van Gods wet, den geest en de leeringen des Evangelies, en de hoogste belangen der menschheid.

2. Het getuigenis der Algemeene Vergadering, van de jaren 1787 tot 1818 ingesloten, heeft het veroordeeld, en blijft nog altijd het opgeschreven getuigenis der Presbyteriaansche kerk dezer Vereenigde Staten, hetwelk wij niet terug nemen.

3. Wij kunnen, derhalve, de uitdrukking van ons grievend leedwezen niet achterhouden, dat de slavernij door eenige der leden van onze kerken wordt volgehouden en verdedigd; en wij vermanen zoowel dezen, als de kerken, waaronder zij bestaat, met den meesten ernst, tot het aanwenden van alle in hunne magt staande middelen, ten einde dit kwaad uit hun midden worde weggedaan. De voortduring er van kan niet missen, bij eene menigte menschen, door den invloed van hun voorbeeld geleid, het begrip te doen ontstaan, als of door dat voorbeeld het daarin zigtbare en door de verordeningender slaven-houdende Staten, waarin zij wonen, gehandhaafde stelsel, werd gewettigd. Daarenboven kan geene bloote verzachting zijner gestrengheid, door de menschelijkheid en het Christelijk gevoel van eenigen die voortgaan met hunne medemenschen in slavernij te houden, aangebragt, als een getuigenis tegen het systeem, of als in het geringste zijn wezenlijk karakter veranderende, beschouwd worden.

4. Maar, hoezeer wij gelooven, dat vele van het stelsel onafscheidelijke boosheden het noodzakelijk en verpligtend maken, om er tegen te getuigen, nogtans ondernemen wij niet, den graad van zedelijke verdorvenheid te bepalen van de zijde der individuën, die er in betrokken zijn. Ongetwijfeld zal deze, in het oog van God, afhangen van de mate van het geschonken licht, en van andere omstandigheden, tot elk in het bijzonder betrekkelijk. Wanneer wij het oog vestigen op al de hinderpalen en belemmeringen der emancipatie, door de verordeningen der slaven-houdende Staten, en door den maatschappelijken invloed op de zienswijze en het gedrag der bedoelde personen in den weg geworpen, dan kunnen wij geen vonnis van algemeene en onbepaalde veroordeeling uitspreken,datgemis van Christelijke beginselen en gevoelens medebrengende, waardoor allen, die in de wettige betrekking van meesters tot slaven staan, van des Heeren tafel geweerd zouden worden, of ons regtvaardigen, wanneer wij hen onze kerkelijke en Christelijke gemeenschap onttrekken wilden. Veeleer hebben wij medelijden met hunne gemoedelijke bezwaren, en zouden hen daarin wenschen te hulp te komen, als van oordeel zijnde, dat scheiding en verwijdering tusschen de kerken en hare leden, niet de door God goedgekeurde en bekrachtigde middelen tot de hervorming Zijner kerk zijn.

5. Terwijl wij ons, derhalve, verpligt achten, ons getuigenis tegen de slavernij in te brengen, en onze geliefde broederen te vermanen haar zoo spoedig mogelijk, door alle gepaste en voegzame middelen, uit hun midden weg te doen, veroordeelen wij te gelijkertijd alle verdeelende en scheuring veroorzakende maatregelen, strekkende om de eenigheid onzer kerk te ontbinden en haren vrede te verwoesten, en schromen wij den geest van beschuldiging en straf-opleggende gestrengheid, die dezulken buiten de kudde zou drijven, welkewij veeleer, om den geest des Evangelies en de pligten onzer belijdenis, gehouden zijn te onderwijzen, te raden, te vermanen, en aldus in de wegen Gods te leiden; en jegens welken, ofschoon zij dwalen mogen, wij geduld en broederlijke liefde behooren te oefenen.

6. Als eene regtbank van onzen Heer Jezus Christus, bezitten wij geene wetgevende magt; en als de Algemeene Vergadering der Presbyteriaansche kerk, bezitten wij geene regterlijke magt. Wij hebben geen regt om een toetssteen van het Christelijk karakter en lidmaatschap der kerk in te stellen en voor te schrijven, die in de Heilige Schriften, en in de belijdenissen, waarnaar wij beloofd hebben, onzen wandel te rigten, niet erkend en bekrachtigd is. Wij moeten, derhalve, deze zaak overlaten aan de kerkbesturen (sessions), „Presbyteries” en Synoden, als de regtskringen (judicatories), aan welken het oordeel toekomt in de besturing der kerkelijke tucht naar pligt en geweten, als aan de Algemeene Vergadering alleen bij wege van algemeen op- en toezigt ondergeschikt zijnde.

Wanneer eene boot op een effen doch sterken stroom onmerkbaar afdrijft, dan kunnen wij haren voortgang slechts door vergelijking met andere voorwerpen op het strand bespeuren.

Wanneer men deze verklaring der Algemeene Vergadering van de „New School” met die van 1818 vergelijkt, dan zal men bevinden, dat zij veel minder rondborstig en beslissend van toon is dan deze laatste, terwijl inmiddels de slavernij viervoudig in magt is toegenomen. In 1818 verklaart de Vergadering, dat het deugdzaamste deel der gemeente in de slaven-Staten de slavernij verafschuwt en harevernietigingwenscht.In 1846 betuigt de Vergadering met leedwezen, dat de slavernij door eenige leden onzer kerken nog altoos volgehouden en verdedigd wordt. Het getuigenis van 1818 heeft het openhartig en stoutmoedig voorkomen van een eenstemmig document, waaruit slechts één gevoelen spreekt. Dat van 1846 heeft het behoedzaam aanzien van een onzijdigen grond tusschen twee strijdende legers; het is uitziftend, behoedzaam vreesachtig en zorgvuldig.

Doch wanneer men, met dat alles, het document op zich zelven beschouwt, dan is het zekerlijk een zeer goed stuk tenoemen; en het zou eene zeer gepaste uitdrukking van Christelijk gevoel zijn, zoo het betrekking had tot eenig ander gewoon groot kwaad, en in deze of gene algemeene crisis waregeuitgeworden; doch laat ons zien, wat het aangegrepen kwaad, en wat de crisis was. Beschouwen wij het door de Synode van Kentucky opgehangen tafereel van den tegenwoordigen staat van zaken ten harent: „De leden van slaven-familiën gescheiden, om elkander niet weder te zien vóór den oordeelsdag; broeders en zusters, ouders en kinderen, echtgenooten en vrouwen, dagelijks van elkander afgerukt, zonder elkander ooit te mogen wederzien; het gegil en de doodsangsten, die als met de stem eener bazuin de onregtvaardigheid en wreedheid van het stelsel verkondigen; de kreten der lijders, die opgaan tot het oor des Heeren Zebaoth; geen gehucht waar deze hartverscheurende tooneelen niet gezien worden; geen dorp of landweg zonder den treurigen optogt van geboeide ballingen, wier ketenen en gebogene houding verhalen, dat zij met geweld zijn afgerukt van alles, wat hunnen harten dierbaar is; Christenleeraars, de moeder van haar kind afscheurende, om haar in eeuwigdurende ballingschap te verkoopen.”

Dit was de taal der Synode van Kentucky, veertien jaren te voren; en die tooneelen zijn sedert dien tijd altoos voorgevallen, en vallen nog dagelijks voor, zoo als de berigten van elk zuidelijk nieuwspapier aantoonen; en toch heeft de kerk van Christus sedert 1818 niets anders gedaan dan haar leedwezen te betuigen, en deftige bovennatuurkundige beraadslagingen te houden of de slavernij eene zondeper sewas, en de voorbarige handelwijze te berispen van mannen, die, de onmogelijkheid ziende om het kwaad op eenige andere wijze te doen ophouden, zulks beproefden door de slavenhouders van de gemeenschap der kerk uit te sluiten. Alsof het niet beter ware dat één slavenhouder op de honderd, wanneer het hem meer in het bijzonder betreft, buiten de kerk zou staan, dan dat al dievreeselijkefoltering en ongeregtigheid bij voortduring de wettiging van het voorbeeld der kerk ontvangen zoude! Zou een edelmoedig Christen niet zeggen: „Als de kerkban dit verschrikkelijke kwaad kan ten onder brengen, laat hij komen, al zou hij ook zwaar op mij drukken! Het is beter, dat ik eene geringe onregtvaardigheid lijde, dan dat deze afschuwelijke ongeregtigheid steeds op de rekening derKerk van Christus blijve! Zal ik de geheele Kerk met mijne bezwaren belasten? Wanneer ik in de behandeling mijner slaven liefderijk en zorgvuldig te werk ga; wanneer ik de slechte leerstelling, dat zij mijn eigendom zijn, uit mijn hart verworpen heb, en ze als mijne broeders behandel—wat doe ik dan? Al het gewigt van mijn voorbeeld zet het systeem kracht bij. De Kerk moet deze vreeselijke ongeregtigheid bestraffen, en de bestraffer behoort zuivere handen te hebben; en als ik mij niet ten volle van dit kwaad kan losmaken, dan is het beter dat ik buiten de Kerk blijve, totdat ik het kan.”

Laat ons nu ook de geduchte verschansingen en de sterkte van het kwaad beschouwen, waar tegen dit zeer gematigd besluit gerigt was. „Eene geldmagt van twee duizend millioenen dollars, in handen eener kleine vereeniging van bekwame en wanhopige lieden; die vereeniging door bijzondere wettelijke bepalingen tot eene staatkundige aristocratie verheven; het katoen, het voortbrengsel van den slaven-arbeid, de grondslag uitmakende van onzen geheelen buitenlandschen koophandel, en de handelsklasse alzoo bevoorregt; de drukpers omgekocht; de zuidelijke kansel tot vasal vernederd; het hart der lagere klasse door een bitter vooroordeel tegen het zwarte menschenras verkild, en onze hoofdleiders door eerzucht óf tot stilzwijgen óf tot openbare vijandschap verleid.”2En nu, in dezen staat van zaken, wordt de slavernij door het gansche gewigt dezer kerken ondersteund, omdat zij slavenhouders bevatten. Dat zij geen deel hebben aan de misbruiken van het stelsel, doet niets ter zake; het wordt haar door niemand gevergd. De slavenmagt wenscht niet dat belijders van de godsdienst familiën scheiden, of hunne slaven bovenmatigen arbeid opleggen, of eenige schanddaad bedrijven: dat ishaar belangniet. De slavenmagt behoeft vrome, teederhartige, edelmoedige en menschelijke meesters, en behoeft ze, om het systeem tegen het toenemend zedelijk gevoel der wereld staande te houden; en hoe vromer en edelmoediger zij zijn, des te beter. Zonder deze lieden zou de slavernij geen uur lang kunnen staande blijven. Wat is het derhalve? Deze lieden houden het systeem, en dat groote anti-slavernijgezinde ligchaam vanleeraars houdt deze lieden staande. Dit is het slot van de geheele zaak.

Paulus zegt, dat wij aan diegenen moeten gedenken, die in banden zijn, als met welke ook hij gebonden is. Verondersteld eens, dat deze Algemeene Vergadering uit mannen bestaan had, die vlugtelingen geweest waren. Verondersteld dat een hunner zijne dochters naar de slavenmarkt van New-Orleans had zien wegvoeren, zoo als Emily en Mary Edmondson; dat de dochter van een’ ander’ op dezen overlandstogt in een slaventroep gestorven was, met geene andere oppassing dan die van een slavendrijver, zoo als de arme Emily Russell; dat de vrouw van een’ derden met een gebroken hart gestorven was, toen men haar hare kinderen van de borst rukte om ze te verkoopen; en dat een vierde eene half krankzinnig gemaakte moeder had, wier haren door zielsangst vóór den tijd waren grijs geworden. Verondersteld dat die hartverscheurende tooneelen van scheiding, met gillen en snikken, waarvan de Synode van Kentucky zegt zoo langen tijd getuige geweest te zijn, in de familiën dier leeraars hadden plaats gehad, en dat zij tot deze beraadslaging waren opgegaan met harten, zoo doorpriemd en verscheurd als het hart van den armen ouden Paul Edmondson, toen hij naar New-York ging om voor zijne dochters te bedelen. Verondersteld dat zij het afschuwelijk stelsel, waaronder dit alles was voorgevallen, nog ieder uur zagen uitbreiden; dat leeraars onder de Christenen van alle gezindheden in het Zuiden het voor eene door God bekrachtigde instelling verklaarden; dat al de rijkdom, al de rang en al defashiondes lands te zijnen gunste vereenigd waren; en dat zij, zoo als Aäron, gezonden waren om tusschen de levenden en de dooden te staan, opdat de pest mogt ophouden.

En laat het nu zoo nederig en zoo ernstig mogelijk aan de Christenen dezer natie, en aan de Christenen van alle natiën, gevraagd mogen worden, of op zulk een tijdstip, en onder zulk eene crisis, deze handeling voldoende was? Heeft zij ietsuitgewerkt? Heeft zij ook maar het minste te weeg gebragt om het kwaad te stuiten? En behoorde er in zulk een vreeselijken tijd niet ietsgedaante worden wat die uitwerking kan hebben?

Laat ons de geschiedenis voortzetten. Men zal hebben opgemerktdat het besluit eindigt met het onderwerp aan ondergeschikte regtskringen over te laten. De „New School Presbytery” van Cincinnati, waarin de hoogleeraars van het seminarium van Lane zitting hadden, schorsten Mr. Graham in zijne bediening, om zijne leerstelling, dat de Bijbel de slavernij regtvaardigde; bij dit vonnis de stelling voegende, dat zulks eene ketterij was, onbestaanbaar met de Christelijke gemeenschap. De Synode van Cincinnati bevestigde deze uitspraak. De Algemeene Vergadering wierp deze beslissing omverre, en herstelde Mr. Graham. De afgezondene van die „Presbytery” zeide, dat zijnooitop hare schreden zou terugkeeren, en zoo gebeurde het ook. De „Presbytery” van Cincinnati weigerde hem terug te ontvangen. Haar zij er alle eer voor toegebragt! Hier, ten minste, werd een beginsel vastgesteld, voor zoo veel de „New School Presbytery” van Cincinnati, en een beginsel voor zoo veel de Algemeene Vergadering betreft. Door deze daad stelde de Algemeene Vergadering het feit vast, dat de Presbyteriaansche kerk der „New School” niet beslisthad, dat de verdediging der slavernij uit den Bijbel eene ketterij was.

De leer te verkondigen, dat er geene drie Personen in de Drieëenheid zijn, is ketterij.

De leer te verkondigen, dat al deze drie Personen een systeem bekrachtigen, hetwelk zelfs door Mahomedaansche vorsten uit louter natuurlijke schaamte en gewetenshalve is vernietigd, is geene ketterij!

De Algemeene Vergadering ging voort met te bewijzen, dat zij deze leer niet als ketterij beschouwde, door in 1846 de Algemeene Vergadering der „Old School” tot gemeenschappelijke viering van ’s Heeren Avondmaal uit te noodigen. Onder die Vergadering behoorden niet alleen Dr. Smylie, en al die ligchamen onder haar, die niet alleen de slavernij in het afgetrokkene, maar zelfs eenige harer ergste misbruiken, uit Gods woord hadden verdedigd; maar het ligchaam der „New School” hield deze gevoelens voorgeene ketterij, die de Christelijke gemeenschap zou verhinderen!

In 1849 verklaarde de Algemeene Vergadering, dat bij haar geene berigten waren ingekomen ten bewijze, dat de leden in Slavenstaten niet alles deden wat zij konden om, onder opzien tot God, den slaven het bezit en genot der vrijheid te bezorgen. Dit is eene merkwaardige verklaring, wanneer wijin aanmerking nemen, dat in Kentucky geene strenge wetten tegen de emancipatie bestaan, en dat, in Kentucky of in Virginia, de slaaf kan worden in vrijheid gesteld door hem eenvoudig een paspoort te geven om de grenslijn van den naburigen Staat te overschrijden.

In 1850 werd door den Eerwaarden H. Curtiss, van Indiana, een voorstel aan de Vergadering gedaan, ten volgenden einde: „Dat het tot slaven maken of als eigendom bezitten van menschen, een vergrijp is, zoo als in ons Boek van kerkelijke tucht, hoofdstuk 1, afdeeling 3, bepaald is; en als zoodanig onderworpen aan onderzoek, bestraffing en afsnijding, op de wijze, door onze regelen voorgeschreven; en dat het met behoorlijke inachtneming van alle verzwarende of verzachtende omstandigheden voor ieder bijzonder geval behoort behandeld te worden.” Een ander voorstel was van een ouderling uitPennsylvanië, en stelde vast, dat de slavernij,primafacie, een vergrijp was in de bedoeling van ons Boek van kerkelijke tucht, en den slavenhouder den last oplegde van zulke omstandigheden aan te voeren, als strekken konden om hem van de schuld der overtreding te ontheffen.

Beide deze voorstellen werden verworpen. Het volgende werd aangenomen: „Dat de slavernij met vele en groote boosheden beladen is; dat men de uitwerkselen van het geheele slavernijstelsel betreurt; dat het houden onzer medemenschen in den staat van slavernij, uitgezonderd in die gevallen, waarin hetuit hoofde der wetten van den Staat, de pligten van voogdijschap, of de eischen der menschelijkheid onvermijdelijk is, een vergrijp (offence) is, naar de eigenlijke meening dier uitdrukking, zoo als zij in het Boek der kerkelijke tucht gebezigd wordt, en op dezelfde wijze als andere vergrijpen te beschouwen en te behandelen is; en dat dit onderwerp derhalve aan de kerkbesturen (sessions) en „presbyteries” wordt overgelaten.” De stemmen waren acht-en-veertig tegen zestien, onder een schriftelijk protest van de minderheid, die in den tegenwoordigen toestand des lands alle handeling afkeurde. Laat de lezer deze handeling wederom met die van 1818 vergelijken, en hij zal zien dat de boot nog altoos afdrijft—inzonderheid dewijl zelfs deze gematigde verklaring niet eens met algemeene stemmen gegeven werd. Op nieuw, in dit jaar 1850, verklaart men zich bereid om in den geest van broederlijkeen Christelijke liefde, eenige voorslagen tot hereeniging te ontvangen, die het ligchaam der „Old School” voornemens was te doen.

In 1850 kwam de verschrikkelijke wet tegen de weggevlugte slaven. Welke daden werden toen bedreven? Toen werden de tooneelen van schrik en doodsangst, die te voren slechts op den slavenbodem aanschouwd werden, naar onze vrije Staten overgebragt. Kerken werden open gebroken. Bevende Christenen vloden. Echtgenooten en vrouwen werden gescheiden. Toen werd aan den armen Afrikaan het vreeselijk doemvonnis voltrokken, over den wandelenden Jood uitgesproken: „Gij zult geene rust vinden, en uwe voetzolen zullen geene rust hebben; maar uw leven zal altoos in gevaar zijn, en gij zult dag en nacht vreezen, en geene veiligheid voor uw leven hebben.” De gansche maatschappij ging toen éénen weg op—al de rijkdom, al de magt, al defashion. Nu, zoo ooit, was het tijd voor de Kerk van Christus om op te staan en voor de armen te spreken.

De Algemeene Vergadering kwam bijeen. Zij was ernstig aangemaand om zich te uiten. Nooit bestond er eene schitterender gelegenheid om te toonen, dat het koningrijk van Christus niet van deze wereld is. Een protest derhalve van een zoo talrijk en achtenswaardig ligchaam zou de Amerikaansche Kerk voor de schande bewaard hebben, die zij thans in het oog van alle natiën draagt. O, dat zij eenmaal gesproken had! Wat zeide de Presbyteriaansche Kerk? Zij zeideniets, en oogstte er den dank der staatkundige leiders voor in. Zij hadallesgedaan, wat zij verlangden.

Intusschen was onder dezen gang van zaken het getal der „Presbyteries” in slaven-houdende Staten vandrietottwintiggeklommen! en deze kerk had nu van vijftien- tot twintigduizend leden in Slavenstaten onder hare hoede.

Genoeg over de handelwijze van een beslist anti-slavernijgezind ligchaam, in vereeniging met eenige weinige slavenhoudende Kerken. Genoeg over eene bescheidene, voorzigtige, liefderijke en broederlijke poging om de zaak door ondervinding te toetsen. Welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis, en welke overeenstemming heeft Christus met Belial? Het slavensysteem is de duisternis—het slavensysteem is Belial! en elke poging om het met de belijdenis des Christendomsovereen te brengen, zal denzelfden uitslag hebben als deze. Het behoort nogtans hier gezegd te worden, dat een klein ligchaam van de meest besliste tegenstanders der slavernij in de Presbyteriaansche Kerk zich afscheidde, en devrije Presbyteriaansche Kerkvormde, wier voorwaarde van gemeenschap eene volkomene verzaking van het slaven-houden is. Ook moet het worden opgemerkt, dat deze grondregel door de Kwakers aangenomen en ten uitvoer gebragt werd—het eenige met dit kwaad besmette ligchaam van Christenen, wien het ooit gelukt is er zich van te bevrijden.

Het zij nu dat censuur en kerktucht al dan niet geschikte middelen zijn om zulke zedeloosheden en ketterijen bij individuën tegen te gaan,—genoeg is het, dat zulks het verklaarde en in uitoefening gebragte gevoelen van de Presbyteriaansche Kerk geweest is.

Wanneer men de redenering van Charles Summer overweegt, dan zal het in het oog vallen dat de geschiedenis dezer Presbyteriaansche Kerk aanmerkelijke punten van overeenkomst oplevert met die onzer Vereenigde Staten. In beide was, in den beginne, anti-slavernij de heerschende invloed, zelfs onder slavenhouders. In beide was er geen verschil van gevoelen omtrent de wenschelijkheid van de volkomene vernietiging der slavernij; beide gaven iets toe, zoo weinig als men zich met mogelijkheid verbeelden kan; beide deden dit volkomen ter goeder trouw, met het doel eener spoedige verwijdering en vernietiging van het kwaad; en beider geschiedenis is dezelfde. Het kleine punt van toegeving breidde zich uit, won meer en meer veld, en ging, van jaar tot jaar, verslindende voort, tot dat èn de Vereenigde Staten, èn de Presbyteriaansche Kerk, het standpunt bereikt hadden waarop zij zich thans bevinden. Nog erger was de geschiedenis der Methodistische Kerk. Die van de Kerk der Baptisten toont hetzelfde beginsel; en, wat de Episcopaalsche kerk zoowel in het Noorden als in het Zuiden betreft, deze heeft nooit iets anders gedaan dan toegeven. Zij verschilt hierin van al de overige, dat zij nooit eenig tegenstandbiedend element had, met uitzondering nu en dan van een Protestant, zoo als William Jay, een waardige zoon van hem, die de Verklaring van Onafhankelijkheid onderteekende.

De slavenmagt is een wel zamenhangend, vast, stevig, onwrikbaar stelsel geweest, dat van geen schikken of toegevenwist. De wederstand biedende magt was, vele jaren lang, wankelend, toegeeflijk, met zich zelve in tegenspraak. Er heeft, wel is waar, eene diepe en steeds toenemende vijandschap jegens de slavernij, bij eene besliste meerderheid van leeraars en ledematen in vrije staten bestaan,als individuën beschouwd. Doch ongelukkigerwijze zijn de opregte tegenstanders der slavernij onderling verdeeld geweest nopens grondstellingen en maatregelen, daar de tot uitersten gedrevene grondstellingen en maatregelen van sommigen eene schadelijke terugwerking bij anderen te weeg bragten. Daarenboven hebben andere groote plannen van weldadigheid hun tijd en aandacht gevorderd; en de uitslag is geweest dat zij alle zich onjuiste begrippen gevormd hebben van de uitgebreidheid des gevaars, waarmede de zaak van God op aarde door de Amerikaansche slavernij bedreigd wordt, en van den pligt des Christens onder zulk eene crisis. Zij hebben hieromtrent nooit zulk eene overtuiging gehad als die, welke in andere groote aangelegenheden hunne geestkracht gewekt, aangevuurd en vereenigd heeft. Intusschen hebben groote organische invloeden in Kerk en Staat, zeer tegen hunnen wensch, hunnen invloed tegen de slavernij opgewogen—ja somwijlen in haar voordeel doen werken. De volslagene onwrikbaarheid van het slavernij-systeem, en zijne volstrekte weigering om eenige beraadslaging er over toe te laten, hebben alle diegenen, die gemeenschap met slaven-houdende Kerken wenschen, slechts de keuze gelaten om òf de ondersteuning van het Zuiden in deze zaak, òf hun protest tegen de slavernij te laten varen.

Dit is eene sterke verzoeking geweest voor menschen die weldadige en loffelijke zaken behartigden, doch niet genoeg doordrongen waren van het volle gevaar van het slavensysteem, noch de zedelijke kracht van het Christelijke protest daartegen wisten te schatten. Wanneer er zich, dien ten gevolge, gevallen voordeden waarin hun slechts de keuze bleef tusschen de opoffering van hetgeen zij voor de belangen eener goede zaak hielden, en tusschen het opgeven van hun regt van protest, hebben zij algemeen het laatste gekozen. De beslissing had altoos op deze wijze plaats: De slavenmagtwil niettoegeven,—wijmoetenhet. Het Zuiden zegt: „Wij willen geen godsdienstig boek nemen dat anti-slavernijgezinde grondstellingen bevat.” De Vereeniging der zondagsscholenheeft Mr. Gallaudet’s geschiedenis van Joseph afgewezen. Waarom? Omdat zij de slavernij begunstigt? Volstrekt niet. Zij verafschuwt de slavernij. Waarom dan? „Het Zuiden wil onze boeken niet lezen, als wij niet toegeven. Zij willen niet toegeven, en wij moeten. Wijkunnen meer goed doendoor de verspreiding van Evangelische waarheid, wanneer wij onze Protestantsche magt ongebruikt laten, dan wanneer wij haar aanwenden.” Dit werd, waarschijnlijk, ter goeder trouw gedacht en gezegd. Het argument laat zich wel hooren, maar de zaak wordt er niet te minder om toegegeven. De slavenmagt heeft de overwinning behaald, en heeft ze juist door de beste menschen, en juist door den invloed van de beste beweegredenen behaald; en zoo zij slechts de overwinning verkreeg, is het haar om het evenhoezij ze verkreeg. En al moge het ook gezegd kunnen worden dat hetgeen in ieder bijzonder geval wordt toegegeven, op zich zelve slechts gering is, toch zal, wanneer wij alles bij elkander nemen wat van tijd tot tijd door iedere kerkelijke gezindheid, en door iedere afzonderlijke weldadige inrigting is afgestaan, het beloop inderdaad verbazend zijn. En waar zijn wij, ten slotte van dat alles, nu toe gekomen?

Hier zijn wij, in deze crisis,—hier, in deze negentiende eeuw, terwijl de geheele wereld grondstellingen van algemeene vrijheid om verre werpt en weder opbouwt,—wij, Amerikanen, die onze Bijbels en zendelingen uitvaardigen om Mahomedaansche landen tot Christelijke te maken, wij, al onze magt en invloed aanwendende tot instandhouding van een stelsel van afgesleten heidendom, dat zelfs door den Bey van Tunis verworpen wordt!

De zuidelijke Kerk heeft het gedoopt in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Dit afgesletene, verouderde, verjaarde stelsel van Romeinsche slavernij, eenmaal, langzaam maar zeker, door het Christendom vernietigd, is uit zijn eerloos graf opgedolven; eenige weinige wetten van buitensporige wreedheid, zoo als Rome ze nimmer kende, zijn er aan toegevoegd; en thans, door de geheele zuidelijke Kerk gedoopt en geheiligd, gaat het uit, overwinnende en om te overwinnen! De eenige magt, die der noordelijke Kerk, is overgebleven, is de protesterende magt, en zal zij daar gebruik van maken? Vraag het Traktaatgenootschap of het een traktaatover het zondige der slavernij wil uitgeven, al zou zulk een traktaat maaralleenuit de schriften van Jonathan Edwards of Dr. Hopkins worden zamengesteld! Vraag de Vereeniging der zondagsscholen of zij de feiten betrekkelijk dit heidendom wil openbaar maken, zoo als zij de feiten betrekkelijk Burmah en Hindostan geopenbaard heeft! Willen zij? O, dat zij ja mogten zeggen!

Nu zal het wel niet betwijfeld worden dat al deze treurige uitkomsten de gevolgen zijn van de voorstellen en beraadslagingen van goede mannen, die het goede bedoelden; doch men heeft met waarheid gezegd dat, in gevaarlijke tijden, wanneer één misstap de noodlottigste gevolgen te weeg brengt, eene goedebedoelingniet genoeg is.

In de crisis eener ziekte het goede te bedoelen en den lijder te doen sterven; onder het woeden van een storm het goede te bedoelen en het schip te doen stranden; in een grooten zedelijken strijd het goede te bedoelen en den strijd te verliezen;—dit zijn betreurenswaardige zaken. Door onze schuld gaat het schip te gronde—dooronzeschuld wordt de strijd verloren. Een weinig meer slapens, een weinig meer sluimerens, een weinig meer handenvouwens al nederliggende, en wij zullen in de draaijing van dien maalstroom ontwaken die slechts één uitgang heeft—naar den afgrond!

Er is nog één ligchaam van Christenen, welks invloed wij niet beschouwd hebben, en dat wel van een zeer aanzienlijk,—de Congregationalisten van Nieuw-Engeland en van het Westen namelijk. Uit den aard zelve van het Congregationalisme kan het geen zoo eenstemmig getuigenis geven als het Presbyterianisme; maar toch heeft het Congregationalisme zich tegen de slavernij geuit. Individuëele ligchamen hebben zeer sterk gesproken, en individuëele geestelijken nog sterker. Zij hebben vertoogen bij de Algemeene Vergadering ingeleverd, en hebben zeer sterke anti-slavernijgezinde bladen. Doch, den geheelen staat van het openbaar gevoelen, den dringenden aard der zaak, en de geweldige kracht en drang van al de slavernij begunstigende oorzaken in aanmerking genomen, mag men vragen of de hevigheid en kracht van het getuigenis van het Congregationalisme,als ligchaam beschouwd, wel gelijk stond met de vreeselijke dringende noodzaak? Het heeft zeer volledige en duidelijkegetuigenissen opgeteekend over de rampen der slavernij; doch er is meer noodig dan getuigenissen. De Presbyteriaansche Kerk bezit een overvloed van opgeteekende getuigenissen, even zoo goed en even zoo sterk als die het Congregationalisme heeft doen hooren. De Presbyteriaansche Kerk der „New School” heeft voor het minst even zoo vele anti-slavernijgezinde mannen, even zoo vele sterk anti-slavernijgezinde nieuwspapieren gehad als de Congregationale; en de Presbyteriaansche Kerk heeft eene beproeving voor deze zaak doorgestaan, waaraan de Congregationale nooit was blootgesteld. Zij heeft slavenhouders in hare gemeenschap gehad, en van deze proef is de Congregationale, tot nog toe, zoo goed als vrij gebleven. Had het Congregationalisme, van dit vrije standpunt, niet een getuigenis moeten geven dat meer dan gelijk stond? Had het niet meer moeten doen dan betuigen?—had het niet voor de zaak moeten strijden? Had het, zoo als de drie honderd dapperen in Thermopylae, alleen gelaten om Griekenlands vrijheid te verdedigen, toen al de anderen gevloden waren, niet hart en ziel, ligchaam en geest, voor de goede zaak moeten over hebben? Heeft het zulks gedaan?

Breng den ijver door het Congregationalisme aan andere vraagstukken te koste gelegd, eens in vergelijking met den ijver aan deze zaak besteed. Dr. Taylor leerde dat alle zonde in zondigen bestaat, en dat er daarom geene zonde kon zijn, tot dat een persoon gezondigd had; en Dr. Bushnell opperde eenige wijzigingen van het leerstuk der Drieëenheid, die niemand regt scheen te begrijpen. De „Presbyteries” van Zuid-Carolina leeren dat God de slavernij goedgekeurd, en door het voorbeeld van patriarchen en profeten gewettigd heeft. Verondersteld nu dat dit altemaal ketterijen zijn, welke daarvan is dan wel de ergste?—Welke daarvan zal de ergste praktikale gevolgen te weeg brengen? En, zoo het Congregationalisme deze ketterij bestreden had zoo als sommige zijner leiders Dr. Bushnell en Dr. Taylor bestreden hebben, zou de strijd dan niet met meer ijver gevoerd zijn? Zijn deze beide mannen niet als gevaarlijke ketters ten toon gesteld, als leeringen predikende die tot ongeloof leiden? En, eilieve, waartoe leidt dan die andere leerstelling? Zoo zeker als er een God in den hemel is, zoo zeker is het, dat, zoo de Bijbel inderdaad de slavernij verdedigde, ieder eerlijk en gevoelig menschal sedert vijftig jaren herwaarts een ongeloovige zou geweest zijn.

Is derhalve de invloed van het Congregationalisme geëvenredigd geweest aan den aard en de dringende gewigtigheid der zaak? Maar de laatst gehoudene bijeenkomst van Congregationalisten te Albany, waarop leeraars uit Nieuw-Engeland en uit de westelijke Staten verschenen, drukte zich stelliger en beslissender uit. Zie hier haar besluit:

Is besloten, dat, naar het gevoelen dezer Vergadering, het doel des Evangelies, waar het in zijne zuiverheid gepredikt wordt, daarheen strekt om alle maatschappelijke gebreken te verbeteren, en de zonde in alle hare vormen te dooden; en dat het de pligt der Zendeling-genootschappen is, de kerken in slaven-houdende Staten behulpzaam te zijn in de ondersteuning alleen van zulke leeraars, die het Evangelie alzoo zullen prediken, en de regelen en de aanwending der Evangelische tucht alzoo zullen inscherpen, dat zulks, onder den Goddelijken zegen, zijne volle uitwerking hebbe tot opwekking en leiding van het zedelijk gevoel met betrekking tot de slavernij, en tot bevordering der spoedige vernietiging van dat verbazende kwaad; en dat daar, waar het een leeraar niet geoorloofd is alzoo te prediken, hij, overeenkomstig de vermaning van Christus, „uit die stad vertrekke.”

Is besloten, dat, naar het gevoelen dezer Vergadering, het doel des Evangelies, waar het in zijne zuiverheid gepredikt wordt, daarheen strekt om alle maatschappelijke gebreken te verbeteren, en de zonde in alle hare vormen te dooden; en dat het de pligt der Zendeling-genootschappen is, de kerken in slaven-houdende Staten behulpzaam te zijn in de ondersteuning alleen van zulke leeraars, die het Evangelie alzoo zullen prediken, en de regelen en de aanwending der Evangelische tucht alzoo zullen inscherpen, dat zulks, onder den Goddelijken zegen, zijne volle uitwerking hebbe tot opwekking en leiding van het zedelijk gevoel met betrekking tot de slavernij, en tot bevordering der spoedige vernietiging van dat verbazende kwaad; en dat daar, waar het een leeraar niet geoorloofd is alzoo te prediken, hij, overeenkomstig de vermaning van Christus, „uit die stad vertrekke.”

Dit besluit geeft in vele opzigten stoffe tot hoop en blijdschap. Het werd door eene zeer groote kerkelijke vergadering genomen, de grootste, die ooit in dit land bijeen kwam, en die het gansche Congregationalisme der Vereenigde Staten vertegenwoordigde; terwijl de aanleiding tot hare bijeenkomst, in zeker opzigt als de aanvang een nieuw tijdperk in het bestaan dezer gezindheid mogt beschouwd worden.

Het besluit werd met eenparige stemmen genomen. Het is zeer bepaald in zijne uitdrukking, en beoogt practische werkzaamheid, die juist behoefte is. Het zegt, dat het geene leeraars in Slavenstaten ondersteunen wil, wier prediking niet strekt tot vernietiging der slavernij; en dat, zoo hen geene vrije prediking daartegen vergund wordt, zij vertrekken moeten.

Dat het alzoo gewonnen terrein krachtdadig zal verdedigd worden, is af te leiden uit het feit, dat de „Home Missionary Society,” die het orgaan van dit ligchaam, zoowel als van de„New School” der Presbyteriaansche Kerk is, in hare instructiën voor de zendelingen in Slavenstaten, eene bepaalde stelling ten opzigte van dit onderwerp genomen heeft. In hun verslag van Maart 1853 worden die instructiën met bekwaamheid op den voorgrond gesteld. Toen zij, in 1850, door een der Slavenstaten werden aangehaald ten gunste van zendelingen, die de slavernij wilden daarlaten, werd er, in de beslissendste bewoordingen, op geantwoord, dat men daar niet in treden konde; dat men, integendeel, begrijpen moest, dat een voornaam doel in de afvaardiging van zendelingen naar de Slavenstaten, is, de maatschappij, zoo veel zulks mogelijk is, van de zonde onder alle gedaanten te bevrijden, en dat, „zoo men het stilzwijgen over de slavernij naar buiten bewaren wilde, een der grootste beweegredenen om zendelingen naar de Slavenstaten af te vaardigen, of ze daarin te houden, zou zijn weggenomen.”

Wijders gebood de Maatschappij haren zendelingen om, zoo men hen in de eene stad of dorp niet over dit onderwerp hooren wilde, naar eene andere te gaan; terwijl zij hare overtuiging uitdrukte, dat hare zendelingen er aanvankelijk in geslaagd zijn om de gewetens der menschen wakker te maken. Zij zegt, dat zij de zaak steeds levendig houden, dat zij ze niet laten rusten, omdat het een teeder onderwerp is, maar dat zij hunne conscientiën kwijten, hetzij dan dat hunne boodschap een goed onthaal vindt, of dat zij hen, zoo als in sommige gevallen, aan tegenstand, verdrukking of persoonlijk gevaar blootstelt; en dat, waar men hunne pogingen niet heeft willen toelaten, zij, in herhaalde gevallen, als eene groote opoffering, hunne stelling verlaten hebben, en naar andere streken vertrokken zijn. In hun verslag van dit jaar deelen zij ook brieven mede van leeraars in slaven-houdende Staten, waaruit blijkt, dat zij, ondanks veel tegenstand, zich het regt verzekerd hebben, om hunne gevoelens over dit onderwerp openlijk te prediken en te verbreiden.

Een dier zendelingen, van de slavernij sprekende, zegt: „Wij zijn vast besloten, om dit groote struikelblok uit onzen weg te ruimen, of onder de poging te bezwijken. Als Christenen en als vrijmannen willen wij deze schandvlek op onze godsdienst en wetten niet langer dulden.”

Dit is een edel standpunt.

Doch, terwijl wij de protesterende magt beschouwen, mogen wij ook de Schotsche afgescheidenen en „Covenanters” niet vergeten, die, met eene standvastigheid en vastbeslotenheid, het kroost der oude Schotsche belijders waardig, zich van de zonde der slavernij rein gehouden, en er eenparig tegen geprotesteerd hebben. En laat ons niet minder opmerken, dat de Kwakers een maatregel volgden, die hun gansche ligchaam van de zonde der slaven-houding bevrijd hield; aldus aan al de andere gezindheden toonende, dat wat eenmaal gedaan werd, weder gedaan kan worden. Alzoo zijn er, onder alle kerkelijke gezindheden, individuëele leeraars en Christenen, in uren die der menschen zielen beproefden, met hun getuigenis opgetreden. Albert Barnes, in Philadelphia, te midden eener groote, rijke gemeente op de grenzen van een Slavenstaat gevestigd, en onder al de verlokkingen tot medepligtigheid, die er zoo menigeen tot zwijgen bragten, is in kalme getrouwheid opgestaan, en heeft den geheelen raad Gods in deze zaak verkondigd. Ja, nog meer: hij teekende zijn plegtig protest aan, dat „GEENE INVLOEDEN BUITEN DE KERK DE SLAVERNIJ EEN UUR LANG KONDEN STAANDE HOUDEN, ZOO ZIJ ZELVE ZE NIET STAANDE HIELD;” en in de laatste zitting der Algemeene Vergadering, die te Washington bijeen kwam, hield hij, in spijt van alle staatkundige inblazingen, de Presbyteriaansche Kerk de sterkte harer laatste verklaringen voor, en verklaarde het haar pligt, de volkomen vernietiging der slavernij door de geheele wereld te beproeven. Zoo leide, in het donkerste uur, Dr. Channing te Boston een edel getuigenis af, dat zijn naam onsterfelijk zal maken. Zoo vormden, in Illinois, E. P. Lovejoy en Edward Beecher, met hunne vrienden, de „Illinois Anti-slavery Society” onder zamenrottingen van het gemeen, en met gevaar van hun leven, terwijl, weinige uren later, Lovejoy, bij de verdediging der twee malen vernielde drukpers der abolitionisten, doorschoten werd. In de Presbyteriaansche kerk der „Old School” hebben William en Robert Breckenridge, de President Young, en anderen, ten voordeele der emancipatie in Kentucky gepredikt. In de Methodistische Kerk hield Le Roy Sunderland zijn dagblad onder den ban zijner superieuren staande, terwijl eene premie van vijftig duizend dollars op zijn lijf gesteld was. De zachtmoedige, geduldige Torrey stierf in eene gevangenis, zeggende: „Zoo ik een misdadigerben, ben ik een groot misdadiger, want ik heb vier honderd slaven aan de vrijheid geholpen, die, zonder mij, als slaven zouden gestorven zijn.”Dr. Nelson werd door het gepeupel uit Missouri verdreven, om zijne moedige prediking der waarheid op slavenbodem. Deze allen behoorden tot de leeraars, en zij zijn niet de eenige. Jezus Christus heeft ons nog niet geheel verlaten. Er zijn er, die de vreugde hebben leeren kennen van voor eene goede zaak schande te lijden en den dood te trotseren.

Er zijn dus ondeelige Christenen geweest, die voor deze heilige zaak niets te dierbaar geacht hebben. Getuige Richard Dillingham en John Garette, en eene schare anderen, die met vreugde de berooving hunner goederen hebben aangezien.

Maar niettegenstaande dit alles blijft het de vreeselijke waarheid, dat alles, wat tot dusverre door de kerk gedaan is, het kwaad niet merkbaar heeft doen verminderen. Het groote systeem is sterker dan ooit. Het is, zoo als algemeen bekend is, de heerschende magt der natie. De geheele magt van het gouvernement, en de geheele magt van den rijkdom, en de geheele magt van defashion, en de practisch-organische werking der groote kerkelijke ligchamen, zijn alle denzelfden weg opgegaan. De Kerk wordt gemeenzaam genoemd, als aan de zijde der slavernij te staan. Staatslieden vóór en tegen het vraagstuk hebben dit als een bewezen feit vermeld. De ongeloovigen wijzen er met triomferenden blik op; en Amerika aanschouwt nog eene andere klasse van ongeloovigen—eene klasse, die alleen onder zulk een invloed ontstaan kon. Mannen, wier geheele leven slechts ééne studie en praktijk van weldadigheid is, worden nu onder de ongeloovigen gerangschikt, omdat de gesteldheid der kerkelijke organisatiën het Christendom valschelijk voorstelt, en zij zich van de kerk afscheiden. Wij willen geene verdediging inbrengen voor zoodanige ongeloovigen, die bloot anti-slavernijgezinden ijver voor hunne Godsdienst houden, en onder dit masker een boosaardigen haat jegens het ware Christendom verbergen. Maar zulke verdedigingen van de slavernij uit den Bijbel, als waarmede sommige leden der Amerikaansche geestelijkheid zijn opgetreden, zijn juist geschikt om alle eerlijke en regtschapene lieden tot ongeloovigen te maken. De ongeloovigen uit vroegere tijden waren niet veel te duchten, maar zulke ongeloovigen als deze,zijn niet te verachten. Wee der kerk, wanneer het zedelijk allooi van den ongeloovigen beter is, dan dat van den Christenbelijder! want het eenigste harnas, dat voor het ongeloof altoos onverwinnelijk was, is hetharnas der regtvaardigheid.

Laat ons zien welke practische uitwerking thans door de kerkelijke organisatiën wordt te weeg gebragt. Waarop vertrouwen Bruin en Hill, Pulliam en Davis, Bolton, Dickens & Co., en Matthews, Branton & Co., om hunne slavenfokkerijen en slavenloodsen vol, en hun vertier levendig te houden? Is het te veronderstellen dat zij geene menschen zijn zoo als wij? Beven zij niet somtijds bij de geduchte uitwerkselen van vrees, en wanhoop, en zielsangst, waarvan zij getuige zijn wanneer zij, in de diepten dier vreeselijke slavengevangenissen, levende harten van een scheuren? Wat onderdrukt dan de gewetens dier handelaars? Het is het algemeen gevoelen van de maatschappij waarin zij leven; en dat algemeen gevoelen wordt door leeraars en ledematen der Kerk gevormd. De handelaar bespeurt duidelijk genoeg een logisch verband tusschen de verklaringen der kerk en de praktijk van zijn handel. Hij ziet duidelijk genoeg dat, zoo de slavernij door God wordt goedgekeurd, en het regtmatig is haar in een nieuw grondgebied op te rigten, het ook regtmatig is de middelen te bezigen die daartoe strekken; en, daar de slaven in Texas niet aan de struiken groeijen, het noodig is dat er handelaars zijn om er troepen van te vergaderen en ze derwaarts te brengen; en, daar zij niet altoos geheele familiën kunnen nemen, het noodig is dat zij ze van elkander scheiden; en, daar de slaven door geene zedelijke overreding daartoe te krijgen zijn, het noodig is dat zij er toe gedwongen worden; en, waar zachte dwang niet helpen wil, zij gegeeseld en gepijnigd moeten worden. Van daar mondproppen, duimschroeven, ketenen, bloed,—alles als noodzakelijke middelen ter uitvoering van hetgeen Christenen zeggen dat God goedkeurt.

Ziedaar de eene zijde van de redenering. Bezien wij nu ook de andere. De „Presbyteries” van Zuid-Carolina en Mississippi houden gevoelens staande, die, bij wettige gevolgtrekking, den slavenhandelaar stijven. De Algemeene Vergadering der „Old School” houdt, zonder tucht of protest, met deze „Presbyteries” gemeenschap. De Vergadering der „New School”betuigt hare bereidvaardigheid tot hereeniging met de „Old School,” terwijl zij te gelijker tijd het slavernij-systeem eene verfoeijelijkheid, eene zware schending der heiligste regten, en zoo voorts noemt. Welnu, dan is de keten zoo juist gesloten, als hij behoort. Alle schakels zijn er in; ieder vindt er zijne plaats, en zegt juist wat noodig is, en niets meer. De handelaar verrigt den stuitenden arbeid, de zuidelijke Kerk verdedigt hem, en de noordelijke Kerk verdedigt de zuidelijke. Ieder doet zoo veel voor de slavernij als hij kan, naar mate van de ruimte, waarin hij zich beweegt. Ziedaar de practische uitkomst van de zaak.

Het treurigste van de zaak is, dat, terwijl een groot ligchaam van mannen der „New School,” en ook vele der „Old School,” besliste anti-slavernijgezinden zijn, deze tot de kerkelijke gezindheid betrekkelijke stelling hun invloed naar de andere zijde overbrengt. Hun invloed volgt dien der Algemeene Vergadering. De volgende aandoenlijke brief werd door dien uitmuntend vromen man, Dr. Nelson, geschreven, wiens werk over het ongeloof een der krachtigste populaire stemmen is, die ooit verschenen zijn:


Back to IndexNext