Hoofdstuk IX.Komt het godsdienstig onderrigt, dat men den slaaf geeft, met het Evangelie overeen?De Vrouwen van Engeland hebben in haar adres aan de Vrouwen van Amerika in het bijzonder er van gewaagd, dat den slaaf het Evangelie onthouden wordt. Men heeft zich daarover hier te lande zeer verontwaardigd betoond, en beweerd, dat het Evangelie ruimschoots ter kennisse van de slaven wordt gebragt.Wie het werk van den heer C. C. Jones, betreffende het Godsdienstig onderrigt der negers, leest, zal geen twijfel koesteren aangaande de volgende punten:1. Dat er jaar op jaar, sedert den invoer van negers in dit land, door verscheidene vrome en welgezinde personen pogingen voor hun geestelijk welzijn zijn aangewend.2. Dat die pogingen van jaar tot jaar talrijker zijn geworden.3. Dat de belangrijkste poging plaats vond omstreeks den tijd toen de heer Jones zijn werk schreef, in 1842, en dat zij eenige uitbreiding kreeg in de Vereenigde Staten. Zij heeft vermoedelijk hare grootste ontwikkeling gehad in den Staat Georgia, den kring van de onmiddellijke bemoeijingen van den heer Jones, waar zeer goede resultaten verkregen zijn en van de zijde der meesters veel loffelijk Christelijk gevoel is aan den dag gelegd.4. Van tijd tot tijd zijn ten dienste der slaven katechismussen, gezangen, korte preken, enz. enz. opgesteld, bestemd om hun door hunne meesters voorgelezen of mondeling onderrigt te worden.5. Het zal bij het lezen van het werk van den heer Jones aan ieder blijken, dat, ofschoon het geschreven is door een man, die het slavernij-stelsel door God goedgekeurd acht, er een geest uit spreekt van opregte welwillendheid en van hartelijke belangstelling in de taak, waaraan hij zich gewijd heeft, die niet genoeg geprezen kan worden.Het is een pijnlijke en onaangename pligt, wanneer men een oordeel of een verschil van gevoelen moet uitdrukken, ten aanzien van pogingen, die met een goed doel ondernomen zijn en in menig opzigt goede vruchten gedragen hebben; doch bij het lezen van het bedoelde werk van den heer Jones, en van zijne katechismussen en preken, die een denkbeeld geven van het Godsdienstig onderrigt der slaven, is schrijfster dezes smartelijk getroffen geworden door de meening, die bij haar oprees, dat, hoeveel goeds hier ook voorkomt, het niethet ware en zuivere stelsel van het Evangelieis, dat den slaaf gegeven wordt. Voor zoo ver de schrijfster, hetgeenhaarwordt medegedeeld, heeft kunnen nagaan, komt het hierop neder: dat zijns meesters gezag over hem en regt op hem, zoover de slavenwet het uitstrekt, erkend en gehandhaafd wordt door de ontzagwekkende autoriteit van God zelf. Men zegt hem, dat zijn meester de opzigter van wege God is; dat hij hem blinde, onvoorwaardelijke en onbegrensde gehoorzaamheid is verschuldigd; dat hij niet mag morren of misnoegd zijn over iets, dat deze hem aandoet; en, in geval hij er zich toch aan overgeeft, dat hij dan niet murmureert tegen zijn meester maar tegen God. Men leert hem, dat het Gods wil is, dat niets dan zwoegen en armoedeop deze wereld zijn doel zal wezen; en dat, indien hij daarover ontevreden is, hij daardoor niets zal winnen in dit leven, maar in het volgende voor eeuwig naar de hel gezonden worden. De meest levendige schilderingen van de hel en hare pijnen en hare wormen die nimmer sterven, worden hem voorgehouden; en men dringt hem op, dat die eeuwige pijniging het gevolg zal zijn van ongehoorzaamheid hier beneden. Het verwondert mij nu gansch niet, dat een slavenhouder eenmaal aan Dr. Brisbane van Cincinnati verklaarde, dat de Godsdienst op zijne plantage hem van meer nut was dan eene geheele wagenvracht bullepezen.Verder zegt men den slaaf, dat de poging om zijn meester te ontvlugten, of het helpen en herbergen van een slaaf, die ontvlugt is, dingen zouden zijn die hem blootstellen aan den toorn van dat alomtegenwoordige Wezen, welks oog tot elken schuilhoek doordringt.Daar de slaaf een roerend en verhandelbaar voorwerp is, onderhevig, gelijk de heer Jones kalm aanmerkt, „aan al de wisselingen van den eigendom,” moet dit stelsel van onderrigt, naar men denken kan, verwarring geven, wanneer het de Christelijke pligten van het huisgezin in den geest van den slaaf prent.Bij het nemen van een overzigt van het veld, dat hij bearbeiden wil, verhaalt de heer Jones ons—hetgeen ieder verstandig mensch reeds moet begrepen hebben—dat hij bij de negers in dit opzigt zeer berispelijke handelwijzen opgemerkt heeft; dat de veelwijverij algemeen onder hen in zwang is, en dat de huwelijksverbindtenis bij hen eene bloot tijdelijke vereeniging is, gesproten uit zucht naar belang, voordeel of genoegen, aangegaan zonder bedachtzaamheid en ontbonden zonder het geringste spoor van schuldgevoel.Ieder zal bevroeden, dat deze stand van zaken het noodwendig gevolg moet wezen van het wetten-stelsel, dat die Christelijke menschen gemaakt hebben en nog voor hunne slaven in kracht houden; en ieder zou het, om met eenige vrucht het Godsdienstig onderrigt te kunnen toedienen, voor onvermijdelijk houden, dat de neger verplaatst wierde in een toestand, waarin hij een wettig huwelijkkanaangaan en hieraan trouwkanblijven nadat het gesloten is.Doch de heer Jones en zijne medestanders begonnen metde verklaring, dat zij niet voornemens waren zich in het geringste met den wettelijken toestand van den slaaf te bemoeijen.Wij zouden daarom niet gedacht hebben, dat, indien de meesters besloten hunne slaven te houden in den toestand van roerend goed, onderworpen aan eene herhaalde verbreking van de familie-banden, zij hen zouden hebben durven doen onderrigten van de strenge zedeleer van het Evangelie met opzigt tot de huwelijksbetrekking.Evenwel is dit het geval. Zoo wij den Katechismus van den heer Jones doorloopen, zullen wij bevinden, dat men den slaaf mondeling laat opzeggen, dat één man de echtgenoot van slechts ééne vrouw kan zijn en dat, indien hij gedurende haar leven eene andere huwt, God hem daarvoor eeuwigdurende straf in de hel zal doen lijden.Stel dat eene Godsdienstige vrouw, onderwezen uit dien Katechismus, ten gevolge van den dood haars meesters wegens boedelscheiding aan de markt gebragt wordt,—gelijk in vele gevallen plaats vindt, waarvan wij de advertentiën elke week in de nieuwsbladen van Georgia lezen. Zij wordt ontrukt aan man en kinderen en naar het andere einde der Vereenigde Staten verkocht, waar zij hem nimmermeer zal ontmoeten, en haar meester beveelt haar een ander echtgenoot te nemen. Wat moet die vrouw nu doen? Zoo zij er een neemt, begaat zij, volgens haar Katechismus, overspel, en stelt zich bloot aan de straffe des eeuwigen vuurs; neemt zij hem niet, dan is zij haar meester ongehoorzaam, die, gelijk men haar geleerd heeft, haar opzigter van wege God is, en stelt zij zich ook om die reden aan het eeuwige vuur bloot;—zooveel is zeker, dat zij in allen gevalle hier beneden met vreeselijke martelingen bedreigd wordt.Nu vragen wij of een onderrigt, hetwelk dit arme schepsel in zulk een doolhof van afgrijselijkheden verwart, het Evangelie kan genoemd worden?Is dit het Evangelie, de Blijde Boodschap, in eenigerhande beteekenis van het woord?Op dezelfde wijze beveelt die Katechismus den ouders, hunne kinderen op te voeden volgens de voorschriften en in den geest des Heeren, en ze te leiden, te raden, te tuchtigen en te besturen.Nog leeren die onderwijzers hen, dat zij de Schrift naarstig en onophoudelijk moeten onderzoeken, doch verklaren te gelijkertijd,dat het hun voornemen niet is, zich te bemoeijen met de wetten, die verbieden dat den slaven het lezen geleerd worde. De Schrift onderzoeken, zegt men den slaven, beteekent, zich te wenden tot menschen, die genegen zijn hen daaruit voor te lezen. Ja, maar indien niemand hiertoe genegen is, wat dan? Iemand, dien de Katechismus dus onderwezen is, wordt bijv. verkocht naar eene plantaadje aan de Roode Rivier, gelijk die, waar Northrop vertoefde; geen Bijbel vergezelt hem derwaarts; zijne Christelijke onderwijzers hebben hem, in hunne zorg om zich met zijn burgerlijken toestand niet te bemoeijen, verstoken van het vermogen om te lezen; en in dat land der duisternis is het mondeling onderrigt slechts eene hersenschim. Laat iemand ons eens vragen, voor welken prijs wij verstoken zouden willen zijn van het vermogen, om ooit den Bijbel zelven te lezen en geheel afhankelijk te moeten zijn van het voorlezen van anderen,—vooral wanneer wij gevaar liepen van in zulke handen te vallen als met de slaven het geval is,—en dan kunnen wij nagaan of een stelsel van Godsdienstig onderrigt, hetwelk begint met te verklaren, dat het geen voornemen heeft zich met die wreede wettelijke berooving te bemoeijen, het Evangelie is!Verder wordt de arme slaaf, die reeds aan alle kanten verblind, verward en in duisternis gehuld is door de strikken, die de wet voor zijne voeten legt, stiptelijk onderwezen in een volkomen zamenstel van zedeleer. Hij mag niets begeeren wat zijnen meester behoort; hij mag niet morren of ontevreden zijn; hij moet zijns meesters belangen behartigen als zijne eigene en gereed zijn, zich er voor op te offeren; en zoo moet hij, gelijk men hem leert, zich niet alleen gedragen jegens den vriendelijken en den welwillenden, maar ook jegens den barschen meester. Hij moet alle beleedigingen vergeven en onder alle beproevingen naar regt handelen. Zoodanigerwijze worden hem zijne verpligtingen voorgehouden, terwijl de wederkeerige verpligtingen van den meester slechts bestaan in het verschaffen van goed huisdak, kleeding, voeding, enz., terwijl daarbij aan de willekeur van elken meester wordt overgelaten, te bepalen wat met opzigt tot deze zakengoedis.Het kan geene verwondering baren, dat, wanneer men zulk een stelsel van de verregaandste ongeregtigheid voor den neger wil regtvaardigen door het gezag der Godsdienst, nu en daneen sterke geest zich daartegen verzet. Onder eene zwarte huid hebben wij scherpzinnige hoofden, onmisleidbare gemoederen gevonden, wier geprikkeld gevoel van regt door zulke voorstellingen in het geheel niet van het spoor gebragt kon worden.Dat de heer Jones dezulken ook ontmoet heeft, is blijkbaar; want, sprekende van de bezwarenissen, waaraan een zendeling in hun midden onderworpen is, zegt hij op blz. 127:Hij treft deïsmus, scepticismus, universalismus onder hen aan, alsmede verschillende verbasteringen van het Evangelie en alle mogelijke tegenwerpingen tegen de Goddelijke waarheid,—tegenwerpingen, die hij misschien alleen gezocht zou hebben bij beschaafde lieden, ervaren geleerden of scherpzinnigecriticienwijsgeeren! Die uitersten ontmoet men hier op het gemeenschappelijk terrein van een beneveld verstand en een verstokt hart.Verder zegt hij in het tiende jaarlijksche verslag van de „Vereeniging voor het Godsdienstig onderrigt der negers in Liberty County, in Georgia:”Veroorlooft mij, een voorval mede te deelen, dat in de lente van dit jaar gebeurde en strekken kan om een inzigt te geven in het karakter en de gevoelens der negers. Ik predikte voor eene groote vergadering uit den Brief van Philemon; en toen ik uitweidde over de trouw en gehoorzaamheid als Christelijke deugden bij dienaren, en op gezag van Paulus het ontvlugten sterk veroordeelde, vertrok de helft mijner toehoorders zonder bedenken, en de overgeblevenen schenen gansch niet ingenomen met den predikant of zijne leer. Na den afloop heerschte er eene groote beweging onder hen; sommigen beweerden stellig, dat zulk een brief niet in den Bijbel stond; anderen „dat dit het Evangelie niet was;” nog anderen „dat ik predikte om hunnen meesters te behagen,” weder anderen „dat het hun onverschillig was of zij mij immer weder hoorden prediken.”—Blz. 24 en 25.Lundy Lane, een verstandig vlugteling, die ook Gedenkschriften heeft uitgegeven, zegt dat de slaven bij zekere gelegenheidbijzonder ingenomen waren met een predikant, totdat hij hun begon te betoogen, dat zij door God opzettelijk tot slaven bestemd en geschapen waren. Allen, zegt hij, lieten hem alleen staan, omdat zij met de Joden dachten: „Dit is een hard woord; wie kan het aanhooren?”Door deze opmerkingen omtrent de verdraaijing van het Evangelie, zoo als men het den slaven leert, willen wij niet beweren, dat hun niet veel nuttigs en prijselijks onderwezen wordt. Wij willen alleen betoogen, dat, voor zoo verre hetgeen men hen onderwijst de slavernij regtvaardigt, het noodwendig de gronddenkbeelden van geregtigheid en zedelijkheid schendt. Het is, gelijk wij reeds vroeger zeiden, eene poging, om de duisternis met het licht en Christus met Belial te verzoenen. Zulk eene poging kan niet geregtvaardigd of geduld worden op grond dat zij in een welwillenden geest door welwillende menschen wordt ondernomen. Wij koesteren hooge bewondering voor sommige der arbeiders, die dit stelsel ingang hebben doen vinden, even als voor vele der zendelingen uit de Jezuïten, die het Roomsch-Catholijke geloof onder de inheemsche stammen van dit land gebragt hebben. De opoffering en onbaatzuchtigheid kan niet verder gedreven worden dan door sommigen uit deze beide klassen van menschen geschied is.Doch, terwijl onze eerbied voor deze lofwaardige mannen ons als Protestanten niet moet verleiden tot het bewonderen van het stelsel, dat zij onderwezen hebben, zoo moet onze achting voor onze zuidelijke broeders ons ook niet verlokken om te erkennen, dat een stelsel, hetwelk de slechtste soort van geestelijke en wereldlijke dwingelandij regtvaardigt, in overeenstemming is met het Evangelie van Hem, die den gevangene verlossing kwam aankondigen.Ten bewijze dat wij den geest van het onderrigt niet verkeerdelijk hebben voorgesteld, zullen wij eenige uittreksels uit onderscheidene predikatiën en redevoeringen mededeelen.Om te weten hoe onbewimpeld de Godsdienst-onderwijzers iedere bedoeling om zich met de wettelijke betrekking te bemoeijen, van zich afwerpen, zie men het werk van den heer Jones op blz. 157:Door wetten en gebruiken zijn zij uitgesloten van devoordeelen der opvoeding en gevolgelijk van het lezen van Gods woord; en dit ontelbare aantal onsterfelijke wezens is voor Godsdienstig onderrigt geheel afhankelijk vanmondelingemededeelingen. En van wie? Van hunnemeesters. En hunne meesters beweren, voornamelijk in de laatste jaren, deuitsluitende bestierdersvan hun Godsdienstig onderrigt te zijn en de uitdeelers van de Goddelijke barmhartigheid ten hunnen aanzien, zoodat zij de verantwoordelijkheid van hunnegeheelebekeering op zich nemen!Er wordt streng gewaakt tegen alle toenadering van buiten, en geene Evangelie-dienaren mogen hun het brood des levens toereiken dan die,welke zich in het vertrouwen hunner meestershebben weten te dringen. Ik veroordeel dezen maatregel van zelfbehoud van de zijde onzer medeburgers niet; ik maak er slechts gewag van om hunnegeheele afhankelijkheidvan ons-zelven aan te toonen.Bij het beantwoorden van de bedenkingen der meesters tegen het Godsdienstig onderrigt der negers, stelt hij de navolgende tegenwerping en beantwoordt die volgenderwijze:Indien wij onze negers laten onderrigten zal er een streven naar eene verandering in de burgerlijke betrekkingen der maatschappij uit voortvloeijen.Wij antwoorden daarop: dat wij hunGodsdienstigenen hunmaatschappelijkentoestand geheel van elkander afscheiden, en beweren dat voor den eenen kan gezorgd worden zonder zich met den anderen te bemoeijen. Onsbeginselis dat, hetwelk gesteld is door den Heilige en Regtvaardige: „Geef den keizer wat des keizers, en Gode wat Godes is.” En Christus en Zijne Apostelen zijn onzevoorbeelden. Achtten zij het bestaanbaar met de goede maatschappelijke orde, den dienaren het Evangelie te prediken? Ja. Bemoeiden zij zich daarbij met hun maatschappelijken toestand? Neen.De volgende beschrijving van de gelukzaligheid in den hemel en van de pijnigingen in de hel, is ontleend aan den Katechismus van den heer Jones, blz. 83, 91 en 92:Vraag.Wordt er in den Bijbel slechts van twee plaatsen gesproken werwaarts de zielen der menschen na den dood heengaan?—Antwoord.Slechts van twee.V.Welke zijn die?—A.Hemel en hel.* * *V.Naar welke plaats gaan de regtvaardigen na het oordeel?—A.Naar den hemel.V.Welke soort van plaats is de hemel?—A.Eene allerheerlijkste en gelukzalige plaats.* * *V.Zullen de regtvaardigen in den hemel hongeren, of dorsten, of naakt, of heet, of koud zijn? Zullen zij daar zonde, of smart, of geween, of pijn, of dood kennen?—A.Neen.V.Zeg op: „En God zal alle tranen van hunne oogen wisschen.”—A.„En God zal alle tranen van hunne oogen wisschen, en daar zal geen dood, noch smart, noch geween meer zijn; ook zal daar geene pijn meer wezen; want de vroegere dingen zijn te niet gedaan.”V.Zal de hemel hunne eeuwigdurende woonplaats zijn?—A.Ja.V.En zullen de regtvaardigen daar altijd in kennis en heiligheid en gelukzaligheid toenemen?—A.Ja.V.Naar welke plaats moeten wij, meer dan naar eenige andere, wenschen en pogen heen te gaan?—A.Naar den hemel.* * *V.In welke plaats zullen de goddeloozen geworpen worden?—A.In de hel.V.Zeg op: „De goddeloozen zullen geworpen worden.”—A.„De goddeloozen zullen geworpen worden in de hel, en alle natiën die God vergeten.”V.Welke soort van plaats is de hel?—A.Eene plaats van vreeselijke pijnigingen.V.Wat brandt daar?—A.Een eeuwigdurend vuur.V.Wie worden, behalve de goddelooze menschen, nog in de hel geworpen?—A.De duivel en zijne engelen.V.Wat zullen de pijnen der hel den goddeloozen ontlokken?—A.Geween en knarsinge der tanden.V.Om wat smeekte de rijke toen hij door de vlammengefolterd werd?—A.Om een droppel water, ten einde zijne tong te verkoelen.V.Zullen de goddeloozen iets goeds in de hel hebben? het minste genoegen? de minste verligting hunner folteringen?—A.Neen.V.Zullen zij immer uit de hel komen?—A.Neen, nimmer.V.Kan iemand van den hemel naar de hel, of van de hel naar den hemel gaan?—A.Neen.V.Wat bevindt zich tusschen den hemel en de hel?—A.Een groote afgrond.V.Hoe wordt de straf der goddeloozen in de hel genoemd?—A.Eeuwigdurende straf.V.Zal deze straf hen beter maken?—A.Neen.V.Zeg op: „Het is vreeselijk.”—A.„Het is vreeselijk, te vallen in de handen des levenden Gods.”V.Hoe wordt God voor de goddeloozen genoemd?—A.Een verterend vuur.V.Welke plaats moeten wij boven alle andere trachten te vermijden?—A.De hel.De eerwaarde Alex. Glennie, predikant van hetAll-Saintskerspel, te Waccamaw, in Zuid-Carolina, is vele jaren gewoon geweest, bijzonder met het oog op de slaven te prediken. In 1844 gaf hij te Charleston eene keur van die preken in het licht, onder den titel van:Leerredenen, gepredikt op plantaadjen voor vergaderingen van negers.Er komen zes en twintig leerredenen in voor, en in twee en twintig daarvan vindt men een meer of minder groote uitweiding over de hel als een spoorslag tot pligtsbetrachting. Volgenderwijze beschrijft hij het laatste oordeel (Vijftiende leerrede, blz. 90):Wanneer allen voor Hem staan, zal Hij ze afzonderen, gelijk een herder zijne schapen van de bokken afzondert; en de schapen zal hij plaatsen aan Zijne regterhand en de bokken ter linkerhand. Die afzondering, mijne broederen, zal een vreeselijk iets zijn; wanneer de heilige engelen, op bevel van den grooten Regter, al de gehoorzame volgelingen van Christus bijeen zullen vergaderen en hen zullen plaatsen aan de regterzijde van den regterstoel, en al de overigenaan de linkerhand. Bedenkt, dat ieder uwer tegenwoordig moet zijn; bedenkt, dat bij den grooten Regter geene vergissing mogelijk is; en dat gij aan de eene of aan de andere zijde zult geplaatst worden, naar mate gij in deze wereld in Hem geloofd en Hem gehoorzaamd zult hebben, of niet. Hoe vol van vreugde en dankzegging zult gij zijn, indien gij u aan de regterhand ziet plaatsen! maar ook hoe vol van rampzaligheid en wanhoop, wanneer de linkerzijde u als plaats aangewezen wordt!Maar wat zal Hij zeggen tot de goddeloozen aan Zijne linkerhand? Hun zal Hij toevoegen: „Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne engelen.” Hij zal hen gebieden te vertrekken; hier op aarde zochten zij Hem niet door boetvaardigheid en geloof; zij gehoorzaamden Hem niet en thans zal Hij hen uit Zijne tegenwoordigheid verdrijven. Vervloekten zal Hij ze noemen.(Eerste Leerrede, blz. 42). De dood, die de bezoldiging is der zonde, is dat eeuwige vuur, hetwelk voor den duivel en zijne engelen bereid is. Het is een vuur, dat altijd zal branden; en de duivel en zijne engelen, en alle menschen, die God niet willen liefhebben en dienen, zullen daar eeuwige straf lijden. De Bijbel zegt: „De walm hunner pijniging stijgt in eeuwigheid op.” Het vuur wordt niet gebluscht, het dooft nimmer uit, de worm sterft niet; want van hunne straf wordt gesproken als van een worm, die altijd aan hen knaagt, maar hen nimmer verslindt; het kan niet eindigen.Met opzigt tot de volstrekte heerschappij van den meester kan dienen het volgende extract uit eene leerrede van bisschop Meade (Brook’sSlavery, blz. 30–32):Na u aldus de noodzakelijkste verpligtingen te hebben geschetst, die gij jegens uw grooten Meester in den Hemel hebt te vervullen, ga ik nu over tot hetgeen gij verschuldigd zijt aan uwe meesters en meesteressen hier op aarde; hiervoor bestaat een algemeene regel, dien gij altijd in gedachten behoort te houden, en die is: verrigt voor hen alle dienst, als of gij het voor God-zelven deedt. Arme schepsels!weinig bedenkt gij, wanneer gij lui zijt en de zaken uwer meesters veronachtzaamt, wanneer gij steelt of iets wat het hunne is verspilt of bederft, wanneer gij eigenzinnig of onheusch zijt, wanneer gij liegt en hen misleidt, wanneer gij norsch zijt en niet dan met slagen en straffen tot het werk gedreven kunt worden,—weinig bedenkt gij dan, zeg ik,dat de misdrijven, aan welke gij u schuldig maakt jegens uwe meesters en meesteressen, misdrijven zijn, welke gij begaat jegens God-zelven, die uwe meesters en meesteressen over u gesteld heeft in Zijne eigene plaats, en die verwacht, dat gij voor hen stipt hetzelfde zult doen, wat gij voor Hem zoudt verrigten. En ik bid u, denk toch niet, dat ik u misleid, wanneer ik u zeg,dat uwe meesters en meesteressen opzigters zijn van wege God; en dat, indien gij u jegens hen vergrijpt, God er u strengelijk voor zal straffen hier namaals, tenzij gij er berouw over hebt en er voor poogde te boeten door trouw en ijver in den vervolge; want God-zelf heeft dat verklaard.Uit dezen algemeenen regel nu,—namelijk, dat gij voor uwe meesters en meesteressen alles doen moet, alsof gij het voor God-zelf deedt,—ontspruiten verscheidene andere verpligtingen jegens uwe meesters en meesteressen, die ik in geleidelijke orde voor u zal trachten te ontwikkelen.In de eerste plaats dan, moet gij uwen meesters in alle dingen gehoorzaam en onderdanig zijn.... En den Christelijken leeraars wordt bevolen: „de dienstknechten te vermanen om gehoorzaam te zijn aan hunne eigene meesters, en hen in alle dingen, zonder tegenspraak of morren te wille te zijn.” Gij ziet hoe streng God van u vordert, dat gij, wat uwe meesters en meesteressen u bevelen, terstond verrigt en getrouw uitvoert, zonder tegenspreken of morren, en dat gij zorgt hen in alles te wille te zijn. En tot uwe aanmoediging verzekert Hij u, dat Hij er u in den hemel voor zal beloonen, dewijl, wanneer gij eerlijk en trouw de belangen van uw meester hier beneden waarneemt, gij uw Heer en Meester in den hemel dient. Gij ziet alzoo, dat gij geen verschil moet maken in uw gedrag ten aanzien uwer meesters en meesteressen, en dat gij gehoorzaam en onderworpen moet zijn, niet alleen aan degenen die goed en minzaam en zachtmoedig jegens u zijn, maar ook aan degenen, die hard ennorsch jegens u mogten wezen. Want gij zijt niet vrij om uwe eigene meesters te kiezen; maar daar, waar God u geplaatst heeft, moet gij uw pligt doen en God zal er u voor beloonen.Gij moet trouw en eerlijk voor uwe meesters en meesteressen zijn, niet lui wezen of hunne bezittingen verwaarloozen, maar in alle opzigten u betamelijk jegens hen gedragen....Zijn het niet uwe meesters, die, naast God, voor u zorgen? En hoe zullen zij hiertoe bij magte zijn, hoe u kunnen voeden en kleeden, zoo gij niet behoorlijk zorgt voor al wat het hunne is?Herinnert u, dat God dit van u vordert; en zoo gij niet bevreesd zijt voor straf hier beneden, bedenkt, dat gij niet kunt ontkomen aan de tuchtiging van den Almagtigen God, die oordeelen zal tusschen u en uwe meesters, en die u in de andere wereld strengelijk zal doen boeten voor al hetgeen gij hier jegens hen misdreven hebt.En zoo gij het zoo loos kondt overleggen, dat gij hier aan de oogen en handen der menschen ontkwaamt, bedenkt hoe vreeselijk het is te vallen in de handen des levenden Gods, die in staat is, om beide ligchaam en ziel in de hel te werpen!Dient uwen meester met blijmoedigheid, eerbied en onderdanigheid. Verrigt uws meesters werk goedwillig en van ganscher harte als de wil Gods, zonder misnoegen of tegenspraak.Hoe velen uwer handelen geheel anders, en kijven en knorren, in stede van goedwillig en van harte aan het werk te gaan, en geven norsche antwoorden en gedragen zich onwillig! Er is iets zoo innemends in een zedig, blijmoedig en voorkomend gedrag, dat een weinig werks aldus verrigt, beter gedaan schijnt te wezen en meer genoegen geeft, dan een veel grootere arbeid, die met dwang en zweepslagen van u moet verkregen worden. Gij wint daardoor de achting en welwillendheid van uwe eigenaren en zult uw eigen leven met meer gemak en genoegen slijten. Bovendien moet gij in aanmerking nemen, dat uw wrevel en kwade wil uwe meesters en meesteressen niet alléén treft. Zij bezitten de middelen om u goed- of kwaadschiks tot uw werk te dwingen.Maar uw murmureren en grommen geschiedt tegen God, die u in die betrekking geplaatst heeft en die u in de anderewereld strengelijk zal straffen voor het in den wind slaan Zijner geboden.Hier doet zich eene schrikwekkende vraag op: Indien de arme, onwetende slaaf, die zijns meesters wereldsche goederen tot zijn eigen voordeel aanwendt, zulk eene strenge straf te gemoet gaat, wat zal dan het lot zijn van die welopgevoede lieden, die voor hun tijdelijk belang wetten maken en handhaven, door welke opvolgende geslachten niet alleen van hunne dagelijksche verdiensten, maar van al hunne aanspraken en voorregten als onsterfelijke wezens beroofd worden?De eerwaarde heer Glennie verzekert zijnen hoorders, in een zijner predikatiën (aangehaald door Bowditch, blz. 137), dat niemand hunner in den oordeelsdag grond zal hebben, om te zeggen: „Ik had geene gelegenheid om van mijn God en Verlosser te hooren.”Bisschop Meade (aangehaald bij Brooke, blz. 34 en 35) weidt aldus voor de slaven uit, over de voordeelen van hun toestand. Men zou, dit lezende, waarlijk van gevoelen worden, dat ieder zich haastiglijk als slaaf moest gaan verkoopen, als de zekerste weg naar den hemel.Weest niet wrevelig of morrend, klaagt of gromt niet over uw toestand; want dit zal niet alleen uw leven onaangenaam maken, maar hoogelijk beleedigt gij God daarmede.Bedenkt dat gij het niet zelven zijt, noch de menschen aan wie gij behoort, waardoor gij in dezen toestand zijt gebragt,maar dat het de wil van God is, wiens Voorzienigheid u tot dienstknechten gemaakt heeft, dewijl Hij ongetwijfeld wist, dat dit zou strekken tot uw welzijn in deze wereld en om u te zekerder in den hemel te brengen, indien gij uwe pligten in deze betrekking trouw vervult. Misnoegen, dat gij niet vrij of rijk of voornaam zijt, gelijk anderen, die gij ziet, is opstaan tegen uw hemelschen Meester, en God berispen, die u gemaakt heeft tot hetgeen gij zijt, en u een even groot deel van Zijn koningrijk beloofd heeft, als den aanzienlijksten man, die op aarde leeft, als gij u naar behooren gedraagt en eerlijk en blijmoedig den arbeid verrigt, die u op aarde opgedragen is. Rijkdom en magt is menige rampzalige ziel ten verderve geweest, door haar hart van God af te trekken en aan ijdeleen zondige vermaken te doen hangen; zoodat, wanneer God, die onze harten beter kent dan wij-zelven ze kennen, ziet dat die gaven ons schade zouden doen en ze ons daarom onthoudt, dit de grootste genade en gunst is, die Hij ons bewijzen kan.Misschien verbeeldt gij u, dat gij, rijkdom en vrijheid bezittende, uwe pligten jegens God en de menschen beter zoudt kunnen vervullen, dan thans. Maar ik bid u, bedenkt, dat indien gij door Gods genade uwe zielen redden kunt, gij uw tijd in deze wereld tot het best mogelijke doeleinde zult besteed hebben; en hij, die eindelijk den hemel mag bereiken, heeft eene heerlijke reis afgelegd, hoe bezwaarlijk en doornig het pad ook geweest zij. Bovendien bezit gij inderdaad een groot voorregt boven de meeste blanken, die niet alleen belast zijn met hun dagelijkschen arbeid, maar nog te meer met het bezwaar, om te zorgen voor de behoeften van morgen en overmorgen, en het kleeden en groot brengen hunner kinderen en het opwinnen van voedsel en andere levensbehoeften voor allen, die tot hun gezin behooren, hetgeen hen dikwerf in groote ongelegenheden brengt en hun geest zoo zeer vervult, dat hunne gedachten daardoor van de andere wereld afgeleid worden. Daarentegen zijt gij van al die zorgen bevrijd, en hebt op niets te letten, dan op uw dagelijkschen arbeid, waarna gij de vereischte rust kunt nemen. Evenmin behoeft gij er aan te denken, iets voor den ouden dag op te leggen, gelijk de blanken verpligt zijn: want de wetten des lands hebben er voor gezorgd, dat gij niet verjaagd zult worden, wanneer gij niet meer werken kunt, maar onderhouden, zoo lang gij leeft, door degenen, aan wien gij behoort, hetzij gij werken kunt of niet.Bisschop Meade vertroost verder de slaven over zekere onaangenaamheden, die aan hun toestand eigen zijn, en waarover zij waarschijnlijk meer reden van klagen meenen te hebben, dan over eenig ander bezwaar. De lezer zal toestemmen, dat de bisschop de zaak zeer philosophisch beschouwt.Er is nog ééne schijnbaar onaangename zaak, waarover ik nu handelen zal, en dat is de straf.Nu, wanneer gij straf ontvangt, verdient gij die, of gijverdient die niet; maar hoe het zij, het is uw pligt, en God eischt dat van u, er u lijdzaam in te schikken. Misschien acht gij dit eene harde leer; maar zoo gij de zaak goed inziet, moet gij er noodwendig anders over beginnen te denken. Gesteld dat gij straf verdient, dan kunt gij niet anders zeggen dan dat zij u naar regt en billijkheid toekomt. Gesteld gij verdient geene of ten minste niet zoo strenge straf voor hetgeen gij bedreven hebt, dan hebt gij misschien weten te ontkomen aan menige verdiende straf en ten slotte voor die allen geboet. Of, gesteld dat gij geheel onschuldig zijt aan hetgeen u te laste gelegd wordt, en dat gij in dat bijzondere geval ten onregte lijdt; is het dan niet mogelijk dat gij eenig kwaad bedreven hebt hetwelk nooit aan het licht is gekomen, en dat de almagtige God, die het u zag bedrijven, u niet van straf wilde vrij doen blijven? En moet gij niet, in zulk een geval, Hem eere geven en dankbaar zijn, dat Hij u liever in dit leven voor uwe boosheid wilde straffen, dan uwe ziel daarvoor verderven in het volgende leven? Maar stelt, dat zelfs dit het geval niet ware (ofschoon het moeijelijk te denken valt), en dat gij op geenerlei wijze, bekend of onbekend, de straf verdiend hadt die gij ondergaan hebt,—is het dan niet een groote troost, dat, indien gij het met geduld verduurt en uwe zaak in handen van God overlaat, Hij er u voor in den hemel beloonen zal en dat de straf, die u hier onregtvaardiglijk toebedeeld is, u hier namaals tot overgrooten roem zal verstrekken?Dat bisschop Meade geene hooge gedachten koestert van de tegenwoordige genoegens van het slavenleven, mag gewis afgeleid worden uit de volgende opmerkingen, die hij tot de slaven rigt:Uwe bekrompene omstandigheden in dit leven moeten u bijzondere zorg doen dragen voor uwe ziel, want gij kunt de genoegens van dit leven niet genieten gelijk de vrije lieden die bezittingen en geld hebben om te besteden zoo als zij goedvinden. Zoo anderen hunne zielen in gevaar willen stellen, hebben zij de kans om rijkdom en magt te verkrijgen, om schatten op te stapelen en al het gemak, de weelde en de vermaken te genieten waarnaar hun harthaakt. Maar gij kunt van dit alles niets verwerven, zoodat indien gij uwe ziel op het spel zet voor de armzalige dingen, die gij in deze wereld verkrijgen kunt, gij inderdaad een zeer slechten koop doet.Deze ophelderingen zijn ontegenzeggelijk zeer ter zake dienende. Aldus gaat hij voort:Het heeft den almagtigen God behaagd, u hier slaven te maken en u niets dan arbeid en armoede in deze wereld toe te deelen, waaraan gij verpligt zijt u te onderwerpen, daar het Zijn wil is. En overlegt eens bij u zelven, hoe verschrikkelijk het wezen zou, na al uw werk en lijden in dit leven, in de hel geworpen te worden, en, na uwe ligchamen in de dienst alhier afgezwoegd te hebben, te geraken in eene nog veel erger slavernij en uwe zielen aan den duivel overgeleverd te zien om voor eeuwig zijne slaven in de hel te worden zonder hoop van immer vrij te komen. Indien gij derhalve vrije lieden in Gods hemel wilt worden, moet gij u beijveren om braaf te zijn en Hem hier op aarde te dienen. Uwe ligchamen, dat weet gij, zijn uw eigendom niet; zij behooren aan uwe meesters; maar uwe kostbare zielen zijn uw eigendom, hetwelk niemand u buiten uwe schuld kan ontnemen. Bedenkt dus wel, dat, indien gij uwe zielen verliest door hier een lui en boos leven te lijden, gij er niets door gewonnen hebt in deze en in tegendeel alles verloren in de toekomende wereld.Want uwe luiheid en boosheid worden doorgaans ontdekt en uwe ligchamen lijden er hier voor; en wat verreweg erger is, zoo gij niet tot inkeer komt en u betert, zullen uwe ongelukkige zielen er hier namaals voor lijden.De heer Jones onderstelt in dat gedeelte van zijn werk waar hij de tegenwerpingen der meesters tegen het Christelijk onderrigt der slaven wederlegt, dat de meester de volgende aanmerking maakt:Gij leert hun, dat God „geen aannemer des persoons” is; „dat Hij alle geslachten der volkeren van éénen bloede gemaakt heeft;” „gij zult uwen evennaaste als u-zelven beminnen;”„wat gij wilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen.” Laat ik mogen vragen, welk gebruik zij van deze spreuken uit het Evangelie kunnen maken?De heer Jones zegt dan vervolgens:Het antwoord hierop is, dat het gevolg, waarop in de tegenwerping gezinspeeld wordt, zou kunnen voortvloeijen uit eenonvolkomenenonverstandigGodsdienstig onderrigt; het zou inderdaad mogelijk zijn, dat door den onderwijzer het Godsdienstig onderrigt gegeven wierde methet opzettelijke doelom het bedoelde gevolg te weeg te brengen, waarvan voorbeelden bestaan.Maar wie zal zeggen, dat pligtverzuim en ongehoorzaamheid denoodwendigegevolgen van het Evangelie zijn, wanneer het den dienaren zuiver en opregtelijk wordt medegedeeld? Is het Evangelie niet door alle eeuwen heen beschouwd als de grootste beschaver van het menschelijk geslacht?Hoe de heer Jones de Blijde Boodschap aan den slaaf zoo zou kunnen mededeelen, dat de regtvaardiging van het slavernijstelsel er uit volgde, kunnen wij bij geene mogelijkheid nagaan. Echter zijn wij in staat om een proefje te geven, hoe zij uitgelegd wordt in de predikatiën van bisschop Meade, blz. 116 (Brook’sSlavery, blz. 32 en 33):„Wat gij wilt dat u geschiede, doet zoo ook aan anderen;” dat is, handelt jegens ieder, gelijk gij zoudt wenschen, dat zij ten uwen aanzien handelden, wanneer gij u bevondt in hunne plaats en zij in de uwe gesteld waren.Om dezen regel nu toe te passen op uwe bijzondere omstandigheden moet gij veronderstellen, dat gij meesters en meesteressen waart en bedienden onder u hadt; zoudt gij dan niet wenschen, dat uwe bedienden hun werk trouw en eerlijk verrigtten, zoowel buiten uw gezigt als onder uwe oogen? zoudt gij niet verwachten, dat zij acht sloegen op hetgeen gij hun zeidet? dat zij u en de uwen met eerbied behandelden en voor alles wat u toekwam zoo zorgvuldig zijn zouden als gij-zelven het zoudt wezen? Gij zijt thans ondergeschikten; handelt dus zoo als gij zoudt wenschenbehandeld te worden, dan zult gij goede dienaren zijn van uwe meesters en goede dienaren van God, die dit van u eischt en er u wèl voor beloonen zal, wanneer gij het van ganscher harte doet uit gehoorzaamheid aan zijne geboden.De eerwaarde heeren, die de Schrift aldus uitleggen, doen aan het gezond verstand hunner zwarte leerlingen groot onregt, wanneer zij dezen onbekwaam achten om dit dunne webbe van drogredenen te verbreken en overtuigend te bewijzen dat „menig mes aan twee kanten snijdt.” Een of ander schrander oud man (van den stempel dergenen, die opstonden en heengingen onder de bewuste predikatie over den brief aan Philemon, en die zoo veel scherpzinnigheid aan den dag legden bij het aanvoeren van tegenwerpingen tegen de Goddelijke waarheid, zoo als men die alleen gezocht zou hebben bij beschaafde lieden) zou welligt, had hij het durven onderstaan, op zulk eene uitlegging der Schrift hebben kunnen antwoorden: „Onderstel dat gij een slaaf waart,—dat gij uw leven lang geen penning van uwe eigene verdiensten genieten kondt, geen wettig regt op uwe vrouw en uwe kinderen hadt, uwe kinderen niet naar school mogt zenden, en dat, gelijk gij ons toegevoegd hebt, arbeid en armoede in dit leven uw deel moest zijn,—hoe zou dit u bevallen? Zoudt gij niet wenschen, dat uw Christelijke meester u uit dien toestand bevrijdde?” Wij vragen ieder, die geen aannemer des persoons is, of deze uitlegging van Sambo niet even goed is als die van den bisschop? Zoo niet, waarom niet?Bij onze gevoelens en denkbeelden komen leerredenen als die van bisschop Meade ons als hoogst hardvochtig en gevoelloos voor. Wij zouden den man echter groot onregt doen, zoo wij daaruit afleidden, dat zijn karakter hiermede in overeenstemming was. Het is alleen een nieuw bewijs hoe de gewoonte beminnelijke en achtenswaardige menschen zoo gemeenzaam maakt met een stelsel van onderdrukking, dat zij ten slotte alle gevoel verloren hebben voor het onregt, dat er in opgesloten ligt.Dat de redeneringen van bisschop Meade hem-zelven niet ten volle overtuigd hebben, kan daaruit blijken, dat hij, na al zijne schilderingen van de bijzondere voordeelen van deslavernij als een middel van Godsdienstige opleiding, eindelijk zijne eigene slaven emancipeerde.Doch, bij al hetgeen reeds gezegd is, wordt het geheele stelsel van Godsdienstig onderrigt verduisterd door eene afgrijselijke schaduw,—doorden slavenhandel. Wat doet de zuidelijke Kerk met hare catechisanten en lidmaten? Lees de advertentiën maar eens in de zuidelijke nieuwsbladen, en oordeel. Aanschouw in elke stad van de slavenkweekende Staten, die magazijnen, welke men bij voortduring gevuld houdt met gesorteerde negers van tien tot dertig jaren! Zie in elken slavenverbruikenden Staat de kosthuizen, waarheen deze beklagenswaardige overblijfselen van huisgezinnen onophoudelijk heengevoerd worden! Wie predikt het Evangelie aan de slaven-karavanen? Wie predikt het in de slaven-gevangenissen? Zoo wij de vreeselijke uitgebreidheid van dien binnenlandschen handel nagaan,—zoo wij kolommen advertentiën lezen van menschelijke wezens, die zoo veelvuldig van eigenaar verwisselen als of zij bankbilletten waren in stede van menschen,—dan zullen wij ons een begrip kunnen vormen hoe de invloed van het Godsdienstig onderrigt volkomen te niet gedaan moet worden doordien men de voorwerpen van dat onderrigt blootgesteld laat „aan al de wisselvalligheden van den eigendom.”
Hoofdstuk IX.Komt het godsdienstig onderrigt, dat men den slaaf geeft, met het Evangelie overeen?De Vrouwen van Engeland hebben in haar adres aan de Vrouwen van Amerika in het bijzonder er van gewaagd, dat den slaaf het Evangelie onthouden wordt. Men heeft zich daarover hier te lande zeer verontwaardigd betoond, en beweerd, dat het Evangelie ruimschoots ter kennisse van de slaven wordt gebragt.Wie het werk van den heer C. C. Jones, betreffende het Godsdienstig onderrigt der negers, leest, zal geen twijfel koesteren aangaande de volgende punten:1. Dat er jaar op jaar, sedert den invoer van negers in dit land, door verscheidene vrome en welgezinde personen pogingen voor hun geestelijk welzijn zijn aangewend.2. Dat die pogingen van jaar tot jaar talrijker zijn geworden.3. Dat de belangrijkste poging plaats vond omstreeks den tijd toen de heer Jones zijn werk schreef, in 1842, en dat zij eenige uitbreiding kreeg in de Vereenigde Staten. Zij heeft vermoedelijk hare grootste ontwikkeling gehad in den Staat Georgia, den kring van de onmiddellijke bemoeijingen van den heer Jones, waar zeer goede resultaten verkregen zijn en van de zijde der meesters veel loffelijk Christelijk gevoel is aan den dag gelegd.4. Van tijd tot tijd zijn ten dienste der slaven katechismussen, gezangen, korte preken, enz. enz. opgesteld, bestemd om hun door hunne meesters voorgelezen of mondeling onderrigt te worden.5. Het zal bij het lezen van het werk van den heer Jones aan ieder blijken, dat, ofschoon het geschreven is door een man, die het slavernij-stelsel door God goedgekeurd acht, er een geest uit spreekt van opregte welwillendheid en van hartelijke belangstelling in de taak, waaraan hij zich gewijd heeft, die niet genoeg geprezen kan worden.Het is een pijnlijke en onaangename pligt, wanneer men een oordeel of een verschil van gevoelen moet uitdrukken, ten aanzien van pogingen, die met een goed doel ondernomen zijn en in menig opzigt goede vruchten gedragen hebben; doch bij het lezen van het bedoelde werk van den heer Jones, en van zijne katechismussen en preken, die een denkbeeld geven van het Godsdienstig onderrigt der slaven, is schrijfster dezes smartelijk getroffen geworden door de meening, die bij haar oprees, dat, hoeveel goeds hier ook voorkomt, het niethet ware en zuivere stelsel van het Evangelieis, dat den slaaf gegeven wordt. Voor zoo ver de schrijfster, hetgeenhaarwordt medegedeeld, heeft kunnen nagaan, komt het hierop neder: dat zijns meesters gezag over hem en regt op hem, zoover de slavenwet het uitstrekt, erkend en gehandhaafd wordt door de ontzagwekkende autoriteit van God zelf. Men zegt hem, dat zijn meester de opzigter van wege God is; dat hij hem blinde, onvoorwaardelijke en onbegrensde gehoorzaamheid is verschuldigd; dat hij niet mag morren of misnoegd zijn over iets, dat deze hem aandoet; en, in geval hij er zich toch aan overgeeft, dat hij dan niet murmureert tegen zijn meester maar tegen God. Men leert hem, dat het Gods wil is, dat niets dan zwoegen en armoedeop deze wereld zijn doel zal wezen; en dat, indien hij daarover ontevreden is, hij daardoor niets zal winnen in dit leven, maar in het volgende voor eeuwig naar de hel gezonden worden. De meest levendige schilderingen van de hel en hare pijnen en hare wormen die nimmer sterven, worden hem voorgehouden; en men dringt hem op, dat die eeuwige pijniging het gevolg zal zijn van ongehoorzaamheid hier beneden. Het verwondert mij nu gansch niet, dat een slavenhouder eenmaal aan Dr. Brisbane van Cincinnati verklaarde, dat de Godsdienst op zijne plantage hem van meer nut was dan eene geheele wagenvracht bullepezen.Verder zegt men den slaaf, dat de poging om zijn meester te ontvlugten, of het helpen en herbergen van een slaaf, die ontvlugt is, dingen zouden zijn die hem blootstellen aan den toorn van dat alomtegenwoordige Wezen, welks oog tot elken schuilhoek doordringt.Daar de slaaf een roerend en verhandelbaar voorwerp is, onderhevig, gelijk de heer Jones kalm aanmerkt, „aan al de wisselingen van den eigendom,” moet dit stelsel van onderrigt, naar men denken kan, verwarring geven, wanneer het de Christelijke pligten van het huisgezin in den geest van den slaaf prent.Bij het nemen van een overzigt van het veld, dat hij bearbeiden wil, verhaalt de heer Jones ons—hetgeen ieder verstandig mensch reeds moet begrepen hebben—dat hij bij de negers in dit opzigt zeer berispelijke handelwijzen opgemerkt heeft; dat de veelwijverij algemeen onder hen in zwang is, en dat de huwelijksverbindtenis bij hen eene bloot tijdelijke vereeniging is, gesproten uit zucht naar belang, voordeel of genoegen, aangegaan zonder bedachtzaamheid en ontbonden zonder het geringste spoor van schuldgevoel.Ieder zal bevroeden, dat deze stand van zaken het noodwendig gevolg moet wezen van het wetten-stelsel, dat die Christelijke menschen gemaakt hebben en nog voor hunne slaven in kracht houden; en ieder zou het, om met eenige vrucht het Godsdienstig onderrigt te kunnen toedienen, voor onvermijdelijk houden, dat de neger verplaatst wierde in een toestand, waarin hij een wettig huwelijkkanaangaan en hieraan trouwkanblijven nadat het gesloten is.Doch de heer Jones en zijne medestanders begonnen metde verklaring, dat zij niet voornemens waren zich in het geringste met den wettelijken toestand van den slaaf te bemoeijen.Wij zouden daarom niet gedacht hebben, dat, indien de meesters besloten hunne slaven te houden in den toestand van roerend goed, onderworpen aan eene herhaalde verbreking van de familie-banden, zij hen zouden hebben durven doen onderrigten van de strenge zedeleer van het Evangelie met opzigt tot de huwelijksbetrekking.Evenwel is dit het geval. Zoo wij den Katechismus van den heer Jones doorloopen, zullen wij bevinden, dat men den slaaf mondeling laat opzeggen, dat één man de echtgenoot van slechts ééne vrouw kan zijn en dat, indien hij gedurende haar leven eene andere huwt, God hem daarvoor eeuwigdurende straf in de hel zal doen lijden.Stel dat eene Godsdienstige vrouw, onderwezen uit dien Katechismus, ten gevolge van den dood haars meesters wegens boedelscheiding aan de markt gebragt wordt,—gelijk in vele gevallen plaats vindt, waarvan wij de advertentiën elke week in de nieuwsbladen van Georgia lezen. Zij wordt ontrukt aan man en kinderen en naar het andere einde der Vereenigde Staten verkocht, waar zij hem nimmermeer zal ontmoeten, en haar meester beveelt haar een ander echtgenoot te nemen. Wat moet die vrouw nu doen? Zoo zij er een neemt, begaat zij, volgens haar Katechismus, overspel, en stelt zich bloot aan de straffe des eeuwigen vuurs; neemt zij hem niet, dan is zij haar meester ongehoorzaam, die, gelijk men haar geleerd heeft, haar opzigter van wege God is, en stelt zij zich ook om die reden aan het eeuwige vuur bloot;—zooveel is zeker, dat zij in allen gevalle hier beneden met vreeselijke martelingen bedreigd wordt.Nu vragen wij of een onderrigt, hetwelk dit arme schepsel in zulk een doolhof van afgrijselijkheden verwart, het Evangelie kan genoemd worden?Is dit het Evangelie, de Blijde Boodschap, in eenigerhande beteekenis van het woord?Op dezelfde wijze beveelt die Katechismus den ouders, hunne kinderen op te voeden volgens de voorschriften en in den geest des Heeren, en ze te leiden, te raden, te tuchtigen en te besturen.Nog leeren die onderwijzers hen, dat zij de Schrift naarstig en onophoudelijk moeten onderzoeken, doch verklaren te gelijkertijd,dat het hun voornemen niet is, zich te bemoeijen met de wetten, die verbieden dat den slaven het lezen geleerd worde. De Schrift onderzoeken, zegt men den slaven, beteekent, zich te wenden tot menschen, die genegen zijn hen daaruit voor te lezen. Ja, maar indien niemand hiertoe genegen is, wat dan? Iemand, dien de Katechismus dus onderwezen is, wordt bijv. verkocht naar eene plantaadje aan de Roode Rivier, gelijk die, waar Northrop vertoefde; geen Bijbel vergezelt hem derwaarts; zijne Christelijke onderwijzers hebben hem, in hunne zorg om zich met zijn burgerlijken toestand niet te bemoeijen, verstoken van het vermogen om te lezen; en in dat land der duisternis is het mondeling onderrigt slechts eene hersenschim. Laat iemand ons eens vragen, voor welken prijs wij verstoken zouden willen zijn van het vermogen, om ooit den Bijbel zelven te lezen en geheel afhankelijk te moeten zijn van het voorlezen van anderen,—vooral wanneer wij gevaar liepen van in zulke handen te vallen als met de slaven het geval is,—en dan kunnen wij nagaan of een stelsel van Godsdienstig onderrigt, hetwelk begint met te verklaren, dat het geen voornemen heeft zich met die wreede wettelijke berooving te bemoeijen, het Evangelie is!Verder wordt de arme slaaf, die reeds aan alle kanten verblind, verward en in duisternis gehuld is door de strikken, die de wet voor zijne voeten legt, stiptelijk onderwezen in een volkomen zamenstel van zedeleer. Hij mag niets begeeren wat zijnen meester behoort; hij mag niet morren of ontevreden zijn; hij moet zijns meesters belangen behartigen als zijne eigene en gereed zijn, zich er voor op te offeren; en zoo moet hij, gelijk men hem leert, zich niet alleen gedragen jegens den vriendelijken en den welwillenden, maar ook jegens den barschen meester. Hij moet alle beleedigingen vergeven en onder alle beproevingen naar regt handelen. Zoodanigerwijze worden hem zijne verpligtingen voorgehouden, terwijl de wederkeerige verpligtingen van den meester slechts bestaan in het verschaffen van goed huisdak, kleeding, voeding, enz., terwijl daarbij aan de willekeur van elken meester wordt overgelaten, te bepalen wat met opzigt tot deze zakengoedis.Het kan geene verwondering baren, dat, wanneer men zulk een stelsel van de verregaandste ongeregtigheid voor den neger wil regtvaardigen door het gezag der Godsdienst, nu en daneen sterke geest zich daartegen verzet. Onder eene zwarte huid hebben wij scherpzinnige hoofden, onmisleidbare gemoederen gevonden, wier geprikkeld gevoel van regt door zulke voorstellingen in het geheel niet van het spoor gebragt kon worden.Dat de heer Jones dezulken ook ontmoet heeft, is blijkbaar; want, sprekende van de bezwarenissen, waaraan een zendeling in hun midden onderworpen is, zegt hij op blz. 127:Hij treft deïsmus, scepticismus, universalismus onder hen aan, alsmede verschillende verbasteringen van het Evangelie en alle mogelijke tegenwerpingen tegen de Goddelijke waarheid,—tegenwerpingen, die hij misschien alleen gezocht zou hebben bij beschaafde lieden, ervaren geleerden of scherpzinnigecriticienwijsgeeren! Die uitersten ontmoet men hier op het gemeenschappelijk terrein van een beneveld verstand en een verstokt hart.Verder zegt hij in het tiende jaarlijksche verslag van de „Vereeniging voor het Godsdienstig onderrigt der negers in Liberty County, in Georgia:”Veroorlooft mij, een voorval mede te deelen, dat in de lente van dit jaar gebeurde en strekken kan om een inzigt te geven in het karakter en de gevoelens der negers. Ik predikte voor eene groote vergadering uit den Brief van Philemon; en toen ik uitweidde over de trouw en gehoorzaamheid als Christelijke deugden bij dienaren, en op gezag van Paulus het ontvlugten sterk veroordeelde, vertrok de helft mijner toehoorders zonder bedenken, en de overgeblevenen schenen gansch niet ingenomen met den predikant of zijne leer. Na den afloop heerschte er eene groote beweging onder hen; sommigen beweerden stellig, dat zulk een brief niet in den Bijbel stond; anderen „dat dit het Evangelie niet was;” nog anderen „dat ik predikte om hunnen meesters te behagen,” weder anderen „dat het hun onverschillig was of zij mij immer weder hoorden prediken.”—Blz. 24 en 25.Lundy Lane, een verstandig vlugteling, die ook Gedenkschriften heeft uitgegeven, zegt dat de slaven bij zekere gelegenheidbijzonder ingenomen waren met een predikant, totdat hij hun begon te betoogen, dat zij door God opzettelijk tot slaven bestemd en geschapen waren. Allen, zegt hij, lieten hem alleen staan, omdat zij met de Joden dachten: „Dit is een hard woord; wie kan het aanhooren?”Door deze opmerkingen omtrent de verdraaijing van het Evangelie, zoo als men het den slaven leert, willen wij niet beweren, dat hun niet veel nuttigs en prijselijks onderwezen wordt. Wij willen alleen betoogen, dat, voor zoo verre hetgeen men hen onderwijst de slavernij regtvaardigt, het noodwendig de gronddenkbeelden van geregtigheid en zedelijkheid schendt. Het is, gelijk wij reeds vroeger zeiden, eene poging, om de duisternis met het licht en Christus met Belial te verzoenen. Zulk eene poging kan niet geregtvaardigd of geduld worden op grond dat zij in een welwillenden geest door welwillende menschen wordt ondernomen. Wij koesteren hooge bewondering voor sommige der arbeiders, die dit stelsel ingang hebben doen vinden, even als voor vele der zendelingen uit de Jezuïten, die het Roomsch-Catholijke geloof onder de inheemsche stammen van dit land gebragt hebben. De opoffering en onbaatzuchtigheid kan niet verder gedreven worden dan door sommigen uit deze beide klassen van menschen geschied is.Doch, terwijl onze eerbied voor deze lofwaardige mannen ons als Protestanten niet moet verleiden tot het bewonderen van het stelsel, dat zij onderwezen hebben, zoo moet onze achting voor onze zuidelijke broeders ons ook niet verlokken om te erkennen, dat een stelsel, hetwelk de slechtste soort van geestelijke en wereldlijke dwingelandij regtvaardigt, in overeenstemming is met het Evangelie van Hem, die den gevangene verlossing kwam aankondigen.Ten bewijze dat wij den geest van het onderrigt niet verkeerdelijk hebben voorgesteld, zullen wij eenige uittreksels uit onderscheidene predikatiën en redevoeringen mededeelen.Om te weten hoe onbewimpeld de Godsdienst-onderwijzers iedere bedoeling om zich met de wettelijke betrekking te bemoeijen, van zich afwerpen, zie men het werk van den heer Jones op blz. 157:Door wetten en gebruiken zijn zij uitgesloten van devoordeelen der opvoeding en gevolgelijk van het lezen van Gods woord; en dit ontelbare aantal onsterfelijke wezens is voor Godsdienstig onderrigt geheel afhankelijk vanmondelingemededeelingen. En van wie? Van hunnemeesters. En hunne meesters beweren, voornamelijk in de laatste jaren, deuitsluitende bestierdersvan hun Godsdienstig onderrigt te zijn en de uitdeelers van de Goddelijke barmhartigheid ten hunnen aanzien, zoodat zij de verantwoordelijkheid van hunnegeheelebekeering op zich nemen!Er wordt streng gewaakt tegen alle toenadering van buiten, en geene Evangelie-dienaren mogen hun het brood des levens toereiken dan die,welke zich in het vertrouwen hunner meestershebben weten te dringen. Ik veroordeel dezen maatregel van zelfbehoud van de zijde onzer medeburgers niet; ik maak er slechts gewag van om hunnegeheele afhankelijkheidvan ons-zelven aan te toonen.Bij het beantwoorden van de bedenkingen der meesters tegen het Godsdienstig onderrigt der negers, stelt hij de navolgende tegenwerping en beantwoordt die volgenderwijze:Indien wij onze negers laten onderrigten zal er een streven naar eene verandering in de burgerlijke betrekkingen der maatschappij uit voortvloeijen.Wij antwoorden daarop: dat wij hunGodsdienstigenen hunmaatschappelijkentoestand geheel van elkander afscheiden, en beweren dat voor den eenen kan gezorgd worden zonder zich met den anderen te bemoeijen. Onsbeginselis dat, hetwelk gesteld is door den Heilige en Regtvaardige: „Geef den keizer wat des keizers, en Gode wat Godes is.” En Christus en Zijne Apostelen zijn onzevoorbeelden. Achtten zij het bestaanbaar met de goede maatschappelijke orde, den dienaren het Evangelie te prediken? Ja. Bemoeiden zij zich daarbij met hun maatschappelijken toestand? Neen.De volgende beschrijving van de gelukzaligheid in den hemel en van de pijnigingen in de hel, is ontleend aan den Katechismus van den heer Jones, blz. 83, 91 en 92:Vraag.Wordt er in den Bijbel slechts van twee plaatsen gesproken werwaarts de zielen der menschen na den dood heengaan?—Antwoord.Slechts van twee.V.Welke zijn die?—A.Hemel en hel.* * *V.Naar welke plaats gaan de regtvaardigen na het oordeel?—A.Naar den hemel.V.Welke soort van plaats is de hemel?—A.Eene allerheerlijkste en gelukzalige plaats.* * *V.Zullen de regtvaardigen in den hemel hongeren, of dorsten, of naakt, of heet, of koud zijn? Zullen zij daar zonde, of smart, of geween, of pijn, of dood kennen?—A.Neen.V.Zeg op: „En God zal alle tranen van hunne oogen wisschen.”—A.„En God zal alle tranen van hunne oogen wisschen, en daar zal geen dood, noch smart, noch geween meer zijn; ook zal daar geene pijn meer wezen; want de vroegere dingen zijn te niet gedaan.”V.Zal de hemel hunne eeuwigdurende woonplaats zijn?—A.Ja.V.En zullen de regtvaardigen daar altijd in kennis en heiligheid en gelukzaligheid toenemen?—A.Ja.V.Naar welke plaats moeten wij, meer dan naar eenige andere, wenschen en pogen heen te gaan?—A.Naar den hemel.* * *V.In welke plaats zullen de goddeloozen geworpen worden?—A.In de hel.V.Zeg op: „De goddeloozen zullen geworpen worden.”—A.„De goddeloozen zullen geworpen worden in de hel, en alle natiën die God vergeten.”V.Welke soort van plaats is de hel?—A.Eene plaats van vreeselijke pijnigingen.V.Wat brandt daar?—A.Een eeuwigdurend vuur.V.Wie worden, behalve de goddelooze menschen, nog in de hel geworpen?—A.De duivel en zijne engelen.V.Wat zullen de pijnen der hel den goddeloozen ontlokken?—A.Geween en knarsinge der tanden.V.Om wat smeekte de rijke toen hij door de vlammengefolterd werd?—A.Om een droppel water, ten einde zijne tong te verkoelen.V.Zullen de goddeloozen iets goeds in de hel hebben? het minste genoegen? de minste verligting hunner folteringen?—A.Neen.V.Zullen zij immer uit de hel komen?—A.Neen, nimmer.V.Kan iemand van den hemel naar de hel, of van de hel naar den hemel gaan?—A.Neen.V.Wat bevindt zich tusschen den hemel en de hel?—A.Een groote afgrond.V.Hoe wordt de straf der goddeloozen in de hel genoemd?—A.Eeuwigdurende straf.V.Zal deze straf hen beter maken?—A.Neen.V.Zeg op: „Het is vreeselijk.”—A.„Het is vreeselijk, te vallen in de handen des levenden Gods.”V.Hoe wordt God voor de goddeloozen genoemd?—A.Een verterend vuur.V.Welke plaats moeten wij boven alle andere trachten te vermijden?—A.De hel.De eerwaarde Alex. Glennie, predikant van hetAll-Saintskerspel, te Waccamaw, in Zuid-Carolina, is vele jaren gewoon geweest, bijzonder met het oog op de slaven te prediken. In 1844 gaf hij te Charleston eene keur van die preken in het licht, onder den titel van:Leerredenen, gepredikt op plantaadjen voor vergaderingen van negers.Er komen zes en twintig leerredenen in voor, en in twee en twintig daarvan vindt men een meer of minder groote uitweiding over de hel als een spoorslag tot pligtsbetrachting. Volgenderwijze beschrijft hij het laatste oordeel (Vijftiende leerrede, blz. 90):Wanneer allen voor Hem staan, zal Hij ze afzonderen, gelijk een herder zijne schapen van de bokken afzondert; en de schapen zal hij plaatsen aan Zijne regterhand en de bokken ter linkerhand. Die afzondering, mijne broederen, zal een vreeselijk iets zijn; wanneer de heilige engelen, op bevel van den grooten Regter, al de gehoorzame volgelingen van Christus bijeen zullen vergaderen en hen zullen plaatsen aan de regterzijde van den regterstoel, en al de overigenaan de linkerhand. Bedenkt, dat ieder uwer tegenwoordig moet zijn; bedenkt, dat bij den grooten Regter geene vergissing mogelijk is; en dat gij aan de eene of aan de andere zijde zult geplaatst worden, naar mate gij in deze wereld in Hem geloofd en Hem gehoorzaamd zult hebben, of niet. Hoe vol van vreugde en dankzegging zult gij zijn, indien gij u aan de regterhand ziet plaatsen! maar ook hoe vol van rampzaligheid en wanhoop, wanneer de linkerzijde u als plaats aangewezen wordt!Maar wat zal Hij zeggen tot de goddeloozen aan Zijne linkerhand? Hun zal Hij toevoegen: „Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne engelen.” Hij zal hen gebieden te vertrekken; hier op aarde zochten zij Hem niet door boetvaardigheid en geloof; zij gehoorzaamden Hem niet en thans zal Hij hen uit Zijne tegenwoordigheid verdrijven. Vervloekten zal Hij ze noemen.(Eerste Leerrede, blz. 42). De dood, die de bezoldiging is der zonde, is dat eeuwige vuur, hetwelk voor den duivel en zijne engelen bereid is. Het is een vuur, dat altijd zal branden; en de duivel en zijne engelen, en alle menschen, die God niet willen liefhebben en dienen, zullen daar eeuwige straf lijden. De Bijbel zegt: „De walm hunner pijniging stijgt in eeuwigheid op.” Het vuur wordt niet gebluscht, het dooft nimmer uit, de worm sterft niet; want van hunne straf wordt gesproken als van een worm, die altijd aan hen knaagt, maar hen nimmer verslindt; het kan niet eindigen.Met opzigt tot de volstrekte heerschappij van den meester kan dienen het volgende extract uit eene leerrede van bisschop Meade (Brook’sSlavery, blz. 30–32):Na u aldus de noodzakelijkste verpligtingen te hebben geschetst, die gij jegens uw grooten Meester in den Hemel hebt te vervullen, ga ik nu over tot hetgeen gij verschuldigd zijt aan uwe meesters en meesteressen hier op aarde; hiervoor bestaat een algemeene regel, dien gij altijd in gedachten behoort te houden, en die is: verrigt voor hen alle dienst, als of gij het voor God-zelven deedt. Arme schepsels!weinig bedenkt gij, wanneer gij lui zijt en de zaken uwer meesters veronachtzaamt, wanneer gij steelt of iets wat het hunne is verspilt of bederft, wanneer gij eigenzinnig of onheusch zijt, wanneer gij liegt en hen misleidt, wanneer gij norsch zijt en niet dan met slagen en straffen tot het werk gedreven kunt worden,—weinig bedenkt gij dan, zeg ik,dat de misdrijven, aan welke gij u schuldig maakt jegens uwe meesters en meesteressen, misdrijven zijn, welke gij begaat jegens God-zelven, die uwe meesters en meesteressen over u gesteld heeft in Zijne eigene plaats, en die verwacht, dat gij voor hen stipt hetzelfde zult doen, wat gij voor Hem zoudt verrigten. En ik bid u, denk toch niet, dat ik u misleid, wanneer ik u zeg,dat uwe meesters en meesteressen opzigters zijn van wege God; en dat, indien gij u jegens hen vergrijpt, God er u strengelijk voor zal straffen hier namaals, tenzij gij er berouw over hebt en er voor poogde te boeten door trouw en ijver in den vervolge; want God-zelf heeft dat verklaard.Uit dezen algemeenen regel nu,—namelijk, dat gij voor uwe meesters en meesteressen alles doen moet, alsof gij het voor God-zelf deedt,—ontspruiten verscheidene andere verpligtingen jegens uwe meesters en meesteressen, die ik in geleidelijke orde voor u zal trachten te ontwikkelen.In de eerste plaats dan, moet gij uwen meesters in alle dingen gehoorzaam en onderdanig zijn.... En den Christelijken leeraars wordt bevolen: „de dienstknechten te vermanen om gehoorzaam te zijn aan hunne eigene meesters, en hen in alle dingen, zonder tegenspraak of morren te wille te zijn.” Gij ziet hoe streng God van u vordert, dat gij, wat uwe meesters en meesteressen u bevelen, terstond verrigt en getrouw uitvoert, zonder tegenspreken of morren, en dat gij zorgt hen in alles te wille te zijn. En tot uwe aanmoediging verzekert Hij u, dat Hij er u in den hemel voor zal beloonen, dewijl, wanneer gij eerlijk en trouw de belangen van uw meester hier beneden waarneemt, gij uw Heer en Meester in den hemel dient. Gij ziet alzoo, dat gij geen verschil moet maken in uw gedrag ten aanzien uwer meesters en meesteressen, en dat gij gehoorzaam en onderworpen moet zijn, niet alleen aan degenen die goed en minzaam en zachtmoedig jegens u zijn, maar ook aan degenen, die hard ennorsch jegens u mogten wezen. Want gij zijt niet vrij om uwe eigene meesters te kiezen; maar daar, waar God u geplaatst heeft, moet gij uw pligt doen en God zal er u voor beloonen.Gij moet trouw en eerlijk voor uwe meesters en meesteressen zijn, niet lui wezen of hunne bezittingen verwaarloozen, maar in alle opzigten u betamelijk jegens hen gedragen....Zijn het niet uwe meesters, die, naast God, voor u zorgen? En hoe zullen zij hiertoe bij magte zijn, hoe u kunnen voeden en kleeden, zoo gij niet behoorlijk zorgt voor al wat het hunne is?Herinnert u, dat God dit van u vordert; en zoo gij niet bevreesd zijt voor straf hier beneden, bedenkt, dat gij niet kunt ontkomen aan de tuchtiging van den Almagtigen God, die oordeelen zal tusschen u en uwe meesters, en die u in de andere wereld strengelijk zal doen boeten voor al hetgeen gij hier jegens hen misdreven hebt.En zoo gij het zoo loos kondt overleggen, dat gij hier aan de oogen en handen der menschen ontkwaamt, bedenkt hoe vreeselijk het is te vallen in de handen des levenden Gods, die in staat is, om beide ligchaam en ziel in de hel te werpen!Dient uwen meester met blijmoedigheid, eerbied en onderdanigheid. Verrigt uws meesters werk goedwillig en van ganscher harte als de wil Gods, zonder misnoegen of tegenspraak.Hoe velen uwer handelen geheel anders, en kijven en knorren, in stede van goedwillig en van harte aan het werk te gaan, en geven norsche antwoorden en gedragen zich onwillig! Er is iets zoo innemends in een zedig, blijmoedig en voorkomend gedrag, dat een weinig werks aldus verrigt, beter gedaan schijnt te wezen en meer genoegen geeft, dan een veel grootere arbeid, die met dwang en zweepslagen van u moet verkregen worden. Gij wint daardoor de achting en welwillendheid van uwe eigenaren en zult uw eigen leven met meer gemak en genoegen slijten. Bovendien moet gij in aanmerking nemen, dat uw wrevel en kwade wil uwe meesters en meesteressen niet alléén treft. Zij bezitten de middelen om u goed- of kwaadschiks tot uw werk te dwingen.Maar uw murmureren en grommen geschiedt tegen God, die u in die betrekking geplaatst heeft en die u in de anderewereld strengelijk zal straffen voor het in den wind slaan Zijner geboden.Hier doet zich eene schrikwekkende vraag op: Indien de arme, onwetende slaaf, die zijns meesters wereldsche goederen tot zijn eigen voordeel aanwendt, zulk eene strenge straf te gemoet gaat, wat zal dan het lot zijn van die welopgevoede lieden, die voor hun tijdelijk belang wetten maken en handhaven, door welke opvolgende geslachten niet alleen van hunne dagelijksche verdiensten, maar van al hunne aanspraken en voorregten als onsterfelijke wezens beroofd worden?De eerwaarde heer Glennie verzekert zijnen hoorders, in een zijner predikatiën (aangehaald door Bowditch, blz. 137), dat niemand hunner in den oordeelsdag grond zal hebben, om te zeggen: „Ik had geene gelegenheid om van mijn God en Verlosser te hooren.”Bisschop Meade (aangehaald bij Brooke, blz. 34 en 35) weidt aldus voor de slaven uit, over de voordeelen van hun toestand. Men zou, dit lezende, waarlijk van gevoelen worden, dat ieder zich haastiglijk als slaaf moest gaan verkoopen, als de zekerste weg naar den hemel.Weest niet wrevelig of morrend, klaagt of gromt niet over uw toestand; want dit zal niet alleen uw leven onaangenaam maken, maar hoogelijk beleedigt gij God daarmede.Bedenkt dat gij het niet zelven zijt, noch de menschen aan wie gij behoort, waardoor gij in dezen toestand zijt gebragt,maar dat het de wil van God is, wiens Voorzienigheid u tot dienstknechten gemaakt heeft, dewijl Hij ongetwijfeld wist, dat dit zou strekken tot uw welzijn in deze wereld en om u te zekerder in den hemel te brengen, indien gij uwe pligten in deze betrekking trouw vervult. Misnoegen, dat gij niet vrij of rijk of voornaam zijt, gelijk anderen, die gij ziet, is opstaan tegen uw hemelschen Meester, en God berispen, die u gemaakt heeft tot hetgeen gij zijt, en u een even groot deel van Zijn koningrijk beloofd heeft, als den aanzienlijksten man, die op aarde leeft, als gij u naar behooren gedraagt en eerlijk en blijmoedig den arbeid verrigt, die u op aarde opgedragen is. Rijkdom en magt is menige rampzalige ziel ten verderve geweest, door haar hart van God af te trekken en aan ijdeleen zondige vermaken te doen hangen; zoodat, wanneer God, die onze harten beter kent dan wij-zelven ze kennen, ziet dat die gaven ons schade zouden doen en ze ons daarom onthoudt, dit de grootste genade en gunst is, die Hij ons bewijzen kan.Misschien verbeeldt gij u, dat gij, rijkdom en vrijheid bezittende, uwe pligten jegens God en de menschen beter zoudt kunnen vervullen, dan thans. Maar ik bid u, bedenkt, dat indien gij door Gods genade uwe zielen redden kunt, gij uw tijd in deze wereld tot het best mogelijke doeleinde zult besteed hebben; en hij, die eindelijk den hemel mag bereiken, heeft eene heerlijke reis afgelegd, hoe bezwaarlijk en doornig het pad ook geweest zij. Bovendien bezit gij inderdaad een groot voorregt boven de meeste blanken, die niet alleen belast zijn met hun dagelijkschen arbeid, maar nog te meer met het bezwaar, om te zorgen voor de behoeften van morgen en overmorgen, en het kleeden en groot brengen hunner kinderen en het opwinnen van voedsel en andere levensbehoeften voor allen, die tot hun gezin behooren, hetgeen hen dikwerf in groote ongelegenheden brengt en hun geest zoo zeer vervult, dat hunne gedachten daardoor van de andere wereld afgeleid worden. Daarentegen zijt gij van al die zorgen bevrijd, en hebt op niets te letten, dan op uw dagelijkschen arbeid, waarna gij de vereischte rust kunt nemen. Evenmin behoeft gij er aan te denken, iets voor den ouden dag op te leggen, gelijk de blanken verpligt zijn: want de wetten des lands hebben er voor gezorgd, dat gij niet verjaagd zult worden, wanneer gij niet meer werken kunt, maar onderhouden, zoo lang gij leeft, door degenen, aan wien gij behoort, hetzij gij werken kunt of niet.Bisschop Meade vertroost verder de slaven over zekere onaangenaamheden, die aan hun toestand eigen zijn, en waarover zij waarschijnlijk meer reden van klagen meenen te hebben, dan over eenig ander bezwaar. De lezer zal toestemmen, dat de bisschop de zaak zeer philosophisch beschouwt.Er is nog ééne schijnbaar onaangename zaak, waarover ik nu handelen zal, en dat is de straf.Nu, wanneer gij straf ontvangt, verdient gij die, of gijverdient die niet; maar hoe het zij, het is uw pligt, en God eischt dat van u, er u lijdzaam in te schikken. Misschien acht gij dit eene harde leer; maar zoo gij de zaak goed inziet, moet gij er noodwendig anders over beginnen te denken. Gesteld dat gij straf verdient, dan kunt gij niet anders zeggen dan dat zij u naar regt en billijkheid toekomt. Gesteld gij verdient geene of ten minste niet zoo strenge straf voor hetgeen gij bedreven hebt, dan hebt gij misschien weten te ontkomen aan menige verdiende straf en ten slotte voor die allen geboet. Of, gesteld dat gij geheel onschuldig zijt aan hetgeen u te laste gelegd wordt, en dat gij in dat bijzondere geval ten onregte lijdt; is het dan niet mogelijk dat gij eenig kwaad bedreven hebt hetwelk nooit aan het licht is gekomen, en dat de almagtige God, die het u zag bedrijven, u niet van straf wilde vrij doen blijven? En moet gij niet, in zulk een geval, Hem eere geven en dankbaar zijn, dat Hij u liever in dit leven voor uwe boosheid wilde straffen, dan uwe ziel daarvoor verderven in het volgende leven? Maar stelt, dat zelfs dit het geval niet ware (ofschoon het moeijelijk te denken valt), en dat gij op geenerlei wijze, bekend of onbekend, de straf verdiend hadt die gij ondergaan hebt,—is het dan niet een groote troost, dat, indien gij het met geduld verduurt en uwe zaak in handen van God overlaat, Hij er u voor in den hemel beloonen zal en dat de straf, die u hier onregtvaardiglijk toebedeeld is, u hier namaals tot overgrooten roem zal verstrekken?Dat bisschop Meade geene hooge gedachten koestert van de tegenwoordige genoegens van het slavenleven, mag gewis afgeleid worden uit de volgende opmerkingen, die hij tot de slaven rigt:Uwe bekrompene omstandigheden in dit leven moeten u bijzondere zorg doen dragen voor uwe ziel, want gij kunt de genoegens van dit leven niet genieten gelijk de vrije lieden die bezittingen en geld hebben om te besteden zoo als zij goedvinden. Zoo anderen hunne zielen in gevaar willen stellen, hebben zij de kans om rijkdom en magt te verkrijgen, om schatten op te stapelen en al het gemak, de weelde en de vermaken te genieten waarnaar hun harthaakt. Maar gij kunt van dit alles niets verwerven, zoodat indien gij uwe ziel op het spel zet voor de armzalige dingen, die gij in deze wereld verkrijgen kunt, gij inderdaad een zeer slechten koop doet.Deze ophelderingen zijn ontegenzeggelijk zeer ter zake dienende. Aldus gaat hij voort:Het heeft den almagtigen God behaagd, u hier slaven te maken en u niets dan arbeid en armoede in deze wereld toe te deelen, waaraan gij verpligt zijt u te onderwerpen, daar het Zijn wil is. En overlegt eens bij u zelven, hoe verschrikkelijk het wezen zou, na al uw werk en lijden in dit leven, in de hel geworpen te worden, en, na uwe ligchamen in de dienst alhier afgezwoegd te hebben, te geraken in eene nog veel erger slavernij en uwe zielen aan den duivel overgeleverd te zien om voor eeuwig zijne slaven in de hel te worden zonder hoop van immer vrij te komen. Indien gij derhalve vrije lieden in Gods hemel wilt worden, moet gij u beijveren om braaf te zijn en Hem hier op aarde te dienen. Uwe ligchamen, dat weet gij, zijn uw eigendom niet; zij behooren aan uwe meesters; maar uwe kostbare zielen zijn uw eigendom, hetwelk niemand u buiten uwe schuld kan ontnemen. Bedenkt dus wel, dat, indien gij uwe zielen verliest door hier een lui en boos leven te lijden, gij er niets door gewonnen hebt in deze en in tegendeel alles verloren in de toekomende wereld.Want uwe luiheid en boosheid worden doorgaans ontdekt en uwe ligchamen lijden er hier voor; en wat verreweg erger is, zoo gij niet tot inkeer komt en u betert, zullen uwe ongelukkige zielen er hier namaals voor lijden.De heer Jones onderstelt in dat gedeelte van zijn werk waar hij de tegenwerpingen der meesters tegen het Christelijk onderrigt der slaven wederlegt, dat de meester de volgende aanmerking maakt:Gij leert hun, dat God „geen aannemer des persoons” is; „dat Hij alle geslachten der volkeren van éénen bloede gemaakt heeft;” „gij zult uwen evennaaste als u-zelven beminnen;”„wat gij wilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen.” Laat ik mogen vragen, welk gebruik zij van deze spreuken uit het Evangelie kunnen maken?De heer Jones zegt dan vervolgens:Het antwoord hierop is, dat het gevolg, waarop in de tegenwerping gezinspeeld wordt, zou kunnen voortvloeijen uit eenonvolkomenenonverstandigGodsdienstig onderrigt; het zou inderdaad mogelijk zijn, dat door den onderwijzer het Godsdienstig onderrigt gegeven wierde methet opzettelijke doelom het bedoelde gevolg te weeg te brengen, waarvan voorbeelden bestaan.Maar wie zal zeggen, dat pligtverzuim en ongehoorzaamheid denoodwendigegevolgen van het Evangelie zijn, wanneer het den dienaren zuiver en opregtelijk wordt medegedeeld? Is het Evangelie niet door alle eeuwen heen beschouwd als de grootste beschaver van het menschelijk geslacht?Hoe de heer Jones de Blijde Boodschap aan den slaaf zoo zou kunnen mededeelen, dat de regtvaardiging van het slavernijstelsel er uit volgde, kunnen wij bij geene mogelijkheid nagaan. Echter zijn wij in staat om een proefje te geven, hoe zij uitgelegd wordt in de predikatiën van bisschop Meade, blz. 116 (Brook’sSlavery, blz. 32 en 33):„Wat gij wilt dat u geschiede, doet zoo ook aan anderen;” dat is, handelt jegens ieder, gelijk gij zoudt wenschen, dat zij ten uwen aanzien handelden, wanneer gij u bevondt in hunne plaats en zij in de uwe gesteld waren.Om dezen regel nu toe te passen op uwe bijzondere omstandigheden moet gij veronderstellen, dat gij meesters en meesteressen waart en bedienden onder u hadt; zoudt gij dan niet wenschen, dat uwe bedienden hun werk trouw en eerlijk verrigtten, zoowel buiten uw gezigt als onder uwe oogen? zoudt gij niet verwachten, dat zij acht sloegen op hetgeen gij hun zeidet? dat zij u en de uwen met eerbied behandelden en voor alles wat u toekwam zoo zorgvuldig zijn zouden als gij-zelven het zoudt wezen? Gij zijt thans ondergeschikten; handelt dus zoo als gij zoudt wenschenbehandeld te worden, dan zult gij goede dienaren zijn van uwe meesters en goede dienaren van God, die dit van u eischt en er u wèl voor beloonen zal, wanneer gij het van ganscher harte doet uit gehoorzaamheid aan zijne geboden.De eerwaarde heeren, die de Schrift aldus uitleggen, doen aan het gezond verstand hunner zwarte leerlingen groot onregt, wanneer zij dezen onbekwaam achten om dit dunne webbe van drogredenen te verbreken en overtuigend te bewijzen dat „menig mes aan twee kanten snijdt.” Een of ander schrander oud man (van den stempel dergenen, die opstonden en heengingen onder de bewuste predikatie over den brief aan Philemon, en die zoo veel scherpzinnigheid aan den dag legden bij het aanvoeren van tegenwerpingen tegen de Goddelijke waarheid, zoo als men die alleen gezocht zou hebben bij beschaafde lieden) zou welligt, had hij het durven onderstaan, op zulk eene uitlegging der Schrift hebben kunnen antwoorden: „Onderstel dat gij een slaaf waart,—dat gij uw leven lang geen penning van uwe eigene verdiensten genieten kondt, geen wettig regt op uwe vrouw en uwe kinderen hadt, uwe kinderen niet naar school mogt zenden, en dat, gelijk gij ons toegevoegd hebt, arbeid en armoede in dit leven uw deel moest zijn,—hoe zou dit u bevallen? Zoudt gij niet wenschen, dat uw Christelijke meester u uit dien toestand bevrijdde?” Wij vragen ieder, die geen aannemer des persoons is, of deze uitlegging van Sambo niet even goed is als die van den bisschop? Zoo niet, waarom niet?Bij onze gevoelens en denkbeelden komen leerredenen als die van bisschop Meade ons als hoogst hardvochtig en gevoelloos voor. Wij zouden den man echter groot onregt doen, zoo wij daaruit afleidden, dat zijn karakter hiermede in overeenstemming was. Het is alleen een nieuw bewijs hoe de gewoonte beminnelijke en achtenswaardige menschen zoo gemeenzaam maakt met een stelsel van onderdrukking, dat zij ten slotte alle gevoel verloren hebben voor het onregt, dat er in opgesloten ligt.Dat de redeneringen van bisschop Meade hem-zelven niet ten volle overtuigd hebben, kan daaruit blijken, dat hij, na al zijne schilderingen van de bijzondere voordeelen van deslavernij als een middel van Godsdienstige opleiding, eindelijk zijne eigene slaven emancipeerde.Doch, bij al hetgeen reeds gezegd is, wordt het geheele stelsel van Godsdienstig onderrigt verduisterd door eene afgrijselijke schaduw,—doorden slavenhandel. Wat doet de zuidelijke Kerk met hare catechisanten en lidmaten? Lees de advertentiën maar eens in de zuidelijke nieuwsbladen, en oordeel. Aanschouw in elke stad van de slavenkweekende Staten, die magazijnen, welke men bij voortduring gevuld houdt met gesorteerde negers van tien tot dertig jaren! Zie in elken slavenverbruikenden Staat de kosthuizen, waarheen deze beklagenswaardige overblijfselen van huisgezinnen onophoudelijk heengevoerd worden! Wie predikt het Evangelie aan de slaven-karavanen? Wie predikt het in de slaven-gevangenissen? Zoo wij de vreeselijke uitgebreidheid van dien binnenlandschen handel nagaan,—zoo wij kolommen advertentiën lezen van menschelijke wezens, die zoo veelvuldig van eigenaar verwisselen als of zij bankbilletten waren in stede van menschen,—dan zullen wij ons een begrip kunnen vormen hoe de invloed van het Godsdienstig onderrigt volkomen te niet gedaan moet worden doordien men de voorwerpen van dat onderrigt blootgesteld laat „aan al de wisselvalligheden van den eigendom.”
Hoofdstuk IX.Komt het godsdienstig onderrigt, dat men den slaaf geeft, met het Evangelie overeen?De Vrouwen van Engeland hebben in haar adres aan de Vrouwen van Amerika in het bijzonder er van gewaagd, dat den slaaf het Evangelie onthouden wordt. Men heeft zich daarover hier te lande zeer verontwaardigd betoond, en beweerd, dat het Evangelie ruimschoots ter kennisse van de slaven wordt gebragt.Wie het werk van den heer C. C. Jones, betreffende het Godsdienstig onderrigt der negers, leest, zal geen twijfel koesteren aangaande de volgende punten:1. Dat er jaar op jaar, sedert den invoer van negers in dit land, door verscheidene vrome en welgezinde personen pogingen voor hun geestelijk welzijn zijn aangewend.2. Dat die pogingen van jaar tot jaar talrijker zijn geworden.3. Dat de belangrijkste poging plaats vond omstreeks den tijd toen de heer Jones zijn werk schreef, in 1842, en dat zij eenige uitbreiding kreeg in de Vereenigde Staten. Zij heeft vermoedelijk hare grootste ontwikkeling gehad in den Staat Georgia, den kring van de onmiddellijke bemoeijingen van den heer Jones, waar zeer goede resultaten verkregen zijn en van de zijde der meesters veel loffelijk Christelijk gevoel is aan den dag gelegd.4. Van tijd tot tijd zijn ten dienste der slaven katechismussen, gezangen, korte preken, enz. enz. opgesteld, bestemd om hun door hunne meesters voorgelezen of mondeling onderrigt te worden.5. Het zal bij het lezen van het werk van den heer Jones aan ieder blijken, dat, ofschoon het geschreven is door een man, die het slavernij-stelsel door God goedgekeurd acht, er een geest uit spreekt van opregte welwillendheid en van hartelijke belangstelling in de taak, waaraan hij zich gewijd heeft, die niet genoeg geprezen kan worden.Het is een pijnlijke en onaangename pligt, wanneer men een oordeel of een verschil van gevoelen moet uitdrukken, ten aanzien van pogingen, die met een goed doel ondernomen zijn en in menig opzigt goede vruchten gedragen hebben; doch bij het lezen van het bedoelde werk van den heer Jones, en van zijne katechismussen en preken, die een denkbeeld geven van het Godsdienstig onderrigt der slaven, is schrijfster dezes smartelijk getroffen geworden door de meening, die bij haar oprees, dat, hoeveel goeds hier ook voorkomt, het niethet ware en zuivere stelsel van het Evangelieis, dat den slaaf gegeven wordt. Voor zoo ver de schrijfster, hetgeenhaarwordt medegedeeld, heeft kunnen nagaan, komt het hierop neder: dat zijns meesters gezag over hem en regt op hem, zoover de slavenwet het uitstrekt, erkend en gehandhaafd wordt door de ontzagwekkende autoriteit van God zelf. Men zegt hem, dat zijn meester de opzigter van wege God is; dat hij hem blinde, onvoorwaardelijke en onbegrensde gehoorzaamheid is verschuldigd; dat hij niet mag morren of misnoegd zijn over iets, dat deze hem aandoet; en, in geval hij er zich toch aan overgeeft, dat hij dan niet murmureert tegen zijn meester maar tegen God. Men leert hem, dat het Gods wil is, dat niets dan zwoegen en armoedeop deze wereld zijn doel zal wezen; en dat, indien hij daarover ontevreden is, hij daardoor niets zal winnen in dit leven, maar in het volgende voor eeuwig naar de hel gezonden worden. De meest levendige schilderingen van de hel en hare pijnen en hare wormen die nimmer sterven, worden hem voorgehouden; en men dringt hem op, dat die eeuwige pijniging het gevolg zal zijn van ongehoorzaamheid hier beneden. Het verwondert mij nu gansch niet, dat een slavenhouder eenmaal aan Dr. Brisbane van Cincinnati verklaarde, dat de Godsdienst op zijne plantage hem van meer nut was dan eene geheele wagenvracht bullepezen.Verder zegt men den slaaf, dat de poging om zijn meester te ontvlugten, of het helpen en herbergen van een slaaf, die ontvlugt is, dingen zouden zijn die hem blootstellen aan den toorn van dat alomtegenwoordige Wezen, welks oog tot elken schuilhoek doordringt.Daar de slaaf een roerend en verhandelbaar voorwerp is, onderhevig, gelijk de heer Jones kalm aanmerkt, „aan al de wisselingen van den eigendom,” moet dit stelsel van onderrigt, naar men denken kan, verwarring geven, wanneer het de Christelijke pligten van het huisgezin in den geest van den slaaf prent.Bij het nemen van een overzigt van het veld, dat hij bearbeiden wil, verhaalt de heer Jones ons—hetgeen ieder verstandig mensch reeds moet begrepen hebben—dat hij bij de negers in dit opzigt zeer berispelijke handelwijzen opgemerkt heeft; dat de veelwijverij algemeen onder hen in zwang is, en dat de huwelijksverbindtenis bij hen eene bloot tijdelijke vereeniging is, gesproten uit zucht naar belang, voordeel of genoegen, aangegaan zonder bedachtzaamheid en ontbonden zonder het geringste spoor van schuldgevoel.Ieder zal bevroeden, dat deze stand van zaken het noodwendig gevolg moet wezen van het wetten-stelsel, dat die Christelijke menschen gemaakt hebben en nog voor hunne slaven in kracht houden; en ieder zou het, om met eenige vrucht het Godsdienstig onderrigt te kunnen toedienen, voor onvermijdelijk houden, dat de neger verplaatst wierde in een toestand, waarin hij een wettig huwelijkkanaangaan en hieraan trouwkanblijven nadat het gesloten is.Doch de heer Jones en zijne medestanders begonnen metde verklaring, dat zij niet voornemens waren zich in het geringste met den wettelijken toestand van den slaaf te bemoeijen.Wij zouden daarom niet gedacht hebben, dat, indien de meesters besloten hunne slaven te houden in den toestand van roerend goed, onderworpen aan eene herhaalde verbreking van de familie-banden, zij hen zouden hebben durven doen onderrigten van de strenge zedeleer van het Evangelie met opzigt tot de huwelijksbetrekking.Evenwel is dit het geval. Zoo wij den Katechismus van den heer Jones doorloopen, zullen wij bevinden, dat men den slaaf mondeling laat opzeggen, dat één man de echtgenoot van slechts ééne vrouw kan zijn en dat, indien hij gedurende haar leven eene andere huwt, God hem daarvoor eeuwigdurende straf in de hel zal doen lijden.Stel dat eene Godsdienstige vrouw, onderwezen uit dien Katechismus, ten gevolge van den dood haars meesters wegens boedelscheiding aan de markt gebragt wordt,—gelijk in vele gevallen plaats vindt, waarvan wij de advertentiën elke week in de nieuwsbladen van Georgia lezen. Zij wordt ontrukt aan man en kinderen en naar het andere einde der Vereenigde Staten verkocht, waar zij hem nimmermeer zal ontmoeten, en haar meester beveelt haar een ander echtgenoot te nemen. Wat moet die vrouw nu doen? Zoo zij er een neemt, begaat zij, volgens haar Katechismus, overspel, en stelt zich bloot aan de straffe des eeuwigen vuurs; neemt zij hem niet, dan is zij haar meester ongehoorzaam, die, gelijk men haar geleerd heeft, haar opzigter van wege God is, en stelt zij zich ook om die reden aan het eeuwige vuur bloot;—zooveel is zeker, dat zij in allen gevalle hier beneden met vreeselijke martelingen bedreigd wordt.Nu vragen wij of een onderrigt, hetwelk dit arme schepsel in zulk een doolhof van afgrijselijkheden verwart, het Evangelie kan genoemd worden?Is dit het Evangelie, de Blijde Boodschap, in eenigerhande beteekenis van het woord?Op dezelfde wijze beveelt die Katechismus den ouders, hunne kinderen op te voeden volgens de voorschriften en in den geest des Heeren, en ze te leiden, te raden, te tuchtigen en te besturen.Nog leeren die onderwijzers hen, dat zij de Schrift naarstig en onophoudelijk moeten onderzoeken, doch verklaren te gelijkertijd,dat het hun voornemen niet is, zich te bemoeijen met de wetten, die verbieden dat den slaven het lezen geleerd worde. De Schrift onderzoeken, zegt men den slaven, beteekent, zich te wenden tot menschen, die genegen zijn hen daaruit voor te lezen. Ja, maar indien niemand hiertoe genegen is, wat dan? Iemand, dien de Katechismus dus onderwezen is, wordt bijv. verkocht naar eene plantaadje aan de Roode Rivier, gelijk die, waar Northrop vertoefde; geen Bijbel vergezelt hem derwaarts; zijne Christelijke onderwijzers hebben hem, in hunne zorg om zich met zijn burgerlijken toestand niet te bemoeijen, verstoken van het vermogen om te lezen; en in dat land der duisternis is het mondeling onderrigt slechts eene hersenschim. Laat iemand ons eens vragen, voor welken prijs wij verstoken zouden willen zijn van het vermogen, om ooit den Bijbel zelven te lezen en geheel afhankelijk te moeten zijn van het voorlezen van anderen,—vooral wanneer wij gevaar liepen van in zulke handen te vallen als met de slaven het geval is,—en dan kunnen wij nagaan of een stelsel van Godsdienstig onderrigt, hetwelk begint met te verklaren, dat het geen voornemen heeft zich met die wreede wettelijke berooving te bemoeijen, het Evangelie is!Verder wordt de arme slaaf, die reeds aan alle kanten verblind, verward en in duisternis gehuld is door de strikken, die de wet voor zijne voeten legt, stiptelijk onderwezen in een volkomen zamenstel van zedeleer. Hij mag niets begeeren wat zijnen meester behoort; hij mag niet morren of ontevreden zijn; hij moet zijns meesters belangen behartigen als zijne eigene en gereed zijn, zich er voor op te offeren; en zoo moet hij, gelijk men hem leert, zich niet alleen gedragen jegens den vriendelijken en den welwillenden, maar ook jegens den barschen meester. Hij moet alle beleedigingen vergeven en onder alle beproevingen naar regt handelen. Zoodanigerwijze worden hem zijne verpligtingen voorgehouden, terwijl de wederkeerige verpligtingen van den meester slechts bestaan in het verschaffen van goed huisdak, kleeding, voeding, enz., terwijl daarbij aan de willekeur van elken meester wordt overgelaten, te bepalen wat met opzigt tot deze zakengoedis.Het kan geene verwondering baren, dat, wanneer men zulk een stelsel van de verregaandste ongeregtigheid voor den neger wil regtvaardigen door het gezag der Godsdienst, nu en daneen sterke geest zich daartegen verzet. Onder eene zwarte huid hebben wij scherpzinnige hoofden, onmisleidbare gemoederen gevonden, wier geprikkeld gevoel van regt door zulke voorstellingen in het geheel niet van het spoor gebragt kon worden.Dat de heer Jones dezulken ook ontmoet heeft, is blijkbaar; want, sprekende van de bezwarenissen, waaraan een zendeling in hun midden onderworpen is, zegt hij op blz. 127:Hij treft deïsmus, scepticismus, universalismus onder hen aan, alsmede verschillende verbasteringen van het Evangelie en alle mogelijke tegenwerpingen tegen de Goddelijke waarheid,—tegenwerpingen, die hij misschien alleen gezocht zou hebben bij beschaafde lieden, ervaren geleerden of scherpzinnigecriticienwijsgeeren! Die uitersten ontmoet men hier op het gemeenschappelijk terrein van een beneveld verstand en een verstokt hart.Verder zegt hij in het tiende jaarlijksche verslag van de „Vereeniging voor het Godsdienstig onderrigt der negers in Liberty County, in Georgia:”Veroorlooft mij, een voorval mede te deelen, dat in de lente van dit jaar gebeurde en strekken kan om een inzigt te geven in het karakter en de gevoelens der negers. Ik predikte voor eene groote vergadering uit den Brief van Philemon; en toen ik uitweidde over de trouw en gehoorzaamheid als Christelijke deugden bij dienaren, en op gezag van Paulus het ontvlugten sterk veroordeelde, vertrok de helft mijner toehoorders zonder bedenken, en de overgeblevenen schenen gansch niet ingenomen met den predikant of zijne leer. Na den afloop heerschte er eene groote beweging onder hen; sommigen beweerden stellig, dat zulk een brief niet in den Bijbel stond; anderen „dat dit het Evangelie niet was;” nog anderen „dat ik predikte om hunnen meesters te behagen,” weder anderen „dat het hun onverschillig was of zij mij immer weder hoorden prediken.”—Blz. 24 en 25.Lundy Lane, een verstandig vlugteling, die ook Gedenkschriften heeft uitgegeven, zegt dat de slaven bij zekere gelegenheidbijzonder ingenomen waren met een predikant, totdat hij hun begon te betoogen, dat zij door God opzettelijk tot slaven bestemd en geschapen waren. Allen, zegt hij, lieten hem alleen staan, omdat zij met de Joden dachten: „Dit is een hard woord; wie kan het aanhooren?”Door deze opmerkingen omtrent de verdraaijing van het Evangelie, zoo als men het den slaven leert, willen wij niet beweren, dat hun niet veel nuttigs en prijselijks onderwezen wordt. Wij willen alleen betoogen, dat, voor zoo verre hetgeen men hen onderwijst de slavernij regtvaardigt, het noodwendig de gronddenkbeelden van geregtigheid en zedelijkheid schendt. Het is, gelijk wij reeds vroeger zeiden, eene poging, om de duisternis met het licht en Christus met Belial te verzoenen. Zulk eene poging kan niet geregtvaardigd of geduld worden op grond dat zij in een welwillenden geest door welwillende menschen wordt ondernomen. Wij koesteren hooge bewondering voor sommige der arbeiders, die dit stelsel ingang hebben doen vinden, even als voor vele der zendelingen uit de Jezuïten, die het Roomsch-Catholijke geloof onder de inheemsche stammen van dit land gebragt hebben. De opoffering en onbaatzuchtigheid kan niet verder gedreven worden dan door sommigen uit deze beide klassen van menschen geschied is.Doch, terwijl onze eerbied voor deze lofwaardige mannen ons als Protestanten niet moet verleiden tot het bewonderen van het stelsel, dat zij onderwezen hebben, zoo moet onze achting voor onze zuidelijke broeders ons ook niet verlokken om te erkennen, dat een stelsel, hetwelk de slechtste soort van geestelijke en wereldlijke dwingelandij regtvaardigt, in overeenstemming is met het Evangelie van Hem, die den gevangene verlossing kwam aankondigen.Ten bewijze dat wij den geest van het onderrigt niet verkeerdelijk hebben voorgesteld, zullen wij eenige uittreksels uit onderscheidene predikatiën en redevoeringen mededeelen.Om te weten hoe onbewimpeld de Godsdienst-onderwijzers iedere bedoeling om zich met de wettelijke betrekking te bemoeijen, van zich afwerpen, zie men het werk van den heer Jones op blz. 157:Door wetten en gebruiken zijn zij uitgesloten van devoordeelen der opvoeding en gevolgelijk van het lezen van Gods woord; en dit ontelbare aantal onsterfelijke wezens is voor Godsdienstig onderrigt geheel afhankelijk vanmondelingemededeelingen. En van wie? Van hunnemeesters. En hunne meesters beweren, voornamelijk in de laatste jaren, deuitsluitende bestierdersvan hun Godsdienstig onderrigt te zijn en de uitdeelers van de Goddelijke barmhartigheid ten hunnen aanzien, zoodat zij de verantwoordelijkheid van hunnegeheelebekeering op zich nemen!Er wordt streng gewaakt tegen alle toenadering van buiten, en geene Evangelie-dienaren mogen hun het brood des levens toereiken dan die,welke zich in het vertrouwen hunner meestershebben weten te dringen. Ik veroordeel dezen maatregel van zelfbehoud van de zijde onzer medeburgers niet; ik maak er slechts gewag van om hunnegeheele afhankelijkheidvan ons-zelven aan te toonen.Bij het beantwoorden van de bedenkingen der meesters tegen het Godsdienstig onderrigt der negers, stelt hij de navolgende tegenwerping en beantwoordt die volgenderwijze:Indien wij onze negers laten onderrigten zal er een streven naar eene verandering in de burgerlijke betrekkingen der maatschappij uit voortvloeijen.Wij antwoorden daarop: dat wij hunGodsdienstigenen hunmaatschappelijkentoestand geheel van elkander afscheiden, en beweren dat voor den eenen kan gezorgd worden zonder zich met den anderen te bemoeijen. Onsbeginselis dat, hetwelk gesteld is door den Heilige en Regtvaardige: „Geef den keizer wat des keizers, en Gode wat Godes is.” En Christus en Zijne Apostelen zijn onzevoorbeelden. Achtten zij het bestaanbaar met de goede maatschappelijke orde, den dienaren het Evangelie te prediken? Ja. Bemoeiden zij zich daarbij met hun maatschappelijken toestand? Neen.De volgende beschrijving van de gelukzaligheid in den hemel en van de pijnigingen in de hel, is ontleend aan den Katechismus van den heer Jones, blz. 83, 91 en 92:Vraag.Wordt er in den Bijbel slechts van twee plaatsen gesproken werwaarts de zielen der menschen na den dood heengaan?—Antwoord.Slechts van twee.V.Welke zijn die?—A.Hemel en hel.* * *V.Naar welke plaats gaan de regtvaardigen na het oordeel?—A.Naar den hemel.V.Welke soort van plaats is de hemel?—A.Eene allerheerlijkste en gelukzalige plaats.* * *V.Zullen de regtvaardigen in den hemel hongeren, of dorsten, of naakt, of heet, of koud zijn? Zullen zij daar zonde, of smart, of geween, of pijn, of dood kennen?—A.Neen.V.Zeg op: „En God zal alle tranen van hunne oogen wisschen.”—A.„En God zal alle tranen van hunne oogen wisschen, en daar zal geen dood, noch smart, noch geween meer zijn; ook zal daar geene pijn meer wezen; want de vroegere dingen zijn te niet gedaan.”V.Zal de hemel hunne eeuwigdurende woonplaats zijn?—A.Ja.V.En zullen de regtvaardigen daar altijd in kennis en heiligheid en gelukzaligheid toenemen?—A.Ja.V.Naar welke plaats moeten wij, meer dan naar eenige andere, wenschen en pogen heen te gaan?—A.Naar den hemel.* * *V.In welke plaats zullen de goddeloozen geworpen worden?—A.In de hel.V.Zeg op: „De goddeloozen zullen geworpen worden.”—A.„De goddeloozen zullen geworpen worden in de hel, en alle natiën die God vergeten.”V.Welke soort van plaats is de hel?—A.Eene plaats van vreeselijke pijnigingen.V.Wat brandt daar?—A.Een eeuwigdurend vuur.V.Wie worden, behalve de goddelooze menschen, nog in de hel geworpen?—A.De duivel en zijne engelen.V.Wat zullen de pijnen der hel den goddeloozen ontlokken?—A.Geween en knarsinge der tanden.V.Om wat smeekte de rijke toen hij door de vlammengefolterd werd?—A.Om een droppel water, ten einde zijne tong te verkoelen.V.Zullen de goddeloozen iets goeds in de hel hebben? het minste genoegen? de minste verligting hunner folteringen?—A.Neen.V.Zullen zij immer uit de hel komen?—A.Neen, nimmer.V.Kan iemand van den hemel naar de hel, of van de hel naar den hemel gaan?—A.Neen.V.Wat bevindt zich tusschen den hemel en de hel?—A.Een groote afgrond.V.Hoe wordt de straf der goddeloozen in de hel genoemd?—A.Eeuwigdurende straf.V.Zal deze straf hen beter maken?—A.Neen.V.Zeg op: „Het is vreeselijk.”—A.„Het is vreeselijk, te vallen in de handen des levenden Gods.”V.Hoe wordt God voor de goddeloozen genoemd?—A.Een verterend vuur.V.Welke plaats moeten wij boven alle andere trachten te vermijden?—A.De hel.De eerwaarde Alex. Glennie, predikant van hetAll-Saintskerspel, te Waccamaw, in Zuid-Carolina, is vele jaren gewoon geweest, bijzonder met het oog op de slaven te prediken. In 1844 gaf hij te Charleston eene keur van die preken in het licht, onder den titel van:Leerredenen, gepredikt op plantaadjen voor vergaderingen van negers.Er komen zes en twintig leerredenen in voor, en in twee en twintig daarvan vindt men een meer of minder groote uitweiding over de hel als een spoorslag tot pligtsbetrachting. Volgenderwijze beschrijft hij het laatste oordeel (Vijftiende leerrede, blz. 90):Wanneer allen voor Hem staan, zal Hij ze afzonderen, gelijk een herder zijne schapen van de bokken afzondert; en de schapen zal hij plaatsen aan Zijne regterhand en de bokken ter linkerhand. Die afzondering, mijne broederen, zal een vreeselijk iets zijn; wanneer de heilige engelen, op bevel van den grooten Regter, al de gehoorzame volgelingen van Christus bijeen zullen vergaderen en hen zullen plaatsen aan de regterzijde van den regterstoel, en al de overigenaan de linkerhand. Bedenkt, dat ieder uwer tegenwoordig moet zijn; bedenkt, dat bij den grooten Regter geene vergissing mogelijk is; en dat gij aan de eene of aan de andere zijde zult geplaatst worden, naar mate gij in deze wereld in Hem geloofd en Hem gehoorzaamd zult hebben, of niet. Hoe vol van vreugde en dankzegging zult gij zijn, indien gij u aan de regterhand ziet plaatsen! maar ook hoe vol van rampzaligheid en wanhoop, wanneer de linkerzijde u als plaats aangewezen wordt!Maar wat zal Hij zeggen tot de goddeloozen aan Zijne linkerhand? Hun zal Hij toevoegen: „Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne engelen.” Hij zal hen gebieden te vertrekken; hier op aarde zochten zij Hem niet door boetvaardigheid en geloof; zij gehoorzaamden Hem niet en thans zal Hij hen uit Zijne tegenwoordigheid verdrijven. Vervloekten zal Hij ze noemen.(Eerste Leerrede, blz. 42). De dood, die de bezoldiging is der zonde, is dat eeuwige vuur, hetwelk voor den duivel en zijne engelen bereid is. Het is een vuur, dat altijd zal branden; en de duivel en zijne engelen, en alle menschen, die God niet willen liefhebben en dienen, zullen daar eeuwige straf lijden. De Bijbel zegt: „De walm hunner pijniging stijgt in eeuwigheid op.” Het vuur wordt niet gebluscht, het dooft nimmer uit, de worm sterft niet; want van hunne straf wordt gesproken als van een worm, die altijd aan hen knaagt, maar hen nimmer verslindt; het kan niet eindigen.Met opzigt tot de volstrekte heerschappij van den meester kan dienen het volgende extract uit eene leerrede van bisschop Meade (Brook’sSlavery, blz. 30–32):Na u aldus de noodzakelijkste verpligtingen te hebben geschetst, die gij jegens uw grooten Meester in den Hemel hebt te vervullen, ga ik nu over tot hetgeen gij verschuldigd zijt aan uwe meesters en meesteressen hier op aarde; hiervoor bestaat een algemeene regel, dien gij altijd in gedachten behoort te houden, en die is: verrigt voor hen alle dienst, als of gij het voor God-zelven deedt. Arme schepsels!weinig bedenkt gij, wanneer gij lui zijt en de zaken uwer meesters veronachtzaamt, wanneer gij steelt of iets wat het hunne is verspilt of bederft, wanneer gij eigenzinnig of onheusch zijt, wanneer gij liegt en hen misleidt, wanneer gij norsch zijt en niet dan met slagen en straffen tot het werk gedreven kunt worden,—weinig bedenkt gij dan, zeg ik,dat de misdrijven, aan welke gij u schuldig maakt jegens uwe meesters en meesteressen, misdrijven zijn, welke gij begaat jegens God-zelven, die uwe meesters en meesteressen over u gesteld heeft in Zijne eigene plaats, en die verwacht, dat gij voor hen stipt hetzelfde zult doen, wat gij voor Hem zoudt verrigten. En ik bid u, denk toch niet, dat ik u misleid, wanneer ik u zeg,dat uwe meesters en meesteressen opzigters zijn van wege God; en dat, indien gij u jegens hen vergrijpt, God er u strengelijk voor zal straffen hier namaals, tenzij gij er berouw over hebt en er voor poogde te boeten door trouw en ijver in den vervolge; want God-zelf heeft dat verklaard.Uit dezen algemeenen regel nu,—namelijk, dat gij voor uwe meesters en meesteressen alles doen moet, alsof gij het voor God-zelf deedt,—ontspruiten verscheidene andere verpligtingen jegens uwe meesters en meesteressen, die ik in geleidelijke orde voor u zal trachten te ontwikkelen.In de eerste plaats dan, moet gij uwen meesters in alle dingen gehoorzaam en onderdanig zijn.... En den Christelijken leeraars wordt bevolen: „de dienstknechten te vermanen om gehoorzaam te zijn aan hunne eigene meesters, en hen in alle dingen, zonder tegenspraak of morren te wille te zijn.” Gij ziet hoe streng God van u vordert, dat gij, wat uwe meesters en meesteressen u bevelen, terstond verrigt en getrouw uitvoert, zonder tegenspreken of morren, en dat gij zorgt hen in alles te wille te zijn. En tot uwe aanmoediging verzekert Hij u, dat Hij er u in den hemel voor zal beloonen, dewijl, wanneer gij eerlijk en trouw de belangen van uw meester hier beneden waarneemt, gij uw Heer en Meester in den hemel dient. Gij ziet alzoo, dat gij geen verschil moet maken in uw gedrag ten aanzien uwer meesters en meesteressen, en dat gij gehoorzaam en onderworpen moet zijn, niet alleen aan degenen die goed en minzaam en zachtmoedig jegens u zijn, maar ook aan degenen, die hard ennorsch jegens u mogten wezen. Want gij zijt niet vrij om uwe eigene meesters te kiezen; maar daar, waar God u geplaatst heeft, moet gij uw pligt doen en God zal er u voor beloonen.Gij moet trouw en eerlijk voor uwe meesters en meesteressen zijn, niet lui wezen of hunne bezittingen verwaarloozen, maar in alle opzigten u betamelijk jegens hen gedragen....Zijn het niet uwe meesters, die, naast God, voor u zorgen? En hoe zullen zij hiertoe bij magte zijn, hoe u kunnen voeden en kleeden, zoo gij niet behoorlijk zorgt voor al wat het hunne is?Herinnert u, dat God dit van u vordert; en zoo gij niet bevreesd zijt voor straf hier beneden, bedenkt, dat gij niet kunt ontkomen aan de tuchtiging van den Almagtigen God, die oordeelen zal tusschen u en uwe meesters, en die u in de andere wereld strengelijk zal doen boeten voor al hetgeen gij hier jegens hen misdreven hebt.En zoo gij het zoo loos kondt overleggen, dat gij hier aan de oogen en handen der menschen ontkwaamt, bedenkt hoe vreeselijk het is te vallen in de handen des levenden Gods, die in staat is, om beide ligchaam en ziel in de hel te werpen!Dient uwen meester met blijmoedigheid, eerbied en onderdanigheid. Verrigt uws meesters werk goedwillig en van ganscher harte als de wil Gods, zonder misnoegen of tegenspraak.Hoe velen uwer handelen geheel anders, en kijven en knorren, in stede van goedwillig en van harte aan het werk te gaan, en geven norsche antwoorden en gedragen zich onwillig! Er is iets zoo innemends in een zedig, blijmoedig en voorkomend gedrag, dat een weinig werks aldus verrigt, beter gedaan schijnt te wezen en meer genoegen geeft, dan een veel grootere arbeid, die met dwang en zweepslagen van u moet verkregen worden. Gij wint daardoor de achting en welwillendheid van uwe eigenaren en zult uw eigen leven met meer gemak en genoegen slijten. Bovendien moet gij in aanmerking nemen, dat uw wrevel en kwade wil uwe meesters en meesteressen niet alléén treft. Zij bezitten de middelen om u goed- of kwaadschiks tot uw werk te dwingen.Maar uw murmureren en grommen geschiedt tegen God, die u in die betrekking geplaatst heeft en die u in de anderewereld strengelijk zal straffen voor het in den wind slaan Zijner geboden.Hier doet zich eene schrikwekkende vraag op: Indien de arme, onwetende slaaf, die zijns meesters wereldsche goederen tot zijn eigen voordeel aanwendt, zulk eene strenge straf te gemoet gaat, wat zal dan het lot zijn van die welopgevoede lieden, die voor hun tijdelijk belang wetten maken en handhaven, door welke opvolgende geslachten niet alleen van hunne dagelijksche verdiensten, maar van al hunne aanspraken en voorregten als onsterfelijke wezens beroofd worden?De eerwaarde heer Glennie verzekert zijnen hoorders, in een zijner predikatiën (aangehaald door Bowditch, blz. 137), dat niemand hunner in den oordeelsdag grond zal hebben, om te zeggen: „Ik had geene gelegenheid om van mijn God en Verlosser te hooren.”Bisschop Meade (aangehaald bij Brooke, blz. 34 en 35) weidt aldus voor de slaven uit, over de voordeelen van hun toestand. Men zou, dit lezende, waarlijk van gevoelen worden, dat ieder zich haastiglijk als slaaf moest gaan verkoopen, als de zekerste weg naar den hemel.Weest niet wrevelig of morrend, klaagt of gromt niet over uw toestand; want dit zal niet alleen uw leven onaangenaam maken, maar hoogelijk beleedigt gij God daarmede.Bedenkt dat gij het niet zelven zijt, noch de menschen aan wie gij behoort, waardoor gij in dezen toestand zijt gebragt,maar dat het de wil van God is, wiens Voorzienigheid u tot dienstknechten gemaakt heeft, dewijl Hij ongetwijfeld wist, dat dit zou strekken tot uw welzijn in deze wereld en om u te zekerder in den hemel te brengen, indien gij uwe pligten in deze betrekking trouw vervult. Misnoegen, dat gij niet vrij of rijk of voornaam zijt, gelijk anderen, die gij ziet, is opstaan tegen uw hemelschen Meester, en God berispen, die u gemaakt heeft tot hetgeen gij zijt, en u een even groot deel van Zijn koningrijk beloofd heeft, als den aanzienlijksten man, die op aarde leeft, als gij u naar behooren gedraagt en eerlijk en blijmoedig den arbeid verrigt, die u op aarde opgedragen is. Rijkdom en magt is menige rampzalige ziel ten verderve geweest, door haar hart van God af te trekken en aan ijdeleen zondige vermaken te doen hangen; zoodat, wanneer God, die onze harten beter kent dan wij-zelven ze kennen, ziet dat die gaven ons schade zouden doen en ze ons daarom onthoudt, dit de grootste genade en gunst is, die Hij ons bewijzen kan.Misschien verbeeldt gij u, dat gij, rijkdom en vrijheid bezittende, uwe pligten jegens God en de menschen beter zoudt kunnen vervullen, dan thans. Maar ik bid u, bedenkt, dat indien gij door Gods genade uwe zielen redden kunt, gij uw tijd in deze wereld tot het best mogelijke doeleinde zult besteed hebben; en hij, die eindelijk den hemel mag bereiken, heeft eene heerlijke reis afgelegd, hoe bezwaarlijk en doornig het pad ook geweest zij. Bovendien bezit gij inderdaad een groot voorregt boven de meeste blanken, die niet alleen belast zijn met hun dagelijkschen arbeid, maar nog te meer met het bezwaar, om te zorgen voor de behoeften van morgen en overmorgen, en het kleeden en groot brengen hunner kinderen en het opwinnen van voedsel en andere levensbehoeften voor allen, die tot hun gezin behooren, hetgeen hen dikwerf in groote ongelegenheden brengt en hun geest zoo zeer vervult, dat hunne gedachten daardoor van de andere wereld afgeleid worden. Daarentegen zijt gij van al die zorgen bevrijd, en hebt op niets te letten, dan op uw dagelijkschen arbeid, waarna gij de vereischte rust kunt nemen. Evenmin behoeft gij er aan te denken, iets voor den ouden dag op te leggen, gelijk de blanken verpligt zijn: want de wetten des lands hebben er voor gezorgd, dat gij niet verjaagd zult worden, wanneer gij niet meer werken kunt, maar onderhouden, zoo lang gij leeft, door degenen, aan wien gij behoort, hetzij gij werken kunt of niet.Bisschop Meade vertroost verder de slaven over zekere onaangenaamheden, die aan hun toestand eigen zijn, en waarover zij waarschijnlijk meer reden van klagen meenen te hebben, dan over eenig ander bezwaar. De lezer zal toestemmen, dat de bisschop de zaak zeer philosophisch beschouwt.Er is nog ééne schijnbaar onaangename zaak, waarover ik nu handelen zal, en dat is de straf.Nu, wanneer gij straf ontvangt, verdient gij die, of gijverdient die niet; maar hoe het zij, het is uw pligt, en God eischt dat van u, er u lijdzaam in te schikken. Misschien acht gij dit eene harde leer; maar zoo gij de zaak goed inziet, moet gij er noodwendig anders over beginnen te denken. Gesteld dat gij straf verdient, dan kunt gij niet anders zeggen dan dat zij u naar regt en billijkheid toekomt. Gesteld gij verdient geene of ten minste niet zoo strenge straf voor hetgeen gij bedreven hebt, dan hebt gij misschien weten te ontkomen aan menige verdiende straf en ten slotte voor die allen geboet. Of, gesteld dat gij geheel onschuldig zijt aan hetgeen u te laste gelegd wordt, en dat gij in dat bijzondere geval ten onregte lijdt; is het dan niet mogelijk dat gij eenig kwaad bedreven hebt hetwelk nooit aan het licht is gekomen, en dat de almagtige God, die het u zag bedrijven, u niet van straf wilde vrij doen blijven? En moet gij niet, in zulk een geval, Hem eere geven en dankbaar zijn, dat Hij u liever in dit leven voor uwe boosheid wilde straffen, dan uwe ziel daarvoor verderven in het volgende leven? Maar stelt, dat zelfs dit het geval niet ware (ofschoon het moeijelijk te denken valt), en dat gij op geenerlei wijze, bekend of onbekend, de straf verdiend hadt die gij ondergaan hebt,—is het dan niet een groote troost, dat, indien gij het met geduld verduurt en uwe zaak in handen van God overlaat, Hij er u voor in den hemel beloonen zal en dat de straf, die u hier onregtvaardiglijk toebedeeld is, u hier namaals tot overgrooten roem zal verstrekken?Dat bisschop Meade geene hooge gedachten koestert van de tegenwoordige genoegens van het slavenleven, mag gewis afgeleid worden uit de volgende opmerkingen, die hij tot de slaven rigt:Uwe bekrompene omstandigheden in dit leven moeten u bijzondere zorg doen dragen voor uwe ziel, want gij kunt de genoegens van dit leven niet genieten gelijk de vrije lieden die bezittingen en geld hebben om te besteden zoo als zij goedvinden. Zoo anderen hunne zielen in gevaar willen stellen, hebben zij de kans om rijkdom en magt te verkrijgen, om schatten op te stapelen en al het gemak, de weelde en de vermaken te genieten waarnaar hun harthaakt. Maar gij kunt van dit alles niets verwerven, zoodat indien gij uwe ziel op het spel zet voor de armzalige dingen, die gij in deze wereld verkrijgen kunt, gij inderdaad een zeer slechten koop doet.Deze ophelderingen zijn ontegenzeggelijk zeer ter zake dienende. Aldus gaat hij voort:Het heeft den almagtigen God behaagd, u hier slaven te maken en u niets dan arbeid en armoede in deze wereld toe te deelen, waaraan gij verpligt zijt u te onderwerpen, daar het Zijn wil is. En overlegt eens bij u zelven, hoe verschrikkelijk het wezen zou, na al uw werk en lijden in dit leven, in de hel geworpen te worden, en, na uwe ligchamen in de dienst alhier afgezwoegd te hebben, te geraken in eene nog veel erger slavernij en uwe zielen aan den duivel overgeleverd te zien om voor eeuwig zijne slaven in de hel te worden zonder hoop van immer vrij te komen. Indien gij derhalve vrije lieden in Gods hemel wilt worden, moet gij u beijveren om braaf te zijn en Hem hier op aarde te dienen. Uwe ligchamen, dat weet gij, zijn uw eigendom niet; zij behooren aan uwe meesters; maar uwe kostbare zielen zijn uw eigendom, hetwelk niemand u buiten uwe schuld kan ontnemen. Bedenkt dus wel, dat, indien gij uwe zielen verliest door hier een lui en boos leven te lijden, gij er niets door gewonnen hebt in deze en in tegendeel alles verloren in de toekomende wereld.Want uwe luiheid en boosheid worden doorgaans ontdekt en uwe ligchamen lijden er hier voor; en wat verreweg erger is, zoo gij niet tot inkeer komt en u betert, zullen uwe ongelukkige zielen er hier namaals voor lijden.De heer Jones onderstelt in dat gedeelte van zijn werk waar hij de tegenwerpingen der meesters tegen het Christelijk onderrigt der slaven wederlegt, dat de meester de volgende aanmerking maakt:Gij leert hun, dat God „geen aannemer des persoons” is; „dat Hij alle geslachten der volkeren van éénen bloede gemaakt heeft;” „gij zult uwen evennaaste als u-zelven beminnen;”„wat gij wilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen.” Laat ik mogen vragen, welk gebruik zij van deze spreuken uit het Evangelie kunnen maken?De heer Jones zegt dan vervolgens:Het antwoord hierop is, dat het gevolg, waarop in de tegenwerping gezinspeeld wordt, zou kunnen voortvloeijen uit eenonvolkomenenonverstandigGodsdienstig onderrigt; het zou inderdaad mogelijk zijn, dat door den onderwijzer het Godsdienstig onderrigt gegeven wierde methet opzettelijke doelom het bedoelde gevolg te weeg te brengen, waarvan voorbeelden bestaan.Maar wie zal zeggen, dat pligtverzuim en ongehoorzaamheid denoodwendigegevolgen van het Evangelie zijn, wanneer het den dienaren zuiver en opregtelijk wordt medegedeeld? Is het Evangelie niet door alle eeuwen heen beschouwd als de grootste beschaver van het menschelijk geslacht?Hoe de heer Jones de Blijde Boodschap aan den slaaf zoo zou kunnen mededeelen, dat de regtvaardiging van het slavernijstelsel er uit volgde, kunnen wij bij geene mogelijkheid nagaan. Echter zijn wij in staat om een proefje te geven, hoe zij uitgelegd wordt in de predikatiën van bisschop Meade, blz. 116 (Brook’sSlavery, blz. 32 en 33):„Wat gij wilt dat u geschiede, doet zoo ook aan anderen;” dat is, handelt jegens ieder, gelijk gij zoudt wenschen, dat zij ten uwen aanzien handelden, wanneer gij u bevondt in hunne plaats en zij in de uwe gesteld waren.Om dezen regel nu toe te passen op uwe bijzondere omstandigheden moet gij veronderstellen, dat gij meesters en meesteressen waart en bedienden onder u hadt; zoudt gij dan niet wenschen, dat uwe bedienden hun werk trouw en eerlijk verrigtten, zoowel buiten uw gezigt als onder uwe oogen? zoudt gij niet verwachten, dat zij acht sloegen op hetgeen gij hun zeidet? dat zij u en de uwen met eerbied behandelden en voor alles wat u toekwam zoo zorgvuldig zijn zouden als gij-zelven het zoudt wezen? Gij zijt thans ondergeschikten; handelt dus zoo als gij zoudt wenschenbehandeld te worden, dan zult gij goede dienaren zijn van uwe meesters en goede dienaren van God, die dit van u eischt en er u wèl voor beloonen zal, wanneer gij het van ganscher harte doet uit gehoorzaamheid aan zijne geboden.De eerwaarde heeren, die de Schrift aldus uitleggen, doen aan het gezond verstand hunner zwarte leerlingen groot onregt, wanneer zij dezen onbekwaam achten om dit dunne webbe van drogredenen te verbreken en overtuigend te bewijzen dat „menig mes aan twee kanten snijdt.” Een of ander schrander oud man (van den stempel dergenen, die opstonden en heengingen onder de bewuste predikatie over den brief aan Philemon, en die zoo veel scherpzinnigheid aan den dag legden bij het aanvoeren van tegenwerpingen tegen de Goddelijke waarheid, zoo als men die alleen gezocht zou hebben bij beschaafde lieden) zou welligt, had hij het durven onderstaan, op zulk eene uitlegging der Schrift hebben kunnen antwoorden: „Onderstel dat gij een slaaf waart,—dat gij uw leven lang geen penning van uwe eigene verdiensten genieten kondt, geen wettig regt op uwe vrouw en uwe kinderen hadt, uwe kinderen niet naar school mogt zenden, en dat, gelijk gij ons toegevoegd hebt, arbeid en armoede in dit leven uw deel moest zijn,—hoe zou dit u bevallen? Zoudt gij niet wenschen, dat uw Christelijke meester u uit dien toestand bevrijdde?” Wij vragen ieder, die geen aannemer des persoons is, of deze uitlegging van Sambo niet even goed is als die van den bisschop? Zoo niet, waarom niet?Bij onze gevoelens en denkbeelden komen leerredenen als die van bisschop Meade ons als hoogst hardvochtig en gevoelloos voor. Wij zouden den man echter groot onregt doen, zoo wij daaruit afleidden, dat zijn karakter hiermede in overeenstemming was. Het is alleen een nieuw bewijs hoe de gewoonte beminnelijke en achtenswaardige menschen zoo gemeenzaam maakt met een stelsel van onderdrukking, dat zij ten slotte alle gevoel verloren hebben voor het onregt, dat er in opgesloten ligt.Dat de redeneringen van bisschop Meade hem-zelven niet ten volle overtuigd hebben, kan daaruit blijken, dat hij, na al zijne schilderingen van de bijzondere voordeelen van deslavernij als een middel van Godsdienstige opleiding, eindelijk zijne eigene slaven emancipeerde.Doch, bij al hetgeen reeds gezegd is, wordt het geheele stelsel van Godsdienstig onderrigt verduisterd door eene afgrijselijke schaduw,—doorden slavenhandel. Wat doet de zuidelijke Kerk met hare catechisanten en lidmaten? Lees de advertentiën maar eens in de zuidelijke nieuwsbladen, en oordeel. Aanschouw in elke stad van de slavenkweekende Staten, die magazijnen, welke men bij voortduring gevuld houdt met gesorteerde negers van tien tot dertig jaren! Zie in elken slavenverbruikenden Staat de kosthuizen, waarheen deze beklagenswaardige overblijfselen van huisgezinnen onophoudelijk heengevoerd worden! Wie predikt het Evangelie aan de slaven-karavanen? Wie predikt het in de slaven-gevangenissen? Zoo wij de vreeselijke uitgebreidheid van dien binnenlandschen handel nagaan,—zoo wij kolommen advertentiën lezen van menschelijke wezens, die zoo veelvuldig van eigenaar verwisselen als of zij bankbilletten waren in stede van menschen,—dan zullen wij ons een begrip kunnen vormen hoe de invloed van het Godsdienstig onderrigt volkomen te niet gedaan moet worden doordien men de voorwerpen van dat onderrigt blootgesteld laat „aan al de wisselvalligheden van den eigendom.”
Hoofdstuk IX.Komt het godsdienstig onderrigt, dat men den slaaf geeft, met het Evangelie overeen?
De Vrouwen van Engeland hebben in haar adres aan de Vrouwen van Amerika in het bijzonder er van gewaagd, dat den slaaf het Evangelie onthouden wordt. Men heeft zich daarover hier te lande zeer verontwaardigd betoond, en beweerd, dat het Evangelie ruimschoots ter kennisse van de slaven wordt gebragt.Wie het werk van den heer C. C. Jones, betreffende het Godsdienstig onderrigt der negers, leest, zal geen twijfel koesteren aangaande de volgende punten:1. Dat er jaar op jaar, sedert den invoer van negers in dit land, door verscheidene vrome en welgezinde personen pogingen voor hun geestelijk welzijn zijn aangewend.2. Dat die pogingen van jaar tot jaar talrijker zijn geworden.3. Dat de belangrijkste poging plaats vond omstreeks den tijd toen de heer Jones zijn werk schreef, in 1842, en dat zij eenige uitbreiding kreeg in de Vereenigde Staten. Zij heeft vermoedelijk hare grootste ontwikkeling gehad in den Staat Georgia, den kring van de onmiddellijke bemoeijingen van den heer Jones, waar zeer goede resultaten verkregen zijn en van de zijde der meesters veel loffelijk Christelijk gevoel is aan den dag gelegd.4. Van tijd tot tijd zijn ten dienste der slaven katechismussen, gezangen, korte preken, enz. enz. opgesteld, bestemd om hun door hunne meesters voorgelezen of mondeling onderrigt te worden.5. Het zal bij het lezen van het werk van den heer Jones aan ieder blijken, dat, ofschoon het geschreven is door een man, die het slavernij-stelsel door God goedgekeurd acht, er een geest uit spreekt van opregte welwillendheid en van hartelijke belangstelling in de taak, waaraan hij zich gewijd heeft, die niet genoeg geprezen kan worden.Het is een pijnlijke en onaangename pligt, wanneer men een oordeel of een verschil van gevoelen moet uitdrukken, ten aanzien van pogingen, die met een goed doel ondernomen zijn en in menig opzigt goede vruchten gedragen hebben; doch bij het lezen van het bedoelde werk van den heer Jones, en van zijne katechismussen en preken, die een denkbeeld geven van het Godsdienstig onderrigt der slaven, is schrijfster dezes smartelijk getroffen geworden door de meening, die bij haar oprees, dat, hoeveel goeds hier ook voorkomt, het niethet ware en zuivere stelsel van het Evangelieis, dat den slaaf gegeven wordt. Voor zoo ver de schrijfster, hetgeenhaarwordt medegedeeld, heeft kunnen nagaan, komt het hierop neder: dat zijns meesters gezag over hem en regt op hem, zoover de slavenwet het uitstrekt, erkend en gehandhaafd wordt door de ontzagwekkende autoriteit van God zelf. Men zegt hem, dat zijn meester de opzigter van wege God is; dat hij hem blinde, onvoorwaardelijke en onbegrensde gehoorzaamheid is verschuldigd; dat hij niet mag morren of misnoegd zijn over iets, dat deze hem aandoet; en, in geval hij er zich toch aan overgeeft, dat hij dan niet murmureert tegen zijn meester maar tegen God. Men leert hem, dat het Gods wil is, dat niets dan zwoegen en armoedeop deze wereld zijn doel zal wezen; en dat, indien hij daarover ontevreden is, hij daardoor niets zal winnen in dit leven, maar in het volgende voor eeuwig naar de hel gezonden worden. De meest levendige schilderingen van de hel en hare pijnen en hare wormen die nimmer sterven, worden hem voorgehouden; en men dringt hem op, dat die eeuwige pijniging het gevolg zal zijn van ongehoorzaamheid hier beneden. Het verwondert mij nu gansch niet, dat een slavenhouder eenmaal aan Dr. Brisbane van Cincinnati verklaarde, dat de Godsdienst op zijne plantage hem van meer nut was dan eene geheele wagenvracht bullepezen.Verder zegt men den slaaf, dat de poging om zijn meester te ontvlugten, of het helpen en herbergen van een slaaf, die ontvlugt is, dingen zouden zijn die hem blootstellen aan den toorn van dat alomtegenwoordige Wezen, welks oog tot elken schuilhoek doordringt.Daar de slaaf een roerend en verhandelbaar voorwerp is, onderhevig, gelijk de heer Jones kalm aanmerkt, „aan al de wisselingen van den eigendom,” moet dit stelsel van onderrigt, naar men denken kan, verwarring geven, wanneer het de Christelijke pligten van het huisgezin in den geest van den slaaf prent.Bij het nemen van een overzigt van het veld, dat hij bearbeiden wil, verhaalt de heer Jones ons—hetgeen ieder verstandig mensch reeds moet begrepen hebben—dat hij bij de negers in dit opzigt zeer berispelijke handelwijzen opgemerkt heeft; dat de veelwijverij algemeen onder hen in zwang is, en dat de huwelijksverbindtenis bij hen eene bloot tijdelijke vereeniging is, gesproten uit zucht naar belang, voordeel of genoegen, aangegaan zonder bedachtzaamheid en ontbonden zonder het geringste spoor van schuldgevoel.Ieder zal bevroeden, dat deze stand van zaken het noodwendig gevolg moet wezen van het wetten-stelsel, dat die Christelijke menschen gemaakt hebben en nog voor hunne slaven in kracht houden; en ieder zou het, om met eenige vrucht het Godsdienstig onderrigt te kunnen toedienen, voor onvermijdelijk houden, dat de neger verplaatst wierde in een toestand, waarin hij een wettig huwelijkkanaangaan en hieraan trouwkanblijven nadat het gesloten is.Doch de heer Jones en zijne medestanders begonnen metde verklaring, dat zij niet voornemens waren zich in het geringste met den wettelijken toestand van den slaaf te bemoeijen.Wij zouden daarom niet gedacht hebben, dat, indien de meesters besloten hunne slaven te houden in den toestand van roerend goed, onderworpen aan eene herhaalde verbreking van de familie-banden, zij hen zouden hebben durven doen onderrigten van de strenge zedeleer van het Evangelie met opzigt tot de huwelijksbetrekking.Evenwel is dit het geval. Zoo wij den Katechismus van den heer Jones doorloopen, zullen wij bevinden, dat men den slaaf mondeling laat opzeggen, dat één man de echtgenoot van slechts ééne vrouw kan zijn en dat, indien hij gedurende haar leven eene andere huwt, God hem daarvoor eeuwigdurende straf in de hel zal doen lijden.Stel dat eene Godsdienstige vrouw, onderwezen uit dien Katechismus, ten gevolge van den dood haars meesters wegens boedelscheiding aan de markt gebragt wordt,—gelijk in vele gevallen plaats vindt, waarvan wij de advertentiën elke week in de nieuwsbladen van Georgia lezen. Zij wordt ontrukt aan man en kinderen en naar het andere einde der Vereenigde Staten verkocht, waar zij hem nimmermeer zal ontmoeten, en haar meester beveelt haar een ander echtgenoot te nemen. Wat moet die vrouw nu doen? Zoo zij er een neemt, begaat zij, volgens haar Katechismus, overspel, en stelt zich bloot aan de straffe des eeuwigen vuurs; neemt zij hem niet, dan is zij haar meester ongehoorzaam, die, gelijk men haar geleerd heeft, haar opzigter van wege God is, en stelt zij zich ook om die reden aan het eeuwige vuur bloot;—zooveel is zeker, dat zij in allen gevalle hier beneden met vreeselijke martelingen bedreigd wordt.Nu vragen wij of een onderrigt, hetwelk dit arme schepsel in zulk een doolhof van afgrijselijkheden verwart, het Evangelie kan genoemd worden?Is dit het Evangelie, de Blijde Boodschap, in eenigerhande beteekenis van het woord?Op dezelfde wijze beveelt die Katechismus den ouders, hunne kinderen op te voeden volgens de voorschriften en in den geest des Heeren, en ze te leiden, te raden, te tuchtigen en te besturen.Nog leeren die onderwijzers hen, dat zij de Schrift naarstig en onophoudelijk moeten onderzoeken, doch verklaren te gelijkertijd,dat het hun voornemen niet is, zich te bemoeijen met de wetten, die verbieden dat den slaven het lezen geleerd worde. De Schrift onderzoeken, zegt men den slaven, beteekent, zich te wenden tot menschen, die genegen zijn hen daaruit voor te lezen. Ja, maar indien niemand hiertoe genegen is, wat dan? Iemand, dien de Katechismus dus onderwezen is, wordt bijv. verkocht naar eene plantaadje aan de Roode Rivier, gelijk die, waar Northrop vertoefde; geen Bijbel vergezelt hem derwaarts; zijne Christelijke onderwijzers hebben hem, in hunne zorg om zich met zijn burgerlijken toestand niet te bemoeijen, verstoken van het vermogen om te lezen; en in dat land der duisternis is het mondeling onderrigt slechts eene hersenschim. Laat iemand ons eens vragen, voor welken prijs wij verstoken zouden willen zijn van het vermogen, om ooit den Bijbel zelven te lezen en geheel afhankelijk te moeten zijn van het voorlezen van anderen,—vooral wanneer wij gevaar liepen van in zulke handen te vallen als met de slaven het geval is,—en dan kunnen wij nagaan of een stelsel van Godsdienstig onderrigt, hetwelk begint met te verklaren, dat het geen voornemen heeft zich met die wreede wettelijke berooving te bemoeijen, het Evangelie is!Verder wordt de arme slaaf, die reeds aan alle kanten verblind, verward en in duisternis gehuld is door de strikken, die de wet voor zijne voeten legt, stiptelijk onderwezen in een volkomen zamenstel van zedeleer. Hij mag niets begeeren wat zijnen meester behoort; hij mag niet morren of ontevreden zijn; hij moet zijns meesters belangen behartigen als zijne eigene en gereed zijn, zich er voor op te offeren; en zoo moet hij, gelijk men hem leert, zich niet alleen gedragen jegens den vriendelijken en den welwillenden, maar ook jegens den barschen meester. Hij moet alle beleedigingen vergeven en onder alle beproevingen naar regt handelen. Zoodanigerwijze worden hem zijne verpligtingen voorgehouden, terwijl de wederkeerige verpligtingen van den meester slechts bestaan in het verschaffen van goed huisdak, kleeding, voeding, enz., terwijl daarbij aan de willekeur van elken meester wordt overgelaten, te bepalen wat met opzigt tot deze zakengoedis.Het kan geene verwondering baren, dat, wanneer men zulk een stelsel van de verregaandste ongeregtigheid voor den neger wil regtvaardigen door het gezag der Godsdienst, nu en daneen sterke geest zich daartegen verzet. Onder eene zwarte huid hebben wij scherpzinnige hoofden, onmisleidbare gemoederen gevonden, wier geprikkeld gevoel van regt door zulke voorstellingen in het geheel niet van het spoor gebragt kon worden.Dat de heer Jones dezulken ook ontmoet heeft, is blijkbaar; want, sprekende van de bezwarenissen, waaraan een zendeling in hun midden onderworpen is, zegt hij op blz. 127:Hij treft deïsmus, scepticismus, universalismus onder hen aan, alsmede verschillende verbasteringen van het Evangelie en alle mogelijke tegenwerpingen tegen de Goddelijke waarheid,—tegenwerpingen, die hij misschien alleen gezocht zou hebben bij beschaafde lieden, ervaren geleerden of scherpzinnigecriticienwijsgeeren! Die uitersten ontmoet men hier op het gemeenschappelijk terrein van een beneveld verstand en een verstokt hart.Verder zegt hij in het tiende jaarlijksche verslag van de „Vereeniging voor het Godsdienstig onderrigt der negers in Liberty County, in Georgia:”Veroorlooft mij, een voorval mede te deelen, dat in de lente van dit jaar gebeurde en strekken kan om een inzigt te geven in het karakter en de gevoelens der negers. Ik predikte voor eene groote vergadering uit den Brief van Philemon; en toen ik uitweidde over de trouw en gehoorzaamheid als Christelijke deugden bij dienaren, en op gezag van Paulus het ontvlugten sterk veroordeelde, vertrok de helft mijner toehoorders zonder bedenken, en de overgeblevenen schenen gansch niet ingenomen met den predikant of zijne leer. Na den afloop heerschte er eene groote beweging onder hen; sommigen beweerden stellig, dat zulk een brief niet in den Bijbel stond; anderen „dat dit het Evangelie niet was;” nog anderen „dat ik predikte om hunnen meesters te behagen,” weder anderen „dat het hun onverschillig was of zij mij immer weder hoorden prediken.”—Blz. 24 en 25.Lundy Lane, een verstandig vlugteling, die ook Gedenkschriften heeft uitgegeven, zegt dat de slaven bij zekere gelegenheidbijzonder ingenomen waren met een predikant, totdat hij hun begon te betoogen, dat zij door God opzettelijk tot slaven bestemd en geschapen waren. Allen, zegt hij, lieten hem alleen staan, omdat zij met de Joden dachten: „Dit is een hard woord; wie kan het aanhooren?”Door deze opmerkingen omtrent de verdraaijing van het Evangelie, zoo als men het den slaven leert, willen wij niet beweren, dat hun niet veel nuttigs en prijselijks onderwezen wordt. Wij willen alleen betoogen, dat, voor zoo verre hetgeen men hen onderwijst de slavernij regtvaardigt, het noodwendig de gronddenkbeelden van geregtigheid en zedelijkheid schendt. Het is, gelijk wij reeds vroeger zeiden, eene poging, om de duisternis met het licht en Christus met Belial te verzoenen. Zulk eene poging kan niet geregtvaardigd of geduld worden op grond dat zij in een welwillenden geest door welwillende menschen wordt ondernomen. Wij koesteren hooge bewondering voor sommige der arbeiders, die dit stelsel ingang hebben doen vinden, even als voor vele der zendelingen uit de Jezuïten, die het Roomsch-Catholijke geloof onder de inheemsche stammen van dit land gebragt hebben. De opoffering en onbaatzuchtigheid kan niet verder gedreven worden dan door sommigen uit deze beide klassen van menschen geschied is.Doch, terwijl onze eerbied voor deze lofwaardige mannen ons als Protestanten niet moet verleiden tot het bewonderen van het stelsel, dat zij onderwezen hebben, zoo moet onze achting voor onze zuidelijke broeders ons ook niet verlokken om te erkennen, dat een stelsel, hetwelk de slechtste soort van geestelijke en wereldlijke dwingelandij regtvaardigt, in overeenstemming is met het Evangelie van Hem, die den gevangene verlossing kwam aankondigen.Ten bewijze dat wij den geest van het onderrigt niet verkeerdelijk hebben voorgesteld, zullen wij eenige uittreksels uit onderscheidene predikatiën en redevoeringen mededeelen.Om te weten hoe onbewimpeld de Godsdienst-onderwijzers iedere bedoeling om zich met de wettelijke betrekking te bemoeijen, van zich afwerpen, zie men het werk van den heer Jones op blz. 157:Door wetten en gebruiken zijn zij uitgesloten van devoordeelen der opvoeding en gevolgelijk van het lezen van Gods woord; en dit ontelbare aantal onsterfelijke wezens is voor Godsdienstig onderrigt geheel afhankelijk vanmondelingemededeelingen. En van wie? Van hunnemeesters. En hunne meesters beweren, voornamelijk in de laatste jaren, deuitsluitende bestierdersvan hun Godsdienstig onderrigt te zijn en de uitdeelers van de Goddelijke barmhartigheid ten hunnen aanzien, zoodat zij de verantwoordelijkheid van hunnegeheelebekeering op zich nemen!Er wordt streng gewaakt tegen alle toenadering van buiten, en geene Evangelie-dienaren mogen hun het brood des levens toereiken dan die,welke zich in het vertrouwen hunner meestershebben weten te dringen. Ik veroordeel dezen maatregel van zelfbehoud van de zijde onzer medeburgers niet; ik maak er slechts gewag van om hunnegeheele afhankelijkheidvan ons-zelven aan te toonen.Bij het beantwoorden van de bedenkingen der meesters tegen het Godsdienstig onderrigt der negers, stelt hij de navolgende tegenwerping en beantwoordt die volgenderwijze:Indien wij onze negers laten onderrigten zal er een streven naar eene verandering in de burgerlijke betrekkingen der maatschappij uit voortvloeijen.Wij antwoorden daarop: dat wij hunGodsdienstigenen hunmaatschappelijkentoestand geheel van elkander afscheiden, en beweren dat voor den eenen kan gezorgd worden zonder zich met den anderen te bemoeijen. Onsbeginselis dat, hetwelk gesteld is door den Heilige en Regtvaardige: „Geef den keizer wat des keizers, en Gode wat Godes is.” En Christus en Zijne Apostelen zijn onzevoorbeelden. Achtten zij het bestaanbaar met de goede maatschappelijke orde, den dienaren het Evangelie te prediken? Ja. Bemoeiden zij zich daarbij met hun maatschappelijken toestand? Neen.De volgende beschrijving van de gelukzaligheid in den hemel en van de pijnigingen in de hel, is ontleend aan den Katechismus van den heer Jones, blz. 83, 91 en 92:Vraag.Wordt er in den Bijbel slechts van twee plaatsen gesproken werwaarts de zielen der menschen na den dood heengaan?—Antwoord.Slechts van twee.V.Welke zijn die?—A.Hemel en hel.* * *V.Naar welke plaats gaan de regtvaardigen na het oordeel?—A.Naar den hemel.V.Welke soort van plaats is de hemel?—A.Eene allerheerlijkste en gelukzalige plaats.* * *V.Zullen de regtvaardigen in den hemel hongeren, of dorsten, of naakt, of heet, of koud zijn? Zullen zij daar zonde, of smart, of geween, of pijn, of dood kennen?—A.Neen.V.Zeg op: „En God zal alle tranen van hunne oogen wisschen.”—A.„En God zal alle tranen van hunne oogen wisschen, en daar zal geen dood, noch smart, noch geween meer zijn; ook zal daar geene pijn meer wezen; want de vroegere dingen zijn te niet gedaan.”V.Zal de hemel hunne eeuwigdurende woonplaats zijn?—A.Ja.V.En zullen de regtvaardigen daar altijd in kennis en heiligheid en gelukzaligheid toenemen?—A.Ja.V.Naar welke plaats moeten wij, meer dan naar eenige andere, wenschen en pogen heen te gaan?—A.Naar den hemel.* * *V.In welke plaats zullen de goddeloozen geworpen worden?—A.In de hel.V.Zeg op: „De goddeloozen zullen geworpen worden.”—A.„De goddeloozen zullen geworpen worden in de hel, en alle natiën die God vergeten.”V.Welke soort van plaats is de hel?—A.Eene plaats van vreeselijke pijnigingen.V.Wat brandt daar?—A.Een eeuwigdurend vuur.V.Wie worden, behalve de goddelooze menschen, nog in de hel geworpen?—A.De duivel en zijne engelen.V.Wat zullen de pijnen der hel den goddeloozen ontlokken?—A.Geween en knarsinge der tanden.V.Om wat smeekte de rijke toen hij door de vlammengefolterd werd?—A.Om een droppel water, ten einde zijne tong te verkoelen.V.Zullen de goddeloozen iets goeds in de hel hebben? het minste genoegen? de minste verligting hunner folteringen?—A.Neen.V.Zullen zij immer uit de hel komen?—A.Neen, nimmer.V.Kan iemand van den hemel naar de hel, of van de hel naar den hemel gaan?—A.Neen.V.Wat bevindt zich tusschen den hemel en de hel?—A.Een groote afgrond.V.Hoe wordt de straf der goddeloozen in de hel genoemd?—A.Eeuwigdurende straf.V.Zal deze straf hen beter maken?—A.Neen.V.Zeg op: „Het is vreeselijk.”—A.„Het is vreeselijk, te vallen in de handen des levenden Gods.”V.Hoe wordt God voor de goddeloozen genoemd?—A.Een verterend vuur.V.Welke plaats moeten wij boven alle andere trachten te vermijden?—A.De hel.De eerwaarde Alex. Glennie, predikant van hetAll-Saintskerspel, te Waccamaw, in Zuid-Carolina, is vele jaren gewoon geweest, bijzonder met het oog op de slaven te prediken. In 1844 gaf hij te Charleston eene keur van die preken in het licht, onder den titel van:Leerredenen, gepredikt op plantaadjen voor vergaderingen van negers.Er komen zes en twintig leerredenen in voor, en in twee en twintig daarvan vindt men een meer of minder groote uitweiding over de hel als een spoorslag tot pligtsbetrachting. Volgenderwijze beschrijft hij het laatste oordeel (Vijftiende leerrede, blz. 90):Wanneer allen voor Hem staan, zal Hij ze afzonderen, gelijk een herder zijne schapen van de bokken afzondert; en de schapen zal hij plaatsen aan Zijne regterhand en de bokken ter linkerhand. Die afzondering, mijne broederen, zal een vreeselijk iets zijn; wanneer de heilige engelen, op bevel van den grooten Regter, al de gehoorzame volgelingen van Christus bijeen zullen vergaderen en hen zullen plaatsen aan de regterzijde van den regterstoel, en al de overigenaan de linkerhand. Bedenkt, dat ieder uwer tegenwoordig moet zijn; bedenkt, dat bij den grooten Regter geene vergissing mogelijk is; en dat gij aan de eene of aan de andere zijde zult geplaatst worden, naar mate gij in deze wereld in Hem geloofd en Hem gehoorzaamd zult hebben, of niet. Hoe vol van vreugde en dankzegging zult gij zijn, indien gij u aan de regterhand ziet plaatsen! maar ook hoe vol van rampzaligheid en wanhoop, wanneer de linkerzijde u als plaats aangewezen wordt!Maar wat zal Hij zeggen tot de goddeloozen aan Zijne linkerhand? Hun zal Hij toevoegen: „Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne engelen.” Hij zal hen gebieden te vertrekken; hier op aarde zochten zij Hem niet door boetvaardigheid en geloof; zij gehoorzaamden Hem niet en thans zal Hij hen uit Zijne tegenwoordigheid verdrijven. Vervloekten zal Hij ze noemen.(Eerste Leerrede, blz. 42). De dood, die de bezoldiging is der zonde, is dat eeuwige vuur, hetwelk voor den duivel en zijne engelen bereid is. Het is een vuur, dat altijd zal branden; en de duivel en zijne engelen, en alle menschen, die God niet willen liefhebben en dienen, zullen daar eeuwige straf lijden. De Bijbel zegt: „De walm hunner pijniging stijgt in eeuwigheid op.” Het vuur wordt niet gebluscht, het dooft nimmer uit, de worm sterft niet; want van hunne straf wordt gesproken als van een worm, die altijd aan hen knaagt, maar hen nimmer verslindt; het kan niet eindigen.Met opzigt tot de volstrekte heerschappij van den meester kan dienen het volgende extract uit eene leerrede van bisschop Meade (Brook’sSlavery, blz. 30–32):Na u aldus de noodzakelijkste verpligtingen te hebben geschetst, die gij jegens uw grooten Meester in den Hemel hebt te vervullen, ga ik nu over tot hetgeen gij verschuldigd zijt aan uwe meesters en meesteressen hier op aarde; hiervoor bestaat een algemeene regel, dien gij altijd in gedachten behoort te houden, en die is: verrigt voor hen alle dienst, als of gij het voor God-zelven deedt. Arme schepsels!weinig bedenkt gij, wanneer gij lui zijt en de zaken uwer meesters veronachtzaamt, wanneer gij steelt of iets wat het hunne is verspilt of bederft, wanneer gij eigenzinnig of onheusch zijt, wanneer gij liegt en hen misleidt, wanneer gij norsch zijt en niet dan met slagen en straffen tot het werk gedreven kunt worden,—weinig bedenkt gij dan, zeg ik,dat de misdrijven, aan welke gij u schuldig maakt jegens uwe meesters en meesteressen, misdrijven zijn, welke gij begaat jegens God-zelven, die uwe meesters en meesteressen over u gesteld heeft in Zijne eigene plaats, en die verwacht, dat gij voor hen stipt hetzelfde zult doen, wat gij voor Hem zoudt verrigten. En ik bid u, denk toch niet, dat ik u misleid, wanneer ik u zeg,dat uwe meesters en meesteressen opzigters zijn van wege God; en dat, indien gij u jegens hen vergrijpt, God er u strengelijk voor zal straffen hier namaals, tenzij gij er berouw over hebt en er voor poogde te boeten door trouw en ijver in den vervolge; want God-zelf heeft dat verklaard.Uit dezen algemeenen regel nu,—namelijk, dat gij voor uwe meesters en meesteressen alles doen moet, alsof gij het voor God-zelf deedt,—ontspruiten verscheidene andere verpligtingen jegens uwe meesters en meesteressen, die ik in geleidelijke orde voor u zal trachten te ontwikkelen.In de eerste plaats dan, moet gij uwen meesters in alle dingen gehoorzaam en onderdanig zijn.... En den Christelijken leeraars wordt bevolen: „de dienstknechten te vermanen om gehoorzaam te zijn aan hunne eigene meesters, en hen in alle dingen, zonder tegenspraak of morren te wille te zijn.” Gij ziet hoe streng God van u vordert, dat gij, wat uwe meesters en meesteressen u bevelen, terstond verrigt en getrouw uitvoert, zonder tegenspreken of morren, en dat gij zorgt hen in alles te wille te zijn. En tot uwe aanmoediging verzekert Hij u, dat Hij er u in den hemel voor zal beloonen, dewijl, wanneer gij eerlijk en trouw de belangen van uw meester hier beneden waarneemt, gij uw Heer en Meester in den hemel dient. Gij ziet alzoo, dat gij geen verschil moet maken in uw gedrag ten aanzien uwer meesters en meesteressen, en dat gij gehoorzaam en onderworpen moet zijn, niet alleen aan degenen die goed en minzaam en zachtmoedig jegens u zijn, maar ook aan degenen, die hard ennorsch jegens u mogten wezen. Want gij zijt niet vrij om uwe eigene meesters te kiezen; maar daar, waar God u geplaatst heeft, moet gij uw pligt doen en God zal er u voor beloonen.Gij moet trouw en eerlijk voor uwe meesters en meesteressen zijn, niet lui wezen of hunne bezittingen verwaarloozen, maar in alle opzigten u betamelijk jegens hen gedragen....Zijn het niet uwe meesters, die, naast God, voor u zorgen? En hoe zullen zij hiertoe bij magte zijn, hoe u kunnen voeden en kleeden, zoo gij niet behoorlijk zorgt voor al wat het hunne is?Herinnert u, dat God dit van u vordert; en zoo gij niet bevreesd zijt voor straf hier beneden, bedenkt, dat gij niet kunt ontkomen aan de tuchtiging van den Almagtigen God, die oordeelen zal tusschen u en uwe meesters, en die u in de andere wereld strengelijk zal doen boeten voor al hetgeen gij hier jegens hen misdreven hebt.En zoo gij het zoo loos kondt overleggen, dat gij hier aan de oogen en handen der menschen ontkwaamt, bedenkt hoe vreeselijk het is te vallen in de handen des levenden Gods, die in staat is, om beide ligchaam en ziel in de hel te werpen!Dient uwen meester met blijmoedigheid, eerbied en onderdanigheid. Verrigt uws meesters werk goedwillig en van ganscher harte als de wil Gods, zonder misnoegen of tegenspraak.Hoe velen uwer handelen geheel anders, en kijven en knorren, in stede van goedwillig en van harte aan het werk te gaan, en geven norsche antwoorden en gedragen zich onwillig! Er is iets zoo innemends in een zedig, blijmoedig en voorkomend gedrag, dat een weinig werks aldus verrigt, beter gedaan schijnt te wezen en meer genoegen geeft, dan een veel grootere arbeid, die met dwang en zweepslagen van u moet verkregen worden. Gij wint daardoor de achting en welwillendheid van uwe eigenaren en zult uw eigen leven met meer gemak en genoegen slijten. Bovendien moet gij in aanmerking nemen, dat uw wrevel en kwade wil uwe meesters en meesteressen niet alléén treft. Zij bezitten de middelen om u goed- of kwaadschiks tot uw werk te dwingen.Maar uw murmureren en grommen geschiedt tegen God, die u in die betrekking geplaatst heeft en die u in de anderewereld strengelijk zal straffen voor het in den wind slaan Zijner geboden.Hier doet zich eene schrikwekkende vraag op: Indien de arme, onwetende slaaf, die zijns meesters wereldsche goederen tot zijn eigen voordeel aanwendt, zulk eene strenge straf te gemoet gaat, wat zal dan het lot zijn van die welopgevoede lieden, die voor hun tijdelijk belang wetten maken en handhaven, door welke opvolgende geslachten niet alleen van hunne dagelijksche verdiensten, maar van al hunne aanspraken en voorregten als onsterfelijke wezens beroofd worden?De eerwaarde heer Glennie verzekert zijnen hoorders, in een zijner predikatiën (aangehaald door Bowditch, blz. 137), dat niemand hunner in den oordeelsdag grond zal hebben, om te zeggen: „Ik had geene gelegenheid om van mijn God en Verlosser te hooren.”Bisschop Meade (aangehaald bij Brooke, blz. 34 en 35) weidt aldus voor de slaven uit, over de voordeelen van hun toestand. Men zou, dit lezende, waarlijk van gevoelen worden, dat ieder zich haastiglijk als slaaf moest gaan verkoopen, als de zekerste weg naar den hemel.Weest niet wrevelig of morrend, klaagt of gromt niet over uw toestand; want dit zal niet alleen uw leven onaangenaam maken, maar hoogelijk beleedigt gij God daarmede.Bedenkt dat gij het niet zelven zijt, noch de menschen aan wie gij behoort, waardoor gij in dezen toestand zijt gebragt,maar dat het de wil van God is, wiens Voorzienigheid u tot dienstknechten gemaakt heeft, dewijl Hij ongetwijfeld wist, dat dit zou strekken tot uw welzijn in deze wereld en om u te zekerder in den hemel te brengen, indien gij uwe pligten in deze betrekking trouw vervult. Misnoegen, dat gij niet vrij of rijk of voornaam zijt, gelijk anderen, die gij ziet, is opstaan tegen uw hemelschen Meester, en God berispen, die u gemaakt heeft tot hetgeen gij zijt, en u een even groot deel van Zijn koningrijk beloofd heeft, als den aanzienlijksten man, die op aarde leeft, als gij u naar behooren gedraagt en eerlijk en blijmoedig den arbeid verrigt, die u op aarde opgedragen is. Rijkdom en magt is menige rampzalige ziel ten verderve geweest, door haar hart van God af te trekken en aan ijdeleen zondige vermaken te doen hangen; zoodat, wanneer God, die onze harten beter kent dan wij-zelven ze kennen, ziet dat die gaven ons schade zouden doen en ze ons daarom onthoudt, dit de grootste genade en gunst is, die Hij ons bewijzen kan.Misschien verbeeldt gij u, dat gij, rijkdom en vrijheid bezittende, uwe pligten jegens God en de menschen beter zoudt kunnen vervullen, dan thans. Maar ik bid u, bedenkt, dat indien gij door Gods genade uwe zielen redden kunt, gij uw tijd in deze wereld tot het best mogelijke doeleinde zult besteed hebben; en hij, die eindelijk den hemel mag bereiken, heeft eene heerlijke reis afgelegd, hoe bezwaarlijk en doornig het pad ook geweest zij. Bovendien bezit gij inderdaad een groot voorregt boven de meeste blanken, die niet alleen belast zijn met hun dagelijkschen arbeid, maar nog te meer met het bezwaar, om te zorgen voor de behoeften van morgen en overmorgen, en het kleeden en groot brengen hunner kinderen en het opwinnen van voedsel en andere levensbehoeften voor allen, die tot hun gezin behooren, hetgeen hen dikwerf in groote ongelegenheden brengt en hun geest zoo zeer vervult, dat hunne gedachten daardoor van de andere wereld afgeleid worden. Daarentegen zijt gij van al die zorgen bevrijd, en hebt op niets te letten, dan op uw dagelijkschen arbeid, waarna gij de vereischte rust kunt nemen. Evenmin behoeft gij er aan te denken, iets voor den ouden dag op te leggen, gelijk de blanken verpligt zijn: want de wetten des lands hebben er voor gezorgd, dat gij niet verjaagd zult worden, wanneer gij niet meer werken kunt, maar onderhouden, zoo lang gij leeft, door degenen, aan wien gij behoort, hetzij gij werken kunt of niet.Bisschop Meade vertroost verder de slaven over zekere onaangenaamheden, die aan hun toestand eigen zijn, en waarover zij waarschijnlijk meer reden van klagen meenen te hebben, dan over eenig ander bezwaar. De lezer zal toestemmen, dat de bisschop de zaak zeer philosophisch beschouwt.Er is nog ééne schijnbaar onaangename zaak, waarover ik nu handelen zal, en dat is de straf.Nu, wanneer gij straf ontvangt, verdient gij die, of gijverdient die niet; maar hoe het zij, het is uw pligt, en God eischt dat van u, er u lijdzaam in te schikken. Misschien acht gij dit eene harde leer; maar zoo gij de zaak goed inziet, moet gij er noodwendig anders over beginnen te denken. Gesteld dat gij straf verdient, dan kunt gij niet anders zeggen dan dat zij u naar regt en billijkheid toekomt. Gesteld gij verdient geene of ten minste niet zoo strenge straf voor hetgeen gij bedreven hebt, dan hebt gij misschien weten te ontkomen aan menige verdiende straf en ten slotte voor die allen geboet. Of, gesteld dat gij geheel onschuldig zijt aan hetgeen u te laste gelegd wordt, en dat gij in dat bijzondere geval ten onregte lijdt; is het dan niet mogelijk dat gij eenig kwaad bedreven hebt hetwelk nooit aan het licht is gekomen, en dat de almagtige God, die het u zag bedrijven, u niet van straf wilde vrij doen blijven? En moet gij niet, in zulk een geval, Hem eere geven en dankbaar zijn, dat Hij u liever in dit leven voor uwe boosheid wilde straffen, dan uwe ziel daarvoor verderven in het volgende leven? Maar stelt, dat zelfs dit het geval niet ware (ofschoon het moeijelijk te denken valt), en dat gij op geenerlei wijze, bekend of onbekend, de straf verdiend hadt die gij ondergaan hebt,—is het dan niet een groote troost, dat, indien gij het met geduld verduurt en uwe zaak in handen van God overlaat, Hij er u voor in den hemel beloonen zal en dat de straf, die u hier onregtvaardiglijk toebedeeld is, u hier namaals tot overgrooten roem zal verstrekken?Dat bisschop Meade geene hooge gedachten koestert van de tegenwoordige genoegens van het slavenleven, mag gewis afgeleid worden uit de volgende opmerkingen, die hij tot de slaven rigt:Uwe bekrompene omstandigheden in dit leven moeten u bijzondere zorg doen dragen voor uwe ziel, want gij kunt de genoegens van dit leven niet genieten gelijk de vrije lieden die bezittingen en geld hebben om te besteden zoo als zij goedvinden. Zoo anderen hunne zielen in gevaar willen stellen, hebben zij de kans om rijkdom en magt te verkrijgen, om schatten op te stapelen en al het gemak, de weelde en de vermaken te genieten waarnaar hun harthaakt. Maar gij kunt van dit alles niets verwerven, zoodat indien gij uwe ziel op het spel zet voor de armzalige dingen, die gij in deze wereld verkrijgen kunt, gij inderdaad een zeer slechten koop doet.Deze ophelderingen zijn ontegenzeggelijk zeer ter zake dienende. Aldus gaat hij voort:Het heeft den almagtigen God behaagd, u hier slaven te maken en u niets dan arbeid en armoede in deze wereld toe te deelen, waaraan gij verpligt zijt u te onderwerpen, daar het Zijn wil is. En overlegt eens bij u zelven, hoe verschrikkelijk het wezen zou, na al uw werk en lijden in dit leven, in de hel geworpen te worden, en, na uwe ligchamen in de dienst alhier afgezwoegd te hebben, te geraken in eene nog veel erger slavernij en uwe zielen aan den duivel overgeleverd te zien om voor eeuwig zijne slaven in de hel te worden zonder hoop van immer vrij te komen. Indien gij derhalve vrije lieden in Gods hemel wilt worden, moet gij u beijveren om braaf te zijn en Hem hier op aarde te dienen. Uwe ligchamen, dat weet gij, zijn uw eigendom niet; zij behooren aan uwe meesters; maar uwe kostbare zielen zijn uw eigendom, hetwelk niemand u buiten uwe schuld kan ontnemen. Bedenkt dus wel, dat, indien gij uwe zielen verliest door hier een lui en boos leven te lijden, gij er niets door gewonnen hebt in deze en in tegendeel alles verloren in de toekomende wereld.Want uwe luiheid en boosheid worden doorgaans ontdekt en uwe ligchamen lijden er hier voor; en wat verreweg erger is, zoo gij niet tot inkeer komt en u betert, zullen uwe ongelukkige zielen er hier namaals voor lijden.De heer Jones onderstelt in dat gedeelte van zijn werk waar hij de tegenwerpingen der meesters tegen het Christelijk onderrigt der slaven wederlegt, dat de meester de volgende aanmerking maakt:Gij leert hun, dat God „geen aannemer des persoons” is; „dat Hij alle geslachten der volkeren van éénen bloede gemaakt heeft;” „gij zult uwen evennaaste als u-zelven beminnen;”„wat gij wilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen.” Laat ik mogen vragen, welk gebruik zij van deze spreuken uit het Evangelie kunnen maken?De heer Jones zegt dan vervolgens:Het antwoord hierop is, dat het gevolg, waarop in de tegenwerping gezinspeeld wordt, zou kunnen voortvloeijen uit eenonvolkomenenonverstandigGodsdienstig onderrigt; het zou inderdaad mogelijk zijn, dat door den onderwijzer het Godsdienstig onderrigt gegeven wierde methet opzettelijke doelom het bedoelde gevolg te weeg te brengen, waarvan voorbeelden bestaan.Maar wie zal zeggen, dat pligtverzuim en ongehoorzaamheid denoodwendigegevolgen van het Evangelie zijn, wanneer het den dienaren zuiver en opregtelijk wordt medegedeeld? Is het Evangelie niet door alle eeuwen heen beschouwd als de grootste beschaver van het menschelijk geslacht?Hoe de heer Jones de Blijde Boodschap aan den slaaf zoo zou kunnen mededeelen, dat de regtvaardiging van het slavernijstelsel er uit volgde, kunnen wij bij geene mogelijkheid nagaan. Echter zijn wij in staat om een proefje te geven, hoe zij uitgelegd wordt in de predikatiën van bisschop Meade, blz. 116 (Brook’sSlavery, blz. 32 en 33):„Wat gij wilt dat u geschiede, doet zoo ook aan anderen;” dat is, handelt jegens ieder, gelijk gij zoudt wenschen, dat zij ten uwen aanzien handelden, wanneer gij u bevondt in hunne plaats en zij in de uwe gesteld waren.Om dezen regel nu toe te passen op uwe bijzondere omstandigheden moet gij veronderstellen, dat gij meesters en meesteressen waart en bedienden onder u hadt; zoudt gij dan niet wenschen, dat uwe bedienden hun werk trouw en eerlijk verrigtten, zoowel buiten uw gezigt als onder uwe oogen? zoudt gij niet verwachten, dat zij acht sloegen op hetgeen gij hun zeidet? dat zij u en de uwen met eerbied behandelden en voor alles wat u toekwam zoo zorgvuldig zijn zouden als gij-zelven het zoudt wezen? Gij zijt thans ondergeschikten; handelt dus zoo als gij zoudt wenschenbehandeld te worden, dan zult gij goede dienaren zijn van uwe meesters en goede dienaren van God, die dit van u eischt en er u wèl voor beloonen zal, wanneer gij het van ganscher harte doet uit gehoorzaamheid aan zijne geboden.De eerwaarde heeren, die de Schrift aldus uitleggen, doen aan het gezond verstand hunner zwarte leerlingen groot onregt, wanneer zij dezen onbekwaam achten om dit dunne webbe van drogredenen te verbreken en overtuigend te bewijzen dat „menig mes aan twee kanten snijdt.” Een of ander schrander oud man (van den stempel dergenen, die opstonden en heengingen onder de bewuste predikatie over den brief aan Philemon, en die zoo veel scherpzinnigheid aan den dag legden bij het aanvoeren van tegenwerpingen tegen de Goddelijke waarheid, zoo als men die alleen gezocht zou hebben bij beschaafde lieden) zou welligt, had hij het durven onderstaan, op zulk eene uitlegging der Schrift hebben kunnen antwoorden: „Onderstel dat gij een slaaf waart,—dat gij uw leven lang geen penning van uwe eigene verdiensten genieten kondt, geen wettig regt op uwe vrouw en uwe kinderen hadt, uwe kinderen niet naar school mogt zenden, en dat, gelijk gij ons toegevoegd hebt, arbeid en armoede in dit leven uw deel moest zijn,—hoe zou dit u bevallen? Zoudt gij niet wenschen, dat uw Christelijke meester u uit dien toestand bevrijdde?” Wij vragen ieder, die geen aannemer des persoons is, of deze uitlegging van Sambo niet even goed is als die van den bisschop? Zoo niet, waarom niet?Bij onze gevoelens en denkbeelden komen leerredenen als die van bisschop Meade ons als hoogst hardvochtig en gevoelloos voor. Wij zouden den man echter groot onregt doen, zoo wij daaruit afleidden, dat zijn karakter hiermede in overeenstemming was. Het is alleen een nieuw bewijs hoe de gewoonte beminnelijke en achtenswaardige menschen zoo gemeenzaam maakt met een stelsel van onderdrukking, dat zij ten slotte alle gevoel verloren hebben voor het onregt, dat er in opgesloten ligt.Dat de redeneringen van bisschop Meade hem-zelven niet ten volle overtuigd hebben, kan daaruit blijken, dat hij, na al zijne schilderingen van de bijzondere voordeelen van deslavernij als een middel van Godsdienstige opleiding, eindelijk zijne eigene slaven emancipeerde.Doch, bij al hetgeen reeds gezegd is, wordt het geheele stelsel van Godsdienstig onderrigt verduisterd door eene afgrijselijke schaduw,—doorden slavenhandel. Wat doet de zuidelijke Kerk met hare catechisanten en lidmaten? Lees de advertentiën maar eens in de zuidelijke nieuwsbladen, en oordeel. Aanschouw in elke stad van de slavenkweekende Staten, die magazijnen, welke men bij voortduring gevuld houdt met gesorteerde negers van tien tot dertig jaren! Zie in elken slavenverbruikenden Staat de kosthuizen, waarheen deze beklagenswaardige overblijfselen van huisgezinnen onophoudelijk heengevoerd worden! Wie predikt het Evangelie aan de slaven-karavanen? Wie predikt het in de slaven-gevangenissen? Zoo wij de vreeselijke uitgebreidheid van dien binnenlandschen handel nagaan,—zoo wij kolommen advertentiën lezen van menschelijke wezens, die zoo veelvuldig van eigenaar verwisselen als of zij bankbilletten waren in stede van menschen,—dan zullen wij ons een begrip kunnen vormen hoe de invloed van het Godsdienstig onderrigt volkomen te niet gedaan moet worden doordien men de voorwerpen van dat onderrigt blootgesteld laat „aan al de wisselvalligheden van den eigendom.”
De Vrouwen van Engeland hebben in haar adres aan de Vrouwen van Amerika in het bijzonder er van gewaagd, dat den slaaf het Evangelie onthouden wordt. Men heeft zich daarover hier te lande zeer verontwaardigd betoond, en beweerd, dat het Evangelie ruimschoots ter kennisse van de slaven wordt gebragt.
Wie het werk van den heer C. C. Jones, betreffende het Godsdienstig onderrigt der negers, leest, zal geen twijfel koesteren aangaande de volgende punten:
1. Dat er jaar op jaar, sedert den invoer van negers in dit land, door verscheidene vrome en welgezinde personen pogingen voor hun geestelijk welzijn zijn aangewend.
2. Dat die pogingen van jaar tot jaar talrijker zijn geworden.
3. Dat de belangrijkste poging plaats vond omstreeks den tijd toen de heer Jones zijn werk schreef, in 1842, en dat zij eenige uitbreiding kreeg in de Vereenigde Staten. Zij heeft vermoedelijk hare grootste ontwikkeling gehad in den Staat Georgia, den kring van de onmiddellijke bemoeijingen van den heer Jones, waar zeer goede resultaten verkregen zijn en van de zijde der meesters veel loffelijk Christelijk gevoel is aan den dag gelegd.
4. Van tijd tot tijd zijn ten dienste der slaven katechismussen, gezangen, korte preken, enz. enz. opgesteld, bestemd om hun door hunne meesters voorgelezen of mondeling onderrigt te worden.
5. Het zal bij het lezen van het werk van den heer Jones aan ieder blijken, dat, ofschoon het geschreven is door een man, die het slavernij-stelsel door God goedgekeurd acht, er een geest uit spreekt van opregte welwillendheid en van hartelijke belangstelling in de taak, waaraan hij zich gewijd heeft, die niet genoeg geprezen kan worden.
Het is een pijnlijke en onaangename pligt, wanneer men een oordeel of een verschil van gevoelen moet uitdrukken, ten aanzien van pogingen, die met een goed doel ondernomen zijn en in menig opzigt goede vruchten gedragen hebben; doch bij het lezen van het bedoelde werk van den heer Jones, en van zijne katechismussen en preken, die een denkbeeld geven van het Godsdienstig onderrigt der slaven, is schrijfster dezes smartelijk getroffen geworden door de meening, die bij haar oprees, dat, hoeveel goeds hier ook voorkomt, het niethet ware en zuivere stelsel van het Evangelieis, dat den slaaf gegeven wordt. Voor zoo ver de schrijfster, hetgeenhaarwordt medegedeeld, heeft kunnen nagaan, komt het hierop neder: dat zijns meesters gezag over hem en regt op hem, zoover de slavenwet het uitstrekt, erkend en gehandhaafd wordt door de ontzagwekkende autoriteit van God zelf. Men zegt hem, dat zijn meester de opzigter van wege God is; dat hij hem blinde, onvoorwaardelijke en onbegrensde gehoorzaamheid is verschuldigd; dat hij niet mag morren of misnoegd zijn over iets, dat deze hem aandoet; en, in geval hij er zich toch aan overgeeft, dat hij dan niet murmureert tegen zijn meester maar tegen God. Men leert hem, dat het Gods wil is, dat niets dan zwoegen en armoedeop deze wereld zijn doel zal wezen; en dat, indien hij daarover ontevreden is, hij daardoor niets zal winnen in dit leven, maar in het volgende voor eeuwig naar de hel gezonden worden. De meest levendige schilderingen van de hel en hare pijnen en hare wormen die nimmer sterven, worden hem voorgehouden; en men dringt hem op, dat die eeuwige pijniging het gevolg zal zijn van ongehoorzaamheid hier beneden. Het verwondert mij nu gansch niet, dat een slavenhouder eenmaal aan Dr. Brisbane van Cincinnati verklaarde, dat de Godsdienst op zijne plantage hem van meer nut was dan eene geheele wagenvracht bullepezen.
Verder zegt men den slaaf, dat de poging om zijn meester te ontvlugten, of het helpen en herbergen van een slaaf, die ontvlugt is, dingen zouden zijn die hem blootstellen aan den toorn van dat alomtegenwoordige Wezen, welks oog tot elken schuilhoek doordringt.
Daar de slaaf een roerend en verhandelbaar voorwerp is, onderhevig, gelijk de heer Jones kalm aanmerkt, „aan al de wisselingen van den eigendom,” moet dit stelsel van onderrigt, naar men denken kan, verwarring geven, wanneer het de Christelijke pligten van het huisgezin in den geest van den slaaf prent.
Bij het nemen van een overzigt van het veld, dat hij bearbeiden wil, verhaalt de heer Jones ons—hetgeen ieder verstandig mensch reeds moet begrepen hebben—dat hij bij de negers in dit opzigt zeer berispelijke handelwijzen opgemerkt heeft; dat de veelwijverij algemeen onder hen in zwang is, en dat de huwelijksverbindtenis bij hen eene bloot tijdelijke vereeniging is, gesproten uit zucht naar belang, voordeel of genoegen, aangegaan zonder bedachtzaamheid en ontbonden zonder het geringste spoor van schuldgevoel.
Ieder zal bevroeden, dat deze stand van zaken het noodwendig gevolg moet wezen van het wetten-stelsel, dat die Christelijke menschen gemaakt hebben en nog voor hunne slaven in kracht houden; en ieder zou het, om met eenige vrucht het Godsdienstig onderrigt te kunnen toedienen, voor onvermijdelijk houden, dat de neger verplaatst wierde in een toestand, waarin hij een wettig huwelijkkanaangaan en hieraan trouwkanblijven nadat het gesloten is.
Doch de heer Jones en zijne medestanders begonnen metde verklaring, dat zij niet voornemens waren zich in het geringste met den wettelijken toestand van den slaaf te bemoeijen.
Wij zouden daarom niet gedacht hebben, dat, indien de meesters besloten hunne slaven te houden in den toestand van roerend goed, onderworpen aan eene herhaalde verbreking van de familie-banden, zij hen zouden hebben durven doen onderrigten van de strenge zedeleer van het Evangelie met opzigt tot de huwelijksbetrekking.
Evenwel is dit het geval. Zoo wij den Katechismus van den heer Jones doorloopen, zullen wij bevinden, dat men den slaaf mondeling laat opzeggen, dat één man de echtgenoot van slechts ééne vrouw kan zijn en dat, indien hij gedurende haar leven eene andere huwt, God hem daarvoor eeuwigdurende straf in de hel zal doen lijden.
Stel dat eene Godsdienstige vrouw, onderwezen uit dien Katechismus, ten gevolge van den dood haars meesters wegens boedelscheiding aan de markt gebragt wordt,—gelijk in vele gevallen plaats vindt, waarvan wij de advertentiën elke week in de nieuwsbladen van Georgia lezen. Zij wordt ontrukt aan man en kinderen en naar het andere einde der Vereenigde Staten verkocht, waar zij hem nimmermeer zal ontmoeten, en haar meester beveelt haar een ander echtgenoot te nemen. Wat moet die vrouw nu doen? Zoo zij er een neemt, begaat zij, volgens haar Katechismus, overspel, en stelt zich bloot aan de straffe des eeuwigen vuurs; neemt zij hem niet, dan is zij haar meester ongehoorzaam, die, gelijk men haar geleerd heeft, haar opzigter van wege God is, en stelt zij zich ook om die reden aan het eeuwige vuur bloot;—zooveel is zeker, dat zij in allen gevalle hier beneden met vreeselijke martelingen bedreigd wordt.
Nu vragen wij of een onderrigt, hetwelk dit arme schepsel in zulk een doolhof van afgrijselijkheden verwart, het Evangelie kan genoemd worden?
Is dit het Evangelie, de Blijde Boodschap, in eenigerhande beteekenis van het woord?
Op dezelfde wijze beveelt die Katechismus den ouders, hunne kinderen op te voeden volgens de voorschriften en in den geest des Heeren, en ze te leiden, te raden, te tuchtigen en te besturen.
Nog leeren die onderwijzers hen, dat zij de Schrift naarstig en onophoudelijk moeten onderzoeken, doch verklaren te gelijkertijd,dat het hun voornemen niet is, zich te bemoeijen met de wetten, die verbieden dat den slaven het lezen geleerd worde. De Schrift onderzoeken, zegt men den slaven, beteekent, zich te wenden tot menschen, die genegen zijn hen daaruit voor te lezen. Ja, maar indien niemand hiertoe genegen is, wat dan? Iemand, dien de Katechismus dus onderwezen is, wordt bijv. verkocht naar eene plantaadje aan de Roode Rivier, gelijk die, waar Northrop vertoefde; geen Bijbel vergezelt hem derwaarts; zijne Christelijke onderwijzers hebben hem, in hunne zorg om zich met zijn burgerlijken toestand niet te bemoeijen, verstoken van het vermogen om te lezen; en in dat land der duisternis is het mondeling onderrigt slechts eene hersenschim. Laat iemand ons eens vragen, voor welken prijs wij verstoken zouden willen zijn van het vermogen, om ooit den Bijbel zelven te lezen en geheel afhankelijk te moeten zijn van het voorlezen van anderen,—vooral wanneer wij gevaar liepen van in zulke handen te vallen als met de slaven het geval is,—en dan kunnen wij nagaan of een stelsel van Godsdienstig onderrigt, hetwelk begint met te verklaren, dat het geen voornemen heeft zich met die wreede wettelijke berooving te bemoeijen, het Evangelie is!
Verder wordt de arme slaaf, die reeds aan alle kanten verblind, verward en in duisternis gehuld is door de strikken, die de wet voor zijne voeten legt, stiptelijk onderwezen in een volkomen zamenstel van zedeleer. Hij mag niets begeeren wat zijnen meester behoort; hij mag niet morren of ontevreden zijn; hij moet zijns meesters belangen behartigen als zijne eigene en gereed zijn, zich er voor op te offeren; en zoo moet hij, gelijk men hem leert, zich niet alleen gedragen jegens den vriendelijken en den welwillenden, maar ook jegens den barschen meester. Hij moet alle beleedigingen vergeven en onder alle beproevingen naar regt handelen. Zoodanigerwijze worden hem zijne verpligtingen voorgehouden, terwijl de wederkeerige verpligtingen van den meester slechts bestaan in het verschaffen van goed huisdak, kleeding, voeding, enz., terwijl daarbij aan de willekeur van elken meester wordt overgelaten, te bepalen wat met opzigt tot deze zakengoedis.
Het kan geene verwondering baren, dat, wanneer men zulk een stelsel van de verregaandste ongeregtigheid voor den neger wil regtvaardigen door het gezag der Godsdienst, nu en daneen sterke geest zich daartegen verzet. Onder eene zwarte huid hebben wij scherpzinnige hoofden, onmisleidbare gemoederen gevonden, wier geprikkeld gevoel van regt door zulke voorstellingen in het geheel niet van het spoor gebragt kon worden.
Dat de heer Jones dezulken ook ontmoet heeft, is blijkbaar; want, sprekende van de bezwarenissen, waaraan een zendeling in hun midden onderworpen is, zegt hij op blz. 127:
Hij treft deïsmus, scepticismus, universalismus onder hen aan, alsmede verschillende verbasteringen van het Evangelie en alle mogelijke tegenwerpingen tegen de Goddelijke waarheid,—tegenwerpingen, die hij misschien alleen gezocht zou hebben bij beschaafde lieden, ervaren geleerden of scherpzinnigecriticienwijsgeeren! Die uitersten ontmoet men hier op het gemeenschappelijk terrein van een beneveld verstand en een verstokt hart.
Hij treft deïsmus, scepticismus, universalismus onder hen aan, alsmede verschillende verbasteringen van het Evangelie en alle mogelijke tegenwerpingen tegen de Goddelijke waarheid,—tegenwerpingen, die hij misschien alleen gezocht zou hebben bij beschaafde lieden, ervaren geleerden of scherpzinnigecriticienwijsgeeren! Die uitersten ontmoet men hier op het gemeenschappelijk terrein van een beneveld verstand en een verstokt hart.
Verder zegt hij in het tiende jaarlijksche verslag van de „Vereeniging voor het Godsdienstig onderrigt der negers in Liberty County, in Georgia:”
Veroorlooft mij, een voorval mede te deelen, dat in de lente van dit jaar gebeurde en strekken kan om een inzigt te geven in het karakter en de gevoelens der negers. Ik predikte voor eene groote vergadering uit den Brief van Philemon; en toen ik uitweidde over de trouw en gehoorzaamheid als Christelijke deugden bij dienaren, en op gezag van Paulus het ontvlugten sterk veroordeelde, vertrok de helft mijner toehoorders zonder bedenken, en de overgeblevenen schenen gansch niet ingenomen met den predikant of zijne leer. Na den afloop heerschte er eene groote beweging onder hen; sommigen beweerden stellig, dat zulk een brief niet in den Bijbel stond; anderen „dat dit het Evangelie niet was;” nog anderen „dat ik predikte om hunnen meesters te behagen,” weder anderen „dat het hun onverschillig was of zij mij immer weder hoorden prediken.”—Blz. 24 en 25.
Veroorlooft mij, een voorval mede te deelen, dat in de lente van dit jaar gebeurde en strekken kan om een inzigt te geven in het karakter en de gevoelens der negers. Ik predikte voor eene groote vergadering uit den Brief van Philemon; en toen ik uitweidde over de trouw en gehoorzaamheid als Christelijke deugden bij dienaren, en op gezag van Paulus het ontvlugten sterk veroordeelde, vertrok de helft mijner toehoorders zonder bedenken, en de overgeblevenen schenen gansch niet ingenomen met den predikant of zijne leer. Na den afloop heerschte er eene groote beweging onder hen; sommigen beweerden stellig, dat zulk een brief niet in den Bijbel stond; anderen „dat dit het Evangelie niet was;” nog anderen „dat ik predikte om hunnen meesters te behagen,” weder anderen „dat het hun onverschillig was of zij mij immer weder hoorden prediken.”—Blz. 24 en 25.
Lundy Lane, een verstandig vlugteling, die ook Gedenkschriften heeft uitgegeven, zegt dat de slaven bij zekere gelegenheidbijzonder ingenomen waren met een predikant, totdat hij hun begon te betoogen, dat zij door God opzettelijk tot slaven bestemd en geschapen waren. Allen, zegt hij, lieten hem alleen staan, omdat zij met de Joden dachten: „Dit is een hard woord; wie kan het aanhooren?”
Door deze opmerkingen omtrent de verdraaijing van het Evangelie, zoo als men het den slaven leert, willen wij niet beweren, dat hun niet veel nuttigs en prijselijks onderwezen wordt. Wij willen alleen betoogen, dat, voor zoo verre hetgeen men hen onderwijst de slavernij regtvaardigt, het noodwendig de gronddenkbeelden van geregtigheid en zedelijkheid schendt. Het is, gelijk wij reeds vroeger zeiden, eene poging, om de duisternis met het licht en Christus met Belial te verzoenen. Zulk eene poging kan niet geregtvaardigd of geduld worden op grond dat zij in een welwillenden geest door welwillende menschen wordt ondernomen. Wij koesteren hooge bewondering voor sommige der arbeiders, die dit stelsel ingang hebben doen vinden, even als voor vele der zendelingen uit de Jezuïten, die het Roomsch-Catholijke geloof onder de inheemsche stammen van dit land gebragt hebben. De opoffering en onbaatzuchtigheid kan niet verder gedreven worden dan door sommigen uit deze beide klassen van menschen geschied is.
Doch, terwijl onze eerbied voor deze lofwaardige mannen ons als Protestanten niet moet verleiden tot het bewonderen van het stelsel, dat zij onderwezen hebben, zoo moet onze achting voor onze zuidelijke broeders ons ook niet verlokken om te erkennen, dat een stelsel, hetwelk de slechtste soort van geestelijke en wereldlijke dwingelandij regtvaardigt, in overeenstemming is met het Evangelie van Hem, die den gevangene verlossing kwam aankondigen.
Ten bewijze dat wij den geest van het onderrigt niet verkeerdelijk hebben voorgesteld, zullen wij eenige uittreksels uit onderscheidene predikatiën en redevoeringen mededeelen.
Om te weten hoe onbewimpeld de Godsdienst-onderwijzers iedere bedoeling om zich met de wettelijke betrekking te bemoeijen, van zich afwerpen, zie men het werk van den heer Jones op blz. 157:
Door wetten en gebruiken zijn zij uitgesloten van devoordeelen der opvoeding en gevolgelijk van het lezen van Gods woord; en dit ontelbare aantal onsterfelijke wezens is voor Godsdienstig onderrigt geheel afhankelijk vanmondelingemededeelingen. En van wie? Van hunnemeesters. En hunne meesters beweren, voornamelijk in de laatste jaren, deuitsluitende bestierdersvan hun Godsdienstig onderrigt te zijn en de uitdeelers van de Goddelijke barmhartigheid ten hunnen aanzien, zoodat zij de verantwoordelijkheid van hunnegeheelebekeering op zich nemen!Er wordt streng gewaakt tegen alle toenadering van buiten, en geene Evangelie-dienaren mogen hun het brood des levens toereiken dan die,welke zich in het vertrouwen hunner meestershebben weten te dringen. Ik veroordeel dezen maatregel van zelfbehoud van de zijde onzer medeburgers niet; ik maak er slechts gewag van om hunnegeheele afhankelijkheidvan ons-zelven aan te toonen.
Door wetten en gebruiken zijn zij uitgesloten van devoordeelen der opvoeding en gevolgelijk van het lezen van Gods woord; en dit ontelbare aantal onsterfelijke wezens is voor Godsdienstig onderrigt geheel afhankelijk vanmondelingemededeelingen. En van wie? Van hunnemeesters. En hunne meesters beweren, voornamelijk in de laatste jaren, deuitsluitende bestierdersvan hun Godsdienstig onderrigt te zijn en de uitdeelers van de Goddelijke barmhartigheid ten hunnen aanzien, zoodat zij de verantwoordelijkheid van hunnegeheelebekeering op zich nemen!
Er wordt streng gewaakt tegen alle toenadering van buiten, en geene Evangelie-dienaren mogen hun het brood des levens toereiken dan die,welke zich in het vertrouwen hunner meestershebben weten te dringen. Ik veroordeel dezen maatregel van zelfbehoud van de zijde onzer medeburgers niet; ik maak er slechts gewag van om hunnegeheele afhankelijkheidvan ons-zelven aan te toonen.
Bij het beantwoorden van de bedenkingen der meesters tegen het Godsdienstig onderrigt der negers, stelt hij de navolgende tegenwerping en beantwoordt die volgenderwijze:
Indien wij onze negers laten onderrigten zal er een streven naar eene verandering in de burgerlijke betrekkingen der maatschappij uit voortvloeijen.Wij antwoorden daarop: dat wij hunGodsdienstigenen hunmaatschappelijkentoestand geheel van elkander afscheiden, en beweren dat voor den eenen kan gezorgd worden zonder zich met den anderen te bemoeijen. Onsbeginselis dat, hetwelk gesteld is door den Heilige en Regtvaardige: „Geef den keizer wat des keizers, en Gode wat Godes is.” En Christus en Zijne Apostelen zijn onzevoorbeelden. Achtten zij het bestaanbaar met de goede maatschappelijke orde, den dienaren het Evangelie te prediken? Ja. Bemoeiden zij zich daarbij met hun maatschappelijken toestand? Neen.
Indien wij onze negers laten onderrigten zal er een streven naar eene verandering in de burgerlijke betrekkingen der maatschappij uit voortvloeijen.
Wij antwoorden daarop: dat wij hunGodsdienstigenen hunmaatschappelijkentoestand geheel van elkander afscheiden, en beweren dat voor den eenen kan gezorgd worden zonder zich met den anderen te bemoeijen. Onsbeginselis dat, hetwelk gesteld is door den Heilige en Regtvaardige: „Geef den keizer wat des keizers, en Gode wat Godes is.” En Christus en Zijne Apostelen zijn onzevoorbeelden. Achtten zij het bestaanbaar met de goede maatschappelijke orde, den dienaren het Evangelie te prediken? Ja. Bemoeiden zij zich daarbij met hun maatschappelijken toestand? Neen.
De volgende beschrijving van de gelukzaligheid in den hemel en van de pijnigingen in de hel, is ontleend aan den Katechismus van den heer Jones, blz. 83, 91 en 92:
Vraag.Wordt er in den Bijbel slechts van twee plaatsen gesproken werwaarts de zielen der menschen na den dood heengaan?—Antwoord.Slechts van twee.V.Welke zijn die?—A.Hemel en hel.* * *V.Naar welke plaats gaan de regtvaardigen na het oordeel?—A.Naar den hemel.V.Welke soort van plaats is de hemel?—A.Eene allerheerlijkste en gelukzalige plaats.* * *V.Zullen de regtvaardigen in den hemel hongeren, of dorsten, of naakt, of heet, of koud zijn? Zullen zij daar zonde, of smart, of geween, of pijn, of dood kennen?—A.Neen.V.Zeg op: „En God zal alle tranen van hunne oogen wisschen.”—A.„En God zal alle tranen van hunne oogen wisschen, en daar zal geen dood, noch smart, noch geween meer zijn; ook zal daar geene pijn meer wezen; want de vroegere dingen zijn te niet gedaan.”V.Zal de hemel hunne eeuwigdurende woonplaats zijn?—A.Ja.V.En zullen de regtvaardigen daar altijd in kennis en heiligheid en gelukzaligheid toenemen?—A.Ja.V.Naar welke plaats moeten wij, meer dan naar eenige andere, wenschen en pogen heen te gaan?—A.Naar den hemel.* * *V.In welke plaats zullen de goddeloozen geworpen worden?—A.In de hel.V.Zeg op: „De goddeloozen zullen geworpen worden.”—A.„De goddeloozen zullen geworpen worden in de hel, en alle natiën die God vergeten.”V.Welke soort van plaats is de hel?—A.Eene plaats van vreeselijke pijnigingen.V.Wat brandt daar?—A.Een eeuwigdurend vuur.V.Wie worden, behalve de goddelooze menschen, nog in de hel geworpen?—A.De duivel en zijne engelen.V.Wat zullen de pijnen der hel den goddeloozen ontlokken?—A.Geween en knarsinge der tanden.V.Om wat smeekte de rijke toen hij door de vlammengefolterd werd?—A.Om een droppel water, ten einde zijne tong te verkoelen.V.Zullen de goddeloozen iets goeds in de hel hebben? het minste genoegen? de minste verligting hunner folteringen?—A.Neen.V.Zullen zij immer uit de hel komen?—A.Neen, nimmer.V.Kan iemand van den hemel naar de hel, of van de hel naar den hemel gaan?—A.Neen.V.Wat bevindt zich tusschen den hemel en de hel?—A.Een groote afgrond.V.Hoe wordt de straf der goddeloozen in de hel genoemd?—A.Eeuwigdurende straf.V.Zal deze straf hen beter maken?—A.Neen.V.Zeg op: „Het is vreeselijk.”—A.„Het is vreeselijk, te vallen in de handen des levenden Gods.”V.Hoe wordt God voor de goddeloozen genoemd?—A.Een verterend vuur.V.Welke plaats moeten wij boven alle andere trachten te vermijden?—A.De hel.
Vraag.Wordt er in den Bijbel slechts van twee plaatsen gesproken werwaarts de zielen der menschen na den dood heengaan?—Antwoord.Slechts van twee.
V.Welke zijn die?—A.Hemel en hel.
* * *
V.Naar welke plaats gaan de regtvaardigen na het oordeel?—A.Naar den hemel.
V.Welke soort van plaats is de hemel?—A.Eene allerheerlijkste en gelukzalige plaats.
* * *
V.Zullen de regtvaardigen in den hemel hongeren, of dorsten, of naakt, of heet, of koud zijn? Zullen zij daar zonde, of smart, of geween, of pijn, of dood kennen?—A.Neen.
V.Zeg op: „En God zal alle tranen van hunne oogen wisschen.”—A.„En God zal alle tranen van hunne oogen wisschen, en daar zal geen dood, noch smart, noch geween meer zijn; ook zal daar geene pijn meer wezen; want de vroegere dingen zijn te niet gedaan.”
V.Zal de hemel hunne eeuwigdurende woonplaats zijn?—A.Ja.
V.En zullen de regtvaardigen daar altijd in kennis en heiligheid en gelukzaligheid toenemen?—A.Ja.
V.Naar welke plaats moeten wij, meer dan naar eenige andere, wenschen en pogen heen te gaan?—A.Naar den hemel.
* * *
V.In welke plaats zullen de goddeloozen geworpen worden?—A.In de hel.
V.Zeg op: „De goddeloozen zullen geworpen worden.”—A.„De goddeloozen zullen geworpen worden in de hel, en alle natiën die God vergeten.”
V.Welke soort van plaats is de hel?—A.Eene plaats van vreeselijke pijnigingen.
V.Wat brandt daar?—A.Een eeuwigdurend vuur.
V.Wie worden, behalve de goddelooze menschen, nog in de hel geworpen?—A.De duivel en zijne engelen.
V.Wat zullen de pijnen der hel den goddeloozen ontlokken?—A.Geween en knarsinge der tanden.
V.Om wat smeekte de rijke toen hij door de vlammengefolterd werd?—A.Om een droppel water, ten einde zijne tong te verkoelen.
V.Zullen de goddeloozen iets goeds in de hel hebben? het minste genoegen? de minste verligting hunner folteringen?—A.Neen.
V.Zullen zij immer uit de hel komen?—A.Neen, nimmer.
V.Kan iemand van den hemel naar de hel, of van de hel naar den hemel gaan?—A.Neen.
V.Wat bevindt zich tusschen den hemel en de hel?—A.Een groote afgrond.
V.Hoe wordt de straf der goddeloozen in de hel genoemd?—A.Eeuwigdurende straf.
V.Zal deze straf hen beter maken?—A.Neen.
V.Zeg op: „Het is vreeselijk.”—A.„Het is vreeselijk, te vallen in de handen des levenden Gods.”
V.Hoe wordt God voor de goddeloozen genoemd?—A.Een verterend vuur.
V.Welke plaats moeten wij boven alle andere trachten te vermijden?—A.De hel.
De eerwaarde Alex. Glennie, predikant van hetAll-Saintskerspel, te Waccamaw, in Zuid-Carolina, is vele jaren gewoon geweest, bijzonder met het oog op de slaven te prediken. In 1844 gaf hij te Charleston eene keur van die preken in het licht, onder den titel van:Leerredenen, gepredikt op plantaadjen voor vergaderingen van negers.Er komen zes en twintig leerredenen in voor, en in twee en twintig daarvan vindt men een meer of minder groote uitweiding over de hel als een spoorslag tot pligtsbetrachting. Volgenderwijze beschrijft hij het laatste oordeel (Vijftiende leerrede, blz. 90):
Wanneer allen voor Hem staan, zal Hij ze afzonderen, gelijk een herder zijne schapen van de bokken afzondert; en de schapen zal hij plaatsen aan Zijne regterhand en de bokken ter linkerhand. Die afzondering, mijne broederen, zal een vreeselijk iets zijn; wanneer de heilige engelen, op bevel van den grooten Regter, al de gehoorzame volgelingen van Christus bijeen zullen vergaderen en hen zullen plaatsen aan de regterzijde van den regterstoel, en al de overigenaan de linkerhand. Bedenkt, dat ieder uwer tegenwoordig moet zijn; bedenkt, dat bij den grooten Regter geene vergissing mogelijk is; en dat gij aan de eene of aan de andere zijde zult geplaatst worden, naar mate gij in deze wereld in Hem geloofd en Hem gehoorzaamd zult hebben, of niet. Hoe vol van vreugde en dankzegging zult gij zijn, indien gij u aan de regterhand ziet plaatsen! maar ook hoe vol van rampzaligheid en wanhoop, wanneer de linkerzijde u als plaats aangewezen wordt!Maar wat zal Hij zeggen tot de goddeloozen aan Zijne linkerhand? Hun zal Hij toevoegen: „Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne engelen.” Hij zal hen gebieden te vertrekken; hier op aarde zochten zij Hem niet door boetvaardigheid en geloof; zij gehoorzaamden Hem niet en thans zal Hij hen uit Zijne tegenwoordigheid verdrijven. Vervloekten zal Hij ze noemen.(Eerste Leerrede, blz. 42). De dood, die de bezoldiging is der zonde, is dat eeuwige vuur, hetwelk voor den duivel en zijne engelen bereid is. Het is een vuur, dat altijd zal branden; en de duivel en zijne engelen, en alle menschen, die God niet willen liefhebben en dienen, zullen daar eeuwige straf lijden. De Bijbel zegt: „De walm hunner pijniging stijgt in eeuwigheid op.” Het vuur wordt niet gebluscht, het dooft nimmer uit, de worm sterft niet; want van hunne straf wordt gesproken als van een worm, die altijd aan hen knaagt, maar hen nimmer verslindt; het kan niet eindigen.
Wanneer allen voor Hem staan, zal Hij ze afzonderen, gelijk een herder zijne schapen van de bokken afzondert; en de schapen zal hij plaatsen aan Zijne regterhand en de bokken ter linkerhand. Die afzondering, mijne broederen, zal een vreeselijk iets zijn; wanneer de heilige engelen, op bevel van den grooten Regter, al de gehoorzame volgelingen van Christus bijeen zullen vergaderen en hen zullen plaatsen aan de regterzijde van den regterstoel, en al de overigenaan de linkerhand. Bedenkt, dat ieder uwer tegenwoordig moet zijn; bedenkt, dat bij den grooten Regter geene vergissing mogelijk is; en dat gij aan de eene of aan de andere zijde zult geplaatst worden, naar mate gij in deze wereld in Hem geloofd en Hem gehoorzaamd zult hebben, of niet. Hoe vol van vreugde en dankzegging zult gij zijn, indien gij u aan de regterhand ziet plaatsen! maar ook hoe vol van rampzaligheid en wanhoop, wanneer de linkerzijde u als plaats aangewezen wordt!
Maar wat zal Hij zeggen tot de goddeloozen aan Zijne linkerhand? Hun zal Hij toevoegen: „Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne engelen.” Hij zal hen gebieden te vertrekken; hier op aarde zochten zij Hem niet door boetvaardigheid en geloof; zij gehoorzaamden Hem niet en thans zal Hij hen uit Zijne tegenwoordigheid verdrijven. Vervloekten zal Hij ze noemen.
(Eerste Leerrede, blz. 42). De dood, die de bezoldiging is der zonde, is dat eeuwige vuur, hetwelk voor den duivel en zijne engelen bereid is. Het is een vuur, dat altijd zal branden; en de duivel en zijne engelen, en alle menschen, die God niet willen liefhebben en dienen, zullen daar eeuwige straf lijden. De Bijbel zegt: „De walm hunner pijniging stijgt in eeuwigheid op.” Het vuur wordt niet gebluscht, het dooft nimmer uit, de worm sterft niet; want van hunne straf wordt gesproken als van een worm, die altijd aan hen knaagt, maar hen nimmer verslindt; het kan niet eindigen.
Met opzigt tot de volstrekte heerschappij van den meester kan dienen het volgende extract uit eene leerrede van bisschop Meade (Brook’sSlavery, blz. 30–32):
Na u aldus de noodzakelijkste verpligtingen te hebben geschetst, die gij jegens uw grooten Meester in den Hemel hebt te vervullen, ga ik nu over tot hetgeen gij verschuldigd zijt aan uwe meesters en meesteressen hier op aarde; hiervoor bestaat een algemeene regel, dien gij altijd in gedachten behoort te houden, en die is: verrigt voor hen alle dienst, als of gij het voor God-zelven deedt. Arme schepsels!weinig bedenkt gij, wanneer gij lui zijt en de zaken uwer meesters veronachtzaamt, wanneer gij steelt of iets wat het hunne is verspilt of bederft, wanneer gij eigenzinnig of onheusch zijt, wanneer gij liegt en hen misleidt, wanneer gij norsch zijt en niet dan met slagen en straffen tot het werk gedreven kunt worden,—weinig bedenkt gij dan, zeg ik,dat de misdrijven, aan welke gij u schuldig maakt jegens uwe meesters en meesteressen, misdrijven zijn, welke gij begaat jegens God-zelven, die uwe meesters en meesteressen over u gesteld heeft in Zijne eigene plaats, en die verwacht, dat gij voor hen stipt hetzelfde zult doen, wat gij voor Hem zoudt verrigten. En ik bid u, denk toch niet, dat ik u misleid, wanneer ik u zeg,dat uwe meesters en meesteressen opzigters zijn van wege God; en dat, indien gij u jegens hen vergrijpt, God er u strengelijk voor zal straffen hier namaals, tenzij gij er berouw over hebt en er voor poogde te boeten door trouw en ijver in den vervolge; want God-zelf heeft dat verklaard.Uit dezen algemeenen regel nu,—namelijk, dat gij voor uwe meesters en meesteressen alles doen moet, alsof gij het voor God-zelf deedt,—ontspruiten verscheidene andere verpligtingen jegens uwe meesters en meesteressen, die ik in geleidelijke orde voor u zal trachten te ontwikkelen.In de eerste plaats dan, moet gij uwen meesters in alle dingen gehoorzaam en onderdanig zijn.... En den Christelijken leeraars wordt bevolen: „de dienstknechten te vermanen om gehoorzaam te zijn aan hunne eigene meesters, en hen in alle dingen, zonder tegenspraak of morren te wille te zijn.” Gij ziet hoe streng God van u vordert, dat gij, wat uwe meesters en meesteressen u bevelen, terstond verrigt en getrouw uitvoert, zonder tegenspreken of morren, en dat gij zorgt hen in alles te wille te zijn. En tot uwe aanmoediging verzekert Hij u, dat Hij er u in den hemel voor zal beloonen, dewijl, wanneer gij eerlijk en trouw de belangen van uw meester hier beneden waarneemt, gij uw Heer en Meester in den hemel dient. Gij ziet alzoo, dat gij geen verschil moet maken in uw gedrag ten aanzien uwer meesters en meesteressen, en dat gij gehoorzaam en onderworpen moet zijn, niet alleen aan degenen die goed en minzaam en zachtmoedig jegens u zijn, maar ook aan degenen, die hard ennorsch jegens u mogten wezen. Want gij zijt niet vrij om uwe eigene meesters te kiezen; maar daar, waar God u geplaatst heeft, moet gij uw pligt doen en God zal er u voor beloonen.Gij moet trouw en eerlijk voor uwe meesters en meesteressen zijn, niet lui wezen of hunne bezittingen verwaarloozen, maar in alle opzigten u betamelijk jegens hen gedragen....Zijn het niet uwe meesters, die, naast God, voor u zorgen? En hoe zullen zij hiertoe bij magte zijn, hoe u kunnen voeden en kleeden, zoo gij niet behoorlijk zorgt voor al wat het hunne is?Herinnert u, dat God dit van u vordert; en zoo gij niet bevreesd zijt voor straf hier beneden, bedenkt, dat gij niet kunt ontkomen aan de tuchtiging van den Almagtigen God, die oordeelen zal tusschen u en uwe meesters, en die u in de andere wereld strengelijk zal doen boeten voor al hetgeen gij hier jegens hen misdreven hebt.En zoo gij het zoo loos kondt overleggen, dat gij hier aan de oogen en handen der menschen ontkwaamt, bedenkt hoe vreeselijk het is te vallen in de handen des levenden Gods, die in staat is, om beide ligchaam en ziel in de hel te werpen!Dient uwen meester met blijmoedigheid, eerbied en onderdanigheid. Verrigt uws meesters werk goedwillig en van ganscher harte als de wil Gods, zonder misnoegen of tegenspraak.Hoe velen uwer handelen geheel anders, en kijven en knorren, in stede van goedwillig en van harte aan het werk te gaan, en geven norsche antwoorden en gedragen zich onwillig! Er is iets zoo innemends in een zedig, blijmoedig en voorkomend gedrag, dat een weinig werks aldus verrigt, beter gedaan schijnt te wezen en meer genoegen geeft, dan een veel grootere arbeid, die met dwang en zweepslagen van u moet verkregen worden. Gij wint daardoor de achting en welwillendheid van uwe eigenaren en zult uw eigen leven met meer gemak en genoegen slijten. Bovendien moet gij in aanmerking nemen, dat uw wrevel en kwade wil uwe meesters en meesteressen niet alléén treft. Zij bezitten de middelen om u goed- of kwaadschiks tot uw werk te dwingen.Maar uw murmureren en grommen geschiedt tegen God, die u in die betrekking geplaatst heeft en die u in de anderewereld strengelijk zal straffen voor het in den wind slaan Zijner geboden.
Na u aldus de noodzakelijkste verpligtingen te hebben geschetst, die gij jegens uw grooten Meester in den Hemel hebt te vervullen, ga ik nu over tot hetgeen gij verschuldigd zijt aan uwe meesters en meesteressen hier op aarde; hiervoor bestaat een algemeene regel, dien gij altijd in gedachten behoort te houden, en die is: verrigt voor hen alle dienst, als of gij het voor God-zelven deedt. Arme schepsels!weinig bedenkt gij, wanneer gij lui zijt en de zaken uwer meesters veronachtzaamt, wanneer gij steelt of iets wat het hunne is verspilt of bederft, wanneer gij eigenzinnig of onheusch zijt, wanneer gij liegt en hen misleidt, wanneer gij norsch zijt en niet dan met slagen en straffen tot het werk gedreven kunt worden,—weinig bedenkt gij dan, zeg ik,dat de misdrijven, aan welke gij u schuldig maakt jegens uwe meesters en meesteressen, misdrijven zijn, welke gij begaat jegens God-zelven, die uwe meesters en meesteressen over u gesteld heeft in Zijne eigene plaats, en die verwacht, dat gij voor hen stipt hetzelfde zult doen, wat gij voor Hem zoudt verrigten. En ik bid u, denk toch niet, dat ik u misleid, wanneer ik u zeg,dat uwe meesters en meesteressen opzigters zijn van wege God; en dat, indien gij u jegens hen vergrijpt, God er u strengelijk voor zal straffen hier namaals, tenzij gij er berouw over hebt en er voor poogde te boeten door trouw en ijver in den vervolge; want God-zelf heeft dat verklaard.
Uit dezen algemeenen regel nu,—namelijk, dat gij voor uwe meesters en meesteressen alles doen moet, alsof gij het voor God-zelf deedt,—ontspruiten verscheidene andere verpligtingen jegens uwe meesters en meesteressen, die ik in geleidelijke orde voor u zal trachten te ontwikkelen.
In de eerste plaats dan, moet gij uwen meesters in alle dingen gehoorzaam en onderdanig zijn.... En den Christelijken leeraars wordt bevolen: „de dienstknechten te vermanen om gehoorzaam te zijn aan hunne eigene meesters, en hen in alle dingen, zonder tegenspraak of morren te wille te zijn.” Gij ziet hoe streng God van u vordert, dat gij, wat uwe meesters en meesteressen u bevelen, terstond verrigt en getrouw uitvoert, zonder tegenspreken of morren, en dat gij zorgt hen in alles te wille te zijn. En tot uwe aanmoediging verzekert Hij u, dat Hij er u in den hemel voor zal beloonen, dewijl, wanneer gij eerlijk en trouw de belangen van uw meester hier beneden waarneemt, gij uw Heer en Meester in den hemel dient. Gij ziet alzoo, dat gij geen verschil moet maken in uw gedrag ten aanzien uwer meesters en meesteressen, en dat gij gehoorzaam en onderworpen moet zijn, niet alleen aan degenen die goed en minzaam en zachtmoedig jegens u zijn, maar ook aan degenen, die hard ennorsch jegens u mogten wezen. Want gij zijt niet vrij om uwe eigene meesters te kiezen; maar daar, waar God u geplaatst heeft, moet gij uw pligt doen en God zal er u voor beloonen.
Gij moet trouw en eerlijk voor uwe meesters en meesteressen zijn, niet lui wezen of hunne bezittingen verwaarloozen, maar in alle opzigten u betamelijk jegens hen gedragen....Zijn het niet uwe meesters, die, naast God, voor u zorgen? En hoe zullen zij hiertoe bij magte zijn, hoe u kunnen voeden en kleeden, zoo gij niet behoorlijk zorgt voor al wat het hunne is?Herinnert u, dat God dit van u vordert; en zoo gij niet bevreesd zijt voor straf hier beneden, bedenkt, dat gij niet kunt ontkomen aan de tuchtiging van den Almagtigen God, die oordeelen zal tusschen u en uwe meesters, en die u in de andere wereld strengelijk zal doen boeten voor al hetgeen gij hier jegens hen misdreven hebt.En zoo gij het zoo loos kondt overleggen, dat gij hier aan de oogen en handen der menschen ontkwaamt, bedenkt hoe vreeselijk het is te vallen in de handen des levenden Gods, die in staat is, om beide ligchaam en ziel in de hel te werpen!
Dient uwen meester met blijmoedigheid, eerbied en onderdanigheid. Verrigt uws meesters werk goedwillig en van ganscher harte als de wil Gods, zonder misnoegen of tegenspraak.Hoe velen uwer handelen geheel anders, en kijven en knorren, in stede van goedwillig en van harte aan het werk te gaan, en geven norsche antwoorden en gedragen zich onwillig! Er is iets zoo innemends in een zedig, blijmoedig en voorkomend gedrag, dat een weinig werks aldus verrigt, beter gedaan schijnt te wezen en meer genoegen geeft, dan een veel grootere arbeid, die met dwang en zweepslagen van u moet verkregen worden. Gij wint daardoor de achting en welwillendheid van uwe eigenaren en zult uw eigen leven met meer gemak en genoegen slijten. Bovendien moet gij in aanmerking nemen, dat uw wrevel en kwade wil uwe meesters en meesteressen niet alléén treft. Zij bezitten de middelen om u goed- of kwaadschiks tot uw werk te dwingen.Maar uw murmureren en grommen geschiedt tegen God, die u in die betrekking geplaatst heeft en die u in de anderewereld strengelijk zal straffen voor het in den wind slaan Zijner geboden.
Hier doet zich eene schrikwekkende vraag op: Indien de arme, onwetende slaaf, die zijns meesters wereldsche goederen tot zijn eigen voordeel aanwendt, zulk eene strenge straf te gemoet gaat, wat zal dan het lot zijn van die welopgevoede lieden, die voor hun tijdelijk belang wetten maken en handhaven, door welke opvolgende geslachten niet alleen van hunne dagelijksche verdiensten, maar van al hunne aanspraken en voorregten als onsterfelijke wezens beroofd worden?
De eerwaarde heer Glennie verzekert zijnen hoorders, in een zijner predikatiën (aangehaald door Bowditch, blz. 137), dat niemand hunner in den oordeelsdag grond zal hebben, om te zeggen: „Ik had geene gelegenheid om van mijn God en Verlosser te hooren.”
Bisschop Meade (aangehaald bij Brooke, blz. 34 en 35) weidt aldus voor de slaven uit, over de voordeelen van hun toestand. Men zou, dit lezende, waarlijk van gevoelen worden, dat ieder zich haastiglijk als slaaf moest gaan verkoopen, als de zekerste weg naar den hemel.
Weest niet wrevelig of morrend, klaagt of gromt niet over uw toestand; want dit zal niet alleen uw leven onaangenaam maken, maar hoogelijk beleedigt gij God daarmede.Bedenkt dat gij het niet zelven zijt, noch de menschen aan wie gij behoort, waardoor gij in dezen toestand zijt gebragt,maar dat het de wil van God is, wiens Voorzienigheid u tot dienstknechten gemaakt heeft, dewijl Hij ongetwijfeld wist, dat dit zou strekken tot uw welzijn in deze wereld en om u te zekerder in den hemel te brengen, indien gij uwe pligten in deze betrekking trouw vervult. Misnoegen, dat gij niet vrij of rijk of voornaam zijt, gelijk anderen, die gij ziet, is opstaan tegen uw hemelschen Meester, en God berispen, die u gemaakt heeft tot hetgeen gij zijt, en u een even groot deel van Zijn koningrijk beloofd heeft, als den aanzienlijksten man, die op aarde leeft, als gij u naar behooren gedraagt en eerlijk en blijmoedig den arbeid verrigt, die u op aarde opgedragen is. Rijkdom en magt is menige rampzalige ziel ten verderve geweest, door haar hart van God af te trekken en aan ijdeleen zondige vermaken te doen hangen; zoodat, wanneer God, die onze harten beter kent dan wij-zelven ze kennen, ziet dat die gaven ons schade zouden doen en ze ons daarom onthoudt, dit de grootste genade en gunst is, die Hij ons bewijzen kan.Misschien verbeeldt gij u, dat gij, rijkdom en vrijheid bezittende, uwe pligten jegens God en de menschen beter zoudt kunnen vervullen, dan thans. Maar ik bid u, bedenkt, dat indien gij door Gods genade uwe zielen redden kunt, gij uw tijd in deze wereld tot het best mogelijke doeleinde zult besteed hebben; en hij, die eindelijk den hemel mag bereiken, heeft eene heerlijke reis afgelegd, hoe bezwaarlijk en doornig het pad ook geweest zij. Bovendien bezit gij inderdaad een groot voorregt boven de meeste blanken, die niet alleen belast zijn met hun dagelijkschen arbeid, maar nog te meer met het bezwaar, om te zorgen voor de behoeften van morgen en overmorgen, en het kleeden en groot brengen hunner kinderen en het opwinnen van voedsel en andere levensbehoeften voor allen, die tot hun gezin behooren, hetgeen hen dikwerf in groote ongelegenheden brengt en hun geest zoo zeer vervult, dat hunne gedachten daardoor van de andere wereld afgeleid worden. Daarentegen zijt gij van al die zorgen bevrijd, en hebt op niets te letten, dan op uw dagelijkschen arbeid, waarna gij de vereischte rust kunt nemen. Evenmin behoeft gij er aan te denken, iets voor den ouden dag op te leggen, gelijk de blanken verpligt zijn: want de wetten des lands hebben er voor gezorgd, dat gij niet verjaagd zult worden, wanneer gij niet meer werken kunt, maar onderhouden, zoo lang gij leeft, door degenen, aan wien gij behoort, hetzij gij werken kunt of niet.
Weest niet wrevelig of morrend, klaagt of gromt niet over uw toestand; want dit zal niet alleen uw leven onaangenaam maken, maar hoogelijk beleedigt gij God daarmede.Bedenkt dat gij het niet zelven zijt, noch de menschen aan wie gij behoort, waardoor gij in dezen toestand zijt gebragt,maar dat het de wil van God is, wiens Voorzienigheid u tot dienstknechten gemaakt heeft, dewijl Hij ongetwijfeld wist, dat dit zou strekken tot uw welzijn in deze wereld en om u te zekerder in den hemel te brengen, indien gij uwe pligten in deze betrekking trouw vervult. Misnoegen, dat gij niet vrij of rijk of voornaam zijt, gelijk anderen, die gij ziet, is opstaan tegen uw hemelschen Meester, en God berispen, die u gemaakt heeft tot hetgeen gij zijt, en u een even groot deel van Zijn koningrijk beloofd heeft, als den aanzienlijksten man, die op aarde leeft, als gij u naar behooren gedraagt en eerlijk en blijmoedig den arbeid verrigt, die u op aarde opgedragen is. Rijkdom en magt is menige rampzalige ziel ten verderve geweest, door haar hart van God af te trekken en aan ijdeleen zondige vermaken te doen hangen; zoodat, wanneer God, die onze harten beter kent dan wij-zelven ze kennen, ziet dat die gaven ons schade zouden doen en ze ons daarom onthoudt, dit de grootste genade en gunst is, die Hij ons bewijzen kan.
Misschien verbeeldt gij u, dat gij, rijkdom en vrijheid bezittende, uwe pligten jegens God en de menschen beter zoudt kunnen vervullen, dan thans. Maar ik bid u, bedenkt, dat indien gij door Gods genade uwe zielen redden kunt, gij uw tijd in deze wereld tot het best mogelijke doeleinde zult besteed hebben; en hij, die eindelijk den hemel mag bereiken, heeft eene heerlijke reis afgelegd, hoe bezwaarlijk en doornig het pad ook geweest zij. Bovendien bezit gij inderdaad een groot voorregt boven de meeste blanken, die niet alleen belast zijn met hun dagelijkschen arbeid, maar nog te meer met het bezwaar, om te zorgen voor de behoeften van morgen en overmorgen, en het kleeden en groot brengen hunner kinderen en het opwinnen van voedsel en andere levensbehoeften voor allen, die tot hun gezin behooren, hetgeen hen dikwerf in groote ongelegenheden brengt en hun geest zoo zeer vervult, dat hunne gedachten daardoor van de andere wereld afgeleid worden. Daarentegen zijt gij van al die zorgen bevrijd, en hebt op niets te letten, dan op uw dagelijkschen arbeid, waarna gij de vereischte rust kunt nemen. Evenmin behoeft gij er aan te denken, iets voor den ouden dag op te leggen, gelijk de blanken verpligt zijn: want de wetten des lands hebben er voor gezorgd, dat gij niet verjaagd zult worden, wanneer gij niet meer werken kunt, maar onderhouden, zoo lang gij leeft, door degenen, aan wien gij behoort, hetzij gij werken kunt of niet.
Bisschop Meade vertroost verder de slaven over zekere onaangenaamheden, die aan hun toestand eigen zijn, en waarover zij waarschijnlijk meer reden van klagen meenen te hebben, dan over eenig ander bezwaar. De lezer zal toestemmen, dat de bisschop de zaak zeer philosophisch beschouwt.
Er is nog ééne schijnbaar onaangename zaak, waarover ik nu handelen zal, en dat is de straf.Nu, wanneer gij straf ontvangt, verdient gij die, of gijverdient die niet; maar hoe het zij, het is uw pligt, en God eischt dat van u, er u lijdzaam in te schikken. Misschien acht gij dit eene harde leer; maar zoo gij de zaak goed inziet, moet gij er noodwendig anders over beginnen te denken. Gesteld dat gij straf verdient, dan kunt gij niet anders zeggen dan dat zij u naar regt en billijkheid toekomt. Gesteld gij verdient geene of ten minste niet zoo strenge straf voor hetgeen gij bedreven hebt, dan hebt gij misschien weten te ontkomen aan menige verdiende straf en ten slotte voor die allen geboet. Of, gesteld dat gij geheel onschuldig zijt aan hetgeen u te laste gelegd wordt, en dat gij in dat bijzondere geval ten onregte lijdt; is het dan niet mogelijk dat gij eenig kwaad bedreven hebt hetwelk nooit aan het licht is gekomen, en dat de almagtige God, die het u zag bedrijven, u niet van straf wilde vrij doen blijven? En moet gij niet, in zulk een geval, Hem eere geven en dankbaar zijn, dat Hij u liever in dit leven voor uwe boosheid wilde straffen, dan uwe ziel daarvoor verderven in het volgende leven? Maar stelt, dat zelfs dit het geval niet ware (ofschoon het moeijelijk te denken valt), en dat gij op geenerlei wijze, bekend of onbekend, de straf verdiend hadt die gij ondergaan hebt,—is het dan niet een groote troost, dat, indien gij het met geduld verduurt en uwe zaak in handen van God overlaat, Hij er u voor in den hemel beloonen zal en dat de straf, die u hier onregtvaardiglijk toebedeeld is, u hier namaals tot overgrooten roem zal verstrekken?
Er is nog ééne schijnbaar onaangename zaak, waarover ik nu handelen zal, en dat is de straf.
Nu, wanneer gij straf ontvangt, verdient gij die, of gijverdient die niet; maar hoe het zij, het is uw pligt, en God eischt dat van u, er u lijdzaam in te schikken. Misschien acht gij dit eene harde leer; maar zoo gij de zaak goed inziet, moet gij er noodwendig anders over beginnen te denken. Gesteld dat gij straf verdient, dan kunt gij niet anders zeggen dan dat zij u naar regt en billijkheid toekomt. Gesteld gij verdient geene of ten minste niet zoo strenge straf voor hetgeen gij bedreven hebt, dan hebt gij misschien weten te ontkomen aan menige verdiende straf en ten slotte voor die allen geboet. Of, gesteld dat gij geheel onschuldig zijt aan hetgeen u te laste gelegd wordt, en dat gij in dat bijzondere geval ten onregte lijdt; is het dan niet mogelijk dat gij eenig kwaad bedreven hebt hetwelk nooit aan het licht is gekomen, en dat de almagtige God, die het u zag bedrijven, u niet van straf wilde vrij doen blijven? En moet gij niet, in zulk een geval, Hem eere geven en dankbaar zijn, dat Hij u liever in dit leven voor uwe boosheid wilde straffen, dan uwe ziel daarvoor verderven in het volgende leven? Maar stelt, dat zelfs dit het geval niet ware (ofschoon het moeijelijk te denken valt), en dat gij op geenerlei wijze, bekend of onbekend, de straf verdiend hadt die gij ondergaan hebt,—is het dan niet een groote troost, dat, indien gij het met geduld verduurt en uwe zaak in handen van God overlaat, Hij er u voor in den hemel beloonen zal en dat de straf, die u hier onregtvaardiglijk toebedeeld is, u hier namaals tot overgrooten roem zal verstrekken?
Dat bisschop Meade geene hooge gedachten koestert van de tegenwoordige genoegens van het slavenleven, mag gewis afgeleid worden uit de volgende opmerkingen, die hij tot de slaven rigt:
Uwe bekrompene omstandigheden in dit leven moeten u bijzondere zorg doen dragen voor uwe ziel, want gij kunt de genoegens van dit leven niet genieten gelijk de vrije lieden die bezittingen en geld hebben om te besteden zoo als zij goedvinden. Zoo anderen hunne zielen in gevaar willen stellen, hebben zij de kans om rijkdom en magt te verkrijgen, om schatten op te stapelen en al het gemak, de weelde en de vermaken te genieten waarnaar hun harthaakt. Maar gij kunt van dit alles niets verwerven, zoodat indien gij uwe ziel op het spel zet voor de armzalige dingen, die gij in deze wereld verkrijgen kunt, gij inderdaad een zeer slechten koop doet.
Uwe bekrompene omstandigheden in dit leven moeten u bijzondere zorg doen dragen voor uwe ziel, want gij kunt de genoegens van dit leven niet genieten gelijk de vrije lieden die bezittingen en geld hebben om te besteden zoo als zij goedvinden. Zoo anderen hunne zielen in gevaar willen stellen, hebben zij de kans om rijkdom en magt te verkrijgen, om schatten op te stapelen en al het gemak, de weelde en de vermaken te genieten waarnaar hun harthaakt. Maar gij kunt van dit alles niets verwerven, zoodat indien gij uwe ziel op het spel zet voor de armzalige dingen, die gij in deze wereld verkrijgen kunt, gij inderdaad een zeer slechten koop doet.
Deze ophelderingen zijn ontegenzeggelijk zeer ter zake dienende. Aldus gaat hij voort:
Het heeft den almagtigen God behaagd, u hier slaven te maken en u niets dan arbeid en armoede in deze wereld toe te deelen, waaraan gij verpligt zijt u te onderwerpen, daar het Zijn wil is. En overlegt eens bij u zelven, hoe verschrikkelijk het wezen zou, na al uw werk en lijden in dit leven, in de hel geworpen te worden, en, na uwe ligchamen in de dienst alhier afgezwoegd te hebben, te geraken in eene nog veel erger slavernij en uwe zielen aan den duivel overgeleverd te zien om voor eeuwig zijne slaven in de hel te worden zonder hoop van immer vrij te komen. Indien gij derhalve vrije lieden in Gods hemel wilt worden, moet gij u beijveren om braaf te zijn en Hem hier op aarde te dienen. Uwe ligchamen, dat weet gij, zijn uw eigendom niet; zij behooren aan uwe meesters; maar uwe kostbare zielen zijn uw eigendom, hetwelk niemand u buiten uwe schuld kan ontnemen. Bedenkt dus wel, dat, indien gij uwe zielen verliest door hier een lui en boos leven te lijden, gij er niets door gewonnen hebt in deze en in tegendeel alles verloren in de toekomende wereld.Want uwe luiheid en boosheid worden doorgaans ontdekt en uwe ligchamen lijden er hier voor; en wat verreweg erger is, zoo gij niet tot inkeer komt en u betert, zullen uwe ongelukkige zielen er hier namaals voor lijden.
Het heeft den almagtigen God behaagd, u hier slaven te maken en u niets dan arbeid en armoede in deze wereld toe te deelen, waaraan gij verpligt zijt u te onderwerpen, daar het Zijn wil is. En overlegt eens bij u zelven, hoe verschrikkelijk het wezen zou, na al uw werk en lijden in dit leven, in de hel geworpen te worden, en, na uwe ligchamen in de dienst alhier afgezwoegd te hebben, te geraken in eene nog veel erger slavernij en uwe zielen aan den duivel overgeleverd te zien om voor eeuwig zijne slaven in de hel te worden zonder hoop van immer vrij te komen. Indien gij derhalve vrije lieden in Gods hemel wilt worden, moet gij u beijveren om braaf te zijn en Hem hier op aarde te dienen. Uwe ligchamen, dat weet gij, zijn uw eigendom niet; zij behooren aan uwe meesters; maar uwe kostbare zielen zijn uw eigendom, hetwelk niemand u buiten uwe schuld kan ontnemen. Bedenkt dus wel, dat, indien gij uwe zielen verliest door hier een lui en boos leven te lijden, gij er niets door gewonnen hebt in deze en in tegendeel alles verloren in de toekomende wereld.
Want uwe luiheid en boosheid worden doorgaans ontdekt en uwe ligchamen lijden er hier voor; en wat verreweg erger is, zoo gij niet tot inkeer komt en u betert, zullen uwe ongelukkige zielen er hier namaals voor lijden.
De heer Jones onderstelt in dat gedeelte van zijn werk waar hij de tegenwerpingen der meesters tegen het Christelijk onderrigt der slaven wederlegt, dat de meester de volgende aanmerking maakt:
Gij leert hun, dat God „geen aannemer des persoons” is; „dat Hij alle geslachten der volkeren van éénen bloede gemaakt heeft;” „gij zult uwen evennaaste als u-zelven beminnen;”„wat gij wilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen.” Laat ik mogen vragen, welk gebruik zij van deze spreuken uit het Evangelie kunnen maken?
Gij leert hun, dat God „geen aannemer des persoons” is; „dat Hij alle geslachten der volkeren van éénen bloede gemaakt heeft;” „gij zult uwen evennaaste als u-zelven beminnen;”„wat gij wilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen.” Laat ik mogen vragen, welk gebruik zij van deze spreuken uit het Evangelie kunnen maken?
De heer Jones zegt dan vervolgens:
Het antwoord hierop is, dat het gevolg, waarop in de tegenwerping gezinspeeld wordt, zou kunnen voortvloeijen uit eenonvolkomenenonverstandigGodsdienstig onderrigt; het zou inderdaad mogelijk zijn, dat door den onderwijzer het Godsdienstig onderrigt gegeven wierde methet opzettelijke doelom het bedoelde gevolg te weeg te brengen, waarvan voorbeelden bestaan.Maar wie zal zeggen, dat pligtverzuim en ongehoorzaamheid denoodwendigegevolgen van het Evangelie zijn, wanneer het den dienaren zuiver en opregtelijk wordt medegedeeld? Is het Evangelie niet door alle eeuwen heen beschouwd als de grootste beschaver van het menschelijk geslacht?
Het antwoord hierop is, dat het gevolg, waarop in de tegenwerping gezinspeeld wordt, zou kunnen voortvloeijen uit eenonvolkomenenonverstandigGodsdienstig onderrigt; het zou inderdaad mogelijk zijn, dat door den onderwijzer het Godsdienstig onderrigt gegeven wierde methet opzettelijke doelom het bedoelde gevolg te weeg te brengen, waarvan voorbeelden bestaan.
Maar wie zal zeggen, dat pligtverzuim en ongehoorzaamheid denoodwendigegevolgen van het Evangelie zijn, wanneer het den dienaren zuiver en opregtelijk wordt medegedeeld? Is het Evangelie niet door alle eeuwen heen beschouwd als de grootste beschaver van het menschelijk geslacht?
Hoe de heer Jones de Blijde Boodschap aan den slaaf zoo zou kunnen mededeelen, dat de regtvaardiging van het slavernijstelsel er uit volgde, kunnen wij bij geene mogelijkheid nagaan. Echter zijn wij in staat om een proefje te geven, hoe zij uitgelegd wordt in de predikatiën van bisschop Meade, blz. 116 (Brook’sSlavery, blz. 32 en 33):
„Wat gij wilt dat u geschiede, doet zoo ook aan anderen;” dat is, handelt jegens ieder, gelijk gij zoudt wenschen, dat zij ten uwen aanzien handelden, wanneer gij u bevondt in hunne plaats en zij in de uwe gesteld waren.Om dezen regel nu toe te passen op uwe bijzondere omstandigheden moet gij veronderstellen, dat gij meesters en meesteressen waart en bedienden onder u hadt; zoudt gij dan niet wenschen, dat uwe bedienden hun werk trouw en eerlijk verrigtten, zoowel buiten uw gezigt als onder uwe oogen? zoudt gij niet verwachten, dat zij acht sloegen op hetgeen gij hun zeidet? dat zij u en de uwen met eerbied behandelden en voor alles wat u toekwam zoo zorgvuldig zijn zouden als gij-zelven het zoudt wezen? Gij zijt thans ondergeschikten; handelt dus zoo als gij zoudt wenschenbehandeld te worden, dan zult gij goede dienaren zijn van uwe meesters en goede dienaren van God, die dit van u eischt en er u wèl voor beloonen zal, wanneer gij het van ganscher harte doet uit gehoorzaamheid aan zijne geboden.
„Wat gij wilt dat u geschiede, doet zoo ook aan anderen;” dat is, handelt jegens ieder, gelijk gij zoudt wenschen, dat zij ten uwen aanzien handelden, wanneer gij u bevondt in hunne plaats en zij in de uwe gesteld waren.
Om dezen regel nu toe te passen op uwe bijzondere omstandigheden moet gij veronderstellen, dat gij meesters en meesteressen waart en bedienden onder u hadt; zoudt gij dan niet wenschen, dat uwe bedienden hun werk trouw en eerlijk verrigtten, zoowel buiten uw gezigt als onder uwe oogen? zoudt gij niet verwachten, dat zij acht sloegen op hetgeen gij hun zeidet? dat zij u en de uwen met eerbied behandelden en voor alles wat u toekwam zoo zorgvuldig zijn zouden als gij-zelven het zoudt wezen? Gij zijt thans ondergeschikten; handelt dus zoo als gij zoudt wenschenbehandeld te worden, dan zult gij goede dienaren zijn van uwe meesters en goede dienaren van God, die dit van u eischt en er u wèl voor beloonen zal, wanneer gij het van ganscher harte doet uit gehoorzaamheid aan zijne geboden.
De eerwaarde heeren, die de Schrift aldus uitleggen, doen aan het gezond verstand hunner zwarte leerlingen groot onregt, wanneer zij dezen onbekwaam achten om dit dunne webbe van drogredenen te verbreken en overtuigend te bewijzen dat „menig mes aan twee kanten snijdt.” Een of ander schrander oud man (van den stempel dergenen, die opstonden en heengingen onder de bewuste predikatie over den brief aan Philemon, en die zoo veel scherpzinnigheid aan den dag legden bij het aanvoeren van tegenwerpingen tegen de Goddelijke waarheid, zoo als men die alleen gezocht zou hebben bij beschaafde lieden) zou welligt, had hij het durven onderstaan, op zulk eene uitlegging der Schrift hebben kunnen antwoorden: „Onderstel dat gij een slaaf waart,—dat gij uw leven lang geen penning van uwe eigene verdiensten genieten kondt, geen wettig regt op uwe vrouw en uwe kinderen hadt, uwe kinderen niet naar school mogt zenden, en dat, gelijk gij ons toegevoegd hebt, arbeid en armoede in dit leven uw deel moest zijn,—hoe zou dit u bevallen? Zoudt gij niet wenschen, dat uw Christelijke meester u uit dien toestand bevrijdde?” Wij vragen ieder, die geen aannemer des persoons is, of deze uitlegging van Sambo niet even goed is als die van den bisschop? Zoo niet, waarom niet?
Bij onze gevoelens en denkbeelden komen leerredenen als die van bisschop Meade ons als hoogst hardvochtig en gevoelloos voor. Wij zouden den man echter groot onregt doen, zoo wij daaruit afleidden, dat zijn karakter hiermede in overeenstemming was. Het is alleen een nieuw bewijs hoe de gewoonte beminnelijke en achtenswaardige menschen zoo gemeenzaam maakt met een stelsel van onderdrukking, dat zij ten slotte alle gevoel verloren hebben voor het onregt, dat er in opgesloten ligt.
Dat de redeneringen van bisschop Meade hem-zelven niet ten volle overtuigd hebben, kan daaruit blijken, dat hij, na al zijne schilderingen van de bijzondere voordeelen van deslavernij als een middel van Godsdienstige opleiding, eindelijk zijne eigene slaven emancipeerde.
Doch, bij al hetgeen reeds gezegd is, wordt het geheele stelsel van Godsdienstig onderrigt verduisterd door eene afgrijselijke schaduw,—doorden slavenhandel. Wat doet de zuidelijke Kerk met hare catechisanten en lidmaten? Lees de advertentiën maar eens in de zuidelijke nieuwsbladen, en oordeel. Aanschouw in elke stad van de slavenkweekende Staten, die magazijnen, welke men bij voortduring gevuld houdt met gesorteerde negers van tien tot dertig jaren! Zie in elken slavenverbruikenden Staat de kosthuizen, waarheen deze beklagenswaardige overblijfselen van huisgezinnen onophoudelijk heengevoerd worden! Wie predikt het Evangelie aan de slaven-karavanen? Wie predikt het in de slaven-gevangenissen? Zoo wij de vreeselijke uitgebreidheid van dien binnenlandschen handel nagaan,—zoo wij kolommen advertentiën lezen van menschelijke wezens, die zoo veelvuldig van eigenaar verwisselen als of zij bankbilletten waren in stede van menschen,—dan zullen wij ons een begrip kunnen vormen hoe de invloed van het Godsdienstig onderrigt volkomen te niet gedaan moet worden doordien men de voorwerpen van dat onderrigt blootgesteld laat „aan al de wisselvalligheden van den eigendom.”