Hoofdstuk II.Hoe de openbare meening door de opvoeding gevormd wordt.In het belangrijk werk van den eerwaarden C. C. Jones, over hetGodsdienstig onderrigt aan de negers te geven, komen eenige zinsneden voor, die zoo bijzonder den invloed der openbare meening, welke wij hebben getracht in het licht te stellen, omschrijven, dat wij niet kunnen nalaten ze over te nemen:Bepaalde begrippen of vooroordeelen ten aanzien van zekere onderwerpen ontspruiten doorgaans uit onzeopvoedingof omstandigheden. Ieder kent hun grooten invloed op oordeelvellingen en gedragslijn, alsmede hoe dikwijls zij gevormd worden zonder dat men er zich van bewust is; zoodat zij, terwijl wij hun bestaan niet vermoeden, opwassen met onzen groei en in kracht toenemen met onze sterkte. Dagelijksche omgang doet mismaaktheid voorkomen als eene gewone leelijkheid. Daarom zijn wij ook niet altijd de beste beoordeelaars van onzen eigen toestand. Een ander kan er bezwaren, of zelfs onbetwistbare gebreken in opmerken, waarvan wij gezegd kunnen worden ons levenslang te naauwernood bewust geweest te zijn. Zoo maakt de gewoonte ook, dat wij euvelen, die bij het eerste aanschouwen onze geheele natuur in opstand bragten en die ons onverdragelijk voorkwamen, zoodanig vergeten, dat wij ze schier niet meer zien. Menschen, die uit den eenen maatschappelijken stand in den anderen overgaan, treffen duizende zaken aan, waaraan zij gelooven zich nimmer te zullen kunnen gewennen; en evenwel, binnen korten tijd verstompt hunne gevoeligheid; zij ondergaan eene verandering, bijna zonder zelven te weten hoe. Zij hebben zich geschikt naar hunne nieuwe omstandigheden en betrekkingen—te Rome zijn zij Romeinen.Thans zullen wij onderzoeken welken invloed eene gedurige aanraking met het slavernij-stelsel op de opvoeding heeft.Neem een kind van een ontvankelijk gemoed en een edel hart, en geef het zijne opvoeding onder den invloed van datstelsel: en op welke wijze zal nu zijn karakter gevormd worden? Eene anecdote, die schrijfster dezes uit den mond eener dame vernam, zal zeker niet ten onpas gerekend worden. Onder de redenen die haar genoopt hadden om haar huisgezin te vestigen op eene plaats, waar het buiten den invloed van het slavenstelsel zou zijn, gaf zij het volgende voorval op: Op zekeren dag een blik uit het raam der kinderkamer naar buiten werpende zag zij haar driejarig dochtertje in haar wagentje zitten, dat met zes of acht jonge negerkinderen, als paarden getuigd, bespannen was. Twee of drie der oudere slaven stonden rondom hunne kleine meesteres, en een van hen gaf haar eene zweep in de hand en voegde haar toe: „Sla er maar goed op, Misse; laat ze draven! ’t Zijn allemaal uwe negers!”Welk eene les van Godsdienst en zedekunde voor dat jeugdige gemoed! De moeder was eene verstandige vrouw, die haar kind nimmer iets dergelijks geleerd zou hebben; maar de staat van slavernij had het in de ziel van elken slaaf gebrand en zoo werd het weder overgeplant op het kind.Zoodra een kind oud genoeg is om de nieuwsbladen te kunnen lezen, ziet het in elke kolom advertentiën als de volgende uit denRichmond Wighen andere bladen:Groote verkoop van Negers, Paarden, Muilezels, Rundvee, enz.Volgens last van het ommegaande hoog-geregtshof van Fluvanna County, zal de ondergeteekende op Dingsdag 30 November en Woensdag 1 December aanstaande, des morgens ten elf ure, ten sterfhuize van wijlen William Galt, bij openbare veiling verkoopen de negers, voorraad enz. van allerlei aard, tot de hoeve behoorende; bestaande in 175 negers,waaronder eenige timmerlieden en smeden,—10 paarden, 33 muilezels, 100 stuks rundvee, 100 schapen, 200 varkens, 1500 vaten koorn, haver, veevoeder enz.; de plantage, en werkgereedschappen van allerlei aard.De negers zullen à contant verkocht worden; de overige artikelen op negen maanden crediet, mits tegen acceptatie en goede borgen.19 October.James Galt,Administrateur van wijlenWilliam Galt.Uit deNashville Gazette,23 November 1852:Groote verkoop van Negers, Muilezels, Rundvee, enz.Op Dingsdag 21 December aanstaande zullen wij op de plantage van wijlen N. A. McNairy, aan den Franklin Turnpike, voor rekening van mevrouw C. B. McNairy, executrice, in openbare veiling aanbiedenVijftig kostbare Negers.Zij zijn goede plantage-negers en zullen bij huisgezinnen verkocht worden. Gegadigden kunnen die negers den dag vóór de veiling bezigtigen.Alsmede, tien sterke werk-muilezels, eenige melkkoeijen en kalven, varkens, 1200 vaten koorn, haver, hooi, veevoeder, enz., twee wagens, eene kar, bouwgereedschappen, enz.Uit denNewberry Sentinel:Verkooping.De ondergeteekende zal den 15den dezer verkoopen op de plantage waar hij resideert, gelegen op elf mijlen afstands van de stad Newberry en nabij den Laurens-spoorweg,Twee en twintig jonge, fiksche Negers,waaronder goede landbouwers, huisbedienden en een uitmuntende smid;—ongeveer 1500 bushels koorn, eene hoeveelheid veevoeder, varkens, muilezels, schapen, runderen, huis- en keukengereedschap en andere goederen. Op den dag der veiling zullen de verkoopsvoorwaarden ter lezing liggen.1 December.M. C. Gary.Uit denSouth Carolinian, 21 October 1852:Verkoop van aanzienlijke Goederen.De ondergeteekende, als administrateur op het landgoed van wijlen kolonel T. Randell, zal op Maandag 20 December aanstaande verkoopen al de goederen, tot die bezitting behoorende, bestaande in 56 negers, vee, koorn, voeder, enz., enz. De verkoop zal geschieden ten sterfhuize, aan de Sandy River, 10 mijlen ten westen van Chesterville.Voorwaarden:De negers op een crediet van 12 maanden, met intrest van den dag der verkooping, mits twee goede borgen. Het overige wordt à contant verkocht.2 September.Samuel J. Randell.Men zie ook deNew-Orleans Bee, van 28 October. Op de aankondiging van den verkoop der plantage van wijlen Madeline Lanoux, volgt de lijst der losse goederen:Twaalf slaven, zoo mannen als vrouwen; een kleine, geheel nieuwe schoener; een veerpont; eenige koeijen, kalven, ossen en schapen; eene partij huisraad; een winkelvoorraad bestaande in ijzer- en aardewerk, kruidenierswaren enz.Onderstel nu, dat alle ouders zoo Godsdienstig en welgezind zijn als de heer Jones (iets, dat bij den tegenwoordigen staat van zaken zeker niet te verwachten is), en dat zij hun best doen om het kind in te prenten, dat alle zielen voor het oog van God van gelijke waarde zijn; dat de ziel van den neger evenzeer bemind wordt door Christus en vrijgekocht door zijn bloed, als de ziel van zijn meester: zal men dat kind kunnen nopen, dit te gelooven of er naar te handelen? Zal het gelooven kunnen, dat datgeen, hetwelk hij iedere week geadverteerd ziet met varkens en paarden en veevoeder en oude meubelen, ledikanten, tafels en stoelen, werkelijk een zoo Goddelijk iets is? Wij willen onderstellen, dat het kleine kind een of anderen Godvruchtigen slaaf kent; dat het hem aan de Avondmaalstafel op eene afgezonderde wijze het sacramentele brood en den wijn ziet gebruiken. Het ziet zijn vromen vader en moeder den slaaf als een Christenbroeder bejegenen; zij verzekeren hem dat hij „een erfgenaam van God is, mede-erfgenaam van Jezus Christus;”—en de volgende week ziet het denzelfden man in de courant geadverteerd met varkens, runderen en veevoeder. Kan het kind, dit ziende, bij mogelijkheid geloof slaan aan hetgeen zijne Christelijke ouders hem hebben medegedeeld?Wij hebben tot nog toe alleen gesproken van de gewone advertentiën; maar stel, dat het kind in zekere bepaalde districten woont waar zijn oog moet vallen op aankondigingen van nog meer verlagenden aard. In den Staat Alabamabevat een nieuwsblad, dat aan politiek, letterkunde enopvoedinggewijd is, iedere week de volgende advertentie:Let Wel!De ondergeteekende, een uitmuntend stel honden te zijner beschikking hebbende tot het opsporen en achterhalen van ontvlugte slaven, berigt aan het publiek, dat bij vervolg zijne prijzen voor diensten van dien aard zullen zijn:Voor elken dag jagen of nasporen.2 dollars 50 cents.Voor het achterhalen van elken slaaf10 dollarsVoor een togt van meer dan tien mijlen en het achterhalen van slaven20 dollarsZoo hij ontboden wordt zullen de bovenstaande prijzen contant gevorderd worden. De ondergeteekende woont anderhalve mijl ten zuiden van Dadeville in Alabama.Dadeville, 1 September 1852.B. Black.Deze advertentie valt aan het kind iedere week in het oog. Het blad, waaruit wij haar hebben overgenomen, bevat in zijne mengelingen stukken uit deHousehold Wordsvan Dickens, uit professor Feltons opstel in denChristian Examiner, over de wederzijdsche verhouding der seksen, en een treffend en ridderlijk beroep van den welsprekenden senator Soulé, op de wettige regten der vrouwen. Laten wij nu mogen vragen, daar dit blad ook aan de zaak der opvoeding gewijd is, welke soort van invloed op de opvoeding zoodanige advertentiën hebben? En natuurlijk kan zulk eene inrigting niet bestaan zonder begunstigers. Waar negerjagers advertentiën plaatsen in de bladen, worden ook negerjagten gehouden en honden op het negerzoeken afgerigt; en dit alles geschiedt onder het oog der kinderen. Welke opvoeding is dit nu?Schrijfster dezes heeft een overzigt van de wijze waarop de honden tot dit bedrijf worden afgerigt, ontvangen van een heer, die het op zijne beurt gekregen had van een neger, voor wien dit eene zoo gewone zaak schijnt geweest te zijn, dat hij er met even weinig gevoel over uitweidt, als hadde hij gesproken van eene jagt op wild. De bedoelde opgave is vervat in een brief uit het zuiden der Vereenigde Staten, en luidt aldus:Men moet zeer jonge honden nemen, schier onverschillig van welke soort, want bijna alle zijn er geschikt voor; zij moeten opgesloten worden en mogen geen neger zien, eer zij groot genoeg zijn om onderwezen te worden. Dan leere men ze, een neger na te loopen; hebben zij hem bereikt, dan geve men ze vleesch. De neger moet zoo hard loopen als hij kan en dan in een boom klimmen, ten einde de honden te leeren den vlugteling in een boom te ontdekken; neem dan de schoen van een neger en leer hen den neger vinden, die er eigenaar van is; dan een stuk zijner kleederen, en zoo verder. Men moet vooral zorgen, den neger in een boom te laten klimmen, en den hond te leeren wachten onder den boom en blaffen tot men hem zijn vleesch geeft.Men leze ook de volgende advertentie in hetOuachita Register, gedateerd: „Monroe, Dingsdag avond, 1 Junij 1852”:Negerhonden.De ondergeteekende berigt aan het geëerde publiek van Ouachita en omstreken, dat hij zich gevestigd heeft ongeveer 2½ mijl beoosten John White, aan den weg van Monroe naar Bastrop, en dat hij een fraai stel honden heeft om negers te vangen. Personen, die negers wenschen te doen opvangen, worden uitgenoodigd hem te bezoeken. Hij is steeds aan zijn huis te spreken, zoo hij niet op de negerjagt is, en zelfs dan nog kan men doorgaans in zijne localen informatiën nemen waar hij zich bevindt.Voorwaarden: Vijf dollars per dag wanneer geen spoor aangewezen is. Zoo er wel een spoor is aangewezen, worden vijf en twintig dollars voor het vangen van den slaaf in rekening gebragt.Monroe, 17 Februarij 1852.M. C. Goff.Welnu, maken de in dit hoofdstuk gegevene tafereeltjes niet een goed stelsel van opvoeding uit voor de kinderen van een Christelijk volk? En moet het ons verwonderen, wanneer aldus gevormde kinderen geene wreedheid zien in de slavernij? Kunnen kinderen zich voorstellen, dat wezens, waarop men aldus jagt maakt, even als zij, kinderen van één Hemelschen Vader zijn?Maar stel, de knaap groeit op tot man en woont de zittingen der geregtshoven bij, en hoort schrandere, geleerde mannen van den regterzetel verklaren, dat „het enkel slaan van een slaaf, wanneer het niet vergezeld is gegaan van wreedheid of van poging tot moord, geene overtreding kan genoemd worden.” Stel, dat hij ter zelfder plaatse hoort beslissen, dat geene beleediging of hoon jegens een slaaf vatbaar is voor eene geregtelijke behandeling, tenzij zijne waarde als verhandelbaar eigendom er door mogt verminderd zijn. Stel, dat hij hoort—gelijk in Virginia gebeuren zou—dat de wet de strekking heeft den meester te beschermen, al past hij ook eene wreedaardige, kwaadwillige of overdrevene straf op den slaaf toe. Stel, dat een slaaf vermoord is, en hij nu de regtsgeleerden hoort betoogen, dat dit voor geen moord gehouden kan worden, dewijl een slaaf, in het oog der wet, geen menschelijk wezen is; en dat hij, als de zaak voor een hooger hof gebragt wordt, den regter al zijn talent hoort besteden aan eene uitgewerkte en sierlijke verhandeling, ten bewijze, dat de slaaf een menschelijk wezenis, ten minste evenzeer als een waanzinnige, een onnoozele of een ongeboren kind, en dat hij dus vermoord kan worden. (Zie de redevoering van den regter Clarke, blz. 175). Stel, dat hij ziet, dat de geheele werking der wet, met opzigt tot den slaaf, uitgaat van het denkbeeld, dat deze volstrekt niets anders is dan een baal koopwaren. Stel, dat hij zulke taal hoore als de volgende, die in het proces van Brazealle voorkomt en die een niet onaardig staaltje is van de wijze waarop zoodanige onderwerpen doorgaans besproken worden: „De slaaf heeft geen meerdere politieke regten, geen meerder regt om eigendommen te koopen, te bezitten of over te dragen, dan de muilezel regt heeft op den ploeg; hij zelf is niets dan roerend goed, dat altijd iemand tot eigenaar moet hebben.” Stel, dat hij in de wets-verzamelingen bepalingen vinde als de volgende, voorkomende in het burgerlijk wetboek van Louisiana:Art. 2500. De gebreken van slaven en dieren worden verdeeld in twee soorten,—gebreken van het ligchaam en gebreken in het karakter.Art. 2501. De ligchaamsgebreken worden onderscheiden in volstrekte en betrekkelijke.Art. 2502. De volstrekte gebreken der slaven zijn: melaatschheid, krankzinnigheid en vallende ziekte.Art. 2503. De volstrekte gebreken van paarden en muilezels zijn: aamborstigheid, de droes en kreupelheid.De indruk van deze taal op het jeugdige gemoed is te sterker, omdat het niet is de uitbarsting van drift, of de taal der minachting, maar eene kalme, regt op de zaak afgaande wettelijke bepaling.Welk een gevoel moet het te weeg brengen bij den jongman, wanneer hij ontwaart dat, hoe afgrijselijk en welbewezen de moord van een slaaf ook zij, de moordenaar zonder uitzondering zijne straf ontgaat; en dat, ofschoon de gevallen, waarin een slaaf het slagtoffer is geworden van een blanke, veelvuldig zijn, het voorbeeld van eene teregtstelling wegens zulk eene misdaad, in den lande bijna onbekend is. Komt dit alles niet juist neder op de schatting der waarde van het leven en geluk eens negers, hetwelk Frederik Douglass zegt, dat door de blanke knapen, bij welke hij groot gebragt werd, uitgedrukt werd met het spreekwoord: „’t Kost zes stuivers om een neger te dooden, en nog zes stuivers om hem te begraven!”De soort van openbare meening, die door deze wijze van opvoeding gevormd wordt, blijkt uit het volgende artikeltje, hetwelk wij uit denCambridge Democrat, van 27 October 1852, overnemen. Dat blad had het aan denWoodville Republican, van Mississippi, ontleend. Het schijnt, dat zekere Josua Johns een slaaf gedood had en daarvoor tot twee jaar cellulaire gevangenis veroordeeld was. DeRepublicanbetreurt zijn droevig lot in de volgende bewoordingen:De Staat tegen Josua Johns.Dit geding is uitgeloopen op de veroordeeling van Johns tot twee jaar cellulaire gevangenis. Ofschoon alle leden der jury, de balie en velen van het publiek eene petitie aan den gouverneur gezonden hebben om Johns vrij te stellen, was evenwel geene feil te vinden in het verdict van de jury. De jeugdige jaren van Johns en de omstandigheden onder welke hij den manslag bedreef, wekten de algemeene sympathie voor hem op. Er is geen twijfel, dat de neger dooronbeschaamde taal hem tot de daad tergde; maar hoe dikwijls moet gezegd worden, dat woorden geene dadelijkheden kunnen verontschuldigen? Met leedwezen moeten wij zeggen, dat ervelenzijn, diedenken, dat zij evenzeer regt hebben om een neger, die hen beleedigt of ontvlugt, dood te schieten, als om een hond neder te vellen; doch er bestaan wetten ter bescherming van den slaaf, evenzeer als van den meester, en hoe eerderde bovengemelde dwaling uit den weg wordt geruimd, des te beter zal het voor de betrokkenen zijn.De ongelukkige jongman, die thans den arm der wet over zich gebragt heeft, had ongetwijfeld geen begrip van het bestaan van zulk eene straf; en al ware hij er ook van bewust geweest, dan moeten de herhaalde beleedigingen en tartingen van den neger gewis als verzachtende omstandigheden in zijn voordeel aangemerkt worden. Johns werd verdedigd door den heer I. D. Gildart, die voorzeker al het mogelijke voor hem gedaan heeft.DeDemocratlaat er op volgen:Met bijzonder genoegen vernemen wij van den heer Curry, onder-sheriff van Wilkinson County, dat de gouverneur aan Johns kwijtschelding van straf verleend heeft.Wij geven gaarne toe, dat Johns niet al te streng kan gegispt worden voor de bovengemelde dwaling, van te denken, dat men even straffeloos een neger als een hond mag nederschieten. Hij is opgevoed in een stand van zaken, waarvan eene dergelijke meening het noodwendig gevolg moet wezen; en hij, persoonlijk, is verreweg minder schuldig, dan diegenen, die het stelsel van wetten en de wijze van opvoeding handhaven, die de jongelieden uit de zuidelijke Staten regtstreeks tot deze gevolgtrekking brengen. Johns kan even edel van hart en van nature even regtvaardig-gezind zijn als eenig jongman ter wereld; maar het afgrijselijke stelsel, onder hetwelk hij is groot gebragt, heeft hem onbekwaam gemaakt om te onderscheiden wat edelmoedigheid en regtvaardigheid met betrekking tot een neger is.De openbare meening in de slavenhoudende Staten is de meening van lieden die aldus zijn opgevoed, een gevoel dat in alles, wat den neger betreft, verstompt is en ontzenuwd. Wat hun, wanneer het blanken gold, een verschrikkelijk onregtzou toeschijnen, is eene zaak die van zelf schijnt te spreken, wanneer slaven er mede gemoeid zijn.Naarmate deze strekking der opvoeding van geslacht op geslacht afdaalt, wordt het zedelijk gevoel bij voortduring stomper, en het vermogen om regt van onregt, waar het onderworpen ras in het spel komt, te onderscheiden, meer en meer verzwakt.Zoo wij een blik slaan in de geschriften van de uitstekende mannen, die omstreeks den tijd onzer Amerikaansche omwenteling slavenhouders waren, welke opgeklaarde denkbeelden vinden wij daar dan niet over de onregtmatigheid der slavernij, welke krachtige woorden van afkeuring passen zij er niet op toe! Bij mogelijkheid zou men zich niet sterker over de kwade werking van het stelsel kunnen uitlaten, dan door de woorden aan te halen van mannen als Washington, Jefferson en Patrick Henry. In die dagen waren er geen mannen van hun verheven verstand, die er aan dachten, de slavernij uit beginsel te verdedigen; thans is er een overvloed van uitstekende lieden, in het Noorden en Zuiden, staatslieden, ambtenaren, letterkundigen, zelfs geestelijken, die het stelsel in verschillende mate pogen voor te staan, te verzachten of openlijk te verdedigen. En welke andere oorzaak is hiervoor te bedenken, dan dat de opvoeding de openbare meening bedorven en die mannen beroofd heeft van het vermogen om een onbevangen oordeel te vellen?De openbare meening zelfs van het vrije Amerika staat, met opzigt tot de slavernij, achter bij die van alle andere beschaafde natiën.Wanneer de slavenhouders beweren, dat de slaven, over het algemeen, menschelijk behandeld worden, wat bedoelen zij dan daarmede? Niet dat zij zulk eene behandeling menschelijk zouden vinden, wanneer zij hun-zelven en hunnen kinderen werd aangedaan—neen, waarlijk niet!—maar dat zij menschelijk isvoor slaven.Zij plaatsen inderdaad den neger beneden de lijn der menschheid en gelijk met die der redelooze dieren, en plooijen dan al hunne begrippen van menschelijkheid in overeenstemming daarmede.Zonder noodzaak zouden zij geen hond of neger een schop geven of hem mishandelen. Zij kunnen een hond vertroetelen endoen het dikwerf een neger. Er zijn menschen geweest, die goedvonden hunne paarden weelderig te huisvesten in marmeren stallen en ze te laten eten uit gebeeldhouwde troggen, maar zij bleven hen desniettemin als paarden beschouwen; en bij al de gemakken, waarmede welgezinde meesters soms den slaaf omringen, is hij voor hen altijd maar een neger, engeenmensch.Hetgeen in dit hoofdstuk gezegd is, en overigens incidenteel blijkt uit al de in dit deel aangehaalde feiten, levert overvloedige bewijzen, dat, niettegenstaande er vele en edele voorbeelden van edelmoedigheid jegens de negers bestaan, en ofschoon het gevoel van den man van eer en de stem der Christelijke liefde allerwege protesteert tegen hetgeen mengevoelteene onmenschelijkheid te zijn, evenwel de openbare meening, die uit het stelsel geboren wordt,noodwendigjammerlijk te kort moet schieten in eenigerhande bescherming der regten van den slaaf. De volgende hoofdstukken zullen aantoonen, gelijk gewis reeds opgekomen is in denkende hoofden, dat de geheele loop der opvoeding het gemoed van den slavenhouder moet verstompen voor den kreet die uit den mond des negers opgaat als zijn medemensch en broeder.
Hoofdstuk II.Hoe de openbare meening door de opvoeding gevormd wordt.In het belangrijk werk van den eerwaarden C. C. Jones, over hetGodsdienstig onderrigt aan de negers te geven, komen eenige zinsneden voor, die zoo bijzonder den invloed der openbare meening, welke wij hebben getracht in het licht te stellen, omschrijven, dat wij niet kunnen nalaten ze over te nemen:Bepaalde begrippen of vooroordeelen ten aanzien van zekere onderwerpen ontspruiten doorgaans uit onzeopvoedingof omstandigheden. Ieder kent hun grooten invloed op oordeelvellingen en gedragslijn, alsmede hoe dikwijls zij gevormd worden zonder dat men er zich van bewust is; zoodat zij, terwijl wij hun bestaan niet vermoeden, opwassen met onzen groei en in kracht toenemen met onze sterkte. Dagelijksche omgang doet mismaaktheid voorkomen als eene gewone leelijkheid. Daarom zijn wij ook niet altijd de beste beoordeelaars van onzen eigen toestand. Een ander kan er bezwaren, of zelfs onbetwistbare gebreken in opmerken, waarvan wij gezegd kunnen worden ons levenslang te naauwernood bewust geweest te zijn. Zoo maakt de gewoonte ook, dat wij euvelen, die bij het eerste aanschouwen onze geheele natuur in opstand bragten en die ons onverdragelijk voorkwamen, zoodanig vergeten, dat wij ze schier niet meer zien. Menschen, die uit den eenen maatschappelijken stand in den anderen overgaan, treffen duizende zaken aan, waaraan zij gelooven zich nimmer te zullen kunnen gewennen; en evenwel, binnen korten tijd verstompt hunne gevoeligheid; zij ondergaan eene verandering, bijna zonder zelven te weten hoe. Zij hebben zich geschikt naar hunne nieuwe omstandigheden en betrekkingen—te Rome zijn zij Romeinen.Thans zullen wij onderzoeken welken invloed eene gedurige aanraking met het slavernij-stelsel op de opvoeding heeft.Neem een kind van een ontvankelijk gemoed en een edel hart, en geef het zijne opvoeding onder den invloed van datstelsel: en op welke wijze zal nu zijn karakter gevormd worden? Eene anecdote, die schrijfster dezes uit den mond eener dame vernam, zal zeker niet ten onpas gerekend worden. Onder de redenen die haar genoopt hadden om haar huisgezin te vestigen op eene plaats, waar het buiten den invloed van het slavenstelsel zou zijn, gaf zij het volgende voorval op: Op zekeren dag een blik uit het raam der kinderkamer naar buiten werpende zag zij haar driejarig dochtertje in haar wagentje zitten, dat met zes of acht jonge negerkinderen, als paarden getuigd, bespannen was. Twee of drie der oudere slaven stonden rondom hunne kleine meesteres, en een van hen gaf haar eene zweep in de hand en voegde haar toe: „Sla er maar goed op, Misse; laat ze draven! ’t Zijn allemaal uwe negers!”Welk eene les van Godsdienst en zedekunde voor dat jeugdige gemoed! De moeder was eene verstandige vrouw, die haar kind nimmer iets dergelijks geleerd zou hebben; maar de staat van slavernij had het in de ziel van elken slaaf gebrand en zoo werd het weder overgeplant op het kind.Zoodra een kind oud genoeg is om de nieuwsbladen te kunnen lezen, ziet het in elke kolom advertentiën als de volgende uit denRichmond Wighen andere bladen:Groote verkoop van Negers, Paarden, Muilezels, Rundvee, enz.Volgens last van het ommegaande hoog-geregtshof van Fluvanna County, zal de ondergeteekende op Dingsdag 30 November en Woensdag 1 December aanstaande, des morgens ten elf ure, ten sterfhuize van wijlen William Galt, bij openbare veiling verkoopen de negers, voorraad enz. van allerlei aard, tot de hoeve behoorende; bestaande in 175 negers,waaronder eenige timmerlieden en smeden,—10 paarden, 33 muilezels, 100 stuks rundvee, 100 schapen, 200 varkens, 1500 vaten koorn, haver, veevoeder enz.; de plantage, en werkgereedschappen van allerlei aard.De negers zullen à contant verkocht worden; de overige artikelen op negen maanden crediet, mits tegen acceptatie en goede borgen.19 October.James Galt,Administrateur van wijlenWilliam Galt.Uit deNashville Gazette,23 November 1852:Groote verkoop van Negers, Muilezels, Rundvee, enz.Op Dingsdag 21 December aanstaande zullen wij op de plantage van wijlen N. A. McNairy, aan den Franklin Turnpike, voor rekening van mevrouw C. B. McNairy, executrice, in openbare veiling aanbiedenVijftig kostbare Negers.Zij zijn goede plantage-negers en zullen bij huisgezinnen verkocht worden. Gegadigden kunnen die negers den dag vóór de veiling bezigtigen.Alsmede, tien sterke werk-muilezels, eenige melkkoeijen en kalven, varkens, 1200 vaten koorn, haver, hooi, veevoeder, enz., twee wagens, eene kar, bouwgereedschappen, enz.Uit denNewberry Sentinel:Verkooping.De ondergeteekende zal den 15den dezer verkoopen op de plantage waar hij resideert, gelegen op elf mijlen afstands van de stad Newberry en nabij den Laurens-spoorweg,Twee en twintig jonge, fiksche Negers,waaronder goede landbouwers, huisbedienden en een uitmuntende smid;—ongeveer 1500 bushels koorn, eene hoeveelheid veevoeder, varkens, muilezels, schapen, runderen, huis- en keukengereedschap en andere goederen. Op den dag der veiling zullen de verkoopsvoorwaarden ter lezing liggen.1 December.M. C. Gary.Uit denSouth Carolinian, 21 October 1852:Verkoop van aanzienlijke Goederen.De ondergeteekende, als administrateur op het landgoed van wijlen kolonel T. Randell, zal op Maandag 20 December aanstaande verkoopen al de goederen, tot die bezitting behoorende, bestaande in 56 negers, vee, koorn, voeder, enz., enz. De verkoop zal geschieden ten sterfhuize, aan de Sandy River, 10 mijlen ten westen van Chesterville.Voorwaarden:De negers op een crediet van 12 maanden, met intrest van den dag der verkooping, mits twee goede borgen. Het overige wordt à contant verkocht.2 September.Samuel J. Randell.Men zie ook deNew-Orleans Bee, van 28 October. Op de aankondiging van den verkoop der plantage van wijlen Madeline Lanoux, volgt de lijst der losse goederen:Twaalf slaven, zoo mannen als vrouwen; een kleine, geheel nieuwe schoener; een veerpont; eenige koeijen, kalven, ossen en schapen; eene partij huisraad; een winkelvoorraad bestaande in ijzer- en aardewerk, kruidenierswaren enz.Onderstel nu, dat alle ouders zoo Godsdienstig en welgezind zijn als de heer Jones (iets, dat bij den tegenwoordigen staat van zaken zeker niet te verwachten is), en dat zij hun best doen om het kind in te prenten, dat alle zielen voor het oog van God van gelijke waarde zijn; dat de ziel van den neger evenzeer bemind wordt door Christus en vrijgekocht door zijn bloed, als de ziel van zijn meester: zal men dat kind kunnen nopen, dit te gelooven of er naar te handelen? Zal het gelooven kunnen, dat datgeen, hetwelk hij iedere week geadverteerd ziet met varkens en paarden en veevoeder en oude meubelen, ledikanten, tafels en stoelen, werkelijk een zoo Goddelijk iets is? Wij willen onderstellen, dat het kleine kind een of anderen Godvruchtigen slaaf kent; dat het hem aan de Avondmaalstafel op eene afgezonderde wijze het sacramentele brood en den wijn ziet gebruiken. Het ziet zijn vromen vader en moeder den slaaf als een Christenbroeder bejegenen; zij verzekeren hem dat hij „een erfgenaam van God is, mede-erfgenaam van Jezus Christus;”—en de volgende week ziet het denzelfden man in de courant geadverteerd met varkens, runderen en veevoeder. Kan het kind, dit ziende, bij mogelijkheid geloof slaan aan hetgeen zijne Christelijke ouders hem hebben medegedeeld?Wij hebben tot nog toe alleen gesproken van de gewone advertentiën; maar stel, dat het kind in zekere bepaalde districten woont waar zijn oog moet vallen op aankondigingen van nog meer verlagenden aard. In den Staat Alabamabevat een nieuwsblad, dat aan politiek, letterkunde enopvoedinggewijd is, iedere week de volgende advertentie:Let Wel!De ondergeteekende, een uitmuntend stel honden te zijner beschikking hebbende tot het opsporen en achterhalen van ontvlugte slaven, berigt aan het publiek, dat bij vervolg zijne prijzen voor diensten van dien aard zullen zijn:Voor elken dag jagen of nasporen.2 dollars 50 cents.Voor het achterhalen van elken slaaf10 dollarsVoor een togt van meer dan tien mijlen en het achterhalen van slaven20 dollarsZoo hij ontboden wordt zullen de bovenstaande prijzen contant gevorderd worden. De ondergeteekende woont anderhalve mijl ten zuiden van Dadeville in Alabama.Dadeville, 1 September 1852.B. Black.Deze advertentie valt aan het kind iedere week in het oog. Het blad, waaruit wij haar hebben overgenomen, bevat in zijne mengelingen stukken uit deHousehold Wordsvan Dickens, uit professor Feltons opstel in denChristian Examiner, over de wederzijdsche verhouding der seksen, en een treffend en ridderlijk beroep van den welsprekenden senator Soulé, op de wettige regten der vrouwen. Laten wij nu mogen vragen, daar dit blad ook aan de zaak der opvoeding gewijd is, welke soort van invloed op de opvoeding zoodanige advertentiën hebben? En natuurlijk kan zulk eene inrigting niet bestaan zonder begunstigers. Waar negerjagers advertentiën plaatsen in de bladen, worden ook negerjagten gehouden en honden op het negerzoeken afgerigt; en dit alles geschiedt onder het oog der kinderen. Welke opvoeding is dit nu?Schrijfster dezes heeft een overzigt van de wijze waarop de honden tot dit bedrijf worden afgerigt, ontvangen van een heer, die het op zijne beurt gekregen had van een neger, voor wien dit eene zoo gewone zaak schijnt geweest te zijn, dat hij er met even weinig gevoel over uitweidt, als hadde hij gesproken van eene jagt op wild. De bedoelde opgave is vervat in een brief uit het zuiden der Vereenigde Staten, en luidt aldus:Men moet zeer jonge honden nemen, schier onverschillig van welke soort, want bijna alle zijn er geschikt voor; zij moeten opgesloten worden en mogen geen neger zien, eer zij groot genoeg zijn om onderwezen te worden. Dan leere men ze, een neger na te loopen; hebben zij hem bereikt, dan geve men ze vleesch. De neger moet zoo hard loopen als hij kan en dan in een boom klimmen, ten einde de honden te leeren den vlugteling in een boom te ontdekken; neem dan de schoen van een neger en leer hen den neger vinden, die er eigenaar van is; dan een stuk zijner kleederen, en zoo verder. Men moet vooral zorgen, den neger in een boom te laten klimmen, en den hond te leeren wachten onder den boom en blaffen tot men hem zijn vleesch geeft.Men leze ook de volgende advertentie in hetOuachita Register, gedateerd: „Monroe, Dingsdag avond, 1 Junij 1852”:Negerhonden.De ondergeteekende berigt aan het geëerde publiek van Ouachita en omstreken, dat hij zich gevestigd heeft ongeveer 2½ mijl beoosten John White, aan den weg van Monroe naar Bastrop, en dat hij een fraai stel honden heeft om negers te vangen. Personen, die negers wenschen te doen opvangen, worden uitgenoodigd hem te bezoeken. Hij is steeds aan zijn huis te spreken, zoo hij niet op de negerjagt is, en zelfs dan nog kan men doorgaans in zijne localen informatiën nemen waar hij zich bevindt.Voorwaarden: Vijf dollars per dag wanneer geen spoor aangewezen is. Zoo er wel een spoor is aangewezen, worden vijf en twintig dollars voor het vangen van den slaaf in rekening gebragt.Monroe, 17 Februarij 1852.M. C. Goff.Welnu, maken de in dit hoofdstuk gegevene tafereeltjes niet een goed stelsel van opvoeding uit voor de kinderen van een Christelijk volk? En moet het ons verwonderen, wanneer aldus gevormde kinderen geene wreedheid zien in de slavernij? Kunnen kinderen zich voorstellen, dat wezens, waarop men aldus jagt maakt, even als zij, kinderen van één Hemelschen Vader zijn?Maar stel, de knaap groeit op tot man en woont de zittingen der geregtshoven bij, en hoort schrandere, geleerde mannen van den regterzetel verklaren, dat „het enkel slaan van een slaaf, wanneer het niet vergezeld is gegaan van wreedheid of van poging tot moord, geene overtreding kan genoemd worden.” Stel, dat hij ter zelfder plaatse hoort beslissen, dat geene beleediging of hoon jegens een slaaf vatbaar is voor eene geregtelijke behandeling, tenzij zijne waarde als verhandelbaar eigendom er door mogt verminderd zijn. Stel, dat hij hoort—gelijk in Virginia gebeuren zou—dat de wet de strekking heeft den meester te beschermen, al past hij ook eene wreedaardige, kwaadwillige of overdrevene straf op den slaaf toe. Stel, dat een slaaf vermoord is, en hij nu de regtsgeleerden hoort betoogen, dat dit voor geen moord gehouden kan worden, dewijl een slaaf, in het oog der wet, geen menschelijk wezen is; en dat hij, als de zaak voor een hooger hof gebragt wordt, den regter al zijn talent hoort besteden aan eene uitgewerkte en sierlijke verhandeling, ten bewijze, dat de slaaf een menschelijk wezenis, ten minste evenzeer als een waanzinnige, een onnoozele of een ongeboren kind, en dat hij dus vermoord kan worden. (Zie de redevoering van den regter Clarke, blz. 175). Stel, dat hij ziet, dat de geheele werking der wet, met opzigt tot den slaaf, uitgaat van het denkbeeld, dat deze volstrekt niets anders is dan een baal koopwaren. Stel, dat hij zulke taal hoore als de volgende, die in het proces van Brazealle voorkomt en die een niet onaardig staaltje is van de wijze waarop zoodanige onderwerpen doorgaans besproken worden: „De slaaf heeft geen meerdere politieke regten, geen meerder regt om eigendommen te koopen, te bezitten of over te dragen, dan de muilezel regt heeft op den ploeg; hij zelf is niets dan roerend goed, dat altijd iemand tot eigenaar moet hebben.” Stel, dat hij in de wets-verzamelingen bepalingen vinde als de volgende, voorkomende in het burgerlijk wetboek van Louisiana:Art. 2500. De gebreken van slaven en dieren worden verdeeld in twee soorten,—gebreken van het ligchaam en gebreken in het karakter.Art. 2501. De ligchaamsgebreken worden onderscheiden in volstrekte en betrekkelijke.Art. 2502. De volstrekte gebreken der slaven zijn: melaatschheid, krankzinnigheid en vallende ziekte.Art. 2503. De volstrekte gebreken van paarden en muilezels zijn: aamborstigheid, de droes en kreupelheid.De indruk van deze taal op het jeugdige gemoed is te sterker, omdat het niet is de uitbarsting van drift, of de taal der minachting, maar eene kalme, regt op de zaak afgaande wettelijke bepaling.Welk een gevoel moet het te weeg brengen bij den jongman, wanneer hij ontwaart dat, hoe afgrijselijk en welbewezen de moord van een slaaf ook zij, de moordenaar zonder uitzondering zijne straf ontgaat; en dat, ofschoon de gevallen, waarin een slaaf het slagtoffer is geworden van een blanke, veelvuldig zijn, het voorbeeld van eene teregtstelling wegens zulk eene misdaad, in den lande bijna onbekend is. Komt dit alles niet juist neder op de schatting der waarde van het leven en geluk eens negers, hetwelk Frederik Douglass zegt, dat door de blanke knapen, bij welke hij groot gebragt werd, uitgedrukt werd met het spreekwoord: „’t Kost zes stuivers om een neger te dooden, en nog zes stuivers om hem te begraven!”De soort van openbare meening, die door deze wijze van opvoeding gevormd wordt, blijkt uit het volgende artikeltje, hetwelk wij uit denCambridge Democrat, van 27 October 1852, overnemen. Dat blad had het aan denWoodville Republican, van Mississippi, ontleend. Het schijnt, dat zekere Josua Johns een slaaf gedood had en daarvoor tot twee jaar cellulaire gevangenis veroordeeld was. DeRepublicanbetreurt zijn droevig lot in de volgende bewoordingen:De Staat tegen Josua Johns.Dit geding is uitgeloopen op de veroordeeling van Johns tot twee jaar cellulaire gevangenis. Ofschoon alle leden der jury, de balie en velen van het publiek eene petitie aan den gouverneur gezonden hebben om Johns vrij te stellen, was evenwel geene feil te vinden in het verdict van de jury. De jeugdige jaren van Johns en de omstandigheden onder welke hij den manslag bedreef, wekten de algemeene sympathie voor hem op. Er is geen twijfel, dat de neger dooronbeschaamde taal hem tot de daad tergde; maar hoe dikwijls moet gezegd worden, dat woorden geene dadelijkheden kunnen verontschuldigen? Met leedwezen moeten wij zeggen, dat ervelenzijn, diedenken, dat zij evenzeer regt hebben om een neger, die hen beleedigt of ontvlugt, dood te schieten, als om een hond neder te vellen; doch er bestaan wetten ter bescherming van den slaaf, evenzeer als van den meester, en hoe eerderde bovengemelde dwaling uit den weg wordt geruimd, des te beter zal het voor de betrokkenen zijn.De ongelukkige jongman, die thans den arm der wet over zich gebragt heeft, had ongetwijfeld geen begrip van het bestaan van zulk eene straf; en al ware hij er ook van bewust geweest, dan moeten de herhaalde beleedigingen en tartingen van den neger gewis als verzachtende omstandigheden in zijn voordeel aangemerkt worden. Johns werd verdedigd door den heer I. D. Gildart, die voorzeker al het mogelijke voor hem gedaan heeft.DeDemocratlaat er op volgen:Met bijzonder genoegen vernemen wij van den heer Curry, onder-sheriff van Wilkinson County, dat de gouverneur aan Johns kwijtschelding van straf verleend heeft.Wij geven gaarne toe, dat Johns niet al te streng kan gegispt worden voor de bovengemelde dwaling, van te denken, dat men even straffeloos een neger als een hond mag nederschieten. Hij is opgevoed in een stand van zaken, waarvan eene dergelijke meening het noodwendig gevolg moet wezen; en hij, persoonlijk, is verreweg minder schuldig, dan diegenen, die het stelsel van wetten en de wijze van opvoeding handhaven, die de jongelieden uit de zuidelijke Staten regtstreeks tot deze gevolgtrekking brengen. Johns kan even edel van hart en van nature even regtvaardig-gezind zijn als eenig jongman ter wereld; maar het afgrijselijke stelsel, onder hetwelk hij is groot gebragt, heeft hem onbekwaam gemaakt om te onderscheiden wat edelmoedigheid en regtvaardigheid met betrekking tot een neger is.De openbare meening in de slavenhoudende Staten is de meening van lieden die aldus zijn opgevoed, een gevoel dat in alles, wat den neger betreft, verstompt is en ontzenuwd. Wat hun, wanneer het blanken gold, een verschrikkelijk onregtzou toeschijnen, is eene zaak die van zelf schijnt te spreken, wanneer slaven er mede gemoeid zijn.Naarmate deze strekking der opvoeding van geslacht op geslacht afdaalt, wordt het zedelijk gevoel bij voortduring stomper, en het vermogen om regt van onregt, waar het onderworpen ras in het spel komt, te onderscheiden, meer en meer verzwakt.Zoo wij een blik slaan in de geschriften van de uitstekende mannen, die omstreeks den tijd onzer Amerikaansche omwenteling slavenhouders waren, welke opgeklaarde denkbeelden vinden wij daar dan niet over de onregtmatigheid der slavernij, welke krachtige woorden van afkeuring passen zij er niet op toe! Bij mogelijkheid zou men zich niet sterker over de kwade werking van het stelsel kunnen uitlaten, dan door de woorden aan te halen van mannen als Washington, Jefferson en Patrick Henry. In die dagen waren er geen mannen van hun verheven verstand, die er aan dachten, de slavernij uit beginsel te verdedigen; thans is er een overvloed van uitstekende lieden, in het Noorden en Zuiden, staatslieden, ambtenaren, letterkundigen, zelfs geestelijken, die het stelsel in verschillende mate pogen voor te staan, te verzachten of openlijk te verdedigen. En welke andere oorzaak is hiervoor te bedenken, dan dat de opvoeding de openbare meening bedorven en die mannen beroofd heeft van het vermogen om een onbevangen oordeel te vellen?De openbare meening zelfs van het vrije Amerika staat, met opzigt tot de slavernij, achter bij die van alle andere beschaafde natiën.Wanneer de slavenhouders beweren, dat de slaven, over het algemeen, menschelijk behandeld worden, wat bedoelen zij dan daarmede? Niet dat zij zulk eene behandeling menschelijk zouden vinden, wanneer zij hun-zelven en hunnen kinderen werd aangedaan—neen, waarlijk niet!—maar dat zij menschelijk isvoor slaven.Zij plaatsen inderdaad den neger beneden de lijn der menschheid en gelijk met die der redelooze dieren, en plooijen dan al hunne begrippen van menschelijkheid in overeenstemming daarmede.Zonder noodzaak zouden zij geen hond of neger een schop geven of hem mishandelen. Zij kunnen een hond vertroetelen endoen het dikwerf een neger. Er zijn menschen geweest, die goedvonden hunne paarden weelderig te huisvesten in marmeren stallen en ze te laten eten uit gebeeldhouwde troggen, maar zij bleven hen desniettemin als paarden beschouwen; en bij al de gemakken, waarmede welgezinde meesters soms den slaaf omringen, is hij voor hen altijd maar een neger, engeenmensch.Hetgeen in dit hoofdstuk gezegd is, en overigens incidenteel blijkt uit al de in dit deel aangehaalde feiten, levert overvloedige bewijzen, dat, niettegenstaande er vele en edele voorbeelden van edelmoedigheid jegens de negers bestaan, en ofschoon het gevoel van den man van eer en de stem der Christelijke liefde allerwege protesteert tegen hetgeen mengevoelteene onmenschelijkheid te zijn, evenwel de openbare meening, die uit het stelsel geboren wordt,noodwendigjammerlijk te kort moet schieten in eenigerhande bescherming der regten van den slaaf. De volgende hoofdstukken zullen aantoonen, gelijk gewis reeds opgekomen is in denkende hoofden, dat de geheele loop der opvoeding het gemoed van den slavenhouder moet verstompen voor den kreet die uit den mond des negers opgaat als zijn medemensch en broeder.
Hoofdstuk II.Hoe de openbare meening door de opvoeding gevormd wordt.In het belangrijk werk van den eerwaarden C. C. Jones, over hetGodsdienstig onderrigt aan de negers te geven, komen eenige zinsneden voor, die zoo bijzonder den invloed der openbare meening, welke wij hebben getracht in het licht te stellen, omschrijven, dat wij niet kunnen nalaten ze over te nemen:Bepaalde begrippen of vooroordeelen ten aanzien van zekere onderwerpen ontspruiten doorgaans uit onzeopvoedingof omstandigheden. Ieder kent hun grooten invloed op oordeelvellingen en gedragslijn, alsmede hoe dikwijls zij gevormd worden zonder dat men er zich van bewust is; zoodat zij, terwijl wij hun bestaan niet vermoeden, opwassen met onzen groei en in kracht toenemen met onze sterkte. Dagelijksche omgang doet mismaaktheid voorkomen als eene gewone leelijkheid. Daarom zijn wij ook niet altijd de beste beoordeelaars van onzen eigen toestand. Een ander kan er bezwaren, of zelfs onbetwistbare gebreken in opmerken, waarvan wij gezegd kunnen worden ons levenslang te naauwernood bewust geweest te zijn. Zoo maakt de gewoonte ook, dat wij euvelen, die bij het eerste aanschouwen onze geheele natuur in opstand bragten en die ons onverdragelijk voorkwamen, zoodanig vergeten, dat wij ze schier niet meer zien. Menschen, die uit den eenen maatschappelijken stand in den anderen overgaan, treffen duizende zaken aan, waaraan zij gelooven zich nimmer te zullen kunnen gewennen; en evenwel, binnen korten tijd verstompt hunne gevoeligheid; zij ondergaan eene verandering, bijna zonder zelven te weten hoe. Zij hebben zich geschikt naar hunne nieuwe omstandigheden en betrekkingen—te Rome zijn zij Romeinen.Thans zullen wij onderzoeken welken invloed eene gedurige aanraking met het slavernij-stelsel op de opvoeding heeft.Neem een kind van een ontvankelijk gemoed en een edel hart, en geef het zijne opvoeding onder den invloed van datstelsel: en op welke wijze zal nu zijn karakter gevormd worden? Eene anecdote, die schrijfster dezes uit den mond eener dame vernam, zal zeker niet ten onpas gerekend worden. Onder de redenen die haar genoopt hadden om haar huisgezin te vestigen op eene plaats, waar het buiten den invloed van het slavenstelsel zou zijn, gaf zij het volgende voorval op: Op zekeren dag een blik uit het raam der kinderkamer naar buiten werpende zag zij haar driejarig dochtertje in haar wagentje zitten, dat met zes of acht jonge negerkinderen, als paarden getuigd, bespannen was. Twee of drie der oudere slaven stonden rondom hunne kleine meesteres, en een van hen gaf haar eene zweep in de hand en voegde haar toe: „Sla er maar goed op, Misse; laat ze draven! ’t Zijn allemaal uwe negers!”Welk eene les van Godsdienst en zedekunde voor dat jeugdige gemoed! De moeder was eene verstandige vrouw, die haar kind nimmer iets dergelijks geleerd zou hebben; maar de staat van slavernij had het in de ziel van elken slaaf gebrand en zoo werd het weder overgeplant op het kind.Zoodra een kind oud genoeg is om de nieuwsbladen te kunnen lezen, ziet het in elke kolom advertentiën als de volgende uit denRichmond Wighen andere bladen:Groote verkoop van Negers, Paarden, Muilezels, Rundvee, enz.Volgens last van het ommegaande hoog-geregtshof van Fluvanna County, zal de ondergeteekende op Dingsdag 30 November en Woensdag 1 December aanstaande, des morgens ten elf ure, ten sterfhuize van wijlen William Galt, bij openbare veiling verkoopen de negers, voorraad enz. van allerlei aard, tot de hoeve behoorende; bestaande in 175 negers,waaronder eenige timmerlieden en smeden,—10 paarden, 33 muilezels, 100 stuks rundvee, 100 schapen, 200 varkens, 1500 vaten koorn, haver, veevoeder enz.; de plantage, en werkgereedschappen van allerlei aard.De negers zullen à contant verkocht worden; de overige artikelen op negen maanden crediet, mits tegen acceptatie en goede borgen.19 October.James Galt,Administrateur van wijlenWilliam Galt.Uit deNashville Gazette,23 November 1852:Groote verkoop van Negers, Muilezels, Rundvee, enz.Op Dingsdag 21 December aanstaande zullen wij op de plantage van wijlen N. A. McNairy, aan den Franklin Turnpike, voor rekening van mevrouw C. B. McNairy, executrice, in openbare veiling aanbiedenVijftig kostbare Negers.Zij zijn goede plantage-negers en zullen bij huisgezinnen verkocht worden. Gegadigden kunnen die negers den dag vóór de veiling bezigtigen.Alsmede, tien sterke werk-muilezels, eenige melkkoeijen en kalven, varkens, 1200 vaten koorn, haver, hooi, veevoeder, enz., twee wagens, eene kar, bouwgereedschappen, enz.Uit denNewberry Sentinel:Verkooping.De ondergeteekende zal den 15den dezer verkoopen op de plantage waar hij resideert, gelegen op elf mijlen afstands van de stad Newberry en nabij den Laurens-spoorweg,Twee en twintig jonge, fiksche Negers,waaronder goede landbouwers, huisbedienden en een uitmuntende smid;—ongeveer 1500 bushels koorn, eene hoeveelheid veevoeder, varkens, muilezels, schapen, runderen, huis- en keukengereedschap en andere goederen. Op den dag der veiling zullen de verkoopsvoorwaarden ter lezing liggen.1 December.M. C. Gary.Uit denSouth Carolinian, 21 October 1852:Verkoop van aanzienlijke Goederen.De ondergeteekende, als administrateur op het landgoed van wijlen kolonel T. Randell, zal op Maandag 20 December aanstaande verkoopen al de goederen, tot die bezitting behoorende, bestaande in 56 negers, vee, koorn, voeder, enz., enz. De verkoop zal geschieden ten sterfhuize, aan de Sandy River, 10 mijlen ten westen van Chesterville.Voorwaarden:De negers op een crediet van 12 maanden, met intrest van den dag der verkooping, mits twee goede borgen. Het overige wordt à contant verkocht.2 September.Samuel J. Randell.Men zie ook deNew-Orleans Bee, van 28 October. Op de aankondiging van den verkoop der plantage van wijlen Madeline Lanoux, volgt de lijst der losse goederen:Twaalf slaven, zoo mannen als vrouwen; een kleine, geheel nieuwe schoener; een veerpont; eenige koeijen, kalven, ossen en schapen; eene partij huisraad; een winkelvoorraad bestaande in ijzer- en aardewerk, kruidenierswaren enz.Onderstel nu, dat alle ouders zoo Godsdienstig en welgezind zijn als de heer Jones (iets, dat bij den tegenwoordigen staat van zaken zeker niet te verwachten is), en dat zij hun best doen om het kind in te prenten, dat alle zielen voor het oog van God van gelijke waarde zijn; dat de ziel van den neger evenzeer bemind wordt door Christus en vrijgekocht door zijn bloed, als de ziel van zijn meester: zal men dat kind kunnen nopen, dit te gelooven of er naar te handelen? Zal het gelooven kunnen, dat datgeen, hetwelk hij iedere week geadverteerd ziet met varkens en paarden en veevoeder en oude meubelen, ledikanten, tafels en stoelen, werkelijk een zoo Goddelijk iets is? Wij willen onderstellen, dat het kleine kind een of anderen Godvruchtigen slaaf kent; dat het hem aan de Avondmaalstafel op eene afgezonderde wijze het sacramentele brood en den wijn ziet gebruiken. Het ziet zijn vromen vader en moeder den slaaf als een Christenbroeder bejegenen; zij verzekeren hem dat hij „een erfgenaam van God is, mede-erfgenaam van Jezus Christus;”—en de volgende week ziet het denzelfden man in de courant geadverteerd met varkens, runderen en veevoeder. Kan het kind, dit ziende, bij mogelijkheid geloof slaan aan hetgeen zijne Christelijke ouders hem hebben medegedeeld?Wij hebben tot nog toe alleen gesproken van de gewone advertentiën; maar stel, dat het kind in zekere bepaalde districten woont waar zijn oog moet vallen op aankondigingen van nog meer verlagenden aard. In den Staat Alabamabevat een nieuwsblad, dat aan politiek, letterkunde enopvoedinggewijd is, iedere week de volgende advertentie:Let Wel!De ondergeteekende, een uitmuntend stel honden te zijner beschikking hebbende tot het opsporen en achterhalen van ontvlugte slaven, berigt aan het publiek, dat bij vervolg zijne prijzen voor diensten van dien aard zullen zijn:Voor elken dag jagen of nasporen.2 dollars 50 cents.Voor het achterhalen van elken slaaf10 dollarsVoor een togt van meer dan tien mijlen en het achterhalen van slaven20 dollarsZoo hij ontboden wordt zullen de bovenstaande prijzen contant gevorderd worden. De ondergeteekende woont anderhalve mijl ten zuiden van Dadeville in Alabama.Dadeville, 1 September 1852.B. Black.Deze advertentie valt aan het kind iedere week in het oog. Het blad, waaruit wij haar hebben overgenomen, bevat in zijne mengelingen stukken uit deHousehold Wordsvan Dickens, uit professor Feltons opstel in denChristian Examiner, over de wederzijdsche verhouding der seksen, en een treffend en ridderlijk beroep van den welsprekenden senator Soulé, op de wettige regten der vrouwen. Laten wij nu mogen vragen, daar dit blad ook aan de zaak der opvoeding gewijd is, welke soort van invloed op de opvoeding zoodanige advertentiën hebben? En natuurlijk kan zulk eene inrigting niet bestaan zonder begunstigers. Waar negerjagers advertentiën plaatsen in de bladen, worden ook negerjagten gehouden en honden op het negerzoeken afgerigt; en dit alles geschiedt onder het oog der kinderen. Welke opvoeding is dit nu?Schrijfster dezes heeft een overzigt van de wijze waarop de honden tot dit bedrijf worden afgerigt, ontvangen van een heer, die het op zijne beurt gekregen had van een neger, voor wien dit eene zoo gewone zaak schijnt geweest te zijn, dat hij er met even weinig gevoel over uitweidt, als hadde hij gesproken van eene jagt op wild. De bedoelde opgave is vervat in een brief uit het zuiden der Vereenigde Staten, en luidt aldus:Men moet zeer jonge honden nemen, schier onverschillig van welke soort, want bijna alle zijn er geschikt voor; zij moeten opgesloten worden en mogen geen neger zien, eer zij groot genoeg zijn om onderwezen te worden. Dan leere men ze, een neger na te loopen; hebben zij hem bereikt, dan geve men ze vleesch. De neger moet zoo hard loopen als hij kan en dan in een boom klimmen, ten einde de honden te leeren den vlugteling in een boom te ontdekken; neem dan de schoen van een neger en leer hen den neger vinden, die er eigenaar van is; dan een stuk zijner kleederen, en zoo verder. Men moet vooral zorgen, den neger in een boom te laten klimmen, en den hond te leeren wachten onder den boom en blaffen tot men hem zijn vleesch geeft.Men leze ook de volgende advertentie in hetOuachita Register, gedateerd: „Monroe, Dingsdag avond, 1 Junij 1852”:Negerhonden.De ondergeteekende berigt aan het geëerde publiek van Ouachita en omstreken, dat hij zich gevestigd heeft ongeveer 2½ mijl beoosten John White, aan den weg van Monroe naar Bastrop, en dat hij een fraai stel honden heeft om negers te vangen. Personen, die negers wenschen te doen opvangen, worden uitgenoodigd hem te bezoeken. Hij is steeds aan zijn huis te spreken, zoo hij niet op de negerjagt is, en zelfs dan nog kan men doorgaans in zijne localen informatiën nemen waar hij zich bevindt.Voorwaarden: Vijf dollars per dag wanneer geen spoor aangewezen is. Zoo er wel een spoor is aangewezen, worden vijf en twintig dollars voor het vangen van den slaaf in rekening gebragt.Monroe, 17 Februarij 1852.M. C. Goff.Welnu, maken de in dit hoofdstuk gegevene tafereeltjes niet een goed stelsel van opvoeding uit voor de kinderen van een Christelijk volk? En moet het ons verwonderen, wanneer aldus gevormde kinderen geene wreedheid zien in de slavernij? Kunnen kinderen zich voorstellen, dat wezens, waarop men aldus jagt maakt, even als zij, kinderen van één Hemelschen Vader zijn?Maar stel, de knaap groeit op tot man en woont de zittingen der geregtshoven bij, en hoort schrandere, geleerde mannen van den regterzetel verklaren, dat „het enkel slaan van een slaaf, wanneer het niet vergezeld is gegaan van wreedheid of van poging tot moord, geene overtreding kan genoemd worden.” Stel, dat hij ter zelfder plaatse hoort beslissen, dat geene beleediging of hoon jegens een slaaf vatbaar is voor eene geregtelijke behandeling, tenzij zijne waarde als verhandelbaar eigendom er door mogt verminderd zijn. Stel, dat hij hoort—gelijk in Virginia gebeuren zou—dat de wet de strekking heeft den meester te beschermen, al past hij ook eene wreedaardige, kwaadwillige of overdrevene straf op den slaaf toe. Stel, dat een slaaf vermoord is, en hij nu de regtsgeleerden hoort betoogen, dat dit voor geen moord gehouden kan worden, dewijl een slaaf, in het oog der wet, geen menschelijk wezen is; en dat hij, als de zaak voor een hooger hof gebragt wordt, den regter al zijn talent hoort besteden aan eene uitgewerkte en sierlijke verhandeling, ten bewijze, dat de slaaf een menschelijk wezenis, ten minste evenzeer als een waanzinnige, een onnoozele of een ongeboren kind, en dat hij dus vermoord kan worden. (Zie de redevoering van den regter Clarke, blz. 175). Stel, dat hij ziet, dat de geheele werking der wet, met opzigt tot den slaaf, uitgaat van het denkbeeld, dat deze volstrekt niets anders is dan een baal koopwaren. Stel, dat hij zulke taal hoore als de volgende, die in het proces van Brazealle voorkomt en die een niet onaardig staaltje is van de wijze waarop zoodanige onderwerpen doorgaans besproken worden: „De slaaf heeft geen meerdere politieke regten, geen meerder regt om eigendommen te koopen, te bezitten of over te dragen, dan de muilezel regt heeft op den ploeg; hij zelf is niets dan roerend goed, dat altijd iemand tot eigenaar moet hebben.” Stel, dat hij in de wets-verzamelingen bepalingen vinde als de volgende, voorkomende in het burgerlijk wetboek van Louisiana:Art. 2500. De gebreken van slaven en dieren worden verdeeld in twee soorten,—gebreken van het ligchaam en gebreken in het karakter.Art. 2501. De ligchaamsgebreken worden onderscheiden in volstrekte en betrekkelijke.Art. 2502. De volstrekte gebreken der slaven zijn: melaatschheid, krankzinnigheid en vallende ziekte.Art. 2503. De volstrekte gebreken van paarden en muilezels zijn: aamborstigheid, de droes en kreupelheid.De indruk van deze taal op het jeugdige gemoed is te sterker, omdat het niet is de uitbarsting van drift, of de taal der minachting, maar eene kalme, regt op de zaak afgaande wettelijke bepaling.Welk een gevoel moet het te weeg brengen bij den jongman, wanneer hij ontwaart dat, hoe afgrijselijk en welbewezen de moord van een slaaf ook zij, de moordenaar zonder uitzondering zijne straf ontgaat; en dat, ofschoon de gevallen, waarin een slaaf het slagtoffer is geworden van een blanke, veelvuldig zijn, het voorbeeld van eene teregtstelling wegens zulk eene misdaad, in den lande bijna onbekend is. Komt dit alles niet juist neder op de schatting der waarde van het leven en geluk eens negers, hetwelk Frederik Douglass zegt, dat door de blanke knapen, bij welke hij groot gebragt werd, uitgedrukt werd met het spreekwoord: „’t Kost zes stuivers om een neger te dooden, en nog zes stuivers om hem te begraven!”De soort van openbare meening, die door deze wijze van opvoeding gevormd wordt, blijkt uit het volgende artikeltje, hetwelk wij uit denCambridge Democrat, van 27 October 1852, overnemen. Dat blad had het aan denWoodville Republican, van Mississippi, ontleend. Het schijnt, dat zekere Josua Johns een slaaf gedood had en daarvoor tot twee jaar cellulaire gevangenis veroordeeld was. DeRepublicanbetreurt zijn droevig lot in de volgende bewoordingen:De Staat tegen Josua Johns.Dit geding is uitgeloopen op de veroordeeling van Johns tot twee jaar cellulaire gevangenis. Ofschoon alle leden der jury, de balie en velen van het publiek eene petitie aan den gouverneur gezonden hebben om Johns vrij te stellen, was evenwel geene feil te vinden in het verdict van de jury. De jeugdige jaren van Johns en de omstandigheden onder welke hij den manslag bedreef, wekten de algemeene sympathie voor hem op. Er is geen twijfel, dat de neger dooronbeschaamde taal hem tot de daad tergde; maar hoe dikwijls moet gezegd worden, dat woorden geene dadelijkheden kunnen verontschuldigen? Met leedwezen moeten wij zeggen, dat ervelenzijn, diedenken, dat zij evenzeer regt hebben om een neger, die hen beleedigt of ontvlugt, dood te schieten, als om een hond neder te vellen; doch er bestaan wetten ter bescherming van den slaaf, evenzeer als van den meester, en hoe eerderde bovengemelde dwaling uit den weg wordt geruimd, des te beter zal het voor de betrokkenen zijn.De ongelukkige jongman, die thans den arm der wet over zich gebragt heeft, had ongetwijfeld geen begrip van het bestaan van zulk eene straf; en al ware hij er ook van bewust geweest, dan moeten de herhaalde beleedigingen en tartingen van den neger gewis als verzachtende omstandigheden in zijn voordeel aangemerkt worden. Johns werd verdedigd door den heer I. D. Gildart, die voorzeker al het mogelijke voor hem gedaan heeft.DeDemocratlaat er op volgen:Met bijzonder genoegen vernemen wij van den heer Curry, onder-sheriff van Wilkinson County, dat de gouverneur aan Johns kwijtschelding van straf verleend heeft.Wij geven gaarne toe, dat Johns niet al te streng kan gegispt worden voor de bovengemelde dwaling, van te denken, dat men even straffeloos een neger als een hond mag nederschieten. Hij is opgevoed in een stand van zaken, waarvan eene dergelijke meening het noodwendig gevolg moet wezen; en hij, persoonlijk, is verreweg minder schuldig, dan diegenen, die het stelsel van wetten en de wijze van opvoeding handhaven, die de jongelieden uit de zuidelijke Staten regtstreeks tot deze gevolgtrekking brengen. Johns kan even edel van hart en van nature even regtvaardig-gezind zijn als eenig jongman ter wereld; maar het afgrijselijke stelsel, onder hetwelk hij is groot gebragt, heeft hem onbekwaam gemaakt om te onderscheiden wat edelmoedigheid en regtvaardigheid met betrekking tot een neger is.De openbare meening in de slavenhoudende Staten is de meening van lieden die aldus zijn opgevoed, een gevoel dat in alles, wat den neger betreft, verstompt is en ontzenuwd. Wat hun, wanneer het blanken gold, een verschrikkelijk onregtzou toeschijnen, is eene zaak die van zelf schijnt te spreken, wanneer slaven er mede gemoeid zijn.Naarmate deze strekking der opvoeding van geslacht op geslacht afdaalt, wordt het zedelijk gevoel bij voortduring stomper, en het vermogen om regt van onregt, waar het onderworpen ras in het spel komt, te onderscheiden, meer en meer verzwakt.Zoo wij een blik slaan in de geschriften van de uitstekende mannen, die omstreeks den tijd onzer Amerikaansche omwenteling slavenhouders waren, welke opgeklaarde denkbeelden vinden wij daar dan niet over de onregtmatigheid der slavernij, welke krachtige woorden van afkeuring passen zij er niet op toe! Bij mogelijkheid zou men zich niet sterker over de kwade werking van het stelsel kunnen uitlaten, dan door de woorden aan te halen van mannen als Washington, Jefferson en Patrick Henry. In die dagen waren er geen mannen van hun verheven verstand, die er aan dachten, de slavernij uit beginsel te verdedigen; thans is er een overvloed van uitstekende lieden, in het Noorden en Zuiden, staatslieden, ambtenaren, letterkundigen, zelfs geestelijken, die het stelsel in verschillende mate pogen voor te staan, te verzachten of openlijk te verdedigen. En welke andere oorzaak is hiervoor te bedenken, dan dat de opvoeding de openbare meening bedorven en die mannen beroofd heeft van het vermogen om een onbevangen oordeel te vellen?De openbare meening zelfs van het vrije Amerika staat, met opzigt tot de slavernij, achter bij die van alle andere beschaafde natiën.Wanneer de slavenhouders beweren, dat de slaven, over het algemeen, menschelijk behandeld worden, wat bedoelen zij dan daarmede? Niet dat zij zulk eene behandeling menschelijk zouden vinden, wanneer zij hun-zelven en hunnen kinderen werd aangedaan—neen, waarlijk niet!—maar dat zij menschelijk isvoor slaven.Zij plaatsen inderdaad den neger beneden de lijn der menschheid en gelijk met die der redelooze dieren, en plooijen dan al hunne begrippen van menschelijkheid in overeenstemming daarmede.Zonder noodzaak zouden zij geen hond of neger een schop geven of hem mishandelen. Zij kunnen een hond vertroetelen endoen het dikwerf een neger. Er zijn menschen geweest, die goedvonden hunne paarden weelderig te huisvesten in marmeren stallen en ze te laten eten uit gebeeldhouwde troggen, maar zij bleven hen desniettemin als paarden beschouwen; en bij al de gemakken, waarmede welgezinde meesters soms den slaaf omringen, is hij voor hen altijd maar een neger, engeenmensch.Hetgeen in dit hoofdstuk gezegd is, en overigens incidenteel blijkt uit al de in dit deel aangehaalde feiten, levert overvloedige bewijzen, dat, niettegenstaande er vele en edele voorbeelden van edelmoedigheid jegens de negers bestaan, en ofschoon het gevoel van den man van eer en de stem der Christelijke liefde allerwege protesteert tegen hetgeen mengevoelteene onmenschelijkheid te zijn, evenwel de openbare meening, die uit het stelsel geboren wordt,noodwendigjammerlijk te kort moet schieten in eenigerhande bescherming der regten van den slaaf. De volgende hoofdstukken zullen aantoonen, gelijk gewis reeds opgekomen is in denkende hoofden, dat de geheele loop der opvoeding het gemoed van den slavenhouder moet verstompen voor den kreet die uit den mond des negers opgaat als zijn medemensch en broeder.
Hoofdstuk II.Hoe de openbare meening door de opvoeding gevormd wordt.
In het belangrijk werk van den eerwaarden C. C. Jones, over hetGodsdienstig onderrigt aan de negers te geven, komen eenige zinsneden voor, die zoo bijzonder den invloed der openbare meening, welke wij hebben getracht in het licht te stellen, omschrijven, dat wij niet kunnen nalaten ze over te nemen:Bepaalde begrippen of vooroordeelen ten aanzien van zekere onderwerpen ontspruiten doorgaans uit onzeopvoedingof omstandigheden. Ieder kent hun grooten invloed op oordeelvellingen en gedragslijn, alsmede hoe dikwijls zij gevormd worden zonder dat men er zich van bewust is; zoodat zij, terwijl wij hun bestaan niet vermoeden, opwassen met onzen groei en in kracht toenemen met onze sterkte. Dagelijksche omgang doet mismaaktheid voorkomen als eene gewone leelijkheid. Daarom zijn wij ook niet altijd de beste beoordeelaars van onzen eigen toestand. Een ander kan er bezwaren, of zelfs onbetwistbare gebreken in opmerken, waarvan wij gezegd kunnen worden ons levenslang te naauwernood bewust geweest te zijn. Zoo maakt de gewoonte ook, dat wij euvelen, die bij het eerste aanschouwen onze geheele natuur in opstand bragten en die ons onverdragelijk voorkwamen, zoodanig vergeten, dat wij ze schier niet meer zien. Menschen, die uit den eenen maatschappelijken stand in den anderen overgaan, treffen duizende zaken aan, waaraan zij gelooven zich nimmer te zullen kunnen gewennen; en evenwel, binnen korten tijd verstompt hunne gevoeligheid; zij ondergaan eene verandering, bijna zonder zelven te weten hoe. Zij hebben zich geschikt naar hunne nieuwe omstandigheden en betrekkingen—te Rome zijn zij Romeinen.Thans zullen wij onderzoeken welken invloed eene gedurige aanraking met het slavernij-stelsel op de opvoeding heeft.Neem een kind van een ontvankelijk gemoed en een edel hart, en geef het zijne opvoeding onder den invloed van datstelsel: en op welke wijze zal nu zijn karakter gevormd worden? Eene anecdote, die schrijfster dezes uit den mond eener dame vernam, zal zeker niet ten onpas gerekend worden. Onder de redenen die haar genoopt hadden om haar huisgezin te vestigen op eene plaats, waar het buiten den invloed van het slavenstelsel zou zijn, gaf zij het volgende voorval op: Op zekeren dag een blik uit het raam der kinderkamer naar buiten werpende zag zij haar driejarig dochtertje in haar wagentje zitten, dat met zes of acht jonge negerkinderen, als paarden getuigd, bespannen was. Twee of drie der oudere slaven stonden rondom hunne kleine meesteres, en een van hen gaf haar eene zweep in de hand en voegde haar toe: „Sla er maar goed op, Misse; laat ze draven! ’t Zijn allemaal uwe negers!”Welk eene les van Godsdienst en zedekunde voor dat jeugdige gemoed! De moeder was eene verstandige vrouw, die haar kind nimmer iets dergelijks geleerd zou hebben; maar de staat van slavernij had het in de ziel van elken slaaf gebrand en zoo werd het weder overgeplant op het kind.Zoodra een kind oud genoeg is om de nieuwsbladen te kunnen lezen, ziet het in elke kolom advertentiën als de volgende uit denRichmond Wighen andere bladen:Groote verkoop van Negers, Paarden, Muilezels, Rundvee, enz.Volgens last van het ommegaande hoog-geregtshof van Fluvanna County, zal de ondergeteekende op Dingsdag 30 November en Woensdag 1 December aanstaande, des morgens ten elf ure, ten sterfhuize van wijlen William Galt, bij openbare veiling verkoopen de negers, voorraad enz. van allerlei aard, tot de hoeve behoorende; bestaande in 175 negers,waaronder eenige timmerlieden en smeden,—10 paarden, 33 muilezels, 100 stuks rundvee, 100 schapen, 200 varkens, 1500 vaten koorn, haver, veevoeder enz.; de plantage, en werkgereedschappen van allerlei aard.De negers zullen à contant verkocht worden; de overige artikelen op negen maanden crediet, mits tegen acceptatie en goede borgen.19 October.James Galt,Administrateur van wijlenWilliam Galt.Uit deNashville Gazette,23 November 1852:Groote verkoop van Negers, Muilezels, Rundvee, enz.Op Dingsdag 21 December aanstaande zullen wij op de plantage van wijlen N. A. McNairy, aan den Franklin Turnpike, voor rekening van mevrouw C. B. McNairy, executrice, in openbare veiling aanbiedenVijftig kostbare Negers.Zij zijn goede plantage-negers en zullen bij huisgezinnen verkocht worden. Gegadigden kunnen die negers den dag vóór de veiling bezigtigen.Alsmede, tien sterke werk-muilezels, eenige melkkoeijen en kalven, varkens, 1200 vaten koorn, haver, hooi, veevoeder, enz., twee wagens, eene kar, bouwgereedschappen, enz.Uit denNewberry Sentinel:Verkooping.De ondergeteekende zal den 15den dezer verkoopen op de plantage waar hij resideert, gelegen op elf mijlen afstands van de stad Newberry en nabij den Laurens-spoorweg,Twee en twintig jonge, fiksche Negers,waaronder goede landbouwers, huisbedienden en een uitmuntende smid;—ongeveer 1500 bushels koorn, eene hoeveelheid veevoeder, varkens, muilezels, schapen, runderen, huis- en keukengereedschap en andere goederen. Op den dag der veiling zullen de verkoopsvoorwaarden ter lezing liggen.1 December.M. C. Gary.Uit denSouth Carolinian, 21 October 1852:Verkoop van aanzienlijke Goederen.De ondergeteekende, als administrateur op het landgoed van wijlen kolonel T. Randell, zal op Maandag 20 December aanstaande verkoopen al de goederen, tot die bezitting behoorende, bestaande in 56 negers, vee, koorn, voeder, enz., enz. De verkoop zal geschieden ten sterfhuize, aan de Sandy River, 10 mijlen ten westen van Chesterville.Voorwaarden:De negers op een crediet van 12 maanden, met intrest van den dag der verkooping, mits twee goede borgen. Het overige wordt à contant verkocht.2 September.Samuel J. Randell.Men zie ook deNew-Orleans Bee, van 28 October. Op de aankondiging van den verkoop der plantage van wijlen Madeline Lanoux, volgt de lijst der losse goederen:Twaalf slaven, zoo mannen als vrouwen; een kleine, geheel nieuwe schoener; een veerpont; eenige koeijen, kalven, ossen en schapen; eene partij huisraad; een winkelvoorraad bestaande in ijzer- en aardewerk, kruidenierswaren enz.Onderstel nu, dat alle ouders zoo Godsdienstig en welgezind zijn als de heer Jones (iets, dat bij den tegenwoordigen staat van zaken zeker niet te verwachten is), en dat zij hun best doen om het kind in te prenten, dat alle zielen voor het oog van God van gelijke waarde zijn; dat de ziel van den neger evenzeer bemind wordt door Christus en vrijgekocht door zijn bloed, als de ziel van zijn meester: zal men dat kind kunnen nopen, dit te gelooven of er naar te handelen? Zal het gelooven kunnen, dat datgeen, hetwelk hij iedere week geadverteerd ziet met varkens en paarden en veevoeder en oude meubelen, ledikanten, tafels en stoelen, werkelijk een zoo Goddelijk iets is? Wij willen onderstellen, dat het kleine kind een of anderen Godvruchtigen slaaf kent; dat het hem aan de Avondmaalstafel op eene afgezonderde wijze het sacramentele brood en den wijn ziet gebruiken. Het ziet zijn vromen vader en moeder den slaaf als een Christenbroeder bejegenen; zij verzekeren hem dat hij „een erfgenaam van God is, mede-erfgenaam van Jezus Christus;”—en de volgende week ziet het denzelfden man in de courant geadverteerd met varkens, runderen en veevoeder. Kan het kind, dit ziende, bij mogelijkheid geloof slaan aan hetgeen zijne Christelijke ouders hem hebben medegedeeld?Wij hebben tot nog toe alleen gesproken van de gewone advertentiën; maar stel, dat het kind in zekere bepaalde districten woont waar zijn oog moet vallen op aankondigingen van nog meer verlagenden aard. In den Staat Alabamabevat een nieuwsblad, dat aan politiek, letterkunde enopvoedinggewijd is, iedere week de volgende advertentie:Let Wel!De ondergeteekende, een uitmuntend stel honden te zijner beschikking hebbende tot het opsporen en achterhalen van ontvlugte slaven, berigt aan het publiek, dat bij vervolg zijne prijzen voor diensten van dien aard zullen zijn:Voor elken dag jagen of nasporen.2 dollars 50 cents.Voor het achterhalen van elken slaaf10 dollarsVoor een togt van meer dan tien mijlen en het achterhalen van slaven20 dollarsZoo hij ontboden wordt zullen de bovenstaande prijzen contant gevorderd worden. De ondergeteekende woont anderhalve mijl ten zuiden van Dadeville in Alabama.Dadeville, 1 September 1852.B. Black.Deze advertentie valt aan het kind iedere week in het oog. Het blad, waaruit wij haar hebben overgenomen, bevat in zijne mengelingen stukken uit deHousehold Wordsvan Dickens, uit professor Feltons opstel in denChristian Examiner, over de wederzijdsche verhouding der seksen, en een treffend en ridderlijk beroep van den welsprekenden senator Soulé, op de wettige regten der vrouwen. Laten wij nu mogen vragen, daar dit blad ook aan de zaak der opvoeding gewijd is, welke soort van invloed op de opvoeding zoodanige advertentiën hebben? En natuurlijk kan zulk eene inrigting niet bestaan zonder begunstigers. Waar negerjagers advertentiën plaatsen in de bladen, worden ook negerjagten gehouden en honden op het negerzoeken afgerigt; en dit alles geschiedt onder het oog der kinderen. Welke opvoeding is dit nu?Schrijfster dezes heeft een overzigt van de wijze waarop de honden tot dit bedrijf worden afgerigt, ontvangen van een heer, die het op zijne beurt gekregen had van een neger, voor wien dit eene zoo gewone zaak schijnt geweest te zijn, dat hij er met even weinig gevoel over uitweidt, als hadde hij gesproken van eene jagt op wild. De bedoelde opgave is vervat in een brief uit het zuiden der Vereenigde Staten, en luidt aldus:Men moet zeer jonge honden nemen, schier onverschillig van welke soort, want bijna alle zijn er geschikt voor; zij moeten opgesloten worden en mogen geen neger zien, eer zij groot genoeg zijn om onderwezen te worden. Dan leere men ze, een neger na te loopen; hebben zij hem bereikt, dan geve men ze vleesch. De neger moet zoo hard loopen als hij kan en dan in een boom klimmen, ten einde de honden te leeren den vlugteling in een boom te ontdekken; neem dan de schoen van een neger en leer hen den neger vinden, die er eigenaar van is; dan een stuk zijner kleederen, en zoo verder. Men moet vooral zorgen, den neger in een boom te laten klimmen, en den hond te leeren wachten onder den boom en blaffen tot men hem zijn vleesch geeft.Men leze ook de volgende advertentie in hetOuachita Register, gedateerd: „Monroe, Dingsdag avond, 1 Junij 1852”:Negerhonden.De ondergeteekende berigt aan het geëerde publiek van Ouachita en omstreken, dat hij zich gevestigd heeft ongeveer 2½ mijl beoosten John White, aan den weg van Monroe naar Bastrop, en dat hij een fraai stel honden heeft om negers te vangen. Personen, die negers wenschen te doen opvangen, worden uitgenoodigd hem te bezoeken. Hij is steeds aan zijn huis te spreken, zoo hij niet op de negerjagt is, en zelfs dan nog kan men doorgaans in zijne localen informatiën nemen waar hij zich bevindt.Voorwaarden: Vijf dollars per dag wanneer geen spoor aangewezen is. Zoo er wel een spoor is aangewezen, worden vijf en twintig dollars voor het vangen van den slaaf in rekening gebragt.Monroe, 17 Februarij 1852.M. C. Goff.Welnu, maken de in dit hoofdstuk gegevene tafereeltjes niet een goed stelsel van opvoeding uit voor de kinderen van een Christelijk volk? En moet het ons verwonderen, wanneer aldus gevormde kinderen geene wreedheid zien in de slavernij? Kunnen kinderen zich voorstellen, dat wezens, waarop men aldus jagt maakt, even als zij, kinderen van één Hemelschen Vader zijn?Maar stel, de knaap groeit op tot man en woont de zittingen der geregtshoven bij, en hoort schrandere, geleerde mannen van den regterzetel verklaren, dat „het enkel slaan van een slaaf, wanneer het niet vergezeld is gegaan van wreedheid of van poging tot moord, geene overtreding kan genoemd worden.” Stel, dat hij ter zelfder plaatse hoort beslissen, dat geene beleediging of hoon jegens een slaaf vatbaar is voor eene geregtelijke behandeling, tenzij zijne waarde als verhandelbaar eigendom er door mogt verminderd zijn. Stel, dat hij hoort—gelijk in Virginia gebeuren zou—dat de wet de strekking heeft den meester te beschermen, al past hij ook eene wreedaardige, kwaadwillige of overdrevene straf op den slaaf toe. Stel, dat een slaaf vermoord is, en hij nu de regtsgeleerden hoort betoogen, dat dit voor geen moord gehouden kan worden, dewijl een slaaf, in het oog der wet, geen menschelijk wezen is; en dat hij, als de zaak voor een hooger hof gebragt wordt, den regter al zijn talent hoort besteden aan eene uitgewerkte en sierlijke verhandeling, ten bewijze, dat de slaaf een menschelijk wezenis, ten minste evenzeer als een waanzinnige, een onnoozele of een ongeboren kind, en dat hij dus vermoord kan worden. (Zie de redevoering van den regter Clarke, blz. 175). Stel, dat hij ziet, dat de geheele werking der wet, met opzigt tot den slaaf, uitgaat van het denkbeeld, dat deze volstrekt niets anders is dan een baal koopwaren. Stel, dat hij zulke taal hoore als de volgende, die in het proces van Brazealle voorkomt en die een niet onaardig staaltje is van de wijze waarop zoodanige onderwerpen doorgaans besproken worden: „De slaaf heeft geen meerdere politieke regten, geen meerder regt om eigendommen te koopen, te bezitten of over te dragen, dan de muilezel regt heeft op den ploeg; hij zelf is niets dan roerend goed, dat altijd iemand tot eigenaar moet hebben.” Stel, dat hij in de wets-verzamelingen bepalingen vinde als de volgende, voorkomende in het burgerlijk wetboek van Louisiana:Art. 2500. De gebreken van slaven en dieren worden verdeeld in twee soorten,—gebreken van het ligchaam en gebreken in het karakter.Art. 2501. De ligchaamsgebreken worden onderscheiden in volstrekte en betrekkelijke.Art. 2502. De volstrekte gebreken der slaven zijn: melaatschheid, krankzinnigheid en vallende ziekte.Art. 2503. De volstrekte gebreken van paarden en muilezels zijn: aamborstigheid, de droes en kreupelheid.De indruk van deze taal op het jeugdige gemoed is te sterker, omdat het niet is de uitbarsting van drift, of de taal der minachting, maar eene kalme, regt op de zaak afgaande wettelijke bepaling.Welk een gevoel moet het te weeg brengen bij den jongman, wanneer hij ontwaart dat, hoe afgrijselijk en welbewezen de moord van een slaaf ook zij, de moordenaar zonder uitzondering zijne straf ontgaat; en dat, ofschoon de gevallen, waarin een slaaf het slagtoffer is geworden van een blanke, veelvuldig zijn, het voorbeeld van eene teregtstelling wegens zulk eene misdaad, in den lande bijna onbekend is. Komt dit alles niet juist neder op de schatting der waarde van het leven en geluk eens negers, hetwelk Frederik Douglass zegt, dat door de blanke knapen, bij welke hij groot gebragt werd, uitgedrukt werd met het spreekwoord: „’t Kost zes stuivers om een neger te dooden, en nog zes stuivers om hem te begraven!”De soort van openbare meening, die door deze wijze van opvoeding gevormd wordt, blijkt uit het volgende artikeltje, hetwelk wij uit denCambridge Democrat, van 27 October 1852, overnemen. Dat blad had het aan denWoodville Republican, van Mississippi, ontleend. Het schijnt, dat zekere Josua Johns een slaaf gedood had en daarvoor tot twee jaar cellulaire gevangenis veroordeeld was. DeRepublicanbetreurt zijn droevig lot in de volgende bewoordingen:De Staat tegen Josua Johns.Dit geding is uitgeloopen op de veroordeeling van Johns tot twee jaar cellulaire gevangenis. Ofschoon alle leden der jury, de balie en velen van het publiek eene petitie aan den gouverneur gezonden hebben om Johns vrij te stellen, was evenwel geene feil te vinden in het verdict van de jury. De jeugdige jaren van Johns en de omstandigheden onder welke hij den manslag bedreef, wekten de algemeene sympathie voor hem op. Er is geen twijfel, dat de neger dooronbeschaamde taal hem tot de daad tergde; maar hoe dikwijls moet gezegd worden, dat woorden geene dadelijkheden kunnen verontschuldigen? Met leedwezen moeten wij zeggen, dat ervelenzijn, diedenken, dat zij evenzeer regt hebben om een neger, die hen beleedigt of ontvlugt, dood te schieten, als om een hond neder te vellen; doch er bestaan wetten ter bescherming van den slaaf, evenzeer als van den meester, en hoe eerderde bovengemelde dwaling uit den weg wordt geruimd, des te beter zal het voor de betrokkenen zijn.De ongelukkige jongman, die thans den arm der wet over zich gebragt heeft, had ongetwijfeld geen begrip van het bestaan van zulk eene straf; en al ware hij er ook van bewust geweest, dan moeten de herhaalde beleedigingen en tartingen van den neger gewis als verzachtende omstandigheden in zijn voordeel aangemerkt worden. Johns werd verdedigd door den heer I. D. Gildart, die voorzeker al het mogelijke voor hem gedaan heeft.DeDemocratlaat er op volgen:Met bijzonder genoegen vernemen wij van den heer Curry, onder-sheriff van Wilkinson County, dat de gouverneur aan Johns kwijtschelding van straf verleend heeft.Wij geven gaarne toe, dat Johns niet al te streng kan gegispt worden voor de bovengemelde dwaling, van te denken, dat men even straffeloos een neger als een hond mag nederschieten. Hij is opgevoed in een stand van zaken, waarvan eene dergelijke meening het noodwendig gevolg moet wezen; en hij, persoonlijk, is verreweg minder schuldig, dan diegenen, die het stelsel van wetten en de wijze van opvoeding handhaven, die de jongelieden uit de zuidelijke Staten regtstreeks tot deze gevolgtrekking brengen. Johns kan even edel van hart en van nature even regtvaardig-gezind zijn als eenig jongman ter wereld; maar het afgrijselijke stelsel, onder hetwelk hij is groot gebragt, heeft hem onbekwaam gemaakt om te onderscheiden wat edelmoedigheid en regtvaardigheid met betrekking tot een neger is.De openbare meening in de slavenhoudende Staten is de meening van lieden die aldus zijn opgevoed, een gevoel dat in alles, wat den neger betreft, verstompt is en ontzenuwd. Wat hun, wanneer het blanken gold, een verschrikkelijk onregtzou toeschijnen, is eene zaak die van zelf schijnt te spreken, wanneer slaven er mede gemoeid zijn.Naarmate deze strekking der opvoeding van geslacht op geslacht afdaalt, wordt het zedelijk gevoel bij voortduring stomper, en het vermogen om regt van onregt, waar het onderworpen ras in het spel komt, te onderscheiden, meer en meer verzwakt.Zoo wij een blik slaan in de geschriften van de uitstekende mannen, die omstreeks den tijd onzer Amerikaansche omwenteling slavenhouders waren, welke opgeklaarde denkbeelden vinden wij daar dan niet over de onregtmatigheid der slavernij, welke krachtige woorden van afkeuring passen zij er niet op toe! Bij mogelijkheid zou men zich niet sterker over de kwade werking van het stelsel kunnen uitlaten, dan door de woorden aan te halen van mannen als Washington, Jefferson en Patrick Henry. In die dagen waren er geen mannen van hun verheven verstand, die er aan dachten, de slavernij uit beginsel te verdedigen; thans is er een overvloed van uitstekende lieden, in het Noorden en Zuiden, staatslieden, ambtenaren, letterkundigen, zelfs geestelijken, die het stelsel in verschillende mate pogen voor te staan, te verzachten of openlijk te verdedigen. En welke andere oorzaak is hiervoor te bedenken, dan dat de opvoeding de openbare meening bedorven en die mannen beroofd heeft van het vermogen om een onbevangen oordeel te vellen?De openbare meening zelfs van het vrije Amerika staat, met opzigt tot de slavernij, achter bij die van alle andere beschaafde natiën.Wanneer de slavenhouders beweren, dat de slaven, over het algemeen, menschelijk behandeld worden, wat bedoelen zij dan daarmede? Niet dat zij zulk eene behandeling menschelijk zouden vinden, wanneer zij hun-zelven en hunnen kinderen werd aangedaan—neen, waarlijk niet!—maar dat zij menschelijk isvoor slaven.Zij plaatsen inderdaad den neger beneden de lijn der menschheid en gelijk met die der redelooze dieren, en plooijen dan al hunne begrippen van menschelijkheid in overeenstemming daarmede.Zonder noodzaak zouden zij geen hond of neger een schop geven of hem mishandelen. Zij kunnen een hond vertroetelen endoen het dikwerf een neger. Er zijn menschen geweest, die goedvonden hunne paarden weelderig te huisvesten in marmeren stallen en ze te laten eten uit gebeeldhouwde troggen, maar zij bleven hen desniettemin als paarden beschouwen; en bij al de gemakken, waarmede welgezinde meesters soms den slaaf omringen, is hij voor hen altijd maar een neger, engeenmensch.Hetgeen in dit hoofdstuk gezegd is, en overigens incidenteel blijkt uit al de in dit deel aangehaalde feiten, levert overvloedige bewijzen, dat, niettegenstaande er vele en edele voorbeelden van edelmoedigheid jegens de negers bestaan, en ofschoon het gevoel van den man van eer en de stem der Christelijke liefde allerwege protesteert tegen hetgeen mengevoelteene onmenschelijkheid te zijn, evenwel de openbare meening, die uit het stelsel geboren wordt,noodwendigjammerlijk te kort moet schieten in eenigerhande bescherming der regten van den slaaf. De volgende hoofdstukken zullen aantoonen, gelijk gewis reeds opgekomen is in denkende hoofden, dat de geheele loop der opvoeding het gemoed van den slavenhouder moet verstompen voor den kreet die uit den mond des negers opgaat als zijn medemensch en broeder.
In het belangrijk werk van den eerwaarden C. C. Jones, over hetGodsdienstig onderrigt aan de negers te geven, komen eenige zinsneden voor, die zoo bijzonder den invloed der openbare meening, welke wij hebben getracht in het licht te stellen, omschrijven, dat wij niet kunnen nalaten ze over te nemen:
Bepaalde begrippen of vooroordeelen ten aanzien van zekere onderwerpen ontspruiten doorgaans uit onzeopvoedingof omstandigheden. Ieder kent hun grooten invloed op oordeelvellingen en gedragslijn, alsmede hoe dikwijls zij gevormd worden zonder dat men er zich van bewust is; zoodat zij, terwijl wij hun bestaan niet vermoeden, opwassen met onzen groei en in kracht toenemen met onze sterkte. Dagelijksche omgang doet mismaaktheid voorkomen als eene gewone leelijkheid. Daarom zijn wij ook niet altijd de beste beoordeelaars van onzen eigen toestand. Een ander kan er bezwaren, of zelfs onbetwistbare gebreken in opmerken, waarvan wij gezegd kunnen worden ons levenslang te naauwernood bewust geweest te zijn. Zoo maakt de gewoonte ook, dat wij euvelen, die bij het eerste aanschouwen onze geheele natuur in opstand bragten en die ons onverdragelijk voorkwamen, zoodanig vergeten, dat wij ze schier niet meer zien. Menschen, die uit den eenen maatschappelijken stand in den anderen overgaan, treffen duizende zaken aan, waaraan zij gelooven zich nimmer te zullen kunnen gewennen; en evenwel, binnen korten tijd verstompt hunne gevoeligheid; zij ondergaan eene verandering, bijna zonder zelven te weten hoe. Zij hebben zich geschikt naar hunne nieuwe omstandigheden en betrekkingen—te Rome zijn zij Romeinen.
Bepaalde begrippen of vooroordeelen ten aanzien van zekere onderwerpen ontspruiten doorgaans uit onzeopvoedingof omstandigheden. Ieder kent hun grooten invloed op oordeelvellingen en gedragslijn, alsmede hoe dikwijls zij gevormd worden zonder dat men er zich van bewust is; zoodat zij, terwijl wij hun bestaan niet vermoeden, opwassen met onzen groei en in kracht toenemen met onze sterkte. Dagelijksche omgang doet mismaaktheid voorkomen als eene gewone leelijkheid. Daarom zijn wij ook niet altijd de beste beoordeelaars van onzen eigen toestand. Een ander kan er bezwaren, of zelfs onbetwistbare gebreken in opmerken, waarvan wij gezegd kunnen worden ons levenslang te naauwernood bewust geweest te zijn. Zoo maakt de gewoonte ook, dat wij euvelen, die bij het eerste aanschouwen onze geheele natuur in opstand bragten en die ons onverdragelijk voorkwamen, zoodanig vergeten, dat wij ze schier niet meer zien. Menschen, die uit den eenen maatschappelijken stand in den anderen overgaan, treffen duizende zaken aan, waaraan zij gelooven zich nimmer te zullen kunnen gewennen; en evenwel, binnen korten tijd verstompt hunne gevoeligheid; zij ondergaan eene verandering, bijna zonder zelven te weten hoe. Zij hebben zich geschikt naar hunne nieuwe omstandigheden en betrekkingen—te Rome zijn zij Romeinen.
Thans zullen wij onderzoeken welken invloed eene gedurige aanraking met het slavernij-stelsel op de opvoeding heeft.
Neem een kind van een ontvankelijk gemoed en een edel hart, en geef het zijne opvoeding onder den invloed van datstelsel: en op welke wijze zal nu zijn karakter gevormd worden? Eene anecdote, die schrijfster dezes uit den mond eener dame vernam, zal zeker niet ten onpas gerekend worden. Onder de redenen die haar genoopt hadden om haar huisgezin te vestigen op eene plaats, waar het buiten den invloed van het slavenstelsel zou zijn, gaf zij het volgende voorval op: Op zekeren dag een blik uit het raam der kinderkamer naar buiten werpende zag zij haar driejarig dochtertje in haar wagentje zitten, dat met zes of acht jonge negerkinderen, als paarden getuigd, bespannen was. Twee of drie der oudere slaven stonden rondom hunne kleine meesteres, en een van hen gaf haar eene zweep in de hand en voegde haar toe: „Sla er maar goed op, Misse; laat ze draven! ’t Zijn allemaal uwe negers!”
Welk eene les van Godsdienst en zedekunde voor dat jeugdige gemoed! De moeder was eene verstandige vrouw, die haar kind nimmer iets dergelijks geleerd zou hebben; maar de staat van slavernij had het in de ziel van elken slaaf gebrand en zoo werd het weder overgeplant op het kind.
Zoodra een kind oud genoeg is om de nieuwsbladen te kunnen lezen, ziet het in elke kolom advertentiën als de volgende uit denRichmond Wighen andere bladen:
Groote verkoop van Negers, Paarden, Muilezels, Rundvee, enz.Volgens last van het ommegaande hoog-geregtshof van Fluvanna County, zal de ondergeteekende op Dingsdag 30 November en Woensdag 1 December aanstaande, des morgens ten elf ure, ten sterfhuize van wijlen William Galt, bij openbare veiling verkoopen de negers, voorraad enz. van allerlei aard, tot de hoeve behoorende; bestaande in 175 negers,waaronder eenige timmerlieden en smeden,—10 paarden, 33 muilezels, 100 stuks rundvee, 100 schapen, 200 varkens, 1500 vaten koorn, haver, veevoeder enz.; de plantage, en werkgereedschappen van allerlei aard.De negers zullen à contant verkocht worden; de overige artikelen op negen maanden crediet, mits tegen acceptatie en goede borgen.19 October.James Galt,Administrateur van wijlenWilliam Galt.
Groote verkoop van Negers, Paarden, Muilezels, Rundvee, enz.
Volgens last van het ommegaande hoog-geregtshof van Fluvanna County, zal de ondergeteekende op Dingsdag 30 November en Woensdag 1 December aanstaande, des morgens ten elf ure, ten sterfhuize van wijlen William Galt, bij openbare veiling verkoopen de negers, voorraad enz. van allerlei aard, tot de hoeve behoorende; bestaande in 175 negers,waaronder eenige timmerlieden en smeden,—10 paarden, 33 muilezels, 100 stuks rundvee, 100 schapen, 200 varkens, 1500 vaten koorn, haver, veevoeder enz.; de plantage, en werkgereedschappen van allerlei aard.
De negers zullen à contant verkocht worden; de overige artikelen op negen maanden crediet, mits tegen acceptatie en goede borgen.
19 October.James Galt,Administrateur van wijlenWilliam Galt.
Uit deNashville Gazette,23 November 1852:
Groote verkoop van Negers, Muilezels, Rundvee, enz.Op Dingsdag 21 December aanstaande zullen wij op de plantage van wijlen N. A. McNairy, aan den Franklin Turnpike, voor rekening van mevrouw C. B. McNairy, executrice, in openbare veiling aanbiedenVijftig kostbare Negers.Zij zijn goede plantage-negers en zullen bij huisgezinnen verkocht worden. Gegadigden kunnen die negers den dag vóór de veiling bezigtigen.Alsmede, tien sterke werk-muilezels, eenige melkkoeijen en kalven, varkens, 1200 vaten koorn, haver, hooi, veevoeder, enz., twee wagens, eene kar, bouwgereedschappen, enz.
Groote verkoop van Negers, Muilezels, Rundvee, enz.
Op Dingsdag 21 December aanstaande zullen wij op de plantage van wijlen N. A. McNairy, aan den Franklin Turnpike, voor rekening van mevrouw C. B. McNairy, executrice, in openbare veiling aanbieden
Vijftig kostbare Negers.
Zij zijn goede plantage-negers en zullen bij huisgezinnen verkocht worden. Gegadigden kunnen die negers den dag vóór de veiling bezigtigen.
Alsmede, tien sterke werk-muilezels, eenige melkkoeijen en kalven, varkens, 1200 vaten koorn, haver, hooi, veevoeder, enz., twee wagens, eene kar, bouwgereedschappen, enz.
Uit denNewberry Sentinel:
Verkooping.De ondergeteekende zal den 15den dezer verkoopen op de plantage waar hij resideert, gelegen op elf mijlen afstands van de stad Newberry en nabij den Laurens-spoorweg,Twee en twintig jonge, fiksche Negers,waaronder goede landbouwers, huisbedienden en een uitmuntende smid;—ongeveer 1500 bushels koorn, eene hoeveelheid veevoeder, varkens, muilezels, schapen, runderen, huis- en keukengereedschap en andere goederen. Op den dag der veiling zullen de verkoopsvoorwaarden ter lezing liggen.1 December.M. C. Gary.
Verkooping.
De ondergeteekende zal den 15den dezer verkoopen op de plantage waar hij resideert, gelegen op elf mijlen afstands van de stad Newberry en nabij den Laurens-spoorweg,
Twee en twintig jonge, fiksche Negers,
waaronder goede landbouwers, huisbedienden en een uitmuntende smid;—ongeveer 1500 bushels koorn, eene hoeveelheid veevoeder, varkens, muilezels, schapen, runderen, huis- en keukengereedschap en andere goederen. Op den dag der veiling zullen de verkoopsvoorwaarden ter lezing liggen.
1 December.M. C. Gary.
Uit denSouth Carolinian, 21 October 1852:
Verkoop van aanzienlijke Goederen.De ondergeteekende, als administrateur op het landgoed van wijlen kolonel T. Randell, zal op Maandag 20 December aanstaande verkoopen al de goederen, tot die bezitting behoorende, bestaande in 56 negers, vee, koorn, voeder, enz., enz. De verkoop zal geschieden ten sterfhuize, aan de Sandy River, 10 mijlen ten westen van Chesterville.Voorwaarden:De negers op een crediet van 12 maanden, met intrest van den dag der verkooping, mits twee goede borgen. Het overige wordt à contant verkocht.2 September.Samuel J. Randell.
Verkoop van aanzienlijke Goederen.
De ondergeteekende, als administrateur op het landgoed van wijlen kolonel T. Randell, zal op Maandag 20 December aanstaande verkoopen al de goederen, tot die bezitting behoorende, bestaande in 56 negers, vee, koorn, voeder, enz., enz. De verkoop zal geschieden ten sterfhuize, aan de Sandy River, 10 mijlen ten westen van Chesterville.
Voorwaarden:De negers op een crediet van 12 maanden, met intrest van den dag der verkooping, mits twee goede borgen. Het overige wordt à contant verkocht.
2 September.Samuel J. Randell.
Men zie ook deNew-Orleans Bee, van 28 October. Op de aankondiging van den verkoop der plantage van wijlen Madeline Lanoux, volgt de lijst der losse goederen:
Twaalf slaven, zoo mannen als vrouwen; een kleine, geheel nieuwe schoener; een veerpont; eenige koeijen, kalven, ossen en schapen; eene partij huisraad; een winkelvoorraad bestaande in ijzer- en aardewerk, kruidenierswaren enz.
Twaalf slaven, zoo mannen als vrouwen; een kleine, geheel nieuwe schoener; een veerpont; eenige koeijen, kalven, ossen en schapen; eene partij huisraad; een winkelvoorraad bestaande in ijzer- en aardewerk, kruidenierswaren enz.
Onderstel nu, dat alle ouders zoo Godsdienstig en welgezind zijn als de heer Jones (iets, dat bij den tegenwoordigen staat van zaken zeker niet te verwachten is), en dat zij hun best doen om het kind in te prenten, dat alle zielen voor het oog van God van gelijke waarde zijn; dat de ziel van den neger evenzeer bemind wordt door Christus en vrijgekocht door zijn bloed, als de ziel van zijn meester: zal men dat kind kunnen nopen, dit te gelooven of er naar te handelen? Zal het gelooven kunnen, dat datgeen, hetwelk hij iedere week geadverteerd ziet met varkens en paarden en veevoeder en oude meubelen, ledikanten, tafels en stoelen, werkelijk een zoo Goddelijk iets is? Wij willen onderstellen, dat het kleine kind een of anderen Godvruchtigen slaaf kent; dat het hem aan de Avondmaalstafel op eene afgezonderde wijze het sacramentele brood en den wijn ziet gebruiken. Het ziet zijn vromen vader en moeder den slaaf als een Christenbroeder bejegenen; zij verzekeren hem dat hij „een erfgenaam van God is, mede-erfgenaam van Jezus Christus;”—en de volgende week ziet het denzelfden man in de courant geadverteerd met varkens, runderen en veevoeder. Kan het kind, dit ziende, bij mogelijkheid geloof slaan aan hetgeen zijne Christelijke ouders hem hebben medegedeeld?
Wij hebben tot nog toe alleen gesproken van de gewone advertentiën; maar stel, dat het kind in zekere bepaalde districten woont waar zijn oog moet vallen op aankondigingen van nog meer verlagenden aard. In den Staat Alabamabevat een nieuwsblad, dat aan politiek, letterkunde enopvoedinggewijd is, iedere week de volgende advertentie:
Let Wel!De ondergeteekende, een uitmuntend stel honden te zijner beschikking hebbende tot het opsporen en achterhalen van ontvlugte slaven, berigt aan het publiek, dat bij vervolg zijne prijzen voor diensten van dien aard zullen zijn:Voor elken dag jagen of nasporen.2 dollars 50 cents.Voor het achterhalen van elken slaaf10 dollarsVoor een togt van meer dan tien mijlen en het achterhalen van slaven20 dollarsZoo hij ontboden wordt zullen de bovenstaande prijzen contant gevorderd worden. De ondergeteekende woont anderhalve mijl ten zuiden van Dadeville in Alabama.Dadeville, 1 September 1852.B. Black.
Let Wel!
De ondergeteekende, een uitmuntend stel honden te zijner beschikking hebbende tot het opsporen en achterhalen van ontvlugte slaven, berigt aan het publiek, dat bij vervolg zijne prijzen voor diensten van dien aard zullen zijn:
Voor elken dag jagen of nasporen.2 dollars 50 cents.Voor het achterhalen van elken slaaf10 dollarsVoor een togt van meer dan tien mijlen en het achterhalen van slaven20 dollars
Zoo hij ontboden wordt zullen de bovenstaande prijzen contant gevorderd worden. De ondergeteekende woont anderhalve mijl ten zuiden van Dadeville in Alabama.
Dadeville, 1 September 1852.B. Black.
Deze advertentie valt aan het kind iedere week in het oog. Het blad, waaruit wij haar hebben overgenomen, bevat in zijne mengelingen stukken uit deHousehold Wordsvan Dickens, uit professor Feltons opstel in denChristian Examiner, over de wederzijdsche verhouding der seksen, en een treffend en ridderlijk beroep van den welsprekenden senator Soulé, op de wettige regten der vrouwen. Laten wij nu mogen vragen, daar dit blad ook aan de zaak der opvoeding gewijd is, welke soort van invloed op de opvoeding zoodanige advertentiën hebben? En natuurlijk kan zulk eene inrigting niet bestaan zonder begunstigers. Waar negerjagers advertentiën plaatsen in de bladen, worden ook negerjagten gehouden en honden op het negerzoeken afgerigt; en dit alles geschiedt onder het oog der kinderen. Welke opvoeding is dit nu?
Schrijfster dezes heeft een overzigt van de wijze waarop de honden tot dit bedrijf worden afgerigt, ontvangen van een heer, die het op zijne beurt gekregen had van een neger, voor wien dit eene zoo gewone zaak schijnt geweest te zijn, dat hij er met even weinig gevoel over uitweidt, als hadde hij gesproken van eene jagt op wild. De bedoelde opgave is vervat in een brief uit het zuiden der Vereenigde Staten, en luidt aldus:
Men moet zeer jonge honden nemen, schier onverschillig van welke soort, want bijna alle zijn er geschikt voor; zij moeten opgesloten worden en mogen geen neger zien, eer zij groot genoeg zijn om onderwezen te worden. Dan leere men ze, een neger na te loopen; hebben zij hem bereikt, dan geve men ze vleesch. De neger moet zoo hard loopen als hij kan en dan in een boom klimmen, ten einde de honden te leeren den vlugteling in een boom te ontdekken; neem dan de schoen van een neger en leer hen den neger vinden, die er eigenaar van is; dan een stuk zijner kleederen, en zoo verder. Men moet vooral zorgen, den neger in een boom te laten klimmen, en den hond te leeren wachten onder den boom en blaffen tot men hem zijn vleesch geeft.
Men moet zeer jonge honden nemen, schier onverschillig van welke soort, want bijna alle zijn er geschikt voor; zij moeten opgesloten worden en mogen geen neger zien, eer zij groot genoeg zijn om onderwezen te worden. Dan leere men ze, een neger na te loopen; hebben zij hem bereikt, dan geve men ze vleesch. De neger moet zoo hard loopen als hij kan en dan in een boom klimmen, ten einde de honden te leeren den vlugteling in een boom te ontdekken; neem dan de schoen van een neger en leer hen den neger vinden, die er eigenaar van is; dan een stuk zijner kleederen, en zoo verder. Men moet vooral zorgen, den neger in een boom te laten klimmen, en den hond te leeren wachten onder den boom en blaffen tot men hem zijn vleesch geeft.
Men leze ook de volgende advertentie in hetOuachita Register, gedateerd: „Monroe, Dingsdag avond, 1 Junij 1852”:
Negerhonden.De ondergeteekende berigt aan het geëerde publiek van Ouachita en omstreken, dat hij zich gevestigd heeft ongeveer 2½ mijl beoosten John White, aan den weg van Monroe naar Bastrop, en dat hij een fraai stel honden heeft om negers te vangen. Personen, die negers wenschen te doen opvangen, worden uitgenoodigd hem te bezoeken. Hij is steeds aan zijn huis te spreken, zoo hij niet op de negerjagt is, en zelfs dan nog kan men doorgaans in zijne localen informatiën nemen waar hij zich bevindt.Voorwaarden: Vijf dollars per dag wanneer geen spoor aangewezen is. Zoo er wel een spoor is aangewezen, worden vijf en twintig dollars voor het vangen van den slaaf in rekening gebragt.Monroe, 17 Februarij 1852.M. C. Goff.
Negerhonden.
De ondergeteekende berigt aan het geëerde publiek van Ouachita en omstreken, dat hij zich gevestigd heeft ongeveer 2½ mijl beoosten John White, aan den weg van Monroe naar Bastrop, en dat hij een fraai stel honden heeft om negers te vangen. Personen, die negers wenschen te doen opvangen, worden uitgenoodigd hem te bezoeken. Hij is steeds aan zijn huis te spreken, zoo hij niet op de negerjagt is, en zelfs dan nog kan men doorgaans in zijne localen informatiën nemen waar hij zich bevindt.
Voorwaarden: Vijf dollars per dag wanneer geen spoor aangewezen is. Zoo er wel een spoor is aangewezen, worden vijf en twintig dollars voor het vangen van den slaaf in rekening gebragt.
Monroe, 17 Februarij 1852.M. C. Goff.
Welnu, maken de in dit hoofdstuk gegevene tafereeltjes niet een goed stelsel van opvoeding uit voor de kinderen van een Christelijk volk? En moet het ons verwonderen, wanneer aldus gevormde kinderen geene wreedheid zien in de slavernij? Kunnen kinderen zich voorstellen, dat wezens, waarop men aldus jagt maakt, even als zij, kinderen van één Hemelschen Vader zijn?
Maar stel, de knaap groeit op tot man en woont de zittingen der geregtshoven bij, en hoort schrandere, geleerde mannen van den regterzetel verklaren, dat „het enkel slaan van een slaaf, wanneer het niet vergezeld is gegaan van wreedheid of van poging tot moord, geene overtreding kan genoemd worden.” Stel, dat hij ter zelfder plaatse hoort beslissen, dat geene beleediging of hoon jegens een slaaf vatbaar is voor eene geregtelijke behandeling, tenzij zijne waarde als verhandelbaar eigendom er door mogt verminderd zijn. Stel, dat hij hoort—gelijk in Virginia gebeuren zou—dat de wet de strekking heeft den meester te beschermen, al past hij ook eene wreedaardige, kwaadwillige of overdrevene straf op den slaaf toe. Stel, dat een slaaf vermoord is, en hij nu de regtsgeleerden hoort betoogen, dat dit voor geen moord gehouden kan worden, dewijl een slaaf, in het oog der wet, geen menschelijk wezen is; en dat hij, als de zaak voor een hooger hof gebragt wordt, den regter al zijn talent hoort besteden aan eene uitgewerkte en sierlijke verhandeling, ten bewijze, dat de slaaf een menschelijk wezenis, ten minste evenzeer als een waanzinnige, een onnoozele of een ongeboren kind, en dat hij dus vermoord kan worden. (Zie de redevoering van den regter Clarke, blz. 175). Stel, dat hij ziet, dat de geheele werking der wet, met opzigt tot den slaaf, uitgaat van het denkbeeld, dat deze volstrekt niets anders is dan een baal koopwaren. Stel, dat hij zulke taal hoore als de volgende, die in het proces van Brazealle voorkomt en die een niet onaardig staaltje is van de wijze waarop zoodanige onderwerpen doorgaans besproken worden: „De slaaf heeft geen meerdere politieke regten, geen meerder regt om eigendommen te koopen, te bezitten of over te dragen, dan de muilezel regt heeft op den ploeg; hij zelf is niets dan roerend goed, dat altijd iemand tot eigenaar moet hebben.” Stel, dat hij in de wets-verzamelingen bepalingen vinde als de volgende, voorkomende in het burgerlijk wetboek van Louisiana:
Art. 2500. De gebreken van slaven en dieren worden verdeeld in twee soorten,—gebreken van het ligchaam en gebreken in het karakter.Art. 2501. De ligchaamsgebreken worden onderscheiden in volstrekte en betrekkelijke.Art. 2502. De volstrekte gebreken der slaven zijn: melaatschheid, krankzinnigheid en vallende ziekte.Art. 2503. De volstrekte gebreken van paarden en muilezels zijn: aamborstigheid, de droes en kreupelheid.
Art. 2500. De gebreken van slaven en dieren worden verdeeld in twee soorten,—gebreken van het ligchaam en gebreken in het karakter.
Art. 2501. De ligchaamsgebreken worden onderscheiden in volstrekte en betrekkelijke.
Art. 2502. De volstrekte gebreken der slaven zijn: melaatschheid, krankzinnigheid en vallende ziekte.
Art. 2503. De volstrekte gebreken van paarden en muilezels zijn: aamborstigheid, de droes en kreupelheid.
De indruk van deze taal op het jeugdige gemoed is te sterker, omdat het niet is de uitbarsting van drift, of de taal der minachting, maar eene kalme, regt op de zaak afgaande wettelijke bepaling.
Welk een gevoel moet het te weeg brengen bij den jongman, wanneer hij ontwaart dat, hoe afgrijselijk en welbewezen de moord van een slaaf ook zij, de moordenaar zonder uitzondering zijne straf ontgaat; en dat, ofschoon de gevallen, waarin een slaaf het slagtoffer is geworden van een blanke, veelvuldig zijn, het voorbeeld van eene teregtstelling wegens zulk eene misdaad, in den lande bijna onbekend is. Komt dit alles niet juist neder op de schatting der waarde van het leven en geluk eens negers, hetwelk Frederik Douglass zegt, dat door de blanke knapen, bij welke hij groot gebragt werd, uitgedrukt werd met het spreekwoord: „’t Kost zes stuivers om een neger te dooden, en nog zes stuivers om hem te begraven!”
De soort van openbare meening, die door deze wijze van opvoeding gevormd wordt, blijkt uit het volgende artikeltje, hetwelk wij uit denCambridge Democrat, van 27 October 1852, overnemen. Dat blad had het aan denWoodville Republican, van Mississippi, ontleend. Het schijnt, dat zekere Josua Johns een slaaf gedood had en daarvoor tot twee jaar cellulaire gevangenis veroordeeld was. DeRepublicanbetreurt zijn droevig lot in de volgende bewoordingen:
De Staat tegen Josua Johns.Dit geding is uitgeloopen op de veroordeeling van Johns tot twee jaar cellulaire gevangenis. Ofschoon alle leden der jury, de balie en velen van het publiek eene petitie aan den gouverneur gezonden hebben om Johns vrij te stellen, was evenwel geene feil te vinden in het verdict van de jury. De jeugdige jaren van Johns en de omstandigheden onder welke hij den manslag bedreef, wekten de algemeene sympathie voor hem op. Er is geen twijfel, dat de neger dooronbeschaamde taal hem tot de daad tergde; maar hoe dikwijls moet gezegd worden, dat woorden geene dadelijkheden kunnen verontschuldigen? Met leedwezen moeten wij zeggen, dat ervelenzijn, diedenken, dat zij evenzeer regt hebben om een neger, die hen beleedigt of ontvlugt, dood te schieten, als om een hond neder te vellen; doch er bestaan wetten ter bescherming van den slaaf, evenzeer als van den meester, en hoe eerderde bovengemelde dwaling uit den weg wordt geruimd, des te beter zal het voor de betrokkenen zijn.De ongelukkige jongman, die thans den arm der wet over zich gebragt heeft, had ongetwijfeld geen begrip van het bestaan van zulk eene straf; en al ware hij er ook van bewust geweest, dan moeten de herhaalde beleedigingen en tartingen van den neger gewis als verzachtende omstandigheden in zijn voordeel aangemerkt worden. Johns werd verdedigd door den heer I. D. Gildart, die voorzeker al het mogelijke voor hem gedaan heeft.
De Staat tegen Josua Johns.
Dit geding is uitgeloopen op de veroordeeling van Johns tot twee jaar cellulaire gevangenis. Ofschoon alle leden der jury, de balie en velen van het publiek eene petitie aan den gouverneur gezonden hebben om Johns vrij te stellen, was evenwel geene feil te vinden in het verdict van de jury. De jeugdige jaren van Johns en de omstandigheden onder welke hij den manslag bedreef, wekten de algemeene sympathie voor hem op. Er is geen twijfel, dat de neger dooronbeschaamde taal hem tot de daad tergde; maar hoe dikwijls moet gezegd worden, dat woorden geene dadelijkheden kunnen verontschuldigen? Met leedwezen moeten wij zeggen, dat ervelenzijn, diedenken, dat zij evenzeer regt hebben om een neger, die hen beleedigt of ontvlugt, dood te schieten, als om een hond neder te vellen; doch er bestaan wetten ter bescherming van den slaaf, evenzeer als van den meester, en hoe eerderde bovengemelde dwaling uit den weg wordt geruimd, des te beter zal het voor de betrokkenen zijn.
De ongelukkige jongman, die thans den arm der wet over zich gebragt heeft, had ongetwijfeld geen begrip van het bestaan van zulk eene straf; en al ware hij er ook van bewust geweest, dan moeten de herhaalde beleedigingen en tartingen van den neger gewis als verzachtende omstandigheden in zijn voordeel aangemerkt worden. Johns werd verdedigd door den heer I. D. Gildart, die voorzeker al het mogelijke voor hem gedaan heeft.
DeDemocratlaat er op volgen:
Met bijzonder genoegen vernemen wij van den heer Curry, onder-sheriff van Wilkinson County, dat de gouverneur aan Johns kwijtschelding van straf verleend heeft.
Met bijzonder genoegen vernemen wij van den heer Curry, onder-sheriff van Wilkinson County, dat de gouverneur aan Johns kwijtschelding van straf verleend heeft.
Wij geven gaarne toe, dat Johns niet al te streng kan gegispt worden voor de bovengemelde dwaling, van te denken, dat men even straffeloos een neger als een hond mag nederschieten. Hij is opgevoed in een stand van zaken, waarvan eene dergelijke meening het noodwendig gevolg moet wezen; en hij, persoonlijk, is verreweg minder schuldig, dan diegenen, die het stelsel van wetten en de wijze van opvoeding handhaven, die de jongelieden uit de zuidelijke Staten regtstreeks tot deze gevolgtrekking brengen. Johns kan even edel van hart en van nature even regtvaardig-gezind zijn als eenig jongman ter wereld; maar het afgrijselijke stelsel, onder hetwelk hij is groot gebragt, heeft hem onbekwaam gemaakt om te onderscheiden wat edelmoedigheid en regtvaardigheid met betrekking tot een neger is.
De openbare meening in de slavenhoudende Staten is de meening van lieden die aldus zijn opgevoed, een gevoel dat in alles, wat den neger betreft, verstompt is en ontzenuwd. Wat hun, wanneer het blanken gold, een verschrikkelijk onregtzou toeschijnen, is eene zaak die van zelf schijnt te spreken, wanneer slaven er mede gemoeid zijn.
Naarmate deze strekking der opvoeding van geslacht op geslacht afdaalt, wordt het zedelijk gevoel bij voortduring stomper, en het vermogen om regt van onregt, waar het onderworpen ras in het spel komt, te onderscheiden, meer en meer verzwakt.
Zoo wij een blik slaan in de geschriften van de uitstekende mannen, die omstreeks den tijd onzer Amerikaansche omwenteling slavenhouders waren, welke opgeklaarde denkbeelden vinden wij daar dan niet over de onregtmatigheid der slavernij, welke krachtige woorden van afkeuring passen zij er niet op toe! Bij mogelijkheid zou men zich niet sterker over de kwade werking van het stelsel kunnen uitlaten, dan door de woorden aan te halen van mannen als Washington, Jefferson en Patrick Henry. In die dagen waren er geen mannen van hun verheven verstand, die er aan dachten, de slavernij uit beginsel te verdedigen; thans is er een overvloed van uitstekende lieden, in het Noorden en Zuiden, staatslieden, ambtenaren, letterkundigen, zelfs geestelijken, die het stelsel in verschillende mate pogen voor te staan, te verzachten of openlijk te verdedigen. En welke andere oorzaak is hiervoor te bedenken, dan dat de opvoeding de openbare meening bedorven en die mannen beroofd heeft van het vermogen om een onbevangen oordeel te vellen?De openbare meening zelfs van het vrije Amerika staat, met opzigt tot de slavernij, achter bij die van alle andere beschaafde natiën.
Wanneer de slavenhouders beweren, dat de slaven, over het algemeen, menschelijk behandeld worden, wat bedoelen zij dan daarmede? Niet dat zij zulk eene behandeling menschelijk zouden vinden, wanneer zij hun-zelven en hunnen kinderen werd aangedaan—neen, waarlijk niet!—maar dat zij menschelijk isvoor slaven.
Zij plaatsen inderdaad den neger beneden de lijn der menschheid en gelijk met die der redelooze dieren, en plooijen dan al hunne begrippen van menschelijkheid in overeenstemming daarmede.
Zonder noodzaak zouden zij geen hond of neger een schop geven of hem mishandelen. Zij kunnen een hond vertroetelen endoen het dikwerf een neger. Er zijn menschen geweest, die goedvonden hunne paarden weelderig te huisvesten in marmeren stallen en ze te laten eten uit gebeeldhouwde troggen, maar zij bleven hen desniettemin als paarden beschouwen; en bij al de gemakken, waarmede welgezinde meesters soms den slaaf omringen, is hij voor hen altijd maar een neger, engeenmensch.
Hetgeen in dit hoofdstuk gezegd is, en overigens incidenteel blijkt uit al de in dit deel aangehaalde feiten, levert overvloedige bewijzen, dat, niettegenstaande er vele en edele voorbeelden van edelmoedigheid jegens de negers bestaan, en ofschoon het gevoel van den man van eer en de stem der Christelijke liefde allerwege protesteert tegen hetgeen mengevoelteene onmenschelijkheid te zijn, evenwel de openbare meening, die uit het stelsel geboren wordt,noodwendigjammerlijk te kort moet schieten in eenigerhande bescherming der regten van den slaaf. De volgende hoofdstukken zullen aantoonen, gelijk gewis reeds opgekomen is in denkende hoofden, dat de geheele loop der opvoeding het gemoed van den slavenhouder moet verstompen voor den kreet die uit den mond des negers opgaat als zijn medemensch en broeder.