Hoofdstuk X.

Hoofdstuk X.Wat behoort er gedaan te worden?Wat gedaan behoort te worden en wat ik hoofdzakelijk zal bespreken, is, dat de geheele Amerikaansche Kerk, van alle gezindheden, zich nietin naammaarmet der daadmoet vereenigen met het edele voornemen, dat de Presbyteriaansche Vergadering in 1818 opperde, om te trachten naarde volkomene afschaffing der slavernij in Amerika en in de geheele Christenheid.De gemeenschappelijke stem der Christenen in alle anderelanden roept met aandrang de Amerikaansche Kerk hiertoe op. Betuigingen van die meening zijn ingekomen van Christenen van alle gezindheden in Engeland, Schotland, Ierland, Frankrijk, Zwitserland, Duitschland, Perzië, deSandwichEilanden en China. Allen schijnen door éénen geest bezield. Zij hebben die Amerikaansche Kerk bemind en vereerd, zich verheugd in den luister van hare opkomst. Haar voorspoed en welslagen hebben zij beschouwd als hunne eigene, en zij hadden gehoopt, dat God door haar onschatbare zegeningen op alle natiën zou uitstorten. Hun is de Amerikaansche Kerk voorgekomen als de opgang van eene schitterende zon, die neveldampen verdrijven zoude en vreugde bragt en vrede. Maar helaas! op die blinkende zonneschijf is eene donkere plek waargenomen, die, voortgaande, in omvang toeneemt en algeheele duisternis dreigt te verwekken. Kan het verwondering baren, dat eene waarschuwende stem tot ons komt van hen, die zoo veel belang hebben bij ons welvaren en welslagen? Wij hebben zendelingen doen uitgaan naar alle oorden der wereld; maar hoe kunnen deze hunnen heidenschen bekeerling openbaren, wat er in het Christelijk Amerika omgaat? Hoe zullen onze zendelingen in de Mahomedaansche gewesten hun hoofd durven opheffen en de voortreffelijkheid van onze Godsdienst kunnen verkondigen, wanneer wij barbaarschheden dulden, diezijverworpen hebben?Een zendeling onder de Karens in Azië schrijft, dat hij in zijn dienstwerk zeer belemmerd wordt door een gerucht, hetwelk onder dien volksstam in omloop is, dat de Amerikanen voornemens zijn hen te komen rooven om hen te verkoopen. Hij zegt het volgende:Ik zie met beduchtheid den tijd te gemoet, wanneer de Karens in staat zullen zijn onze boeken te lezen en tot de volle kennis te komen van hetgeen in ons land omgaat. Sommigen zijn reeds nu zeer nieuwsgierig en doen mij dikwijls vragen, wier beantwoording mij zwaar valt.Er is geen andere uitweg. Gods Voorzienigheid heeft de Kerk der Vereenigde Staten tot één werk bepaald. Zij kan niet verder gaan eer dit verrigt is. Zoo lang zij het blijftveronachtzamen zal het een hinderpaal zijn tegen al hetgeen zij verder aanvangt.Zij moet het nog om eene andere reden ondernemen,—namelijk omdat zij alleen dien arbeid op vreedzame wijze kan verrigten. Indien dit angstwekkende vraagstuk zijn loop moet hebben als eene louter staatkundige aangelegenheid, welke de politieke partijen moeten uitmaken, hoe zullen dan beroeringen, betreurenswaardige botsingen, de van-een-scheuring der Unie voorkomen kunnen worden? Neen, het is alleen veilig uit te voeren door er eene Godsdienstzaak van te maken en die te bevorderen in een Christelijken geest en door Godsdienstige middelen.Zoo men ons vraagt, welke middelen de Kerk dan in het werk moet stellen, luidt ons antwoord, dat dit kwaad moet afgeschaft worden door dezelfde middelen, welke de Apostelen aanwendden voor de uitbreiding van het Christendom en de uitroeijing van alle maatschappelijke euvelen, welke toen eene in boosheid gedompelde wereld vervulden. Hoor hoe de Apostel ze beschrijft: „In reinheid, in kennis, inlankmoedigheid, in den Heiligen Geest, in ongeveinsde liefde, door de wapenen der geregtigheid aan de regter- en aan de linkerzijde.”Wij zullen kortelijk elk dezer middelen nagaan.Vooreerstin reinheid. De Christenen in de noordelijke vrije Staten moeten zich-zelven en hun land trachten te zuiveren van verscheidene noodlottige uitvloeisels van de slavernij: in het bijzonder moeten zij het meest zondige gevolg daarvan trachten uit te roeijen,—het onchristelijk vooroordeel tegen de kleur.In Hindostan vindt men de klasse der Pariahs, met welke geene andere klasse van Hindoes wil eten, drinken of omgaan. Onze zendelingen verklaren den bekeerden Hindoe, dat dit vooroordeel onchristelijk is; want God heeft allen, die op aarde wonen, van éénen bloede gemaakt en alle menschen zijn broeders in Christus. Maar hoe zal de zendeling zich houden, wanneer de Hindoe in staat is te antwoorden: „In uw eigenChristelijkland bestaat eene klasse van Pariahs, die gij niet beter behandelt, dan wij de onze. Gij-zelven gelooft de dingen niet, die gij ons leert.”Laten wij een blik werpen op de behandeling van den vrijen neger in het Noorden. In de Staten Indiana en Illinois zijnde meest tirannieke en onregtvaardige wetten tegen hem uitgevaardigd. Uit geene wet in een slavenstaat kan een wreedaardiger geest spreken, dan heerschende is in eene onlangs in Illinois uitgevaardigde wet, volgens welke iedere vrije neger, die in den Staat komt, gevat en voor een bepaalden tijd als slaaf verkocht wordt, terwijl hij, wanneer hij na afloop van dien tijd zich niet verwijdert uit het gebied van den Staat, op nieuw wordt verkocht.Hoe kunnen wij onze zuidelijke broederen vermanen hunne slaven vrij te laten, indien wij niet het geheele zedelijke gewigt van de Kerk in het Noorden in de schaal leggen tegen dergelijke gruwelen? Worden zulke handelwijzen geregtvaardigd door te zeggen, dat de neger boosaardig en lui is? Zoo doende voegt men smaad bij mishandeling.Wat doen deze Christelijke Staten? Meerendeels sluiten zij de kleurlingen uit van het school-onderwijs; door beleedigende uitzonderingen schrikken zij hen af van het bezoeken der Kerken; in het algemeen sluiten zij hen uit van de werkplaatsen, waar zij een nuttig beroep zouden kunnen leeren; zij verdrijven hen uit de meer geachte vakken, waarin zij met eere hun brood zouden kunnen winnen; en na hen dus van elk hooger streven ontmoedigd en tot onkunde, luiheid en ondeugd gedwongen te hebben, maken zij de maat der ongeregtigheid vol door het vervaardigen van wreedaardige wetten, om hen uit hunne Staten te verdrijven en vergaderen zich aldus toorn tegen den dag des toorns.Wanneer wij zeggen, dat elk Christen in het Zuiden, die zijne uiterste krachten niet inspant tegen de onregtvaardige slavenwetten, als republikeinsch burger schuldig is aan de handhaving dier wetten,—zoo is het niet minder waar, dat ieder Christen in het Noorden, die niet doet al wat in zijn vermogen ligt om de intrekking van zulke wetten in de noordelijke Staten te bewerken, in zoo verre schuldig is aan haar bestaan. In de laatste jaren heeft het niet ontbroken aan aanhalingen uit het Oude Testament, om allerlei soort van verdrukking te regtvaardigen. Een Hindoe, die niets van dat edele en schoone boek kende dan hetgeen hij vernomen had uit vlugschriften gelijk dat van den heer Smylie, zou kunnen meenen, dat het eene verhandeling over het stelen en eene doorloopende regtvaardiging van allerlei roof was. Doch laat hetons geoorloofd zijn de voorschriften na te gaan, die God geeft voor de behandeling van den vreemdeling: „Wanneer een vreemdeling in uw land verkeeren zal, zult gij hem niet verdrukken; de vreemdeling, die bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van ulieden; gij zult hem liefhebben als u-zelven.” Van hoeveel meer kracht is dit gebod nog, wanneer de vreemdeling in ons land gebragt is door de onregtvaardigheid en wreedheid onzer vaderen!Met genoegen vermelden wij echter, dat het aantal Staten slechts gering is waar zulk eene tirannieke wetgeving bestaat. Het is tevens een grond van bemoediging en hoop, dat het onwijsgeerige en onchristelijke caste-vooroordeel in vele gedeelten van ons land meer en meer plaats maakt voor een Christelijker geest.Vele onzer scholen en akademiën zijn bereid om den kleurling op gelijken voet met den blanke te ontvangen. Sommige der noordelijke vrije Staten verleenen den vrijen kleurling volkomene politieke gelijkheid en voorregten. Onder dat stelsel zijn verscheidene kleurlingen rijk en beschaafd geworden. Men begint allengs een belangrijk getal goed opgevoede lieden onder hen te tellen. Onder hen zijn talentvolle redacteurs, welsprekende redenaars, ijverige en kundige predikanten. Het doet ons genoegen te kunnen melden, dat die menschen onder verstandige en Christelijk-gezinde lieden behandeld worden met de achting die zij verdienen; en zoo hun smaad of mishandeling bejegent, komt dit meerendeels van de zijde der min beschaafde klassen, die, minder verlicht zijnde, altijd langer onder den invloed der vooroordeelen blijven. Bij eene onlangs plaats gehad hebbende bevestiging in eene der grootste en aanzienlijkste kerken te New-York, was de predikant, die bevestigde, een zwart man, welke zijn levensloop ingetreden was als slaaf; en het was ongetwijfeld een grond van verblijding voor al zijne Christelijke broederen hem thans als hoofdpersoon te zien bij zulk eene indrukwekkende plegtigheid. Hij deed de vragen aan den nieuwen predikant in het Duitsch, daar de hoorders meerendeels Duitschers waren. Onze Christen-vrienden in Europa kunnen daaruit ten minste afleiden, dat, zoo wij in vroegere tijden onze gebreken hadden, sommigen onder ons die hebben opgemerkt en ze trachten te verbeteren.Om dit gedeelte terstond tot een practisch besluit te brengenwenscht de schrijfster toe te voegen aan ieder Christen in het bijzonder, die iets doen wil tot afschaffing der slavernij: Begin met voor de kleurlingen in uwe nabijheid, te doen wat binnen uw bereik ligt. Worden kinderen ten gevolge van onregtvaardig vooroordeel van het bezoeken der school uitgesloten? Poog dat vooroordeel te bestrijden door regtmatige beweeggronden, met liefderijkheid voorgedragen. Kunt gij daarin niet slagen, tracht dan op eenige andere wijze voor het onderwijs dier kinderen te zorgen. Tracht, voor zoo ver dit in uw vermogen staat, in elken kring des levens voor hen de gewone voorregten van een Amerikaansch burger te verkrijgen. Zijn zij ter plaatse waar gij woont van het gebruik van omnibus en spoorwagen uitgesloten, poog dan diegenen, die daarover het bestuur voeren, tot meerdere regtvaardigheid en rede te bewegen. De Christenen, die aan het hoofd staan van werkplaatsen, kunnen veel doen tot het aannemen van jonge kleurlingen als leerlingen. Vele meesters verontschuldigen zich over het uitsluiten van de kleurlingen, door te zeggen, dat, wanneer zij het deden, alle andere knechten hen verlaten zouden. Hierop kan geantwoord worden, dat, indien zij dit doen in een Christelijken geest en met een Christelijk doel, het waarschijnlijk is, dat, indien hunne gezellen aanvankelijk vertrekken, zij later wel weder terug zullen komen,—allen ten minste op wier behoud zij prijs stellen.Eene aanzienlijke modemaakster in eene onzer steden heeft, uit beginsel, gekleurde meisjes als leerlingen aangenomen, en ze aldus in staat gesteld om op eene eerlijke wijze haar brood te verdienen. Ik noodig de Christelijke werkbazen, van alle ambachten, uit, deze zaak met ernst te overwegen, en na te gaan of zij, door die arme menschen de hand te reiken en hen te brengen tot zedelijkheid, kennis en een stuk broods, niet eene dienst verrigten zullen, die de Heer aanmerken zal als Hem-zelven bewezen.Eene andere zaak, die ik den Christenen ernstig op het hart druk, is het herstellen en in stand houden van die kerkelijke gemeenten van kleurlingen, die ontmoedigd en verbrokkeld zijn door de vlugtelingen-wet. In de stad Boston bevindt zich eene gemeente, die thans onder schulden en bezwaren zucht, doordien zij genoodzaakt is geweest hare eigene diakenenin te koopen, ten einde hen tegen de verschrikkingen van die wet te beveiligen.Eindelijk: wij behoeven schier niet te zeggen, dat de Christenen in het Noorden zich onthouden moeten van alle regtstreeksche of zijdelingsche bemoeijing met den slavenhandel, hetzij door deelgenootschap in zuidelijke handelhuizen, hetzij door onsterfelijke wezens als onderpand voor schulden te aanvaarden. Het is noodeloos over dit punt verder uit te weiden: het spreekt krachtig genoeg.Door al deze middelen moet de Christelijke Kerk in het Noorden zich zuiver houden van alle medepligtigheid aan de zonde der slavernij, en van de onchristelijke gebruiken en vooroordeelen, die er uit voortgevloeid zijn.Het tweede middel, dat tot afschaffing der slavernij in het werk kan gesteld worden, isde kennis.Ieder Christen behoort aandachtig en met biddenden geest dit slavernij-stelsel te onderzoeken. Hij moet het beschouwen als een onderwerp waaromtrent hij zich juiste begrippen en inzigten verschaffen en de openbare meening, die het krachtigste middel is, vormen moet. Menigeen onthoudt zich van het nagaan der statistiek van deze aangelegenheid, omdat hij niet gestemd is voor de menschen, welke die opgaven bijeengezameld hebben. Zij zeggen, dat zij niet van het gevoelen zijn der Abolitionisten, en willen daarom geen acht slaan op de bijgebragte cijfers en feiten. Dit is voorzeker verstandig noch redelijk. In alle andere omstandigheden waar het onze belangen betreft zijn wij zeer gretig in het opzamelen van inlichtingen, hetzij wij al dan niet overeenstemmen met de personen die ze ons verschaffen.Ieder Christen behoort ernstig na te gaan in hoe verre ons nationaal gouvernement verbonden is en gebruikt wordt tot handhaving der slavernij. Oplettend speure hij na de slavenstatistiek van het district Columbia, en bovenal de statistiek van dat gewettigde stelsel van roof en verdrukking, waardoor honderden en duizenden jaarlijks aan huis en magen en al wat dierbaar is ontscheurd en naar het Zuiden gesleept en daar als beesten op de markten verkocht worden. De walm, opstijgende uit dien bodemloozen afgrond der ongeregtigheid, verduistert onze zon voor de oogen van alle volkeren; hetgekerm en geween overstemt den galm onzer psalmen en stichtelijke liederen. Alle natiën weten hoe het met onze zaak gelegen is; zal die dan voor ons alleen verborgen blijven? Zullen wij den moed, het geduld niet hebben onze eigene kwaal grondig te onderzoeken en de diepte van de wond te peilen?Het derde middel tot afschaffing van de slavernij isdelankmoedigheid.Het gemis van die eigenschap is het gebrek geweest van de tot nu toe in het werk gestelde pogingen. De vrienden der goede zaak zijn niet eensgezind geweest en hebben geen vrede gehad met elkanders meeningen. In de vroegere geschiedenis van dit onderwerp komt menige donkere bladzijde voor; maar is het niet inderdaad tijd, dat de vrienden der slaven het gebeurde vergeten en met vereende pogingen streven naar hetgeen in het verschiet ligt? De voorstanders van onmiddellijke afschaffing moeten de bevorderaars van eene trapsgewijze emancipatie niet met de namen van talmers en verraders bestempelen; de laatsten moeten ook de eersten niet drijvers en onruststokers noemen. Er is gewis een liefderijker weg tot wederzijdsche overtuiging te vinden. Waarheid in liefde gesproken zal steeds dieper doordringen dan waarheid in toorn geuit; voorshands is het groote doel, onze zuidelijke broederen te overreden, dat zij ten minste toteenigeemancipatie overgaan. Wanneer wij eerst zoover zijn, dat zij de overtuiging hebbenietste moeten doen, dán zal het de tijd zijn om het vraagstuk te behandelen of dit onmiddellijk of trapsgewijze zal moeten geschieden. Laten wij tot onze spreuk kiezen: „Daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar denzelfden regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen; en indien gij iets anderzins gevoelt, ook dat zal God u openbaren.”—„Laten wij aannemen zelfs hem die zwak is in den geloove maar niet tot ijdele zamensprekinge.” Wij moeten het goede, dat in sommigen is, niet wegwerpen, omdat het door eenige vlekken ontsierd wordt.Gaan wij thans over tot de beschouwing van eene magt, zonder welke alle andere magten falen moeten:den Heiligen Geest.De belijdenis van elke Christelijke Kerk, Roomsch, Grieksch, Episcopaalsch of Protestant, houdt in: „Ik geloof in den Heiligen Geest.” Doch hoe dikwijls leven en handelen Christenen van al die gezindheden, zelfs in Godsdienstige aangelegenheden,alsof zij nooit van een Heiligen Geest gehoord hadden. Zoo wij ons op onze eigene rede, op onze verbijsterde hartstogten, op onzen blinden zelfwil verlaten om de misbruiken uit den weg te ruimen, zullen wij hierin volstrektelijk falen. Er is eene in stilte werkende, overtuigende en onweêrstaanbare magt, die over het duistere en beroerde hart van den mensch zweeft gelijk zij vroeger zweefde over de duistere en beroerde wateren van den chaos, en licht uit de duisternis en orde uit de verwarring te voorschijn bragt.Is het niet duidelijk voor ieder, die een vrijen blik werpt op de maatschappij, dat het menschelijk geslacht onderworpen is aan een zachten maar onweêrstaanbaren invloed, die te gemoet komt aan het geroep en verlangen naar eene aanstaande eeuw van welzijn? Wereldschgezinde menschen lezen in de teekenen der tijden en noemen het Geest der Eeuw; maar moet de Kerk het niet erkennen voor den Geest van God?Men vergete echter niet, dat het geschenk van Zijn magtigen vernieuwenden invloed verbonden is aan de voorwaarde van het gebed. De krachtige werking, die met den Pinksterdag een aanvang nam, was voorafgegaan door vereenigde, vurige en onverpoosde gebeden. Even zulk een geest des gebeds moet voorafgaan aan de komst van den Heiligen Geest, om eene zoo groote omwenteling te bewerken als hier bedoeld wordt. Het vermogendste werktuig, dat God in ’s menschen hand gesteld heeft en waaraan al Zijne heerlijke beloften verknocht zijn, is het gebed. Alle vroegere vooroordeelen en veten hieromtrent moeten ter zijde gesteld worden en de geheele Kerk moet zich als één man vereenigen in ernstige, vurige gebeden. Hebben wij de belofte van den Heiligen Geest vergeten? Hebben wij vergeten, dat Hij ons eeuwig nabij zou wezen? Hebben wij vergeten, dat Hij de wereld zal oordeelen? o Goddelijke en Heilige Vertrooster! belofte des Vaders! gij, eenige Almagtige om op te klaren, te overtuigen en herboren te doen worden! keer weder, bidden wij, en bezoek dezen wijngaard, dien Gij geplant hebt! Bij U is niets onmogelijk; wat wij in onze zwakheid te naauwernood bevatten, kunt Gij verwezenlijken!Nog een middel tot afschaffing der slavernij is gelegen inongeveinsde liefde.Bij elken zedelijken strijd moet die partij, welke onder allen tegenstand en vervolging een Goddelijken, onwrikbarengeest van liefde weet te bewaren, ten slotte zegevieren. Zoo zijn de onveranderlijke wetten der zedelijke wereld. Toorn, baatzucht, naijver hebben allen zekere levenskracht. Dikwijls veroorzaken zij meer vertooning, gedruisch en tijdelijken indruk dan de liefde. Maar al die hartstogten dragen de kiem van zwakheid in haar boezem. De liefde, de liefde-alleen, is onsterfelijk; en wanneer reeds alle andere grovere uitingen der ziel zich-zelven vernietigd hebben, straalt de liefde steeds door als de poolster met een gloed die nimmer sterft.Zoo wij dit werk ondernemen, moeten wij èn den slaaf èn den slavenhouder lief hebben. Wij moeten nimmer uit het oog verliezen, dat beiden onze broeders zijn. Wij moeten ons voorbereiden miskend, belasterd, gehaat te zullen worden. Hoe zouden wij zonder die onaangenaamheden een zoo magtig belang kunnen aantasten? Het moet onze voldoening zijn, trouwe vrienden te wezen, terwijl wij als bittere vijanden behandeld worden.Deze heilige twiststrijd moet een kamp zijn van beginselen, niet van partijhaat. Wij moeten zorgen, dat hij in onze handen niet ontaarde in een afkeer van het Zuiden; en te dien einde behooren wij de beminnelijker hoedanigheden en loffelijker eigenschappen voor oogen te houden van degenen wier beginselen wij verpligt zijn te bestrijden. Belasteren zij ons, wij moeten in aanmerking nemen, dat wij hen in groote verzoeking brengen door instellingen aan te tasten, waarmede zij door duizende banden van belang en gewoonte verbonden zijn, zoodat zij grootendeels ongevoelig zijn geworden voor dat kwaad. De Apostel geeft ons voorschriften hoe wij met broederen, die ons smaden, handelen moeten: „Geeft acht, opdat ook gij niet in verzoeking komet.” Wij mogen dit op onszelven toepassen en bedenken, dat, indien wij blootgesteld waren geweest aan de verzoekingen die onze vrienden in het Zuiden omringen en wij dezelfde opvoeding ontvangen hadden, wij welligt zouden gevoelen, denken en handelen zoo als zij. Doch bij al die overwegingen moeten wij tevens bedenken, dat het geene ware liefde voor het Zuiden is, wanneer wij een verderfelijk stelsel handhaven en verdedigen; een stelsel, dat even nadeelig is voor den meester als voor den slaaf; een stelsel dat vruchtbare velden in woestenijen verandert, en dat schadelijk is voor opvoeding, zeden, Godsdienst en maatschappelijken vooruitgang; een stelsel, dat vele verstandige en achtenswaardigemannen in het Zuiden moede zijn, waaraan zij zich wenschen te onttrekken en ook jaarlijks door verhuizing werkelijk onttrekken. Evenzeer moeten wij niets laten afdingen op de regten van den slaaf; want ook hij is onze broeder en er is in zijn toestand eene reden om voor hem te spreken, die niet in het geval van zijn meester bestaat. Hij is arm, onbeschaafd, onwetend en kan niet voor zich-zelven het woord voeren. Wij moeten daarom des te naijveriger zijn op zijne regten. Wat wij ook afstaan,—nimmer moet dit geschieden met de regten van de hulpeloozen noch met de eeuwige beginselen van regt en zedelijkheid.Nimmer moeten wij toegeven dat het eerlijk is, den werkman van zijn loon te berooven, ofschoon het, gelijk vele andere schandelijkheden, gebruikelijk en algemeen is, en zelfs achtenswaardige menschen onder den invloed van oude vooroordeelen zich daaraan schuldig maken. Nimmer moeten wij, zelfs maar voor een oogenblik, plaats geven aan de gedachte, dat een erfgenaam van het Godsrijk verkocht mag worden, al zij het ook een oud gebruik. Strengelijk moeten wij de heiligschennende leer verwerpen, dat menschelijke wezens voorwerpen van eigendom kunnen zijn.Sommigen hebben het ongerijmd genoemd, beginselen en personen te scheiden, of aan te nemen, dat hij die eene slechte zaak voorstaat een goed mensch kan wezen. De ondervinding bewijst het tegendeel. De onregtvaardigste en tiranniekste stelsels zijn verdedigd door lieden, die persoonlijk regtvaardig en menschlievend waren. Het is treurig maar niet minder waar, dat er bijna geen kwaad of onregt bestaat, hetwelk niet ten eenigen tijde den steun der talenten van een achtenswaardig man genoten heeft.Dit is een deel der beproevingen in onzen staat van onvolkomenheid hier beneden; zoo kwade stelsels hun eenigen steun ontleenden aan de slechten, onze zedelijke tucht zou veel minder streng en de aanval meer krachtig en openlijk kunnen zijn.Wij voor ons zien hooge Christelijke wijsheid in de vroeger door ons opgeteekende aanmerking van eene arme slavin, wier heele leven verwoest was door dit stelsel, namelijk „dat wij de zonde moeten haten, maar den zondaar liefhebben.”De laatste middelen tot afschaffing der slavernij zijnde wapenen der geregtigheid aan de regter- en aan de linkerzijde.Hiermede bedoelen wij een ernstig gebruik van alle regtstreeksche, eerlijke en regtvaardige middelen, die tot de afschaffing van het slavernij-stelsel kunnen leiden. Iedereen in zijne betrekking moet zich daartegen verzetten. Al de drogredenen moeten beantwoord, de uit den Bijbel geputte verdedigingen door gezonde redenering en verklaring wederlegd worden. Iedere moeder behoorde haren kinderen het kwaad van dat stelsel te doen inzien. Ieder predikant moet zijne gemeente rondborstig en onverpoosd waarschuwen tegen medepligtigheid aan die zonde. Men zegt, dat dit zou zijn de politiek op den predikstoel brengen. Wij antwoorden, dat, aangezien de menschen in den oordeelsdag rekenschap zullen te geven hebben van hunne politieke handelingen, het niet ongepast kan gerekend worden, dat de predikant hen eenigzins van hunne politieke verantwoordelijkheid inlichte. Te dien dage zal Christus niemand vragen of hij tot deze of gene partij behoorde; maar wel, of hij zijne stem uitgebragt heeft in de vreeze Gods en tot uitbreiding van het rijk der geregtigheid.Dikwijls heeft men aangemerkt, dat de slavernij eene zonde is, die op een afstand gepleegd wordt en waarmede wij niets te maken hebben. Zoo een predikant hiervan de proef wil nemen, hij predike daarover eens onomwonden en geloovig. Dan zal hij denkelijk bevinden, dat de wortelen van den giftigen boom uitgeschoten zijn tot onder de grondslagen der woningen van de Christenen in Nieuw-Engeland en dat zijne eigene gemeente in de zonde deelt.Het aantasten van eene instelling waarin zoo veel van de politieke magt en den rijkdom dezer natie opgesloten ligt, is geen kinderspel, en zij die het ondernemen zullen spoedig ontwaren, dat zij niet alleen met vleesch en bloed te kampen hebben. Geene rusting is in dezen strijd proefhoudend dande wapenrusting der geregtigheid.Onzen broederen in het Zuiden heeft God een doorniger pad ter bewandeling toegewezen. Het hart krimpt ineen bij de gedachte wat de geloovige Christen zal te verduren hebben, die deze instelling op haar eigen gebied aantast; maar hetmoetgeschieden. Hoe ging het in het Noorden? Men stelde pogingen in het werk om door behulp van het graauw de zaak te smoren. Drukpersen werden verbrijzeld, huizen neêrgerukt, bezittingen vernield. Brave mannen hielden echtermoedig stand; martelaarsbloed heeft gestroomd voor de vrijheid van spreken, en zoo is die vrijheid ook verworven. Tegenwoordig stelt niemand meer dergelijke argumenten in het werk: die dagen zijn voorbij. Ook in Kentucky heeft men op die wijze de discussie trachten te onderdrukken. Het oproerige graauw sloeg drukpersen in stukken en bedreigde het leven van sommige personen. Maar ook daar waren braven, die geen geweld of doodsbedreigingen vreesden; en het staat thans vrij in Kentucky, de emancipatie te bespreken. Het is een feit, dat het Zuiden thans de zaak der slavernijmoetbehandelen. Hetkandat vraagstuk niet weren, ten zij beslag gelegd worde op de litteratuur van de geheele beschaafde wereld. Indien het eene Goddelijke zaak is, waarom vreest men dan zoo zeer haar aan te roeren? Wat uit God is kan door de vrije bespreking der geheele wereld niet weggecijferd worden. Er moet en zal discussie komen; men heeft daartoe alleen onversaagde mannen als aanvoerders noodig.Broeders in het Zuiden! Velen uwer hebben de innige overtuiging dat de slavernij eene zonde, een vreeselijk kwaad is; doch gij zijt beducht, dat, indien gij voor uwe gevoelens uitkomt en die tracht te bevorderen, vervolging, verdriet en zelfs de dood u te wachten staan. Hoe kunnen wij dan van u vergen, dat gij op den voorgrond zult treden?Wijvergen het ook niet. Hoe zullenwij, die zwak, besluiteloos en wereldschgezind zijn, van u vergen hetgeen wij-zelven welligt niet zouden durven verrigten? Maar wij zullen bidden, datHijtot u spreke, die meer dan dit ondernam en verduurde om uwentwille en die u sterkte geven kan om dit nu om Zijnentwille te ondernemen en te verduren. Hij kan u verheffen boven alle tijdelijke en wereldsche begrippen. Hij kan u bezielen met die liefde voor Hem, die u gewillig vader en moeder en vrouw en kind doet verlaten, om zelfs het leven voor Zijne eer te verliezen. En zoo Hij u immer brengt tot die plaats waar gij en deze wereld elkander een laatst vaarwel zeggen, waar gij u voorbereidt om alles voor Zijne dienst te wagen, waar leven noch dood, verledenheid noch toekomst u in dit besluit kunnen doen wankelen,—dan zult gij eene blijdschap kennen die elke andere blijdschap te boven gaat, en een vrede zoo bestendig en onveranderlijk als de eeuwige Godheid waaruit zij ontspringt.Dierbare broederen! moet dit stelsel ten eeuwigen dage inuw land blijven bestaan? Kunt gij deze slavenwetten beschouwen als iets anders dan als een gruwel voor den regtvaardigen God? Kunt gij dien binnenlandschen slavenhandel voor iets anders houden dan voor een doorn in Zijn oog?Wij bidden u, werpt een blik in die verschrikkelijke slavengevangenissen in uwe steden; volgt het bloedige kielspoor van de schepen langs uwe kusten. Hoe onderstelt gij, dat het Lam Gods over al die dingen denkt? Wat denkt Hij van al dat gekerm, die hartverscheuring en dien zielsangst,—Hij wiens hart zoo teeder was, dat Hij aan het graf van Lazarus tranen stortte over eene smart, die Hij zoo spoedig weder in blijdschap zou doen verkeeren? Wat denkt Hij van Christelijke vrouwen die aan hare mannen, mannen die aan hunne vrouwen ontscheurd worden? Wat denkt Hij van Christendochters, welke Zijne Kerk eerst doopt, onderwijst en opvoedt en dan als een handels-artikel verkoopen laat?Denkt gij dat gebeden, als die van den armen Paul Edmondson, sterfbedden als dat van Emily Russell, zonder aandoening gezien worden door dien goedertieren Verlosser, die, hetgeen Zijn minsten dienstknecht aangedaan wordt, beschouwt als Hem-Zelven aangedaan?Is, o Christen! wanneer gij het verhaal van Jezus’ lijden laast, nooit het denkbeeld bij u opgekomen, dat gij gaarne met Hem zoudt geleden hebben? Is het u nooit voorgekomen als bijna oneerlijk, dat gij het eeuwige leven zoudt aannemen als prijs van de smarten, die Hij voor u verduurd heeft, terwijl gij geenerlei kruis voor Hem draagt? Hebt gij ooit gewenscht, dat gij met Hem hadt mogen waken in die bittere ure in den hof van Gethsemané, toen zelfs Zijne uitverkorenen sliepen? Hebt gij ooit gewenscht, dat gij bij Hem hadt mogen zijn toen allen Hem verzaakten en vloden,—dat gij Hem hadt mogen erkennen toen Petrus hem verloochende,—dat gij Hem hadt mogen vereeren toen Hij bespot en aangespuwd werd? Zoudt gij het als te groote eere rekenen, wanneer gij, gelijk Maria, Hem hadt kunnen volgen naar het kruis, en daar had kunnen staan als een lijdzaam deelgenoot in dien doodstrijd, die geen medelijden vond?Datkunt gij niet doen. Die ure is voorbij gegaan. Christus is thans verheven, gekroond, verheerlijkt; ieder spreekt wèl van Hem; rijke Kerken rijzen op ter Zijner eere en kostbare offeranden worden Hemopgedragen. Welke kans hebt gij onder de menigte om uwe liefde te bewijzen, om te doen zien dat gij Hem zoudt bijblijven wanneer hij onttroond, veracht, verzocht, verraden en lijdende was? Kunt gij het door iets anders toonen dan door de zaak der arme verworpelingen te omhelzen? Zoo er een volk is binnen uwe landpalen dat door de menschen veracht en verstooten wordt, dat gebogen gaat onder de verdrukking en grijs is in de smarte, terwijl de geheele magt van rijkdom en gebruiken, van politieken en van wereldlijken invloed tegen hunne zaak te velde trekt,—Christenen, dáár kunt gij Christus verheerlijken!Zoo gij u met onverschilligheid van deze zaak afwendt: „zoo gij verzuimt te bevrijden die in de kaken des doods zijn, en die verslagen dreigen te worden; zoo gij zegt: Zie, wij wisten het niet; zal dan Hij, die het harte beproeft, dit aannemen? en Hij, die de ziel in Zijne hand heeft, weet Hij het niet? Zal Hij niet een iegelijk vergelden naar zijne werken?”Zal Hij niet in den oordeelsdag tot u zeggen: „Ik ben geweest in de slaven-gevangenis, in de slaven-karavaan. Ik ben verkocht op uwe markten; Ik heb om niet gezwoegd op uwe velden; in uwe geregtshoven heeft men Mij den mond toegewrongen; Mij is geweigerd Mijne eigene kerkdienst bij te wonen, en gij hebt u des niet aangetrokken. Gij gingt, de een naar zijne hoeve, de andere naar zijne koopwaren.” En indien gij zult vragen: „Wanneer, o Heer, is dit geschied?” dan zal Hij u antwoorden: „Voor zoo veel gij dit gedaan hebt aan den minste van deze Mijne broederen, hebt gij het Mij gedaan.”EINDE.

Hoofdstuk X.Wat behoort er gedaan te worden?Wat gedaan behoort te worden en wat ik hoofdzakelijk zal bespreken, is, dat de geheele Amerikaansche Kerk, van alle gezindheden, zich nietin naammaarmet der daadmoet vereenigen met het edele voornemen, dat de Presbyteriaansche Vergadering in 1818 opperde, om te trachten naarde volkomene afschaffing der slavernij in Amerika en in de geheele Christenheid.De gemeenschappelijke stem der Christenen in alle anderelanden roept met aandrang de Amerikaansche Kerk hiertoe op. Betuigingen van die meening zijn ingekomen van Christenen van alle gezindheden in Engeland, Schotland, Ierland, Frankrijk, Zwitserland, Duitschland, Perzië, deSandwichEilanden en China. Allen schijnen door éénen geest bezield. Zij hebben die Amerikaansche Kerk bemind en vereerd, zich verheugd in den luister van hare opkomst. Haar voorspoed en welslagen hebben zij beschouwd als hunne eigene, en zij hadden gehoopt, dat God door haar onschatbare zegeningen op alle natiën zou uitstorten. Hun is de Amerikaansche Kerk voorgekomen als de opgang van eene schitterende zon, die neveldampen verdrijven zoude en vreugde bragt en vrede. Maar helaas! op die blinkende zonneschijf is eene donkere plek waargenomen, die, voortgaande, in omvang toeneemt en algeheele duisternis dreigt te verwekken. Kan het verwondering baren, dat eene waarschuwende stem tot ons komt van hen, die zoo veel belang hebben bij ons welvaren en welslagen? Wij hebben zendelingen doen uitgaan naar alle oorden der wereld; maar hoe kunnen deze hunnen heidenschen bekeerling openbaren, wat er in het Christelijk Amerika omgaat? Hoe zullen onze zendelingen in de Mahomedaansche gewesten hun hoofd durven opheffen en de voortreffelijkheid van onze Godsdienst kunnen verkondigen, wanneer wij barbaarschheden dulden, diezijverworpen hebben?Een zendeling onder de Karens in Azië schrijft, dat hij in zijn dienstwerk zeer belemmerd wordt door een gerucht, hetwelk onder dien volksstam in omloop is, dat de Amerikanen voornemens zijn hen te komen rooven om hen te verkoopen. Hij zegt het volgende:Ik zie met beduchtheid den tijd te gemoet, wanneer de Karens in staat zullen zijn onze boeken te lezen en tot de volle kennis te komen van hetgeen in ons land omgaat. Sommigen zijn reeds nu zeer nieuwsgierig en doen mij dikwijls vragen, wier beantwoording mij zwaar valt.Er is geen andere uitweg. Gods Voorzienigheid heeft de Kerk der Vereenigde Staten tot één werk bepaald. Zij kan niet verder gaan eer dit verrigt is. Zoo lang zij het blijftveronachtzamen zal het een hinderpaal zijn tegen al hetgeen zij verder aanvangt.Zij moet het nog om eene andere reden ondernemen,—namelijk omdat zij alleen dien arbeid op vreedzame wijze kan verrigten. Indien dit angstwekkende vraagstuk zijn loop moet hebben als eene louter staatkundige aangelegenheid, welke de politieke partijen moeten uitmaken, hoe zullen dan beroeringen, betreurenswaardige botsingen, de van-een-scheuring der Unie voorkomen kunnen worden? Neen, het is alleen veilig uit te voeren door er eene Godsdienstzaak van te maken en die te bevorderen in een Christelijken geest en door Godsdienstige middelen.Zoo men ons vraagt, welke middelen de Kerk dan in het werk moet stellen, luidt ons antwoord, dat dit kwaad moet afgeschaft worden door dezelfde middelen, welke de Apostelen aanwendden voor de uitbreiding van het Christendom en de uitroeijing van alle maatschappelijke euvelen, welke toen eene in boosheid gedompelde wereld vervulden. Hoor hoe de Apostel ze beschrijft: „In reinheid, in kennis, inlankmoedigheid, in den Heiligen Geest, in ongeveinsde liefde, door de wapenen der geregtigheid aan de regter- en aan de linkerzijde.”Wij zullen kortelijk elk dezer middelen nagaan.Vooreerstin reinheid. De Christenen in de noordelijke vrije Staten moeten zich-zelven en hun land trachten te zuiveren van verscheidene noodlottige uitvloeisels van de slavernij: in het bijzonder moeten zij het meest zondige gevolg daarvan trachten uit te roeijen,—het onchristelijk vooroordeel tegen de kleur.In Hindostan vindt men de klasse der Pariahs, met welke geene andere klasse van Hindoes wil eten, drinken of omgaan. Onze zendelingen verklaren den bekeerden Hindoe, dat dit vooroordeel onchristelijk is; want God heeft allen, die op aarde wonen, van éénen bloede gemaakt en alle menschen zijn broeders in Christus. Maar hoe zal de zendeling zich houden, wanneer de Hindoe in staat is te antwoorden: „In uw eigenChristelijkland bestaat eene klasse van Pariahs, die gij niet beter behandelt, dan wij de onze. Gij-zelven gelooft de dingen niet, die gij ons leert.”Laten wij een blik werpen op de behandeling van den vrijen neger in het Noorden. In de Staten Indiana en Illinois zijnde meest tirannieke en onregtvaardige wetten tegen hem uitgevaardigd. Uit geene wet in een slavenstaat kan een wreedaardiger geest spreken, dan heerschende is in eene onlangs in Illinois uitgevaardigde wet, volgens welke iedere vrije neger, die in den Staat komt, gevat en voor een bepaalden tijd als slaaf verkocht wordt, terwijl hij, wanneer hij na afloop van dien tijd zich niet verwijdert uit het gebied van den Staat, op nieuw wordt verkocht.Hoe kunnen wij onze zuidelijke broederen vermanen hunne slaven vrij te laten, indien wij niet het geheele zedelijke gewigt van de Kerk in het Noorden in de schaal leggen tegen dergelijke gruwelen? Worden zulke handelwijzen geregtvaardigd door te zeggen, dat de neger boosaardig en lui is? Zoo doende voegt men smaad bij mishandeling.Wat doen deze Christelijke Staten? Meerendeels sluiten zij de kleurlingen uit van het school-onderwijs; door beleedigende uitzonderingen schrikken zij hen af van het bezoeken der Kerken; in het algemeen sluiten zij hen uit van de werkplaatsen, waar zij een nuttig beroep zouden kunnen leeren; zij verdrijven hen uit de meer geachte vakken, waarin zij met eere hun brood zouden kunnen winnen; en na hen dus van elk hooger streven ontmoedigd en tot onkunde, luiheid en ondeugd gedwongen te hebben, maken zij de maat der ongeregtigheid vol door het vervaardigen van wreedaardige wetten, om hen uit hunne Staten te verdrijven en vergaderen zich aldus toorn tegen den dag des toorns.Wanneer wij zeggen, dat elk Christen in het Zuiden, die zijne uiterste krachten niet inspant tegen de onregtvaardige slavenwetten, als republikeinsch burger schuldig is aan de handhaving dier wetten,—zoo is het niet minder waar, dat ieder Christen in het Noorden, die niet doet al wat in zijn vermogen ligt om de intrekking van zulke wetten in de noordelijke Staten te bewerken, in zoo verre schuldig is aan haar bestaan. In de laatste jaren heeft het niet ontbroken aan aanhalingen uit het Oude Testament, om allerlei soort van verdrukking te regtvaardigen. Een Hindoe, die niets van dat edele en schoone boek kende dan hetgeen hij vernomen had uit vlugschriften gelijk dat van den heer Smylie, zou kunnen meenen, dat het eene verhandeling over het stelen en eene doorloopende regtvaardiging van allerlei roof was. Doch laat hetons geoorloofd zijn de voorschriften na te gaan, die God geeft voor de behandeling van den vreemdeling: „Wanneer een vreemdeling in uw land verkeeren zal, zult gij hem niet verdrukken; de vreemdeling, die bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van ulieden; gij zult hem liefhebben als u-zelven.” Van hoeveel meer kracht is dit gebod nog, wanneer de vreemdeling in ons land gebragt is door de onregtvaardigheid en wreedheid onzer vaderen!Met genoegen vermelden wij echter, dat het aantal Staten slechts gering is waar zulk eene tirannieke wetgeving bestaat. Het is tevens een grond van bemoediging en hoop, dat het onwijsgeerige en onchristelijke caste-vooroordeel in vele gedeelten van ons land meer en meer plaats maakt voor een Christelijker geest.Vele onzer scholen en akademiën zijn bereid om den kleurling op gelijken voet met den blanke te ontvangen. Sommige der noordelijke vrije Staten verleenen den vrijen kleurling volkomene politieke gelijkheid en voorregten. Onder dat stelsel zijn verscheidene kleurlingen rijk en beschaafd geworden. Men begint allengs een belangrijk getal goed opgevoede lieden onder hen te tellen. Onder hen zijn talentvolle redacteurs, welsprekende redenaars, ijverige en kundige predikanten. Het doet ons genoegen te kunnen melden, dat die menschen onder verstandige en Christelijk-gezinde lieden behandeld worden met de achting die zij verdienen; en zoo hun smaad of mishandeling bejegent, komt dit meerendeels van de zijde der min beschaafde klassen, die, minder verlicht zijnde, altijd langer onder den invloed der vooroordeelen blijven. Bij eene onlangs plaats gehad hebbende bevestiging in eene der grootste en aanzienlijkste kerken te New-York, was de predikant, die bevestigde, een zwart man, welke zijn levensloop ingetreden was als slaaf; en het was ongetwijfeld een grond van verblijding voor al zijne Christelijke broederen hem thans als hoofdpersoon te zien bij zulk eene indrukwekkende plegtigheid. Hij deed de vragen aan den nieuwen predikant in het Duitsch, daar de hoorders meerendeels Duitschers waren. Onze Christen-vrienden in Europa kunnen daaruit ten minste afleiden, dat, zoo wij in vroegere tijden onze gebreken hadden, sommigen onder ons die hebben opgemerkt en ze trachten te verbeteren.Om dit gedeelte terstond tot een practisch besluit te brengenwenscht de schrijfster toe te voegen aan ieder Christen in het bijzonder, die iets doen wil tot afschaffing der slavernij: Begin met voor de kleurlingen in uwe nabijheid, te doen wat binnen uw bereik ligt. Worden kinderen ten gevolge van onregtvaardig vooroordeel van het bezoeken der school uitgesloten? Poog dat vooroordeel te bestrijden door regtmatige beweeggronden, met liefderijkheid voorgedragen. Kunt gij daarin niet slagen, tracht dan op eenige andere wijze voor het onderwijs dier kinderen te zorgen. Tracht, voor zoo ver dit in uw vermogen staat, in elken kring des levens voor hen de gewone voorregten van een Amerikaansch burger te verkrijgen. Zijn zij ter plaatse waar gij woont van het gebruik van omnibus en spoorwagen uitgesloten, poog dan diegenen, die daarover het bestuur voeren, tot meerdere regtvaardigheid en rede te bewegen. De Christenen, die aan het hoofd staan van werkplaatsen, kunnen veel doen tot het aannemen van jonge kleurlingen als leerlingen. Vele meesters verontschuldigen zich over het uitsluiten van de kleurlingen, door te zeggen, dat, wanneer zij het deden, alle andere knechten hen verlaten zouden. Hierop kan geantwoord worden, dat, indien zij dit doen in een Christelijken geest en met een Christelijk doel, het waarschijnlijk is, dat, indien hunne gezellen aanvankelijk vertrekken, zij later wel weder terug zullen komen,—allen ten minste op wier behoud zij prijs stellen.Eene aanzienlijke modemaakster in eene onzer steden heeft, uit beginsel, gekleurde meisjes als leerlingen aangenomen, en ze aldus in staat gesteld om op eene eerlijke wijze haar brood te verdienen. Ik noodig de Christelijke werkbazen, van alle ambachten, uit, deze zaak met ernst te overwegen, en na te gaan of zij, door die arme menschen de hand te reiken en hen te brengen tot zedelijkheid, kennis en een stuk broods, niet eene dienst verrigten zullen, die de Heer aanmerken zal als Hem-zelven bewezen.Eene andere zaak, die ik den Christenen ernstig op het hart druk, is het herstellen en in stand houden van die kerkelijke gemeenten van kleurlingen, die ontmoedigd en verbrokkeld zijn door de vlugtelingen-wet. In de stad Boston bevindt zich eene gemeente, die thans onder schulden en bezwaren zucht, doordien zij genoodzaakt is geweest hare eigene diakenenin te koopen, ten einde hen tegen de verschrikkingen van die wet te beveiligen.Eindelijk: wij behoeven schier niet te zeggen, dat de Christenen in het Noorden zich onthouden moeten van alle regtstreeksche of zijdelingsche bemoeijing met den slavenhandel, hetzij door deelgenootschap in zuidelijke handelhuizen, hetzij door onsterfelijke wezens als onderpand voor schulden te aanvaarden. Het is noodeloos over dit punt verder uit te weiden: het spreekt krachtig genoeg.Door al deze middelen moet de Christelijke Kerk in het Noorden zich zuiver houden van alle medepligtigheid aan de zonde der slavernij, en van de onchristelijke gebruiken en vooroordeelen, die er uit voortgevloeid zijn.Het tweede middel, dat tot afschaffing der slavernij in het werk kan gesteld worden, isde kennis.Ieder Christen behoort aandachtig en met biddenden geest dit slavernij-stelsel te onderzoeken. Hij moet het beschouwen als een onderwerp waaromtrent hij zich juiste begrippen en inzigten verschaffen en de openbare meening, die het krachtigste middel is, vormen moet. Menigeen onthoudt zich van het nagaan der statistiek van deze aangelegenheid, omdat hij niet gestemd is voor de menschen, welke die opgaven bijeengezameld hebben. Zij zeggen, dat zij niet van het gevoelen zijn der Abolitionisten, en willen daarom geen acht slaan op de bijgebragte cijfers en feiten. Dit is voorzeker verstandig noch redelijk. In alle andere omstandigheden waar het onze belangen betreft zijn wij zeer gretig in het opzamelen van inlichtingen, hetzij wij al dan niet overeenstemmen met de personen die ze ons verschaffen.Ieder Christen behoort ernstig na te gaan in hoe verre ons nationaal gouvernement verbonden is en gebruikt wordt tot handhaving der slavernij. Oplettend speure hij na de slavenstatistiek van het district Columbia, en bovenal de statistiek van dat gewettigde stelsel van roof en verdrukking, waardoor honderden en duizenden jaarlijks aan huis en magen en al wat dierbaar is ontscheurd en naar het Zuiden gesleept en daar als beesten op de markten verkocht worden. De walm, opstijgende uit dien bodemloozen afgrond der ongeregtigheid, verduistert onze zon voor de oogen van alle volkeren; hetgekerm en geween overstemt den galm onzer psalmen en stichtelijke liederen. Alle natiën weten hoe het met onze zaak gelegen is; zal die dan voor ons alleen verborgen blijven? Zullen wij den moed, het geduld niet hebben onze eigene kwaal grondig te onderzoeken en de diepte van de wond te peilen?Het derde middel tot afschaffing van de slavernij isdelankmoedigheid.Het gemis van die eigenschap is het gebrek geweest van de tot nu toe in het werk gestelde pogingen. De vrienden der goede zaak zijn niet eensgezind geweest en hebben geen vrede gehad met elkanders meeningen. In de vroegere geschiedenis van dit onderwerp komt menige donkere bladzijde voor; maar is het niet inderdaad tijd, dat de vrienden der slaven het gebeurde vergeten en met vereende pogingen streven naar hetgeen in het verschiet ligt? De voorstanders van onmiddellijke afschaffing moeten de bevorderaars van eene trapsgewijze emancipatie niet met de namen van talmers en verraders bestempelen; de laatsten moeten ook de eersten niet drijvers en onruststokers noemen. Er is gewis een liefderijker weg tot wederzijdsche overtuiging te vinden. Waarheid in liefde gesproken zal steeds dieper doordringen dan waarheid in toorn geuit; voorshands is het groote doel, onze zuidelijke broederen te overreden, dat zij ten minste toteenigeemancipatie overgaan. Wanneer wij eerst zoover zijn, dat zij de overtuiging hebbenietste moeten doen, dán zal het de tijd zijn om het vraagstuk te behandelen of dit onmiddellijk of trapsgewijze zal moeten geschieden. Laten wij tot onze spreuk kiezen: „Daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar denzelfden regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen; en indien gij iets anderzins gevoelt, ook dat zal God u openbaren.”—„Laten wij aannemen zelfs hem die zwak is in den geloove maar niet tot ijdele zamensprekinge.” Wij moeten het goede, dat in sommigen is, niet wegwerpen, omdat het door eenige vlekken ontsierd wordt.Gaan wij thans over tot de beschouwing van eene magt, zonder welke alle andere magten falen moeten:den Heiligen Geest.De belijdenis van elke Christelijke Kerk, Roomsch, Grieksch, Episcopaalsch of Protestant, houdt in: „Ik geloof in den Heiligen Geest.” Doch hoe dikwijls leven en handelen Christenen van al die gezindheden, zelfs in Godsdienstige aangelegenheden,alsof zij nooit van een Heiligen Geest gehoord hadden. Zoo wij ons op onze eigene rede, op onze verbijsterde hartstogten, op onzen blinden zelfwil verlaten om de misbruiken uit den weg te ruimen, zullen wij hierin volstrektelijk falen. Er is eene in stilte werkende, overtuigende en onweêrstaanbare magt, die over het duistere en beroerde hart van den mensch zweeft gelijk zij vroeger zweefde over de duistere en beroerde wateren van den chaos, en licht uit de duisternis en orde uit de verwarring te voorschijn bragt.Is het niet duidelijk voor ieder, die een vrijen blik werpt op de maatschappij, dat het menschelijk geslacht onderworpen is aan een zachten maar onweêrstaanbaren invloed, die te gemoet komt aan het geroep en verlangen naar eene aanstaande eeuw van welzijn? Wereldschgezinde menschen lezen in de teekenen der tijden en noemen het Geest der Eeuw; maar moet de Kerk het niet erkennen voor den Geest van God?Men vergete echter niet, dat het geschenk van Zijn magtigen vernieuwenden invloed verbonden is aan de voorwaarde van het gebed. De krachtige werking, die met den Pinksterdag een aanvang nam, was voorafgegaan door vereenigde, vurige en onverpoosde gebeden. Even zulk een geest des gebeds moet voorafgaan aan de komst van den Heiligen Geest, om eene zoo groote omwenteling te bewerken als hier bedoeld wordt. Het vermogendste werktuig, dat God in ’s menschen hand gesteld heeft en waaraan al Zijne heerlijke beloften verknocht zijn, is het gebed. Alle vroegere vooroordeelen en veten hieromtrent moeten ter zijde gesteld worden en de geheele Kerk moet zich als één man vereenigen in ernstige, vurige gebeden. Hebben wij de belofte van den Heiligen Geest vergeten? Hebben wij vergeten, dat Hij ons eeuwig nabij zou wezen? Hebben wij vergeten, dat Hij de wereld zal oordeelen? o Goddelijke en Heilige Vertrooster! belofte des Vaders! gij, eenige Almagtige om op te klaren, te overtuigen en herboren te doen worden! keer weder, bidden wij, en bezoek dezen wijngaard, dien Gij geplant hebt! Bij U is niets onmogelijk; wat wij in onze zwakheid te naauwernood bevatten, kunt Gij verwezenlijken!Nog een middel tot afschaffing der slavernij is gelegen inongeveinsde liefde.Bij elken zedelijken strijd moet die partij, welke onder allen tegenstand en vervolging een Goddelijken, onwrikbarengeest van liefde weet te bewaren, ten slotte zegevieren. Zoo zijn de onveranderlijke wetten der zedelijke wereld. Toorn, baatzucht, naijver hebben allen zekere levenskracht. Dikwijls veroorzaken zij meer vertooning, gedruisch en tijdelijken indruk dan de liefde. Maar al die hartstogten dragen de kiem van zwakheid in haar boezem. De liefde, de liefde-alleen, is onsterfelijk; en wanneer reeds alle andere grovere uitingen der ziel zich-zelven vernietigd hebben, straalt de liefde steeds door als de poolster met een gloed die nimmer sterft.Zoo wij dit werk ondernemen, moeten wij èn den slaaf èn den slavenhouder lief hebben. Wij moeten nimmer uit het oog verliezen, dat beiden onze broeders zijn. Wij moeten ons voorbereiden miskend, belasterd, gehaat te zullen worden. Hoe zouden wij zonder die onaangenaamheden een zoo magtig belang kunnen aantasten? Het moet onze voldoening zijn, trouwe vrienden te wezen, terwijl wij als bittere vijanden behandeld worden.Deze heilige twiststrijd moet een kamp zijn van beginselen, niet van partijhaat. Wij moeten zorgen, dat hij in onze handen niet ontaarde in een afkeer van het Zuiden; en te dien einde behooren wij de beminnelijker hoedanigheden en loffelijker eigenschappen voor oogen te houden van degenen wier beginselen wij verpligt zijn te bestrijden. Belasteren zij ons, wij moeten in aanmerking nemen, dat wij hen in groote verzoeking brengen door instellingen aan te tasten, waarmede zij door duizende banden van belang en gewoonte verbonden zijn, zoodat zij grootendeels ongevoelig zijn geworden voor dat kwaad. De Apostel geeft ons voorschriften hoe wij met broederen, die ons smaden, handelen moeten: „Geeft acht, opdat ook gij niet in verzoeking komet.” Wij mogen dit op onszelven toepassen en bedenken, dat, indien wij blootgesteld waren geweest aan de verzoekingen die onze vrienden in het Zuiden omringen en wij dezelfde opvoeding ontvangen hadden, wij welligt zouden gevoelen, denken en handelen zoo als zij. Doch bij al die overwegingen moeten wij tevens bedenken, dat het geene ware liefde voor het Zuiden is, wanneer wij een verderfelijk stelsel handhaven en verdedigen; een stelsel, dat even nadeelig is voor den meester als voor den slaaf; een stelsel dat vruchtbare velden in woestenijen verandert, en dat schadelijk is voor opvoeding, zeden, Godsdienst en maatschappelijken vooruitgang; een stelsel, dat vele verstandige en achtenswaardigemannen in het Zuiden moede zijn, waaraan zij zich wenschen te onttrekken en ook jaarlijks door verhuizing werkelijk onttrekken. Evenzeer moeten wij niets laten afdingen op de regten van den slaaf; want ook hij is onze broeder en er is in zijn toestand eene reden om voor hem te spreken, die niet in het geval van zijn meester bestaat. Hij is arm, onbeschaafd, onwetend en kan niet voor zich-zelven het woord voeren. Wij moeten daarom des te naijveriger zijn op zijne regten. Wat wij ook afstaan,—nimmer moet dit geschieden met de regten van de hulpeloozen noch met de eeuwige beginselen van regt en zedelijkheid.Nimmer moeten wij toegeven dat het eerlijk is, den werkman van zijn loon te berooven, ofschoon het, gelijk vele andere schandelijkheden, gebruikelijk en algemeen is, en zelfs achtenswaardige menschen onder den invloed van oude vooroordeelen zich daaraan schuldig maken. Nimmer moeten wij, zelfs maar voor een oogenblik, plaats geven aan de gedachte, dat een erfgenaam van het Godsrijk verkocht mag worden, al zij het ook een oud gebruik. Strengelijk moeten wij de heiligschennende leer verwerpen, dat menschelijke wezens voorwerpen van eigendom kunnen zijn.Sommigen hebben het ongerijmd genoemd, beginselen en personen te scheiden, of aan te nemen, dat hij die eene slechte zaak voorstaat een goed mensch kan wezen. De ondervinding bewijst het tegendeel. De onregtvaardigste en tiranniekste stelsels zijn verdedigd door lieden, die persoonlijk regtvaardig en menschlievend waren. Het is treurig maar niet minder waar, dat er bijna geen kwaad of onregt bestaat, hetwelk niet ten eenigen tijde den steun der talenten van een achtenswaardig man genoten heeft.Dit is een deel der beproevingen in onzen staat van onvolkomenheid hier beneden; zoo kwade stelsels hun eenigen steun ontleenden aan de slechten, onze zedelijke tucht zou veel minder streng en de aanval meer krachtig en openlijk kunnen zijn.Wij voor ons zien hooge Christelijke wijsheid in de vroeger door ons opgeteekende aanmerking van eene arme slavin, wier heele leven verwoest was door dit stelsel, namelijk „dat wij de zonde moeten haten, maar den zondaar liefhebben.”De laatste middelen tot afschaffing der slavernij zijnde wapenen der geregtigheid aan de regter- en aan de linkerzijde.Hiermede bedoelen wij een ernstig gebruik van alle regtstreeksche, eerlijke en regtvaardige middelen, die tot de afschaffing van het slavernij-stelsel kunnen leiden. Iedereen in zijne betrekking moet zich daartegen verzetten. Al de drogredenen moeten beantwoord, de uit den Bijbel geputte verdedigingen door gezonde redenering en verklaring wederlegd worden. Iedere moeder behoorde haren kinderen het kwaad van dat stelsel te doen inzien. Ieder predikant moet zijne gemeente rondborstig en onverpoosd waarschuwen tegen medepligtigheid aan die zonde. Men zegt, dat dit zou zijn de politiek op den predikstoel brengen. Wij antwoorden, dat, aangezien de menschen in den oordeelsdag rekenschap zullen te geven hebben van hunne politieke handelingen, het niet ongepast kan gerekend worden, dat de predikant hen eenigzins van hunne politieke verantwoordelijkheid inlichte. Te dien dage zal Christus niemand vragen of hij tot deze of gene partij behoorde; maar wel, of hij zijne stem uitgebragt heeft in de vreeze Gods en tot uitbreiding van het rijk der geregtigheid.Dikwijls heeft men aangemerkt, dat de slavernij eene zonde is, die op een afstand gepleegd wordt en waarmede wij niets te maken hebben. Zoo een predikant hiervan de proef wil nemen, hij predike daarover eens onomwonden en geloovig. Dan zal hij denkelijk bevinden, dat de wortelen van den giftigen boom uitgeschoten zijn tot onder de grondslagen der woningen van de Christenen in Nieuw-Engeland en dat zijne eigene gemeente in de zonde deelt.Het aantasten van eene instelling waarin zoo veel van de politieke magt en den rijkdom dezer natie opgesloten ligt, is geen kinderspel, en zij die het ondernemen zullen spoedig ontwaren, dat zij niet alleen met vleesch en bloed te kampen hebben. Geene rusting is in dezen strijd proefhoudend dande wapenrusting der geregtigheid.Onzen broederen in het Zuiden heeft God een doorniger pad ter bewandeling toegewezen. Het hart krimpt ineen bij de gedachte wat de geloovige Christen zal te verduren hebben, die deze instelling op haar eigen gebied aantast; maar hetmoetgeschieden. Hoe ging het in het Noorden? Men stelde pogingen in het werk om door behulp van het graauw de zaak te smoren. Drukpersen werden verbrijzeld, huizen neêrgerukt, bezittingen vernield. Brave mannen hielden echtermoedig stand; martelaarsbloed heeft gestroomd voor de vrijheid van spreken, en zoo is die vrijheid ook verworven. Tegenwoordig stelt niemand meer dergelijke argumenten in het werk: die dagen zijn voorbij. Ook in Kentucky heeft men op die wijze de discussie trachten te onderdrukken. Het oproerige graauw sloeg drukpersen in stukken en bedreigde het leven van sommige personen. Maar ook daar waren braven, die geen geweld of doodsbedreigingen vreesden; en het staat thans vrij in Kentucky, de emancipatie te bespreken. Het is een feit, dat het Zuiden thans de zaak der slavernijmoetbehandelen. Hetkandat vraagstuk niet weren, ten zij beslag gelegd worde op de litteratuur van de geheele beschaafde wereld. Indien het eene Goddelijke zaak is, waarom vreest men dan zoo zeer haar aan te roeren? Wat uit God is kan door de vrije bespreking der geheele wereld niet weggecijferd worden. Er moet en zal discussie komen; men heeft daartoe alleen onversaagde mannen als aanvoerders noodig.Broeders in het Zuiden! Velen uwer hebben de innige overtuiging dat de slavernij eene zonde, een vreeselijk kwaad is; doch gij zijt beducht, dat, indien gij voor uwe gevoelens uitkomt en die tracht te bevorderen, vervolging, verdriet en zelfs de dood u te wachten staan. Hoe kunnen wij dan van u vergen, dat gij op den voorgrond zult treden?Wijvergen het ook niet. Hoe zullenwij, die zwak, besluiteloos en wereldschgezind zijn, van u vergen hetgeen wij-zelven welligt niet zouden durven verrigten? Maar wij zullen bidden, datHijtot u spreke, die meer dan dit ondernam en verduurde om uwentwille en die u sterkte geven kan om dit nu om Zijnentwille te ondernemen en te verduren. Hij kan u verheffen boven alle tijdelijke en wereldsche begrippen. Hij kan u bezielen met die liefde voor Hem, die u gewillig vader en moeder en vrouw en kind doet verlaten, om zelfs het leven voor Zijne eer te verliezen. En zoo Hij u immer brengt tot die plaats waar gij en deze wereld elkander een laatst vaarwel zeggen, waar gij u voorbereidt om alles voor Zijne dienst te wagen, waar leven noch dood, verledenheid noch toekomst u in dit besluit kunnen doen wankelen,—dan zult gij eene blijdschap kennen die elke andere blijdschap te boven gaat, en een vrede zoo bestendig en onveranderlijk als de eeuwige Godheid waaruit zij ontspringt.Dierbare broederen! moet dit stelsel ten eeuwigen dage inuw land blijven bestaan? Kunt gij deze slavenwetten beschouwen als iets anders dan als een gruwel voor den regtvaardigen God? Kunt gij dien binnenlandschen slavenhandel voor iets anders houden dan voor een doorn in Zijn oog?Wij bidden u, werpt een blik in die verschrikkelijke slavengevangenissen in uwe steden; volgt het bloedige kielspoor van de schepen langs uwe kusten. Hoe onderstelt gij, dat het Lam Gods over al die dingen denkt? Wat denkt Hij van al dat gekerm, die hartverscheuring en dien zielsangst,—Hij wiens hart zoo teeder was, dat Hij aan het graf van Lazarus tranen stortte over eene smart, die Hij zoo spoedig weder in blijdschap zou doen verkeeren? Wat denkt Hij van Christelijke vrouwen die aan hare mannen, mannen die aan hunne vrouwen ontscheurd worden? Wat denkt Hij van Christendochters, welke Zijne Kerk eerst doopt, onderwijst en opvoedt en dan als een handels-artikel verkoopen laat?Denkt gij dat gebeden, als die van den armen Paul Edmondson, sterfbedden als dat van Emily Russell, zonder aandoening gezien worden door dien goedertieren Verlosser, die, hetgeen Zijn minsten dienstknecht aangedaan wordt, beschouwt als Hem-Zelven aangedaan?Is, o Christen! wanneer gij het verhaal van Jezus’ lijden laast, nooit het denkbeeld bij u opgekomen, dat gij gaarne met Hem zoudt geleden hebben? Is het u nooit voorgekomen als bijna oneerlijk, dat gij het eeuwige leven zoudt aannemen als prijs van de smarten, die Hij voor u verduurd heeft, terwijl gij geenerlei kruis voor Hem draagt? Hebt gij ooit gewenscht, dat gij met Hem hadt mogen waken in die bittere ure in den hof van Gethsemané, toen zelfs Zijne uitverkorenen sliepen? Hebt gij ooit gewenscht, dat gij bij Hem hadt mogen zijn toen allen Hem verzaakten en vloden,—dat gij Hem hadt mogen erkennen toen Petrus hem verloochende,—dat gij Hem hadt mogen vereeren toen Hij bespot en aangespuwd werd? Zoudt gij het als te groote eere rekenen, wanneer gij, gelijk Maria, Hem hadt kunnen volgen naar het kruis, en daar had kunnen staan als een lijdzaam deelgenoot in dien doodstrijd, die geen medelijden vond?Datkunt gij niet doen. Die ure is voorbij gegaan. Christus is thans verheven, gekroond, verheerlijkt; ieder spreekt wèl van Hem; rijke Kerken rijzen op ter Zijner eere en kostbare offeranden worden Hemopgedragen. Welke kans hebt gij onder de menigte om uwe liefde te bewijzen, om te doen zien dat gij Hem zoudt bijblijven wanneer hij onttroond, veracht, verzocht, verraden en lijdende was? Kunt gij het door iets anders toonen dan door de zaak der arme verworpelingen te omhelzen? Zoo er een volk is binnen uwe landpalen dat door de menschen veracht en verstooten wordt, dat gebogen gaat onder de verdrukking en grijs is in de smarte, terwijl de geheele magt van rijkdom en gebruiken, van politieken en van wereldlijken invloed tegen hunne zaak te velde trekt,—Christenen, dáár kunt gij Christus verheerlijken!Zoo gij u met onverschilligheid van deze zaak afwendt: „zoo gij verzuimt te bevrijden die in de kaken des doods zijn, en die verslagen dreigen te worden; zoo gij zegt: Zie, wij wisten het niet; zal dan Hij, die het harte beproeft, dit aannemen? en Hij, die de ziel in Zijne hand heeft, weet Hij het niet? Zal Hij niet een iegelijk vergelden naar zijne werken?”Zal Hij niet in den oordeelsdag tot u zeggen: „Ik ben geweest in de slaven-gevangenis, in de slaven-karavaan. Ik ben verkocht op uwe markten; Ik heb om niet gezwoegd op uwe velden; in uwe geregtshoven heeft men Mij den mond toegewrongen; Mij is geweigerd Mijne eigene kerkdienst bij te wonen, en gij hebt u des niet aangetrokken. Gij gingt, de een naar zijne hoeve, de andere naar zijne koopwaren.” En indien gij zult vragen: „Wanneer, o Heer, is dit geschied?” dan zal Hij u antwoorden: „Voor zoo veel gij dit gedaan hebt aan den minste van deze Mijne broederen, hebt gij het Mij gedaan.”EINDE.

Hoofdstuk X.Wat behoort er gedaan te worden?Wat gedaan behoort te worden en wat ik hoofdzakelijk zal bespreken, is, dat de geheele Amerikaansche Kerk, van alle gezindheden, zich nietin naammaarmet der daadmoet vereenigen met het edele voornemen, dat de Presbyteriaansche Vergadering in 1818 opperde, om te trachten naarde volkomene afschaffing der slavernij in Amerika en in de geheele Christenheid.De gemeenschappelijke stem der Christenen in alle anderelanden roept met aandrang de Amerikaansche Kerk hiertoe op. Betuigingen van die meening zijn ingekomen van Christenen van alle gezindheden in Engeland, Schotland, Ierland, Frankrijk, Zwitserland, Duitschland, Perzië, deSandwichEilanden en China. Allen schijnen door éénen geest bezield. Zij hebben die Amerikaansche Kerk bemind en vereerd, zich verheugd in den luister van hare opkomst. Haar voorspoed en welslagen hebben zij beschouwd als hunne eigene, en zij hadden gehoopt, dat God door haar onschatbare zegeningen op alle natiën zou uitstorten. Hun is de Amerikaansche Kerk voorgekomen als de opgang van eene schitterende zon, die neveldampen verdrijven zoude en vreugde bragt en vrede. Maar helaas! op die blinkende zonneschijf is eene donkere plek waargenomen, die, voortgaande, in omvang toeneemt en algeheele duisternis dreigt te verwekken. Kan het verwondering baren, dat eene waarschuwende stem tot ons komt van hen, die zoo veel belang hebben bij ons welvaren en welslagen? Wij hebben zendelingen doen uitgaan naar alle oorden der wereld; maar hoe kunnen deze hunnen heidenschen bekeerling openbaren, wat er in het Christelijk Amerika omgaat? Hoe zullen onze zendelingen in de Mahomedaansche gewesten hun hoofd durven opheffen en de voortreffelijkheid van onze Godsdienst kunnen verkondigen, wanneer wij barbaarschheden dulden, diezijverworpen hebben?Een zendeling onder de Karens in Azië schrijft, dat hij in zijn dienstwerk zeer belemmerd wordt door een gerucht, hetwelk onder dien volksstam in omloop is, dat de Amerikanen voornemens zijn hen te komen rooven om hen te verkoopen. Hij zegt het volgende:Ik zie met beduchtheid den tijd te gemoet, wanneer de Karens in staat zullen zijn onze boeken te lezen en tot de volle kennis te komen van hetgeen in ons land omgaat. Sommigen zijn reeds nu zeer nieuwsgierig en doen mij dikwijls vragen, wier beantwoording mij zwaar valt.Er is geen andere uitweg. Gods Voorzienigheid heeft de Kerk der Vereenigde Staten tot één werk bepaald. Zij kan niet verder gaan eer dit verrigt is. Zoo lang zij het blijftveronachtzamen zal het een hinderpaal zijn tegen al hetgeen zij verder aanvangt.Zij moet het nog om eene andere reden ondernemen,—namelijk omdat zij alleen dien arbeid op vreedzame wijze kan verrigten. Indien dit angstwekkende vraagstuk zijn loop moet hebben als eene louter staatkundige aangelegenheid, welke de politieke partijen moeten uitmaken, hoe zullen dan beroeringen, betreurenswaardige botsingen, de van-een-scheuring der Unie voorkomen kunnen worden? Neen, het is alleen veilig uit te voeren door er eene Godsdienstzaak van te maken en die te bevorderen in een Christelijken geest en door Godsdienstige middelen.Zoo men ons vraagt, welke middelen de Kerk dan in het werk moet stellen, luidt ons antwoord, dat dit kwaad moet afgeschaft worden door dezelfde middelen, welke de Apostelen aanwendden voor de uitbreiding van het Christendom en de uitroeijing van alle maatschappelijke euvelen, welke toen eene in boosheid gedompelde wereld vervulden. Hoor hoe de Apostel ze beschrijft: „In reinheid, in kennis, inlankmoedigheid, in den Heiligen Geest, in ongeveinsde liefde, door de wapenen der geregtigheid aan de regter- en aan de linkerzijde.”Wij zullen kortelijk elk dezer middelen nagaan.Vooreerstin reinheid. De Christenen in de noordelijke vrije Staten moeten zich-zelven en hun land trachten te zuiveren van verscheidene noodlottige uitvloeisels van de slavernij: in het bijzonder moeten zij het meest zondige gevolg daarvan trachten uit te roeijen,—het onchristelijk vooroordeel tegen de kleur.In Hindostan vindt men de klasse der Pariahs, met welke geene andere klasse van Hindoes wil eten, drinken of omgaan. Onze zendelingen verklaren den bekeerden Hindoe, dat dit vooroordeel onchristelijk is; want God heeft allen, die op aarde wonen, van éénen bloede gemaakt en alle menschen zijn broeders in Christus. Maar hoe zal de zendeling zich houden, wanneer de Hindoe in staat is te antwoorden: „In uw eigenChristelijkland bestaat eene klasse van Pariahs, die gij niet beter behandelt, dan wij de onze. Gij-zelven gelooft de dingen niet, die gij ons leert.”Laten wij een blik werpen op de behandeling van den vrijen neger in het Noorden. In de Staten Indiana en Illinois zijnde meest tirannieke en onregtvaardige wetten tegen hem uitgevaardigd. Uit geene wet in een slavenstaat kan een wreedaardiger geest spreken, dan heerschende is in eene onlangs in Illinois uitgevaardigde wet, volgens welke iedere vrije neger, die in den Staat komt, gevat en voor een bepaalden tijd als slaaf verkocht wordt, terwijl hij, wanneer hij na afloop van dien tijd zich niet verwijdert uit het gebied van den Staat, op nieuw wordt verkocht.Hoe kunnen wij onze zuidelijke broederen vermanen hunne slaven vrij te laten, indien wij niet het geheele zedelijke gewigt van de Kerk in het Noorden in de schaal leggen tegen dergelijke gruwelen? Worden zulke handelwijzen geregtvaardigd door te zeggen, dat de neger boosaardig en lui is? Zoo doende voegt men smaad bij mishandeling.Wat doen deze Christelijke Staten? Meerendeels sluiten zij de kleurlingen uit van het school-onderwijs; door beleedigende uitzonderingen schrikken zij hen af van het bezoeken der Kerken; in het algemeen sluiten zij hen uit van de werkplaatsen, waar zij een nuttig beroep zouden kunnen leeren; zij verdrijven hen uit de meer geachte vakken, waarin zij met eere hun brood zouden kunnen winnen; en na hen dus van elk hooger streven ontmoedigd en tot onkunde, luiheid en ondeugd gedwongen te hebben, maken zij de maat der ongeregtigheid vol door het vervaardigen van wreedaardige wetten, om hen uit hunne Staten te verdrijven en vergaderen zich aldus toorn tegen den dag des toorns.Wanneer wij zeggen, dat elk Christen in het Zuiden, die zijne uiterste krachten niet inspant tegen de onregtvaardige slavenwetten, als republikeinsch burger schuldig is aan de handhaving dier wetten,—zoo is het niet minder waar, dat ieder Christen in het Noorden, die niet doet al wat in zijn vermogen ligt om de intrekking van zulke wetten in de noordelijke Staten te bewerken, in zoo verre schuldig is aan haar bestaan. In de laatste jaren heeft het niet ontbroken aan aanhalingen uit het Oude Testament, om allerlei soort van verdrukking te regtvaardigen. Een Hindoe, die niets van dat edele en schoone boek kende dan hetgeen hij vernomen had uit vlugschriften gelijk dat van den heer Smylie, zou kunnen meenen, dat het eene verhandeling over het stelen en eene doorloopende regtvaardiging van allerlei roof was. Doch laat hetons geoorloofd zijn de voorschriften na te gaan, die God geeft voor de behandeling van den vreemdeling: „Wanneer een vreemdeling in uw land verkeeren zal, zult gij hem niet verdrukken; de vreemdeling, die bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van ulieden; gij zult hem liefhebben als u-zelven.” Van hoeveel meer kracht is dit gebod nog, wanneer de vreemdeling in ons land gebragt is door de onregtvaardigheid en wreedheid onzer vaderen!Met genoegen vermelden wij echter, dat het aantal Staten slechts gering is waar zulk eene tirannieke wetgeving bestaat. Het is tevens een grond van bemoediging en hoop, dat het onwijsgeerige en onchristelijke caste-vooroordeel in vele gedeelten van ons land meer en meer plaats maakt voor een Christelijker geest.Vele onzer scholen en akademiën zijn bereid om den kleurling op gelijken voet met den blanke te ontvangen. Sommige der noordelijke vrije Staten verleenen den vrijen kleurling volkomene politieke gelijkheid en voorregten. Onder dat stelsel zijn verscheidene kleurlingen rijk en beschaafd geworden. Men begint allengs een belangrijk getal goed opgevoede lieden onder hen te tellen. Onder hen zijn talentvolle redacteurs, welsprekende redenaars, ijverige en kundige predikanten. Het doet ons genoegen te kunnen melden, dat die menschen onder verstandige en Christelijk-gezinde lieden behandeld worden met de achting die zij verdienen; en zoo hun smaad of mishandeling bejegent, komt dit meerendeels van de zijde der min beschaafde klassen, die, minder verlicht zijnde, altijd langer onder den invloed der vooroordeelen blijven. Bij eene onlangs plaats gehad hebbende bevestiging in eene der grootste en aanzienlijkste kerken te New-York, was de predikant, die bevestigde, een zwart man, welke zijn levensloop ingetreden was als slaaf; en het was ongetwijfeld een grond van verblijding voor al zijne Christelijke broederen hem thans als hoofdpersoon te zien bij zulk eene indrukwekkende plegtigheid. Hij deed de vragen aan den nieuwen predikant in het Duitsch, daar de hoorders meerendeels Duitschers waren. Onze Christen-vrienden in Europa kunnen daaruit ten minste afleiden, dat, zoo wij in vroegere tijden onze gebreken hadden, sommigen onder ons die hebben opgemerkt en ze trachten te verbeteren.Om dit gedeelte terstond tot een practisch besluit te brengenwenscht de schrijfster toe te voegen aan ieder Christen in het bijzonder, die iets doen wil tot afschaffing der slavernij: Begin met voor de kleurlingen in uwe nabijheid, te doen wat binnen uw bereik ligt. Worden kinderen ten gevolge van onregtvaardig vooroordeel van het bezoeken der school uitgesloten? Poog dat vooroordeel te bestrijden door regtmatige beweeggronden, met liefderijkheid voorgedragen. Kunt gij daarin niet slagen, tracht dan op eenige andere wijze voor het onderwijs dier kinderen te zorgen. Tracht, voor zoo ver dit in uw vermogen staat, in elken kring des levens voor hen de gewone voorregten van een Amerikaansch burger te verkrijgen. Zijn zij ter plaatse waar gij woont van het gebruik van omnibus en spoorwagen uitgesloten, poog dan diegenen, die daarover het bestuur voeren, tot meerdere regtvaardigheid en rede te bewegen. De Christenen, die aan het hoofd staan van werkplaatsen, kunnen veel doen tot het aannemen van jonge kleurlingen als leerlingen. Vele meesters verontschuldigen zich over het uitsluiten van de kleurlingen, door te zeggen, dat, wanneer zij het deden, alle andere knechten hen verlaten zouden. Hierop kan geantwoord worden, dat, indien zij dit doen in een Christelijken geest en met een Christelijk doel, het waarschijnlijk is, dat, indien hunne gezellen aanvankelijk vertrekken, zij later wel weder terug zullen komen,—allen ten minste op wier behoud zij prijs stellen.Eene aanzienlijke modemaakster in eene onzer steden heeft, uit beginsel, gekleurde meisjes als leerlingen aangenomen, en ze aldus in staat gesteld om op eene eerlijke wijze haar brood te verdienen. Ik noodig de Christelijke werkbazen, van alle ambachten, uit, deze zaak met ernst te overwegen, en na te gaan of zij, door die arme menschen de hand te reiken en hen te brengen tot zedelijkheid, kennis en een stuk broods, niet eene dienst verrigten zullen, die de Heer aanmerken zal als Hem-zelven bewezen.Eene andere zaak, die ik den Christenen ernstig op het hart druk, is het herstellen en in stand houden van die kerkelijke gemeenten van kleurlingen, die ontmoedigd en verbrokkeld zijn door de vlugtelingen-wet. In de stad Boston bevindt zich eene gemeente, die thans onder schulden en bezwaren zucht, doordien zij genoodzaakt is geweest hare eigene diakenenin te koopen, ten einde hen tegen de verschrikkingen van die wet te beveiligen.Eindelijk: wij behoeven schier niet te zeggen, dat de Christenen in het Noorden zich onthouden moeten van alle regtstreeksche of zijdelingsche bemoeijing met den slavenhandel, hetzij door deelgenootschap in zuidelijke handelhuizen, hetzij door onsterfelijke wezens als onderpand voor schulden te aanvaarden. Het is noodeloos over dit punt verder uit te weiden: het spreekt krachtig genoeg.Door al deze middelen moet de Christelijke Kerk in het Noorden zich zuiver houden van alle medepligtigheid aan de zonde der slavernij, en van de onchristelijke gebruiken en vooroordeelen, die er uit voortgevloeid zijn.Het tweede middel, dat tot afschaffing der slavernij in het werk kan gesteld worden, isde kennis.Ieder Christen behoort aandachtig en met biddenden geest dit slavernij-stelsel te onderzoeken. Hij moet het beschouwen als een onderwerp waaromtrent hij zich juiste begrippen en inzigten verschaffen en de openbare meening, die het krachtigste middel is, vormen moet. Menigeen onthoudt zich van het nagaan der statistiek van deze aangelegenheid, omdat hij niet gestemd is voor de menschen, welke die opgaven bijeengezameld hebben. Zij zeggen, dat zij niet van het gevoelen zijn der Abolitionisten, en willen daarom geen acht slaan op de bijgebragte cijfers en feiten. Dit is voorzeker verstandig noch redelijk. In alle andere omstandigheden waar het onze belangen betreft zijn wij zeer gretig in het opzamelen van inlichtingen, hetzij wij al dan niet overeenstemmen met de personen die ze ons verschaffen.Ieder Christen behoort ernstig na te gaan in hoe verre ons nationaal gouvernement verbonden is en gebruikt wordt tot handhaving der slavernij. Oplettend speure hij na de slavenstatistiek van het district Columbia, en bovenal de statistiek van dat gewettigde stelsel van roof en verdrukking, waardoor honderden en duizenden jaarlijks aan huis en magen en al wat dierbaar is ontscheurd en naar het Zuiden gesleept en daar als beesten op de markten verkocht worden. De walm, opstijgende uit dien bodemloozen afgrond der ongeregtigheid, verduistert onze zon voor de oogen van alle volkeren; hetgekerm en geween overstemt den galm onzer psalmen en stichtelijke liederen. Alle natiën weten hoe het met onze zaak gelegen is; zal die dan voor ons alleen verborgen blijven? Zullen wij den moed, het geduld niet hebben onze eigene kwaal grondig te onderzoeken en de diepte van de wond te peilen?Het derde middel tot afschaffing van de slavernij isdelankmoedigheid.Het gemis van die eigenschap is het gebrek geweest van de tot nu toe in het werk gestelde pogingen. De vrienden der goede zaak zijn niet eensgezind geweest en hebben geen vrede gehad met elkanders meeningen. In de vroegere geschiedenis van dit onderwerp komt menige donkere bladzijde voor; maar is het niet inderdaad tijd, dat de vrienden der slaven het gebeurde vergeten en met vereende pogingen streven naar hetgeen in het verschiet ligt? De voorstanders van onmiddellijke afschaffing moeten de bevorderaars van eene trapsgewijze emancipatie niet met de namen van talmers en verraders bestempelen; de laatsten moeten ook de eersten niet drijvers en onruststokers noemen. Er is gewis een liefderijker weg tot wederzijdsche overtuiging te vinden. Waarheid in liefde gesproken zal steeds dieper doordringen dan waarheid in toorn geuit; voorshands is het groote doel, onze zuidelijke broederen te overreden, dat zij ten minste toteenigeemancipatie overgaan. Wanneer wij eerst zoover zijn, dat zij de overtuiging hebbenietste moeten doen, dán zal het de tijd zijn om het vraagstuk te behandelen of dit onmiddellijk of trapsgewijze zal moeten geschieden. Laten wij tot onze spreuk kiezen: „Daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar denzelfden regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen; en indien gij iets anderzins gevoelt, ook dat zal God u openbaren.”—„Laten wij aannemen zelfs hem die zwak is in den geloove maar niet tot ijdele zamensprekinge.” Wij moeten het goede, dat in sommigen is, niet wegwerpen, omdat het door eenige vlekken ontsierd wordt.Gaan wij thans over tot de beschouwing van eene magt, zonder welke alle andere magten falen moeten:den Heiligen Geest.De belijdenis van elke Christelijke Kerk, Roomsch, Grieksch, Episcopaalsch of Protestant, houdt in: „Ik geloof in den Heiligen Geest.” Doch hoe dikwijls leven en handelen Christenen van al die gezindheden, zelfs in Godsdienstige aangelegenheden,alsof zij nooit van een Heiligen Geest gehoord hadden. Zoo wij ons op onze eigene rede, op onze verbijsterde hartstogten, op onzen blinden zelfwil verlaten om de misbruiken uit den weg te ruimen, zullen wij hierin volstrektelijk falen. Er is eene in stilte werkende, overtuigende en onweêrstaanbare magt, die over het duistere en beroerde hart van den mensch zweeft gelijk zij vroeger zweefde over de duistere en beroerde wateren van den chaos, en licht uit de duisternis en orde uit de verwarring te voorschijn bragt.Is het niet duidelijk voor ieder, die een vrijen blik werpt op de maatschappij, dat het menschelijk geslacht onderworpen is aan een zachten maar onweêrstaanbaren invloed, die te gemoet komt aan het geroep en verlangen naar eene aanstaande eeuw van welzijn? Wereldschgezinde menschen lezen in de teekenen der tijden en noemen het Geest der Eeuw; maar moet de Kerk het niet erkennen voor den Geest van God?Men vergete echter niet, dat het geschenk van Zijn magtigen vernieuwenden invloed verbonden is aan de voorwaarde van het gebed. De krachtige werking, die met den Pinksterdag een aanvang nam, was voorafgegaan door vereenigde, vurige en onverpoosde gebeden. Even zulk een geest des gebeds moet voorafgaan aan de komst van den Heiligen Geest, om eene zoo groote omwenteling te bewerken als hier bedoeld wordt. Het vermogendste werktuig, dat God in ’s menschen hand gesteld heeft en waaraan al Zijne heerlijke beloften verknocht zijn, is het gebed. Alle vroegere vooroordeelen en veten hieromtrent moeten ter zijde gesteld worden en de geheele Kerk moet zich als één man vereenigen in ernstige, vurige gebeden. Hebben wij de belofte van den Heiligen Geest vergeten? Hebben wij vergeten, dat Hij ons eeuwig nabij zou wezen? Hebben wij vergeten, dat Hij de wereld zal oordeelen? o Goddelijke en Heilige Vertrooster! belofte des Vaders! gij, eenige Almagtige om op te klaren, te overtuigen en herboren te doen worden! keer weder, bidden wij, en bezoek dezen wijngaard, dien Gij geplant hebt! Bij U is niets onmogelijk; wat wij in onze zwakheid te naauwernood bevatten, kunt Gij verwezenlijken!Nog een middel tot afschaffing der slavernij is gelegen inongeveinsde liefde.Bij elken zedelijken strijd moet die partij, welke onder allen tegenstand en vervolging een Goddelijken, onwrikbarengeest van liefde weet te bewaren, ten slotte zegevieren. Zoo zijn de onveranderlijke wetten der zedelijke wereld. Toorn, baatzucht, naijver hebben allen zekere levenskracht. Dikwijls veroorzaken zij meer vertooning, gedruisch en tijdelijken indruk dan de liefde. Maar al die hartstogten dragen de kiem van zwakheid in haar boezem. De liefde, de liefde-alleen, is onsterfelijk; en wanneer reeds alle andere grovere uitingen der ziel zich-zelven vernietigd hebben, straalt de liefde steeds door als de poolster met een gloed die nimmer sterft.Zoo wij dit werk ondernemen, moeten wij èn den slaaf èn den slavenhouder lief hebben. Wij moeten nimmer uit het oog verliezen, dat beiden onze broeders zijn. Wij moeten ons voorbereiden miskend, belasterd, gehaat te zullen worden. Hoe zouden wij zonder die onaangenaamheden een zoo magtig belang kunnen aantasten? Het moet onze voldoening zijn, trouwe vrienden te wezen, terwijl wij als bittere vijanden behandeld worden.Deze heilige twiststrijd moet een kamp zijn van beginselen, niet van partijhaat. Wij moeten zorgen, dat hij in onze handen niet ontaarde in een afkeer van het Zuiden; en te dien einde behooren wij de beminnelijker hoedanigheden en loffelijker eigenschappen voor oogen te houden van degenen wier beginselen wij verpligt zijn te bestrijden. Belasteren zij ons, wij moeten in aanmerking nemen, dat wij hen in groote verzoeking brengen door instellingen aan te tasten, waarmede zij door duizende banden van belang en gewoonte verbonden zijn, zoodat zij grootendeels ongevoelig zijn geworden voor dat kwaad. De Apostel geeft ons voorschriften hoe wij met broederen, die ons smaden, handelen moeten: „Geeft acht, opdat ook gij niet in verzoeking komet.” Wij mogen dit op onszelven toepassen en bedenken, dat, indien wij blootgesteld waren geweest aan de verzoekingen die onze vrienden in het Zuiden omringen en wij dezelfde opvoeding ontvangen hadden, wij welligt zouden gevoelen, denken en handelen zoo als zij. Doch bij al die overwegingen moeten wij tevens bedenken, dat het geene ware liefde voor het Zuiden is, wanneer wij een verderfelijk stelsel handhaven en verdedigen; een stelsel, dat even nadeelig is voor den meester als voor den slaaf; een stelsel dat vruchtbare velden in woestenijen verandert, en dat schadelijk is voor opvoeding, zeden, Godsdienst en maatschappelijken vooruitgang; een stelsel, dat vele verstandige en achtenswaardigemannen in het Zuiden moede zijn, waaraan zij zich wenschen te onttrekken en ook jaarlijks door verhuizing werkelijk onttrekken. Evenzeer moeten wij niets laten afdingen op de regten van den slaaf; want ook hij is onze broeder en er is in zijn toestand eene reden om voor hem te spreken, die niet in het geval van zijn meester bestaat. Hij is arm, onbeschaafd, onwetend en kan niet voor zich-zelven het woord voeren. Wij moeten daarom des te naijveriger zijn op zijne regten. Wat wij ook afstaan,—nimmer moet dit geschieden met de regten van de hulpeloozen noch met de eeuwige beginselen van regt en zedelijkheid.Nimmer moeten wij toegeven dat het eerlijk is, den werkman van zijn loon te berooven, ofschoon het, gelijk vele andere schandelijkheden, gebruikelijk en algemeen is, en zelfs achtenswaardige menschen onder den invloed van oude vooroordeelen zich daaraan schuldig maken. Nimmer moeten wij, zelfs maar voor een oogenblik, plaats geven aan de gedachte, dat een erfgenaam van het Godsrijk verkocht mag worden, al zij het ook een oud gebruik. Strengelijk moeten wij de heiligschennende leer verwerpen, dat menschelijke wezens voorwerpen van eigendom kunnen zijn.Sommigen hebben het ongerijmd genoemd, beginselen en personen te scheiden, of aan te nemen, dat hij die eene slechte zaak voorstaat een goed mensch kan wezen. De ondervinding bewijst het tegendeel. De onregtvaardigste en tiranniekste stelsels zijn verdedigd door lieden, die persoonlijk regtvaardig en menschlievend waren. Het is treurig maar niet minder waar, dat er bijna geen kwaad of onregt bestaat, hetwelk niet ten eenigen tijde den steun der talenten van een achtenswaardig man genoten heeft.Dit is een deel der beproevingen in onzen staat van onvolkomenheid hier beneden; zoo kwade stelsels hun eenigen steun ontleenden aan de slechten, onze zedelijke tucht zou veel minder streng en de aanval meer krachtig en openlijk kunnen zijn.Wij voor ons zien hooge Christelijke wijsheid in de vroeger door ons opgeteekende aanmerking van eene arme slavin, wier heele leven verwoest was door dit stelsel, namelijk „dat wij de zonde moeten haten, maar den zondaar liefhebben.”De laatste middelen tot afschaffing der slavernij zijnde wapenen der geregtigheid aan de regter- en aan de linkerzijde.Hiermede bedoelen wij een ernstig gebruik van alle regtstreeksche, eerlijke en regtvaardige middelen, die tot de afschaffing van het slavernij-stelsel kunnen leiden. Iedereen in zijne betrekking moet zich daartegen verzetten. Al de drogredenen moeten beantwoord, de uit den Bijbel geputte verdedigingen door gezonde redenering en verklaring wederlegd worden. Iedere moeder behoorde haren kinderen het kwaad van dat stelsel te doen inzien. Ieder predikant moet zijne gemeente rondborstig en onverpoosd waarschuwen tegen medepligtigheid aan die zonde. Men zegt, dat dit zou zijn de politiek op den predikstoel brengen. Wij antwoorden, dat, aangezien de menschen in den oordeelsdag rekenschap zullen te geven hebben van hunne politieke handelingen, het niet ongepast kan gerekend worden, dat de predikant hen eenigzins van hunne politieke verantwoordelijkheid inlichte. Te dien dage zal Christus niemand vragen of hij tot deze of gene partij behoorde; maar wel, of hij zijne stem uitgebragt heeft in de vreeze Gods en tot uitbreiding van het rijk der geregtigheid.Dikwijls heeft men aangemerkt, dat de slavernij eene zonde is, die op een afstand gepleegd wordt en waarmede wij niets te maken hebben. Zoo een predikant hiervan de proef wil nemen, hij predike daarover eens onomwonden en geloovig. Dan zal hij denkelijk bevinden, dat de wortelen van den giftigen boom uitgeschoten zijn tot onder de grondslagen der woningen van de Christenen in Nieuw-Engeland en dat zijne eigene gemeente in de zonde deelt.Het aantasten van eene instelling waarin zoo veel van de politieke magt en den rijkdom dezer natie opgesloten ligt, is geen kinderspel, en zij die het ondernemen zullen spoedig ontwaren, dat zij niet alleen met vleesch en bloed te kampen hebben. Geene rusting is in dezen strijd proefhoudend dande wapenrusting der geregtigheid.Onzen broederen in het Zuiden heeft God een doorniger pad ter bewandeling toegewezen. Het hart krimpt ineen bij de gedachte wat de geloovige Christen zal te verduren hebben, die deze instelling op haar eigen gebied aantast; maar hetmoetgeschieden. Hoe ging het in het Noorden? Men stelde pogingen in het werk om door behulp van het graauw de zaak te smoren. Drukpersen werden verbrijzeld, huizen neêrgerukt, bezittingen vernield. Brave mannen hielden echtermoedig stand; martelaarsbloed heeft gestroomd voor de vrijheid van spreken, en zoo is die vrijheid ook verworven. Tegenwoordig stelt niemand meer dergelijke argumenten in het werk: die dagen zijn voorbij. Ook in Kentucky heeft men op die wijze de discussie trachten te onderdrukken. Het oproerige graauw sloeg drukpersen in stukken en bedreigde het leven van sommige personen. Maar ook daar waren braven, die geen geweld of doodsbedreigingen vreesden; en het staat thans vrij in Kentucky, de emancipatie te bespreken. Het is een feit, dat het Zuiden thans de zaak der slavernijmoetbehandelen. Hetkandat vraagstuk niet weren, ten zij beslag gelegd worde op de litteratuur van de geheele beschaafde wereld. Indien het eene Goddelijke zaak is, waarom vreest men dan zoo zeer haar aan te roeren? Wat uit God is kan door de vrije bespreking der geheele wereld niet weggecijferd worden. Er moet en zal discussie komen; men heeft daartoe alleen onversaagde mannen als aanvoerders noodig.Broeders in het Zuiden! Velen uwer hebben de innige overtuiging dat de slavernij eene zonde, een vreeselijk kwaad is; doch gij zijt beducht, dat, indien gij voor uwe gevoelens uitkomt en die tracht te bevorderen, vervolging, verdriet en zelfs de dood u te wachten staan. Hoe kunnen wij dan van u vergen, dat gij op den voorgrond zult treden?Wijvergen het ook niet. Hoe zullenwij, die zwak, besluiteloos en wereldschgezind zijn, van u vergen hetgeen wij-zelven welligt niet zouden durven verrigten? Maar wij zullen bidden, datHijtot u spreke, die meer dan dit ondernam en verduurde om uwentwille en die u sterkte geven kan om dit nu om Zijnentwille te ondernemen en te verduren. Hij kan u verheffen boven alle tijdelijke en wereldsche begrippen. Hij kan u bezielen met die liefde voor Hem, die u gewillig vader en moeder en vrouw en kind doet verlaten, om zelfs het leven voor Zijne eer te verliezen. En zoo Hij u immer brengt tot die plaats waar gij en deze wereld elkander een laatst vaarwel zeggen, waar gij u voorbereidt om alles voor Zijne dienst te wagen, waar leven noch dood, verledenheid noch toekomst u in dit besluit kunnen doen wankelen,—dan zult gij eene blijdschap kennen die elke andere blijdschap te boven gaat, en een vrede zoo bestendig en onveranderlijk als de eeuwige Godheid waaruit zij ontspringt.Dierbare broederen! moet dit stelsel ten eeuwigen dage inuw land blijven bestaan? Kunt gij deze slavenwetten beschouwen als iets anders dan als een gruwel voor den regtvaardigen God? Kunt gij dien binnenlandschen slavenhandel voor iets anders houden dan voor een doorn in Zijn oog?Wij bidden u, werpt een blik in die verschrikkelijke slavengevangenissen in uwe steden; volgt het bloedige kielspoor van de schepen langs uwe kusten. Hoe onderstelt gij, dat het Lam Gods over al die dingen denkt? Wat denkt Hij van al dat gekerm, die hartverscheuring en dien zielsangst,—Hij wiens hart zoo teeder was, dat Hij aan het graf van Lazarus tranen stortte over eene smart, die Hij zoo spoedig weder in blijdschap zou doen verkeeren? Wat denkt Hij van Christelijke vrouwen die aan hare mannen, mannen die aan hunne vrouwen ontscheurd worden? Wat denkt Hij van Christendochters, welke Zijne Kerk eerst doopt, onderwijst en opvoedt en dan als een handels-artikel verkoopen laat?Denkt gij dat gebeden, als die van den armen Paul Edmondson, sterfbedden als dat van Emily Russell, zonder aandoening gezien worden door dien goedertieren Verlosser, die, hetgeen Zijn minsten dienstknecht aangedaan wordt, beschouwt als Hem-Zelven aangedaan?Is, o Christen! wanneer gij het verhaal van Jezus’ lijden laast, nooit het denkbeeld bij u opgekomen, dat gij gaarne met Hem zoudt geleden hebben? Is het u nooit voorgekomen als bijna oneerlijk, dat gij het eeuwige leven zoudt aannemen als prijs van de smarten, die Hij voor u verduurd heeft, terwijl gij geenerlei kruis voor Hem draagt? Hebt gij ooit gewenscht, dat gij met Hem hadt mogen waken in die bittere ure in den hof van Gethsemané, toen zelfs Zijne uitverkorenen sliepen? Hebt gij ooit gewenscht, dat gij bij Hem hadt mogen zijn toen allen Hem verzaakten en vloden,—dat gij Hem hadt mogen erkennen toen Petrus hem verloochende,—dat gij Hem hadt mogen vereeren toen Hij bespot en aangespuwd werd? Zoudt gij het als te groote eere rekenen, wanneer gij, gelijk Maria, Hem hadt kunnen volgen naar het kruis, en daar had kunnen staan als een lijdzaam deelgenoot in dien doodstrijd, die geen medelijden vond?Datkunt gij niet doen. Die ure is voorbij gegaan. Christus is thans verheven, gekroond, verheerlijkt; ieder spreekt wèl van Hem; rijke Kerken rijzen op ter Zijner eere en kostbare offeranden worden Hemopgedragen. Welke kans hebt gij onder de menigte om uwe liefde te bewijzen, om te doen zien dat gij Hem zoudt bijblijven wanneer hij onttroond, veracht, verzocht, verraden en lijdende was? Kunt gij het door iets anders toonen dan door de zaak der arme verworpelingen te omhelzen? Zoo er een volk is binnen uwe landpalen dat door de menschen veracht en verstooten wordt, dat gebogen gaat onder de verdrukking en grijs is in de smarte, terwijl de geheele magt van rijkdom en gebruiken, van politieken en van wereldlijken invloed tegen hunne zaak te velde trekt,—Christenen, dáár kunt gij Christus verheerlijken!Zoo gij u met onverschilligheid van deze zaak afwendt: „zoo gij verzuimt te bevrijden die in de kaken des doods zijn, en die verslagen dreigen te worden; zoo gij zegt: Zie, wij wisten het niet; zal dan Hij, die het harte beproeft, dit aannemen? en Hij, die de ziel in Zijne hand heeft, weet Hij het niet? Zal Hij niet een iegelijk vergelden naar zijne werken?”Zal Hij niet in den oordeelsdag tot u zeggen: „Ik ben geweest in de slaven-gevangenis, in de slaven-karavaan. Ik ben verkocht op uwe markten; Ik heb om niet gezwoegd op uwe velden; in uwe geregtshoven heeft men Mij den mond toegewrongen; Mij is geweigerd Mijne eigene kerkdienst bij te wonen, en gij hebt u des niet aangetrokken. Gij gingt, de een naar zijne hoeve, de andere naar zijne koopwaren.” En indien gij zult vragen: „Wanneer, o Heer, is dit geschied?” dan zal Hij u antwoorden: „Voor zoo veel gij dit gedaan hebt aan den minste van deze Mijne broederen, hebt gij het Mij gedaan.”EINDE.

Hoofdstuk X.Wat behoort er gedaan te worden?

Wat gedaan behoort te worden en wat ik hoofdzakelijk zal bespreken, is, dat de geheele Amerikaansche Kerk, van alle gezindheden, zich nietin naammaarmet der daadmoet vereenigen met het edele voornemen, dat de Presbyteriaansche Vergadering in 1818 opperde, om te trachten naarde volkomene afschaffing der slavernij in Amerika en in de geheele Christenheid.De gemeenschappelijke stem der Christenen in alle anderelanden roept met aandrang de Amerikaansche Kerk hiertoe op. Betuigingen van die meening zijn ingekomen van Christenen van alle gezindheden in Engeland, Schotland, Ierland, Frankrijk, Zwitserland, Duitschland, Perzië, deSandwichEilanden en China. Allen schijnen door éénen geest bezield. Zij hebben die Amerikaansche Kerk bemind en vereerd, zich verheugd in den luister van hare opkomst. Haar voorspoed en welslagen hebben zij beschouwd als hunne eigene, en zij hadden gehoopt, dat God door haar onschatbare zegeningen op alle natiën zou uitstorten. Hun is de Amerikaansche Kerk voorgekomen als de opgang van eene schitterende zon, die neveldampen verdrijven zoude en vreugde bragt en vrede. Maar helaas! op die blinkende zonneschijf is eene donkere plek waargenomen, die, voortgaande, in omvang toeneemt en algeheele duisternis dreigt te verwekken. Kan het verwondering baren, dat eene waarschuwende stem tot ons komt van hen, die zoo veel belang hebben bij ons welvaren en welslagen? Wij hebben zendelingen doen uitgaan naar alle oorden der wereld; maar hoe kunnen deze hunnen heidenschen bekeerling openbaren, wat er in het Christelijk Amerika omgaat? Hoe zullen onze zendelingen in de Mahomedaansche gewesten hun hoofd durven opheffen en de voortreffelijkheid van onze Godsdienst kunnen verkondigen, wanneer wij barbaarschheden dulden, diezijverworpen hebben?Een zendeling onder de Karens in Azië schrijft, dat hij in zijn dienstwerk zeer belemmerd wordt door een gerucht, hetwelk onder dien volksstam in omloop is, dat de Amerikanen voornemens zijn hen te komen rooven om hen te verkoopen. Hij zegt het volgende:Ik zie met beduchtheid den tijd te gemoet, wanneer de Karens in staat zullen zijn onze boeken te lezen en tot de volle kennis te komen van hetgeen in ons land omgaat. Sommigen zijn reeds nu zeer nieuwsgierig en doen mij dikwijls vragen, wier beantwoording mij zwaar valt.Er is geen andere uitweg. Gods Voorzienigheid heeft de Kerk der Vereenigde Staten tot één werk bepaald. Zij kan niet verder gaan eer dit verrigt is. Zoo lang zij het blijftveronachtzamen zal het een hinderpaal zijn tegen al hetgeen zij verder aanvangt.Zij moet het nog om eene andere reden ondernemen,—namelijk omdat zij alleen dien arbeid op vreedzame wijze kan verrigten. Indien dit angstwekkende vraagstuk zijn loop moet hebben als eene louter staatkundige aangelegenheid, welke de politieke partijen moeten uitmaken, hoe zullen dan beroeringen, betreurenswaardige botsingen, de van-een-scheuring der Unie voorkomen kunnen worden? Neen, het is alleen veilig uit te voeren door er eene Godsdienstzaak van te maken en die te bevorderen in een Christelijken geest en door Godsdienstige middelen.Zoo men ons vraagt, welke middelen de Kerk dan in het werk moet stellen, luidt ons antwoord, dat dit kwaad moet afgeschaft worden door dezelfde middelen, welke de Apostelen aanwendden voor de uitbreiding van het Christendom en de uitroeijing van alle maatschappelijke euvelen, welke toen eene in boosheid gedompelde wereld vervulden. Hoor hoe de Apostel ze beschrijft: „In reinheid, in kennis, inlankmoedigheid, in den Heiligen Geest, in ongeveinsde liefde, door de wapenen der geregtigheid aan de regter- en aan de linkerzijde.”Wij zullen kortelijk elk dezer middelen nagaan.Vooreerstin reinheid. De Christenen in de noordelijke vrije Staten moeten zich-zelven en hun land trachten te zuiveren van verscheidene noodlottige uitvloeisels van de slavernij: in het bijzonder moeten zij het meest zondige gevolg daarvan trachten uit te roeijen,—het onchristelijk vooroordeel tegen de kleur.In Hindostan vindt men de klasse der Pariahs, met welke geene andere klasse van Hindoes wil eten, drinken of omgaan. Onze zendelingen verklaren den bekeerden Hindoe, dat dit vooroordeel onchristelijk is; want God heeft allen, die op aarde wonen, van éénen bloede gemaakt en alle menschen zijn broeders in Christus. Maar hoe zal de zendeling zich houden, wanneer de Hindoe in staat is te antwoorden: „In uw eigenChristelijkland bestaat eene klasse van Pariahs, die gij niet beter behandelt, dan wij de onze. Gij-zelven gelooft de dingen niet, die gij ons leert.”Laten wij een blik werpen op de behandeling van den vrijen neger in het Noorden. In de Staten Indiana en Illinois zijnde meest tirannieke en onregtvaardige wetten tegen hem uitgevaardigd. Uit geene wet in een slavenstaat kan een wreedaardiger geest spreken, dan heerschende is in eene onlangs in Illinois uitgevaardigde wet, volgens welke iedere vrije neger, die in den Staat komt, gevat en voor een bepaalden tijd als slaaf verkocht wordt, terwijl hij, wanneer hij na afloop van dien tijd zich niet verwijdert uit het gebied van den Staat, op nieuw wordt verkocht.Hoe kunnen wij onze zuidelijke broederen vermanen hunne slaven vrij te laten, indien wij niet het geheele zedelijke gewigt van de Kerk in het Noorden in de schaal leggen tegen dergelijke gruwelen? Worden zulke handelwijzen geregtvaardigd door te zeggen, dat de neger boosaardig en lui is? Zoo doende voegt men smaad bij mishandeling.Wat doen deze Christelijke Staten? Meerendeels sluiten zij de kleurlingen uit van het school-onderwijs; door beleedigende uitzonderingen schrikken zij hen af van het bezoeken der Kerken; in het algemeen sluiten zij hen uit van de werkplaatsen, waar zij een nuttig beroep zouden kunnen leeren; zij verdrijven hen uit de meer geachte vakken, waarin zij met eere hun brood zouden kunnen winnen; en na hen dus van elk hooger streven ontmoedigd en tot onkunde, luiheid en ondeugd gedwongen te hebben, maken zij de maat der ongeregtigheid vol door het vervaardigen van wreedaardige wetten, om hen uit hunne Staten te verdrijven en vergaderen zich aldus toorn tegen den dag des toorns.Wanneer wij zeggen, dat elk Christen in het Zuiden, die zijne uiterste krachten niet inspant tegen de onregtvaardige slavenwetten, als republikeinsch burger schuldig is aan de handhaving dier wetten,—zoo is het niet minder waar, dat ieder Christen in het Noorden, die niet doet al wat in zijn vermogen ligt om de intrekking van zulke wetten in de noordelijke Staten te bewerken, in zoo verre schuldig is aan haar bestaan. In de laatste jaren heeft het niet ontbroken aan aanhalingen uit het Oude Testament, om allerlei soort van verdrukking te regtvaardigen. Een Hindoe, die niets van dat edele en schoone boek kende dan hetgeen hij vernomen had uit vlugschriften gelijk dat van den heer Smylie, zou kunnen meenen, dat het eene verhandeling over het stelen en eene doorloopende regtvaardiging van allerlei roof was. Doch laat hetons geoorloofd zijn de voorschriften na te gaan, die God geeft voor de behandeling van den vreemdeling: „Wanneer een vreemdeling in uw land verkeeren zal, zult gij hem niet verdrukken; de vreemdeling, die bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van ulieden; gij zult hem liefhebben als u-zelven.” Van hoeveel meer kracht is dit gebod nog, wanneer de vreemdeling in ons land gebragt is door de onregtvaardigheid en wreedheid onzer vaderen!Met genoegen vermelden wij echter, dat het aantal Staten slechts gering is waar zulk eene tirannieke wetgeving bestaat. Het is tevens een grond van bemoediging en hoop, dat het onwijsgeerige en onchristelijke caste-vooroordeel in vele gedeelten van ons land meer en meer plaats maakt voor een Christelijker geest.Vele onzer scholen en akademiën zijn bereid om den kleurling op gelijken voet met den blanke te ontvangen. Sommige der noordelijke vrije Staten verleenen den vrijen kleurling volkomene politieke gelijkheid en voorregten. Onder dat stelsel zijn verscheidene kleurlingen rijk en beschaafd geworden. Men begint allengs een belangrijk getal goed opgevoede lieden onder hen te tellen. Onder hen zijn talentvolle redacteurs, welsprekende redenaars, ijverige en kundige predikanten. Het doet ons genoegen te kunnen melden, dat die menschen onder verstandige en Christelijk-gezinde lieden behandeld worden met de achting die zij verdienen; en zoo hun smaad of mishandeling bejegent, komt dit meerendeels van de zijde der min beschaafde klassen, die, minder verlicht zijnde, altijd langer onder den invloed der vooroordeelen blijven. Bij eene onlangs plaats gehad hebbende bevestiging in eene der grootste en aanzienlijkste kerken te New-York, was de predikant, die bevestigde, een zwart man, welke zijn levensloop ingetreden was als slaaf; en het was ongetwijfeld een grond van verblijding voor al zijne Christelijke broederen hem thans als hoofdpersoon te zien bij zulk eene indrukwekkende plegtigheid. Hij deed de vragen aan den nieuwen predikant in het Duitsch, daar de hoorders meerendeels Duitschers waren. Onze Christen-vrienden in Europa kunnen daaruit ten minste afleiden, dat, zoo wij in vroegere tijden onze gebreken hadden, sommigen onder ons die hebben opgemerkt en ze trachten te verbeteren.Om dit gedeelte terstond tot een practisch besluit te brengenwenscht de schrijfster toe te voegen aan ieder Christen in het bijzonder, die iets doen wil tot afschaffing der slavernij: Begin met voor de kleurlingen in uwe nabijheid, te doen wat binnen uw bereik ligt. Worden kinderen ten gevolge van onregtvaardig vooroordeel van het bezoeken der school uitgesloten? Poog dat vooroordeel te bestrijden door regtmatige beweeggronden, met liefderijkheid voorgedragen. Kunt gij daarin niet slagen, tracht dan op eenige andere wijze voor het onderwijs dier kinderen te zorgen. Tracht, voor zoo ver dit in uw vermogen staat, in elken kring des levens voor hen de gewone voorregten van een Amerikaansch burger te verkrijgen. Zijn zij ter plaatse waar gij woont van het gebruik van omnibus en spoorwagen uitgesloten, poog dan diegenen, die daarover het bestuur voeren, tot meerdere regtvaardigheid en rede te bewegen. De Christenen, die aan het hoofd staan van werkplaatsen, kunnen veel doen tot het aannemen van jonge kleurlingen als leerlingen. Vele meesters verontschuldigen zich over het uitsluiten van de kleurlingen, door te zeggen, dat, wanneer zij het deden, alle andere knechten hen verlaten zouden. Hierop kan geantwoord worden, dat, indien zij dit doen in een Christelijken geest en met een Christelijk doel, het waarschijnlijk is, dat, indien hunne gezellen aanvankelijk vertrekken, zij later wel weder terug zullen komen,—allen ten minste op wier behoud zij prijs stellen.Eene aanzienlijke modemaakster in eene onzer steden heeft, uit beginsel, gekleurde meisjes als leerlingen aangenomen, en ze aldus in staat gesteld om op eene eerlijke wijze haar brood te verdienen. Ik noodig de Christelijke werkbazen, van alle ambachten, uit, deze zaak met ernst te overwegen, en na te gaan of zij, door die arme menschen de hand te reiken en hen te brengen tot zedelijkheid, kennis en een stuk broods, niet eene dienst verrigten zullen, die de Heer aanmerken zal als Hem-zelven bewezen.Eene andere zaak, die ik den Christenen ernstig op het hart druk, is het herstellen en in stand houden van die kerkelijke gemeenten van kleurlingen, die ontmoedigd en verbrokkeld zijn door de vlugtelingen-wet. In de stad Boston bevindt zich eene gemeente, die thans onder schulden en bezwaren zucht, doordien zij genoodzaakt is geweest hare eigene diakenenin te koopen, ten einde hen tegen de verschrikkingen van die wet te beveiligen.Eindelijk: wij behoeven schier niet te zeggen, dat de Christenen in het Noorden zich onthouden moeten van alle regtstreeksche of zijdelingsche bemoeijing met den slavenhandel, hetzij door deelgenootschap in zuidelijke handelhuizen, hetzij door onsterfelijke wezens als onderpand voor schulden te aanvaarden. Het is noodeloos over dit punt verder uit te weiden: het spreekt krachtig genoeg.Door al deze middelen moet de Christelijke Kerk in het Noorden zich zuiver houden van alle medepligtigheid aan de zonde der slavernij, en van de onchristelijke gebruiken en vooroordeelen, die er uit voortgevloeid zijn.Het tweede middel, dat tot afschaffing der slavernij in het werk kan gesteld worden, isde kennis.Ieder Christen behoort aandachtig en met biddenden geest dit slavernij-stelsel te onderzoeken. Hij moet het beschouwen als een onderwerp waaromtrent hij zich juiste begrippen en inzigten verschaffen en de openbare meening, die het krachtigste middel is, vormen moet. Menigeen onthoudt zich van het nagaan der statistiek van deze aangelegenheid, omdat hij niet gestemd is voor de menschen, welke die opgaven bijeengezameld hebben. Zij zeggen, dat zij niet van het gevoelen zijn der Abolitionisten, en willen daarom geen acht slaan op de bijgebragte cijfers en feiten. Dit is voorzeker verstandig noch redelijk. In alle andere omstandigheden waar het onze belangen betreft zijn wij zeer gretig in het opzamelen van inlichtingen, hetzij wij al dan niet overeenstemmen met de personen die ze ons verschaffen.Ieder Christen behoort ernstig na te gaan in hoe verre ons nationaal gouvernement verbonden is en gebruikt wordt tot handhaving der slavernij. Oplettend speure hij na de slavenstatistiek van het district Columbia, en bovenal de statistiek van dat gewettigde stelsel van roof en verdrukking, waardoor honderden en duizenden jaarlijks aan huis en magen en al wat dierbaar is ontscheurd en naar het Zuiden gesleept en daar als beesten op de markten verkocht worden. De walm, opstijgende uit dien bodemloozen afgrond der ongeregtigheid, verduistert onze zon voor de oogen van alle volkeren; hetgekerm en geween overstemt den galm onzer psalmen en stichtelijke liederen. Alle natiën weten hoe het met onze zaak gelegen is; zal die dan voor ons alleen verborgen blijven? Zullen wij den moed, het geduld niet hebben onze eigene kwaal grondig te onderzoeken en de diepte van de wond te peilen?Het derde middel tot afschaffing van de slavernij isdelankmoedigheid.Het gemis van die eigenschap is het gebrek geweest van de tot nu toe in het werk gestelde pogingen. De vrienden der goede zaak zijn niet eensgezind geweest en hebben geen vrede gehad met elkanders meeningen. In de vroegere geschiedenis van dit onderwerp komt menige donkere bladzijde voor; maar is het niet inderdaad tijd, dat de vrienden der slaven het gebeurde vergeten en met vereende pogingen streven naar hetgeen in het verschiet ligt? De voorstanders van onmiddellijke afschaffing moeten de bevorderaars van eene trapsgewijze emancipatie niet met de namen van talmers en verraders bestempelen; de laatsten moeten ook de eersten niet drijvers en onruststokers noemen. Er is gewis een liefderijker weg tot wederzijdsche overtuiging te vinden. Waarheid in liefde gesproken zal steeds dieper doordringen dan waarheid in toorn geuit; voorshands is het groote doel, onze zuidelijke broederen te overreden, dat zij ten minste toteenigeemancipatie overgaan. Wanneer wij eerst zoover zijn, dat zij de overtuiging hebbenietste moeten doen, dán zal het de tijd zijn om het vraagstuk te behandelen of dit onmiddellijk of trapsgewijze zal moeten geschieden. Laten wij tot onze spreuk kiezen: „Daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar denzelfden regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen; en indien gij iets anderzins gevoelt, ook dat zal God u openbaren.”—„Laten wij aannemen zelfs hem die zwak is in den geloove maar niet tot ijdele zamensprekinge.” Wij moeten het goede, dat in sommigen is, niet wegwerpen, omdat het door eenige vlekken ontsierd wordt.Gaan wij thans over tot de beschouwing van eene magt, zonder welke alle andere magten falen moeten:den Heiligen Geest.De belijdenis van elke Christelijke Kerk, Roomsch, Grieksch, Episcopaalsch of Protestant, houdt in: „Ik geloof in den Heiligen Geest.” Doch hoe dikwijls leven en handelen Christenen van al die gezindheden, zelfs in Godsdienstige aangelegenheden,alsof zij nooit van een Heiligen Geest gehoord hadden. Zoo wij ons op onze eigene rede, op onze verbijsterde hartstogten, op onzen blinden zelfwil verlaten om de misbruiken uit den weg te ruimen, zullen wij hierin volstrektelijk falen. Er is eene in stilte werkende, overtuigende en onweêrstaanbare magt, die over het duistere en beroerde hart van den mensch zweeft gelijk zij vroeger zweefde over de duistere en beroerde wateren van den chaos, en licht uit de duisternis en orde uit de verwarring te voorschijn bragt.Is het niet duidelijk voor ieder, die een vrijen blik werpt op de maatschappij, dat het menschelijk geslacht onderworpen is aan een zachten maar onweêrstaanbaren invloed, die te gemoet komt aan het geroep en verlangen naar eene aanstaande eeuw van welzijn? Wereldschgezinde menschen lezen in de teekenen der tijden en noemen het Geest der Eeuw; maar moet de Kerk het niet erkennen voor den Geest van God?Men vergete echter niet, dat het geschenk van Zijn magtigen vernieuwenden invloed verbonden is aan de voorwaarde van het gebed. De krachtige werking, die met den Pinksterdag een aanvang nam, was voorafgegaan door vereenigde, vurige en onverpoosde gebeden. Even zulk een geest des gebeds moet voorafgaan aan de komst van den Heiligen Geest, om eene zoo groote omwenteling te bewerken als hier bedoeld wordt. Het vermogendste werktuig, dat God in ’s menschen hand gesteld heeft en waaraan al Zijne heerlijke beloften verknocht zijn, is het gebed. Alle vroegere vooroordeelen en veten hieromtrent moeten ter zijde gesteld worden en de geheele Kerk moet zich als één man vereenigen in ernstige, vurige gebeden. Hebben wij de belofte van den Heiligen Geest vergeten? Hebben wij vergeten, dat Hij ons eeuwig nabij zou wezen? Hebben wij vergeten, dat Hij de wereld zal oordeelen? o Goddelijke en Heilige Vertrooster! belofte des Vaders! gij, eenige Almagtige om op te klaren, te overtuigen en herboren te doen worden! keer weder, bidden wij, en bezoek dezen wijngaard, dien Gij geplant hebt! Bij U is niets onmogelijk; wat wij in onze zwakheid te naauwernood bevatten, kunt Gij verwezenlijken!Nog een middel tot afschaffing der slavernij is gelegen inongeveinsde liefde.Bij elken zedelijken strijd moet die partij, welke onder allen tegenstand en vervolging een Goddelijken, onwrikbarengeest van liefde weet te bewaren, ten slotte zegevieren. Zoo zijn de onveranderlijke wetten der zedelijke wereld. Toorn, baatzucht, naijver hebben allen zekere levenskracht. Dikwijls veroorzaken zij meer vertooning, gedruisch en tijdelijken indruk dan de liefde. Maar al die hartstogten dragen de kiem van zwakheid in haar boezem. De liefde, de liefde-alleen, is onsterfelijk; en wanneer reeds alle andere grovere uitingen der ziel zich-zelven vernietigd hebben, straalt de liefde steeds door als de poolster met een gloed die nimmer sterft.Zoo wij dit werk ondernemen, moeten wij èn den slaaf èn den slavenhouder lief hebben. Wij moeten nimmer uit het oog verliezen, dat beiden onze broeders zijn. Wij moeten ons voorbereiden miskend, belasterd, gehaat te zullen worden. Hoe zouden wij zonder die onaangenaamheden een zoo magtig belang kunnen aantasten? Het moet onze voldoening zijn, trouwe vrienden te wezen, terwijl wij als bittere vijanden behandeld worden.Deze heilige twiststrijd moet een kamp zijn van beginselen, niet van partijhaat. Wij moeten zorgen, dat hij in onze handen niet ontaarde in een afkeer van het Zuiden; en te dien einde behooren wij de beminnelijker hoedanigheden en loffelijker eigenschappen voor oogen te houden van degenen wier beginselen wij verpligt zijn te bestrijden. Belasteren zij ons, wij moeten in aanmerking nemen, dat wij hen in groote verzoeking brengen door instellingen aan te tasten, waarmede zij door duizende banden van belang en gewoonte verbonden zijn, zoodat zij grootendeels ongevoelig zijn geworden voor dat kwaad. De Apostel geeft ons voorschriften hoe wij met broederen, die ons smaden, handelen moeten: „Geeft acht, opdat ook gij niet in verzoeking komet.” Wij mogen dit op onszelven toepassen en bedenken, dat, indien wij blootgesteld waren geweest aan de verzoekingen die onze vrienden in het Zuiden omringen en wij dezelfde opvoeding ontvangen hadden, wij welligt zouden gevoelen, denken en handelen zoo als zij. Doch bij al die overwegingen moeten wij tevens bedenken, dat het geene ware liefde voor het Zuiden is, wanneer wij een verderfelijk stelsel handhaven en verdedigen; een stelsel, dat even nadeelig is voor den meester als voor den slaaf; een stelsel dat vruchtbare velden in woestenijen verandert, en dat schadelijk is voor opvoeding, zeden, Godsdienst en maatschappelijken vooruitgang; een stelsel, dat vele verstandige en achtenswaardigemannen in het Zuiden moede zijn, waaraan zij zich wenschen te onttrekken en ook jaarlijks door verhuizing werkelijk onttrekken. Evenzeer moeten wij niets laten afdingen op de regten van den slaaf; want ook hij is onze broeder en er is in zijn toestand eene reden om voor hem te spreken, die niet in het geval van zijn meester bestaat. Hij is arm, onbeschaafd, onwetend en kan niet voor zich-zelven het woord voeren. Wij moeten daarom des te naijveriger zijn op zijne regten. Wat wij ook afstaan,—nimmer moet dit geschieden met de regten van de hulpeloozen noch met de eeuwige beginselen van regt en zedelijkheid.Nimmer moeten wij toegeven dat het eerlijk is, den werkman van zijn loon te berooven, ofschoon het, gelijk vele andere schandelijkheden, gebruikelijk en algemeen is, en zelfs achtenswaardige menschen onder den invloed van oude vooroordeelen zich daaraan schuldig maken. Nimmer moeten wij, zelfs maar voor een oogenblik, plaats geven aan de gedachte, dat een erfgenaam van het Godsrijk verkocht mag worden, al zij het ook een oud gebruik. Strengelijk moeten wij de heiligschennende leer verwerpen, dat menschelijke wezens voorwerpen van eigendom kunnen zijn.Sommigen hebben het ongerijmd genoemd, beginselen en personen te scheiden, of aan te nemen, dat hij die eene slechte zaak voorstaat een goed mensch kan wezen. De ondervinding bewijst het tegendeel. De onregtvaardigste en tiranniekste stelsels zijn verdedigd door lieden, die persoonlijk regtvaardig en menschlievend waren. Het is treurig maar niet minder waar, dat er bijna geen kwaad of onregt bestaat, hetwelk niet ten eenigen tijde den steun der talenten van een achtenswaardig man genoten heeft.Dit is een deel der beproevingen in onzen staat van onvolkomenheid hier beneden; zoo kwade stelsels hun eenigen steun ontleenden aan de slechten, onze zedelijke tucht zou veel minder streng en de aanval meer krachtig en openlijk kunnen zijn.Wij voor ons zien hooge Christelijke wijsheid in de vroeger door ons opgeteekende aanmerking van eene arme slavin, wier heele leven verwoest was door dit stelsel, namelijk „dat wij de zonde moeten haten, maar den zondaar liefhebben.”De laatste middelen tot afschaffing der slavernij zijnde wapenen der geregtigheid aan de regter- en aan de linkerzijde.Hiermede bedoelen wij een ernstig gebruik van alle regtstreeksche, eerlijke en regtvaardige middelen, die tot de afschaffing van het slavernij-stelsel kunnen leiden. Iedereen in zijne betrekking moet zich daartegen verzetten. Al de drogredenen moeten beantwoord, de uit den Bijbel geputte verdedigingen door gezonde redenering en verklaring wederlegd worden. Iedere moeder behoorde haren kinderen het kwaad van dat stelsel te doen inzien. Ieder predikant moet zijne gemeente rondborstig en onverpoosd waarschuwen tegen medepligtigheid aan die zonde. Men zegt, dat dit zou zijn de politiek op den predikstoel brengen. Wij antwoorden, dat, aangezien de menschen in den oordeelsdag rekenschap zullen te geven hebben van hunne politieke handelingen, het niet ongepast kan gerekend worden, dat de predikant hen eenigzins van hunne politieke verantwoordelijkheid inlichte. Te dien dage zal Christus niemand vragen of hij tot deze of gene partij behoorde; maar wel, of hij zijne stem uitgebragt heeft in de vreeze Gods en tot uitbreiding van het rijk der geregtigheid.Dikwijls heeft men aangemerkt, dat de slavernij eene zonde is, die op een afstand gepleegd wordt en waarmede wij niets te maken hebben. Zoo een predikant hiervan de proef wil nemen, hij predike daarover eens onomwonden en geloovig. Dan zal hij denkelijk bevinden, dat de wortelen van den giftigen boom uitgeschoten zijn tot onder de grondslagen der woningen van de Christenen in Nieuw-Engeland en dat zijne eigene gemeente in de zonde deelt.Het aantasten van eene instelling waarin zoo veel van de politieke magt en den rijkdom dezer natie opgesloten ligt, is geen kinderspel, en zij die het ondernemen zullen spoedig ontwaren, dat zij niet alleen met vleesch en bloed te kampen hebben. Geene rusting is in dezen strijd proefhoudend dande wapenrusting der geregtigheid.Onzen broederen in het Zuiden heeft God een doorniger pad ter bewandeling toegewezen. Het hart krimpt ineen bij de gedachte wat de geloovige Christen zal te verduren hebben, die deze instelling op haar eigen gebied aantast; maar hetmoetgeschieden. Hoe ging het in het Noorden? Men stelde pogingen in het werk om door behulp van het graauw de zaak te smoren. Drukpersen werden verbrijzeld, huizen neêrgerukt, bezittingen vernield. Brave mannen hielden echtermoedig stand; martelaarsbloed heeft gestroomd voor de vrijheid van spreken, en zoo is die vrijheid ook verworven. Tegenwoordig stelt niemand meer dergelijke argumenten in het werk: die dagen zijn voorbij. Ook in Kentucky heeft men op die wijze de discussie trachten te onderdrukken. Het oproerige graauw sloeg drukpersen in stukken en bedreigde het leven van sommige personen. Maar ook daar waren braven, die geen geweld of doodsbedreigingen vreesden; en het staat thans vrij in Kentucky, de emancipatie te bespreken. Het is een feit, dat het Zuiden thans de zaak der slavernijmoetbehandelen. Hetkandat vraagstuk niet weren, ten zij beslag gelegd worde op de litteratuur van de geheele beschaafde wereld. Indien het eene Goddelijke zaak is, waarom vreest men dan zoo zeer haar aan te roeren? Wat uit God is kan door de vrije bespreking der geheele wereld niet weggecijferd worden. Er moet en zal discussie komen; men heeft daartoe alleen onversaagde mannen als aanvoerders noodig.Broeders in het Zuiden! Velen uwer hebben de innige overtuiging dat de slavernij eene zonde, een vreeselijk kwaad is; doch gij zijt beducht, dat, indien gij voor uwe gevoelens uitkomt en die tracht te bevorderen, vervolging, verdriet en zelfs de dood u te wachten staan. Hoe kunnen wij dan van u vergen, dat gij op den voorgrond zult treden?Wijvergen het ook niet. Hoe zullenwij, die zwak, besluiteloos en wereldschgezind zijn, van u vergen hetgeen wij-zelven welligt niet zouden durven verrigten? Maar wij zullen bidden, datHijtot u spreke, die meer dan dit ondernam en verduurde om uwentwille en die u sterkte geven kan om dit nu om Zijnentwille te ondernemen en te verduren. Hij kan u verheffen boven alle tijdelijke en wereldsche begrippen. Hij kan u bezielen met die liefde voor Hem, die u gewillig vader en moeder en vrouw en kind doet verlaten, om zelfs het leven voor Zijne eer te verliezen. En zoo Hij u immer brengt tot die plaats waar gij en deze wereld elkander een laatst vaarwel zeggen, waar gij u voorbereidt om alles voor Zijne dienst te wagen, waar leven noch dood, verledenheid noch toekomst u in dit besluit kunnen doen wankelen,—dan zult gij eene blijdschap kennen die elke andere blijdschap te boven gaat, en een vrede zoo bestendig en onveranderlijk als de eeuwige Godheid waaruit zij ontspringt.Dierbare broederen! moet dit stelsel ten eeuwigen dage inuw land blijven bestaan? Kunt gij deze slavenwetten beschouwen als iets anders dan als een gruwel voor den regtvaardigen God? Kunt gij dien binnenlandschen slavenhandel voor iets anders houden dan voor een doorn in Zijn oog?Wij bidden u, werpt een blik in die verschrikkelijke slavengevangenissen in uwe steden; volgt het bloedige kielspoor van de schepen langs uwe kusten. Hoe onderstelt gij, dat het Lam Gods over al die dingen denkt? Wat denkt Hij van al dat gekerm, die hartverscheuring en dien zielsangst,—Hij wiens hart zoo teeder was, dat Hij aan het graf van Lazarus tranen stortte over eene smart, die Hij zoo spoedig weder in blijdschap zou doen verkeeren? Wat denkt Hij van Christelijke vrouwen die aan hare mannen, mannen die aan hunne vrouwen ontscheurd worden? Wat denkt Hij van Christendochters, welke Zijne Kerk eerst doopt, onderwijst en opvoedt en dan als een handels-artikel verkoopen laat?Denkt gij dat gebeden, als die van den armen Paul Edmondson, sterfbedden als dat van Emily Russell, zonder aandoening gezien worden door dien goedertieren Verlosser, die, hetgeen Zijn minsten dienstknecht aangedaan wordt, beschouwt als Hem-Zelven aangedaan?Is, o Christen! wanneer gij het verhaal van Jezus’ lijden laast, nooit het denkbeeld bij u opgekomen, dat gij gaarne met Hem zoudt geleden hebben? Is het u nooit voorgekomen als bijna oneerlijk, dat gij het eeuwige leven zoudt aannemen als prijs van de smarten, die Hij voor u verduurd heeft, terwijl gij geenerlei kruis voor Hem draagt? Hebt gij ooit gewenscht, dat gij met Hem hadt mogen waken in die bittere ure in den hof van Gethsemané, toen zelfs Zijne uitverkorenen sliepen? Hebt gij ooit gewenscht, dat gij bij Hem hadt mogen zijn toen allen Hem verzaakten en vloden,—dat gij Hem hadt mogen erkennen toen Petrus hem verloochende,—dat gij Hem hadt mogen vereeren toen Hij bespot en aangespuwd werd? Zoudt gij het als te groote eere rekenen, wanneer gij, gelijk Maria, Hem hadt kunnen volgen naar het kruis, en daar had kunnen staan als een lijdzaam deelgenoot in dien doodstrijd, die geen medelijden vond?Datkunt gij niet doen. Die ure is voorbij gegaan. Christus is thans verheven, gekroond, verheerlijkt; ieder spreekt wèl van Hem; rijke Kerken rijzen op ter Zijner eere en kostbare offeranden worden Hemopgedragen. Welke kans hebt gij onder de menigte om uwe liefde te bewijzen, om te doen zien dat gij Hem zoudt bijblijven wanneer hij onttroond, veracht, verzocht, verraden en lijdende was? Kunt gij het door iets anders toonen dan door de zaak der arme verworpelingen te omhelzen? Zoo er een volk is binnen uwe landpalen dat door de menschen veracht en verstooten wordt, dat gebogen gaat onder de verdrukking en grijs is in de smarte, terwijl de geheele magt van rijkdom en gebruiken, van politieken en van wereldlijken invloed tegen hunne zaak te velde trekt,—Christenen, dáár kunt gij Christus verheerlijken!Zoo gij u met onverschilligheid van deze zaak afwendt: „zoo gij verzuimt te bevrijden die in de kaken des doods zijn, en die verslagen dreigen te worden; zoo gij zegt: Zie, wij wisten het niet; zal dan Hij, die het harte beproeft, dit aannemen? en Hij, die de ziel in Zijne hand heeft, weet Hij het niet? Zal Hij niet een iegelijk vergelden naar zijne werken?”Zal Hij niet in den oordeelsdag tot u zeggen: „Ik ben geweest in de slaven-gevangenis, in de slaven-karavaan. Ik ben verkocht op uwe markten; Ik heb om niet gezwoegd op uwe velden; in uwe geregtshoven heeft men Mij den mond toegewrongen; Mij is geweigerd Mijne eigene kerkdienst bij te wonen, en gij hebt u des niet aangetrokken. Gij gingt, de een naar zijne hoeve, de andere naar zijne koopwaren.” En indien gij zult vragen: „Wanneer, o Heer, is dit geschied?” dan zal Hij u antwoorden: „Voor zoo veel gij dit gedaan hebt aan den minste van deze Mijne broederen, hebt gij het Mij gedaan.”EINDE.

Wat gedaan behoort te worden en wat ik hoofdzakelijk zal bespreken, is, dat de geheele Amerikaansche Kerk, van alle gezindheden, zich nietin naammaarmet der daadmoet vereenigen met het edele voornemen, dat de Presbyteriaansche Vergadering in 1818 opperde, om te trachten naarde volkomene afschaffing der slavernij in Amerika en in de geheele Christenheid.

De gemeenschappelijke stem der Christenen in alle anderelanden roept met aandrang de Amerikaansche Kerk hiertoe op. Betuigingen van die meening zijn ingekomen van Christenen van alle gezindheden in Engeland, Schotland, Ierland, Frankrijk, Zwitserland, Duitschland, Perzië, deSandwichEilanden en China. Allen schijnen door éénen geest bezield. Zij hebben die Amerikaansche Kerk bemind en vereerd, zich verheugd in den luister van hare opkomst. Haar voorspoed en welslagen hebben zij beschouwd als hunne eigene, en zij hadden gehoopt, dat God door haar onschatbare zegeningen op alle natiën zou uitstorten. Hun is de Amerikaansche Kerk voorgekomen als de opgang van eene schitterende zon, die neveldampen verdrijven zoude en vreugde bragt en vrede. Maar helaas! op die blinkende zonneschijf is eene donkere plek waargenomen, die, voortgaande, in omvang toeneemt en algeheele duisternis dreigt te verwekken. Kan het verwondering baren, dat eene waarschuwende stem tot ons komt van hen, die zoo veel belang hebben bij ons welvaren en welslagen? Wij hebben zendelingen doen uitgaan naar alle oorden der wereld; maar hoe kunnen deze hunnen heidenschen bekeerling openbaren, wat er in het Christelijk Amerika omgaat? Hoe zullen onze zendelingen in de Mahomedaansche gewesten hun hoofd durven opheffen en de voortreffelijkheid van onze Godsdienst kunnen verkondigen, wanneer wij barbaarschheden dulden, diezijverworpen hebben?

Een zendeling onder de Karens in Azië schrijft, dat hij in zijn dienstwerk zeer belemmerd wordt door een gerucht, hetwelk onder dien volksstam in omloop is, dat de Amerikanen voornemens zijn hen te komen rooven om hen te verkoopen. Hij zegt het volgende:

Ik zie met beduchtheid den tijd te gemoet, wanneer de Karens in staat zullen zijn onze boeken te lezen en tot de volle kennis te komen van hetgeen in ons land omgaat. Sommigen zijn reeds nu zeer nieuwsgierig en doen mij dikwijls vragen, wier beantwoording mij zwaar valt.

Ik zie met beduchtheid den tijd te gemoet, wanneer de Karens in staat zullen zijn onze boeken te lezen en tot de volle kennis te komen van hetgeen in ons land omgaat. Sommigen zijn reeds nu zeer nieuwsgierig en doen mij dikwijls vragen, wier beantwoording mij zwaar valt.

Er is geen andere uitweg. Gods Voorzienigheid heeft de Kerk der Vereenigde Staten tot één werk bepaald. Zij kan niet verder gaan eer dit verrigt is. Zoo lang zij het blijftveronachtzamen zal het een hinderpaal zijn tegen al hetgeen zij verder aanvangt.

Zij moet het nog om eene andere reden ondernemen,—namelijk omdat zij alleen dien arbeid op vreedzame wijze kan verrigten. Indien dit angstwekkende vraagstuk zijn loop moet hebben als eene louter staatkundige aangelegenheid, welke de politieke partijen moeten uitmaken, hoe zullen dan beroeringen, betreurenswaardige botsingen, de van-een-scheuring der Unie voorkomen kunnen worden? Neen, het is alleen veilig uit te voeren door er eene Godsdienstzaak van te maken en die te bevorderen in een Christelijken geest en door Godsdienstige middelen.

Zoo men ons vraagt, welke middelen de Kerk dan in het werk moet stellen, luidt ons antwoord, dat dit kwaad moet afgeschaft worden door dezelfde middelen, welke de Apostelen aanwendden voor de uitbreiding van het Christendom en de uitroeijing van alle maatschappelijke euvelen, welke toen eene in boosheid gedompelde wereld vervulden. Hoor hoe de Apostel ze beschrijft: „In reinheid, in kennis, inlankmoedigheid, in den Heiligen Geest, in ongeveinsde liefde, door de wapenen der geregtigheid aan de regter- en aan de linkerzijde.”

Wij zullen kortelijk elk dezer middelen nagaan.

Vooreerstin reinheid. De Christenen in de noordelijke vrije Staten moeten zich-zelven en hun land trachten te zuiveren van verscheidene noodlottige uitvloeisels van de slavernij: in het bijzonder moeten zij het meest zondige gevolg daarvan trachten uit te roeijen,—het onchristelijk vooroordeel tegen de kleur.

In Hindostan vindt men de klasse der Pariahs, met welke geene andere klasse van Hindoes wil eten, drinken of omgaan. Onze zendelingen verklaren den bekeerden Hindoe, dat dit vooroordeel onchristelijk is; want God heeft allen, die op aarde wonen, van éénen bloede gemaakt en alle menschen zijn broeders in Christus. Maar hoe zal de zendeling zich houden, wanneer de Hindoe in staat is te antwoorden: „In uw eigenChristelijkland bestaat eene klasse van Pariahs, die gij niet beter behandelt, dan wij de onze. Gij-zelven gelooft de dingen niet, die gij ons leert.”

Laten wij een blik werpen op de behandeling van den vrijen neger in het Noorden. In de Staten Indiana en Illinois zijnde meest tirannieke en onregtvaardige wetten tegen hem uitgevaardigd. Uit geene wet in een slavenstaat kan een wreedaardiger geest spreken, dan heerschende is in eene onlangs in Illinois uitgevaardigde wet, volgens welke iedere vrije neger, die in den Staat komt, gevat en voor een bepaalden tijd als slaaf verkocht wordt, terwijl hij, wanneer hij na afloop van dien tijd zich niet verwijdert uit het gebied van den Staat, op nieuw wordt verkocht.

Hoe kunnen wij onze zuidelijke broederen vermanen hunne slaven vrij te laten, indien wij niet het geheele zedelijke gewigt van de Kerk in het Noorden in de schaal leggen tegen dergelijke gruwelen? Worden zulke handelwijzen geregtvaardigd door te zeggen, dat de neger boosaardig en lui is? Zoo doende voegt men smaad bij mishandeling.

Wat doen deze Christelijke Staten? Meerendeels sluiten zij de kleurlingen uit van het school-onderwijs; door beleedigende uitzonderingen schrikken zij hen af van het bezoeken der Kerken; in het algemeen sluiten zij hen uit van de werkplaatsen, waar zij een nuttig beroep zouden kunnen leeren; zij verdrijven hen uit de meer geachte vakken, waarin zij met eere hun brood zouden kunnen winnen; en na hen dus van elk hooger streven ontmoedigd en tot onkunde, luiheid en ondeugd gedwongen te hebben, maken zij de maat der ongeregtigheid vol door het vervaardigen van wreedaardige wetten, om hen uit hunne Staten te verdrijven en vergaderen zich aldus toorn tegen den dag des toorns.

Wanneer wij zeggen, dat elk Christen in het Zuiden, die zijne uiterste krachten niet inspant tegen de onregtvaardige slavenwetten, als republikeinsch burger schuldig is aan de handhaving dier wetten,—zoo is het niet minder waar, dat ieder Christen in het Noorden, die niet doet al wat in zijn vermogen ligt om de intrekking van zulke wetten in de noordelijke Staten te bewerken, in zoo verre schuldig is aan haar bestaan. In de laatste jaren heeft het niet ontbroken aan aanhalingen uit het Oude Testament, om allerlei soort van verdrukking te regtvaardigen. Een Hindoe, die niets van dat edele en schoone boek kende dan hetgeen hij vernomen had uit vlugschriften gelijk dat van den heer Smylie, zou kunnen meenen, dat het eene verhandeling over het stelen en eene doorloopende regtvaardiging van allerlei roof was. Doch laat hetons geoorloofd zijn de voorschriften na te gaan, die God geeft voor de behandeling van den vreemdeling: „Wanneer een vreemdeling in uw land verkeeren zal, zult gij hem niet verdrukken; de vreemdeling, die bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van ulieden; gij zult hem liefhebben als u-zelven.” Van hoeveel meer kracht is dit gebod nog, wanneer de vreemdeling in ons land gebragt is door de onregtvaardigheid en wreedheid onzer vaderen!

Met genoegen vermelden wij echter, dat het aantal Staten slechts gering is waar zulk eene tirannieke wetgeving bestaat. Het is tevens een grond van bemoediging en hoop, dat het onwijsgeerige en onchristelijke caste-vooroordeel in vele gedeelten van ons land meer en meer plaats maakt voor een Christelijker geest.

Vele onzer scholen en akademiën zijn bereid om den kleurling op gelijken voet met den blanke te ontvangen. Sommige der noordelijke vrije Staten verleenen den vrijen kleurling volkomene politieke gelijkheid en voorregten. Onder dat stelsel zijn verscheidene kleurlingen rijk en beschaafd geworden. Men begint allengs een belangrijk getal goed opgevoede lieden onder hen te tellen. Onder hen zijn talentvolle redacteurs, welsprekende redenaars, ijverige en kundige predikanten. Het doet ons genoegen te kunnen melden, dat die menschen onder verstandige en Christelijk-gezinde lieden behandeld worden met de achting die zij verdienen; en zoo hun smaad of mishandeling bejegent, komt dit meerendeels van de zijde der min beschaafde klassen, die, minder verlicht zijnde, altijd langer onder den invloed der vooroordeelen blijven. Bij eene onlangs plaats gehad hebbende bevestiging in eene der grootste en aanzienlijkste kerken te New-York, was de predikant, die bevestigde, een zwart man, welke zijn levensloop ingetreden was als slaaf; en het was ongetwijfeld een grond van verblijding voor al zijne Christelijke broederen hem thans als hoofdpersoon te zien bij zulk eene indrukwekkende plegtigheid. Hij deed de vragen aan den nieuwen predikant in het Duitsch, daar de hoorders meerendeels Duitschers waren. Onze Christen-vrienden in Europa kunnen daaruit ten minste afleiden, dat, zoo wij in vroegere tijden onze gebreken hadden, sommigen onder ons die hebben opgemerkt en ze trachten te verbeteren.

Om dit gedeelte terstond tot een practisch besluit te brengenwenscht de schrijfster toe te voegen aan ieder Christen in het bijzonder, die iets doen wil tot afschaffing der slavernij: Begin met voor de kleurlingen in uwe nabijheid, te doen wat binnen uw bereik ligt. Worden kinderen ten gevolge van onregtvaardig vooroordeel van het bezoeken der school uitgesloten? Poog dat vooroordeel te bestrijden door regtmatige beweeggronden, met liefderijkheid voorgedragen. Kunt gij daarin niet slagen, tracht dan op eenige andere wijze voor het onderwijs dier kinderen te zorgen. Tracht, voor zoo ver dit in uw vermogen staat, in elken kring des levens voor hen de gewone voorregten van een Amerikaansch burger te verkrijgen. Zijn zij ter plaatse waar gij woont van het gebruik van omnibus en spoorwagen uitgesloten, poog dan diegenen, die daarover het bestuur voeren, tot meerdere regtvaardigheid en rede te bewegen. De Christenen, die aan het hoofd staan van werkplaatsen, kunnen veel doen tot het aannemen van jonge kleurlingen als leerlingen. Vele meesters verontschuldigen zich over het uitsluiten van de kleurlingen, door te zeggen, dat, wanneer zij het deden, alle andere knechten hen verlaten zouden. Hierop kan geantwoord worden, dat, indien zij dit doen in een Christelijken geest en met een Christelijk doel, het waarschijnlijk is, dat, indien hunne gezellen aanvankelijk vertrekken, zij later wel weder terug zullen komen,—allen ten minste op wier behoud zij prijs stellen.

Eene aanzienlijke modemaakster in eene onzer steden heeft, uit beginsel, gekleurde meisjes als leerlingen aangenomen, en ze aldus in staat gesteld om op eene eerlijke wijze haar brood te verdienen. Ik noodig de Christelijke werkbazen, van alle ambachten, uit, deze zaak met ernst te overwegen, en na te gaan of zij, door die arme menschen de hand te reiken en hen te brengen tot zedelijkheid, kennis en een stuk broods, niet eene dienst verrigten zullen, die de Heer aanmerken zal als Hem-zelven bewezen.

Eene andere zaak, die ik den Christenen ernstig op het hart druk, is het herstellen en in stand houden van die kerkelijke gemeenten van kleurlingen, die ontmoedigd en verbrokkeld zijn door de vlugtelingen-wet. In de stad Boston bevindt zich eene gemeente, die thans onder schulden en bezwaren zucht, doordien zij genoodzaakt is geweest hare eigene diakenenin te koopen, ten einde hen tegen de verschrikkingen van die wet te beveiligen.

Eindelijk: wij behoeven schier niet te zeggen, dat de Christenen in het Noorden zich onthouden moeten van alle regtstreeksche of zijdelingsche bemoeijing met den slavenhandel, hetzij door deelgenootschap in zuidelijke handelhuizen, hetzij door onsterfelijke wezens als onderpand voor schulden te aanvaarden. Het is noodeloos over dit punt verder uit te weiden: het spreekt krachtig genoeg.

Door al deze middelen moet de Christelijke Kerk in het Noorden zich zuiver houden van alle medepligtigheid aan de zonde der slavernij, en van de onchristelijke gebruiken en vooroordeelen, die er uit voortgevloeid zijn.

Het tweede middel, dat tot afschaffing der slavernij in het werk kan gesteld worden, isde kennis.

Ieder Christen behoort aandachtig en met biddenden geest dit slavernij-stelsel te onderzoeken. Hij moet het beschouwen als een onderwerp waaromtrent hij zich juiste begrippen en inzigten verschaffen en de openbare meening, die het krachtigste middel is, vormen moet. Menigeen onthoudt zich van het nagaan der statistiek van deze aangelegenheid, omdat hij niet gestemd is voor de menschen, welke die opgaven bijeengezameld hebben. Zij zeggen, dat zij niet van het gevoelen zijn der Abolitionisten, en willen daarom geen acht slaan op de bijgebragte cijfers en feiten. Dit is voorzeker verstandig noch redelijk. In alle andere omstandigheden waar het onze belangen betreft zijn wij zeer gretig in het opzamelen van inlichtingen, hetzij wij al dan niet overeenstemmen met de personen die ze ons verschaffen.

Ieder Christen behoort ernstig na te gaan in hoe verre ons nationaal gouvernement verbonden is en gebruikt wordt tot handhaving der slavernij. Oplettend speure hij na de slavenstatistiek van het district Columbia, en bovenal de statistiek van dat gewettigde stelsel van roof en verdrukking, waardoor honderden en duizenden jaarlijks aan huis en magen en al wat dierbaar is ontscheurd en naar het Zuiden gesleept en daar als beesten op de markten verkocht worden. De walm, opstijgende uit dien bodemloozen afgrond der ongeregtigheid, verduistert onze zon voor de oogen van alle volkeren; hetgekerm en geween overstemt den galm onzer psalmen en stichtelijke liederen. Alle natiën weten hoe het met onze zaak gelegen is; zal die dan voor ons alleen verborgen blijven? Zullen wij den moed, het geduld niet hebben onze eigene kwaal grondig te onderzoeken en de diepte van de wond te peilen?

Het derde middel tot afschaffing van de slavernij isdelankmoedigheid.

Het gemis van die eigenschap is het gebrek geweest van de tot nu toe in het werk gestelde pogingen. De vrienden der goede zaak zijn niet eensgezind geweest en hebben geen vrede gehad met elkanders meeningen. In de vroegere geschiedenis van dit onderwerp komt menige donkere bladzijde voor; maar is het niet inderdaad tijd, dat de vrienden der slaven het gebeurde vergeten en met vereende pogingen streven naar hetgeen in het verschiet ligt? De voorstanders van onmiddellijke afschaffing moeten de bevorderaars van eene trapsgewijze emancipatie niet met de namen van talmers en verraders bestempelen; de laatsten moeten ook de eersten niet drijvers en onruststokers noemen. Er is gewis een liefderijker weg tot wederzijdsche overtuiging te vinden. Waarheid in liefde gesproken zal steeds dieper doordringen dan waarheid in toorn geuit; voorshands is het groote doel, onze zuidelijke broederen te overreden, dat zij ten minste toteenigeemancipatie overgaan. Wanneer wij eerst zoover zijn, dat zij de overtuiging hebbenietste moeten doen, dán zal het de tijd zijn om het vraagstuk te behandelen of dit onmiddellijk of trapsgewijze zal moeten geschieden. Laten wij tot onze spreuk kiezen: „Daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar denzelfden regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen; en indien gij iets anderzins gevoelt, ook dat zal God u openbaren.”—„Laten wij aannemen zelfs hem die zwak is in den geloove maar niet tot ijdele zamensprekinge.” Wij moeten het goede, dat in sommigen is, niet wegwerpen, omdat het door eenige vlekken ontsierd wordt.

Gaan wij thans over tot de beschouwing van eene magt, zonder welke alle andere magten falen moeten:den Heiligen Geest.

De belijdenis van elke Christelijke Kerk, Roomsch, Grieksch, Episcopaalsch of Protestant, houdt in: „Ik geloof in den Heiligen Geest.” Doch hoe dikwijls leven en handelen Christenen van al die gezindheden, zelfs in Godsdienstige aangelegenheden,alsof zij nooit van een Heiligen Geest gehoord hadden. Zoo wij ons op onze eigene rede, op onze verbijsterde hartstogten, op onzen blinden zelfwil verlaten om de misbruiken uit den weg te ruimen, zullen wij hierin volstrektelijk falen. Er is eene in stilte werkende, overtuigende en onweêrstaanbare magt, die over het duistere en beroerde hart van den mensch zweeft gelijk zij vroeger zweefde over de duistere en beroerde wateren van den chaos, en licht uit de duisternis en orde uit de verwarring te voorschijn bragt.

Is het niet duidelijk voor ieder, die een vrijen blik werpt op de maatschappij, dat het menschelijk geslacht onderworpen is aan een zachten maar onweêrstaanbaren invloed, die te gemoet komt aan het geroep en verlangen naar eene aanstaande eeuw van welzijn? Wereldschgezinde menschen lezen in de teekenen der tijden en noemen het Geest der Eeuw; maar moet de Kerk het niet erkennen voor den Geest van God?

Men vergete echter niet, dat het geschenk van Zijn magtigen vernieuwenden invloed verbonden is aan de voorwaarde van het gebed. De krachtige werking, die met den Pinksterdag een aanvang nam, was voorafgegaan door vereenigde, vurige en onverpoosde gebeden. Even zulk een geest des gebeds moet voorafgaan aan de komst van den Heiligen Geest, om eene zoo groote omwenteling te bewerken als hier bedoeld wordt. Het vermogendste werktuig, dat God in ’s menschen hand gesteld heeft en waaraan al Zijne heerlijke beloften verknocht zijn, is het gebed. Alle vroegere vooroordeelen en veten hieromtrent moeten ter zijde gesteld worden en de geheele Kerk moet zich als één man vereenigen in ernstige, vurige gebeden. Hebben wij de belofte van den Heiligen Geest vergeten? Hebben wij vergeten, dat Hij ons eeuwig nabij zou wezen? Hebben wij vergeten, dat Hij de wereld zal oordeelen? o Goddelijke en Heilige Vertrooster! belofte des Vaders! gij, eenige Almagtige om op te klaren, te overtuigen en herboren te doen worden! keer weder, bidden wij, en bezoek dezen wijngaard, dien Gij geplant hebt! Bij U is niets onmogelijk; wat wij in onze zwakheid te naauwernood bevatten, kunt Gij verwezenlijken!

Nog een middel tot afschaffing der slavernij is gelegen inongeveinsde liefde.

Bij elken zedelijken strijd moet die partij, welke onder allen tegenstand en vervolging een Goddelijken, onwrikbarengeest van liefde weet te bewaren, ten slotte zegevieren. Zoo zijn de onveranderlijke wetten der zedelijke wereld. Toorn, baatzucht, naijver hebben allen zekere levenskracht. Dikwijls veroorzaken zij meer vertooning, gedruisch en tijdelijken indruk dan de liefde. Maar al die hartstogten dragen de kiem van zwakheid in haar boezem. De liefde, de liefde-alleen, is onsterfelijk; en wanneer reeds alle andere grovere uitingen der ziel zich-zelven vernietigd hebben, straalt de liefde steeds door als de poolster met een gloed die nimmer sterft.

Zoo wij dit werk ondernemen, moeten wij èn den slaaf èn den slavenhouder lief hebben. Wij moeten nimmer uit het oog verliezen, dat beiden onze broeders zijn. Wij moeten ons voorbereiden miskend, belasterd, gehaat te zullen worden. Hoe zouden wij zonder die onaangenaamheden een zoo magtig belang kunnen aantasten? Het moet onze voldoening zijn, trouwe vrienden te wezen, terwijl wij als bittere vijanden behandeld worden.

Deze heilige twiststrijd moet een kamp zijn van beginselen, niet van partijhaat. Wij moeten zorgen, dat hij in onze handen niet ontaarde in een afkeer van het Zuiden; en te dien einde behooren wij de beminnelijker hoedanigheden en loffelijker eigenschappen voor oogen te houden van degenen wier beginselen wij verpligt zijn te bestrijden. Belasteren zij ons, wij moeten in aanmerking nemen, dat wij hen in groote verzoeking brengen door instellingen aan te tasten, waarmede zij door duizende banden van belang en gewoonte verbonden zijn, zoodat zij grootendeels ongevoelig zijn geworden voor dat kwaad. De Apostel geeft ons voorschriften hoe wij met broederen, die ons smaden, handelen moeten: „Geeft acht, opdat ook gij niet in verzoeking komet.” Wij mogen dit op onszelven toepassen en bedenken, dat, indien wij blootgesteld waren geweest aan de verzoekingen die onze vrienden in het Zuiden omringen en wij dezelfde opvoeding ontvangen hadden, wij welligt zouden gevoelen, denken en handelen zoo als zij. Doch bij al die overwegingen moeten wij tevens bedenken, dat het geene ware liefde voor het Zuiden is, wanneer wij een verderfelijk stelsel handhaven en verdedigen; een stelsel, dat even nadeelig is voor den meester als voor den slaaf; een stelsel dat vruchtbare velden in woestenijen verandert, en dat schadelijk is voor opvoeding, zeden, Godsdienst en maatschappelijken vooruitgang; een stelsel, dat vele verstandige en achtenswaardigemannen in het Zuiden moede zijn, waaraan zij zich wenschen te onttrekken en ook jaarlijks door verhuizing werkelijk onttrekken. Evenzeer moeten wij niets laten afdingen op de regten van den slaaf; want ook hij is onze broeder en er is in zijn toestand eene reden om voor hem te spreken, die niet in het geval van zijn meester bestaat. Hij is arm, onbeschaafd, onwetend en kan niet voor zich-zelven het woord voeren. Wij moeten daarom des te naijveriger zijn op zijne regten. Wat wij ook afstaan,—nimmer moet dit geschieden met de regten van de hulpeloozen noch met de eeuwige beginselen van regt en zedelijkheid.

Nimmer moeten wij toegeven dat het eerlijk is, den werkman van zijn loon te berooven, ofschoon het, gelijk vele andere schandelijkheden, gebruikelijk en algemeen is, en zelfs achtenswaardige menschen onder den invloed van oude vooroordeelen zich daaraan schuldig maken. Nimmer moeten wij, zelfs maar voor een oogenblik, plaats geven aan de gedachte, dat een erfgenaam van het Godsrijk verkocht mag worden, al zij het ook een oud gebruik. Strengelijk moeten wij de heiligschennende leer verwerpen, dat menschelijke wezens voorwerpen van eigendom kunnen zijn.

Sommigen hebben het ongerijmd genoemd, beginselen en personen te scheiden, of aan te nemen, dat hij die eene slechte zaak voorstaat een goed mensch kan wezen. De ondervinding bewijst het tegendeel. De onregtvaardigste en tiranniekste stelsels zijn verdedigd door lieden, die persoonlijk regtvaardig en menschlievend waren. Het is treurig maar niet minder waar, dat er bijna geen kwaad of onregt bestaat, hetwelk niet ten eenigen tijde den steun der talenten van een achtenswaardig man genoten heeft.

Dit is een deel der beproevingen in onzen staat van onvolkomenheid hier beneden; zoo kwade stelsels hun eenigen steun ontleenden aan de slechten, onze zedelijke tucht zou veel minder streng en de aanval meer krachtig en openlijk kunnen zijn.

Wij voor ons zien hooge Christelijke wijsheid in de vroeger door ons opgeteekende aanmerking van eene arme slavin, wier heele leven verwoest was door dit stelsel, namelijk „dat wij de zonde moeten haten, maar den zondaar liefhebben.”

De laatste middelen tot afschaffing der slavernij zijnde wapenen der geregtigheid aan de regter- en aan de linkerzijde.

Hiermede bedoelen wij een ernstig gebruik van alle regtstreeksche, eerlijke en regtvaardige middelen, die tot de afschaffing van het slavernij-stelsel kunnen leiden. Iedereen in zijne betrekking moet zich daartegen verzetten. Al de drogredenen moeten beantwoord, de uit den Bijbel geputte verdedigingen door gezonde redenering en verklaring wederlegd worden. Iedere moeder behoorde haren kinderen het kwaad van dat stelsel te doen inzien. Ieder predikant moet zijne gemeente rondborstig en onverpoosd waarschuwen tegen medepligtigheid aan die zonde. Men zegt, dat dit zou zijn de politiek op den predikstoel brengen. Wij antwoorden, dat, aangezien de menschen in den oordeelsdag rekenschap zullen te geven hebben van hunne politieke handelingen, het niet ongepast kan gerekend worden, dat de predikant hen eenigzins van hunne politieke verantwoordelijkheid inlichte. Te dien dage zal Christus niemand vragen of hij tot deze of gene partij behoorde; maar wel, of hij zijne stem uitgebragt heeft in de vreeze Gods en tot uitbreiding van het rijk der geregtigheid.

Dikwijls heeft men aangemerkt, dat de slavernij eene zonde is, die op een afstand gepleegd wordt en waarmede wij niets te maken hebben. Zoo een predikant hiervan de proef wil nemen, hij predike daarover eens onomwonden en geloovig. Dan zal hij denkelijk bevinden, dat de wortelen van den giftigen boom uitgeschoten zijn tot onder de grondslagen der woningen van de Christenen in Nieuw-Engeland en dat zijne eigene gemeente in de zonde deelt.

Het aantasten van eene instelling waarin zoo veel van de politieke magt en den rijkdom dezer natie opgesloten ligt, is geen kinderspel, en zij die het ondernemen zullen spoedig ontwaren, dat zij niet alleen met vleesch en bloed te kampen hebben. Geene rusting is in dezen strijd proefhoudend dande wapenrusting der geregtigheid.

Onzen broederen in het Zuiden heeft God een doorniger pad ter bewandeling toegewezen. Het hart krimpt ineen bij de gedachte wat de geloovige Christen zal te verduren hebben, die deze instelling op haar eigen gebied aantast; maar hetmoetgeschieden. Hoe ging het in het Noorden? Men stelde pogingen in het werk om door behulp van het graauw de zaak te smoren. Drukpersen werden verbrijzeld, huizen neêrgerukt, bezittingen vernield. Brave mannen hielden echtermoedig stand; martelaarsbloed heeft gestroomd voor de vrijheid van spreken, en zoo is die vrijheid ook verworven. Tegenwoordig stelt niemand meer dergelijke argumenten in het werk: die dagen zijn voorbij. Ook in Kentucky heeft men op die wijze de discussie trachten te onderdrukken. Het oproerige graauw sloeg drukpersen in stukken en bedreigde het leven van sommige personen. Maar ook daar waren braven, die geen geweld of doodsbedreigingen vreesden; en het staat thans vrij in Kentucky, de emancipatie te bespreken. Het is een feit, dat het Zuiden thans de zaak der slavernijmoetbehandelen. Hetkandat vraagstuk niet weren, ten zij beslag gelegd worde op de litteratuur van de geheele beschaafde wereld. Indien het eene Goddelijke zaak is, waarom vreest men dan zoo zeer haar aan te roeren? Wat uit God is kan door de vrije bespreking der geheele wereld niet weggecijferd worden. Er moet en zal discussie komen; men heeft daartoe alleen onversaagde mannen als aanvoerders noodig.

Broeders in het Zuiden! Velen uwer hebben de innige overtuiging dat de slavernij eene zonde, een vreeselijk kwaad is; doch gij zijt beducht, dat, indien gij voor uwe gevoelens uitkomt en die tracht te bevorderen, vervolging, verdriet en zelfs de dood u te wachten staan. Hoe kunnen wij dan van u vergen, dat gij op den voorgrond zult treden?Wijvergen het ook niet. Hoe zullenwij, die zwak, besluiteloos en wereldschgezind zijn, van u vergen hetgeen wij-zelven welligt niet zouden durven verrigten? Maar wij zullen bidden, datHijtot u spreke, die meer dan dit ondernam en verduurde om uwentwille en die u sterkte geven kan om dit nu om Zijnentwille te ondernemen en te verduren. Hij kan u verheffen boven alle tijdelijke en wereldsche begrippen. Hij kan u bezielen met die liefde voor Hem, die u gewillig vader en moeder en vrouw en kind doet verlaten, om zelfs het leven voor Zijne eer te verliezen. En zoo Hij u immer brengt tot die plaats waar gij en deze wereld elkander een laatst vaarwel zeggen, waar gij u voorbereidt om alles voor Zijne dienst te wagen, waar leven noch dood, verledenheid noch toekomst u in dit besluit kunnen doen wankelen,—dan zult gij eene blijdschap kennen die elke andere blijdschap te boven gaat, en een vrede zoo bestendig en onveranderlijk als de eeuwige Godheid waaruit zij ontspringt.

Dierbare broederen! moet dit stelsel ten eeuwigen dage inuw land blijven bestaan? Kunt gij deze slavenwetten beschouwen als iets anders dan als een gruwel voor den regtvaardigen God? Kunt gij dien binnenlandschen slavenhandel voor iets anders houden dan voor een doorn in Zijn oog?

Wij bidden u, werpt een blik in die verschrikkelijke slavengevangenissen in uwe steden; volgt het bloedige kielspoor van de schepen langs uwe kusten. Hoe onderstelt gij, dat het Lam Gods over al die dingen denkt? Wat denkt Hij van al dat gekerm, die hartverscheuring en dien zielsangst,—Hij wiens hart zoo teeder was, dat Hij aan het graf van Lazarus tranen stortte over eene smart, die Hij zoo spoedig weder in blijdschap zou doen verkeeren? Wat denkt Hij van Christelijke vrouwen die aan hare mannen, mannen die aan hunne vrouwen ontscheurd worden? Wat denkt Hij van Christendochters, welke Zijne Kerk eerst doopt, onderwijst en opvoedt en dan als een handels-artikel verkoopen laat?

Denkt gij dat gebeden, als die van den armen Paul Edmondson, sterfbedden als dat van Emily Russell, zonder aandoening gezien worden door dien goedertieren Verlosser, die, hetgeen Zijn minsten dienstknecht aangedaan wordt, beschouwt als Hem-Zelven aangedaan?

Is, o Christen! wanneer gij het verhaal van Jezus’ lijden laast, nooit het denkbeeld bij u opgekomen, dat gij gaarne met Hem zoudt geleden hebben? Is het u nooit voorgekomen als bijna oneerlijk, dat gij het eeuwige leven zoudt aannemen als prijs van de smarten, die Hij voor u verduurd heeft, terwijl gij geenerlei kruis voor Hem draagt? Hebt gij ooit gewenscht, dat gij met Hem hadt mogen waken in die bittere ure in den hof van Gethsemané, toen zelfs Zijne uitverkorenen sliepen? Hebt gij ooit gewenscht, dat gij bij Hem hadt mogen zijn toen allen Hem verzaakten en vloden,—dat gij Hem hadt mogen erkennen toen Petrus hem verloochende,—dat gij Hem hadt mogen vereeren toen Hij bespot en aangespuwd werd? Zoudt gij het als te groote eere rekenen, wanneer gij, gelijk Maria, Hem hadt kunnen volgen naar het kruis, en daar had kunnen staan als een lijdzaam deelgenoot in dien doodstrijd, die geen medelijden vond?Datkunt gij niet doen. Die ure is voorbij gegaan. Christus is thans verheven, gekroond, verheerlijkt; ieder spreekt wèl van Hem; rijke Kerken rijzen op ter Zijner eere en kostbare offeranden worden Hemopgedragen. Welke kans hebt gij onder de menigte om uwe liefde te bewijzen, om te doen zien dat gij Hem zoudt bijblijven wanneer hij onttroond, veracht, verzocht, verraden en lijdende was? Kunt gij het door iets anders toonen dan door de zaak der arme verworpelingen te omhelzen? Zoo er een volk is binnen uwe landpalen dat door de menschen veracht en verstooten wordt, dat gebogen gaat onder de verdrukking en grijs is in de smarte, terwijl de geheele magt van rijkdom en gebruiken, van politieken en van wereldlijken invloed tegen hunne zaak te velde trekt,—Christenen, dáár kunt gij Christus verheerlijken!

Zoo gij u met onverschilligheid van deze zaak afwendt: „zoo gij verzuimt te bevrijden die in de kaken des doods zijn, en die verslagen dreigen te worden; zoo gij zegt: Zie, wij wisten het niet; zal dan Hij, die het harte beproeft, dit aannemen? en Hij, die de ziel in Zijne hand heeft, weet Hij het niet? Zal Hij niet een iegelijk vergelden naar zijne werken?”

Zal Hij niet in den oordeelsdag tot u zeggen: „Ik ben geweest in de slaven-gevangenis, in de slaven-karavaan. Ik ben verkocht op uwe markten; Ik heb om niet gezwoegd op uwe velden; in uwe geregtshoven heeft men Mij den mond toegewrongen; Mij is geweigerd Mijne eigene kerkdienst bij te wonen, en gij hebt u des niet aangetrokken. Gij gingt, de een naar zijne hoeve, de andere naar zijne koopwaren.” En indien gij zult vragen: „Wanneer, o Heer, is dit geschied?” dan zal Hij u antwoorden: „Voor zoo veel gij dit gedaan hebt aan den minste van deze Mijne broederen, hebt gij het Mij gedaan.”

EINDE.


Back to IndexNext